Spreuken

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31

NED. BIJBELGENOOTSCHAP 1951

KING JAMES VERSION 1611

STATENBIJBEL 1637

SP 1:1 De Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,

1 The proverbs of Solomon the son of David, king of Israel;

1 De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel,

SP 1:2 om wijsheid en tucht te verkrijgen, om verstandige woorden te verstaan,

2 To know wisdom and instruction; to perceive the words of understanding;

2 Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;

SP 1:3 om de tucht aan te nemen, die verstandig maakt, gerechtigheid en recht en rechtschapenheid;

3 To receive the instruction of wisdom, justice, and judgment, and equity;

3 Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;

SP 1:4 om de onverstandigen schranderheid, de jongeling kennis en bedachtzaamheid te geven.

4 To give subtilty to the simple, to the young man knowledge and discretion.

4 Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.

SP 1:5 De wijze hore en vermeerdere inzicht en wie verstandig is, verwerve overleg,

5 A wise [man] will hear, and will increase learning; and a man of understanding shall attain unto wise counsels:

5 Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.

SP 1:6 om te verstaan spreuk en beeldspraak, woorden en raadselen van wijzen.

6 To understand a proverb, and the interpretation; the words of the wise, and their dark sayings.

6 Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.

SP 1:7 De vreze des HEREN is het begin der kennis; de dwazen verachten wijsheid en tucht.

7 The fear of the LORD [is] the beginning of knowledge: [but] fools despise wisdom and instruction.

7 De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.

SP 1:8 Hoor, mijn zoon, de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet;

8 My son, hear the instruction of thy father, and forsake not the law of thy mother:

8 Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;

SP 1:9 want zij zijn een liefelijke krans voor uw hoofd, een keten voor uw hals.

9 For they [shall be] an ornament of grace unto thy head, and chains about thy neck.

9 Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.

SP 1:10 Mijn zoon, indien zondaren u willen verleiden, bewillig niet;

10 My son, if sinners entice thee, consent thou not.

10 Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;

SP 1:11 indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, laat ons de onschuldige belagen, ook al geeft hij geen oorzaak;

11 If they say, Come with us, let us lay wait for blood, let us lurk privily for the innocent without cause:

11 Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;

SP 1:12 laat ons hen levend verslinden evenals het dodenrijk, met huid en haar, gelijk degenen die in de groeve nederdalen;

12 Let us swallow them up alive as the grave; and whole, as those that go down into the pit:

12 Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;

SP 1:13 wij zullen allerlei kostbare dingen vinden, wij zullen onze huizen vullen met buit;

13 We shall find all precious substance, we shall fill our houses with spoil:

13 Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.

SP 1:14 gij zult met ons uw aandeel krijgen, één buidel zal er zijn voor ons allen -

14 Cast in thy lot among us; let us all have one purse:

14 Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.

SP 1:15 mijn zoon, ga niet met hen op weg; weerhoud uw voet van hun pad;

15 My son, walk not thou in the way with them; refrain thy foot from their path:

15 Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

SP 1:16 want hun voeten snellen naar het kwaad en haasten zich om bloed te vergieten.

16 For their feet run to evil, and make haste to shed blood.

16 Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.

SP 1:17 Want tevergeefs is het net uitgespannen voor de ogen van al wat vleugels heeft;

17 Surely in vain the net is spread in the sight of any bird.

17 Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;

SP 1:18 zij echter loeren op hun eigen bloed en leggen een hinderlaag voor hun eigen leven.

18 And they lay wait for their [own] blood; they lurk privily for their [own] lives.

18 En deze loeren op hun [eigen] bloed, en versteken zich tegen hun zielen.

SP 1:19 Zo zijn de paden van ieder die hunkert naar onrechtmatige winst, die haar bezitters het leven ontneemt.

19 So [are] the ways of every one that is greedy of gain; [which] taketh away the life of the owners thereof.

19 Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.

SP 1:20 De Wijsheid roept luide op de straat, op de pleinen verheft zij haar stem,

20 Wisdom crieth without; she uttereth her voice in the streets:

20 De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.

SP 1:21 op de hoek der rumoerige straten roept zij, bij de ingangen der poorten, in de stad, spreekt zij haar redenen:

21 She crieth in the chief place of concourse, in the openings of the gates: in the city she uttereth her words, [saying],

21 Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;

SP 1:22 Hoelang zult gij, onverstandigen, het onverstand liefhebben, zullen spotters aan spotternij een welgevallen hebben, en dwazen de kennis haten?

22 How long, ye simple ones, will ye love simplicity? and the scorners delight in their scorning, and fools hate knowledge?

22 Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?

SP 1:23 Keert u tot mijn vermaning! Zie, ik wil mijn geest voor u uitstorten, u mijn woorden bekendmaken.

23 Turn you at my reproof: behold, I will pour out my spirit unto you, I will make known my words unto you.

23 Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.

SP 1:24 Omdat gij weigerdet, toen ik riep, niemand acht gaf, toen ik mijn hand uitstrekte,

24 Because I have called, and ye refused; I have stretched out my hand, and no man regarded;

24 Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;

SP 1:25 gij al mijn raadgevingen in de wind sloegt, en mijn vermaning niet wildet,

25 But ye have set at nought all my counsel, and would none of my reproof:

25 En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;

SP 1:26 daarom zal ik ook lachen om uw verderf; ik zal spotten, wanneer uw verschrikking komen zal.

26 I also will laugh at your calamity; I will mock when your fear cometh;

26 Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.

SP 1:27 Wanneer uw verschrikking zal komen als een storm en uw verderf zal aansnellen als een wervelwind, wanneer benauwdheid en angst over u zullen komen,

27 When your fear cometh as desolation, and your destruction cometh as a whirlwind; when distress and anguish cometh upon you.

27 Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;

SP 1:28 dan zullen zij tot mij roepen, maar ik zal niet antwoorden, zij zullen mij zoeken, maar mij niet vinden.

28 Then shall they call upon me, but I will not answer; they shall seek me early, but they shall not find me:

28 Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;

SP 1:29 Omdat zij de kennis hebben gehaat en de vreze des HEREN niet hebben verkozen,

29 For that they hated knowledge, and did not choose the fear of the LORD:

29 Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.

SP 1:30 mijn raad niet hebben gewild, al mijn vermaningen hebben versmaad,

30 They would none of my counsel: they despised all my reproof.

30 Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;

SP 1:31 zullen zij eten van de vrucht van hun wandel en verzadigd worden van hun raadslagen.

31 Therefore shall they eat of the fruit of their own way, and be filled with their own devices.

31 Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.

SP 1:32 Want de afkerigheid der onverstandigen zal hen doden, de zorgeloosheid der dwazen zal hen te gronde richten.

32 For the turning away of the simple shall slay them, and the prosperity of fools shall destroy them.

32 Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.

SP 1:33 Maar wie naar mij luistert, zal gerust wonen, beveiligd tegen de verschrikking van het onheil.

33 But whoso hearkeneth unto me shall dwell safely, and shall be quiet from fear of evil.

33 Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.

SP 2:1 Mijn zoon, indien gij mijn woorden aanneemt en mijn geboden bij u bewaart,

1 My son, if thou wilt receive my words, and hide my commandments with thee;

1 Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;

SP 2:2 zodat uw oor de wijsheid opmerkt en gij uw hart neigt tot de verstandigheid,

2 So that thou incline thine ear unto wisdom, [and] apply thine heart to understanding;

2 Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; [zo] gij uw hart tot verstandigheid neigt;

SP 2:3 ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de verstandigheid uw stem verheft;

3 Yea, if thou criest after knowledge, [and] liftest up thy voice for understanding;

3 Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;

SP 2:4 indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten,

4 If thou seekest her as silver, and searchest for her as [for] hid treasures;

4 Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;

SP 2:5 dan zult gij de vreze des HEREN verstaan en de kennis Gods vinden.

5 Then shalt thou understand the fear of the LORD, and find the knowledge of God.

5 Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.

SP 2:6 Want de HERE geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandigheid;

6 For the LORD giveth wisdom: out of his mouth [cometh] knowledge and understanding.

6 Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond [komt] kennis en verstand.

SP 2:7 Hij bewaart hulp voor de oprechten, Hij is een schild voor wie onberispelijk wandelen,

7 He layeth up sound wisdom for the righteous: [he is] a buckler to them that walk uprightly.

7 Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;

SP 2:8 terwijl Hij waakt over de paden van het recht en de weg zijner gunstgenoten beschermt.

8 He keepeth the paths of judgment, and preserveth the way of his saints.

8 Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.

SP 2:9 Dan zult gij gerechtigheid en recht verstaan, ook rechtschapenheid, elke goede weg.

9 Then shalt thou understand righteousness, and judgment, and equity; [yea], every good path.

9 Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, [en] alle goed pad.

SP 2:10 Want de wijsheid zal in uw hart komen en de kennis zal voor uw ziel liefelijk zijn;

10 When wisdom entereth into thine heart, and knowledge is pleasant unto thy soul;

10 Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;

SP 2:11 bedachtzaamheid zal over u waken, verstandigheid zal u behoeden,

11 Discretion shall preserve thee, understanding shall keep thee:

11 Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;

SP 2:12 om u te redden van de boze weg, van de man die verkeerde dingen spreekt,

12 To deliver thee from the way of the evil [man], from the man that speaketh froward things;

12 Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;

SP 2:13 van hen die de rechte paden verlaten, om op duistere wegen te gaan;

13 Who leave the paths of uprightness, to walk in the ways of darkness;

13 [Van] [degenen], die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;

SP 2:14 die in kwaaddoen zich verheugen, juichen over boze draaierijen,

14 Who rejoice to do evil, [and] delight in the frowardness of the wicked;

14 Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;

SP 2:15 wier paden krom zijn en die op hun dwaalwegen gaan;

15 Whose ways [are] crooked, and [they] froward in their paths:

15 Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;

SP 2:16 om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende die gladde woorden spreekt,

16 To deliver thee from the strange woman, [even] from the stranger [which] flattereth with her words;

16 Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, [die] met haar redenen vleit;

SP 2:17 die de echtvriend van haar jeugd verlaat en het verbond van haar God vergeet;

17 Which forsaketh the guide of her youth, and forgetteth the covenant of her God.

17 Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;

SP 2:18 want haar huis zinkt weg naar de dood, haar paden voeren naar de schimmen;

18 For her house inclineth unto death, and her paths unto the dead.

18 Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.

SP 2:19 niet één van allen die tot haar gaan, keert weder, en zij bereiken de paden des levens niet;

19 None that go unto her return again, neither take they hold of the paths of life.

19 Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;

SP 2:20 opdat gij de weg der goeden bewandelt en de paden der rechtvaardigen bewaart.

20 That thou mayest walk in the way of good [men], and keep the paths of the righteous.

20 Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

SP 2:21 Want de oprechten zullen het land bewonen en de vromen zullen daarin overblijven,

21 For the upright shall dwell in the land, and the perfect shall remain in it.

21 Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;

SP 2:22 maar de goddelozen zullen uit het land worden uitgeroeid en de trouwelozen zullen eruit worden weggerukt.

22 But the wicked shall be cut off from the earth, and the transgressors shall be rooted out of it.

22 Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.

SP 3:1 Mijn zoon, vergeet mijn onderwijzing niet en uw hart beware mijn geboden,

1 My son, forget not my law; but let thine heart keep my commandments:

1 Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.

SP 3:2 want lengte van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.

2 For length of days, and long life, and peace, shall they add to thee.

2 Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.

SP 3:3 Dat liefde en trouw u niet verlaten! Bind ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart,

3 Let not mercy and truth forsake thee: bind them about thy neck; write them upon the table of thine heart:

3 Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.

SP 3:4 dan zult gij genegenheid en goedkeuring verwerven in de ogen van God en mensen.

4 So shalt thou find favour and good understanding in the sight of God and man.

4 En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.

SP 3:5 Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet.

5 Trust in the LORD with all thine heart; and lean not unto thine own understanding.

5 Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.

SP 3:6 Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken.

6 In all thy ways acknowledge him, and he shall direct thy paths.

6 Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.

SP 3:7 Wees niet wijs in eigen ogen, vrees de HERE en wijk van het kwaad;

7 Be not wise in thine own eyes: fear the LORD, and depart from evil.

7 Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.

SP 3:8 het zal medicijn wezen voor uw vlees, en lafenis voor uw gebeente.

8 It shall be health to thy navel, and marrow to thy bones.

8 Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.

SP 3:9 Vereer de HERE met uw rijkdom en met de eerstelingen van al uw inkomsten,

9 Honour the LORD with thy substance, and with the firstfruits of all thine increase:

9 Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten;

SP 3:10 dan zullen uw schuren met overvloed gevuld worden en uw perskuipen van most overstromen.

10 So shall thy barns be filled with plenty, and thy presses shall burst out with new wine.

10 Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen.

SP 3:11 Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des HEREN niet en keer u niet met weerzin af van zijn bestraffing.

11 My son, despise not the chastening of the LORD; neither be weary of his correction:

11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;

SP 3:12 Want de HERE bestraft wie Hij liefheeft, ja, gelijk een vader een zoon, aan wie hij welgevallen heeft.

12 For whom the LORD loveth he correcteth; even as a father the son [in whom] he delighteth.

12 Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, [in] [denwelken] hij een welbehagen heeft.

SP 3:13 Welzalig de mens die wijsheid vindt, de mens die verstandigheid verkrijgt;

13 Happy [is] the man [that] findeth wisdom, and the man [that] getteth understanding.

13 Welgelukzalig is de mens, [die] wijsheid vindt, en de mens, [die] verstandigheid voortbrengt!

SP 3:14 want wat zij opbrengt, is beter dan de opbrengst van zilver, wat zij doet gewinnen, is beter dan goud.

14 For the merchandise of it [is] better than the merchandise of silver, and the gain thereof than fine gold.

14 Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.

SP 3:15 Zij is kostbaarder dan koralen, al wat gij kunt begeren, kan haar niet evenaren.

15 She [is] more precious than rubies: and all the things thou canst desire are not to be compared unto her.

15 Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.

SP 3:16 Lengte van dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.

16 Length of days [is] in her right hand; [and] in her left hand riches and honour.

16 Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.

SP 3:17 Haar wegen zijn liefelijke wegen, al haar paden zijn vrede.

17 Her ways [are] ways of pleasantness, and all her paths [are] peace.

17 Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

SP 3:18 Een boom des levens is zij voor wie haar aangrijpen, wie haar vasthouden, zijn gelukkig te prijzen;

18 She [is] a tree of life to them that lay hold upon her: and happy [is every one] that retaineth her.

18 Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.

SP 3:19 de HERE heeft door wijsheid de aarde gegrond, door verstand de hemelen vastgesteld,

19 The LORD by wisdom hath founded the earth; by understanding hath he established the heavens.

19 De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.

SP 3:20 door zijn kennis zijn de waterdiepten gekliefd en druppelen de wolken dauw.

20 By his knowledge the depths are broken up, and the clouds drop down the dew.

20 Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.

SP 3:21 Mijn zoon, laat ze niet wijken uit uw ogen, bewaar overleg en bedachtzaamheid,

21 My son, let not them depart from thine eyes: keep sound wisdom and discretion:

21 Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.

SP 3:22 dan zullen wij het leven voor uw ziel zijn, een sieraad voor uw hals.

22 So shall they be life unto thy soul, and grace to thy neck.

22 Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.

SP 3:23 Dan zult gij uw weg veilig gaan, zonder dat uw voet zich stoot.

23 Then shalt thou walk in thy way safely, and thy foot shall not stumble.

23 Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.

SP 3:24 Indien gij u nederlegt, zult gij niet opschrikken, maar gij zult u nederleggen en uw slaap zal zoet zijn.

24 When thou liest down, thou shalt not be afraid: yea, thou shalt lie down, and thy sleep shall be sweet.

24 Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.

SP 3:25 Vrees niet voor plotselinge schrik, noch voor de ondergang der goddelozen, als hij komt.

25 Be not afraid of sudden fear, neither of the desolation of the wicked, when it cometh.

25 Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.

SP 3:26 Want de HERE zal uw betrouwen zijn, Hij zal uw voet bewaren, zodat hij niet gegrepen wordt.

26 For the LORD shall be thy confidence, and shall keep thy foot from being taken.

26 Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.

SP 3:27 Onthoud het goed niet aan wie het toekomt, terwijl het in uw macht is het te doen.

27 Withhold not good from them to whom it is due, when it is in the power of thine hand to do [it].

27 Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.

SP 3:28 Zeg niet tot uw naaste: Ga heen en kom terug, morgen zal ik geven - terwijl gij het hebt.

28 Say not unto thy neighbour, Go, and come again, and to morrow I will give; when thou hast it by thee.

28 Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is.

SP 3:29 Smeed geen kwaad tegen uw naaste, terwijl hij in goed vertrouwen met u verkeert.

29 Devise not evil against thy neighbour, seeing he dwelleth securely by thee.

29 Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.

SP 3:30 Twist niet met iemand zonder oorzaak, indien hij u geen kwaad heeft gedaan.

30 Strive not with a man without cause, if he have done thee no harm.

30 Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.

SP 3:31 Wees niet afgunstig op een man van geweld en verkies geen enkele van zijn wegen,

31 Envy thou not the oppressor, and choose none of his ways.

31 Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.

SP 3:32 want de HERE verafschuwt de verkeerde, maar met de oprechten gaat Hij vertrouwelijk om.

32 For the froward [is] abomination to the LORD: but his secret [is] with the righteous.

32 Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.

SP 3:33 De vloek des HEREN is in het huis des goddelozen, maar de woning der rechtvaardigen zegent Hij.

33 The curse of the LORD [is] in the house of the wicked: but he blesseth the habitation of the just.

33 De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.

SP 3:34 Wanneer Hij met spotters te doen heeft, spot Hij zelf, maar de nederigen geeft Hij genade.

34 Surely he scorneth the scorners: but he giveth grace unto the lowly.

34 Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.

SP 3:35 De wijzen beërven eer, maar de dwazen laden schande op zich.

35 The wise shall inherit glory: but shame shall be the promotion of fools.

35 De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.

SP 4:1 Hoort, zonen, de tucht van een vader, en weest opmerkzaam, om inzicht te verkrijgen,

1 Hear, ye children, the instruction of a father, and attend to know understanding.

1 Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.

SP 4:2 want ik geef u goede leer; verlaat mijn onderwijzing niet.

2 For I give you good doctrine, forsake ye not my law.

2 Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.

SP 4:3 Want toen ik nog als zoon bij mijn vader was, teder en een enig kind voor het aangezicht van mijn moeder,

3 For I was my father's son, tender and only [beloved] in the sight of my mother.

3 Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.

SP 4:4 onderwees hij mij en zeide tot mij: Laat uw hart mijn woorden vasthouden; onderhoud mijn geboden, opdat gij moogt leven.

4 He taught me also, and said unto me, Let thine heart retain my words: keep my commandments, and live.

4 Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.

SP 4:5 Verwerf wijsheid, verwerf inzicht, vergeet niet en wijk niet af van de woorden mijns monds.

5 Get wisdom, get understanding: forget [it] not; neither decline from the words of my mouth.

5 Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.

SP 4:6 Verlaat haar niet, dan zal zij u bewaren, heb haar lief, dan zal zij u behoeden.

6 Forsake her not, and she shall preserve thee: love her, and she shall keep thee.

6 Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.

SP 4:7 Het begin der wijsheid is: verwerf wijsheid en verwerf inzicht bij al wat gij bezit.

7 Wisdom [is] the principal thing; [therefore] get wisdom: and with all thy getting get understanding.

7 De wijsheid is het voornaamste; verkrijg [dan] wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.

SP 4:8 Houd haar hoog, dan zal zij u verheffen, zij zal u tot eer brengen, wanneer gij haar zult omhelzen.

8 Exalt her, and she shall promote thee: she shall bring thee to honour, when thou dost embrace her.

8 Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.

SP 4:9 Zij zal een liefelijke krans om uw hoofd leggen, een sierlijke kroon zal zij u schenken.

9 She shall give to thine head an ornament of grace: a crown of glory shall she deliver to thee.

9 Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.

SP 4:10 Hoor, mijn zoon, en neem mijn woorden aan, opdat uw levensjaren talrijk worden.

10 Hear, O my son, and receive my sayings; and the years of thy life shall be many.

10 Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.

SP 4:11 Ik onderricht u in de weg der wijsheid, ik doe u treden op rechte paden.

11 I have taught thee in the way of wisdom; I have led thee in right paths.

11 Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.

SP 4:12 Bij uw wandelen zal uw schrede niet belemmerd worden, wanneer gij loopt, zult gij niet struikelen.

12 When thou goest, thy steps shall not be straitened; and when thou runnest, thou shalt not stumble.

12 In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.

SP 4:13 Houd vast aan de tucht, laat haar niet los, bewaar haar, want zij is uw leven.

13 Take fast hold of instruction; let [her] not go: keep her; for she [is] thy life.

13 Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.

SP 4:14 Kom niet op het pad der goddelozen, betreed de weg der bozen niet.

14 Enter not into the path of the wicked, and go not in the way of evil [men].

14 Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.

SP 4:15 Mijd die, ga er niet over; wijk ervan af en ga voorbij.

15 Avoid it, pass not by it, turn from it, and pass away.

15 Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.

SP 4:16 Want zij kunnen niet slapen, wanneer zij geen kwaad kunnen doen; hun slaap wordt hun ontnomen, wanneer zij niet iemand kunnen doen struikelen;

16 For they sleep not, except they have done mischief; and their sleep is taken away, unless they cause [some] to fall.

16 Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet [iemand] hebben doen struikelen.

SP 4:17 want zij eten brood der goddeloosheid en drinken wijn van gewelddadigheid.

17 For they eat the bread of wickedness, and drink the wine of violence.

17 Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld.

SP 4:18 Maar het pad der rechtvaardigen is als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag.

18 But the path of the just [is] as the shining light, that shineth more and more unto the perfect day.

18 Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.

SP 4:19 De weg der goddelozen is als duisternis; zij weten niet, waarover zij kunnen struikelen.

19 The way of the wicked [is] as darkness: they know not at what they stumble.

19 De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.

SP 4:20 Mijn zoon, sla acht op mijn woorden, neig uw oor tot mijn uitspraken;

20 My son, attend to my words; incline thine ear unto my sayings.

20 Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.

SP 4:21 laat ze niet wijken uit uw ogen, bewaar ze diep in uw hart.

21 Let them not depart from thine eyes; keep them in the midst of thine heart.

21 Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.

SP 4:22 Want zij zijn leven voor wie ze vinden, genezing voor hun ganse lichaam.

22 For they [are] life unto those that find them, and health to all their flesh.

22 Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.

SP 4:23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.

23 Keep thy heart with all diligence; for out of it [are] the issues of life.

23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.

SP 4:24 Doe weg van u de valsheid van mond en houd ver van u de verkeerdheid der lippen.

24 Put away from thee a froward mouth, and perverse lips put far from thee.

24 Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

SP 4:25 Laten uw ogen voorwaarts blikken en uw oogopslag rechtuit zijn.

25 Let thine eyes look right on, and let thine eyelids look straight before thee.

25 Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.

SP 4:26 Laat uw voet een effen pad inslaan en laten al uw wegen vast zijn.

26 Ponder the path of thy feet, and let all thy ways be established.

26 Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.

SP 4:27 Wijk noch ter rechter-, noch ter linkerhand af, houd uw voet verwijderd van het kwade.

27 Turn not to the right hand nor to the left: remove thy foot from evil.

27 Wijk niet ter rechter [hand] of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.

SP 5:1 Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid, neig uw oor naar mijn verstandigheid,

1 My son, attend unto my wisdom, [and] bow thine ear to my understanding:

1 Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;

SP 5:2 om bedachtzaamheid in acht te nemen en laten uw lippen kennis bewaren.

2 That thou mayest regard discretion, and [that] thy lips may keep knowledge.

2 Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.

SP 5:3 Want van honigzeem druipen de lippen der vreemde vrouw, gladder dan olie is haar gehemelte,

3 For the lips of a strange woman drop [as] an honeycomb, and her mouth [is] smoother than oil:

3 Want de lippen der vreemde [vrouw] druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.

SP 5:4 maar op het laatst is zij bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.

4 But her end is bitter as wormwood, sharp as a twoedged sword.

4 Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.

SP 5:5 Haar voeten dalen af naar de dood, haar schreden raken het dodenrijk.

5 Her feet go down to death; her steps take hold on hell.

5 Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.

SP 5:6 Opdat gij het pad des levens niet zoudt inslaan, zijn haar gangen doolwegen, zonder dat gij het weet.

6 Lest thou shouldest ponder the path of life, her ways are moveable, [that] thou canst not know [them].

6 Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, [dat] gij het niet merkt.

SP 5:7 Nu dan, zonen, luistert naar mij en wijkt niet af van de woorden mijns monds.

7 Hear me now therefore, O ye children, and depart not from the words of my mouth.

7 Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

SP 5:8 Houd uw weg ver van haar, nader niet tot de deur van haar huis,

8 Remove thy way far from her, and come not nigh the door of her house:

8 Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

SP 5:9 opdat gij uw luister niet aan anderen geeft noch uw jaren aan een meedogenloze;

9 Lest thou give thine honour unto others, and thy years unto the cruel:

9 Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;

SP 5:10 opdat vreemden zich niet verzadigen met uw vermogen, en uw moeizaam verworven goed niet kome in het huis van een onbekende,

10 Lest strangers be filled with thy wealth; and thy labours [be] in the house of a stranger;

10 Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet [kome] in het huis des onbekenden;

SP 5:11 zodat gij in het laatst zoudt kermen, als uw vlees en uw lijf verteerd zijn,

11 And thou mourn at the last, when thy flesh and thy body are consumed,

11 En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;

SP 5:12 en gij zoudt zeggen: Hoe heb ik de tucht kunnen haten en heeft mijn hart de vermaning kunnen versmaden;

12 And say, How have I hated instruction, and my heart despised reproof;

12 En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!

SP 5:13 waarom heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn leermeesters, heb ik mijn oor niet geneigd naar hen die mij onderrichtten!

13 And have not obeyed the voice of my teachers, nor inclined mine ear to them that instructed me!

13 En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!

SP 5:14 Bijna was ik in alle kwaad geraakt - te midden van de gemeente en de vergadering.

14 I was almost in all evil in the midst of the congregation and assembly.

14 Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!

SP 5:15 Drink water uit uw eigen regenbak en welwater uit uw eigen bornput.

15 Drink waters out of thine own cistern, and running waters out of thine own well.

15 Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;

SP 5:16 Moeten uw bronnen op straat overstromen, (uw) waterbeken op de pleinen?

16 Let thy fountains be dispersed abroad, [and] rivers of waters in the streets.

16 Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, [en] de waterbeken op de straten;

SP 5:17 Zij moeten voor u alleen zijn, niet voor vreemden nevens u.

17 Let them be only thine own, and not strangers' with thee.

17 Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.

SP 5:18 Uw bron zij gezegend, verheug u over de vrouw uwer jeugd:

18 Let thy fountain be blessed: and rejoice with the wife of thy youth.

18 Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;

SP 5:19 een liefelijke hinde, een bekoorlijke ree; laat haar boezem u te allen tijde vreugdedronken maken, wees bestendig verrukt over haar liefkozingen.

19 [Let her be as] the loving hind and pleasant roe; let her breasts satisfy thee at all times; and be thou ravished always with her love.

19 Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.

SP 5:20 Waarom zoudt gij dan, mijn zoon, afdwalen naar een vreemde, de boezem van een onbekende omarmen?

20 And why wilt thou, my son, be ravished with a strange woman, and embrace the bosom of a stranger?

20 En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?

SP 5:21 Want voor de ogen des HEREN liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen.

21 For the ways of man [are] before the eyes of the LORD, and he pondereth all his goings.

21 Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.

SP 5:22 Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken zijner zonde raakt hij vast.

22 His own iniquities shall take the wicked himself, and he shall be holden with the cords of his sins.

22 Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.

SP 5:23 Hij sterft, omdat tucht hem ontbreekt, door zijn grote dwaasheid verdwaalt hij.

23 He shall die without instruction; and in the greatness of his folly he shall go astray.

23 Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.

SP 6:1 Mijn zoon, indien gij borg zijt geworden voor uw naaste, voor een vreemde uw handslag hebt gegeven;

1 My son, if thou be surety for thy friend, [if] thou hast stricken thy hand with a stranger,

1 Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;

SP 6:2 als gij verstrikt zijt door de woorden van uw mond, gevangen zijt door de woorden van uw mond -

2 Thou art snared with the words of thy mouth, thou art taken with the words of thy mouth.

2 Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.

SP 6:3 doe dan toch dit, mijn zoon, en red u, want gij zijt in de greep van uw naaste gekomen: ga, klamp uw naaste aan en bestorm hem;

3 Do this now, my son, and deliver thyself, when thou art come into the hand of thy friend; go, humble thyself, and make sure thy friend.

3 Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.

SP 6:4 gun uw ogen geen slaap en uw oogleden geen sluimering;

4 Give not sleep to thine eyes, nor slumber to thine eyelids.

4 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.

SP 6:5 red u als een gazelle van de vangst, als een vogel uit de hand van de vogelaar.

5 Deliver thyself as a roe from the hand [of the hunter], and as a bird from the hand of the fowler.

5 Red u, als een ree uit de hand [des] [jagers], en als een vogel uit de hand des vogelvangers.

SP 6:6 Ga tot de mier, gij luiaard, zie haar wegen en word wijs:

6 Go to the ant, thou sluggard; consider her ways, and be wise:

6 Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;

SP 6:7 hoewel zij geen aanvoerder heeft, noch leidsman, noch heerser,

7 Which having no guide, overseer, or ruler,

7 Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,

SP 6:8 bereidt zij in de zomer haar brood, verzamelt zij in de oogst haar spijs.

8 Provideth her meat in the summer, [and] gathereth her food in the harvest.

8 Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.

SP 6:9 Hoelang, luiaard, zult gij neerliggen, wanneer zult gij opstaan uit uw slaap?

9 How long wilt thou sleep, O sluggard? when wilt thou arise out of thy sleep?

9 Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?

SP 6:10 Nog even slapen, nog even sluimeren, nog even liggen met gevouwen handen -

10 [Yet] a little sleep, a little slumber, a little folding of the hands to sleep:

10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;

SP 6:11 daar komt uw armoede over u als een snelle loper en uw gebrek als een gewapend man.

11 So shall thy poverty come as one that travelleth, and thy want as an armed man.

11 Zo zal uw armoede [u] overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

SP 6:12 Een nietsnut, een onheilstichter is hij, die met bedrieglijke mond rondgaat,

12 A naughty person, a wicked man, walketh with a froward mouth.

12 Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;

SP 6:13 die met zijn ogen knipt, met zijn voeten schuifelt, met zijn vingers wijst,

13 He winketh with his eyes, he speaketh with his feet, he teacheth with his fingers;

13 Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;

SP 6:14 in wiens hart draaierijen zijn, die aldoor kwaad smeedt, die twist stookt.

14 Frowardness [is] in his heart, he deviseth mischief continually; he soweth discord.

14 In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.

SP 6:15 Daarom komt plotseling zijn ondergang, in een oogwenk wordt hij onherstelbaar verbrijzeld.

15 Therefore shall his calamity come suddenly; suddenly shall he be broken without remedy.

15 Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.

SP 6:16 Deze zes dingen haat de HERE, ja, zeven zijn Hem een hartgrondige gruwel:

16 These six [things] doth the LORD hate: yea, seven [are] an abomination unto him:

16 Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:

SP 6:17 hoogmoedige ogen, een valse tong, handen die onschuldig bloed vergieten,

17 A proud look, a lying tongue, and hands that shed innocent blood,

17 Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;

SP 6:18 een hart dat heilloze plannen smeedt, voeten die zich haasten om naar het kwade te snellen,

18 An heart that deviseth wicked imaginations, feet that be swift in running to mischief,

18 Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;

SP 6:19 wie leugens uitblaast als een vals getuige en wie twist stookt tussen broeders.

19 A false witness [that] speaketh lies, and he that soweth discord among brethren.

19 Een vals getuige, [die] leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.

SP 6:20 Bewaar, mijn zoon, het gebod van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet.

20 My son, keep thy father's commandment, and forsake not the law of thy mother:

20 Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.

SP 6:21 Bind ze bestendig op uw hart, hang ze om uw hals.

21 Bind them continually upon thine heart, [and] tie them about thy neck.

21 Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.

SP 6:22 Als gij op weg zijt, moge het u leiden; als gij u nederlegt, moge het over u waken, als gij wakker wordt, moge het u toespreken.

22 When thou goest, it shall lead thee; when thou sleepest, it shall keep thee; and [when] thou awakest, it shall talk with thee.

22 Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve [met] u spreken.

SP 6:23 Want het gebod is een lamp en de onderwijzing een licht, de vermaningen der tucht zijn een weg ten leven,

23 For the commandment [is] a lamp; and the law [is] light; and reproofs of instruction [are] the way of life:

23 Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;

SP 6:24 om u te bewaren voor de slechte vrouw, voor de gladde tong der onbekende.

24 To keep thee from the evil woman, from the flattery of the tongue of a strange woman.

24 Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.

SP 6:25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, laat zij u niet vangen met haar wimpers.

25 Lust not after her beauty in thine heart; neither let her take thee with her eyelids.

25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.

SP 6:26 Want ter wille van een hoer (vervalt men) tot een schamel stuk brood, en eens anders vrouw maakt jacht op een kostbaar leven.

26 For by means of a whorish woman [a man is brought] to a piece of bread: and the adulteress will hunt for the precious life.

26 Want door een vrouw, [die] een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.

SP 6:27 Zal iemand vuur in zijn boezem halen, zonder dat zijn klederen in brand geraken?

27 Can a man take fire in his bosom, and his clothes not be burned?

27 Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?

SP 6:28 Of zal iemand op gloeiende kolen lopen, zonder dat zijn voeten verbranden?

28 Can one go upon hot coals, and his feet not be burned?

28 Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?

SP 6:29 Aldus hij, die tot de vrouw van zijn naaste komt; niemand die haar aanraakt, gaat vrijuit.

29 So he that goeth in to his neighbour's wife; whosoever toucheth her shall not be innocent.

29 Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.

SP 6:30 Men veracht een dief niet, wanneer hij steelt om zijn begeerte te bevredigen, als hij honger heeft,

30 [Men] do not despise a thief, if he steal to satisfy his soul when he is hungry;

30 Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;

SP 6:31 maar betrapt zijnde, moet hij zevenvoudige vergoeding geven, al het goed van zijn huis moet hij geven.

31 But [if] he be found, he shall restore sevenfold; he shall give all the substance of his house.

31 En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.

SP 6:32 Wie overspel pleegt met een vrouw, is verstandeloos; wie dit doet, richt zichzelf te gronde.

32 [But] whoso committeth adultery with a woman lacketh understanding: he [that] doeth it destroyeth his own soul.

32 [Maar] die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;

SP 6:33 Schade en schande verkrijgt hij, zijn smaad is onuitwisbaar.

33 A wound and dishonour shall he get; and his reproach shall not be wiped away.

33 Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.

SP 6:34 Want jaloersheid is vuurgloed in een man, hij kent geen mededogen ten dage der wraak;

34 For jealousy [is] the rage of a man: therefore he will not spare in the day of vengeance.

34 Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.

SP 6:35 hij aanvaardt geen enkel zoenmiddel, en blijft onverbiddelijk, al geeft gij een nog zo groot geschenk.

35 He will not regard any ransom; neither will he rest content, though thou givest many gifts.

35 Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.

SP 7:1 Mijn zoon, bewaar mijn redenen en leg mijn geboden bij u weg.

1 My son, keep my words, and lay up my commandments with thee.

1 Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.

SP 7:2 Bewaar mijn geboden en leef, en mijn onderwijzing als uw oogappel.

2 Keep my commandments, and live; and my law as the apple of thine eye.

2 Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.

SP 7:3 Bind ze aan uw vingers, schrijf ze op de tafel van uw hart.

3 Bind them upon thy fingers, write them upon the table of thine heart.

3 Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.

SP 7:4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster, en noem het verstand (uw) vertrouweling,

4 Say unto wisdom, Thou [art] my sister; and call understanding [thy] kinswoman:

4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;

SP 7:5 om u te bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende, die gladde woorden spreekt.

5 That they may keep thee from the strange woman, from the stranger [which] flattereth with her words.

5 Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, [die] met haar redenen vleit.

SP 7:6 Want ik keek eens uit het raam van mijn huis, door mijn tralievenster,

6 For at the window of my house I looked through my casement,

6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;

SP 7:7 en ik zag rond onder de onverstandigen, ik merkte onder de jongelieden een verstandeloze knaap,

7 And beheld among the simple ones, I discerned among the youths, a young man void of understanding,

7 En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;

SP 7:8 die over de straat ging, dicht bij haar hoek, en in de richting van haar huis stapte,

8 Passing through the street near her corner; and he went the way to her house,

8 Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.

SP 7:9 in de schemering, aan de avond van de dag, ten tijde van de nacht en de donkerheid;

9 In the twilight, in the evening, in the black and dark night:

9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;

SP 7:10 en zie, daar ontmoet hem zulk een vrouw, in hoerenkledij en listig van hart.

10 And, behold, there met him a woman [with] the attire of an harlot, and subtil of heart.

10 En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;

SP 7:11 Zij is luidruchtig en losbandig, haar voeten blijven niet in haar huis.

11 (She [is] loud and stubborn; her feet abide not in her house:

11 Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

SP 7:12 Nu eens op de straat, dan weer op de pleinen, en bij elke hoek loert zij,

12 Now [is she] without, now in the streets, and lieth in wait at every corner.)

12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

SP 7:13 en zij grijpt hem aan en kust hem; met een onbeschaamd gezicht zegt zij tot hem:

13 So she caught him, and kissed him, [and] with an impudent face said unto him,

13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:

SP 7:14 Vredeoffers moest ik brengen, heden heb ik mijn geloften betaald.

14 [I have] peace offerings with me; this day have I payed my vows.

14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;

SP 7:15 Daarom ben ik uitgegaan, u tegemoet, om u te zoeken, en ik heb u gevonden.

15 Therefore came I forth to meet thee, diligently to seek thy face, and I have found thee.

15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.

SP 7:16 Met dekens heb ik mijn bed bedekt, met bonte spreien van Egyptisch linnen.

16 I have decked my bed with coverings of tapestry, with carved [works], with fine linen of Egypt.

16 Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;

SP 7:17 Ik heb mijn leger besprenkeld met mirre, aloë en kaneel.

17 I have perfumed my bed with myrrh, aloes, and cinnamon.

17 Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt;

SP 7:18 Kom, laat ons zwelgen in minne tot de morgen toe, en genieten van liefde.

18 Come, let us take our fill of love until the morning: let us solace ourselves with loves.

18 Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.

SP 7:19 Want mijn man is niet thuis, hij heeft een verre reis ondernomen;

19 For the goodman [is] not at home, he is gone a long journey:

19 Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;

SP 7:20 een buidel geld heeft hij met zich meegenomen, tegen de dag der volle maan zal hij thuiskomen.

20 He hath taken a bag of money with him, [and] will come home at the day appointed.

20 Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.

SP 7:21 Zij haalde hem over door haar redenering, met haar gladde lippen verleidde zij hem.

21 With her much fair speech she caused him to yield, with the flattering of her lips she forced him.

21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.

SP 7:22 Argeloos liep hij haar na als een rund dat naar de slachtbank gaat, als een dwaas in boeien geslagen,

22 He goeth after her straightway, as an ox goeth to the slaughter, or as a fool to the correction of the stocks;

22 Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

SP 7:23 totdat een pijl zijn lever doorboorde; gelijk een vogel zich haast naar het klapnet, zonder te weten, dat het tegen zijn leven gericht is.

23 Till a dart strike through his liver; as a bird hasteth to the snare, and knoweth not that it [is] for his life.

23 Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

SP 7:24 Nu dan, zonen, luistert naar mij, slaat acht op de redenen van mijn mond.

24 Hearken unto me now therefore, O ye children, and attend to the words of my mouth.

24 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

SP 7:25 Uw hart wijke niet af naar haar wegen, dwaal niet af op haar paden.

25 Let not thine heart decline to her ways, go not astray in her paths.

25 Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

SP 7:26 Want velen zijn de verslagenen die zij heeft geveld, talrijk zijn degenen die zij altemaal heeft gedood.

26 For she hath cast down many wounded: yea, many strong [men] have been slain by her.

26 Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.

SP 7:27 Haar huis zijn wegen naar het dodenrijk, die afdalen naar de binnenkameren van de dood.

27 Her house [is] the way to hell, going down to the chambers of death.

27 Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.

SP 8:1 Roept de Wijsheid niet en verheft de Verstandigheid niet haar stem?

1 Doth not wisdom cry? and understanding put forth her voice?

1 Roept de Wijsheid niet, en verheft [niet] de Verstandigheid Haar stem?

SP 8:2 Boven op de hoogten aan de weg, daar, waar de paden samenkomen, is zij gaan staan,

2 She standeth in the top of high places, by the way in the places of the paths.

2 Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;

SP 8:3 aan de zijde van de poorten, aan de ingang der stad, waar men de poortdeuren binnengaat, roept zij luide:

3 She crieth at the gates, at the entry of the city, at the coming in at the doors.

3 Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, [aan] den ingang der deuren roept Zij overluid:

SP 8:4 Tot u, mannen, roep ik en mijn stem gaat uit tot de mensenkinderen!

4 Unto you, O men, I call; and my voice [is] to the sons of man.

4 Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.

SP 8:5 Gij onverstandigen, leert schranderheid, gij dwazen, verstaat het met uw hart.

5 O ye simple, understand wisdom: and, ye fools, be ye of an understanding heart.

5 Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat [met] [het] hart.

SP 8:6 Hoort, want ik zal verheven dingen spreken en mijn lippen openen tot wat recht is.

6 Hear; for I will speak of excellent things; and the opening of my lips [shall be] right things.

6 Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.

SP 8:7 Want waarheid spreekt mijn gehemelte, een gruwel voor mijn lippen is de goddeloosheid.

7 For my mouth shall speak truth; and wickedness [is] an abomination to my lips.

7 Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.

SP 8:8 Al de woorden van mijn mond zijn in gerechtigheid gesproken; niets daarin is verdraaid en verkeerd.

8 All the words of my mouth [are] in righteousness; [there is] nothing froward or perverse in them.

8 Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.

SP 8:9 Zij alle zijn voor de verstandige juist, betrouwbaar voor wie kennis gevonden hebben.

9 They [are] all plain to him that understandeth, and right to them that find knowledge.

9 Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.

SP 8:10 Neemt mijn vermaning aan en niet zilver, en kennis boven uitgelezen goud.

10 Receive my instruction, and not silver; and knowledge rather than choice gold.

10 Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.

SP 8:11 Want wijsheid is beter dan koralen, al wat men zou kunnen begeren, kan haar niet evenaren.

11 For wisdom [is] better than rubies; and all the things that may be desired are not to be compared to it.

11 Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.

SP 8:12 Ik, de Wijsheid, woon bij de schranderheid en ik verkrijg kennis door overleggingen.

12 I wisdom dwell with prudence, and find out knowledge of witty inventions.

12 Ik, Wijsheid, woon [bij] de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.

SP 8:13 De vreze des HEREN is het kwade te haten; hoogmoed en trots en boze wandel en een mond vol draaierijen haat ik.

13 The fear of the LORD [is] to hate evil: pride, and arrogancy, and the evil way, and the froward mouth, do I hate.

13 De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.

SP 8:14 Mijner zijn raad en overleg, ik ben het inzicht; mijner is de kracht.

14 Counsel [is] mine, and sound wisdom: I [am] understanding; I have strength.

14 Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.

SP 8:15 Door mij regeren de koningen en verordenen de machthebbers recht.

15 By me kings reign, and princes decree justice.

15 Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.

SP 8:16 Door mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der aarde.

16 By me princes rule, and nobles, [even] all the judges of the earth.

16 Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.

SP 8:17 Ik heb lief wie mij liefhebben, wie mij ijverig zoeken, zullen mij vinden.

17 I love them that love me; and those that seek me early shall find me.

17 Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.

SP 8:18 Rijkdom en eer zijn bij mij, duurzaam goed en gerechtigheid.

18 Riches and honour [are] with me; [yea], durable riches and righteousness.

18 Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.

SP 8:19 Mijn vrucht is meer waard dan goud, ja dan gelouterd goud, mijn opbrengst meer dan uitgelezen zilver.

19 My fruit [is] better than gold, yea, than fine gold; and my revenue than choice silver.

19 Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.

SP 8:20 Ik wandel op het pad van de gerechtigheid, midden op de wegen van het recht,

20 I lead in the way of righteousness, in the midst of the paths of judgment:

20 Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;

SP 8:21 om hen die mij liefhebben, bezit te doen beërven; hun schatkamers zal ik vullen.

21 That I may cause those that love me to inherit substance; and I will fill their treasures.

21 Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.

SP 8:22 De HERE heeft mij tot aanzijn geroepen als het begin van zijn wegen, vóór zijn werken van ouds af.

22 The LORD possessed me in the beginning of his way, before his works of old.

22 De HEERE bezat Mij [in] [het] beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.

SP 8:23 Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd, van den beginne, eer de aarde bestond.

23 I was set up from everlasting, from the beginning, or ever the earth was.

23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.

SP 8:24 Toen er nog geen oceaan was, ben ik geboren, toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water.

24 When [there were] no depths, I was brought forth; when [there were] no fountains abounding with water.

24 Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;

SP 8:25 Eer de bergen omlaaggezonken waren, vóór de heuvelen ben ik geboren;

25 Before the mountains were settled, before the hills was I brought forth:

25 Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.

SP 8:26 toen Hij het aardrijk en de velden nog niet had gemaakt, noch de eerste stofdeeltjes der wereld.

26 While as yet he had not made the earth, nor the fields, nor the highest part of the dust of the world.

26 Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.

SP 8:27 Toen Hij de hemel bereidde, was ik daar; toen Hij een kring trok op het oppervlak van de oceaan,

27 When he prepared the heavens, I [was] there: when he set a compass upon the face of the depth:

27 Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;

SP 8:28 toen Hij de wolken daarboven bevestigde, en de bronnen van de oceaan met kracht opborrelden,

28 When he established the clouds above: when he strengthened the fountains of the deep:

28 Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;

SP 8:29 toen Hij aan de zee haar perk stelde, opdat de wateren zijn gebod niet zouden overtreden, en Hij de grondslagen der aarde bepaalde,

29 When he gave to the sea his decree, that the waters should not pass his commandment: when he appointed the foundations of the earth:

29 Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;

SP 8:30 toen was ik een troetelkind bij Hem, ik was een en al verrukking dag aan dag, te allen tijde mij verheugend voor zijn aangezicht,

30 Then I was by him, [as] one brought up [with him]: and I was daily [his] delight, rejoicing always before him;

30 Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks [Zijn] vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;

SP 8:31 mij verheugend in de wereld van zijn aardrijk, en mijn vreugde was met de mensenkinderen.

31 Rejoicing in the habitable part of his earth; and my delights [were] with the sons of men.

31 Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.

SP 8:32 Nu dan, zonen, luistert naar mij, want welzalig zijn zij die mijn wegen bewaren.

32 Now therefore hearken unto me, O ye children: for blessed [are they that] keep my ways.

32 Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, [die] Mijn wegen bewaren.

SP 8:33 Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet in de wind.

33 Hear instruction, and be wise, and refuse it not.

33 Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt [die] niet.

SP 8:34 Welzalig de mens die naar mij luistert, dag aan dag wachthoudende aan mijn deuren, bewakende de posten van mijn poorten.

34 Blessed [is] the man that heareth me, watching daily at my gates, waiting at the posts of my doors.

34 Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.

SP 8:35 Want wie mij vindt, heeft het leven gevonden, hij heeft van de HERE welgevallen verkregen.

35 For whoso findeth me findeth life, and shall obtain favour of the LORD.

35 Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.

SP 8:36 Maar wie mij mist, doet zijn leven geweld aan; allen die mij haten, hebben de dood lief.

36 But he that sinneth against me wrongeth his own soul: all they that hate me love death.

36 Maar die [tegen] Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.

SP 9:1 De Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft haar zeven pilaren uitgehouwen,

1 Wisdom hath builded her house, she hath hewn out her seven pillars:

1 De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.

SP 9:2 zij heeft haar slachtvee geslacht, haar wijn gemengd, ook heeft zij haar tafel bereid.

2 She hath killed her beasts; she hath mingled her wine; she hath also furnished her table.

2 Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.

SP 9:3 Zij heeft haar dienstmaagden uitgezonden, zij roept boven op de hoogten der stad:

3 She hath sent forth her maidens: she crieth upon the highest places of the city,

3 Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:

SP 9:4 Wie onverstandig is, kere zich hierheen; tot de verstandeloze zegt zij:

4 Whoso [is] simple, let him turn in hither: [as for] him that wanteth understanding, she saith to him,

4 Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:

SP 9:5 Komt, eet van mijn brood en drinkt van de wijn die ik gemengd heb;

5 Come, eat of my bread, and drink of the wine [which] I have mingled.

5 Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, [dien] Ik gemengd heb.

SP 9:6 laat varen het onverstand, dan zult gij leven, en betreedt de weg van het verstand.

6 Forsake the foolish, and live; and go in the way of understanding.

6 Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.

SP 9:7 Wie een spotter terechtwijst, haalt schande over zich, wie een goddeloze tuchtigt, zijn eigen schandvlek.

7 He that reproveth a scorner getteth to himself shame: and he that rebuketh a wicked [man getteth] himself a blot.

7 Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.

SP 9:8 Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate, bestraf de wijze, dan zal hij u liefhebben,

8 Reprove not a scorner, lest he hate thee: rebuke a wise man, and he will love thee.

8 Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.

SP 9:9 geef aan de wijze, en hij zal nog wijzer worden, onderwijs de rechtvaardige, en hij zal aan inzicht winnen.

9 Give [instruction] to a wise [man], and he will be yet wiser: teach a just [man], and he will increase in learning.

9 Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.

SP 9:10 De vreze des HEREN is het begin der wijsheid en het kennen van de Hoogheilige is verstand.

10 The fear of the LORD [is] the beginning of wisdom: and the knowledge of the holy [is] understanding.

10 De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.

SP 9:11 Want door mij worden uw dagen vermeerderd, worden jaren van leven u toegevoegd.

11 For by me thy days shall be multiplied, and the years of thy life shall be increased.

11 Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.

SP 9:12 Als gij wijs zijt, zijt gij wijs tot uw eigen welzijn, als gij spot, zult gij dat alleen dragen.

12 If thou be wise, thou shalt be wise for thyself: but [if] thou scornest, thou alone shalt bear [it].

12 Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.

SP 9:13 Vrouwe Dwaasheid is luidruchtig, enkel onverstand, en zij weet niets;

13 A foolish woman [is] clamorous: [she is] simple, and knoweth nothing.

13 Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid [zelve], en weet niet met al.

SP 9:14 zij zit bij de deur van haar huis op een zetel op de hoogten der stad

14 For she sitteth at the door of her house, on a seat in the high places of the city,

14 En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, [op] de hoge plaatsen der stad;

SP 9:15 om te nodigen wie op de weg voorbijgaan, die hun paden recht maken:

15 To call passengers who go right on their ways:

15 Om te roepen degenen, [die] [op] den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, [zeggende]:

SP 9:16 Wie onverstandig is, kere zich hierheen; is iemand verstandeloos, dan zegt zij:

16 Whoso [is] simple, let him turn in hither: and [as for] him that wanteth understanding, she saith to him,

16 Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

SP 9:17 Gestolen water is zoet, heimelijk gegeten brood is smakelijk.

17 Stolen waters are sweet, and bread [eaten] in secret is pleasant.

17 De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.

SP 9:18 Maar hij weet niet, dat daar schimmen zijn, dat haar genodigden zijn in de diepten van het dodenrijk.

18 But he knoweth not that the dead [are] there; [and that] her guests [are] in the depths of hell.

18 Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.

SP 10:1 De Spreuken van Salomo. Een wijs zoon verheugt zijn vader, maar een dwaas zoon is een bekommering voor zijn moeder.

1 The proverbs of Solomon. A wise son maketh a glad father: but a foolish son [is] the heaviness of his mother.

1 De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.

SP 10:2 Schatten, door goddeloosheid verkregen, doen geen nut, maar gerechtigheid redt van de dood.

2 Treasures of wickedness profit nothing: but righteousness delivereth from death.

2 Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.

SP 10:3 De HERE laat de rechtvaardige geen honger lijden, maar de begerigheid der goddelozen wijst Hij af.

3 The LORD will not suffer the soul of the righteous to famish: but he casteth away the substance of the wicked.

3 De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.

SP 10:4 Een trage hand maakt arm, maar de hand des vlijtigen maakt rijk.

4 He becometh poor that dealeth [with] a slack hand: but the hand of the diligent maketh rich.

4 Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

SP 10:5 Wie verzamelt in de zomer, is een verstandig zoon; wie slaapt in de oogsttijd, is een zoon die zich schandelijk gedraagt.

5 He that gathereth in summer [is] a wise son: [but] he that sleepeth in harvest [is] a son that causeth shame.

5 Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; [maar] die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.

SP 10:6 Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen, maar de mond der goddelozen verbergt geweld.

6 Blessings [are] upon the head of the just: but violence covereth the mouth of the wicked.

6 Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

SP 10:7 De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn, maar de naam der goddelozen zal wegrotten.

7 The memory of the just [is] blessed: but the name of the wicked shall rot.

7 De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam der goddelozen zal verrotten.

SP 10:8 Wie wijs van hart is, neemt geboden aan, maar wie dwaas van lippen is, komt ten val.

8 The wise in heart will receive commandments: but a prating fool shall fall.

8 Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.

SP 10:9 Wie in oprechtheid wandelt, gaat veilig, maar wie zijn wegen verdraait, wordt doorzien.

9 He that walketh uprightly walketh surely: but he that perverteth his ways shall be known.

9 Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

SP 10:10 Wie met zijn ogen knipt, veroorzaakt smart, wie dwaas van lippen is, komt ten val.

10 He that winketh with the eye causeth sorrow: but a prating fool shall fall.

10 Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.

SP 10:11 De mond des rechtvaardigen is een bron van leven, maar de mond der goddelozen verbergt geweld.

11 The mouth of a righteous [man is] a well of life: but violence covereth the mouth of the wicked.

11 De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

SP 10:12 Haat verwekt krakelen, maar liefde bedekt alle overtredingen.

12 Hatred stirreth up strifes: but love covereth all sins.

12 Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.

SP 10:13 Op de lippen van de verstandige wordt wijsheid gevonden, maar de roede is voor de rug van de verstandeloze.

13 In the lips of him that hath understanding wisdom is found: but a rod [is] for the back of him that is void of understanding.

13 In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.

SP 10:14 Wijzen bewaren de kennis, maar de mond van de dwaas is een steeds dreigend onheil.

14 Wise [men] lay up knowledge: but the mouth of the foolish [is] near destruction.

14 De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.

SP 10:15 De bezitting van de rijke is zijn sterke stad, het onheil van de behoeftigen is hun armoede.

15 The rich man's wealth [is] his strong city: the destruction of the poor [is] their poverty.

15 Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.

SP 10:16 Het gewin van de rechtvaardige is ten leven; de inkomsten van de goddeloze zijn tot zonde.

16 The labour of the righteous [tendeth] to life: the fruit of the wicked to sin.

16 Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.

SP 10:17 Een pad ten leven is hij, die de vermaning in acht neemt, maar wie de terechtwijzing veracht, doet dwalen.

17 He [is in] the way of life that keepeth instruction: but he that refuseth reproof erreth.

17 Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.

SP 10:18 Wie haat verbergt, is een leugenlip; wie laster verbreidt, is een dwaas.

18 He that hideth hatred [with] lying lips, and he that uttereth a slander, [is] a fool.

18 Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

SP 10:19 In veelheid van woorden ontbreekt de overtreding niet, maar wie zijn lippen bedwingt, is verstandig.

19 In the multitude of words there wanteth not sin: but he that refraineth his lips [is] wise.

19 In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

SP 10:20 Uitgelezen zilver is de tong des rechtvaardigen; het hart der goddelozen is weinig waard.

20 The tongue of the just [is as] choice silver: the heart of the wicked [is] little worth.

20 De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig [waard].

SP 10:21 De lippen van de rechtvaardige weiden er velen, maar de dwazen sterven door gebrek aan verstand.

21 The lips of the righteous feed many: but fools die for want of wisdom.

21 De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.

SP 10:22 De zegen des HEREN, die maakt rijk, zwoegen voegt er niets aan toe.

22 The blessing of the LORD, it maketh rich, and he addeth no sorrow with it.

22 De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.

SP 10:23 Zoals het een vermaak is voor de dwaas schanddaden te bedrijven, zo is het met de wijsheid voor de man van verstand.

23 [It is] as sport to a fool to do mischief: but a man of understanding hath wisdom.

23 Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid [te] [plegen].

SP 10:24 Wat de goddeloze vreest, dat overkomt hem, maar Hij vervult de wens der rechtvaardigen.

24 The fear of the wicked, it shall come upon him: but the desire of the righteous shall be granted.

24 De vreze des goddelozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der rechtvaardigen zal [God] geven.

SP 10:25 Als de stormwind voorbijgaat, dan is de goddeloze niet meer, maar de rechtvaardige staat als een duurzame grondslag.

25 As the whirlwind passeth, so [is] the wicked no [more]: but the righteous [is] an everlasting foundation.

25 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet [meer]; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.

SP 10:26 Wat azijn is voor de tanden en wat rook is voor de ogen, dat is de luiaard voor wie hem zenden.

26 As vinegar to the teeth, and as smoke to the eyes, so [is] the sluggard to them that send him.

26 Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.

SP 10:27 De vreze des HEREN vermeerdert de dagen, maar de jaren der goddelozen worden verkort.

27 The fear of the LORD prolongeth days: but the years of the wicked shall be shortened.

27 De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.

SP 10:28 De verwachting der rechtvaardigen is vreugde, maar de hoop der goddelozen gaat teniet.

28 The hope of the righteous [shall be] gladness: but the expectation of the wicked shall perish.

28 De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.

SP 10:29 De weg des HEREN is een beschutting voor de oprechten, maar onheil voor de bedrijvers van ongerechtigheid.

29 The way of the LORD [is] strength to the upright: but destruction [shall be] to the workers of iniquity.

29 De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.

SP 10:30 De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet wankelen, maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.

30 The righteous shall never be removed: but the wicked shall not inhabit the earth.

30 De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.

SP 10:31 De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid voort, maar de valse tong wordt verdelgd.

31 The mouth of the just bringeth forth wisdom: but the froward tongue shall be cut out.

31 De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

SP 10:32 De lippen van de rechtvaardige weten wat welgevallig is, maar de mond der goddelozen is enkel valsheid.

32 The lips of the righteous know what is acceptable: but the mouth of the wicked [speaketh] frowardness.

32 De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.

SP 11:1 Een bedrieglijke weegschaal is de HERE een gruwel, maar een zuivere weegsteen is Hem welgevallig.

1 A false balance [is] abomination to the LORD: but a just weight [is] his delight.

1 Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.

SP 11:2 Als overmoed komt, komt schande mee, maar wijsheid is bij de ootmoedigen.

2 [When] pride cometh, then cometh shame: but with the lowly [is] wisdom.

2 Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.

SP 11:3 De rechtschapenheid der oprechten leidt hen, maar de verkeerde zin der trouwelozen is hun ten verderve.

3 The integrity of the upright shall guide them: but the perverseness of transgressors shall destroy them.

3 De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.

SP 11:4 Rijkdom baat niet ten dage des toorns, maar gerechtigheid redt van de dood.

4 Riches profit not in the day of wrath: but righteousness delivereth from death.

4 Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.

SP 11:5 De gerechtigheid van de rechtschapene effent zijn weg, maar de goddeloze komt door zijn goddeloosheid ten val.

5 The righteousness of the perfect shall direct his way: but the wicked shall fall by his own wickedness.

5 De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.

SP 11:6 De gerechtigheid der oprechten zal hen redden, maar de trouwelozen worden door hun begeerlijkheid gevangen.

6 The righteousness of the upright shall deliver them: but transgressors shall be taken in [their own] naughtiness.

6 De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in [hun] verkeerdheid.

SP 11:7 Bij de dood van een goddeloos mens vergaat de verwachting, en het verlangen der boosheid gaat teniet.

7 When a wicked man dieth, [his] expectation shall perish: and the hope of unjust [men] perisheth.

7 Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.

SP 11:8 De rechtvaardige wordt uit benauwdheid gered, en dan komt de goddeloze in zijn plaats.

8 The righteous is delivered out of trouble, and the wicked cometh in his stead.

8 De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.

SP 11:9 Met de mond stort de godvergetene zijn naaste in het verderf, maar door kennis worden de rechtvaardigen gered.

9 An hypocrite with [his] mouth destroyeth his neighbour: but through knowledge shall the just be delivered.

9 De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.

SP 11:10 Over de voorspoed der rechtvaardigen verheugt zich de stad, bij de ondergang der goddelozen is er gejuich.

10 When it goeth well with the righteous, the city rejoiceth: and when the wicked perish, [there is] shouting.

10 Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.

SP 11:11 In de zegen der oprechten ligt de opkomst der stad, maar door de mond der goddelozen wordt zij afgebroken.

11 By the blessing of the upright the city is exalted: but it is overthrown by the mouth of the wicked.

11 Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.

SP 11:12 Wie zijn naaste veracht, is verstandeloos; maar een verstandig man zwijgt stil.

12 He that is void of wisdom despiseth his neighbour: but a man of understanding holdeth his peace.

12 Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.

SP 11:13 Wie met laster omgaat, verraadt geheimen; maar wie betrouwbaar van geest is, houdt een zaak verborgen.

13 A talebearer revealeth secrets: but he that is of a faithful spirit concealeth the matter.

13 Die [als] een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.

SP 11:14 Als beleid ontbreekt, komt het volk ten val; maar er is redding, als er vele raadgevers zijn.

14 Where no counsel [is], the people fall: but in the multitude of counsellors [there is] safety.

14 Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.

SP 11:15 Slecht vergaat het hem die borg is voor een vreemde, maar wie de handslag vermijdt, gaat veilig.

15 He that is surety for a stranger shall smart [for it]: and he that hateth suretiship is sure.

15 Als [iemand] [voor] een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die [in] [de] [hand] klappen, is zeker.

SP 11:16 Een bevallige vrouw verkrijgt eer, zo verkrijgen de geweldigen rijkdom.

16 A gracious woman retaineth honour: and strong [men] retain riches.

16 Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.

SP 11:17 Een weldadig man doet zichzelf wèl, maar wie onbarmhartig is, kwelt zijn eigen vlees.

17 The merciful man doeth good to his own soul: but [he that is] cruel troubleth his own flesh.

17 Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.

SP 11:18 De goddeloze maakt winst die niet gedijt, maar wie gerechtigheid zaait, heeft blijvend gewin.

18 The wicked worketh a deceitful work: but to him that soweth righteousness [shall be] a sure reward.

18 De goddeloze doet een vals werk; maar [voor] degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.

SP 11:19 Ware gerechtigheid strekt ten leven, maar wie het kwaad najaagt, hem strekt het ten dode.

19 As righteousness [tendeth] to life: so he that pursueth evil [pursueth it] to his own death.

19 Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood [jaagt].

SP 11:20 De verkeerden van hart zijn de HERE een gruwel, maar de oprechten van wandel zijn Hem welgevallig.

20 They that are of a froward heart [are] abomination to the LORD: but [such as are] upright in [their] way [are] his delight.

20 De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.

SP 11:21 Voorwaar, de boze blijft niet ongestraft, maar het geslacht der rechtvaardigen wordt bevrijd.

21 [Though] hand [join] in hand, the wicked shall not be unpunished: but the seed of the righteous shall be delivered.

21 Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen.

SP 11:22 Als een gouden ring in een varkenssnuit is een schone vrouw zonder verstand.

22 [As] a jewel of gold in a swine's snout, [so is] a fair woman which is without discretion.

22 Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.

SP 11:23 Wat de rechtvaardigen wensen, brengt enkel geluk; wat de goddelozen hopen, loopt uit op toorn.

23 The desire of the righteous [is] only good: [but] the expectation of the wicked [is] wrath.

23 De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.

SP 11:24 Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden.

24 There is that scattereth, and yet increaseth; and [there is] that withholdeth more than is meet, but [it tendeth] to poverty.

24 Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.

SP 11:25 De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt, wie laaft, wordt ook zelf gelaafd.

25 The liberal soul shall be made fat: and he that watereth shall be watered also himself.

25 De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.

SP 11:26 Wie koren achterhoudt, hem vloekt het volk; maar zegening daalt neer op het hoofd van de verkoper.

26 He that withholdeth corn, the people shall curse him: but blessing [shall be] upon the head of him that selleth [it].

26 Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk; maar de zegening zal zijn over het hoofd des verkopers.

SP 11:27 Wie het goede nastreeft, zoekt welbehagen; maar wie het kwade najaagt, hem zal het overkomen.

27 He that diligently seeketh good procureth favour: but he that seeketh mischief, it shall come unto him.

27 Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.

SP 11:28 Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar als fris loof zullen de rechtvaardigen uitspruiten.

28 He that trusteth in his riches shall fall: but the righteous shall flourish as a branch.

28 Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.

SP 11:29 Wie zijn huis in wanorde brengt, zal wind erven; de dwaas wordt een slaaf van de wijze van hart.

29 He that troubleth his own house shall inherit the wind: and the fool [shall be] servant to the wise of heart.

29 Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.

SP 11:30 De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens, en wie wijs is, wint harten.

30 The fruit of the righteous [is] a tree of life; and he that winneth souls [is] wise.

30 De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.

SP 11:31 Zie, aan de rechtvaardige wordt vergolden op aarde, hoeveel te meer aan de goddeloze en de zondaar!

31 Behold, the righteous shall be recompensed in the earth: much more the wicked and the sinner.

31 Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddeloze en zondaar!

SP 12:1 Wie tucht liefheeft, heeft kennis lief; maar wie terechtwijzing haat, is dom.

1 Whoso loveth instruction loveth knowledge: but he that hateth reproof [is] brutish.

1 Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.

SP 12:2 De goede verkrijgt welgevallen van de HERE, maar een man met slinkse streken veroordeelt Hij.

2 A good [man] obtaineth favour of the LORD: but a man of wicked devices will he condemn.

2 De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.

SP 12:3 Geen mens blijft staande door goddeloosheid, maar de wortel der rechtvaardigen is niet te verwrikken.

3 A man shall not be established by wickedness: but the root of the righteous shall not be moved.

3 De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden.

SP 12:4 Een degelijke vrouw is de kroon van haar man, maar als bederf in zijn gebeente is zij, die beschaamd doet staan.

4 A virtuous woman [is] a crown to her husband: but she that maketh ashamed [is] as rottenness in his bones.

4 Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.

SP 12:5 De overleggingen der rechtvaardigen zijn recht, de voornemens der goddelozen zijn bedriegerij.

5 The thoughts of the righteous [are] right: [but] the counsels of the wicked [are] deceit.

5 Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.

SP 12:6 De woorden der goddelozen loeren op bloed, maar de mond der oprechten redt hen uit.

6 The words of the wicked [are] to lie in wait for blood: but the mouth of the upright shall deliver them.

6 De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.

SP 12:7 De goddelozen worden omvergeworpen en zijn niet meer, maar het huis der rechtvaardigen blijft in stand.

7 The wicked are overthrown, and [are] not: but the house of the righteous shall stand.

7 De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet [meer] zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.

SP 12:8 Naar de mate van zijn verstand wordt een man geprezen, maar een verkeerde van hart komt in verachting.

8 A man shall be commended according to his wisdom: but he that is of a perverse heart shall be despised.

8 Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.

SP 12:9 Het is beter onaanzienlijk te zijn en een knecht te hebben, dan zich groot voor te doen bij broodgebrek.

9 [He that is] despised, and hath a servant, [is] better than he that honoureth himself, and lacketh bread.

9 Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.

SP 12:10 De rechtvaardige weet wat toekomt aan zijn vee, maar de barmhartigheid der goddelozen is wreed.

10 A righteous [man] regardeth the life of his beast: but the tender mercies of the wicked [are] cruel.

10 De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.

SP 12:11 Wie zijn akker bewerkt, zal zich met brood verzadigen; maar wie ijdele dingen najaagt, is verstandeloos.

11 He that tilleth his land shall be satisfied with bread: but he that followeth vain [persons is] void of understanding.

11 Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele [mensen] volgt, is verstandeloos.

SP 12:12 De goddeloze begeert de vangst van boze dingen, maar de wortel der rechtvaardigen geeft (vrucht).

12 The wicked desireth the net of evil [men]: but the root of the righteous yieldeth [fruit].

12 De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.

SP 12:13 In de overtreding der lippen ligt een boze valstrik, maar de rechtvaardige ontkomt aan de benauwdheid.

13 The wicked is snared by the transgression of [his] lips: but the just shall come out of trouble.

13 In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.

SP 12:14 Van de vrucht zijns monds wordt iemand met het goede verzadigd; wat eens mensen handen volbrengen, keert weder tot hem.

14 A man shall be satisfied with good by the fruit of [his] mouth: and the recompence of a man's hands shall be rendered unto him.

14 Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.

SP 12:15 De weg van de dwaas is recht in zijn ogen, maar wie naar raad luistert, is wijs.

15 The way of a fool [is] right in his own eyes: but he that hearkeneth unto counsel [is] wise.

15 De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

SP 12:16 Een dwaas maakt zijn ergernis aanstonds bekend, maar een schrandere bedekt de smaad.

16 A fool's wrath is presently known: but a prudent [man] covereth shame.

16 De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.

SP 12:17 Wie waarheid spreekt, deelt mee wat recht is, maar een leugenachtig getuige bedrog.

17 [He that] speaketh truth sheweth forth righteousness: but a false witness deceit.

17 Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.

SP 12:18 Er zijn er, wier gepraat werkt als dolksteken, maar de tong der wijzen brengt genezing aan.

18 There is that speaketh like the piercings of a sword: but the tongue of the wise [is] health.

18 Daar is een, die [woorden] als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.

SP 12:19 Een waarachtige lip bestaat voor altijd, maar een leugenachtige tong slechts voor een ogenblik.

19 The lip of truth shall be established for ever: but a lying tongue [is] but for a moment.

19 Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is [maar] voor een ogenblik.

SP 12:20 Bedrog is in het hart van wie kwaad smeden, maar voor wie tot vrede raden, is er vreugde.

20 Deceit [is] in the heart of them that imagine evil: but to the counsellors of peace [is] joy.

20 Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.

SP 12:21 De rechtvaardige zal generlei onheil treffen, maar de goddelozen zijn vol van rampspoed.

21 There shall no evil happen to the just: but the wicked shall be filled with mischief.

21 Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.

SP 12:22 Leugenlippen zijn de HERE een gruwel, maar wie trouw handelen, zijn Hem welgevallig.

22 Lying lips [are] abomination to the LORD: but they that deal truly [are] his delight.

22 Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.

SP 12:23 Een schrander mens houdt zijn kennis voor zich, maar het hart der zotten verkondigt dwaasheid.

23 A prudent man concealeth knowledge: but the heart of fools proclaimeth foolishness.

23 Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.

SP 12:24 De hand der vlijtigen zal heersen, maar traagheid voert tot dienstbaarheid.

24 The hand of the diligent shall bear rule: but the slothful shall be under tribute.

24 De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.

SP 12:25 Kommer in het hart van de mens buigt het neder, maar een goed woord verblijdt het.

25 Heaviness in the heart of man maketh it stoop: but a good word maketh it glad.

25 Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.

SP 12:26 De rechtvaardige onderkent wie hem kwaad wil doen, maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.

26 The righteous [is] more excellent than his neighbour: but the way of the wicked seduceth them.

26 De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.

SP 12:27 De trage zal zijn wild niet vangen, maar een kostbare have is het deel van de vlijtige.

27 The slothful [man] roasteth not that which he took in hunting: but the substance of a diligent man [is] precious.

27 Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.

SP 12:28 Op het pad der gerechtigheid is leven, maar de weg der zonde voert ten dode.

28 In the way of righteousness [is] life; and [in] the pathway [thereof there is] no death.

28 In het pad der gerechtigheid is het leven; en [in] den weg [van] [haar] voetpad is de dood niet.

SP 13:1 Een wijs zoon laat zich tuchtigen door zijn vader, maar een spotter luistert niet naar berisping.

1 A wise son [heareth] his father's instruction: but a scorner heareth not rebuke.

1 Een wijs zoon [hoort] de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.

SP 13:2 Van de vrucht zijns monds zal iemand het goede eten, maar de begeerte der trouwelozen gaat uit naar geweld.

2 A man shall eat good by the fruit of [his] mouth: but the soul of the transgressors [shall eat] violence.

2 Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.

SP 13:3 Wie zijn mond in toom houdt, bewaart zijn leven; wie zijn lippen openspert, hem wacht het verderf.

3 He that keepeth his mouth keepeth his life: [but] he that openeth wide his lips shall have destruction.

3 Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.

SP 13:4 De ziel van de luiaard is begerig, maar tevergeefs, doch de ziel van de vlijtigen wordt overvloedig verkwikt.

4 The soul of the sluggard desireth, and [hath] nothing: but the soul of the diligent shall be made fat.

4 De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.

SP 13:5 De rechtvaardige haat leugentaal, maar de goddeloze maakt zich gehaat en wordt te schande.

5 A righteous [man] hateth lying: but a wicked [man] is loathsome, and cometh to shame.

5 De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.

SP 13:6 Gerechtigheid bewaart de onberispelijken van wandel, maar goddeloosheid stort de zondaren in het verderf.

6 Righteousness keepeth [him that is] upright in the way: but wickedness overthroweth the sinner.

6 De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.

SP 13:7 Sommigen stellen zich rijk aan, terwijl zij in het geheel niets hebben; anderen houden zich arm bij veel bezit.

7 There is that maketh himself rich, yet [hath] nothing: [there is] that maketh himself poor, yet [hath] great riches.

7 Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al [heeft], en een, die zichzelven arm maakt, en [heeft] veel goed.

SP 13:8 Het losgeld voor iemands leven is zijn rijkdom, maar de arme krijgt geen bedreiging te horen.

8 The ransom of a man's life [are] his riches: but the poor heareth not rebuke.

8 Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.

SP 13:9 Het licht der rechtvaardigen brandt blijde, maar de lamp der goddelozen wordt uitgeblust.

9 The light of the righteous rejoiceth: but the lamp of the wicked shall be put out.

9 Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

SP 13:10 Door overmoed ontstaat slechts twist, maar bij hen die zich laten raden, is wijsheid.

10 Only by pride cometh contention: but with the well advised [is] wisdom.

10 Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.

SP 13:11 Een vermogen, uit niets verkregen, slinkt weg; maar wie met eigen hand vergadert, wordt rijk.

11 Wealth [gotten] by vanity shall be diminished: but he that gathereth by labour shall increase.

11 Goed, van ijdelheid [gekomen], zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.

SP 13:12 Een langgerekt hopen maakt het hart ziek, maar een vervulde begeerte is een boom des levens.

12 Hope deferred maketh the heart sick: but [when] the desire cometh, [it is] a tree of life.

12 De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.

SP 13:13 Wie het woord veracht, moet het ontgelden; maar wie het gebod vreest, hem zal vergolden worden.

13 Whoso despiseth the word shall be destroyed: but he that feareth the commandment shall be rewarded.

13 Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.

SP 13:14 Het onderricht van de wijze is een bron des levens, om de strikken des doods te ontwijken.

14 The law of the wise [is] a fountain of life, to depart from the snares of death.

14 Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

SP 13:15 Goed inzicht verschaft gunst, maar de weg der trouwelozen is onbegaanbaar.

15 Good understanding giveth favour: but the way of transgressors [is] hard.

15 Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.

SP 13:16 Ieder schrander mens handelt met overleg, maar een zot kraamt dwaasheid uit.

16 Every prudent [man] dealeth with knowledge: but a fool layeth open [his] folly.

16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.

SP 13:17 Een goddeloos gezant valt in het ongeluk, maar een betrouwbare bode brengt genezing.

17 A wicked messenger falleth into mischief: but a faithful ambassador [is] health.

17 Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn.

SP 13:18 Armoede en schande treffen hem die de tucht in de wind slaat, maar wie de terechtwijzing in acht neemt, wordt geëerd.

18 Poverty and shame [shall be to] him that refuseth instruction: but he that regardeth reproof shall be honoured.

18 Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.

SP 13:19 Een vervulde begeerte is zoet voor de ziel, het is de dwazen een gruwel van het kwaad af te wijken.

19 The desire accomplished is sweet to the soul: but [it is] abomination to fools to depart from evil.

19 De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.

SP 13:20 Wie met wijzen omgaat, wordt wijs; maar wie met dwazen verkeert, wordt slecht.

20 He that walketh with wise [men] shall be wise: but a companion of fools shall be destroyed.

20 Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.

SP 13:21 Het kwaad vervolgt de zondaren, maar de rechtvaardigen vergeldt Hij het goede.

21 Evil pursueth sinners: but to the righteous good shall be repayed.

21 Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.

SP 13:22 De goede doet zijn kindskinderen erven, maar het vermogen van de zondaar wordt weggelegd voor de rechtvaardigen.

22 A good [man] leaveth an inheritance to his children's children: and the wealth of the sinner [is] laid up for the just.

22 De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.

SP 13:23 Het pas ontgonnen land der armen kan overvloed van spijzen leveren, maar soms gaat deze door onrecht teloor.

23 Much food [is in] the tillage of the poor: but there is [that is] destroyed for want of judgment.

23 Het ploegen der armen [geeft] veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.

SP 13:24 Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft, tuchtigt hem reeds vroeg.

24 He that spareth his rod hateth his son: but he that loveth him chasteneth him betimes.

24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg [met] tuchtiging.

SP 13:25 De rechtvaardige eet tot verzadiging toe, maar de buik der goddelozen zal gebrek lijden.

25 The righteous eateth to the satisfying of his soul: but the belly of the wicked shall want.

25 De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.

SP 14:1 De wijsheid der vrouwen bouwt haar huis, maar de dwaasheid breekt het af met haar eigen handen.

1 Every wise woman buildeth her house: but the foolish plucketh it down with her hands.

1 Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.

SP 14:2 Wie in oprechtheid wandelt, vreest de HERE; maar hij wiens wegen verkeerd zijn, veracht Hem.

2 He that walketh in his uprightness feareth the LORD: but [he that is] perverse in his ways despiseth him.

2 Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.

SP 14:3 In de mond van de dwaas ligt een roede voor zijn hovaardij, maar de lippen der wijzen bewaren hen.

3 In the mouth of the foolish [is] a rod of pride: but the lips of the wise shall preserve them.

3 In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.

SP 14:4 Als er geen runderen zijn, blijft de kribbe leeg, maar door de kracht van de ploegos is er een rijke opbrengst.

4 Where no oxen [are], the crib [is] clean: but much increase [is] by the strength of the ox.

4 Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel.

SP 14:5 Een betrouwbaar getuige liegt niet, maar wie leugens uitblaast, is een vals getuige.

5 A faithful witness will not lie: but a false witness will utter lies.

5 Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.

SP 14:6 Een spotter zoekt naar wijsheid, doch tevergeefs, maar voor de verstandige is kennis gemakkelijk te verkrijgen.

6 A scorner seeketh wisdom, and [findeth it] not: but knowledge [is] easy unto him that understandeth.

6 De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.

SP 14:7 Ga de dwaze man uit de weg, want verstandige lippen bemerkt gij daar niet.

7 Go from the presence of a foolish man, when thou perceivest not [in him] the lips of knowledge.

7 Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt [bij] [hem] geen lippen der wetenschap merken.

SP 14:8 De wijsheid van de schrandere is: zijn weg te verstaan, maar de dwaasheid der zotten loopt uit op bedrog.

8 The wisdom of the prudent [is] to understand his way: but the folly of fools [is] deceit.

8 De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.

SP 14:9 Het schuldoffer spot met de dwazen, maar onder oprechten woont (Gods) welbehagen.

9 Fools make a mock at sin: but among the righteous [there is] favour.

9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.

SP 14:10 Het hart kent zijn eigen droefheid, en in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen.

10 The heart knoweth his own bitterness; and a stranger doth not intermeddle with his joy.

10 Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.

SP 14:11 Het huis der goddelozen zal verwoest worden, maar de tent der oprechten zal bloeien.

11 The house of the wicked shall be overthrown: but the tabernacle of the upright shall flourish.

11 Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.

SP 14:12 Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.

12 There is a way which seemeth right unto a man, but the end thereof [are] the ways of death.

12 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

SP 14:13 Ook onder het lachen kan het hart pijn lijden en het einde der vreugde kan kommer zijn.

13 Even in laughter the heart is sorrowful; and the end of that mirth [is] heaviness.

13 Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.

SP 14:14 De afvallige van hart verzadigt zich met zijn wegen; maar een goed man met het zijne.

14 The backslider in heart shall be filled with his own ways: and a good man [shall be satisfied] from himself.

14 Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven.

SP 14:15 De onverstandige gelooft elk woord, maar de schrandere geeft acht op zijn gang.

15 The simple believeth every word: but the prudent [man] looketh well to his going.

15 De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.

SP 14:16 De wijze vreest en wijkt af van het kwaad, maar de dwaas gaat zich te buiten en voelt zich toch veilig.

16 A wise [man] feareth, and departeth from evil: but the fool rageth, and is confident.

16 De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

SP 14:17 Wie spoedig toornig is, begaat dwaasheid, en een man met slinkse streken wordt gehaat.

17 [He that is] soon angry dealeth foolishly: and a man of wicked devices is hated.

17 Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

SP 14:18 De onverstandigen krijgen dwaasheid als hun deel, maar de schranderen worden gekroond met kennis.

18 The simple inherit folly: but the prudent are crowned with knowledge.

18 De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.

SP 14:19 De bozen moeten zich neerbuigen voor de goeden, en de goddelozen bij de poorten van de rechtvaardige.

19 The evil bow before the good; and the wicked at the gates of the righteous.

19 De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.

SP 14:20 Zelfs door zijn naaste wordt de arme gehaat, maar de vrienden van de rijke zijn vele.

20 The poor is hated even of his own neighbour: but the rich [hath] many friends.

20 De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.

SP 14:21 Wie zijn naaste veracht, zondigt; maar welzalig hij, die zich ontfermt over ellendigen.

21 He that despiseth his neighbour sinneth: but he that hath mercy on the poor, happy [is] he.

21 Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.

SP 14:22 Zullen de bewerkers van het kwade niet dwalen? Doch liefde en trouw zijn voor de bewerkers van het goede.

22 Do they not err that devise evil? but mercy and truth [shall be] to them that devise good.

22 Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.

SP 14:23 In alle moeitevolle arbeid zal voordeel zijn, maar het gepraat der lippen leidt enkel tot gebrek.

23 In all labour there is profit: but the talk of the lips [tendeth] only to penury.

23 In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen [strekt] alleen tot gebrek.

SP 14:24 De kroon der wijzen is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten blijft dwaasheid.

24 The crown of the wise [is] their riches: [but] the foolishness of fools [is] folly.

24 Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.

SP 14:25 Een betrouwbaar getuige is een redder van levens, maar wie leugens blaast, is een en al bedrog.

25 A true witness delivereth souls: but a deceitful [witness] speaketh lies.

25 Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is een bedrieger.

SP 14:26 In de vreze des HEREN ligt sterke gerustheid, zelfs voor zijn zonen is er een schuilplaats.

26 In the fear of the LORD [is] strong confidence: and his children shall have a place of refuge.

26 In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.

SP 14:27 De vreze des HEREN is een bron des levens, om de strikken des doods te ontwijken.

27 The fear of the LORD [is] a fountain of life, to depart from the snares of death.

27 De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

SP 14:28 In de menigte van volk is des konings heerlijkheid, maar in gebrek aan onderdanen ligt de ondergang van de machthebber.

28 In the multitude of people [is] the king's honour: but in the want of people [is] the destruction of the prince.

28 In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.

SP 14:29 De lankmoedige is groot van verstand, maar wie kortaangebonden is, hoopt dwaasheid op.

29 [He that is] slow to wrath [is] of great understanding: but [he that is] hasty of spirit exalteth folly.

29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.

SP 14:30 Een zachtmoedig hart is leven voor het vlees, maar jaloersheid is vertering voor de beenderen.

30 A sound heart [is] the life of the flesh: but envy the rottenness of the bones.

30 Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.

SP 14:31 Wie de behoeftige verdrukt, smaadt diens Maker; maar wie zich over de arme ontfermt, eert Hem.

31 He that oppresseth the poor reproacheth his Maker: but he that honoureth him hath mercy on the poor.

31 Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.

SP 14:32 In zijn rampspoed wordt de goddeloze geveld, maar de rechtvaardige vindt zelfs in zijn dood een schuilplaats.

32 The wicked is driven away in his wickedness: but the righteous hath hope in his death.

32 De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt [zelfs] in zijn dood.

SP 14:33 In het hart van de verstandige rust de wijsheid, zelfs te midden der zotten wordt zij onderkend.

33 Wisdom resteth in the heart of him that hath understanding: but [that which is] in the midst of fools is made known.

33 Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.

SP 14:34 Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek der natiën.

34 Righteousness exalteth a nation: but sin [is] a reproach to any people.

34 Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natien.

SP 14:35 Het welgevallen des konings valt een verstandig dienaar ten deel, maar hem die zich schandelijk gedraagt, treft zijn verbolgenheid.

35 The king's favour [is] toward a wise servant: but his wrath is [against] him that causeth shame.

35 Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn [over] dengene, die beschaamd maakt.

SP 15:1 Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, maar een krenkend woord wekt de toorn op.

1 A soft answer turneth away wrath: but grievous words stir up anger.

1 Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.

SP 15:2 De tong der wijzen brengt degelijke kennis voort, maar de mond der zotten stort dwaasheid uit.

2 The tongue of the wise useth knowledge aright: but the mouth of fools poureth out foolishness.

2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

SP 15:3 De ogen des HEREN zijn aan alle plaatsen, opmerkzaam acht gevend op kwaden en goeden.

3 The eyes of the LORD [are] in every place, beholding the evil and the good.

3 De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.

SP 15:4 Zachtheid van tong is een boom des levens, maar valsheid in haar is een verderf in de geest.

4 A wholesome tongue [is] a tree of life: but perverseness therein [is] a breach in the spirit.

4 De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.

SP 15:5 De dwaas versmaadt de tucht van zijn vader, maar wie de terechtwijzing ter harte neemt, is verstandig.

5 A fool despiseth his father's instruction: but he that regardeth reproof is prudent.

5 Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.

SP 15:6 In het huis van de rechtvaardige is een grote schat, maar het gewin van de goddeloze brengt vernieling.

6 In the house of the righteous [is] much treasure: but in the revenues of the wicked is trouble.

6 [In] het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.

SP 15:7 De lippen der wijzen strooien kennis uit, maar het hart der dwazen is niet recht.

7 The lips of the wise disperse knowledge: but the heart of the foolish [doeth] not so.

7 De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.

SP 15:8 Het offer der goddelozen is de HERE een gruwel, maar aan het gebed der oprechten heeft Hij welgevallen.

8 The sacrifice of the wicked [is] an abomination to the LORD: but the prayer of the upright [is] his delight.

8 Het offer der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar het gebed der oprechten is Zijn welgevallen.

SP 15:9 De weg van de goddeloze is de HERE een gruwel, maar wie gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief.

9 The way of the wicked [is] an abomination unto the LORD: but he loveth him that followeth after righteousness.

9 De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben.

SP 15:10 Gestrenge tuchtiging treft hem die het rechte pad verlaat; wie terechtwijzing haat, zal sterven.

10 Correction [is] grievous unto him that forsaketh the way: [and] he that hateth reproof shall die.

10 De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; [en] die de bestraffing haat, zal sterven.

SP 15:11 Dodenrijk en verderf liggen open voor de HERE, hoeveel te meer de harten der mensenkinderen!

11 Hell and destruction [are] before the LORD: how much more then the hearts of the children of men?

11 De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?

SP 15:12 De spotter houdt er niet van, dat men hem terechtwijst; tot de wijzen zal hij niet gaan.

12 A scorner loveth not one that reproveth him: neither will he go unto the wise.

12 De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.

SP 15:13 Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk, maar door harteleed wordt de geest verslagen.

13 A merry heart maketh a cheerful countenance: but by sorrow of the heart the spirit is broken.

13 Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.

SP 15:14 Het hart van de verstandige zoekt kennis, maar de mond der zotten houdt zich met dwaasheid bezig.

14 The heart of him that hath understanding seeketh knowledge: but the mouth of fools feedeth on foolishness.

14 Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.

SP 15:15 Al de dagen van de ellendige zijn boos, maar voor de blijmoedige is het altijd feest.

15 All the days of the afflicted [are] evil: but he that is of a merry heart [hath] a continual feast.

15 Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd.

SP 15:16 Beter is een weinig in de vreze des HEREN, dan een grote schat en onrust daarbij.

16 Better [is] little with the fear of the LORD than great treasure and trouble therewith.

16 Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.

SP 15:17 Beter een schotel groente, waar liefde heerst, dan een gemeste os en haat daarbij.

17 Better [is] a dinner of herbs where love is, than a stalled ox and hatred therewith.

17 Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.

SP 15:18 Een opvliegend mens verwekt twist, maar een lankmoedige doet de strijd bedaren.

18 A wrathful man stirreth up strife: but [he that is] slow to anger appeaseth strife.

18 Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.

SP 15:19 De weg van de luiaard is als een doornhaag, maar het pad der oprechten is welgebaand.

19 The way of the slothful [man is] as an hedge of thorns: but the way of the righteous [is] made plain.

19 De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.

SP 15:20 Een wijs zoon verheugt de vader, maar een dwaas van een mens veracht zijn moeder.

20 A wise son maketh a glad father: but a foolish man despiseth his mother.

20 Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.

SP 15:21 Dwaasheid is vreugde voor de verstandeloze, maar een man van verstand houdt de rechte weg.

21 Folly [is] joy to [him that is] destitute of wisdom: but a man of understanding walketh uprightly.

21 De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.

SP 15:22 Plannen mislukken bij gebrek aan overleg, maar door de veelheid van raadgevers komt iets tot stand.

22 Without counsel purposes are disappointed: but in the multitude of counsellors they are established.

22 De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.

SP 15:23 Iemand heeft vreugde, als hij een gepast antwoord geeft, en hoe goed is een woord op zijn tijd!

23 A man hath joy by the answer of his mouth: and a word [spoken] in due season, how good [is it]!

23 Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!

SP 15:24 Het pad des levens gaat voor de verstandige opwaarts, opdat hij ontwijke het dodenrijk beneden.

24 The way of life [is] above to the wise, that he may depart from hell beneath.

24 De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.

SP 15:25 Het huis der hoogmoedigen breekt de HERE af, maar Hij maakt de grenspaal der weduwe vast.

25 The LORD will destroy the house of the proud: but he will establish the border of the widow.

25 Het huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten.

SP 15:26 De plannen van de boze zijn de HERE een gruwel, maar liefelijke woorden zijn rein.

26 The thoughts of the wicked [are] an abomination to the LORD: but [the words] of the pure [are] pleasant words.

26 Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.

SP 15:27 Wie hunkert naar onrechtmatige winst, vernielt zijn eigen huis; maar wie geschenken haat, zal leven.

27 He that is greedy of gain troubleth his own house; but he that hateth gifts shall live.

27 Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.

SP 15:28 Het hart van de rechtvaardige overweegt, wat hij zal antwoorden, maar de mond der goddelozen stort boosheden uit.

28 The heart of the righteous studieth to answer: but the mouth of the wicked poureth out evil things.

28 Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.

SP 15:29 Ver is de HERE van de goddelozen, maar het gebed der rechtvaardigen hoort Hij.

29 The LORD [is] far from the wicked: but he heareth the prayer of the righteous.

29 De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.

SP 15:30 Vriendelijk stralende ogen verheugen het hart; een goede tijding verkwikt het gebeente.

30 The light of the eyes rejoiceth the heart: [and] a good report maketh the bones fat.

30 Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.

SP 15:31 Het oor, dat luistert naar de terechtwijzing die ten leven is, zal vertoeven te midden der wijzen.

31 The ear that heareth the reproof of life abideth among the wise.

31 Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.

SP 15:32 Wie de tucht in de wind slaat, veracht zijn leven; maar wie naar terechtwijzing luistert, verkrijgt verstand.

32 He that refuseth instruction despiseth his own soul: but he that heareth reproof getteth understanding.

32 Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.

SP 15:33 De vreze des HEREN voedt op tot wijsheid, en ootmoed gaat vooraf aan de eer.

33 The fear of the LORD [is] the instruction of wisdom; and before honour [is] humility.

33 De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid [gaat] voor de eer.

SP 16:1 De mens heeft overleggingen des harten, maar het antwoord der tong is van de HERE.

1 The preparations of the heart in man, and the answer of the tongue, [is] from the LORD.

1 De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

SP 16:2 Al iemands wegen zijn rein in zijn ogen, maar de HERE toetst de geesten.

2 All the ways of a man [are] clean in his own eyes; but the LORD weigheth the spirits.

2 Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.

SP 16:3 Beveel de HERE uw werken, dan zullen uw voornemens gelukken.

3 Commit thy works unto the LORD, and thy thoughts shall be established.

3 Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.

SP 16:4 De HERE heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads.

4 The LORD hath made all [things] for himself: yea, even the wicked for the day of evil.

4 De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook den goddeloze tot den dag des kwaads.

SP 16:5 Iedere hooghartige is de HERE een gruwel; voorwaar, hij blijft niet ongestraft.

5 Every one [that is] proud in heart [is] an abomination to the LORD: [though] hand [join] in hand, he shall not be unpunished.

5 Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.

SP 16:6 Door liefde en trouw wordt de ongerechtigheid verzoend, door de vreze des HEREN wijkt men van het kwaad.

6 By mercy and truth iniquity is purged: and by the fear of the LORD [men] depart from evil.

6 Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.

SP 16:7 Als iemands wegen de HERE behagen, doet Hij zelfs diens vijanden vrede met hem maken.

7 When a man's ways please the LORD, he maketh even his enemies to be at peace with him.

7 Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.

SP 16:8 Beter een weinig met gerechtigheid, dan grote inkomsten met onrecht.

8 Better [is] a little with righteousness than great revenues without right.

8 Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.

SP 16:9 Het hart des mensen overdenkt zijn weg, maar de HERE bestiert zijn gang.

9 A man's heart deviseth his way: but the LORD directeth his steps.

9 Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.

SP 16:10 Het godsoordeel is op de lippen van de koning, in het gericht faalt zijn mond niet.

10 A divine sentence [is] in the lips of the king: his mouth transgresseth not in judgment.

10 Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.

SP 16:11 Zuivere waag en weegschaal zijn des HEREN; al de weegstenen in de buidel zijn zijn werk.

11 A just weight and balance [are] the LORD'S: all the weights of the bag [are] his work.

11 Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.

SP 16:12 Voor koningen is het een gruwel, goddeloosheid te plegen, want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.

12 [It is] an abomination to kings to commit wickedness: for the throne is established by righteousness.

12 Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.

SP 16:13 Rechtvaardige lippen zijn de koningen welgevallig, hem die oprechte woorden spreekt, heeft hij lief.

13 Righteous lips [are] the delight of kings; and they love him that speaketh right.

13 De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.

SP 16:14 De grimmigheid van de koning is een voorbode van de dood, maar een wijs man verzoent die.

14 The wrath of a king [is as] messengers of death: but a wise man will pacify it.

14 De grimmigheid des konings is [als] de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.

SP 16:15 Het licht op het gelaat van de koning is het leven, en zijn welgevallen is als een wolk van de late regen.

15 In the light of the king's countenance [is] life; and his favour [is] as a cloud of the latter rain.

15 In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.

SP 16:16 Hoeveel beter is het, wijsheid te verkrijgen dan goud, hoeveel verkieslijker is het, verstand te verwerven dan zilver!

16 How much better [is it] to get wisdom than gold! and to get understanding rather to be chosen than silver!

16 Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!

SP 16:17 De koers der oprechten is: te wijken van het kwaad; wie acht geeft op zijn weg, bewaart zijn leven.

17 The highway of the upright [is] to depart from evil: he that keepeth his way preserveth his soul.

17 De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.

SP 16:18 Hovaardij gaat vooraf aan het verderf, en hoogmoed komt voor de val.

18 Pride [goeth] before destruction, and an haughty spirit before a fall.

18 Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.

SP 16:19 Het is beter nederig van geest te zijn met de armen, dan buit te delen met de hovaardigen.

19 Better [it is to be] of an humble spirit with the lowly, than to divide the spoil with the proud.

19 Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.

SP 16:20 Wie op het woord acht geeft, zal het goede vinden; ja, welzalig hij, die op de HERE vertrouwt.

20 He that handleth a matter wisely shall find good: and whoso trusteth in the LORD, happy [is] he.

20 Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.

SP 16:21 De wijze van hart wordt verstandig genoemd, en zoetheid van lippen versterkt het betoog.

21 The wise in heart shall be called prudent: and the sweetness of the lips increaseth learning.

21 De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.

SP 16:22 Het verstand is voor zijn bezitters een bron van leven, maar de straf voor de dwazen is hun eigen dwaasheid.

22 Understanding [is] a wellspring of life unto him that hath it: but the instruction of fools [is] folly.

22 Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.

SP 16:23 Het hart van de wijze maakt zijn mond verstandig, en versterkt het betoog op zijn lippen.

23 The heart of the wise teacheth his mouth, and addeth learning to his lips.

23 Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.

SP 16:24 Vriendelijke woorden zijn als honigzeem, zoet voor de ziel en medicijn voor het gebeente.

24 Pleasant words [are as] an honeycomb, sweet to the soul, and health to the bones.

24 Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.

SP 16:25 Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.

25 There is a way that seemeth right unto a man, but the end thereof [are] the ways of death.

25 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

SP 16:26 De honger van de werkman werkt voor hem, want zijn mond spoort hem aan.

26 He that laboureth laboureth for himself; for his mouth craveth it of him.

26 De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.

SP 16:27 Een nietswaardig man delft boosheid op, op zijn lippen is het als verzengend vuur.

27 An ungodly man diggeth up evil: and in his lips [there is] as a burning fire.

27 Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.

SP 16:28 Een valsaard veroorzaakt twist, een lasteraar brengt scheiding tussen vrienden.

28 A froward man soweth strife: and a whisperer separateth chief friends.

28 Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

SP 16:29 Een man des gewelds verleidt zijn naaste en leidt hem op een weg die niet goed is.

29 A violent man enticeth his neighbour, and leadeth him into the way [that is] not good.

29 Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.

SP 16:30 Wie zijn ogen toeknijpt, wil valse dingen verzinnen; wie zijn lippen samendrukt, heeft het kwaad reeds gedaan.

30 He shutteth his eyes to devise froward things: moving his lips he bringeth evil to pass.

30 Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

SP 16:31 De grijsheid is een sierlijke kroon, zij wordt op de weg der gerechtigheid gevonden.

31 The hoary head [is] a crown of glory, [if] it be found in the way of righteousness.

31 De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.

SP 16:32 Een lankmoedig mens overtreft een held, wie zijn geest beheerst, hem die een stad inneemt.

32 [He that is] slow to anger [is] better than the mighty; and he that ruleth his spirit than he that taketh a city.

32 De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.

SP 16:33 Het lot wordt in de schoot geworpen, maar elke beslissing daarvan is van de HERE.

33 The lot is cast into the lap; but the whole disposing thereof [is] of the LORD.

33 Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.

SP 17:1 Beter een droge bete en rust daarbij, dan een huis vol vleesspijzen, waarover men twist.

1 Better [is] a dry morsel, and quietness therewith, than an house full of sacrifices [with] strife.

1 Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.

SP 17:2 Een verstandig slaaf zal heersen over een zoon die zich schandelijk gedraagt, en zal in de erfenis delen te midden der broeders.

2 A wise servant shall have rule over a son that causeth shame, and shall have part of the inheritance among the brethren.

2 Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.

SP 17:3 De smeltkroes is voor het zilver en de oven voor het goud, maar de toetser der harten is de HERE.

3 The fining pot [is] for silver, and the furnace for gold: but the LORD trieth the hearts.

3 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.

SP 17:4 Een booswicht schenkt aandacht aan een bedrieglijke lip; valsheid leent het oor aan de verderfelijke tong.

4 A wicked doer giveth heed to false lips; [and] a liar giveth ear to a naughty tongue.

4 De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

SP 17:5 Wie de arme bespot, smaadt diens Maker; wie zich over rampspoed verheugt, blijft niet ongestraft.

5 Whoso mocketh the poor reproacheth his Maker: [and] he that is glad at calamities shall not be unpunished.

5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

SP 17:6 De kroon der ouden zijn kindskinderen en de eer der kinderen zijn hun ouders.

6 Children's children [are] the crown of old men; and the glory of children [are] their fathers.

6 De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.

SP 17:7 Een groot woord past niet aan een dwaas, hoeveel te minder leugentaal aan een edele.

7 Excellent speech becometh not a fool: much less do lying lips a prince.

7 Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.

SP 17:8 Het geschenk is in de ogen van zijn bezitter een kostbare steen, hij is voorspoedig waarheen hij zich ook wendt.

8 A gift [is as] a precious stone in the eyes of him that hath it: whithersoever it turneth, it prospereth.

8 Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.

SP 17:9 Wie een overtreding bedekt, jaagt liefde na; maar wie een zaak ophaalt, brengt scheiding tussen vrienden.

9 He that covereth a transgression seeketh love; but he that repeateth a matter separateth [very] friends.

9 Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.

SP 17:10 Een berisping maakt op de verstandige meer indruk dan honderd slagen op een zot.

10 A reproof entereth more into a wise man than an hundred stripes into a fool.

10 De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.

SP 17:11 De wederspannige zoekt slechts het kwade, maar tegen hem zal een onbarmhartige bode worden gezonden.

11 An evil [man] seeketh only rebellion: therefore a cruel messenger shall be sent against him.

11 Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.

SP 17:12 Laat een van jongen beroofde berin iemand tegenkomen, maar niet een zot in zijn dwaasheid.

12 Let a bear robbed of her whelps meet a man, rather than a fool in his folly.

12 Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.

SP 17:13 Wie kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

13 Whoso rewardeth evil for good, evil shall not depart from his house.

13 Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

SP 17:14 Het begin van een twist is als het doorsteken van een waterkering; laat dus af van twist, voordat hij losbreekt.

14 The beginning of strife [is as] when one letteth out water: therefore leave off contention, before it be meddled with.

14 Het begin des krakeels is [gelijk] een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.

SP 17:15 Wie een goddeloze vrijspreekt en wie een rechtvaardige veroordeelt, deze beiden zijn de HERE een gruwel.

15 He that justifieth the wicked, and he that condemneth the just, even they both [are] abomination to the LORD.

15 Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.

SP 17:16 Wat baat de koopprijs in de hand van de dwaas om wijsheid te kopen, daar hij immers geen verstand heeft?

16 Wherefore [is there] a price in the hand of a fool to get wisdom, seeing [he hath] no heart [to it]?

16 Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?

SP 17:17 Een vriend heeft te allen tijde lief, maar een broeder wordt voor de nood geboren.

17 A friend loveth at all times, and a brother is born for adversity.

17 Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

SP 17:18 Een verstandeloos mens is hij, die handslag geeft, die zich borg stelt voor zijn naaste.

18 A man void of understanding striketh hands, [and] becometh surety in the presence of his friend.

18 Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.

SP 17:19 Wie twist liefheeft, heeft overtreding lief; wie een grote mond opzet, zoekt verderf.

19 He loveth transgression that loveth strife: [and] he that exalteth his gate seeketh destruction.

19 Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.

SP 17:20 De verkeerde van hart vindt geen geluk, de valse van tong valt in het ongeluk.

20 He that hath a froward heart findeth no good: and he that hath a perverse tongue falleth into mischief.

20 Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

SP 17:21 Wie een zot verwekt, die wordt het tot kwelling, de vader van een dwaas zal zich niet verheugen.

21 He that begetteth a fool [doeth it] to his sorrow: and the father of a fool hath no joy.

21 Wie een zot genereert, [die] zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.

SP 17:22 Een vrolijk hart bevordert de genezing, maar een verslagen geest doet het gebeente verdorren.

22 A merry heart doeth good [like] a medicine: but a broken spirit drieth the bones.

22 Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.

SP 17:23 De goddeloze neemt een geschenk uit de buidel aan, om de paden van het recht te buigen.

23 A wicked [man] taketh a gift out of the bosom to pervert the ways of judgment.

23 De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.

SP 17:24 De verstandige heeft de wijsheid voor ogen, maar de ogen van een dwaas dwalen tot het einde der aarde.

24 Wisdom [is] before him that hath understanding; but the eyes of a fool [are] in the ends of the earth.

24 In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.

SP 17:25 Een dwaas zoon is zijn vader een ergernis en een verdriet voor wie hem baarde.

25 A foolish son [is] a grief to his father, and bitterness to her that bare him.

25 Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.

SP 17:26 Een rechtvaardige te beboeten is reeds verkeerd, onbehoorlijk is het een edele te slaan.

26 Also to punish the just [is] not good, [nor] to strike princes for equity.

26 Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen [iemand] slaan zouden om hetgeen recht is.

SP 17:27 De verstandige houdt zijn woorden in, de man van inzicht is bezonnen.

27 He that hath knowledge spareth his words: [and] a man of understanding is of an excellent spirit.

27 Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; [en] een man van verstand is kostelijk van geest.

SP 17:28 Zelfs een dwaas die zwijgt, gaat door voor wijs; als hij zijn lippen gesloten houdt, voor verstandig.

28 Even a fool, when he holdeth his peace, is counted wise: [and] he that shutteth his lips [is esteemed] a man of understanding.

28 Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, [en] die zijn lippen toesluit, verstandig.

SP 18:1 De eenzelvige zoekt zijn eigen begeerte, hij barst los tegen al wat verstandig is.

1 Through desire a man, having separated himself, seeketh [and] intermeddleth with all wisdom.

1 Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.

SP 18:2 Een dwaas schept geen behagen in inzicht, maar hierin, dat zijn hart zich bloot geeft.

2 A fool hath no delight in understanding, but that his heart may discover itself.

2 De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.

SP 18:3 Waar de goddeloze komt, komt ook verachting, en met schande komt smaad.

3 When the wicked cometh, [then] cometh also contempt, and with ignominy reproach.

3 Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.

SP 18:4 De woorden van iemands mond zijn diepe wateren, een bruisende beek, een bron van wijsheid.

4 The words of a man's mouth [are as] deep waters, [and] the wellspring of wisdom [as] a flowing brook.

4 De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.

SP 18:5 Het is verkeerd de goddeloze voor te trekken, en de rechtvaardige in het gericht weg te duwen.

5 [It is] not good to accept the person of the wicked, to overthrow the righteous in judgment.

5 Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.

SP 18:6 De lippen van de dwaas brengen twist voort, en zijn mond roept om slagen.

6 A fool's lips enter into contention, and his mouth calleth for strokes.

6 De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

SP 18:7 De mond van de dwaas is hem tot verderf, zijn lippen zijn een valstrik voor hemzelf.

7 A fool's mouth [is] his destruction, and his lips [are] the snare of his soul.

7 De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.

SP 18:8 De woorden van de lasteraar zijn als lekkernijen; zij glijden immers af naar de schuilhoeken van het hart.

8 The words of a talebearer [are] as wounds, and they go down into the innermost parts of the belly.

8 De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

SP 18:9 Hij, die traag is in zijn arbeid, is reeds een broeder van de verderver.

9 He also that is slothful in his work is brother to him that is a great waster.

9 Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

SP 18:10 De naam des HEREN is een sterke toren; de rechtvaardige ijlt daarheen en is onaantastbaar.

10 The name of the LORD [is] a strong tower: the righteous runneth into it, and is safe.

10 De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.

SP 18:11 Het bezit van de rijke is zijn sterke stad, en als een hoge muur - in zijn verbeelding.

11 The rich man's wealth [is] his strong city, and as an high wall in his own conceit.

11 Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.

SP 18:12 Vóór de val is het hart van de mens hoogmoedig, maar ootmoed gaat vooraf aan de eer.

12 Before destruction the heart of man is haughty, and before honour [is] humility.

12 Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.

SP 18:13 Wie antwoord geeft, voordat hij hoort, die is het tot dwaasheid en smaad.

13 He that answereth a matter before he heareth [it], it [is] folly and shame unto him.

13 Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.

SP 18:14 De geestkracht van de mens houdt hem staande in zijn lijden, maar een neerslachtige geest, wie zal die opbeuren?

14 The spirit of a man will sustain his infirmity; but a wounded spirit who can bear?

14 De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?

SP 18:15 Het hart van de verstandige verwerft kennis, het oor der wijzen zoekt kennis.

15 The heart of the prudent getteth knowledge; and the ear of the wise seeketh knowledge.

15 Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.

SP 18:16 Iemands geschenk maakt ruimte voor hem en brengt hem in de tegenwoordigheid der groten.

16 A man's gift maketh room for him, and bringeth him before great men.

16 De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.

SP 18:17 In het rechtsgeding heeft de eerste (spreker) gelijk, maar dan komt de ander en rekent hem na.

17 [He that is] first in his own cause [seemeth] just; but his neighbour cometh and searcheth him.

17 Die de eerste is in zijn twistzaak, [schijnt] rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.

SP 18:18 Het lot doet twistingen ophouden en scheidt sterke mannen van elkander.

18 The lot causeth contentions to cease, and parteth between the mighty.

18 Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen.

SP 18:19 Een verongelijkte broeder is ontoegankelijker dan een sterke stad, en twistingen zijn als de grendel van een burcht.

19 A brother offended [is harder to be won] than a strong city: and [their] contentions [are] like the bars of a castle.

19 Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.

SP 18:20 Van de vrucht van iemands mond wordt zijn binnenste verzadigd; hij verzadigt zich van de opbrengst van zijn lippen.

20 A man's belly shall be satisfied with the fruit of his mouth; [and] with the increase of his lips shall he be filled.

20 Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.

SP 18:21 Dood en leven zijn in de macht der tong, wie aan haar toegeeft, zal haar vrucht eten.

21 Death and life [are] in the power of the tongue: and they that love it shall eat the fruit thereof.

21 Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.

SP 18:22 Wie een vrouw vond, heeft iets goeds gevonden en gunst van de HERE verworven.

22 [Whoso] findeth a wife findeth a good [thing], and obtaineth favour of the LORD.

22 Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.

SP 18:23 Smekend spreekt de arme, maar hard antwoordt de rijke.

23 The poor useth intreaties; but the rich answereth roughly.

23 De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.

SP 18:24 Veel makkers strekken een mens tot ongeluk, maar soms is een vriend aanhankelijker dan een broeder.

24 A man [that hath] friends must shew himself friendly: and there is a friend [that] sticketh closer than a brother.

24 Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.

SP 19:1 Beter een arme die in oprechtheid wandelt, dan een verkeerde van lippen, die bovendien dwaas is.

1 Better [is] the poor that walketh in his integrity, than [he that is] perverse in his lips, and is a fool.

1 De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

SP 19:2 Zonder verstand deugt zelfs ijver niet, wie haastig is met zijn voeten, begaat een misstap.

2 Also, [that] the soul [be] without knowledge, [it is] not good; and he that hasteth with [his] feet sinneth.

2 Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.

SP 19:3 Des mensen eigen dwaasheid verderft zijn weg, en dan is zijn hart gramstorig op de HERE.

3 The foolishness of man perverteth his way: and his heart fretteth against the LORD.

3 De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

SP 19:4 Rijkdom brengt veel vrienden aan, maar een arme wordt door zijn vriend verlaten.

4 Wealth maketh many friends; but the poor is separated from his neighbour.

4 Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.

SP 19:5 Een vals getuige blijft niet ongestraft, wie leugens uitblaast, ontkomt niet.

5 A false witness shall not be unpunished, and [he that] speaketh lies shall not escape.

5 Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.

SP 19:6 Velen dingen naar de gunst van de aanzienlijke, ieder is vriend van wie geschenken geeft.

6 Many will intreat the favour of the prince: and every man [is] a friend to him that giveth gifts.

6 Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.

SP 19:7 Al de broeders van de arme haten hem, hoeveel te meer blijven zijn vrienden verre van hem. Achtervolgt hij hen met woorden - weg zijn zij.

7 All the brethren of the poor do hate him: how much more do his friends go far from him? he pursueth [them with] words, [yet] they [are] wanting [to him].

7 Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na [met] woorden die niets zijn.

SP 19:8 Wie verstand verwerft, heeft zijn leven lief; wie inzicht bewaart, vindt geluk.

8 He that getteth wisdom loveth his own soul: he that keepeth understanding shall find good.

8 Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.

SP 19:9 Een vals getuige blijft niet ongestraft, wie leugens uitblaast, zal omkomen.

9 A false witness shall not be unpunished, and [he that] speaketh lies shall perish.

9 Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan.

SP 19:10 Weelde past een dwaas niet, hoeveel te minder een slaaf te heersen over vorsten.

10 Delight is not seemly for a fool; much less for a servant to have rule over princes.

10 De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!

SP 19:11 Des mensen verstand maakt hem lankmoedig, het is zijn eer een overtreding voorbij te zien.

11 The discretion of a man deferreth his anger; and [it is] his glory to pass over a transgression.

11 Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.

SP 19:12 De toorn van een koning is als het grommen van een jonge leeuw, maar zijn welgevallen is als dauw op het gras.

12 The king's wrath [is] as the roaring of a lion; but his favour [is] as dew upon the grass.

12 Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.

SP 19:13 Een dwaas zoon is een ramp voor zijn vader, het getwist van een vrouw als een gestadig druppelend lek.

13 A foolish son [is] the calamity of his father: and the contentions of a wife [are] a continual dropping.

13 Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw [als] een gestadig druipen.

SP 19:14 Huis en have is een erfdeel der vaderen, maar een verstandige vrouw is van de HERE.

14 House and riches [are] the inheritance of fathers: and a prudent wife [is] from the LORD.

14 Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.

SP 19:15 Luiheid doet in diepe slaap vallen en de trage moet honger lijden.

15 Slothfulness casteth into a deep sleep; and an idle soul shall suffer hunger.

15 Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.

SP 19:16 Wie het gebod bewaart, bewaart zijn leven; maar wie niet let op zijn wandel, zal sterven.

16 He that keepeth the commandment keepeth his own soul; [but] he that despiseth his ways shall die.

16 Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.

SP 19:17 Wie zich over de arme ontfermt, leent de HERE; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.

17 He that hath pity upon the poor lendeth unto the LORD; and that which he hath given will he pay him again.

17 Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.

SP 19:18 Kastijd uw zoon, wanneer er nog hoop is, maar laat u niet verleiden hem te doden.

18 Chasten thy son while there is hope, and let not thy soul spare for his crying.

18 Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.

SP 19:19 Een doldriftige moet boeten, want als gij helpen wilt, maakt gij het erger.

19 A man of great wrath shall suffer punishment: for if thou deliver [him], yet thou must do it again.

19 Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij [hem] uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.

SP 19:20 Luister naar raad en neem vermaning aan, opdat gij ten slotte wijs wordt.

20 Hear counsel, and receive instruction, that thou mayest be wise in thy latter end.

20 Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.

SP 19:21 Vele zijn de overleggingen in het hart des mensen, maar de raad des HEREN, die zal bestaan.

21 [There are] many devices in a man's heart; nevertheless the counsel of the LORD, that shall stand.

21 In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.

SP 19:22 Het aantrekkelijke van de mens is zijn welwillendheid; beter is een arme dan een leugenachtig man.

22 The desire of a man [is] his kindness: and a poor man [is] better than a liar.

22 De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.

SP 19:23 De vreze des HEREN is ten leven; men overnacht verzadigd, door het kwaad niet bezocht.

23 The fear of the LORD [tendeth] to life: and [he that hath it] shall abide satisfied; he shall not be visited with evil.

23 De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.

SP 19:24 Al heeft de luiaard zijn hand in de schotel gestoken, hij brengt ze niet eens aan de mond.

24 A slothful [man] hideth his hand in [his] bosom, and will not so much as bring it to his mouth again.

24 Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

SP 19:25 Slaat gij de spotter, dan wordt de onverstandige schrander, tuchtigt gij de verstandige, hij put er kennis uit.

25 Smite a scorner, and the simple will beware: and reprove one that hath understanding, [and] he will understand knowledge.

25 Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.

SP 19:26 Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verstoot, is een snood en schandelijk zoon.

26 He that wasteth [his] father, [and] chaseth away [his] mother, [is] a son that causeth shame, and bringeth reproach.

26 Wie de vader verwoest, [of] de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.

SP 19:27 Houd maar op, mijn zoon, naar vermaning te luisteren als gij toch afwijkt van verstandige woorden.

27 Cease, my son, to hear the instruction [that causeth] to err from the words of knowledge.

27 Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.

SP 19:28 Een nietswaardig getuige spot met het recht, en de mond der goddelozen verslindt onrecht.

28 An ungodly witness scorneth judgment: and the mouth of the wicked devoureth iniquity.

28 Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.

SP 19:29 Voor de spotters zijn straffen gereed en slagen voor de rug der dwazen.

29 Judgments are prepared for scorners, and stripes for the back of fools.

29 Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.

SP 20:1 De wijn is een spotter, de drank een luidruchtige, ieder die zich daaraan overgeeft, is onwijs.

1 Wine [is] a mocker, strong drink [is] raging: and whosoever is deceived thereby is not wise.

1 De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.

SP 20:2 De dreiging des konings is als het grommen van een jonge leeuw, wie tegen hem overtreedt, zondigt tegen zijn leven.

2 The fear of a king [is] as the roaring of a lion: [whoso] provoketh him to anger sinneth [against] his own soul.

2 De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.

SP 20:3 Het is een eer voor een man zich verre te houden van twist, maar elke dwaas barst los.

3 [It is] an honour for a man to cease from strife: but every fool will be meddling.

3 Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.

SP 20:4 In de herfst ploegt de luiaard niet; zoekt hij in de oogsttijd - dan is er niets.

4 The sluggard will not plow by reason of the cold; [therefore] shall he beg in harvest, and [have] nothing.

4 Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.

SP 20:5 De plannen in het hart van de mens zijn diepe wateren, maar een man van verstand weet ze op te diepen.

5 Counsel in the heart of man [is like] deep water; but a man of understanding will draw it out.

5 De raad in het hart eens mans is [als] diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.

SP 20:6 Vele mensen roemen hun eigen welwillendheid, maar een betrouwbaar man - wie kan hem vinden?

6 Most men will proclaim every one his own goodness: but a faithful man who can find?

6 Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?

SP 20:7 Een rechtvaardige, wandelend in zijn oprechtheid - welzalig zijn zijn kinderen na hem.

7 The just [man] walketh in his integrity: his children [are] blessed after him.

7 De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem.

SP 20:8 Een koning, op de rechterstoel gezeten, weet reeds met zijn ogen al het boze te schiften.

8 A king that sitteth in the throne of judgment scattereth away all evil with his eyes.

8 Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.

SP 20:9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein bewaard, ik ben rein van zonde?

9 Who can say, I have made my heart clean, I am pure from my sin?

9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?

SP 20:10 Tweeërlei gewicht, tweeërlei maat, beide zijn de HERE een gruwel.

10 Divers weights, [and] divers measures, both of them [are] alike abomination to the LORD.

10 Tweeerlei weegsteen, tweeerlei efa is den HEERE een gruwel, ja die beide.

SP 20:11 Reeds een knaap laat zich door zijn handelingen kennen, of zijn doen zuiver is en recht.

11 Even a child is known by his doings, whether his work [be] pure, and whether [it be] right.

11 Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.

SP 20:12 Het oor dat hoort en het oog dat ziet, de HERE heeft beide gemaakt.

12 The hearing ear, and the seeing eye, the LORD hath made even both of them.

12 Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.

SP 20:13 Heb de slaap niet lief, opdat gij niet verarmt, houd uw ogen open, dan hebt gij brood genoeg.

13 Love not sleep, lest thou come to poverty; open thine eyes, [and] thou shalt be satisfied with bread.

13 Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.

SP 20:14 Slecht! Slecht! zegt de koper, maar als hij weggaat, dan beroemt hij zich.

14 [It is] naught, [it is] naught, saith the buyer: but when he is gone his way, then he boasteth.

14 Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.

SP 20:15 Al heeft men goud en een menigte koralen, het kostbaarste kleinood zijn verstandige lippen.

15 There is gold, and a multitude of rubies: but the lips of knowledge [are] a precious jewel.

15 Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.

SP 20:16 Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een vreemde, en neem hem als pand voor onbekenden.

16 Take his garment that is surety [for] a stranger: and take a pledge of him for a strange woman.

16 Als [iemand] [voor] een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.

SP 20:17 Brood des bedrogs is zoet voor een mens, maar daarna is zijn mond vol kiezel.

17 Bread of deceit [is] sweet to a man; but afterwards his mouth shall be filled with gravel.

17 Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.

SP 20:18 Plannen komen tot stand door beraad, voer dus de strijd met overleg.

18 [Every] purpose is established by counsel: and with good advice make war.

18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.

SP 20:19 Wie als lasteraar rondgaat, openbaart geheimen; laat u dus niet in met een loslippige.

19 He that goeth about [as] a talebearer revealeth secrets: therefore meddle not with him that flattereth with his lips.

19 Die [als] een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.

SP 20:20 Wie zijn vader en zijn moeder vervloekt, diens lamp wordt uitgeblust ten tijde der dichte duisternis.

20 Whoso curseth his father or his mother, his lamp shall be put out in obscure darkness.

20 Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.

SP 20:21 Een bezit, in het begin te spoedig verworven, zal ten slotte niet tot zegen zijn.

21 An inheritance [may be] gotten hastily at the beginning; but the end thereof shall not be blessed.

21 Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.

SP 20:22 Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op de HERE, Hij zal u helpen.

22 Say not thou, I will recompense evil; [but] wait on the LORD, and he shall save thee.

22 Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen.

SP 20:23 Tweeërlei gewicht is de HERE een gruwel, en een valse weegschaal is verkeerd.

23 Divers weights [are] an abomination unto the LORD; and a false balance [is] not good.

23 Tweeerlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed.

SP 20:24 Van de HERE zijn de schreden eens mans, maar een mens - hoe zal hij zijn weg doorzien?

24 Man's goings [are] of the LORD; how can a man then understand his own way?

24 De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?

SP 20:25 Het is een valstrik voor een mens ondoordacht "heilig" te roepen, en pas na gedane geloften te overwegen.

25 [It is] a snare to the man [who] devoureth [that which is] holy, and after vows to make enquiry.

25 Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na [gedane] geloften, onderzoek te doen.

SP 20:26 Een wijs koning zuivert de goddelozen uit en doet het rad over hen heengaan.

26 A wise king scattereth the wicked, and bringeth the wheel over them.

26 Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.

SP 20:27 De geest van de mens is een lamp des HEREN, doorzoekende al de schuilhoeken van het hart.

27 The spirit of man [is] the candle of the LORD, searching all the inward parts of the belly.

27 De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.

SP 20:28 Liefde en trouw beschermen de koning, en door liefde schraagt hij zijn troon.

28 Mercy and truth preserve the king: and his throne is upholden by mercy.

28 Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.

SP 20:29 Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden glorie is de grijsheid.

29 The glory of young men [is] their strength: and the beauty of old men [is] the gray head.

29 Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.

SP 20:30 Bloedige striemen zuiveren het kwaad uit, en slagen reinigen de schuilhoeken van het hart.

30 The blueness of a wound cleanseth away evil: so [do] stripes the inward parts of the belly.

30 Gezwellen der wonde zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks.

SP 21:1 Het hart van de koning is in de hand des HEREN als waterbeken, Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt.

1 The king's heart [is] in the hand of the LORD, [as] the rivers of water: he turneth it whithersoever he will.

1 Des konings hart is in de hand des HEEREN [als] waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

SP 21:2 Elke weg van een mens is recht in zijn ogen, maar de HERE beproeft de harten.

2 Every way of a man [is] right in his own eyes: but the LORD pondereth the hearts.

2 Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.

SP 21:3 Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan offers.

3 To do justice and judgment [is] more acceptable to the LORD than sacrifice.

3 Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.

SP 21:4 Trotsheid van ogen en opgeblazenheid van hart - de glans der goddelozen is zonde.

4 An high look, and a proud heart, [and] the plowing of the wicked, [is] sin.

4 Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, [en] de ploeging der goddelozen, zijn zonde.

SP 21:5 De plannen van de vlijtige strekken tot louter overvloed, maar al wie overijlt, komt slechts tot gebrek.

5 The thoughts of the diligent [tend] only to plenteousness; but of every one [that is] hasty only to want.

5 De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.

SP 21:6 Schatten verwerven met bedrieglijke tong is een verwaaiende nevel, dodelijke valstrikken.

6 The getting of treasures by a lying tongue [is] a vanity tossed to and fro of them that seek death.

6 Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.

SP 21:7 De gewelddaad der goddelozen sleurt hen mee, want zij weigeren recht te doen.

7 The robbery of the wicked shall destroy them; because they refuse to do judgment.

7 De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.

SP 21:8 Kronkelend is de weg van de bedrieger, maar een eerlijk man is recht in zijn doen.

8 The way of man [is] froward and strange: but [as for] the pure, his work [is] right.

8 De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.

SP 21:9 Beter te wonen op een hoek van het dak dan met een twistzieke vrouw in een gemeenschappelijke woning.

9 [It is] better to dwell in a corner of the housetop, than with a brawling woman in a wide house.

9 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat [in] een huis van gezelschap.

SP 21:10 De begeerte van de goddeloze gaat uit naar het kwaad; zijn naaste draagt hij geen genegenheid toe.

10 The soul of the wicked desireth evil: his neighbour findeth no favour in his eyes.

10 De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.

SP 21:11 Straft men de spotter, dan wordt de onverstandige wijs; onderricht men de wijze, hij zal kennis verwerven.

11 When the scorner is punished, the simple is made wise: and when the wise is instructed, he receiveth knowledge.

11 Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.

SP 21:12 De Rechtvaardige let op het huis van de goddeloze en stort de goddelozen in het verderf.

12 The righteous [man] wisely considereth the house of the wicked: [but God] overthroweth the wicked for [their] wickedness.

12 De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als [God] de goddelozen in het kwaad stort.

SP 21:13 Wie zijn oor gesloten houdt voor het hulpgeroep van de geringe, zal, als hij zelf roept, geen antwoord ontvangen.

13 Whoso stoppeth his ears at the cry of the poor, he also shall cry himself, but shall not be heard.

13 Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.

SP 21:14 Een heimelijke gave doet de toorn bedaren, een geschenk in de buidel hevige gramschap.

14 A gift in secret pacifieth anger: and a reward in the bosom strong wrath.

14 Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.

SP 21:15 Recht doen is een vreugde voor de rechtvaardige, maar een verschrikking voor de bedrijvers van ongerechtigheid.

15 [It is] joy to the just to do judgment: but destruction [shall be] to the workers of iniquity.

15 Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.

SP 21:16 Een mens die afdwaalt van de weg van het verstand, zal tot rust komen in de vergadering der schimmen.

16 The man that wandereth out of the way of understanding shall remain in the congregation of the dead.

16 Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.

SP 21:17 Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden; wie olie en wijn liefheeft, wordt niet rijk.

17 He that loveth pleasure [shall be] a poor man: he that loveth wine and oil shall not be rich.

17 Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.

SP 21:18 De goddeloze is een losprijs voor de rechtvaardige, en de trouweloze komt in de plaats van de oprechten.

18 The wicked [shall be] a ransom for the righteous, and the transgressor for the upright.

18 De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.

SP 21:19 Het is beter te wonen in een woestijn dan met een twistzieke en gramstorige vrouw.

19 [It is] better to dwell in the wilderness, than with a contentious and an angry woman.

19 Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.

SP 21:20 In de woning van de wijze is kostelijke voorraad en olie, maar een dwaas van een mens brengt het door.

20 [There is] treasure to be desired and oil in the dwelling of the wise; but a foolish man spendeth it up.

20 In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.

SP 21:21 Wie gerechtigheid en liefde najaagt, vindt leven, gerechtigheid en eer.

21 He that followeth after righteousness and mercy findeth life, righteousness, and honour.

21 Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.

SP 21:22 Een wijze beklimt een stad van helden en werpt de sterkte waarop zij vertrouwde terneer.

22 A wise [man] scaleth the city of the mighty, and casteth down the strength of the confidence thereof.

22 De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.

SP 21:23 Wie zijn mond en zijn tong bewaakt, bewaart zichzelf voor benauwdheden.

23 Whoso keepeth his mouth and his tongue keepeth his soul from troubles.

23 Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.

SP 21:24 Een overmoedige en vermetele heet spotter, hij, die handelt in mateloze overmoed.

24 Proud [and] haughty scorner [is] his name, who dealeth in proud wrath.

24 Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.

SP 21:25 De begeerte van de luiaard brengt hem ten dode, want zijn handen weigeren te werken.

25 The desire of the slothful killeth him; for his hands refuse to labour.

25 De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.

SP 21:26 De begerigheid begeert de ganse dag, maar de rechtvaardige geeft en houdt niet terug.

26 He coveteth greedily all the day long: but the righteous giveth and spareth not.

26 Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.

SP 21:27 Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als hij het met boze bedoeling brengt.

27 The sacrifice of the wicked [is] abomination: how much more, [when] he bringeth it with a wicked mind?

27 Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen!

SP 21:28 Een leugenachtig getuige zal omkomen, maar een man die luistert, zal zegevierend spreken.

28 A false witness shall perish: but the man that heareth speaketh constantly.

28 Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning.

SP 21:29 De goddeloze zet een onbeschaamd gezicht, maar de oprechte, hij geeft vastheid aan zijn wandel.

29 A wicked man hardeneth his face: but [as for] the upright, he directeth his way.

29 Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.

SP 21:30 Er is geen wijsheid en geen verstand, geen raad is er tegenover de HERE.

30 [There is] no wisdom nor understanding nor counsel against the LORD.

30 Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.

SP 21:31 Het paard wordt opgetuigd tegen de dag van de strijd, maar de zege is van de HERE.

31 The horse [is] prepared against the day of battle: but safety [is] of the LORD.

31 Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.

SP 22:1 Een goede naam is verkieslijker dan veel rijkdom, gunst is beter dan zilver en goud.

1 A [good] name [is] rather to be chosen than great riches, [and] loving favour rather than silver and gold.

1 De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

SP 22:2 Rijken en armen ontmoeten elkander; hun aller Maker is de HERE.

2 The rich and poor meet together: the LORD [is] the maker of them all.

2 Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.

SP 22:3 De schrandere ziet het onheil en bergt zich, maar de onverstandigen gaan hun gang en moeten boeten.

3 A prudent [man] foreseeth the evil, and hideth himself: but the simple pass on, and are punished.

3 Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

SP 22:4 Het loon van ootmoed - vreze des HEREN - is rijkdom, eer en leven.

4 By humility [and] the fear of the LORD [are] riches, and honour, and life.

4 Het loon der nederigheid, [met] de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.

SP 22:5 Dorens en strikken liggen op de weg van de verkeerde; wie zichzelf wil bewaren, blijft daarvan verre.

5 Thorns [and] snares [are] in the way of the froward: he that doth keep his soul shall be far from them.

5 Doornen [en] strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

SP 22:6 Oefen de knaap volgens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken.

6 Train up a child in the way he should go: and when he is old, he will not depart from it.

6 Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

SP 22:7 De rijke heerst over de armen, en de man die leent, is een knecht van de uitlener.

7 The rich ruleth over the poor, and the borrower [is] servant to the lender.

7 De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.

SP 22:8 Wie onrecht zaait, zal onheil oogsten; de staf van zijn gramschap zal vergaan.

8 He that soweth iniquity shall reap vanity: and the rod of his anger shall fail.

8 Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.

SP 22:9 Wie vriendelijk van oog is, die wordt gezegend, omdat hij de behoeftige van zijn brood geeft.

9 He that hath a bountiful eye shall be blessed; for he giveth of his bread to the poor.

9 Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.

SP 22:10 Jaag de spotter weg en de twist verdwijnt, en het twisten en smaden houdt op.

10 Cast out the scorner, and contention shall go out; yea, strife and reproach shall cease.

10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.

SP 22:11 Wie reinheid van hart bemint en wiens lippen vriendelijk zijn, de koning is zijn vriend.

11 He that loveth pureness of heart, [for] the grace of his lips the king [shall be] his friend.

11 Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.

SP 22:12 De ogen des HEREN bewaken de kennis, maar Hij verijdelt de woorden van de trouweloze.

12 The eyes of the LORD preserve knowledge, and he overthroweth the words of the transgressor.

12 De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.

SP 22:13 De luiaard zegt: Er is een leeuw op de straat, ik moest eens op het plein gedood worden!

13 The slothful [man] saith, [There is] a lion without, I shall be slain in the streets.

13 De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

SP 22:14 De mond van vreemde vrouwen is een diepe groeve; hij, op wie de HERE vergramd is, valt daarin.

14 The mouth of strange women [is] a deep pit: he that is abhorred of the LORD shall fall therein.

14 De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.

SP 22:15 Is dwaasheid vastgehecht in het hart van een knaap, de tuchtroede zal haar vandaar verdrijven.

15 Foolishness [is] bound in the heart of a child; [but] the rod of correction shall drive it far from him.

15 De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.

SP 22:16 Wie de geringe verdrukt, bevoordeelt hem; wie de rijke geeft, verarmt hem slechts.

16 He that oppresseth the poor to increase his [riches, and] he that giveth to the rich, [shall] surely [come] to want.

16 Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, [en] den rijke geeft, [komt] zekerlijk tot gebrek.

SP 22:17 Neig uw oor en hoor de woorden der wijzen, richt uw hart op mijn kennis.

17 Bow down thine ear, and hear the words of the wise, and apply thine heart unto my knowledge.

17 Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;

SP 22:18 Want het is liefelijk, dat gij ze in uw binnenste bewaart, dat zij alle bestendig op uw lippen zijn.

18 For [it is] a pleasant thing if thou keep them within thee; they shall withal be fitted in thy lips.

18 Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.

SP 22:19 Opdat uw betrouwen op de HERE zij, onderricht ik u heden, ja u.

19 That thy trust may be in the LORD, I have made known to thee this day, even to thee.

19 Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u [die] heden bekend; gij ook [maak] [ze] [bekend].

SP 22:20 Heb ik niet kernspreuken voor u opgeschreven met raadgevingen en kennis,

20 Have not I written to thee excellent things in counsels and knowledge,

20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?

SP 22:21 om u bekend te maken de juistheid van betrouwbare woorden, opdat gij uw zender betrouwbare woorden kunt antwoorden?

21 That I might make thee know the certainty of the words of truth; that thou mightest answer the words of truth to them that send unto thee?

21 Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.

SP 22:22 Beroof de geringe niet, omdat hij arm is, en vertreed de ellendige niet in de poort;

22 Rob not the poor, because he [is] poor: neither oppress the afflicted in the gate:

22 Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.

SP 22:23 want de HERE zal hun rechtsgeding voeren en hun berovers van het leven beroven.

23 For the LORD will plead their cause, and spoil the soul of those that spoiled them.

23 Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.

SP 22:24 Ga niet om met een driftkop en laat u niet in met een heethoofd,

24 Make no friendship with an angry man; and with a furious man thou shalt not go:

24 Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;

SP 22:25 opdat gij niet gewend raakt aan zijn paden en uzelf een strik spant.

25 Lest thou learn his ways, and get a snare to thy soul.

25 Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

SP 22:26 Behoor niet tot hen die handslag geven en zich borg stellen voor schulden;

26 Be not thou [one] of them that strike hands, [or] of them that are sureties for debts.

26 Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.

SP 22:27 als gij niets hebt om te betalen, waarom zou men uw bed onder u wegnemen?

27 If thou hast nothing to pay, why should he take away thy bed from under thee?

27 Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?

SP 22:28 Verleg de aloude grenzen niet, die uw vaderen vaststelden.

28 Remove not the ancient landmark, which thy fathers have set.

28 Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.

SP 22:29 Ziet gij een man, vaardig in zijn werk, hij zal ten dienste van koningen gesteld worden; ten dienste van onaanzienlijken wordt hij niet gesteld.

29 Seest thou a man diligent in his business? he shall stand before kings; he shall not stand before mean [men].

29 Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.

SP 23:1 Wanneer gij bij een heerser tafelt, bepaal dan uw aandacht alleen bij wat vóór u staat,

1 When thou sittest to eat with a ruler, consider diligently what [is] before thee:

1 Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.

SP 23:2 en zet u het mes op de keel, als gij een gulzig mens zijt.

2 And put a knife to thy throat, if thou [be] a man given to appetite.

2 En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt;

SP 23:3 Begeer zijn lekkernijen niet, want het is bedrieglijke spijs.

3 Be not desirous of his dainties: for they [are] deceitful meat.

3 Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.

SP 23:4 Tob u niet af voor rijkdom, zie van uw voornemen af;

4 Labour not to be rich: cease from thine own wisdom.

4 Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.

SP 23:5 richt gij uw oog erop, hij is er niet meer; want plotseling maakte hij zich vleugels, als een arend vliegt hij ten hemel.

5 Wilt thou set thine eyes upon that which is not? for [riches] certainly make themselves wings; they fly away as an eagle toward heaven.

5 Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.

SP 23:6 Eet niet het brood van wie boos van oog is, begeer zijn lekkernijen niet;

6 Eat thou not the bread of [him that hath] an evil eye, neither desire thou his dainty meats:

6 Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;

SP 23:7 want als iemand die zijn eigen plannen maakt, zo i