Titus

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3

NBG 1951

KJV 1611

STATEN 1637

TT 1:1 Paulus, een dienstknecht van God, een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods en de erkentenis van de waarheid, die naar de godsvrucht is,

1 Paul, a servant of God, and an apostle of Jesus Christ, according to the faith of God's elect, and the acknowledging of the truth which is after godliness;

1 Paulus, een dienstknecht Gods, en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is;

TT 1:2 in de hoop des eeuwigen levens, dat God, die niet liegt, vóór eeuwige tijden beloofd heeft,

2 In hope of eternal life, which God, that cannot lie, promised before the world began;

2 In de hoop des eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden der eeuwen,

terwijl Hij te zijner tijd zijn woord heeft openbaar gemaakt in de verkondiging,

3 But hath in due times manifested his word through preaching,

maar geopenbaard heeft te Zijner tijd;

3 [Namelijk] Zijn Woord, door de prediking,

TT 1:3 die mij is toevertrouwd in opdracht van God, onze Heiland:

which is committed unto me according to the commandment of God our Saviour;

die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker;

TT 1:4 aan Titus, mijn waar kind krachtens (ons) gemeenschappelijk geloof:

4 To Titus, [mine] own son after the common faith:

aan Titus, [mijn] oprechte zoon, naar het gemeen geloof:

genade zij u en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heiland.

Grace, mercy, [and] peace, from God the Father and the Lord Jesus Christ our Saviour.

4 Genade, barmhartigheid, vrede zij [u] van God den Vader, en den Heere Jezus Christus, onzen Zaligmaker.

TT 1:5 Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij in orde zoudt brengen hetgeen nog verbetering behoefde, en dat gij, zoals ik u opdroeg, in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen,

5 For this cause left I thee in Crete, that thou shouldest set in order the things that are wanting, and ordain elders in every city, as I had appointed thee:

5 Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat gij, hetgeen [nog] ontbrak, voorts zoudt te recht brengen, en [dat] gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:

TT 1:6 die onberispelijk zijn, één vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten.

6 If any be blameless, the husband of one wife, having faithful children not accused of riot or unruly.

6 Indien iemand onberispelijk is, ener vrouwe man, gelovige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn.

TT 1:7 Want een opziener moet onberispelijk zijn als een beheerder van het huis Gods, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst uit,

7 For a bishop must be blameless, as the steward of God; not selfwilled, not soon angry, not given to wine, no striker, not given to filthy lucre;

7 Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewinzoeker;

TT 1:8 maar gastvrij, met liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen,

8 But a lover of hospitality, a lover of good men, sober, just, holy, temperate;

8 Maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuis;

TT 1:9 zich houdende aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen.

9 Holding fast the faithful word as he hath been taught, that he may be able by sound doctrine both to exhort and to convince the gainsayers.

9 Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen.

TT 1:10 Want velen willen van geen tucht weten: het zijn ijdele praters en misleiders, vooral die uit de besnijdenis zijn.

10 For there are many unruly and vain talkers and deceivers, specially they of the circumcision:

10 Want er zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn;

TT 1:11 Men moet hun de mond snoeren, daar zij gehele gezinnen ondersteboven keren en, om oneerlijke winst te maken, onbehoorlijke dingen leren.

11 Whose mouths must be stopped, who subvert whole houses, teaching things which they ought not, for filthy lucre's sake.

11 Welken men moet den mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.

TT 1:12 Iemand uit hun kring, hun eigen profeet, heeft gezegd: Leugenaars zijn de Kretenzen altijd, beesten en vadsige buiken.

12 One of themselves, [even] a prophet of their own, said, The Cretians [are] alway liars, evil beasts, slow bellies.

12 Een uit hen, zijnde hun eigen profeet, heeft gezegd: De Kretensen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken.

TT 1:13 Dit getuigenis is waar. Daarom, weerleg hen kortweg, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof,

13 This witness is true. Wherefore rebuke them sharply, that they may be sound in the faith;

13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof.

TT 1:14 en niet het oor lenen aan Joodse verdichtsels en geboden van mensen, die zich van de waarheid afkeren.

14 Not giving heed to Jewish fables, and commandments of men, that turn from the truth.

14 En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden der mensen, die [hen] van de waarheid afkeren.

TT 1:15 Alles is rein voor de reinen, maar voor hen, die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein. Maar bij hen zijn zowel het denken als het geweten besmet.

15 Unto the pure all things [are] pure: but unto them that are defiled and unbelieving [is] nothing pure; but even their mind and conscience is defiled.

15 Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt.

TT 1:16 Zij belijden wel, dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk.

16 They profess that they know God; but in works they deny [him], being abominable, and disobedient, and unto every good work reprobate.

16 Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen [Hem] met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt.

TT 2:1 Maar gij, kom uit voor hetgeen met de gezonde leer strookt.

1 But speak thou the things which become sound doctrine:

1 Doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt.

TT 2:2 Oude mannen moeten nuchter zijn, waardig, bezadigd, gezond in het geloof, de liefde en de volharding.

2 That the aged men be sober, grave, temperate, sound in faith, in charity, in patience.

2 Dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid.

TT 2:3 Oude vrouwen eveneens, priesterlijk in haar optreden, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, in het goede onderrichtende,

3 The aged women likewise, that [they be] in behaviour as becometh holiness, not false accusers, not given to much wine, teachers of good things;

3 De oude vrouwen insgelijks, dat zij in [haar] dracht zijn, gelijk den heiligen betaamt, dat zij geen lasteraarsters zijn, zich niet tot veel wijns begevende, [maar] leraressen zijn van het goede;

TT 2:4 zodat zij de jonge vrouwen opwekken man en kinderen lief te hebben,

4 That they may teach the young women to be sober, to love their husbands, to love their children,

4 Opdat zij de jonge [vrouwen] leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben;

TT 2:5 bezadigd, kuis, huishoudelijk, goed en aan haar man onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde.

5 [To be] discreet, chaste, keepers at home, good, obedient to their own husbands, that the word of God be not blasphemed.

5 Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde.

TT 2:6 Vermaan evenzo de jonge mannen bezadigd te zijn in alles,

6 Young men likewise exhort to be sober minded.

6 Vermaan den jonge [mannen] insgelijks, dat zij matig zijn.

TT 2:7 houd (hun) in uzelf een voorbeeld voor van goede werken, zuiverheid in de leer, waardigheid,

7 In all things shewing thyself a pattern of good works: in doctrine [shewing] uncorruptness, gravity, sincerity,

7 Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, [betoon] in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid;

TT 2:8 een gezonde prediking, waarop niets valt aan te merken, opdat de tegenstander tot zijn beschaming niets ongunstigs van ons hebbe te zeggen.

8 Sound speech, that cannot be condemned; that he that is of the contrary part may be ashamed, having no evil thing to say of you.

8 Het woord gezond [en] onverwerpelijk, opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van ulieden te zeggen.

TT 2:9 De slaven moeten hun meesters onderdanig zijn in alles, het hun naar de zin maken zonder tegenspraak,

9 [Exhort] servants to be obedient unto their own masters, [and] to please [them] well in all [things]; not answering again;

9 [Vermaan] den dienstknechten, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende;

TT 2:10 of oneerlijkheid, maar alle goede trouw bewijzen, om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken.

10 Not purloining, but shewing all good fidelity; that they may adorn the doctrine of God our Saviour in all things.

10 Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God, onzen Zaligmaker, in alles mogen versieren.

TT 2:11 Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen,

11 For the grace of God that bringeth salvation hath appeared to all men,

11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.

TT 2:12 om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven,

12 Teaching us that, denying ungodliness and worldly lusts, we should live soberly, righteously, and godly, in this present world;

12 En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;

TT 2:13 verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus,

13 Looking for that blessed hope, and the glorious appearing of the great God and our Saviour Jesus Christ;

13 Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;

TT 2:14 die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.

14 Who gave himself for us, that he might redeem us from all iniquity, and purify unto himself a peculiar people, zealous of good works.

14 Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.

TT 2:15 Spreek hiervan, vermaan en weerleg met alle nadruk: niemand mag u verachten.

15 These things speak, and exhort, and rebuke with all authority. Let no man despise thee.

15 Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte.

TT 3:1 Herinner hen eraan, dat zij zich aan overheid en gezag onderwerpen, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid zijn,

1 Put them in mind to be subject to principalities and powers, to obey magistrates, to be ready to every good work,

1 Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij [hun] gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn;

TT 3:2 geen lastertaal uiten, niet twisten, vriendelijk zijn en alle zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen.

2 To speak evil of no man, to be no brawlers, [but] gentle, shewing all meekness unto all men.

2 Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, [maar] bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.

TT 3:3 Want vroeger waren ook wij verdwaasd, ongehoorzaam, dwalende, verslaafd aan velerlei begeerten en zingenot, levende in boosheid en nijd, hatelijk en elkander hatende.

3 For we ourselves also were sometimes foolish, disobedient, deceived, serving divers lusts and pleasures, living in malice and envy, hateful, [and] hating one another.

3 Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, [en] elkander hatende.

TT 3:4 Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland (en) God verscheen,

4 But after that the kindness and love of God our Saviour toward man appeared,

4 Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en [Zijn] liefde tot de mensen verschenen is,

TT 3:5 heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de heilige Geest,

5 Not by works of righteousness which we have done, but according to his mercy he saved us, by the washing of regeneration, and renewing of the Holy Ghost;

5 Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;

TT 3:6 die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland,

6 Which he shed on us abundantly through Jesus Christ our Saviour;

6 Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker;

TT 3:7 opdat wij, gerechtvaardigd door zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens.

7 That being justified by his grace, we should be made heirs according to the hope of eternal life.

7 Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.

TT 3:8 Dit is een getrouw woord en ik wil, dat gij op dit punt een krachtig getuigenis geeft, opdat zij, die hun vertrouwen op God gebouwd hebben, ervoor zorgen vooraan te staan in goede werken. Die zijn schoon en voor de mensen nuttig;

8 [This is] a faithful saying, and these things I will that thou affirm constantly, that they which have believed in God might be careful to maintain good works. These things are good and profitable unto men.

8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat gij ernstelijk bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den mensen.

TT 3:9 maar dwaze vragen, geslachtsregisters, twist, en strijd over de wet moet gij ontwijken, want dat is nutteloos en doelloos.

9 But avoid foolish questions, and genealogies, and contentions, and strivings about the law; for they are unprofitable and vain.

9 Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.

TT 3:10 Een mens, die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen;

10 A man that is an heretick after the first and second admonition reject;

10 Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning;

TT 3:11 gij weet immers, dat zo iemand het spoor geheel bijster is, en dat hij zondigt, terwijl hij zichzelf veroordeelt.

11 Knowing that he that is such is subverted, and sinneth, being condemned of himself.

11 Wetende, dat de zodanige verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zichzelf veroordeeld.

TT 3:12 Doe uw best, zodra ik Artemas of Tychikus tot u zend, tot mij te komen te Nikopolis, want ik heb besloten daar de winter door te brengen.

12 When I shall send Artemas unto thee, or Tychicus, be diligent to come unto me to Nicopolis: for I have determined there to winter.

12 Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo benaarstig u tot mij te komen te Nikopolis; want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren.

TT 3:13 Help Zenas, de wetgeleerde, en Apollos met alle ijver voort, opdat hun niets ontbreke.

13 Bring Zenas the lawyer and Apollos on their journey diligently, that nothing be wanting unto them.

13 Geleid Zenas, den wetgeleerde, en Apollos zorgvuldiglijk, opdat hun niets ontbreke.

TT 3:14 En laten ook de onzen leren vóór te gaan in goede werken, ter voorziening in hetgeen noodzakelijk is, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.

14 And let ours also learn to maintain good works for necessary uses, that they be not unfruitful.

14 En dat ook de onzen leren, goede werken voor te staan tot nodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.

TT 3:15 Allen, die bij mij zijn, laten u groeten. Groet hen, die ons in het geloof liefhebben. De genade zij met u allen.

15 All that are with me salute thee. Greet them that love us in the faith. Grace [be] with you all. Amen.

15 Die met mij zijn, groeten u allen. Groet ze, die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen.

 

[It was written to Titus, ordained the first bishop of the church of the Cretians, from Nicopolis of Macedonia.]