|
SP 1:1 De Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van
Israël, |
1 The proverbs of Solomon the son of David, king of Israel; |
1 De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel, |
|
SP 1:2 om wijsheid en tucht te verkrijgen, om verstandige woorden te
verstaan, |
2 To know wisdom and instruction; to perceive the words of
understanding; |
2 Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands; |
|
SP 1:3 om de tucht aan te nemen, die verstandig maakt, gerechtigheid en
recht en rechtschapenheid; |
3 To receive the instruction of wisdom, justice, and judgment, and
equity; |
3 Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht,
en billijkheden; |
|
SP 1:4 om de onverstandigen schranderheid, de jongeling kennis en
bedachtzaamheid te geven. |
4 To give subtilty to the simple, to the young man knowledge and
discretion. |
4 Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en
bedachtzaamheid. |
|
SP 1:5 De wijze hore en vermeerdere inzicht en wie verstandig is,
verwerve overleg, |
5 A wise [man] will hear, and will increase learning; and a man of
understanding shall attain unto wise counsels: |
5 Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig
is, zal wijzen raad bekomen. |
|
SP 1:6 om te verstaan spreuk en beeldspraak, woorden en raadselen van
wijzen. |
6 To understand a proverb, and the interpretation; the words of the
wise, and their dark sayings. |
6 Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en
hun raadselen. |
|
SP 1:7 De vreze des HEREN is het begin der kennis; de dwazen verachten
wijsheid en tucht. |
7 The fear of the LORD [is] the beginning of knowledge: [but] fools
despise wisdom and instruction. |
7 De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen
verachten wijsheid en tucht. |
|
SP 1:8 Hoor, mijn zoon, de tucht van uw vader en verwerp de
onderwijzing van uw moeder niet; |
8 My son, hear the instruction of thy father, and forsake not the law
of thy mother: |
8 Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder
niet; |
|
SP 1:9 want zij zijn een liefelijke krans voor uw hoofd, een keten voor
uw hals. |
9 For they [shall be] an ornament of grace unto thy head, and chains
about thy neck. |
9 Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen
aan uw hals. |
|
SP 1:10 Mijn zoon, indien zondaren u willen verleiden, bewillig niet; |
10 My son, if sinners entice thee, consent thou not. |
10 Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet; |
|
SP 1:11 indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, laat
ons de onschuldige belagen, ook al geeft hij geen oorzaak; |
11 If they say, Come with us, let us lay wait for blood, let us lurk
privily for the innocent without cause: |
11 Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons
versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak; |
|
SP 1:12 laat ons hen levend verslinden evenals het dodenrijk, met huid
en haar, gelijk degenen die in de groeve nederdalen; |
12 Let us swallow them up alive as the grave; and whole, as those that
go down into the pit: |
12 Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al,
gelijk die in den kuil nederdalen; |
|
SP 1:13 wij zullen allerlei kostbare dingen vinden, wij zullen onze
huizen vullen met buit; |
13 We shall find all precious substance, we shall fill our houses with
spoil: |
13 Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met
roof vullen. |
|
SP 1:14 gij zult met ons uw aandeel krijgen, één buidel zal er zijn
voor ons allen - |
14 Cast in thy lot among us; let us all have one purse: |
14 Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel
hebben. |
|
SP 1:15 mijn zoon, ga niet met hen op weg; weerhoud uw voet van hun
pad; |
15 My son, walk not thou in the way with them; refrain thy foot from
their path: |
15 Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad. |
|
SP 1:16 want hun voeten snellen naar het kwaad en haasten zich om bloed
te vergieten. |
16 For their feet run to evil, and make haste to shed blood. |
16 Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te
storten. |
|
SP 1:17 Want tevergeefs is het net uitgespannen voor de ogen van al wat
vleugels heeft; |
17 Surely in vain the net is spread in the sight of any bird. |
17 Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van
allerlei gevogelte; |
|
SP 1:18 zij echter loeren op hun eigen bloed en leggen een hinderlaag
voor hun eigen leven. |
18 And they lay wait for their [own] blood; they lurk privily for their
[own] lives. |
18 En deze loeren op hun [eigen] bloed, en versteken zich tegen hun
zielen. |
|
SP 1:19 Zo zijn de paden van ieder die hunkert naar onrechtmatige
winst, die haar bezitters het leven ontneemt. |
19 So [are] the ways of every one that is greedy of gain; [which]
taketh away the life of the owners thereof. |
19 Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de
ziel van haar meester vangen. |
|
SP 1:20 De Wijsheid roept luide op de straat, op de pleinen verheft zij
haar stem, |
20 Wisdom crieth without; she uttereth her voice in the streets: |
20 De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar
stem op de straten. |
|
SP 1:21 op de hoek der rumoerige straten roept zij, bij de ingangen der
poorten, in de stad, spreekt zij haar redenen: |
21 She crieth in the chief place of concourse, in the openings of the
gates: in the city she uttereth her words, [saying], |
21 Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten
spreekt Zij Haar redenen in de stad; |
|
SP 1:22 Hoelang zult gij, onverstandigen, het onverstand liefhebben,
zullen spotters aan spotternij een welgevallen hebben, en dwazen de kennis
haten? |
22 How long, ye simple ones, will ye love simplicity? and the scorners
delight in their scorning, and fools hate knowledge? |
22 Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de
spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? |
|
SP 1:23 Keert u tot mijn vermaning! Zie, ik wil mijn geest voor u
uitstorten, u mijn woorden bekendmaken. |
23 Turn you at my reproof: behold, I will pour out my spirit unto you,
I will make known my words unto you. |
23 Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden
overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken. |
|
SP 1:24 Omdat gij weigerdet, toen ik riep, niemand acht gaf, toen ik
mijn hand uitstrekte, |
24 Because I have called, and ye refused; I have stretched out my hand,
and no man regarded; |
24 Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand
uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; |
|
SP 1:25 gij al mijn raadgevingen in de wind sloegt, en mijn vermaning
niet wildet, |
25 But ye have set at nought all my counsel, and would none of my
reproof: |
25 En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; |
|
SP 1:26 daarom zal ik ook lachen om uw verderf; ik zal spotten, wanneer
uw verschrikking komen zal. |
26 I also will laugh at your calamity; I will mock when your fear
cometh; |
26 Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw
vreze komt. |
|
SP 1:27 Wanneer uw verschrikking zal komen als een storm en uw verderf
zal aansnellen als een wervelwind, wanneer benauwdheid en angst over u
zullen komen, |
27 When your fear cometh as desolation, and your destruction cometh as
a whirlwind; when distress and anguish cometh upon you. |
27 Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt
als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; |
|
SP 1:28 dan zullen zij tot mij roepen, maar ik zal niet antwoorden, zij
zullen mij zoeken, maar mij niet vinden. |
28 Then shall they call upon me, but I will not answer; they shall seek
me early, but they shall not find me: |
28 Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij
zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; |
|
SP 1:29 Omdat zij de kennis hebben gehaat en de vreze des HEREN niet
hebben verkozen, |
29 For that they hated knowledge, and did not choose the fear of the
LORD: |
29 Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN
niet hebben verkoren. |
|
SP 1:30 mijn raad niet hebben gewild, al mijn vermaningen hebben
versmaad, |
30 They would none of my counsel: they despised all my reproof. |
30 Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben
zij versmaad; |
|
SP 1:31 zullen zij eten van de vrucht van hun wandel en verzadigd
worden van hun raadslagen. |
31 Therefore shall they eat of the fruit of their own way, and be
filled with their own devices. |
31 Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met
hun raadslagen. |
|
SP 1:32 Want de afkerigheid der onverstandigen zal hen doden, de
zorgeloosheid der dwazen zal hen te gronde richten. |
32 For the turning away of the simple shall slay them, and the
prosperity of fools shall destroy them. |
32 Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der
zotten zal hen verderven. |
|
SP 1:33 Maar wie naar mij luistert, zal gerust wonen, beveiligd tegen
de verschrikking van het onheil. |
33 But whoso hearkeneth unto me shall dwell safely, and shall be quiet
from fear of evil. |
33 Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van
de vreze des kwaads. |
|
SP 2:1 Mijn zoon, indien gij mijn woorden aanneemt en mijn geboden bij
u bewaart, |
1 My son, if thou wilt receive my words, and hide my commandments with
thee; |
1 Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u
weglegt; |
|
SP 2:2 zodat uw oor de wijsheid opmerkt en gij uw hart neigt tot de
verstandigheid, |
2 So that thou incline thine ear unto wisdom, [and] apply thine heart
to understanding; |
2 Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; [zo] gij uw hart tot
verstandigheid neigt; |
|
SP 2:3 ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de verstandigheid uw
stem verheft; |
3 Yea, if thou criest after knowledge, [and] liftest up thy voice for
understanding; |
3 Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de
verstandigheid; |
|
SP 2:4 indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar
verborgen schatten, |
4 If thou seekest her as silver, and searchest for her as [for] hid
treasures; |
4 Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten; |
|
SP 2:5 dan zult gij de vreze des HEREN verstaan en de kennis Gods
vinden. |
5 Then shalt thou understand the fear of the LORD, and find the
knowledge of God. |
5 Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God
vinden. |
|
SP 2:6 Want de HERE geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en
verstandigheid; |
6 For the LORD giveth wisdom: out of his mouth [cometh] knowledge and
understanding. |
6 Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond [komt] kennis en
verstand. |
|
SP 2:7 Hij bewaart hulp voor de oprechten, Hij is een schild voor wie
onberispelijk wandelen, |
7 He layeth up sound wisdom for the righteous: [he is] a buckler to
them that walk uprightly. |
7 Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild
dengenen, die oprechtelijk wandelen; |
|
SP 2:8 terwijl Hij waakt over de paden van het recht en de weg zijner
gunstgenoten beschermt. |
8 He keepeth the paths of judgment, and preserveth the way of his
saints. |
8 Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner
gunstgenoten bewaren. |
|
SP 2:9 Dan zult gij gerechtigheid en recht verstaan, ook
rechtschapenheid, elke goede weg. |
9 Then shalt thou understand righteousness, and judgment, and equity;
[yea], every good path. |
9 Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, [en]
alle goed pad. |
|
SP 2:10 Want de wijsheid zal in uw hart komen en de kennis zal voor uw
ziel liefelijk zijn; |
10 When wisdom entereth into thine heart, and knowledge is pleasant
unto thy soul; |
10 Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor
uw ziel zal liefelijk zijn; |
|
SP 2:11 bedachtzaamheid zal over u waken, verstandigheid zal u
behoeden, |
11 Discretion shall preserve thee, understanding shall keep thee: |
11 Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid
zal u behoeden; |
|
SP 2:12 om u te redden van de boze weg, van de man die verkeerde dingen
spreekt, |
12 To deliver thee from the way of the evil [man], from the man that
speaketh froward things; |
12 Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden
spreekt; |
|
SP 2:13 van hen die de rechte paden verlaten, om op duistere wegen te
gaan; |
13 Who leave the paths of uprightness, to walk in the ways of darkness; |
13 [Van] [degenen], die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan
in de wegen der duisternis; |
|
SP 2:14 die in kwaaddoen zich verheugen, juichen over boze draaierijen, |
14 Who rejoice to do evil, [and] delight in the frowardness of the
wicked; |
14 Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de
verkeerdheden des kwaden; |
|
SP 2:15 wier paden krom zijn en die op hun dwaalwegen gaan; |
15 Whose ways [are] crooked, and [they] froward in their paths: |
15 Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen; |
|
SP 2:16 om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende die
gladde woorden spreekt, |
16 To deliver thee from the strange woman, [even] from the stranger
[which] flattereth with her words; |
16 Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, [die] met
haar redenen vleit; |
|
SP 2:17 die de echtvriend van haar jeugd verlaat en het verbond van
haar God vergeet; |
17 Which forsaketh the guide of her youth, and forgetteth the covenant
of her God. |
17 Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods
vergeet; |
|
SP 2:18 want haar huis zinkt weg naar de dood, haar paden voeren naar
de schimmen; |
18 For her house inclineth unto death, and her paths unto the dead. |
18 Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de
overledenen. |
|
SP 2:19 niet één van allen die tot haar gaan, keert weder, en zij
bereiken de paden des levens niet; |
19 None that go unto her return again, neither take they hold of the
paths of life. |
19 Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de
paden des levens niet aantreffen; |
|
SP 2:20 opdat gij de weg der goeden bewandelt en de paden der
rechtvaardigen bewaart. |
20 That thou mayest walk in the way of good [men], and keep the paths
of the righteous. |
20 Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der
rechtvaardigen. |
|
SP 2:21 Want de oprechten zullen het land bewonen en de vromen zullen
daarin overblijven, |
21 For the upright shall dwell in the land, and the perfect shall
remain in it. |
21 Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen
daarin overblijven; |
|
SP 2:22 maar de goddelozen zullen uit het land worden uitgeroeid en de
trouwelozen zullen eruit worden weggerukt. |
22 But the wicked shall be cut off from the earth, and the
transgressors shall be rooted out of it. |
22 Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de
trouwelozen zullen er van uitgerukt worden. |
|
SP 3:1 Mijn zoon, vergeet mijn onderwijzing niet en uw hart beware mijn
geboden, |
1 My son, forget not my law; but let thine heart keep my commandments: |
1 Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden. |
|
SP 3:2 want lengte van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u
vermeerderen. |
2 For length of days, and long life, and peace, shall they add to thee. |
2 Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u
vermeerderen. |
|
SP 3:3 Dat liefde en trouw u niet verlaten! Bind ze om uw hals, schrijf
ze op de tafel van uw hart, |
3 Let not mercy and truth forsake thee: bind them about thy neck; write
them upon the table of thine heart: |
3 Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw
hals, schrijf zij op de tafel uws harten. |
|
SP 3:4 dan zult gij genegenheid en goedkeuring verwerven in de ogen van
God en mensen. |
4 So shalt thou find favour and good understanding in the sight of God
and man. |
4 En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen. |
|
SP 3:5 Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen
inzicht niet. |
5 Trust in the LORD with all thine heart; and lean not unto thine own
understanding. |
5 Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand
niet. |
|
SP 3:6 Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken. |
6 In all thy ways acknowledge him, and he shall direct thy paths. |
6 Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken. |
|
SP 3:7 Wees niet wijs in eigen ogen, vrees de HERE en wijk van het
kwaad; |
7 Be not wise in thine own eyes: fear the LORD, and depart from evil. |
7 Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade. |
|
SP 3:8 het zal medicijn wezen voor uw vlees, en lafenis voor uw
gebeente. |
8 It shall be health to thy navel, and marrow to thy bones. |
8 Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw
beenderen. |
|
SP 3:9 Vereer de HERE met uw rijkdom en met de eerstelingen van al uw
inkomsten, |
9 Honour the LORD with thy substance, and with the firstfruits of all
thine increase: |
9 Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer
inkomsten; |
|
SP 3:10 dan zullen uw schuren met overvloed gevuld worden en uw
perskuipen van most overstromen. |
10 So shall thy barns be filled with plenty, and thy presses shall
burst out with new wine. |
10 Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen
van most overlopen. |
|
SP 3:11 Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des HEREN niet en keer u niet
met weerzin af van zijn bestraffing. |
11 My son, despise not the chastening of the LORD; neither be weary of
his correction: |
11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig
over Zijn kastijding; |
|
SP 3:12 Want de HERE bestraft wie Hij liefheeft, ja, gelijk een vader
een zoon, aan wie hij welgevallen heeft. |
12 For whom the LORD loveth he correcteth; even as a father the son [in
whom] he delighteth. |
12 Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een
vader den zoon, [in] [denwelken] hij een welbehagen heeft. |
|
SP 3:13 Welzalig de mens die wijsheid vindt, de mens die verstandigheid
verkrijgt; |
13 Happy [is] the man [that] findeth wisdom, and the man [that] getteth
understanding. |
13 Welgelukzalig is de mens, [die] wijsheid vindt, en de mens, [die]
verstandigheid voortbrengt! |
|
SP 3:14 want wat zij opbrengt, is beter dan de opbrengst van zilver,
wat zij doet gewinnen, is beter dan goud. |
14 For the merchandise of it [is] better than the merchandise of
silver, and the gain thereof than fine gold. |
14 Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar
inkomst dan het uitgegraven goud. |
|
SP 3:15 Zij is kostbaarder dan koralen, al wat gij kunt begeren, kan
haar niet evenaren. |
15 She [is] more precious than rubies: and all the things thou canst
desire are not to be compared unto her. |
15 Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar
niet te vergelijken. |
|
SP 3:16 Lengte van dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand
rijkdom en eer. |
16 Length of days [is] in her right hand; [and] in her left hand riches
and honour. |
16 Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand
rijkdom en eer. |
|
SP 3:17 Haar wegen zijn liefelijke wegen, al haar paden zijn vrede. |
17 Her ways [are] ways of pleasantness, and all her paths [are] peace. |
17 Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede. |
|
SP 3:18 Een boom des levens is zij voor wie haar aangrijpen, wie haar
vasthouden, zijn gelukkig te prijzen; |
18 She [is] a tree of life to them that lay hold upon her: and happy
[is every one] that retaineth her. |
18 Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen,
die ze vasthoudt, wordt gelukzalig. |
|
SP 3:19 de HERE heeft door wijsheid de aarde gegrond, door verstand de
hemelen vastgesteld, |
19 The LORD by wisdom hath founded the earth; by understanding hath he
established the heavens. |
19 De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door
verstandigheid bereid. |
|
SP 3:20 door zijn kennis zijn de waterdiepten gekliefd en druppelen de
wolken dauw. |
20 By his knowledge the depths are broken up, and the clouds drop down
the dew. |
20 Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken
druipen dauw. |
|
SP 3:21 Mijn zoon, laat ze niet wijken uit uw ogen, bewaar overleg en
bedachtzaamheid, |
21 My son, let not them depart from thine eyes: keep sound wisdom and
discretion: |
21 Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige
wijsheid en bedachtzaamheid. |
|
SP 3:22 dan zullen wij het leven voor uw ziel zijn, een sieraad voor uw
hals. |
22 So shall they be life unto thy soul, and grace to thy neck. |
22 Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid
voor uw hals. |
|
SP 3:23 Dan zult gij uw weg veilig gaan, zonder dat uw voet zich stoot. |
23 Then shalt thou walk in thy way safely, and thy foot shall not
stumble. |
23 Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten. |
|
SP 3:24 Indien gij u nederlegt, zult gij niet opschrikken, maar gij
zult u nederleggen en uw slaap zal zoet zijn. |
24 When thou liest down, thou shalt not be afraid: yea, thou shalt lie
down, and thy sleep shall be sweet. |
24 Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen
en uw slaap zal zoet wezen. |
|
SP 3:25 Vrees niet voor plotselinge schrik, noch voor de ondergang der
goddelozen, als hij komt. |
25 Be not afraid of sudden fear, neither of the desolation of the
wicked, when it cometh. |
25 Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der
goddelozen, als zij komt. |
|
SP 3:26 Want de HERE zal uw betrouwen zijn, Hij zal uw voet bewaren,
zodat hij niet gegrepen wordt. |
26 For the LORD shall be thy confidence, and shall keep thy foot from
being taken. |
26 Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van
gevangen te worden. |
|
SP 3:27 Onthoud het goed niet aan wie het toekomt, terwijl het in uw
macht is het te doen. |
27 Withhold not good from them to whom it is due, when it is in the
power of thine hand to do [it]. |
27 Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen
uwer hand is te doen. |
|
SP 3:28 Zeg niet tot uw naaste: Ga heen en kom terug, morgen zal ik
geven - terwijl gij het hebt. |
28 Say not unto thy neighbour, Go, and come again, and to morrow I will
give; when thou hast it by thee. |
28 Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik
geven, dewijl het bij u is. |
|
SP 3:29 Smeed geen kwaad tegen uw naaste, terwijl hij in goed
vertrouwen met u verkeert. |
29 Devise not evil against thy neighbour, seeing he dwelleth securely
by thee. |
29 Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u
woont. |
|
SP 3:30 Twist niet met iemand zonder oorzaak, indien hij u geen kwaad
heeft gedaan. |
30 Strive not with a man without cause, if he have done thee no harm. |
30 Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan
heeft. |
|
SP 3:31 Wees niet afgunstig op een man van geweld en verkies geen
enkele van zijn wegen, |
31 Envy thou not the oppressor, and choose none of his ways. |
31 Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn
wegen. |
|
SP 3:32 want de HERE verafschuwt de verkeerde, maar met de oprechten
gaat Hij vertrouwelijk om. |
32 For the froward [is] abomination to the LORD: but his secret [is]
with the righteous. |
32 Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is
met den oprechte. |
|
SP 3:33 De vloek des HEREN is in het huis des goddelozen, maar de
woning der rechtvaardigen zegent Hij. |
33 The curse of the LORD [is] in the house of the wicked: but he
blesseth the habitation of the just. |
33 De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning
der rechtvaardigen zal Hij zegenen. |
|
SP 3:34 Wanneer Hij met spotters te doen heeft, spot Hij zelf, maar de
nederigen geeft Hij genade. |
34 Surely he scorneth the scorners: but he giveth grace unto the lowly. |
34 Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal
Hij genade geven. |
|
SP 3:35 De wijzen beërven eer, maar de dwazen laden schande op zich. |
35 The wise shall inherit glory: but shame shall be the promotion of
fools. |
35 De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande
op zich. |
|
SP 4:1 Hoort, zonen, de tucht van een vader, en weest opmerkzaam, om
inzicht te verkrijgen, |
1 Hear, ye children, the instruction of a father, and attend to know
understanding. |
1 Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te
weten. |
|
SP 4:2 want ik geef u goede leer; verlaat mijn onderwijzing niet. |
2 For I give you good doctrine, forsake ye not my law. |
2 Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet. |
|
SP 4:3 Want toen ik nog als zoon bij mijn vader was, teder en een enig
kind voor het aangezicht van mijn moeder, |
3 For I was my father's son, tender and only [beloved] in the sight of
my mother. |
3 Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het
aangezicht mijner moeder. |
|
SP 4:4 onderwees hij mij en zeide tot mij: Laat uw hart mijn woorden
vasthouden; onderhoud mijn geboden, opdat gij moogt leven. |
4 He taught me also, and said unto me, Let thine heart retain my words:
keep my commandments, and live. |
4 Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast,
onderhoud mijn geboden, en leef. |
|
SP 4:5 Verwerf wijsheid, verwerf inzicht, vergeet niet en wijk niet af
van de woorden mijns monds. |
5 Get wisdom, get understanding: forget [it] not; neither decline from
the words of my mouth. |
5 Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van
de redenen mijns monds. |
|
SP 4:6 Verlaat haar niet, dan zal zij u bewaren, heb haar lief, dan zal
zij u behoeden. |
6 Forsake her not, and she shall preserve thee: love her, and she shall
keep thee. |
6 Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u
bewaren. |
|
SP 4:7 Het begin der wijsheid is: verwerf wijsheid en verwerf inzicht
bij al wat gij bezit. |
7 Wisdom [is] the principal thing; [therefore] get wisdom: and with all
thy getting get understanding. |
7 De wijsheid is het voornaamste; verkrijg [dan] wijsheid, en verkrijg
verstand met al uw bezitting. |
|
SP 4:8 Houd haar hoog, dan zal zij u verheffen, zij zal u tot eer
brengen, wanneer gij haar zult omhelzen. |
8 Exalt her, and she shall promote thee: she shall bring thee to
honour, when thou dost embrace her. |
8 Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar
omhelzen zult. |
|
SP 4:9 Zij zal een liefelijke krans om uw hoofd leggen, een sierlijke
kroon zal zij u schenken. |
9 She shall give to thine head an ornament of grace: a crown of glory
shall she deliver to thee. |
9 Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon
zal zij u leveren. |
|
SP 4:10 Hoor, mijn zoon, en neem mijn woorden aan, opdat uw levensjaren
talrijk worden. |
10 Hear, O my son, and receive my sayings; and the years of thy life
shall be many. |
10 Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens
zullen u vermenigvuldigd worden. |
|
SP 4:11 Ik onderricht u in de weg der wijsheid, ik doe u treden op
rechte paden. |
11 I have taught thee in the way of wisdom; I have led thee in right
paths. |
11 Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte
sporen. |
|
SP 4:12 Bij uw wandelen zal uw schrede niet belemmerd worden, wanneer
gij loopt, zult gij niet struikelen. |
12 When thou goest, thy steps shall not be straitened; and when thou
runnest, thou shalt not stumble. |
12 In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt,
zult gij niet struikelen. |
|
SP 4:13 Houd vast aan de tucht, laat haar niet los, bewaar haar, want
zij is uw leven. |
13 Take fast hold of instruction; let [her] not go: keep her; for she
[is] thy life. |
13 Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven. |
|
SP 4:14 Kom niet op het pad der goddelozen, betreed de weg der bozen
niet. |
14 Enter not into the path of the wicked, and go not in the way of evil
[men]. |
14 Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der
bozen. |
|
SP 4:15 Mijd die, ga er niet over; wijk ervan af en ga voorbij. |
15 Avoid it, pass not by it, turn from it, and pass away. |
15 Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij. |
|
SP 4:16 Want zij kunnen niet slapen, wanneer zij geen kwaad kunnen
doen; hun slaap wordt hun ontnomen, wanneer zij niet iemand kunnen doen
struikelen; |
16 For they sleep not, except they have done mischief; and their sleep
is taken away, unless they cause [some] to fall. |
16 Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap
wordt weggenomen, zo zij niet [iemand] hebben doen struikelen. |
|
SP 4:17 want zij eten brood der goddeloosheid en drinken wijn van
gewelddadigheid. |
17 For they eat the bread of wickedness, and drink the wine of
violence. |
17 Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel
geweld. |
|
SP 4:18 Maar het pad der rechtvaardigen is als het glanzende
morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag. |
18 But the path of the just [is] as the shining light, that shineth
more and more unto the perfect day. |
18 Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht,
voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe. |
|
SP 4:19 De weg der goddelozen is als duisternis; zij weten niet,
waarover zij kunnen struikelen. |
19 The way of the wicked [is] as darkness: they know not at what they
stumble. |
19 De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover
zij struikelen zullen. |
|
SP 4:20 Mijn zoon, sla acht op mijn woorden, neig uw oor tot mijn
uitspraken; |
20 My son, attend to my words; incline thine ear unto my sayings. |
20 Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen. |
|
SP 4:21 laat ze niet wijken uit uw ogen, bewaar ze diep in uw hart. |
21 Let them not depart from thine eyes; keep them in the midst of thine
heart. |
21 Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten. |
|
SP 4:22 Want zij zijn leven voor wie ze vinden, genezing voor hun ganse
lichaam. |
22 For they [are] life unto those that find them, and health to all
their flesh. |
22 Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn
voor hun gehele vlees. |
|
SP 4:23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de
oorsprongen des levens. |
23 Keep thy heart with all diligence; for out of it [are] the issues of
life. |
23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de
uitgangen des levens. |
|
SP 4:24 Doe weg van u de valsheid van mond en houd ver van u de
verkeerdheid der lippen. |
24 Put away from thee a froward mouth, and perverse lips put far from
thee. |
24 Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der
lippen verre van u. |
|
SP 4:25 Laten uw ogen voorwaarts blikken en uw oogopslag rechtuit zijn. |
25 Let thine eyes look right on, and let thine eyelids look straight
before thee. |
25 Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen
houden. |
|
SP 4:26 Laat uw voet een effen pad inslaan en laten al uw wegen vast
zijn. |
26 Ponder the path of thy feet, and let all thy ways be established. |
26 Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. |
|
SP 4:27 Wijk noch ter rechter-, noch ter linkerhand af, houd uw voet
verwijderd van het kwade. |
27 Turn not to the right hand nor to the left: remove thy foot from
evil. |
27 Wijk niet ter rechter [hand] of ter linkerhand, wend uw voet af van
het kwade. |
|
SP 5:1 Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid, neig uw oor naar mijn
verstandigheid, |
1 My son, attend unto my wisdom, [and] bow thine ear to my
understanding: |
1 Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand; |
|
SP 5:2 om bedachtzaamheid in acht te nemen en laten uw lippen kennis
bewaren. |
2 That thou mayest regard discretion, and [that] thy lips may keep
knowledge. |
2 Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap
bewaren. |
|
SP 5:3 Want van honigzeem druipen de lippen der vreemde vrouw, gladder
dan olie is haar gehemelte, |
3 For the lips of a strange woman drop [as] an honeycomb, and her mouth
[is] smoother than oil: |
3 Want de lippen der vreemde [vrouw] druppen honigzeem, en haar
gehemelte is gladder dan olie. |
|
SP 5:4 maar op het laatst is zij bitter als alsem, scherp als een
tweesnijdend zwaard. |
4 But her end is bitter as wormwood, sharp as a twoedged sword. |
4 Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een
tweesnijdend zwaard. |
|
SP 5:5 Haar voeten dalen af naar de dood, haar schreden raken het
dodenrijk. |
5 Her feet go down to death; her steps take hold on hell. |
5 Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast. |
|
SP 5:6 Opdat gij het pad des levens niet zoudt inslaan, zijn haar
gangen doolwegen, zonder dat gij het weet. |
6 Lest thou shouldest ponder the path of life, her ways are moveable,
[that] thou canst not know [them]. |
6 Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen
ongestadig, [dat] gij het niet merkt. |
|
SP 5:7 Nu dan, zonen, luistert naar mij en wijkt niet af van de woorden
mijns monds. |
7 Hear me now therefore, O ye children, and depart not from the words
of my mouth. |
7 Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen
mijns monds. |
|
SP 5:8 Houd uw weg ver van haar, nader niet tot de deur van haar huis, |
8 Remove thy way far from her, and come not nigh the door of her house: |
8 Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; |
|
SP 5:9 opdat gij uw luister niet aan anderen geeft noch uw jaren aan
een meedogenloze; |
9 Lest thou give thine honour unto others, and thy years unto the
cruel: |
9 Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede; |
|
SP 5:10 opdat vreemden zich niet verzadigen met uw vermogen, en uw
moeizaam verworven goed niet kome in het huis van een onbekende, |
10 Lest strangers be filled with thy wealth; and thy labours [be] in
the house of a stranger; |
10 Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw
smartelijke arbeid niet [kome] in het huis des onbekenden; |
|
SP 5:11 zodat gij in het laatst zoudt kermen, als uw vlees en uw lijf
verteerd zijn, |
11 And thou mourn at the last, when thy flesh and thy body are
consumed, |
11 En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is; |
|
SP 5:12 en gij zoudt zeggen: Hoe heb ik de tucht kunnen haten en heeft
mijn hart de vermaning kunnen versmaden; |
12 And say, How have I hated instruction, and my heart despised
reproof; |
12 En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing
versmaad! |
|
SP 5:13 waarom heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn
leermeesters, heb ik mijn oor niet geneigd naar hen die mij onderrichtten! |
13 And have not obeyed the voice of my teachers, nor inclined mine ear
to them that instructed me! |
13 En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren
geneigd tot mijn leraars! |
|
SP 5:14 Bijna was ik in alle kwaad geraakt - te midden van de gemeente
en de vergadering. |
14 I was almost in all evil in the midst of the congregation and
assembly. |
14 Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en
der vergadering! |
|
SP 5:15 Drink water uit uw eigen regenbak en welwater uit uw eigen
bornput. |
15 Drink waters out of thine own cistern, and running waters out of
thine own well. |
15 Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput; |
|
SP 5:16 Moeten uw bronnen op straat overstromen, (uw) waterbeken op de
pleinen? |
16 Let thy fountains be dispersed abroad, [and] rivers of waters in the
streets. |
16 Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, [en] de waterbeken op de
straten; |
|
SP 5:17 Zij moeten voor u alleen zijn, niet voor vreemden nevens u. |
17 Let them be only thine own, and not strangers' with thee. |
17 Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. |
|
SP 5:18 Uw bron zij gezegend, verheug u over de vrouw uwer jeugd: |
18 Let thy fountain be blessed: and rejoice with the wife of thy youth. |
18 Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer
jeugd; |
|
SP 5:19 een liefelijke hinde, een bekoorlijke ree; laat haar boezem u
te allen tijde vreugdedronken maken, wees bestendig verrukt over haar
liefkozingen. |
19 [Let her be as] the loving hind and pleasant roe; let her breasts
satisfy thee at all times; and be thou ravished always with her love. |
19 Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar
borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. |
|
SP 5:20 Waarom zoudt gij dan, mijn zoon, afdwalen naar een vreemde, de
boezem van een onbekende omarmen? |
20 And why wilt thou, my son, be ravished with a strange woman, and
embrace the bosom of a stranger? |
20 En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot
der onbekende omvangen? |
|
SP 5:21 Want voor de ogen des HEREN liggen ieders wegen open, Hij weegt
al zijn gangen. |
21 For the ways of man [are] before the eyes of the LORD, and he
pondereth all his goings. |
21 Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt
al zijne gangen. |
|
SP 5:22 Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken
zijner zonde raakt hij vast. |
22 His own iniquities shall take the wicked himself, and he shall be
holden with the cords of his sins. |
22 Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden
zijner zonden zal hij vastgehouden worden. |
|
SP 5:23 Hij sterft, omdat tucht hem ontbreekt, door zijn grote
dwaasheid verdwaalt hij. |
23 He shall die without instruction; and in the greatness of his folly
he shall go astray. |
23 Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de
grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen. |
|
SP 6:1 Mijn zoon, indien gij borg zijt geworden voor uw naaste, voor
een vreemde uw handslag hebt gegeven; |
1 My son, if thou be surety for thy friend, [if] thou hast stricken thy
hand with a stranger, |
1 Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde
uw hand toegeklapt hebt; |
|
SP 6:2 als gij verstrikt zijt door de woorden van uw mond, gevangen
zijt door de woorden van uw mond - |
2 Thou art snared with the words of thy mouth, thou art taken with the
words of thy mouth. |
2 Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de
redenen uws monds. |
|
SP 6:3 doe dan toch dit, mijn zoon, en red u, want gij zijt in de greep
van uw naaste gekomen: ga, klamp uw naaste aan en bestorm hem; |
3 Do this now, my son, and deliver thyself, when thou art come into the
hand of thy friend; go, humble thyself, and make sure thy friend. |
3 Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten
gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste. |
|
SP 6:4 gun uw ogen geen slaap en uw oogleden geen sluimering; |
4 Give not sleep to thine eyes, nor slumber to thine eyelids. |
4 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering. |
|
SP 6:5 red u als een gazelle van de vangst, als een vogel uit de hand
van de vogelaar. |
5 Deliver thyself as a roe from the hand [of the hunter], and as a bird
from the hand of the fowler. |
5 Red u, als een ree uit de hand [des] [jagers], en als een vogel uit
de hand des vogelvangers. |
|
SP 6:6 Ga tot de mier, gij luiaard, zie haar wegen en word wijs: |
6 Go to the ant, thou sluggard; consider her ways, and be wise: |
6 Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs; |
|
SP 6:7 hoewel zij geen aanvoerder heeft, noch leidsman, noch heerser, |
7 Which having no guide, overseer, or ruler, |
7 Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, |
|
SP 6:8 bereidt zij in de zomer haar brood, verzamelt zij in de oogst
haar spijs. |
8 Provideth her meat in the summer, [and] gathereth her food in the
harvest. |
8 Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst. |
|
SP 6:9 Hoelang, luiaard, zult gij neerliggen, wanneer zult gij opstaan
uit uw slaap? |
9 How long wilt thou sleep, O sluggard? when wilt thou arise out of thy
sleep? |
9 Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw
slaap opstaan? |
|
SP 6:10 Nog even slapen, nog even sluimeren, nog even liggen met
gevouwen handen - |
10 [Yet] a little sleep, a little slumber, a little folding of the
hands to sleep: |
10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens,
al nederliggende; |
|
SP 6:11 daar komt uw armoede over u als een snelle loper en uw gebrek
als een gewapend man. |
11 So shall thy poverty come as one that travelleth, and thy want as an
armed man. |
11 Zo zal uw armoede [u] overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als
een gewapend man. |
|
SP 6:12 Een nietsnut, een onheilstichter is hij, die met bedrieglijke
mond rondgaat, |
12 A naughty person, a wicked man, walketh with a froward mouth. |
12 Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds
om; |
|
SP 6:13 die met zijn ogen knipt, met zijn voeten schuifelt, met zijn
vingers wijst, |
13 He winketh with his eyes, he speaketh with his feet, he teacheth
with his fingers; |
13 Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn
vingeren; |
|
SP 6:14 in wiens hart draaierijen zijn, die aldoor kwaad smeedt, die
twist stookt. |
14 Frowardness [is] in his heart, he deviseth mischief continually; he
soweth discord. |
14 In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij
werpt twisten in. |
|
SP 6:15 Daarom komt plotseling zijn ondergang, in een oogwenk wordt hij
onherstelbaar verbrijzeld. |
15 Therefore shall his calamity come suddenly; suddenly shall he be
broken without remedy. |
15 Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk
verbroken worden, dat er geen genezen aan zij. |
|
SP 6:16 Deze zes dingen haat de HERE, ja, zeven zijn Hem een
hartgrondige gruwel: |
16 These six [things] doth the LORD hate: yea, seven [are] an
abomination unto him: |
16 Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: |
|
SP 6:17 hoogmoedige ogen, een valse tong, handen die onschuldig bloed
vergieten, |
17 A proud look, a lying tongue, and hands that shed innocent blood, |
17 Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed
vergieten; |
|
SP 6:18 een hart dat heilloze plannen smeedt, voeten die zich haasten
om naar het kwade te snellen, |
18 An heart that deviseth wicked imaginations, feet that be swift in
running to mischief, |
18 Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich
haasten, om tot kwaad te lopen; |
|
SP 6:19 wie leugens uitblaast als een vals getuige en wie twist stookt
tussen broeders. |
19 A false witness [that] speaketh lies, and he that soweth discord
among brethren. |
19 Een vals getuige, [die] leugenen blaast; en die tussen broederen
krakelen inwerpt. |
|
SP 6:20 Bewaar, mijn zoon, het gebod van uw vader en verwerp de
onderwijzing van uw moeder niet. |
20 My son, keep thy father's commandment, and forsake not the law of
thy mother: |
20 Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer
moeder niet. |
|
SP 6:21 Bind ze bestendig op uw hart, hang ze om uw hals. |
21 Bind them continually upon thine heart, [and] tie them about thy
neck. |
21 Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals. |
|
SP 6:22 Als gij op weg zijt, moge het u leiden; als gij u nederlegt,
moge het over u waken, als gij wakker wordt, moge het u toespreken. |
22 When thou goest, it shall lead thee; when thou sleepest, it shall
keep thee; and [when] thou awakest, it shall talk with thee. |
22 Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over
u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve [met] u spreken. |
|
SP 6:23 Want het gebod is een lamp en de onderwijzing een licht, de
vermaningen der tucht zijn een weg ten leven, |
23 For the commandment [is] a lamp; and the law [is] light; and
reproofs of instruction [are] the way of life: |
23 Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de
bestraffingen der tucht zijn de weg des levens; |
|
SP 6:24 om u te bewaren voor de slechte vrouw, voor de gladde tong der
onbekende. |
24 To keep thee from the evil woman, from the flattery of the tongue of
a strange woman. |
24 Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde
tong. |
|
SP 6:25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, laat zij u niet vangen
met haar wimpers. |
25 Lust not after her beauty in thine heart; neither let her take thee
with her eyelids. |
25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met
haar oogleden. |
|
SP 6:26 Want ter wille van een hoer (vervalt men) tot een schamel stuk
brood, en eens anders vrouw maakt jacht op een kostbaar leven. |
26 For by means of a whorish woman [a man is brought] to a piece of
bread: and the adulteress will hunt for the precious life. |
26 Want door een vrouw, [die] een hoer is, komt men tot een stuk
broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel. |
|
SP 6:27 Zal iemand vuur in zijn boezem halen, zonder dat zijn klederen
in brand geraken? |
27 Can a man take fire in his bosom, and his clothes not be burned? |
27 Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet
verbrand worden? |
|
SP 6:28 Of zal iemand op gloeiende kolen lopen, zonder dat zijn voeten
verbranden? |
28 Can one go upon hot coals, and his feet not be burned? |
28 Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden? |
|
SP 6:29 Aldus hij, die tot de vrouw van zijn naaste komt; niemand die
haar aanraakt, gaat vrijuit. |
29 So he that goeth in to his neighbour's wife; whosoever toucheth her
shall not be innocent. |
29 Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert,
zal niet onschuldig gehouden worden. |
|
SP 6:30 Men veracht een dief niet, wanneer hij steelt om zijn begeerte
te bevredigen, als hij honger heeft, |
30 [Men] do not despise a thief, if he steal to satisfy his soul when
he is hungry; |
30 Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel
te vullen, dewijl hij honger heeft; |
|
SP 6:31 maar betrapt zijnde, moet hij zevenvoudige vergoeding geven, al
het goed van zijn huis moet hij geven. |
31 But [if] he be found, he shall restore sevenfold; he shall give all
the substance of his house. |
31 En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het
goed van zijn huis. |
|
SP 6:32 Wie overspel pleegt met een vrouw, is verstandeloos; wie dit
doet, richt zichzelf te gronde. |
32 [But] whoso committeth adultery with a woman lacketh understanding:
he [that] doeth it destroyeth his own soul. |
32 [Maar] die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij
verderft zijn ziel, die dat doet; |
|
SP 6:33 Schade en schande verkrijgt hij, zijn smaad is onuitwisbaar. |
33 A wound and dishonour shall he get; and his reproach shall not be
wiped away. |
33 Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist
worden. |
|
SP 6:34 Want jaloersheid is vuurgloed in een man, hij kent geen
mededogen ten dage der wraak; |
34 For jealousy [is] the rage of a man: therefore he will not spare in
the day of vengeance. |
34 Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der
wraak zal hij niet verschonen. |
|
SP 6:35 hij aanvaardt geen enkel zoenmiddel, en blijft onverbiddelijk,
al geeft gij een nog zo groot geschenk. |
35 He will not regard any ransom; neither will he rest content, though
thou givest many gifts. |
35 Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen,
ofschoon gij het geschenk vergroot. |
|
SP 7:1 Mijn zoon, bewaar mijn redenen en leg mijn geboden bij u weg. |
1 My son, keep my words, and lay up my commandments with thee. |
1 Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg. |
|
SP 7:2 Bewaar mijn geboden en leef, en mijn onderwijzing als uw
oogappel. |
2 Keep my commandments, and live; and my law as the apple of thine eye. |
2 Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen. |
|
SP 7:3 Bind ze aan uw vingers, schrijf ze op de tafel van uw hart. |
3 Bind them upon thy fingers, write them upon the table of thine heart. |
3 Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten. |
|
SP 7:4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster, en noem het verstand
(uw) vertrouweling, |
4 Say unto wisdom, Thou [art] my sister; and call understanding [thy]
kinswoman: |
4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw
bloedvriend; |
|
SP 7:5 om u te bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende, die
gladde woorden spreekt. |
5 That they may keep thee from the strange woman, from the stranger
[which] flattereth with her words. |
5 Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, [die]
met haar redenen vleit. |
|
SP 7:6 Want ik keek eens uit het raam van mijn huis, door mijn
tralievenster, |
6 For at the window of my house I looked through my casement, |
6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit; |
|
SP 7:7 en ik zag rond onder de onverstandigen, ik merkte onder de
jongelieden een verstandeloze knaap, |
7 And beheld among the simple ones, I discerned among the youths, a
young man void of understanding, |
7 En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een
verstandelozen jongeling; |
|
SP 7:8 die over de straat ging, dicht bij haar hoek, en in de richting
van haar huis stapte, |
8 Passing through the street near her corner; and he went the way to
her house, |
8 Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg
van haar huis. |
|
SP 7:9 in de schemering, aan de avond van de dag, ten tijde van de
nacht en de donkerheid; |
9 In the twilight, in the evening, in the black and dark night: |
9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de
donkerheid; |
|
SP 7:10 en zie, daar ontmoet hem zulk een vrouw, in hoerenkledij en
listig van hart. |
10 And, behold, there met him a woman [with] the attire of an harlot,
and subtil of heart. |
10 En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het
hart op haar hoede; |
|
SP 7:11 Zij is luidruchtig en losbandig, haar voeten blijven niet in
haar huis. |
11 (She [is] loud and stubborn; her feet abide not in her house: |
11 Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis
niet; |
|
SP 7:12 Nu eens op de straat, dan weer op de pleinen, en bij elke hoek
loert zij, |
12 Now [is she] without, now in the streets, and lieth in wait at every
corner.) |
12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; |
|
SP 7:13 en zij grijpt hem aan en kust hem; met een onbeschaamd gezicht
zegt zij tot hem: |
13 So she caught him, and kissed him, [and] with an impudent face said
unto him, |
13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en
zeide tot hem: |
|
SP 7:14 Vredeoffers moest ik brengen, heden heb ik mijn geloften
betaald. |
14 [I have] peace offerings with me; this day have I payed my vows. |
14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald; |
|
SP 7:15 Daarom ben ik uitgegaan, u tegemoet, om u te zoeken, en ik heb
u gevonden. |
15 Therefore came I forth to meet thee, diligently to seek thy face,
and I have found thee. |
15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te
zoeken, en ik heb u gevonden. |
|
SP 7:16 Met dekens heb ik mijn bed bedekt, met bonte spreien van
Egyptisch linnen. |
16 I have decked my bed with coverings of tapestry, with carved
[works], with fine linen of Egypt. |
16 Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen
werken, met fijn linnen van Egypte; |
|
SP 7:17 Ik heb mijn leger besprenkeld met mirre, aloë en kaneel. |
17 I have perfumed my bed with myrrh, aloes, and cinnamon. |
17 Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt; |
|
SP 7:18 Kom, laat ons zwelgen in minne tot de morgen toe, en genieten
van liefde. |
18 Come, let us take our fill of love until the morning: let us solace
ourselves with loves. |
18 Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons
ons vrolijk maken in grote liefde. |
|
SP 7:19 Want mijn man is niet thuis, hij heeft een verre reis
ondernomen; |
19 For the goodman [is] not at home, he is gone a long journey: |
19 Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen; |
|
SP 7:20 een buidel geld heeft hij met zich meegenomen, tegen de dag der
volle maan zal hij thuiskomen. |
20 He hath taken a bag of money with him, [and] will come home at the
day appointed. |
20 Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage
zal hij naar zijn huis komen. |
|
SP 7:21 Zij haalde hem over door haar redenering, met haar gladde
lippen verleidde zij hem. |
21 With her much fair speech she caused him to yield, with the
flattering of her lips she forced him. |
21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem
aan door het gevlei harer lippen. |
|
SP 7:22 Argeloos liep hij haar na als een rund dat naar de slachtbank
gaat, als een dwaas in boeien geslagen, |
22 He goeth after her straightway, as an ox goeth to the slaughter, or
as a fool to the correction of the stocks; |
22 Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en
gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien. |
|
SP 7:23 totdat een pijl zijn lever doorboorde; gelijk een vogel zich
haast naar het klapnet, zonder te weten, dat het tegen zijn leven gericht
is. |
23 Till a dart strike through his liver; as a bird hasteth to the
snare, and knoweth not that it [is] for his life. |
23 Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast
naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is. |
|
SP 7:24 Nu dan, zonen, luistert naar mij, slaat acht op de redenen van
mijn mond. |
24 Hearken unto me now therefore, O ye children, and attend to the
words of my mouth. |
24 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns
monds. |
|
SP 7:25 Uw hart wijke niet af naar haar wegen, dwaal niet af op haar
paden. |
25 Let not thine heart decline to her ways, go not astray in her paths. |
25 Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden. |
|
SP 7:26 Want velen zijn de verslagenen die zij heeft geveld, talrijk
zijn degenen die zij altemaal heeft gedood. |
26 For she hath cast down many wounded: yea, many strong [men] have
been slain by her. |
26 Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn
machtig vele. |
|
SP 7:27 Haar huis zijn wegen naar het dodenrijk, die afdalen naar de
binnenkameren van de dood. |
27 Her house [is] the way to hell, going down to the chambers of death. |
27 Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des
doods. |
|
SP 8:1 Roept de Wijsheid niet en verheft de Verstandigheid niet haar
stem? |
1 Doth not wisdom cry? and understanding put forth her voice? |
1 Roept de Wijsheid niet, en verheft [niet] de Verstandigheid Haar
stem? |
|
SP 8:2 Boven op de hoogten aan de weg, daar, waar de paden samenkomen,
is zij gaan staan, |
2 She standeth in the top of high places, by the way in the places of
the paths. |
2 Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden
zijn, staat Zij; |
|
SP 8:3 aan de zijde van de poorten, aan de ingang der stad, waar men de
poortdeuren binnengaat, roept zij luide: |
3 She crieth at the gates, at the entry of the city, at the coming in
at the doors. |
3 Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, [aan] den ingang der
deuren roept Zij overluid: |
|
SP 8:4 Tot u, mannen, roep ik en mijn stem gaat uit tot de
mensenkinderen! |
4 Unto you, O men, I call; and my voice [is] to the sons of man. |
4 Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen. |
|
SP 8:5 Gij onverstandigen, leert schranderheid, gij dwazen, verstaat
het met uw hart. |
5 O ye simple, understand wisdom: and, ye fools, be ye of an
understanding heart. |
5 Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat [met]
[het] hart. |
|
SP 8:6 Hoort, want ik zal verheven dingen spreken en mijn lippen openen
tot wat recht is. |
6 Hear; for I will speak of excellent things; and the opening of my
lips [shall be] right things. |
6 Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner
lippen zal enkel billijkheid zijn. |
|
SP 8:7 Want waarheid spreekt mijn gehemelte, een gruwel voor mijn
lippen is de goddeloosheid. |
7 For my mouth shall speak truth; and wickedness [is] an abomination to
my lips. |
7 Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de
goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel. |
|
SP 8:8 Al de woorden van mijn mond zijn in gerechtigheid gesproken;
niets daarin is verdraaid en verkeerd. |
8 All the words of my mouth [are] in righteousness; [there is] nothing
froward or perverse in them. |
8 Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets
verdraaids, noch verkeerds in. |
|
SP 8:9 Zij alle zijn voor de verstandige juist, betrouwbaar voor wie
kennis gevonden hebben. |
9 They [are] all plain to him that understandeth, and right to them
that find knowledge. |
9 Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig
voor degenen, die wetenschap vinden. |
|
SP 8:10 Neemt mijn vermaning aan en niet zilver, en kennis boven
uitgelezen goud. |
10 Receive my instruction, and not silver; and knowledge rather than
choice gold. |
10 Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het
uitgelezen uitgegraven goud. |
|
SP 8:11 Want wijsheid is beter dan koralen, al wat men zou kunnen
begeren, kan haar niet evenaren. |
11 For wisdom [is] better than rubies; and all the things that may be
desired are not to be compared to it. |
11 Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is
met haar niet te vergelijken. |
|
SP 8:12 Ik, de Wijsheid, woon bij de schranderheid en ik verkrijg
kennis door overleggingen. |
12 I wisdom dwell with prudence, and find out knowledge of witty
inventions. |
12 Ik, Wijsheid, woon [bij] de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van
alle bedachtzaamheid. |
|
SP 8:13 De vreze des HEREN is het kwade te haten; hoogmoed en trots en
boze wandel en een mond vol draaierijen haat ik. |
13 The fear of the LORD [is] to hate evil: pride, and arrogancy, and
the evil way, and the froward mouth, do I hate. |
13 De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den
hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden. |
|
SP 8:14 Mijner zijn raad en overleg, ik ben het inzicht; mijner is de
kracht. |
14 Counsel [is] mine, and sound wisdom: I [am] understanding; I have
strength. |
14 Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de
Sterkte. |
|
SP 8:15 Door mij regeren de koningen en verordenen de machthebbers
recht. |
15 By me kings reign, and princes decree justice. |
15 Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid. |
|
SP 8:16 Door mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der
aarde. |
16 By me princes rule, and nobles, [even] all the judges of the earth. |
16 Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der
aarde. |
|
SP 8:17 Ik heb lief wie mij liefhebben, wie mij ijverig zoeken, zullen
mij vinden. |
17 I love them that love me; and those that seek me early shall find
me. |
17 Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij
vinden. |
|
SP 8:18 Rijkdom en eer zijn bij mij, duurzaam goed en gerechtigheid. |
18 Riches and honour [are] with me; [yea], durable riches and
righteousness. |
18 Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid. |
|
SP 8:19 Mijn vrucht is meer waard dan goud, ja dan gelouterd goud, mijn
opbrengst meer dan uitgelezen zilver. |
19 My fruit [is] better than gold, yea, than fine gold; and my revenue
than choice silver. |
19 Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en
Mijn inkomen dan uitgelezen zilver. |
|
SP 8:20 Ik wandel op het pad van de gerechtigheid, midden op de wegen
van het recht, |
20 I lead in the way of righteousness, in the midst of the paths of
judgment: |
20 Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de
paden des rechts; |
|
SP 8:21 om hen die mij liefhebben, bezit te doen beërven; hun
schatkamers zal ik vullen. |
21 That I may cause those that love me to inherit substance; and I will
fill their treasures. |
21 Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal
hun schatkameren vervullen. |
|
SP 8:22 De HERE heeft mij tot aanzijn geroepen als het begin van zijn
wegen, vóór zijn werken van ouds af. |
22 The LORD possessed me in the beginning of his way, before his works
of old. |
22 De HEERE bezat Mij [in] [het] beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken,
van toen aan. |
|
SP 8:23 Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd, van den beginne, eer de
aarde bestond. |
23 I was set up from everlasting, from the beginning, or ever the earth
was. |
23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de
oudheden der aarde aan. |
|
SP 8:24 Toen er nog geen oceaan was, ben ik geboren, toen er nog geen
bronnen waren, rijk aan water. |
24 When [there were] no depths, I was brought forth; when [there were]
no fountains abounding with water. |
24 Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen
fonteinen waren, zwaar van water; |
|
SP 8:25 Eer de bergen omlaaggezonken waren, vóór de heuvelen ben ik
geboren; |
25 Before the mountains were settled, before the hills was I brought
forth: |
25 Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. |
|
SP 8:26 toen Hij het aardrijk en de velden nog niet had gemaakt, noch
de eerste stofdeeltjes der wereld. |
26 While as yet he had not made the earth, nor the fields, nor the
highest part of the dust of the world. |
26 Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang
van de stofjes der wereld. |
|
SP 8:27 Toen Hij de hemel bereidde, was ik daar; toen Hij een kring
trok op het oppervlak van de oceaan, |
27 When he prepared the heavens, I [was] there: when he set a compass
upon the face of the depth: |
27 Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over
het vlakke des afgronds beschreef; |
|
SP 8:28 toen Hij de wolken daarboven bevestigde, en de bronnen van de
oceaan met kracht opborrelden, |
28 When he established the clouds above: when he strengthened the
fountains of the deep: |
28 Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen
des afgronds vastmaakte; |
|
SP 8:29 toen Hij aan de zee haar perk stelde, opdat de wateren zijn
gebod niet zouden overtreden, en Hij de grondslagen der aarde bepaalde, |
29 When he gave to the sea his decree, that the waters should not pass
his commandment: when he appointed the foundations of the earth: |
29 Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet
zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde; |
|
SP 8:30 toen was ik een troetelkind bij Hem, ik was een en al
verrukking dag aan dag, te allen tijde mij verheugend voor zijn
aangezicht, |
30 Then I was by him, [as] one brought up [with him]: and I was daily
[his] delight, rejoicing always before him; |
30 Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks [Zijn]
vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende; |
|
SP 8:31 mij verheugend in de wereld van zijn aardrijk, en mijn vreugde
was met de mensenkinderen. |
31 Rejoicing in the habitable part of his earth; and my delights [were]
with the sons of men. |
31 Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met
de mensenkinderen. |
|
SP 8:32 Nu dan, zonen, luistert naar mij, want welzalig zijn zij die
mijn wegen bewaren. |
32 Now therefore hearken unto me, O ye children: for blessed [are they
that] keep my ways. |
32 Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, [die]
Mijn wegen bewaren. |
|
SP 8:33 Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet in
de wind. |
33 Hear instruction, and be wise, and refuse it not. |
33 Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt [die] niet. |
|
SP 8:34 Welzalig de mens die naar mij luistert, dag aan dag
wachthoudende aan mijn deuren, bewakende de posten van mijn poorten. |
34 Blessed [is] the man that heareth me, watching daily at my gates,
waiting at the posts of my doors. |
34 Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan
Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren. |
|
SP 8:35 Want wie mij vindt, heeft het leven gevonden, hij heeft van de
HERE welgevallen verkregen. |
35 For whoso findeth me findeth life, and shall obtain favour of the
LORD. |
35 Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van
den HEERE. |
|
SP 8:36 Maar wie mij mist, doet zijn leven geweld aan; allen die mij
haten, hebben de dood lief. |
36 But he that sinneth against me wrongeth his own soul: all they that
hate me love death. |
36 Maar die [tegen] Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die
Mij haten, hebben den dood lief. |
|
SP 9:1 De Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft haar zeven
pilaren uitgehouwen, |
1 Wisdom hath builded her house, she hath hewn out her seven pillars: |
1 De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven
pilaren gehouwen. |
|
SP 9:2 zij heeft haar slachtvee geslacht, haar wijn gemengd, ook heeft
zij haar tafel bereid. |
2 She hath killed her beasts; she hath mingled her wine; she hath also
furnished her table. |
2 Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook
heeft Zij Haar tafel toegericht. |
|
SP 9:3 Zij heeft haar dienstmaagden uitgezonden, zij roept boven op de
hoogten der stad: |
3 She hath sent forth her maidens: she crieth upon the highest places
of the city, |
3 Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van
de hoogten der stad: |
|
SP 9:4 Wie onverstandig is, kere zich hierheen; tot de verstandeloze
zegt zij: |
4 Whoso [is] simple, let him turn in hither: [as for] him that wanteth
understanding, she saith to him, |
4 Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt
Zij: |
|
SP 9:5 Komt, eet van mijn brood en drinkt van de wijn die ik gemengd
heb; |
5 Come, eat of my bread, and drink of the wine [which] I have mingled. |
5 Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, [dien] Ik gemengd
heb. |
|
SP 9:6 laat varen het onverstand, dan zult gij leven, en betreedt de
weg van het verstand. |
6 Forsake the foolish, and live; and go in the way of understanding. |
6 Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des
verstands. |
|
SP 9:7 Wie een spotter terechtwijst, haalt schande over zich, wie een
goddeloze tuchtigt, zijn eigen schandvlek. |
7 He that reproveth a scorner getteth to himself shame: and he that
rebuketh a wicked [man getteth] himself a blot. |
7 Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze
bestraft, zijn schandvlek. |
|
SP 9:8 Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate, bestraf de
wijze, dan zal hij u liefhebben, |
8 Reprove not a scorner, lest he hate thee: rebuke a wise man, and he
will love thee. |
8 Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze,
en hij zal u liefhebben. |
|
SP 9:9 geef aan de wijze, en hij zal nog wijzer worden, onderwijs de
rechtvaardige, en hij zal aan inzicht winnen. |
9 Give [instruction] to a wise [man], and he will be yet wiser: teach a
just [man], and he will increase in learning. |
9 Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den
rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen. |
|
SP 9:10 De vreze des HEREN is het begin der wijsheid en het kennen van
de Hoogheilige is verstand. |
10 The fear of the LORD [is] the beginning of wisdom: and the knowledge
of the holy [is] understanding. |
10 De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap
der heiligen is verstand. |
|
SP 9:11 Want door mij worden uw dagen vermeerderd, worden jaren van
leven u toegevoegd. |
11 For by me thy days shall be multiplied, and the years of thy life
shall be increased. |
11 Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des
levens zullen u toegedaan worden. |
|
SP 9:12 Als gij wijs zijt, zijt gij wijs tot uw eigen welzijn, als gij
spot, zult gij dat alleen dragen. |
12 If thou be wise, thou shalt be wise for thyself: but [if] thou
scornest, thou alone shalt bear [it]. |
12 Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een
spotter, gij zult het alleen dragen. |
|
SP 9:13 Vrouwe Dwaasheid is luidruchtig, enkel onverstand, en zij weet
niets; |
13 A foolish woman [is] clamorous: [she is] simple, and knoweth
nothing. |
13 Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid [zelve], en weet niet
met al. |
|
SP 9:14 zij zit bij de deur van haar huis op een zetel op de hoogten
der stad |
14 For she sitteth at the door of her house, on a seat in the high
places of the city, |
14 En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, [op] de hoge
plaatsen der stad; |
|
SP 9:15 om te nodigen wie op de weg voorbijgaan, die hun paden recht
maken: |
15 To call passengers who go right on their ways: |
15 Om te roepen degenen, [die] [op] den weg voorbijgaan, die hun paden
recht maken, [zeggende]: |
|
SP 9:16 Wie onverstandig is, kere zich hierheen; is iemand
verstandeloos, dan zegt zij: |
16 Whoso [is] simple, let him turn in hither: and [as for] him that
wanteth understanding, she saith to him, |
16 Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze
zegt zij: |
|
SP 9:17 Gestolen water is zoet, heimelijk gegeten brood is smakelijk. |
17 Stolen waters are sweet, and bread [eaten] in secret is pleasant. |
17 De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk. |
|
SP 9:18 Maar hij weet niet, dat daar schimmen zijn, dat haar genodigden
zijn in de diepten van het dodenrijk. |
18 But he knoweth not that the dead [are] there; [and that] her guests
[are] in the depths of hell. |
18 Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de
diepten der hel. |
|
SP 10:1 De Spreuken van Salomo. Een wijs zoon verheugt zijn vader, maar
een dwaas zoon is een bekommering voor zijn moeder. |
1 The proverbs of Solomon. A wise son maketh a glad father: but a
foolish son [is] the heaviness of his mother. |
1 De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een
zot zoon is zijner moeder droefheid. |
|
SP 10:2 Schatten, door goddeloosheid verkregen, doen geen nut, maar
gerechtigheid redt van de dood. |
2 Treasures of wickedness profit nothing: but righteousness delivereth
from death. |
2 Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt
van den dood. |
|
SP 10:3 De HERE laat de rechtvaardige geen honger lijden, maar de
begerigheid der goddelozen wijst Hij af. |
3 The LORD will not suffer the soul of the righteous to famish: but he
casteth away the substance of the wicked. |
3 De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have
der goddelozen stoot Hij weg. |
|
SP 10:4 Een trage hand maakt arm, maar de hand des vlijtigen maakt
rijk. |
4 He becometh poor that dealeth [with] a slack hand: but the hand of
the diligent maketh rich. |
4 Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der
vlijtigen maakt rijk. |
|
SP 10:5 Wie verzamelt in de zomer, is een verstandig zoon; wie slaapt
in de oogsttijd, is een zoon die zich schandelijk gedraagt. |
5 He that gathereth in summer [is] a wise son: [but] he that sleepeth
in harvest [is] a son that causeth shame. |
5 Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; [maar] die in den
oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt. |
|
SP 10:6 Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen, maar de mond
der goddelozen verbergt geweld. |
6 Blessings [are] upon the head of the just: but violence covereth the
mouth of the wicked. |
6 Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld
bedekt den mond der goddelozen. |
|
SP 10:7 De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn, maar
de naam der goddelozen zal wegrotten. |
7 The memory of the just [is] blessed: but the name of the wicked shall
rot. |
7 De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam
der goddelozen zal verrotten. |
|
SP 10:8 Wie wijs van hart is, neemt geboden aan, maar wie dwaas van
lippen is, komt ten val. |
8 The wise in heart will receive commandments: but a prating fool shall
fall. |
8 Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van
lippen, zal omgeworpen worden. |
|
SP 10:9 Wie in oprechtheid wandelt, gaat veilig, maar wie zijn wegen
verdraait, wordt doorzien. |
9 He that walketh uprightly walketh surely: but he that perverteth his
ways shall be known. |
9 Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen
verkeert, zal bekend worden. |
|
SP 10:10 Wie met zijn ogen knipt, veroorzaakt smart, wie dwaas van
lippen is, komt ten val. |
10 He that winketh with the eye causeth sorrow: but a prating fool
shall fall. |
10 Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal
omgeworpen worden. |
|
SP 10:11 De mond des rechtvaardigen is een bron van leven, maar de mond
der goddelozen verbergt geweld. |
11 The mouth of a righteous [man is] a well of life: but violence
covereth the mouth of the wicked. |
11 De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het
geweld bedekt den mond der goddelozen. |
|
SP 10:12 Haat verwekt krakelen, maar liefde bedekt alle overtredingen. |
12 Hatred stirreth up strifes: but love covereth all sins. |
12 Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe. |
|
SP 10:13 Op de lippen van de verstandige wordt wijsheid gevonden, maar
de roede is voor de rug van de verstandeloze. |
13 In the lips of him that hath understanding wisdom is found: but a
rod [is] for the back of him that is void of understanding. |
13 In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den
rug des verstandelozen de roede. |
|
SP 10:14 Wijzen bewaren de kennis, maar de mond van de dwaas is een
steeds dreigend onheil. |
14 Wise [men] lay up knowledge: but the mouth of the foolish [is] near
destruction. |
14 De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de
verstoring nabij. |
|
SP 10:15 De bezitting van de rijke is zijn sterke stad, het onheil van
de behoeftigen is hun armoede. |
15 The rich man's wealth [is] his strong city: the destruction of the
poor [is] their poverty. |
15 Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen
is hun verstoring. |
|
SP 10:16 Het gewin van de rechtvaardige is ten leven; de inkomsten van
de goddeloze zijn tot zonde. |
16 The labour of the righteous [tendeth] to life: the fruit of the
wicked to sin. |
16 Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen
is ter zonde. |
|
SP 10:17 Een pad ten leven is hij, die de vermaning in acht neemt, maar
wie de terechtwijzing veracht, doet dwalen. |
17 He [is in] the way of life that keepeth instruction: but he that
refuseth reproof erreth. |
17 Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de
bestraffing verlaat, doet dwalen. |
|
SP 10:18 Wie haat verbergt, is een leugenlip; wie laster verbreidt, is
een dwaas. |
18 He that hideth hatred [with] lying lips, and he that uttereth a
slander, [is] a fool. |
18 Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht
voortbrengt, is een zot. |
|
SP 10:19 In veelheid van woorden ontbreekt de overtreding niet, maar
wie zijn lippen bedwingt, is verstandig. |
19 In the multitude of words there wanteth not sin: but he that
refraineth his lips [is] wise. |
19 In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die
zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig. |
|
SP 10:20 Uitgelezen zilver is de tong des rechtvaardigen; het hart der
goddelozen is weinig waard. |
20 The tongue of the just [is as] choice silver: the heart of the
wicked [is] little worth. |
20 De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der
goddelozen is weinig [waard]. |
|
SP 10:21 De lippen van de rechtvaardige weiden er velen, maar de dwazen
sterven door gebrek aan verstand. |
21 The lips of the righteous feed many: but fools die for want of
wisdom. |
21 De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven
door gebrek van verstand. |
|
SP 10:22 De zegen des HEREN, die maakt rijk, zwoegen voegt er niets aan
toe. |
22 The blessing of the LORD, it maketh rich, and he addeth no sorrow
with it. |
22 De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij. |
|
SP 10:23 Zoals het een vermaak is voor de dwaas schanddaden te
bedrijven, zo is het met de wijsheid voor de man van verstand. |
23 [It is] as sport to a fool to do mischief: but a man of
understanding hath wisdom. |
23 Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een
man van verstand, wijsheid [te] [plegen]. |
|
SP 10:24 Wat de goddeloze vreest, dat overkomt hem, maar Hij vervult de
wens der rechtvaardigen. |
24 The fear of the wicked, it shall come upon him: but the desire of
the righteous shall be granted. |
24 De vreze des goddelozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der
rechtvaardigen zal [God] geven. |
|
SP 10:25 Als de stormwind voorbijgaat, dan is de goddeloze niet meer,
maar de rechtvaardige staat als een duurzame grondslag. |
25 As the whirlwind passeth, so [is] the wicked no [more]: but the
righteous [is] an everlasting foundation. |
25 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet [meer];
maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. |
|
SP 10:26 Wat azijn is voor de tanden en wat rook is voor de ogen, dat
is de luiaard voor wie hem zenden. |
26 As vinegar to the teeth, and as smoke to the eyes, so [is] the
sluggard to them that send him. |
26 Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie
dengenen, die hem uitzenden. |
|
SP 10:27 De vreze des HEREN vermeerdert de dagen, maar de jaren der
goddelozen worden verkort. |
27 The fear of the LORD prolongeth days: but the years of the wicked
shall be shortened. |
27 De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der
goddelozen worden verkort. |
|
SP 10:28 De verwachting der rechtvaardigen is vreugde, maar de hoop der
goddelozen gaat teniet. |
28 The hope of the righteous [shall be] gladness: but the expectation
of the wicked shall perish. |
28 De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der
goddelozen zal vergaan. |
|
SP 10:29 De weg des HEREN is een beschutting voor de oprechten, maar
onheil voor de bedrijvers van ongerechtigheid. |
29 The way of the LORD [is] strength to the upright: but destruction
[shall be] to the workers of iniquity. |
29 De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers
der ongerechtigheid verstoring. |
|
SP 10:30 De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet wankelen, maar de
goddelozen zullen de aarde niet bewonen. |
30 The righteous shall never be removed: but the wicked shall not
inhabit the earth. |
30 De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de
goddelozen zullen de aarde niet bewonen. |
|
SP 10:31 De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid voort, maar de
valse tong wordt verdelgd. |
31 The mouth of the just bringeth forth wisdom: but the froward tongue
shall be cut out. |
31 De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort;
maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden. |
|
SP 10:32 De lippen van de rechtvaardige weten wat welgevallig is, maar
de mond der goddelozen is enkel valsheid. |
32 The lips of the righteous know what is acceptable: but the mouth of
the wicked [speaketh] frowardness. |
32 De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond
der goddelozen enkel verkeerdheid. |
|
SP 11:1 Een bedrieglijke weegschaal is de HERE een gruwel, maar een
zuivere weegsteen is Hem welgevallig. |
1 A false balance [is] abomination to the LORD: but a just weight [is]
his delight. |
1 Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een
volkomen weegsteen is Zijn welgevallen. |
|
SP 11:2 Als overmoed komt, komt schande mee, maar wijsheid is bij de
ootmoedigen. |
2 [When] pride cometh, then cometh shame: but with the lowly [is]
wisdom. |
2 Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de
ootmoedigen is wijsheid. |
|
SP 11:3 De rechtschapenheid der oprechten leidt hen, maar de verkeerde
zin der trouwelozen is hun ten verderve. |
3 The integrity of the upright shall guide them: but the perverseness
of transgressors shall destroy them. |
3 De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der
trouwelozen verstoort hen. |
|
SP 11:4 Rijkdom baat niet ten dage des toorns, maar gerechtigheid redt
van de dood. |
4 Riches profit not in the day of wrath: but righteousness delivereth
from death. |
4 Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid
redt van den dood. |
|
SP 11:5 De gerechtigheid van de rechtschapene effent zijn weg, maar de
goddeloze komt door zijn goddeloosheid ten val. |
5 The righteousness of the perfect shall direct his way: but the wicked
shall fall by his own wickedness. |
5 De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de
goddeloze valt door zijn goddeloosheid. |
|
SP 11:6 De gerechtigheid der oprechten zal hen redden, maar de
trouwelozen worden door hun begeerlijkheid gevangen. |
6 The righteousness of the upright shall deliver them: but
transgressors shall be taken in [their own] naughtiness. |
6 De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen
worden gevangen in [hun] verkeerdheid. |
|
SP 11:7 Bij de dood van een goddeloos mens vergaat de verwachting, en
het verlangen der boosheid gaat teniet. |
7 When a wicked man dieth, [his] expectation shall perish: and the hope
of unjust [men] perisheth. |
7 Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de
allersterkste hoop vergaan. |
|
SP 11:8 De rechtvaardige wordt uit benauwdheid gered, en dan komt de
goddeloze in zijn plaats. |
8 The righteous is delivered out of trouble, and the wicked cometh in
his stead. |
8 De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt
in zijn plaats. |
|
SP 11:9 Met de mond stort de godvergetene zijn naaste in het verderf,
maar door kennis worden de rechtvaardigen gered. |
9 An hypocrite with [his] mouth destroyeth his neighbour: but through
knowledge shall the just be delivered. |
9 De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door
wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd. |
|
SP 11:10 Over de voorspoed der rechtvaardigen verheugt zich de stad,
bij de ondergang der goddelozen is er gejuich. |
10 When it goeth well with the righteous, the city rejoiceth: and when
the wicked perish, [there is] shouting. |
10 Een stad springt op van vreugde over het welvaren der
rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich. |
|
SP 11:11 In de zegen der oprechten ligt de opkomst der stad, maar door
de mond der goddelozen wordt zij afgebroken. |
11 By the blessing of the upright the city is exalted: but it is
overthrown by the mouth of the wicked. |
11 Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den
mond der goddelozen wordt zij verbroken. |
|
SP 11:12 Wie zijn naaste veracht, is verstandeloos; maar een verstandig
man zwijgt stil. |
12 He that is void of wisdom despiseth his neighbour: but a man of
understanding holdeth his peace. |
12 Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot
verstand zwijgt stil. |
|
SP 11:13 Wie met laster omgaat, verraadt geheimen; maar wie betrouwbaar
van geest is, houdt een zaak verborgen. |
13 A talebearer revealeth secrets: but he that is of a faithful spirit
concealeth the matter. |
13 Die [als] een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar
die getrouw is van geest, bedekt de zaak. |
|
SP 11:14 Als beleid ontbreekt, komt het volk ten val; maar er is
redding, als er vele raadgevers zijn. |
14 Where no counsel [is], the people fall: but in the multitude of
counsellors [there is] safety. |
14 Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de
behoudenis is in de veelheid der raadslieden. |
|
SP 11:15 Slecht vergaat het hem die borg is voor een vreemde, maar wie
de handslag vermijdt, gaat veilig. |
15 He that is surety for a stranger shall smart [for it]: and he that
hateth suretiship is sure. |
15 Als [iemand] [voor] een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk
verbroken worden; maar wie degenen haat, die [in] [de] [hand] klappen, is
zeker. |
|
SP 11:16 Een bevallige vrouw verkrijgt eer, zo verkrijgen de geweldigen
rijkdom. |
16 A gracious woman retaineth honour: and strong [men] retain riches. |
16 Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den
rijkdom vasthouden. |
|
SP 11:17 Een weldadig man doet zichzelf wèl, maar wie onbarmhartig is,
kwelt zijn eigen vlees. |
17 The merciful man doeth good to his own soul: but [he that is] cruel
troubleth his own flesh. |
17 Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert
zijn vlees. |
|
SP 11:18 De goddeloze maakt winst die niet gedijt, maar wie
gerechtigheid zaait, heeft blijvend gewin. |
18 The wicked worketh a deceitful work: but to him that soweth
righteousness [shall be] a sure reward. |
18 De goddeloze doet een vals werk; maar [voor] degene, die
gerechtigheid zaait, is trouwe loon. |
|
SP 11:19 Ware gerechtigheid strekt ten leven, maar wie het kwaad
najaagt, hem strekt het ten dode. |
19 As righteousness [tendeth] to life: so he that pursueth evil
[pursueth it] to his own death. |
19 Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt,
naar zijn dood [jaagt]. |
|
SP 11:20 De verkeerden van hart zijn de HERE een gruwel, maar de
oprechten van wandel zijn Hem welgevallig. |
20 They that are of a froward heart [are] abomination to the LORD: but
[such as are] upright in [their] way [are] his delight. |
20 De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten
van weg zijn Zijn welgevallen. |
|
SP 11:21 Voorwaar, de boze blijft niet ongestraft, maar het geslacht
der rechtvaardigen wordt bevrijd. |
21 [Though] hand [join] in hand, the wicked shall not be unpunished:
but the seed of the righteous shall be delivered. |
21 Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad der
rechtvaardigen zal ontkomen. |
|
SP 11:22 Als een gouden ring in een varkenssnuit is een schone vrouw
zonder verstand. |
22 [As] a jewel of gold in a swine's snout, [so is] a fair woman which
is without discretion. |
22 Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een
varkenssnuit. |
|
SP 11:23 Wat de rechtvaardigen wensen, brengt enkel geluk; wat de
goddelozen hopen, loopt uit op toorn. |
23 The desire of the righteous [is] only good: [but] the expectation of
the wicked [is] wrath. |
23 De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de
verwachting der goddelozen is verbolgenheid. |
|
SP 11:24 Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen;
terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden. |
24 There is that scattereth, and yet increaseth; and [there is] that
withholdeth more than is meet, but [it tendeth] to poverty. |
24 Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en
een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek. |
|
SP 11:25 De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt, wie laaft, wordt
ook zelf gelaafd. |
25 The liberal soul shall be made fat: and he that watereth shall be
watered also himself. |
25 De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook
zelf een vroege regen worden. |
|
SP 11:26 Wie koren achterhoudt, hem vloekt het volk; maar zegening
daalt neer op het hoofd van de verkoper. |
26 He that withholdeth corn, the people shall curse him: but blessing
[shall be] upon the head of him that selleth [it]. |
26 Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk; maar de zegening zal zijn
over het hoofd des verkopers. |
|
SP 11:27 Wie het goede nastreeft, zoekt welbehagen; maar wie het kwade
najaagt, hem zal het overkomen. |
27 He that diligently seeketh good procureth favour: but he that
seeketh mischief, it shall come unto him. |
27 Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het
kwade natracht, dien zal het overkomen. |
|
SP 11:28 Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar als fris
loof zullen de rechtvaardigen uitspruiten. |
28 He that trusteth in his riches shall fall: but the righteous shall
flourish as a branch. |
28 Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de
rechtvaardigen zullen groenen als loof. |
|
SP 11:29 Wie zijn huis in wanorde brengt, zal wind erven; de dwaas
wordt een slaaf van de wijze van hart. |
29 He that troubleth his own house shall inherit the wind: and the fool
[shall be] servant to the wise of heart. |
29 Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht
zijn desgenen, die wijs van hart is. |
|
SP 11:30 De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens, en wie
wijs is, wint harten. |
30 The fruit of the righteous [is] a tree of life; and he that winneth
souls [is] wise. |
30 De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen
vangt, is wijs. |
|
SP 11:31 Zie, aan de rechtvaardige wordt vergolden op aarde, hoeveel te
meer aan de goddeloze en de zondaar! |
31 Behold, the righteous shall be recompensed in the earth: much more
the wicked and the sinner. |
31 Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer
den goddeloze en zondaar! |
|
SP 12:1 Wie tucht liefheeft, heeft kennis lief; maar wie terechtwijzing
haat, is dom. |
1 Whoso loveth instruction loveth knowledge: but he that hateth reproof
[is] brutish. |
1 Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de
bestraffing haat, is onvernuftig. |
|
SP 12:2 De goede verkrijgt welgevallen van de HERE, maar een man met
slinkse streken veroordeelt Hij. |
2 A good [man] obtaineth favour of the LORD: but a man of wicked
devices will he condemn. |
2 De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van
schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen. |
|
SP 12:3 Geen mens blijft staande door goddeloosheid, maar de wortel der
rechtvaardigen is niet te verwrikken. |
3 A man shall not be established by wickedness: but the root of the
righteous shall not be moved. |
3 De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel
der rechtvaardigen zal niet bewogen worden. |
|
SP 12:4 Een degelijke vrouw is de kroon van haar man, maar als bederf
in zijn gebeente is zij, die beschaamd doet staan. |
4 A virtuous woman [is] a crown to her husband: but she that maketh
ashamed [is] as rottenness in his bones. |
4 Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt
maakt, is als verrotting in zijn beenderen. |
|
SP 12:5 De overleggingen der rechtvaardigen zijn recht, de voornemens
der goddelozen zijn bedriegerij. |
5 The thoughts of the righteous [are] right: [but] the counsels of the
wicked [are] deceit. |
5 Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen
zijn bedrog. |
|
SP 12:6 De woorden der goddelozen loeren op bloed, maar de mond der
oprechten redt hen uit. |
6 The words of the wicked [are] to lie in wait for blood: but the mouth
of the upright shall deliver them. |
6 De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond
der oprechten zal ze redden. |
|
SP 12:7 De goddelozen worden omvergeworpen en zijn niet meer, maar het
huis der rechtvaardigen blijft in stand. |
7 The wicked are overthrown, and [are] not: but the house of the
righteous shall stand. |
7 De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet [meer] zijn; maar het
huis der rechtvaardigen zal bestaan. |
|
SP 12:8 Naar de mate van zijn verstand wordt een man geprezen, maar een
verkeerde van hart komt in verachting. |
8 A man shall be commended according to his wisdom: but he that is of a
perverse heart shall be despised. |
8 Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar
die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen. |
|
SP 12:9 Het is beter onaanzienlijk te zijn en een knecht te hebben, dan
zich groot voor te doen bij broodgebrek. |
9 [He that is] despised, and hath a servant, [is] better than he that
honoureth himself, and lacketh bread. |
9 Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die
zichzelven eert, en des broods gebrek heeft. |
|
SP 12:10 De rechtvaardige weet wat toekomt aan zijn vee, maar de
barmhartigheid der goddelozen is wreed. |
10 A righteous [man] regardeth the life of his beast: but the tender
mercies of the wicked [are] cruel. |
10 De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de
barmhartigheden der goddelozen zijn wreed. |
|
SP 12:11 Wie zijn akker bewerkt, zal zich met brood verzadigen; maar
wie ijdele dingen najaagt, is verstandeloos. |
11 He that tilleth his land shall be satisfied with bread: but he that
followeth vain [persons is] void of understanding. |
11 Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele
[mensen] volgt, is verstandeloos. |
|
SP 12:12 De goddeloze begeert de vangst van boze dingen, maar de wortel
der rechtvaardigen geeft (vrucht). |
12 The wicked desireth the net of evil [men]: but the root of the
righteous yieldeth [fruit]. |
12 De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der
rechtvaardigen zal uitgeven. |
|
SP 12:13 In de overtreding der lippen ligt een boze valstrik, maar de
rechtvaardige ontkomt aan de benauwdheid. |
13 The wicked is snared by the transgression of [his] lips: but the
just shall come out of trouble. |
13 In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de
rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen. |
|
SP 12:14 Van de vrucht zijns monds wordt iemand met het goede
verzadigd; wat eens mensen handen volbrengen, keert weder tot hem. |
14 A man shall be satisfied with good by the fruit of [his] mouth: and
the recompence of a man's hands shall be rendered unto him. |
14 Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de
vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen. |
|
SP 12:15 De weg van de dwaas is recht in zijn ogen, maar wie naar raad
luistert, is wijs. |
15 The way of a fool [is] right in his own eyes: but he that hearkeneth
unto counsel [is] wise. |
15 De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort,
is wijs. |
|
SP 12:16 Een dwaas maakt zijn ergernis aanstonds bekend, maar een
schrandere bedekt de smaad. |
16 A fool's wrath is presently known: but a prudent [man] covereth
shame. |
16 De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die
kloekzinnig is, bedekt de schande. |
|
SP 12:17 Wie waarheid spreekt, deelt mee wat recht is, maar een
leugenachtig getuige bedrog. |
17 [He that] speaketh truth sheweth forth righteousness: but a false
witness deceit. |
17 Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een
getuige der valsheden, bedrog. |
|
SP 12:18 Er zijn er, wier gepraat werkt als dolksteken, maar de tong
der wijzen brengt genezing aan. |
18 There is that speaketh like the piercings of a sword: but the tongue
of the wise [is] health. |
18 Daar is een, die [woorden] als steken van een zwaard onbedachtelijk
uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn. |
|
SP 12:19 Een waarachtige lip bestaat voor altijd, maar een
leugenachtige tong slechts voor een ogenblik. |
19 The lip of truth shall be established for ever: but a lying tongue
[is] but for a moment. |
19 Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een
valse tong is [maar] voor een ogenblik. |
|
SP 12:20 Bedrog is in het hart van wie kwaad smeden, maar voor wie tot
vrede raden, is er vreugde. |
20 Deceit [is] in the heart of them that imagine evil: but to the
counsellors of peace [is] joy. |
20 Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die
vrede raden, hebben blijdschap. |
|
SP 12:21 De rechtvaardige zal generlei onheil treffen, maar de
goddelozen zijn vol van rampspoed. |
21 There shall no evil happen to the just: but the wicked shall be
filled with mischief. |
21 Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen
zullen met kwaad vervuld worden. |
|
SP 12:22 Leugenlippen zijn de HERE een gruwel, maar wie trouw handelen,
zijn Hem welgevallig. |
22 Lying lips [are] abomination to the LORD: but they that deal truly
[are] his delight. |
22 Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk
handelen, zijn Zijn welgevallen. |
|
SP 12:23 Een schrander mens houdt zijn kennis voor zich, maar het hart
der zotten verkondigt dwaasheid. |
23 A prudent man concealeth knowledge: but the heart of fools
proclaimeth foolishness. |
23 Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten
roept dwaasheid uit. |
|
SP 12:24 De hand der vlijtigen zal heersen, maar traagheid voert tot
dienstbaarheid. |
24 The hand of the diligent shall bear rule: but the slothful shall be
under tribute. |
24 De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder
cijns wezen. |
|
SP 12:25 Kommer in het hart van de mens buigt het neder, maar een goed
woord verblijdt het. |
25 Heaviness in the heart of man maketh it stoop: but a good word
maketh it glad. |
25 Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed
woord verblijdt het. |
|
SP 12:26 De rechtvaardige onderkent wie hem kwaad wil doen, maar de weg
der goddelozen doet hen dwalen. |
26 The righteous [is] more excellent than his neighbour: but the way of
the wicked seduceth them. |
26 De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg
der goddelozen doet hen dwalen. |
|
SP 12:27 De trage zal zijn wild niet vangen, maar een kostbare have is
het deel van de vlijtige. |
27 The slothful [man] roasteth not that which he took in hunting: but
the substance of a diligent man [is] precious. |
27 Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk
goed des mensen is des vlijtigen. |
|
SP 12:28 Op het pad der gerechtigheid is leven, maar de weg der zonde
voert ten dode. |
28 In the way of righteousness [is] life; and [in] the pathway [thereof
there is] no death. |
28 In het pad der gerechtigheid is het leven; en [in] den weg [van]
[haar] voetpad is de dood niet. |
|
SP 13:1 Een wijs zoon laat zich tuchtigen door zijn vader, maar een
spotter luistert niet naar berisping. |
1 A wise son [heareth] his father's instruction: but a scorner heareth
not rebuke. |
1 Een wijs zoon [hoort] de tucht des vaders; maar een spotter hoort de
bestraffing niet. |
|
SP 13:2 Van de vrucht zijns monds zal iemand het goede eten, maar de
begeerte der trouwelozen gaat uit naar geweld. |
2 A man shall eat good by the fruit of [his] mouth: but the soul of the
transgressors [shall eat] violence. |
2 Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel
der trouwelozen het geweld. |
|
SP 13:3 Wie zijn mond in toom houdt, bewaart zijn leven; wie zijn
lippen openspert, hem wacht het verderf. |
3 He that keepeth his mouth keepeth his life: [but] he that openeth
wide his lips shall have destruction. |
3 Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is
verstoring, die zijn lippen wijd opendoet. |
|
SP 13:4 De ziel van de luiaard is begerig, maar tevergeefs, doch de
ziel van de vlijtigen wordt overvloedig verkwikt. |
4 The soul of the sluggard desireth, and [hath] nothing: but the soul
of the diligent shall be made fat. |
4 De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der
vlijtigen zal vet gemaakt worden. |
|
SP 13:5 De rechtvaardige haat leugentaal, maar de goddeloze maakt zich
gehaat en wordt te schande. |
5 A righteous [man] hateth lying: but a wicked [man] is loathsome, and
cometh to shame. |
5 De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich
stinkende, en doet zich schaamte aan. |
|
SP 13:6 Gerechtigheid bewaart de onberispelijken van wandel, maar
goddeloosheid stort de zondaren in het verderf. |
6 Righteousness keepeth [him that is] upright in the way: but
wickedness overthroweth the sinner. |
6 De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid
zal den zondaar omkeren. |
|
SP 13:7 Sommigen stellen zich rijk aan, terwijl zij in het geheel niets
hebben; anderen houden zich arm bij veel bezit. |
7 There is that maketh himself rich, yet [hath] nothing: [there is]
that maketh himself poor, yet [hath] great riches. |
7 Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al [heeft], en een,
die zichzelven arm maakt, en [heeft] veel goed. |
|
SP 13:8 Het losgeld voor iemands leven is zijn rijkdom, maar de arme
krijgt geen bedreiging te horen. |
8 The ransom of a man's life [are] his riches: but the poor heareth not
rebuke. |
8 Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het
schelden niet. |
|
SP 13:9 Het licht der rechtvaardigen brandt blijde, maar de lamp der
goddelozen wordt uitgeblust. |
9 The light of the righteous rejoiceth: but the lamp of the wicked
shall be put out. |
9 Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der
goddelozen zal uitgeblust worden. |
|
SP 13:10 Door overmoed ontstaat slechts twist, maar bij hen die zich
laten raden, is wijsheid. |
10 Only by pride cometh contention: but with the well advised [is]
wisdom. |
10 Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen
is wijsheid. |
|
SP 13:11 Een vermogen, uit niets verkregen, slinkt weg; maar wie met
eigen hand vergadert, wordt rijk. |
11 Wealth [gotten] by vanity shall be diminished: but he that gathereth
by labour shall increase. |
11 Goed, van ijdelheid [gekomen], zal verminderd worden; maar die met
de hand vergadert, zal het vermeerderen. |
|
SP 13:12 Een langgerekt hopen maakt het hart ziek, maar een vervulde
begeerte is een boom des levens. |
12 Hope deferred maketh the heart sick: but [when] the desire cometh,
[it is] a tree of life. |
12 De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is
een boom des levens. |
|
SP 13:13 Wie het woord veracht, moet het ontgelden; maar wie het gebod
vreest, hem zal vergolden worden. |
13 Whoso despiseth the word shall be destroyed: but he that feareth the
commandment shall be rewarded. |
13 Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod
vreest, dien zal vergolden worden. |
|
SP 13:14 Het onderricht van de wijze is een bron des levens, om de
strikken des doods te ontwijken. |
14 The law of the wise [is] a fountain of life, to depart from the
snares of death. |
14 Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de
strikken des doods. |
|
SP 13:15 Goed inzicht verschaft gunst, maar de weg der trouwelozen is
onbegaanbaar. |
15 Good understanding giveth favour: but the way of transgressors [is]
hard. |
15 Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is
streng. |
|
SP 13:16 Ieder schrander mens handelt met overleg, maar een zot kraamt
dwaasheid uit. |
16 Every prudent [man] dealeth with knowledge: but a fool layeth open
[his] folly. |
16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt
dwaasheid uit. |
|
SP 13:17 Een goddeloos gezant valt in het ongeluk, maar een betrouwbare
bode brengt genezing. |
17 A wicked messenger falleth into mischief: but a faithful ambassador
[is] health. |
17 Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is
medicijn. |
|
SP 13:18 Armoede en schande treffen hem die de tucht in de wind slaat,
maar wie de terechtwijzing in acht neemt, wordt geëerd. |
18 Poverty and shame [shall be to] him that refuseth instruction: but
he that regardeth reproof shall be honoured. |
18 Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de
bestraffing waarneemt; zal geeerd worden. |
|
SP 13:19 Een vervulde begeerte is zoet voor de ziel, het is de dwazen
een gruwel van het kwaad af te wijken. |
19 The desire accomplished is sweet to the soul: but [it is]
abomination to fools to depart from evil. |
19 De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den
zotten een gruwel van het kwade af te wijken. |
|
SP 13:20 Wie met wijzen omgaat, wordt wijs; maar wie met dwazen
verkeert, wordt slecht. |
20 He that walketh with wise [men] shall be wise: but a companion of
fools shall be destroyed. |
20 Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten
metgezel is, zal verbroken worden. |
|
SP 13:21 Het kwaad vervolgt de zondaren, maar de rechtvaardigen
vergeldt Hij het goede. |
21 Evil pursueth sinners: but to the righteous good shall be repayed. |
21 Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men
goed vergelden. |
|
SP 13:22 De goede doet zijn kindskinderen erven, maar het vermogen van
de zondaar wordt weggelegd voor de rechtvaardigen. |
22 A good [man] leaveth an inheritance to his children's children: and
the wealth of the sinner [is] laid up for the just. |
22 De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen
des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd. |
|
SP 13:23 Het pas ontgonnen land der armen kan overvloed van spijzen
leveren, maar soms gaat deze door onrecht teloor. |
23 Much food [is in] the tillage of the poor: but there is [that is]
destroyed for want of judgment. |
23 Het ploegen der armen [geeft] veelheid der spijze; maar daar is een,
die verteerd wordt door gebrek van oordeel. |
|
SP 13:24 Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft,
tuchtigt hem reeds vroeg. |
24 He that spareth his rod hateth his son: but he that loveth him
chasteneth him betimes. |
24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft,
zoekt hem vroeg [met] tuchtiging. |
|
SP 13:25 De rechtvaardige eet tot verzadiging toe, maar de buik der
goddelozen zal gebrek lijden. |
25 The righteous eateth to the satisfying of his soul: but the belly of
the wicked shall want. |
25 De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik
der goddelozen zal gebrek hebben. |
|
SP 14:1 De wijsheid der vrouwen bouwt haar huis, maar de dwaasheid
breekt het af met haar eigen handen. |
1 Every wise woman buildeth her house: but the foolish plucketh it down
with her hands. |
1 Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het
af met haar handen. |
|
SP 14:2 Wie in oprechtheid wandelt, vreest de HERE; maar hij wiens
wegen verkeerd zijn, veracht Hem. |
2 He that walketh in his uprightness feareth the LORD: but [he that is]
perverse in his ways despiseth him. |
2 Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt
in zijn wegen, veracht Hem. |
|
SP 14:3 In de mond van de dwaas ligt een roede voor zijn hovaardij,
maar de lippen der wijzen bewaren hen. |
3 In the mouth of the foolish [is] a rod of pride: but the lips of the
wise shall preserve them. |
3 In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der
wijzen bewaren hen. |
|
SP 14:4 Als er geen runderen zijn, blijft de kribbe leeg, maar door de
kracht van de ploegos is er een rijke opbrengst. |
4 Where no oxen [are], the crib [is] clean: but much increase [is] by
the strength of the ox. |
4 Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van
den os is der inkomsten veel. |
|
SP 14:5 Een betrouwbaar getuige liegt niet, maar wie leugens uitblaast,
is een vals getuige. |
5 A faithful witness will not lie: but a false witness will utter lies. |
5 Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast
leugens. |
|
SP 14:6 Een spotter zoekt naar wijsheid, doch tevergeefs, maar voor de
verstandige is kennis gemakkelijk te verkrijgen. |
6 A scorner seeketh wisdom, and [findeth it] not: but knowledge [is]
easy unto him that understandeth. |
6 De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor
den verstandige licht. |
|
SP 14:7 Ga de dwaze man uit de weg, want verstandige lippen bemerkt gij
daar niet. |
7 Go from the presence of a foolish man, when thou perceivest not [in
him] the lips of knowledge. |
7 Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt [bij]
[hem] geen lippen der wetenschap merken. |
|
SP 14:8 De wijsheid van de schrandere is: zijn weg te verstaan, maar de
dwaasheid der zotten loopt uit op bedrog. |
8 The wisdom of the prudent [is] to understand his way: but the folly
of fools [is] deceit. |
8 De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid
der zotten is bedriegerij. |
|
SP 14:9 Het schuldoffer spot met de dwazen, maar onder oprechten woont
(Gods) welbehagen. |
9 Fools make a mock at sin: but among the righteous [there is] favour. |
9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is
goedwilligheid. |
|
SP 14:10 Het hart kent zijn eigen droefheid, en in zijn vreugde kan een
vreemde zich niet mengen. |
10 The heart knoweth his own bitterness; and a stranger doth not
intermeddle with his joy. |
10 Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich
met deszelfs blijdschap niet vermengen. |
|
SP 14:11 Het huis der goddelozen zal verwoest worden, maar de tent der
oprechten zal bloeien. |
11 The house of the wicked shall be overthrown: but the tabernacle of
the upright shall flourish. |
11 Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der
oprechten zal bloeien. |
|
SP 14:12 Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan
voert naar de dood. |
12 There is a way which seemeth right unto a man, but the end thereof
[are] the ways of death. |
12 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien
zijn wegen des doods. |
|
SP 14:13 Ook onder het lachen kan het hart pijn lijden en het einde der
vreugde kan kommer zijn. |
13 Even in laughter the heart is sorrowful; and the end of that mirth
[is] heaviness. |
13 Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die
blijdschap is droefheid. |
|
SP 14:14 De afvallige van hart verzadigt zich met zijn wegen; maar een
goed man met het zijne. |
14 The backslider in heart shall be filled with his own ways: and a
good man [shall be satisfied] from himself. |
14 Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar
een goed man van zichzelven. |
|
SP 14:15 De onverstandige gelooft elk woord, maar de schrandere geeft
acht op zijn gang. |
15 The simple believeth every word: but the prudent [man] looketh well
to his going. |
15 De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn
gang. |
|
SP 14:16 De wijze vreest en wijkt af van het kwaad, maar de dwaas gaat
zich te buiten en voelt zich toch veilig. |
16 A wise [man] feareth, and departeth from evil: but the fool rageth,
and is confident. |
16 De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende
toornig, en zorgeloos. |
|
SP 14:17 Wie spoedig toornig is, begaat dwaasheid, en een man met
slinkse streken wordt gehaat. |
17 [He that is] soon angry dealeth foolishly: and a man of wicked
devices is hated. |
17 Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van
schandelijke verdichtselen zal gehaat worden. |
|
SP 14:18 De onverstandigen krijgen dwaasheid als hun deel, maar de
schranderen worden gekroond met kennis. |
18 The simple inherit folly: but the prudent are crowned with
knowledge. |
18 De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met
wetenschap kronen. |
|
SP 14:19 De bozen moeten zich neerbuigen voor de goeden, en de
goddelozen bij de poorten van de rechtvaardige. |
19 The evil bow before the good; and the wicked at the gates of the
righteous. |
19 De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de
goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen. |
|
SP 14:20 Zelfs door zijn naaste wordt de arme gehaat, maar de vrienden
van de rijke zijn vele. |
20 The poor is hated even of his own neighbour: but the rich [hath]
many friends. |
20 De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des
rijken zijn vele. |
|
SP 14:21 Wie zijn naaste veracht, zondigt; maar welzalig hij, die zich
ontfermt over ellendigen. |
21 He that despiseth his neighbour sinneth: but he that hath mercy on
the poor, happy [is] he. |
21 Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen
ontfermt, die is welgelukzalig. |
|
SP 14:22 Zullen de bewerkers van het kwade niet dwalen? Doch liefde en
trouw zijn voor de bewerkers van het goede. |
22 Do they not err that devise evil? but mercy and truth [shall be] to
them that devise good. |
22 Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is
voor degenen, die goed stichten. |
|
SP 14:23 In alle moeitevolle arbeid zal voordeel zijn, maar het gepraat
der lippen leidt enkel tot gebrek. |
23 In all labour there is profit: but the talk of the lips [tendeth]
only to penury. |
23 In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen
[strekt] alleen tot gebrek. |
|
SP 14:24 De kroon der wijzen is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten
blijft dwaasheid. |
24 The crown of the wise [is] their riches: [but] the foolishness of
fools [is] folly. |
24 Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is
dwaasheid. |
|
SP 14:25 Een betrouwbaar getuige is een redder van levens, maar wie
leugens blaast, is een en al bedrog. |
25 A true witness delivereth souls: but a deceitful [witness] speaketh
lies. |
25 Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is
een bedrieger. |
|
SP 14:26 In de vreze des HEREN ligt sterke gerustheid, zelfs voor zijn
zonen is er een schuilplaats. |
26 In the fear of the LORD [is] strong confidence: and his children
shall have a place of refuge. |
26 In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn
kinderen een Toevlucht wezen. |
|
SP 14:27 De vreze des HEREN is een bron des levens, om de strikken des
doods te ontwijken. |
27 The fear of the LORD [is] a fountain of life, to depart from the
snares of death. |
27 De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken
van de strikken des doods. |
|
SP 14:28 In de menigte van volk is des konings heerlijkheid, maar in
gebrek aan onderdanen ligt de ondergang van de machthebber. |
28 In the multitude of people [is] the king's honour: but in the want
of people [is] the destruction of the prince. |
28 In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek
van volk is eens vorsten verstoring. |
|
SP 14:29 De lankmoedige is groot van verstand, maar wie kortaangebonden
is, hoopt dwaasheid op. |
29 [He that is] slow to wrath [is] of great understanding: but [he that
is] hasty of spirit exalteth folly. |
29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van
gemoed, verheft de dwaasheid. |
|
SP 14:30 Een zachtmoedig hart is leven voor het vlees, maar jaloersheid
is vertering voor de beenderen. |
30 A sound heart [is] the life of the flesh: but envy the rottenness of
the bones. |
30 Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der
beenderen. |
|
SP 14:31 Wie de behoeftige verdrukt, smaadt diens Maker; maar wie zich
over de arme ontfermt, eert Hem. |
31 He that oppresseth the poor reproacheth his Maker: but he that
honoureth him hath mercy on the poor. |
31 Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des
nooddruftigen ontfermt, eert Hem. |
|
SP 14:32 In zijn rampspoed wordt de goddeloze geveld, maar de
rechtvaardige vindt zelfs in zijn dood een schuilplaats. |
32 The wicked is driven away in his wickedness: but the righteous hath
hope in his death. |
32 De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de
rechtvaardige betrouwt [zelfs] in zijn dood. |
|
SP 14:33 In het hart van de verstandige rust de wijsheid, zelfs te
midden der zotten wordt zij onderkend. |
33 Wisdom resteth in the heart of him that hath understanding: but
[that which is] in the midst of fools is made known. |
33 Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het
binnenste der zotten is, wordt bekend. |
|
SP 14:34 Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek
der natiën. |
34 Righteousness exalteth a nation: but sin [is] a reproach to any
people. |
34 Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der
natien. |
|
SP 14:35 Het welgevallen des konings valt een verstandig dienaar ten
deel, maar hem die zich schandelijk gedraagt, treft zijn verbolgenheid. |
35 The king's favour [is] toward a wise servant: but his wrath is
[against] him that causeth shame. |
35 Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar
zijn verbolgenheid zal zijn [over] dengene, die beschaamd maakt. |
|
SP 15:1 Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, maar een krenkend
woord wekt de toorn op. |
1 A soft answer turneth away wrath: but grievous words stir up anger. |
1 Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord
doet den toorn oprijzen. |
|
SP 15:2 De tong der wijzen brengt degelijke kennis voort, maar de mond
der zotten stort dwaasheid uit. |
2 The tongue of the wise useth knowledge aright: but the mouth of fools
poureth out foolishness. |
2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten
stort overvloediglijk dwaasheid uit. |
|
SP 15:3 De ogen des HEREN zijn aan alle plaatsen, opmerkzaam acht
gevend op kwaden en goeden. |
3 The eyes of the LORD [are] in every place, beholding the evil and the
good. |
3 De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en
de goeden. |
|
SP 15:4 Zachtheid van tong is een boom des levens, maar valsheid in
haar is een verderf in de geest. |
4 A wholesome tongue [is] a tree of life: but perverseness therein [is]
a breach in the spirit. |
4 De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in
dezelve is een breuk in den geest. |
|
SP 15:5 De dwaas versmaadt de tucht van zijn vader, maar wie de
terechtwijzing ter harte neemt, is verstandig. |
5 A fool despiseth his father's instruction: but he that regardeth
reproof is prudent. |
5 Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de
bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen. |
|
SP 15:6 In het huis van de rechtvaardige is een grote schat, maar het
gewin van de goddeloze brengt vernieling. |
6 In the house of the righteous [is] much treasure: but in the revenues
of the wicked is trouble. |
6 [In] het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des
goddelozen inkomst is beroerte. |
|
SP 15:7 De lippen der wijzen strooien kennis uit, maar het hart der
dwazen is niet recht. |
7 The lips of the wise disperse knowledge: but the heart of the foolish
[doeth] not so. |
7 De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart
der zotten niet alzo. |
|
SP 15:8 Het offer der goddelozen is de HERE een gruwel, maar aan het
gebed der oprechten heeft Hij welgevallen. |
8 The sacrifice of the wicked [is] an abomination to the LORD: but the
prayer of the upright [is] his delight. |
8 Het offer der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar het gebed der
oprechten is Zijn welgevallen. |
|
SP 15:9 De weg van de goddeloze is de HERE een gruwel, maar wie
gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief. |
9 The way of the wicked [is] an abomination unto the LORD: but he
loveth him that followeth after righteousness. |
9 De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de
gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben. |
|
SP 15:10 Gestrenge tuchtiging treft hem die het rechte pad verlaat; wie
terechtwijzing haat, zal sterven. |
10 Correction [is] grievous unto him that forsaketh the way: [and] he
that hateth reproof shall die. |
10 De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; [en] die
de bestraffing haat, zal sterven. |
|
SP 15:11 Dodenrijk en verderf liggen open voor de HERE, hoeveel te meer
de harten der mensenkinderen! |
11 Hell and destruction [are] before the LORD: how much more then the
hearts of the children of men? |
11 De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten
van des mensenkinderen? |
|
SP 15:12 De spotter houdt er niet van, dat men hem terechtwijst; tot de
wijzen zal hij niet gaan. |
12 A scorner loveth not one that reproveth him: neither will he go unto
the wise. |
12 De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan
tot de wijzen. |
|
SP 15:13 Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk, maar door
harteleed wordt de geest verslagen. |
13 A merry heart maketh a cheerful countenance: but by sorrow of the
heart the spirit is broken. |
13 Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart
des harten wordt de geest verslagen. |
|
SP 15:14 Het hart van de verstandige zoekt kennis, maar de mond der
zotten houdt zich met dwaasheid bezig. |
14 The heart of him that hath understanding seeketh knowledge: but the
mouth of fools feedeth on foolishness. |
14 Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der
zotten zal met dwaasheid gevoed worden. |
|
SP 15:15 Al de dagen van de ellendige zijn boos, maar voor de
blijmoedige is het altijd feest. |
15 All the days of the afflicted [are] evil: but he that is of a merry
heart [hath] a continual feast. |
15 Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een
gedurige maaltijd. |
|
SP 15:16 Beter is een weinig in de vreze des HEREN, dan een grote schat
en onrust daarbij. |
16 Better [is] little with the fear of the LORD than great treasure and
trouble therewith. |
16 Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en
onrust daarbij. |
|
SP 15:17 Beter een schotel groente, waar liefde heerst, dan een gemeste
os en haat daarbij. |
17 Better [is] a dinner of herbs where love is, than a stalled ox and
hatred therewith. |
17 Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een
gemeste os, en haat daarbij. |
|
SP 15:18 Een opvliegend mens verwekt twist, maar een lankmoedige doet
de strijd bedaren. |
18 A wrathful man stirreth up strife: but [he that is] slow to anger
appeaseth strife. |
18 Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den
twist stillen. |
|
SP 15:19 De weg van de luiaard is als een doornhaag, maar het pad der
oprechten is welgebaand. |
19 The way of the slothful [man is] as an hedge of thorns: but the way
of the righteous [is] made plain. |
19 De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten
is wel gebaand. |
|
SP 15:20 Een wijs zoon verheugt de vader, maar een dwaas van een mens
veracht zijn moeder. |
20 A wise son maketh a glad father: but a foolish man despiseth his
mother. |
20 Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht
zijn moeder. |
|
SP 15:21 Dwaasheid is vreugde voor de verstandeloze, maar een man van
verstand houdt de rechte weg. |
21 Folly [is] joy to [him that is] destitute of wisdom: but a man of
understanding walketh uprightly. |
21 De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van
verstand zal recht wandelen. |
|
SP 15:22 Plannen mislukken bij gebrek aan overleg, maar door de
veelheid van raadgevers komt iets tot stand. |
22 Without counsel purposes are disappointed: but in the multitude of
counsellors they are established. |
22 De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door
veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan. |
|
SP 15:23 Iemand heeft vreugde, als hij een gepast antwoord geeft, en
hoe goed is een woord op zijn tijd! |
23 A man hath joy by the answer of his mouth: and a word [spoken] in
due season, how good [is it]! |
23 Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is
een woord op zijn tijd! |
|
SP 15:24 Het pad des levens gaat voor de verstandige opwaarts, opdat
hij ontwijke het dodenrijk beneden. |
24 The way of life [is] above to the wise, that he may depart from hell
beneath. |
24 De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke
van de hel, beneden. |
|
SP 15:25 Het huis der hoogmoedigen breekt de HERE af, maar Hij maakt de
grenspaal der weduwe vast. |
25 The LORD will destroy the house of the proud: but he will establish
the border of the widow. |
25 Het huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der
weduwe zal Hij vastzetten. |
|
SP 15:26 De plannen van de boze zijn de HERE een gruwel, maar
liefelijke woorden zijn rein. |
26 The thoughts of the wicked [are] an abomination to the LORD: but
[the words] of the pure [are] pleasant words. |
26 Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn
liefelijke redenen. |
|
SP 15:27 Wie hunkert naar onrechtmatige winst, vernielt zijn eigen
huis; maar wie geschenken haat, zal leven. |
27 He that is greedy of gain troubleth his own house; but he that
hateth gifts shall live. |
27 Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat,
zal leven. |
|
SP 15:28 Het hart van de rechtvaardige overweegt, wat hij zal
antwoorden, maar de mond der goddelozen stort boosheden uit. |
28 The heart of the righteous studieth to answer: but the mouth of the
wicked poureth out evil things. |
28 Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de
mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten. |
|
SP 15:29 Ver is de HERE van de goddelozen, maar het gebed der
rechtvaardigen hoort Hij. |
29 The LORD [is] far from the wicked: but he heareth the prayer of the
righteous. |
29 De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen
zal Hij verhoren. |
|
SP 15:30 Vriendelijk stralende ogen verheugen het hart; een goede
tijding verkwikt het gebeente. |
30 The light of the eyes rejoiceth the heart: [and] a good report
maketh the bones fat. |
30 Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het
gebeente vet. |
|
SP 15:31 Het oor, dat luistert naar de terechtwijzing die ten leven is,
zal vertoeven te midden der wijzen. |
31 The ear that heareth the reproof of life abideth among the wise. |
31 Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der
wijzen vernachten. |
|
SP 15:32 Wie de tucht in de wind slaat, veracht zijn leven; maar wie
naar terechtwijzing luistert, verkrijgt verstand. |
32 He that refuseth instruction despiseth his own soul: but he that
heareth reproof getteth understanding. |
32 Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de
bestraffing hoort, krijgt verstand. |
|
SP 15:33 De vreze des HEREN voedt op tot wijsheid, en ootmoed gaat
vooraf aan de eer. |
33 The fear of the LORD [is] the instruction of wisdom; and before
honour [is] humility. |
33 De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid
[gaat] voor de eer. |
|
SP 16:1 De mens heeft overleggingen des harten, maar het antwoord der
tong is van de HERE. |
1 The preparations of the heart in man, and the answer of the tongue,
[is] from the LORD. |
1 De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is
van den HEERE. |
|
SP 16:2 Al iemands wegen zijn rein in zijn ogen, maar de HERE toetst de
geesten. |
2 All the ways of a man [are] clean in his own eyes; but the LORD
weigheth the spirits. |
2 Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de
geesten. |
|
SP 16:3 Beveel de HERE uw werken, dan zullen uw voornemens gelukken. |
3 Commit thy works unto the LORD, and thy thoughts shall be
established. |
3 Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd
worden. |
|
SP 16:4 De HERE heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de
goddeloze voor de dag des kwaads. |
4 The LORD hath made all [things] for himself: yea, even the wicked for
the day of evil. |
4 De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook den
goddeloze tot den dag des kwaads. |
|
SP 16:5 Iedere hooghartige is de HERE een gruwel; voorwaar, hij blijft
niet ongestraft. |
5 Every one [that is] proud in heart [is] an abomination to the LORD:
[though] hand [join] in hand, he shall not be unpunished. |
5 Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal
hij niet onschuldig zijn. |
|
SP 16:6 Door liefde en trouw wordt de ongerechtigheid verzoend, door de
vreze des HEREN wijkt men van het kwaad. |
6 By mercy and truth iniquity is purged: and by the fear of the LORD
[men] depart from evil. |
6 Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de
vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade. |
|
SP 16:7 Als iemands wegen de HERE behagen, doet Hij zelfs diens
vijanden vrede met hem maken. |
7 When a man's ways please the LORD, he maketh even his enemies to be
at peace with him. |
7 Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met
hem bevredigen. |
|
SP 16:8 Beter een weinig met gerechtigheid, dan grote inkomsten met
onrecht. |
8 Better [is] a little with righteousness than great revenues without
right. |
8 Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten
zonder recht. |
|
SP 16:9 Het hart des mensen overdenkt zijn weg, maar de HERE bestiert
zijn gang. |
9 A man's heart deviseth his way: but the LORD directeth his steps. |
9 Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn
gang. |
|
SP 16:10 Het godsoordeel is op de lippen van de koning, in het gericht
faalt zijn mond niet. |
10 A divine sentence [is] in the lips of the king: his mouth
transgresseth not in judgment. |
10 Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet
overtreden in het gericht. |
|
SP 16:11 Zuivere waag en weegschaal zijn des HEREN; al de weegstenen in
de buidel zijn zijn werk. |
11 A just weight and balance [are] the LORD'S: all the weights of the
bag [are] his work. |
11 Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des
zaks zijn Zijn werk. |
|
SP 16:12 Voor koningen is het een gruwel, goddeloosheid te plegen, want
door gerechtigheid wordt de troon bevestigd. |
12 [It is] an abomination to kings to commit wickedness: for the throne
is established by righteousness. |
12 Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door
gerechtigheid wordt de troon bevestigd. |
|
SP 16:13 Rechtvaardige lippen zijn de koningen welgevallig, hem die
oprechte woorden spreekt, heeft hij lief. |
13 Righteous lips [are] the delight of kings; and they love him that
speaketh right. |
13 De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en
elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt. |
|
SP 16:14 De grimmigheid van de koning is een voorbode van de dood, maar
een wijs man verzoent die. |
14 The wrath of a king [is as] messengers of death: but a wise man will
pacify it. |
14 De grimmigheid des konings is [als] de boden des doods; maar een
wijs man zal die verzoenen. |
|
SP 16:15 Het licht op het gelaat van de koning is het leven, en zijn
welgevallen is als een wolk van de late regen. |
15 In the light of the king's countenance [is] life; and his favour
[is] as a cloud of the latter rain. |
15 In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn
welgevallen is als een wolk des spaden regens. |
|
SP 16:16 Hoeveel beter is het, wijsheid te verkrijgen dan goud, hoeveel
verkieslijker is het, verstand te verwerven dan zilver! |
16 How much better [is it] to get wisdom than gold! and to get
understanding rather to be chosen than silver! |
16 Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en
uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver! |
|
SP 16:17 De koers der oprechten is: te wijken van het kwaad; wie acht
geeft op zijn weg, bewaart zijn leven. |
17 The highway of the upright [is] to depart from evil: he that keepeth
his way preserveth his soul. |
17 De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt
zijn ziel, die zijn weg bewaart. |
|
SP 16:18 Hovaardij gaat vooraf aan het verderf, en hoogmoed komt voor
de val. |
18 Pride [goeth] before destruction, and an haughty spirit before a
fall. |
18 Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor
den val. |
|
SP 16:19 Het is beter nederig van geest te zijn met de armen, dan buit
te delen met de hovaardigen. |
19 Better [it is to be] of an humble spirit with the lowly, than to
divide the spoil with the proud. |
19 Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan
roof te delen met de hovaardigen. |
|
SP 16:20 Wie op het woord acht geeft, zal het goede vinden; ja,
welzalig hij, die op de HERE vertrouwt. |
20 He that handleth a matter wisely shall find good: and whoso trusteth
in the LORD, happy [is] he. |
20 Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op
den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig. |
|
SP 16:21 De wijze van hart wordt verstandig genoemd, en zoetheid van
lippen versterkt het betoog. |
21 The wise in heart shall be called prudent: and the sweetness of the
lips increaseth learning. |
21 De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der
lippen zal de lering vermeerderen. |
|
SP 16:22 Het verstand is voor zijn bezitters een bron van leven, maar
de straf voor de dwazen is hun eigen dwaasheid. |
22 Understanding [is] a wellspring of life unto him that hath it: but
the instruction of fools [is] folly. |
22 Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des
levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid. |
|
SP 16:23 Het hart van de wijze maakt zijn mond verstandig, en versterkt
het betoog op zijn lippen. |
23 The heart of the wise teacheth his mouth, and addeth learning to his
lips. |
23 Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn
lippen de lering vermeerderen. |
|
SP 16:24 Vriendelijke woorden zijn als honigzeem, zoet voor de ziel en
medicijn voor het gebeente. |
24 Pleasant words [are as] an honeycomb, sweet to the soul, and health
to the bones. |
24 Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en
medicijn voor het gebeente. |
|
SP 16:25 Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan
voert naar de dood. |
25 There is a way that seemeth right unto a man, but the end thereof
[are] the ways of death. |
25 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien
zijn wegen des doods. |
|
SP 16:26 De honger van de werkman werkt voor hem, want zijn mond spoort
hem aan. |
26 He that laboureth laboureth for himself; for his mouth craveth it of
him. |
26 De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond
buigt zich voor hem. |
|
SP 16:27 Een nietswaardig man delft boosheid op, op zijn lippen is het
als verzengend vuur. |
27 An ungodly man diggeth up evil: and in his lips [there is] as a
burning fire. |
27 Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur. |
|
SP 16:28 Een valsaard veroorzaakt twist, een lasteraar brengt scheiding
tussen vrienden. |
28 A froward man soweth strife: and a whisperer separateth chief
friends. |
28 Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den
voornaamsten vriend. |
|
SP 16:29 Een man des gewelds verleidt zijn naaste en leidt hem op een
weg die niet goed is. |
29 A violent man enticeth his neighbour, and leadeth him into the way
[that is] not good. |
29 Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een
weg, die niet goed is. |
|
SP 16:30 Wie zijn ogen toeknijpt, wil valse dingen verzinnen; wie zijn
lippen samendrukt, heeft het kwaad reeds gedaan. |
30 He shutteth his eyes to devise froward things: moving his lips he
bringeth evil to pass. |
30 Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen
bijtende, volbrengt hij het kwaad. |
|
SP 16:31 De grijsheid is een sierlijke kroon, zij wordt op de weg der
gerechtigheid gevonden. |
31 The hoary head [is] a crown of glory, [if] it be found in the way of
righteousness. |
31 De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der
gerechtigheid gevonden. |
|
SP 16:32 Een lankmoedig mens overtreft een held, wie zijn geest
beheerst, hem die een stad inneemt. |
32 [He that is] slow to anger [is] better than the mighty; and he that
ruleth his spirit than he that taketh a city. |
32 De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn
geest, dan die een stad inneemt. |
|
SP 16:33 Het lot wordt in de schoot geworpen, maar elke beslissing
daarvan is van de HERE. |
33 The lot is cast into the lap; but the whole disposing thereof [is]
of the LORD. |
33 Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan
is van den HEERE. |
|
SP 17:1 Beter een droge bete en rust daarbij, dan een huis vol
vleesspijzen, waarover men twist. |
1 Better [is] a dry morsel, and quietness therewith, than an house full
of sacrifices [with] strife. |
1 Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van
geslachte beesten met twist. |
|
SP 17:2 Een verstandig slaaf zal heersen over een zoon die zich
schandelijk gedraagt, en zal in de erfenis delen te midden der broeders. |
2 A wise servant shall have rule over a son that causeth shame, and
shall have part of the inheritance among the brethren. |
2 Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt,
en in het midden der broederen zal hij erfenis delen. |
|
SP 17:3 De smeltkroes is voor het zilver en de oven voor het goud, maar
de toetser der harten is de HERE. |
3 The fining pot [is] for silver, and the furnace for gold: but the
LORD trieth the hearts. |
3 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de
HEERE proeft de harten. |
|
SP 17:4 Een booswicht schenkt aandacht aan een bedrieglijke lip;
valsheid leent het oor aan de verderfelijke tong. |
4 A wicked doer giveth heed to false lips; [and] a liar giveth ear to a
naughty tongue. |
4 De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het
oor tot de verkeerde tong. |
|
SP 17:5 Wie de arme bespot, smaadt diens Maker; wie zich over rampspoed
verheugt, blijft niet ongestraft. |
5 Whoso mocketh the poor reproacheth his Maker: [and] he that is glad
at calamities shall not be unpunished. |
5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het
verderf, zal niet onschuldig zijn. |
|
SP 17:6 De kroon der ouden zijn kindskinderen en de eer der kinderen
zijn hun ouders. |
6 Children's children [are] the crown of old men; and the glory of
children [are] their fathers. |
6 De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn
hun vaderen. |
|
SP 17:7 Een groot woord past niet aan een dwaas, hoeveel te minder
leugentaal aan een edele. |
7 Excellent speech becometh not a fool: much less do lying lips a
prince. |
7 Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een
leugenachtige lip. |
|
SP 17:8 Het geschenk is in de ogen van zijn bezitter een kostbare
steen, hij is voorspoedig waarheen hij zich ook wendt. |
8 A gift [is as] a precious stone in the eyes of him that hath it:
whithersoever it turneth, it prospereth. |
8 Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente;
waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen. |
|
SP 17:9 Wie een overtreding bedekt, jaagt liefde na; maar wie een zaak
ophaalt, brengt scheiding tussen vrienden. |
9 He that covereth a transgression seeketh love; but he that repeateth
a matter separateth [very] friends. |
9 Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder
ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend. |
|
SP 17:10 Een berisping maakt op de verstandige meer indruk dan honderd
slagen op een zot. |
10 A reproof entereth more into a wise man than an hundred stripes into
a fool. |
10 De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd
maal te slaan. |
|
SP 17:11 De wederspannige zoekt slechts het kwade, maar tegen hem zal
een onbarmhartige bode worden gezonden. |
11 An evil [man] seeketh only rebellion: therefore a cruel messenger
shall be sent against him. |
11 Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal
tegen hem gezonden worden. |
|
SP 17:12 Laat een van jongen beroofde berin iemand tegenkomen, maar
niet een zot in zijn dwaasheid. |
12 Let a bear robbed of her whelps meet a man, rather than a fool in
his folly. |
12 Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar
niet een zot in zijn dwaasheid. |
|
SP 17:13 Wie kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet
wijken. |
13 Whoso rewardeth evil for good, evil shall not depart from his house. |
13 Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet
wijken. |
|
SP 17:14 Het begin van een twist is als het doorsteken van een
waterkering; laat dus af van twist, voordat hij losbreekt. |
14 The beginning of strife [is as] when one letteth out water:
therefore leave off contention, before it be meddled with. |
14 Het begin des krakeels is [gelijk] een, die het water opening geeft;
daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt. |
|
SP 17:15 Wie een goddeloze vrijspreekt en wie een rechtvaardige
veroordeelt, deze beiden zijn de HERE een gruwel. |
15 He that justifieth the wicked, and he that condemneth the just, even
they both [are] abomination to the LORD. |
15 Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn
den HEERE een gruwel, ja, die beiden. |
|
SP 17:16 Wat baat de koopprijs in de hand van de dwaas om wijsheid te
kopen, daar hij immers geen verstand heeft? |
16 Wherefore [is there] a price in the hand of a fool to get wisdom,
seeing [he hath] no heart [to it]? |
16 Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid
te kopen, dewijl hij geen verstand heeft? |
|
SP 17:17 Een vriend heeft te allen tijde lief, maar een broeder wordt
voor de nood geboren. |
17 A friend loveth at all times, and a brother is born for adversity. |
17 Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de
benauwdheid geboren. |
|
SP 17:18 Een verstandeloos mens is hij, die handslag geeft, die zich
borg stelt voor zijn naaste. |
18 A man void of understanding striketh hands, [and] becometh surety in
the presence of his friend. |
18 Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij
zijn naaste. |
|
SP 17:19 Wie twist liefheeft, heeft overtreding lief; wie een grote
mond opzet, zoekt verderf. |
19 He loveth transgression that loveth strife: [and] he that exalteth
his gate seeketh destruction. |
19 Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur
verhoogt, zoekt verbreking. |
|
SP 17:20 De verkeerde van hart vindt geen geluk, de valse van tong valt
in het ongeluk. |
20 He that hath a froward heart findeth no good: and he that hath a
perverse tongue falleth into mischief. |
20 Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die
verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen. |
|
SP 17:21 Wie een zot verwekt, die wordt het tot kwelling, de vader van
een dwaas zal zich niet verheugen. |
21 He that begetteth a fool [doeth it] to his sorrow: and the father of
a fool hath no joy. |
21 Wie een zot genereert, [die] zal hem tot droefheid zijn; en de vader
des dwazen zal zich niet verblijden. |
|
SP 17:22 Een vrolijk hart bevordert de genezing, maar een verslagen
geest doet het gebeente verdorren. |
22 A merry heart doeth good [like] a medicine: but a broken spirit
drieth the bones. |
22 Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest
zal het gebeente verdrogen. |
|
SP 17:23 De goddeloze neemt een geschenk uit de buidel aan, om de paden
van het recht te buigen. |
23 A wicked [man] taketh a gift out of the bosom to pervert the ways of
judgment. |
23 De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des
rechts te buigen. |
|
SP 17:24 De verstandige heeft de wijsheid voor ogen, maar de ogen van
een dwaas dwalen tot het einde der aarde. |
24 Wisdom [is] before him that hath understanding; but the eyes of a
fool [are] in the ends of the earth. |
24 In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des
zots zijn in het einde der aarde. |
|
SP 17:25 Een dwaas zoon is zijn vader een ergernis en een verdriet voor
wie hem baarde. |
25 A foolish son [is] a grief to his father, and bitterness to her that
bare him. |
25 Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid
voor degene, die hem gebaard heeft. |
|
SP 17:26 Een rechtvaardige te beboeten is reeds verkeerd, onbehoorlijk
is het een edele te slaan. |
26 Also to punish the just [is] not good, [nor] to strike princes for
equity. |
26 Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de
prinsen [iemand] slaan zouden om hetgeen recht is. |
|
SP 17:27 De verstandige houdt zijn woorden in, de man van inzicht is
bezonnen. |
27 He that hath knowledge spareth his words: [and] a man of
understanding is of an excellent spirit. |
27 Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; [en] een man van
verstand is kostelijk van geest. |
|
SP 17:28 Zelfs een dwaas die zwijgt, gaat door voor wijs; als hij zijn
lippen gesloten houdt, voor verstandig. |
28 Even a fool, when he holdeth his peace, is counted wise: [and] he
that shutteth his lips [is esteemed] a man of understanding. |
28 Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, [en] die zijn
lippen toesluit, verstandig. |
|
SP 18:1 De eenzelvige zoekt zijn eigen begeerte, hij barst los tegen al
wat verstandig is. |
1 Through desire a man, having separated himself, seeketh [and]
intermeddleth with all wisdom. |
1 Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in
alle bestendige wijsheid. |
|
SP 18:2 Een dwaas schept geen behagen in inzicht, maar hierin, dat zijn
hart zich bloot geeft. |
2 A fool hath no delight in understanding, but that his heart may
discover itself. |
2 De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart
zich ontdekt. |
|
SP 18:3 Waar de goddeloze komt, komt ook verachting, en met schande
komt smaad. |
3 When the wicked cometh, [then] cometh also contempt, and with
ignominy reproach. |
3 Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande
versmaadheid. |
|
SP 18:4 De woorden van iemands mond zijn diepe wateren, een bruisende
beek, een bron van wijsheid. |
4 The words of a man's mouth [are as] deep waters, [and] the wellspring
of wisdom [as] a flowing brook. |
4 De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de
springader der wijsheid is een uitstortende beek. |
|
SP 18:5 Het is verkeerd de goddeloze voor te trekken, en de
rechtvaardige in het gericht weg te duwen. |
5 [It is] not good to accept the person of the wicked, to overthrow the
righteous in judgment. |
5 Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den
rechtvaardige in het gericht te buigen. |
|
SP 18:6 De lippen van de dwaas brengen twist voort, en zijn mond roept
om slagen. |
6 A fool's lips enter into contention, and his mouth calleth for
strokes. |
6 De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen. |
|
SP 18:7 De mond van de dwaas is hem tot verderf, zijn lippen zijn een
valstrik voor hemzelf. |
7 A fool's mouth [is] his destruction, and his lips [are] the snare of
his soul. |
7 De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een
strik zijner ziel. |
|
SP 18:8 De woorden van de lasteraar zijn als lekkernijen; zij glijden
immers af naar de schuilhoeken van het hart. |
8 The words of a talebearer [are] as wounds, and they go down into the
innermost parts of the belly. |
8 De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en
die dalen in het binnenste des buiks. |
|
SP 18:9 Hij, die traag is in zijn arbeid, is reeds een broeder van de
verderver. |
9 He also that is slothful in his work is brother to him that is a
great waster. |
9 Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een
doorbrenger. |
|
SP 18:10 De naam des HEREN is een sterke toren; de rechtvaardige ijlt
daarheen en is onaantastbaar. |
10 The name of the LORD [is] a strong tower: the righteous runneth into
it, and is safe. |
10 De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal
daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden. |
|
SP 18:11 Het bezit van de rijke is zijn sterke stad, en als een hoge
muur - in zijn verbeelding. |
11 The rich man's wealth [is] his strong city, and as an high wall in
his own conceit. |
11 Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur
in zijn inbeelding. |
|
SP 18:12 Vóór de val is het hart van de mens hoogmoedig, maar ootmoed
gaat vooraf aan de eer. |
12 Before destruction the heart of man is haughty, and before honour
[is] humility. |
12 Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de
nederigheid gaat voor de eer. |
|
SP 18:13 Wie antwoord geeft, voordat hij hoort, die is het tot
dwaasheid en smaad. |
13 He that answereth a matter before he heareth [it], it [is] folly and
shame unto him. |
13 Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid
en schande. |
|
SP 18:14 De geestkracht van de mens houdt hem staande in zijn lijden,
maar een neerslachtige geest, wie zal die opbeuren? |
14 The spirit of a man will sustain his infirmity; but a wounded spirit
who can bear? |
14 De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een
verslagen geest, wie zal dien opheffen? |
|
SP 18:15 Het hart van de verstandige verwerft kennis, het oor der
wijzen zoekt kennis. |
15 The heart of the prudent getteth knowledge; and the ear of the wise
seeketh knowledge. |
15 Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen
zoekt wetenschap. |
|
SP 18:16 Iemands geschenk maakt ruimte voor hem en brengt hem in de
tegenwoordigheid der groten. |
16 A man's gift maketh room for him, and bringeth him before great men. |
16 De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het
aangezicht der groten. |
|
SP 18:17 In het rechtsgeding heeft de eerste (spreker) gelijk, maar dan
komt de ander en rekent hem na. |
17 [He that is] first in his own cause [seemeth] just; but his
neighbour cometh and searcheth him. |
17 Die de eerste is in zijn twistzaak, [schijnt] rechtvaardig te zijn;
maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem. |
|
SP 18:18 Het lot doet twistingen ophouden en scheidt sterke mannen van
elkander. |
18 The lot causeth contentions to cease, and parteth between the
mighty. |
18 Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen
machtigen. |
|
SP 18:19 Een verongelijkte broeder is ontoegankelijker dan een sterke
stad, en twistingen zijn als de grendel van een burcht. |
19 A brother offended [is harder to be won] than a strong city: and
[their] contentions [are] like the bars of a castle. |
19 Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen
zijn als een grendel van een paleis. |
|
SP 18:20 Van de vrucht van iemands mond wordt zijn binnenste verzadigd;
hij verzadigt zich van de opbrengst van zijn lippen. |
20 A man's belly shall be satisfied with the fruit of his mouth; [and]
with the increase of his lips shall he be filled. |
20 Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij
zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen. |
|
SP 18:21 Dood en leven zijn in de macht der tong, wie aan haar
toegeeft, zal haar vrucht eten. |
21 Death and life [are] in the power of the tongue: and they that love
it shall eat the fruit thereof. |
21 Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze
liefheeft, zal haar vrucht eten. |
|
SP 18:22 Wie een vrouw vond, heeft iets goeds gevonden en gunst van de
HERE verworven. |
22 [Whoso] findeth a wife findeth a good [thing], and obtaineth favour
of the LORD. |
22 Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij
heeft welgevallen getrokken van den HEERE. |
|
SP 18:23 Smekend spreekt de arme, maar hard antwoordt de rijke. |
23 The poor useth intreaties; but the rich answereth roughly. |
23 De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen. |
|
SP 18:24 Veel makkers strekken een mens tot ongeluk, maar soms is een
vriend aanhankelijker dan een broeder. |
24 A man [that hath] friends must shew himself friendly: and there is a
friend [that] sticketh closer than a brother. |
24 Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want
er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder. |
|
SP 19:1 Beter een arme die in oprechtheid wandelt, dan een verkeerde
van lippen, die bovendien dwaas is. |
1 Better [is] the poor that walketh in his integrity, than [he that is]
perverse in his lips, and is a fool. |
1 De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde
van lippen, en die een zot is. |
|
SP 19:2 Zonder verstand deugt zelfs ijver niet, wie haastig is met zijn
voeten, begaat een misstap. |
2 Also, [that] the soul [be] without knowledge, [it is] not good; and
he that hasteth with [his] feet sinneth. |
2 Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten
haastig is, zondigt. |
|
SP 19:3 Des mensen eigen dwaasheid verderft zijn weg, en dan is zijn
hart gramstorig op de HERE. |
3 The foolishness of man perverteth his way: and his heart fretteth
against the LORD. |
3 De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich
tegen den HEERE vergrammen. |
|
SP 19:4 Rijkdom brengt veel vrienden aan, maar een arme wordt door zijn
vriend verlaten. |
4 Wealth maketh many friends; but the poor is separated from his
neighbour. |
4 Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend
gescheiden. |
|
SP 19:5 Een vals getuige blijft niet ongestraft, wie leugens uitblaast,
ontkomt niet. |
5 A false witness shall not be unpunished, and [he that] speaketh lies
shall not escape. |
5 Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal
niet ontkomen. |
|
SP 19:6 Velen dingen naar de gunst van de aanzienlijke, ieder is vriend
van wie geschenken geeft. |
6 Many will intreat the favour of the prince: and every man [is] a
friend to him that giveth gifts. |
6 Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend
desgenen, die giften geeft. |
|
SP 19:7 Al de broeders van de arme haten hem, hoeveel te meer blijven
zijn vrienden verre van hem. Achtervolgt hij hen met woorden - weg zijn
zij. |
7 All the brethren of the poor do hate him: how much more do his
friends go far from him? he pursueth [them with] words, [yet] they [are]
wanting [to him]. |
7 Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn
vrienden verre van hem! Hij loopt hen na [met] woorden die niets zijn. |
|
SP 19:8 Wie verstand verwerft, heeft zijn leven lief; wie inzicht
bewaart, vindt geluk. |
8 He that getteth wisdom loveth his own soul: he that keepeth
understanding shall find good. |
8 Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de
verstandigheid waar, om het goede te vinden. |
|
SP 19:9 Een vals getuige blijft niet ongestraft, wie leugens uitblaast,
zal omkomen. |
9 A false witness shall not be unpunished, and [he that] speaketh lies
shall perish. |
9 Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal
vergaan. |
|
SP 19:10 Weelde past een dwaas niet, hoeveel te minder een slaaf te
heersen over vorsten. |
10 Delight is not seemly for a fool; much less for a servant to have
rule over princes. |
10 De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te
heersen over vorsten! |
|
SP 19:11 Des mensen verstand maakt hem lankmoedig, het is zijn eer een
overtreding voorbij te zien. |
11 The discretion of a man deferreth his anger; and [it is] his glory
to pass over a transgression. |
11 Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de
overtreding voorbij te gaan. |
|
SP 19:12 De toorn van een koning is als het grommen van een jonge
leeuw, maar zijn welgevallen is als dauw op het gras. |
12 The king's wrath [is] as the roaring of a lion; but his favour [is]
as dew upon the grass. |
12 Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar
zijn welgevallen is als dauw op het kruid. |
|
SP 19:13 Een dwaas zoon is een ramp voor zijn vader, het getwist van
een vrouw als een gestadig druppelend lek. |
13 A foolish son [is] the calamity of his father: and the contentions
of a wife [are] a continual dropping. |
13 Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener
vrouw [als] een gestadig druipen. |
|
SP 19:14 Huis en have is een erfdeel der vaderen, maar een verstandige
vrouw is van de HERE. |
14 House and riches [are] the inheritance of fathers: and a prudent
wife [is] from the LORD. |
14 Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw
is van den HEERE. |
|
SP 19:15 Luiheid doet in diepe slaap vallen en de trage moet honger
lijden. |
15 Slothfulness casteth into a deep sleep; and an idle soul shall
suffer hunger. |
15 Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal
hongeren. |
|
SP 19:16 Wie het gebod bewaart, bewaart zijn leven; maar wie niet let
op zijn wandel, zal sterven. |
16 He that keepeth the commandment keepeth his own soul; [but] he that
despiseth his ways shall die. |
16 Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht,
zal sterven. |
|
SP 19:17 Wie zich over de arme ontfermt, leent de HERE; Hij zal hem
zijn weldaad vergelden. |
17 He that hath pity upon the poor lendeth unto the LORD; and that
which he hath given will he pay him again. |
17 Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn
weldaad vergelden. |
|
SP 19:18 Kastijd uw zoon, wanneer er nog hoop is, maar laat u niet
verleiden hem te doden. |
18 Chasten thy son while there is hope, and let not thy soul spare for
his crying. |
18 Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om
hem te doden. |
|
SP 19:19 Een doldriftige moet boeten, want als gij helpen wilt, maakt
gij het erger. |
19 A man of great wrath shall suffer punishment: for if thou deliver
[him], yet thou must do it again. |
19 Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij [hem]
uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren. |
|
SP 19:20 Luister naar raad en neem vermaning aan, opdat gij ten slotte
wijs wordt. |
20 Hear counsel, and receive instruction, that thou mayest be wise in
thy latter end. |
20 Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt. |
|
SP 19:21 Vele zijn de overleggingen in het hart des mensen, maar de
raad des HEREN, die zal bestaan. |
21 [There are] many devices in a man's heart; nevertheless the counsel
of the LORD, that shall stand. |
21 In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN,
die zal bestaan. |
|
SP 19:22 Het aantrekkelijke van de mens is zijn welwillendheid; beter
is een arme dan een leugenachtig man. |
22 The desire of a man [is] his kindness: and a poor man [is] better
than a liar. |
22 De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan
een leugenachtig man. |
|
SP 19:23 De vreze des HEREN is ten leven; men overnacht verzadigd, door
het kwaad niet bezocht. |
23 The fear of the LORD [tendeth] to life: and [he that hath it] shall
abide satisfied; he shall not be visited with evil. |
23 De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde
vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden. |
|
SP 19:24 Al heeft de luiaard zijn hand in de schotel gestoken, hij
brengt ze niet eens aan de mond. |
24 A slothful [man] hideth his hand in [his] bosom, and will not so
much as bring it to his mouth again. |
24 Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder
aan zijn mond brengen. |
|
SP 19:25 Slaat gij de spotter, dan wordt de onverstandige schrander,
tuchtigt gij de verstandige, hij put er kennis uit. |
25 Smite a scorner, and the simple will beware: and reprove one that
hath understanding, [and] he will understand knowledge. |
25 Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den
verstandige, hij zal wetenschap begrijpen. |
|
SP 19:26 Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verstoot, is een snood
en schandelijk zoon. |
26 He that wasteth [his] father, [and] chaseth away [his] mother, [is]
a son that causeth shame, and bringeth reproach. |
26 Wie de vader verwoest, [of] de moeder verjaagt, is een zoon, die
beschaamd maakt, en schande aandoet. |
|
SP 19:27 Houd maar op, mijn zoon, naar vermaning te luisteren als gij
toch afwijkt van verstandige woorden. |
27 Cease, my son, to hear the instruction [that causeth] to err from
the words of knowledge. |
27 Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen
der wetenschap. |
|
SP 19:28 Een nietswaardig getuige spot met het recht, en de mond der
goddelozen verslindt onrecht. |
28 An ungodly witness scorneth judgment: and the mouth of the wicked
devoureth iniquity. |
28 Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt
de ongerechtigheid in. |
|
SP 19:29 Voor de spotters zijn straffen gereed en slagen voor de rug
der dwazen. |
29 Judgments are prepared for scorners, and stripes for the back of
fools. |
29 Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der
zotten. |
|
SP 20:1 De wijn is een spotter, de drank een luidruchtige, ieder die
zich daaraan overgeeft, is onwijs. |
1 Wine [is] a mocker, strong drink [is] raging: and whosoever is
deceived thereby is not wise. |
1 De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin
dwaalt, zal niet wijs zijn. |
|
SP 20:2 De dreiging des konings is als het grommen van een jonge leeuw,
wie tegen hem overtreedt, zondigt tegen zijn leven. |
2 The fear of a king [is] as the roaring of a lion: [whoso] provoketh
him to anger sinneth [against] his own soul. |
2 De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich
tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel. |
|
SP 20:3 Het is een eer voor een man zich verre te houden van twist,
maar elke dwaas barst los. |
3 [It is] an honour for a man to cease from strife: but every fool will
be meddling. |
3 Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas
zal er zich in mengen. |
|
SP 20:4 In de herfst ploegt de luiaard niet; zoekt hij in de oogsttijd
- dan is er niets. |
4 The sluggard will not plow by reason of the cold; [therefore] shall
he beg in harvest, and [have] nothing. |
4 Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in
den oogst, maar er zal niet zijn. |
|
SP 20:5 De plannen in het hart van de mens zijn diepe wateren, maar een
man van verstand weet ze op te diepen. |
5 Counsel in the heart of man [is like] deep water; but a man of
understanding will draw it out. |
5 De raad in het hart eens mans is [als] diepe wateren; maar een man
van verstand zal dien uithalen. |
|
SP 20:6 Vele mensen roemen hun eigen welwillendheid, maar een
betrouwbaar man - wie kan hem vinden? |
6 Most men will proclaim every one his own goodness: but a faithful man
who can find? |
6 Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie
zal een recht trouwen man vinden? |
|
SP 20:7 Een rechtvaardige, wandelend in zijn oprechtheid - welzalig
zijn zijn kinderen na hem. |
7 The just [man] walketh in his integrity: his children [are] blessed
after him. |
7 De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig
zijn zijn kinderen na hem. |
|
SP 20:8 Een koning, op de rechterstoel gezeten, weet reeds met zijn
ogen al het boze te schiften. |
8 A king that sitteth in the throne of judgment scattereth away all
evil with his eyes. |
8 Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad
met zijn ogen. |
|
SP 20:9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein bewaard, ik ben rein van
zonde? |
9 Who can say, I have made my heart clean, I am pure from my sin? |
9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn
zonde? |
|
SP 20:10 Tweeërlei gewicht, tweeërlei maat, beide zijn de HERE een
gruwel. |
10 Divers weights, [and] divers measures, both of them [are] alike
abomination to the LORD. |
10 Tweeerlei weegsteen, tweeerlei efa is den HEERE een gruwel, ja die
beide. |
|
SP 20:11 Reeds een knaap laat zich door zijn handelingen kennen, of
zijn doen zuiver is en recht. |
11 Even a child is known by his doings, whether his work [be] pure, and
whether [it be] right. |
11 Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn
werk zuiver, en of het recht zal wezen. |
|
SP 20:12 Het oor dat hoort en het oog dat ziet, de HERE heeft beide
gemaakt. |
12 The hearing ear, and the seeing eye, the LORD hath made even both of
them. |
12 Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die
beide. |
|
SP 20:13 Heb de slaap niet lief, opdat gij niet verarmt, houd uw ogen
open, dan hebt gij brood genoeg. |
13 Love not sleep, lest thou come to poverty; open thine eyes, [and]
thou shalt be satisfied with bread. |
13 Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen,
verzadig u met brood. |
|
SP 20:14 Slecht! Slecht! zegt de koper, maar als hij weggaat, dan
beroemt hij zich. |
14 [It is] naught, [it is] naught, saith the buyer: but when he is gone
his way, then he boasteth. |
14 Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij
weggegaan is, dan zal hij zich beroemen. |
|
SP 20:15 Al heeft men goud en een menigte koralen, het kostbaarste
kleinood zijn verstandige lippen. |
15 There is gold, and a multitude of rubies: but the lips of knowledge
[are] a precious jewel. |
15 Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap
zijn een kostelijk kleinood. |
|
SP 20:16 Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een vreemde,
en neem hem als pand voor onbekenden. |
16 Take his garment that is surety [for] a stranger: and take a pledge
of him for a strange woman. |
16 Als [iemand] [voor] een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed;
en pand hem voor de onbekenden. |
|
SP 20:17 Brood des bedrogs is zoet voor een mens, maar daarna is zijn
mond vol kiezel. |
17 Bread of deceit [is] sweet to a man; but afterwards his mouth shall
be filled with gravel. |
17 Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol
van zandsteentjes worden. |
|
SP 20:18 Plannen komen tot stand door beraad, voer dus de strijd met
overleg. |
18 [Every] purpose is established by counsel: and with good advice make
war. |
18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met
wijze raadslagen. |
|
SP 20:19 Wie als lasteraar rondgaat, openbaart geheimen; laat u dus
niet in met een loslippige. |
19 He that goeth about [as] a talebearer revealeth secrets: therefore
meddle not with him that flattereth with his lips. |
19 Die [als] een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke;
vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt. |
|
SP 20:20 Wie zijn vader en zijn moeder vervloekt, diens lamp wordt
uitgeblust ten tijde der dichte duisternis. |
20 Whoso curseth his father or his mother, his lamp shall be put out in
obscure darkness. |
20 Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust
worden in zwarte duisternis. |
|
SP 20:21 Een bezit, in het begin te spoedig verworven, zal ten slotte
niet tot zegen zijn. |
21 An inheritance [may be] gotten hastily at the beginning; but the end
thereof shall not be blessed. |
21 Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste
niet gezegend worden. |
|
SP 20:22 Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op de HERE, Hij
zal u helpen. |
22 Say not thou, I will recompense evil; [but] wait on the LORD, and he
shall save thee. |
22 Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal
u verlossen. |
|
SP 20:23 Tweeërlei gewicht is de HERE een gruwel, en een valse
weegschaal is verkeerd. |
23 Divers weights [are] an abomination unto the LORD; and a false
balance [is] not good. |
23 Tweeerlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke
weegschaal is niet goed. |
|
SP 20:24 Van de HERE zijn de schreden eens mans, maar een mens - hoe
zal hij zijn weg doorzien? |
24 Man's goings [are] of the LORD; how can a man then understand his
own way? |
24 De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg
verstaan? |
|
SP 20:25 Het is een valstrik voor een mens ondoordacht
"heilig" te roepen, en pas na gedane geloften te overwegen. |
25 [It is] a snare to the man [who] devoureth [that which is] holy, and
after vows to make enquiry. |
25 Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na
[gedane] geloften, onderzoek te doen. |
|
SP 20:26 Een wijs koning zuivert de goddelozen uit en doet het rad over
hen heengaan. |
26 A wise king scattereth the wicked, and bringeth the wheel over them. |
26 Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over
hen. |
|
SP 20:27 De geest van de mens is een lamp des HEREN, doorzoekende al de
schuilhoeken van het hart. |
27 The spirit of man [is] the candle of the LORD, searching all the
inward parts of the belly. |
27 De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de
binnenkameren des buiks. |
|
SP 20:28 Liefde en trouw beschermen de koning, en door liefde schraagt
hij zijn troon. |
28 Mercy and truth preserve the king: and his throne is upholden by
mercy. |
28 Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid
ondersteunt hij zijn troon. |
|
SP 20:29 Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden glorie is
de grijsheid. |
29 The glory of young men [is] their strength: and the beauty of old
men [is] the gray head. |
29 Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is
de grijsheid. |
|
SP 20:30 Bloedige striemen zuiveren het kwaad uit, en slagen reinigen
de schuilhoeken van het hart. |
30 The blueness of a wound cleanseth away evil: so [do] stripes the
inward parts of the belly. |
30 Gezwellen der wonde zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de
slagen van het binnenste des buiks. |
|
SP 21:1 Het hart van de koning is in de hand des HEREN als waterbeken,
Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt. |
1 The king's heart [is] in the hand of the LORD, [as] the rivers of
water: he turneth it whithersoever he will. |
1 Des konings hart is in de hand des HEEREN [als] waterbeken. Hij neigt
het tot al wat Hij wil. |
|
SP 21:2 Elke weg van een mens is recht in zijn ogen, maar de HERE
beproeft de harten. |
2 Every way of a man [is] right in his own eyes: but the LORD pondereth
the hearts. |
2 Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de
harten. |
|
SP 21:3 Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan
offers. |
3 To do justice and judgment [is] more acceptable to the LORD than
sacrifice. |
3 Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan
offer. |
|
SP 21:4 Trotsheid van ogen en opgeblazenheid van hart - de glans der
goddelozen is zonde. |
4 An high look, and a proud heart, [and] the plowing of the wicked,
[is] sin. |
4 Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, [en] de ploeging der
goddelozen, zijn zonde. |
|
SP 21:5 De plannen van de vlijtige strekken tot louter overvloed, maar
al wie overijlt, komt slechts tot gebrek. |
5 The thoughts of the diligent [tend] only to plenteousness; but of
every one [that is] hasty only to want. |
5 De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een
ieder, die haastig is, alleen tot gebrek. |
|
SP 21:6 Schatten verwerven met bedrieglijke tong is een verwaaiende
nevel, dodelijke valstrikken. |
6 The getting of treasures by a lying tongue [is] a vanity tossed to
and fro of them that seek death. |
6 Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene
ijdelheid dergenen, die den dood zoeken. |
|
SP 21:7 De gewelddaad der goddelozen sleurt hen mee, want zij weigeren
recht te doen. |
7 The robbery of the wicked shall destroy them; because they refuse to
do judgment. |
7 De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren
recht te doen. |
|
SP 21:8 Kronkelend is de weg van de bedrieger, maar een eerlijk man is
recht in zijn doen. |
8 The way of man [is] froward and strange: but [as for] the pure, his
work [is] right. |
8 De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des
zuiveren is recht. |
|
SP 21:9 Beter te wonen op een hoek van het dak dan met een twistzieke
vrouw in een gemeenschappelijke woning. |
9 [It is] better to dwell in a corner of the housetop, than with a
brawling woman in a wide house. |
9 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een
kijfachtige huisvrouw, en dat [in] een huis van gezelschap. |
|
SP 21:10 De begeerte van de goddeloze gaat uit naar het kwaad; zijn
naaste draagt hij geen genegenheid toe. |
10 The soul of the wicked desireth evil: his neighbour findeth no
favour in his eyes. |
10 De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen
genade in zijn ogen. |
|
SP 21:11 Straft men de spotter, dan wordt de onverstandige wijs;
onderricht men de wijze, hij zal kennis verwerven. |
11 When the scorner is punished, the simple is made wise: and when the
wise is instructed, he receiveth knowledge. |
11 Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den
wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan. |
|
SP 21:12 De Rechtvaardige let op het huis van de goddeloze en stort de
goddelozen in het verderf. |
12 The righteous [man] wisely considereth the house of the wicked: [but
God] overthroweth the wicked for [their] wickedness. |
12 De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als [God]
de goddelozen in het kwaad stort. |
|
SP 21:13 Wie zijn oor gesloten houdt voor het hulpgeroep van de
geringe, zal, als hij zelf roept, geen antwoord ontvangen. |
13 Whoso stoppeth his ears at the cry of the poor, he also shall cry
himself, but shall not be heard. |
13 Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen,
en niet verhoord worden. |
|
SP 21:14 Een heimelijke gave doet de toorn bedaren, een geschenk in de
buidel hevige gramschap. |
14 A gift in secret pacifieth anger: and a reward in the bosom strong
wrath. |
14 Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in
den schoot de sterke grimmigheid. |
|
SP 21:15 Recht doen is een vreugde voor de rechtvaardige, maar een
verschrikking voor de bedrijvers van ongerechtigheid. |
15 [It is] joy to the just to do judgment: but destruction [shall be]
to the workers of iniquity. |
15 Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de
werkers der ongerechtigheid is het verschrikking. |
|
SP 21:16 Een mens die afdwaalt van de weg van het verstand, zal tot
rust komen in de vergadering der schimmen. |
16 The man that wandereth out of the way of understanding shall remain
in the congregation of the dead. |
16 Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente
der doden rusten. |
|
SP 21:17 Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden; wie olie en wijn
liefheeft, wordt niet rijk. |
17 He that loveth pleasure [shall be] a poor man: he that loveth wine
and oil shall not be rich. |
17 Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie
liefheeft, zal niet rijk worden. |
|
SP 21:18 De goddeloze is een losprijs voor de rechtvaardige, en de
trouweloze komt in de plaats van de oprechten. |
18 The wicked [shall be] a ransom for the righteous, and the
transgressor for the upright. |
18 De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de
trouweloze voor de oprechten. |
|
SP 21:19 Het is beter te wonen in een woestijn dan met een twistzieke
en gramstorige vrouw. |
19 [It is] better to dwell in the wilderness, than with a contentious
and an angry woman. |
19 Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer
kijfachtige en toornige huisvrouw. |
|
SP 21:20 In de woning van de wijze is kostelijke voorraad en olie, maar
een dwaas van een mens brengt het door. |
20 [There is] treasure to be desired and oil in the dwelling of the
wise; but a foolish man spendeth it up. |
20 In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot
mens verslindt zulks. |
|
SP 21:21 Wie gerechtigheid en liefde najaagt, vindt leven,
gerechtigheid en eer. |
21 He that followeth after righteousness and mercy findeth life,
righteousness, and honour. |
21 Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven,
rechtvaardigheid en eer vinden. |
|
SP 21:22 Een wijze beklimt een stad van helden en werpt de sterkte
waarop zij vertrouwde terneer. |
22 A wise [man] scaleth the city of the mighty, and casteth down the
strength of the confidence thereof. |
22 De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns
vertrouwens neder. |
|
SP 21:23 Wie zijn mond en zijn tong bewaakt, bewaart zichzelf voor
benauwdheden. |
23 Whoso keepeth his mouth and his tongue keepeth his soul from
troubles. |
23 Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van
benauwdheden. |
|
SP 21:24 Een overmoedige en vermetele heet spotter, hij, die handelt in
mateloze overmoed. |
24 Proud [and] haughty scorner [is] his name, who dealeth in proud
wrath. |
24 Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met
hovaardige verbolgenheid te werk. |
|
SP 21:25 De begeerte van de luiaard brengt hem ten dode, want zijn
handen weigeren te werken. |
25 The desire of the slothful killeth him; for his hands refuse to
labour. |
25 De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te
werken. |
|
SP 21:26 De begerigheid begeert de ganse dag, maar de rechtvaardige
geeft en houdt niet terug. |
26 He coveteth greedily all the day long: but the righteous giveth and
spareth not. |
26 Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige
zal geven, en niet inhouden. |
|
SP 21:27 Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als
hij het met boze bedoeling brengt. |
27 The sacrifice of the wicked [is] abomination: how much more, [when]
he bringeth it with a wicked mind? |
27 Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het
met een schandelijk voornemen brengen! |
|
SP 21:28 Een leugenachtig getuige zal omkomen, maar een man die
luistert, zal zegevierend spreken. |
28 A false witness shall perish: but the man that heareth speaketh
constantly. |
28 Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal
spreken tot overwinning. |
|
SP 21:29 De goddeloze zet een onbeschaamd gezicht, maar de oprechte,
hij geeft vastheid aan zijn wandel. |
29 A wicked man hardeneth his face: but [as for] the upright, he
directeth his way. |
29 Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte,
die maakt zijn weg vast. |
|
SP 21:30 Er is geen wijsheid en geen verstand, geen raad is er
tegenover de HERE. |
30 [There is] no wisdom nor understanding nor counsel against the LORD. |
30 Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad
tegen den HEERE. |
|
SP 21:31 Het paard wordt opgetuigd tegen de dag van de strijd, maar de
zege is van de HERE. |
31 The horse [is] prepared against the day of battle: but safety [is]
of the LORD. |
31 Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de
overwinning is des HEEREN. |
|
SP 22:1 Een goede naam is verkieslijker dan veel rijkdom, gunst is
beter dan zilver en goud. |
1 A [good] name [is] rather to be chosen than great riches, [and]
loving favour rather than silver and gold. |
1 De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver
en dan goud. |
|
SP 22:2 Rijken en armen ontmoeten elkander; hun aller Maker is de HERE. |
2 The rich and poor meet together: the LORD [is] the maker of them all. |
2 Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt. |
|
SP 22:3 De schrandere ziet het onheil en bergt zich, maar de
onverstandigen gaan hun gang en moeten boeten. |
3 A prudent [man] foreseeth the evil, and hideth himself: but the
simple pass on, and are punished. |
3 Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de
slechten gaan henen door, en worden gestraft. |
|
SP 22:4 Het loon van ootmoed - vreze des HEREN - is rijkdom, eer en
leven. |
4 By humility [and] the fear of the LORD [are] riches, and honour, and
life. |
4 Het loon der nederigheid, [met] de vreze des HEEREN, is rijkdom, en
eer, en leven. |
|
SP 22:5 Dorens en strikken liggen op de weg van de verkeerde; wie
zichzelf wil bewaren, blijft daarvan verre. |
5 Thorns [and] snares [are] in the way of the froward: he that doth
keep his soul shall be far from them. |
5 Doornen [en] strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel
bewaart, zal zich verre van die maken. |
|
SP 22:6 Oefen de knaap volgens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud
geworden is, zal hij daarvan niet afwijken. |
6 Train up a child in the way he should go: and when he is old, he will
not depart from it. |
6 Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij
ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken. |
|
SP 22:7 De rijke heerst over de armen, en de man die leent, is een
knecht van de uitlener. |
7 The rich ruleth over the poor, and the borrower [is] servant to the
lender. |
7 De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht. |
|
SP 22:8 Wie onrecht zaait, zal onheil oogsten; de staf van zijn
gramschap zal vergaan. |
8 He that soweth iniquity shall reap vanity: and the rod of his anger
shall fail. |
8 Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner
verbolgenheid zal een einde nemen. |
|
SP 22:9 Wie vriendelijk van oog is, die wordt gezegend, omdat hij de
behoeftige van zijn brood geeft. |
9 He that hath a bountiful eye shall be blessed; for he giveth of his
bread to the poor. |
9 Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn
brood den armen gegeven. |
|
SP 22:10 Jaag de spotter weg en de twist verdwijnt, en het twisten en
smaden houdt op. |
10 Cast out the scorner, and contention shall go out; yea, strife and
reproach shall cease. |
10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met
de schande zal ophouden. |
|
SP 22:11 Wie reinheid van hart bemint en wiens lippen vriendelijk zijn,
de koning is zijn vriend. |
11 He that loveth pureness of heart, [for] the grace of his lips the
king [shall be] his friend. |
11 Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn,
diens vriend is de koning. |
|
SP 22:12 De ogen des HEREN bewaken de kennis, maar Hij verijdelt de
woorden van de trouweloze. |
12 The eyes of the LORD preserve knowledge, and he overthroweth the
words of the transgressor. |
12 De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des
trouwelozen zal Hij omkeren. |
|
SP 22:13 De luiaard zegt: Er is een leeuw op de straat, ik moest eens
op het plein gedood worden! |
13 The slothful [man] saith, [There is] a lion without, I shall be
slain in the streets. |
13 De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der
straten gedood worden! |
|
SP 22:14 De mond van vreemde vrouwen is een diepe groeve; hij, op wie
de HERE vergramd is, valt daarin. |
14 The mouth of strange women [is] a deep pit: he that is abhorred of
the LORD shall fall therein. |
14 De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE
vergramd is, zal daarin vallen. |
|
SP 22:15 Is dwaasheid vastgehecht in het hart van een knaap, de
tuchtroede zal haar vandaar verdrijven. |
15 Foolishness [is] bound in the heart of a child; [but] the rod of
correction shall drive it far from him. |
15 De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht
zal ze verre van hem wegdoen. |
|
SP 22:16 Wie de geringe verdrukt, bevoordeelt hem; wie de rijke geeft,
verarmt hem slechts. |
16 He that oppresseth the poor to increase his [riches, and] he that
giveth to the rich, [shall] surely [come] to want. |
16 Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, [en] den rijke
geeft, [komt] zekerlijk tot gebrek. |
|
SP 22:17 Neig uw oor en hoor de woorden der wijzen, richt uw hart op
mijn kennis. |
17 Bow down thine ear, and hear the words of the wise, and apply thine
heart unto my knowledge. |
17 Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn
wetenschap; |
|
SP 22:18 Want het is liefelijk, dat gij ze in uw binnenste bewaart, dat
zij alle bestendig op uw lippen zijn. |
18 For [it is] a pleasant thing if thou keep them within thee; they
shall withal be fitted in thy lips. |
18 Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij
zullen samen op uw lippen gepast worden. |
|
SP 22:19 Opdat uw betrouwen op de HERE zij, onderricht ik u heden, ja
u. |
19 That thy trust may be in the LORD, I have made known to thee this
day, even to thee. |
19 Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u [die] heden bekend;
gij ook [maak] [ze] [bekend]. |
|
SP 22:20 Heb ik niet kernspreuken voor u opgeschreven met raadgevingen
en kennis, |
20 Have not I written to thee excellent things in counsels and
knowledge, |
20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en
wetenschap? |
|
SP 22:21 om u bekend te maken de juistheid van betrouwbare woorden,
opdat gij uw zender betrouwbare woorden kunt antwoorden? |
21 That I might make thee know the certainty of the words of truth;
that thou mightest answer the words of truth to them that send unto thee? |
21 Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat
gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden. |
|
SP 22:22 Beroof de geringe niet, omdat hij arm is, en vertreed de
ellendige niet in de poort; |
22 Rob not the poor, because he [is] poor: neither oppress the
afflicted in the gate: |
22 Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige
niet in de poort. |
|
SP 22:23 want de HERE zal hun rechtsgeding voeren en hun berovers van
het leven beroven. |
23 For the LORD will plead their cause, and spoil the soul of those
that spoiled them. |
23 Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die
hen beroven, de ziel roven. |
|
SP 22:24 Ga niet om met een driftkop en laat u niet in met een
heethoofd, |
24 Make no friendship with an angry man; and with a furious man thou
shalt not go: |
24 Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer
grimmig man; |
|
SP 22:25 opdat gij niet gewend raakt aan zijn paden en uzelf een strik
spant. |
25 Lest thou learn his ways, and get a snare to thy soul. |
25 Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt. |
|
SP 22:26 Behoor niet tot hen die handslag geven en zich borg stellen
voor schulden; |
26 Be not thou [one] of them that strike hands, [or] of them that are
sureties for debts. |
26 Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die
voor schulden borg zijn. |
|
SP 22:27 als gij niets hebt om te betalen, waarom zou men uw bed onder
u wegnemen? |
27 If thou hast nothing to pay, why should he take away thy bed from
under thee? |
27 Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u
wegnemen? |
|
SP 22:28 Verleg de aloude grenzen niet, die uw vaderen vaststelden. |
28 Remove not the ancient landmark, which thy fathers have set. |
28 Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben. |
|
SP 22:29 Ziet gij een man, vaardig in zijn werk, hij zal ten dienste
van koningen gesteld worden; ten dienste van onaanzienlijken wordt hij
niet gesteld. |
29 Seest thou a man diligent in his business? he shall stand before
kings; he shall not stand before mean [men]. |
29 Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor
het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der
ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden. |
|
SP 23:1 Wanneer gij bij een heerser tafelt, bepaal dan uw aandacht
alleen bij wat vóór u staat, |
1 When thou sittest to eat with a ruler, consider diligently what [is]
before thee: |
1 Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij
scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is. |
|
SP 23:2 en zet u het mes op de keel, als gij een gulzig mens zijt. |
2 And put a knife to thy throat, if thou [be] a man given to appetite. |
2 En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt; |
|
SP 23:3 Begeer zijn lekkernijen niet, want het is bedrieglijke spijs. |
3 Be not desirous of his dainties: for they [are] deceitful meat. |
3 Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een
leugenachtig brood. |
|
SP 23:4 Tob u niet af voor rijkdom, zie van uw voornemen af; |
4 Labour not to be rich: cease from thine own wisdom. |
4 Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft. |
|
SP 23:5 richt gij uw oog erop, hij is er niet meer; want plotseling
maakte hij zich vleugels, als een arend vliegt hij ten hemel. |
5 Wilt thou set thine eyes upon that which is not? for [riches]
certainly make themselves wings; they fly away as an eagle toward heaven. |
5 Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich
gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt. |
|
SP 23:6 Eet niet het brood van wie boos van oog is, begeer zijn
lekkernijen niet; |
6 Eat thou not the bread of [him that hath] an evil eye, neither desire
thou his dainty meats: |
6 Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust
op zijn smakelijke spijzen; |
|
SP 23:7 want als iemand die zijn eigen plannen maakt, zo i |