Romeinen

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

NBG 1951

KJV 1611

STATEN 1637

RM 1:1 Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God,

1 Paul, a servant of Jesus Christ, called [to be] an apostle, separated unto the gospel of God,

1 Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God,

RM 1:2 dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften -

2 (Which he had promised afore by his prophets in the holy scriptures,)

2 (Hetwelk Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften)

RM 1:3 aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees,

3 Concerning his Son Jesus Christ our Lord, which was made of the seed of David according to the flesh;

3 Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees;

RM 1:4 naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here -

4 And declared [to be] the Son of God with power, according to the spirit of holiness, by the resurrection from the dead:

4 Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden) [namelijk] Jezus Christus, onzen Heere:

RM 1:5 door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen,

5 By whom we have received grace and apostleship, for obedience to the faith among all nations, for his name:

5 (Door Welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de heidenen, voor Zijn Naam;

RM 1:6 tot welke ook gij behoort, geroepenen van Jezus Christus -

6 Among whom are ye also the called of Jesus Christ:

6 Onder welken gij ook zijt, geroepenen van Jezus Christus!)

RM 1:7 aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.

7 To all that be in Rome, beloved of God, called [to be] saints: Grace to you and peace from God our Father, and the Lord Jesus Christ.

7 Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.

RM 1:8 In de eerste plaats dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, omdat in de gehele wereld van uw geloof gesproken wordt.

8 First, I thank my God through Jesus Christ for you all, that your faith is spoken of throughout the whole world.

8 Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld.

RM 1:9 Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie van zijn Zoon, is mijn getuige, hoe ik onophoudelijk te allen tijde bij mijn gebeden uwer gedenk,

9 For God is my witness, whom I serve with my spirit in the gospel of his Son, that without ceasing I make mention of you always in my prayers;

9 Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenke;

RM 1:10 biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg gebaand moge worden om tot u te komen.

10 Making request, if by any means now at length I might have a prosperous journey by the will of God to come unto you.

10 Allen tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven werd, door den wil van God, om tot ulieden te komen.

RM 1:11 Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw versterking,

11 For I long to see you, that I may impart unto you some spiritual gift, to the end ye may be established;

11 Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen, ten einde gij versterkt zoudt worden;

RM 1:12 dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij.

12 That is, that I may be comforted together with you by the mutual faith both of you and me.

12 Dat is, om mede vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloof, zo het uwe als het mijne.

RM 1:13 Doch ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat ik dikwijls het voornemen heb opgevat tot u te komen - waarin ik tot nu toe verhinderd ben - om ook onder u enige vrucht te hebben, evenals onder de andere heidenen.

13 Now I would not have you ignorant, brethren, that oftentimes I purposed to come unto you, (but was let hitherto,) that I might have some fruit among you also, even as among other Gentiles.

13 Doch ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen.

RM 1:14 Van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar.

14 I am debtor both to the Greeks, and to the Barbarians; both to the wise, and to the unwise.

14 Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar.

RM 1:15 Vandaar mijn bereidheid om ook u te Rome het evangelie te brengen.

15 So, as much as in me is, I am ready to preach the gospel to you that are at Rome also.

15 Alzo hetgeen in mij is, dat is volvaardig, om u ook, die te Rome zijt, het Evangelie te verkondigen.

RM 1:16 Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.

16 For I am not ashamed of the gospel of Christ: for it is the power of God unto salvation to every one that believeth; to the Jew first, and also to the Greek.

16 Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en [ook] den Griek.

RM 1:17 Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.

17 For therein is the righteousness of God revealed from faith to faith: as it is written, The just shall live by faith.

17 Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

RM 1:18 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden,

18 For the wrath of God is revealed from heaven against all ungodliness and unrighteousness of men, who hold the truth in unrighteousness;

18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, [als] die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.

RM 1:19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard.

19 Because that which may be known of God is manifest in them; for God hath shewed [it] unto them.

19 Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.

RM 1:20 Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.

20 For the invisible things of him from the creation of the world are clearly seen, being understood by the things that are made, [even] his eternal power and Godhead; so that they are without excuse:

20 Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.

RM 1:21 Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart.

21 Because that, when they knew God, they glorified [him] not as God, neither were thankful; but became vain in their imaginations, and their foolish heart was darkened.

21 Omdat zij, God kennende, [Hem] als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;

RM 1:22 Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden,

22 Professing themselves to be wise, they became fools,

22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;

RM 1:23 en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.

23 And changed the glory of the uncorruptible God into an image made like to corruptible man, and to birds, and fourfooted beasts, and creeping things.

23 En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende [gedierten].

RM 1:24 Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt.

24 Wherefore God also gave them up to uncleanness through the lusts of their own hearts, to dishonour their own bodies between themselves:

24 Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren;

RM 1:25 Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.

25 Who changed the truth of God into a lie, and worshipped and served the creature more than the Creator, who is blessed for ever. Amen.

25 [Als] die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geeerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.

RM 1:26 Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke.

26 For this cause God gave them up unto vile affections: for even their women did change the natural use into that which is against nature:

26 Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het [gebruik] tegen nature;

RM 1:27 Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende.

27 And likewise also the men, leaving the natural use of the woman, burned in their lust one toward another; men with men working that which is unseemly, and receiving in themselves that recompence of their error which was meet.

27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die [daartoe] behoorde, in zichzelven ontvangende.

RM 1:28 En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt:

28 And even as they did not like to retain God in [their] knowledge, God gave them over to a reprobate mind, to do those things which are not convenient;

28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;

RM 1:29 vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheid;

29 Being filled with all unrighteousness, fornication, wickedness, covetousness, maliciousness; full of envy, murder, debate, deceit, malignity; whisperers,

29 Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;

RM 1:30 oorblazers, lasteraars, haters van God, verwatenen, overmoedigen, grootsprekers, vindingrijk in het kwaad, hun ouders ongehoorzaam;

30 Backbiters, haters of God, despiteful, proud, boasters, inventors of evil things, disobedient to parents,

30 Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;

RM 1:31 onverstandig, onbestendig, zonder hart of barmhartigheid.

31 Without understanding, covenantbreakers, without natural affection, implacable, unmerciful:

31 Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;

RM 1:32 Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven.

32 Who knowing the judgment of God, that they which commit such things are worthy of death, not only do the same, but have pleasure in them that do them.

32 Dewelken, daar zij het recht Gods weten, ( [namelijk], dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.

RM 2:1 Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.

1 Therefore thou art inexcusable, O man, whosoever thou art that judgest: for wherein thou judgest another, thou condemnest thyself; for thou that judgest doest the same things.

1 Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die [anderen] oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die [anderen] oordeelt, doet dezelfde dingen.

RM 2:2 Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven.

2 But we are sure that the judgment of God is according to truth against them which commit such things.

2 En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen.

RM 2:3 Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult?

3 And thinkest thou this, O man, that judgest them which do such things, and doest the same, that thou shalt escape the judgment of God?

3 En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?

RM 2:4 Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?

4 Or despisest thou the riches of his goodness and forbearance and longsuffering; not knowing that the goodness of God leadeth thee to repentance?

4 Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?

RM 2:5 Maar in uw weerbarstigheid en onboetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods,

5 But after thy hardness and impenitent heart treasurest up unto thyself wrath against the day of wrath and revelation of the righteous judgment of God;

5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.

RM 2:6 die een ieder vergelden zal naar zijn werken:

6 Who will render to every man according to his deeds:

6 Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;

RM 2:7 hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven;

7 To them who by patient continuance in well doing seek for glory and honour and immortality, eternal life:

7 Dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven;

RM 2:8 maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap.

8 But unto them that are contentious, and do not obey the truth, but obey unrighteousness, indignation and wrath,

8 Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, [zal] verbolgenheid en toorn [vergolden worden];

RM 2:9 Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek;

9 Tribulation and anguish, upon every soul of man that doeth evil, of the Jew first, and also of the Gentile;

9 Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en [ook] van den Griek;

RM 2:10 maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek.

10 But glory, honour, and peace, to every man that worketh good, to the Jew first, and also to the Gentile:

10 Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een iegelijk, die het goede werkt, eerst den Jood, en [ook] den Griek.

RM 2:11 Want er is geen aanzien des persoons bij God.

11 For there is no respect of persons with God.

11 Want er is geen aanneming des persoons bij God.

RM 2:12 Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;

12 For as many as have sinned without law shall also perish without law: and as many as have sinned in the law shall be judged by the law;

12 Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;

RM 2:13 want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden.

13 (For not the hearers of the law [are] just before God, but the doers of the law shall be justified.

13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;

RM 2:14 Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet;

14 For when the Gentiles, which have not the law, do by nature the things contained in the law, these, having not the law, are a law unto themselves:

14 Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;

RM 2:15 immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten medegetuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen,

15 Which shew the work of the law written in their hearts, their conscience also bearing witness, and [their] thoughts the mean while accusing or else excusing one another;)

15 [Als] die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander [hen] beschuldigende, of ook ontschuldigende).

RM 2:16 ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus.

16 In the day when God shall judge the secrets of men by Jesus Christ according to my gospel.

16 In den dag wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.

RM 2:17 Indien gij u dan Jood laat noemen, steunt op de wet, u beroemt op God,

17 Behold, thou art called a Jew, and restest in the law, and makest thy boast of God,

17 Zie, gij wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God,

RM 2:18 zijn wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de wet geniet,

18 And knowest [his] will, and approvest the things that are more excellent, being instructed out of the law;

18 En gij weet [Zijn] wil, en beproeft de dingen, die [daarvan] verschillen, zijnde onderwezen uit de wet;

RM 2:19 en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn,

19 And art confident that thou thyself art a guide of the blind, a light of them which are in darkness,

19 En gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn;

RM 2:20 een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, daar gij in de wet de belichaming der kennis en der waarheid bezit, -

20 An instructor of the foolish, a teacher of babes, which hast the form of knowledge and of the truth in the law.

20 Een onderrichter der onwijzen, [en] een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet.

RM 2:21 hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij?

21 Thou therefore which teachest another, teachest thou not thyself? thou that preachest a man should not steal, dost thou steal?

21 Die dan een anderen leert, leert gij uzelven niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij?

RM 2:22 Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof?

22 Thou that sayest a man should not commit adultery, dost thou commit adultery? thou that abhorrest idols, dost thou commit sacrilege?

22 Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige?

RM 2:23 Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet?

23 Thou that makest thy boast of the law, through breaking the law dishonourest thou God?

23 Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet?

RM 2:24 Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven staat.

24 For the name of God is blasphemed among the Gentiles through you, as it is written.

24 Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.

RM 2:25 Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt, maar indien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden.

25 For circumcision verily profiteth, if thou keep the law: but if thou be a breaker of the law, thy circumcision is made uncircumcision.

25 Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden.

RM 2:26 Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der wet in acht neemt, zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden?

26 Therefore if the uncircumcision keep the righteousness of the law, shall not his uncircumcision be counted for circumcision?

26 Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden?

RM 2:27 Dan zal de van nature onbesnedene, doordat hij de wet volbrengt, u oordelen, die, hoewel in het bezit van letter en besnijdenis, een overtreder van de wet zijt.

27 And shall not uncircumcision which is by nature, if it fulfil the law, judge thee, who by the letter and circumcision dost transgress the law?

27 En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u [niet] oordelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt?

RM 2:28 Want niet híj is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt,

28 For he is not a Jew, which is one outwardly; neither [is that] circumcision, which is outward in the flesh:

28 Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;

RM 2:29 maar híj is een Jood, die het in het verborgen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God.

29 But he [is] a Jew, which is one inwardly; and circumcision [is that] of the heart, in the spirit, [and] not in the letter; whose praise [is] not of men, but of God.

29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet [in de] letter, [is de besnijdenis;] wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.

RM 3:1 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis?

1 What advantage then hath the Jew? or what profit [is there] of circumcision?

1 Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis?

RM 3:2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.

2 Much every way: chiefly, because that unto them were committed the oracles of God.

2 Vele in alle manier; want [dit is] wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.

RM 3:3 Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen?

3 For what if some did not believe? shall their unbelief make the faith of God without effect?

3 Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen?

RM 3:4 Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen.

4 God forbid: yea, let God be true, but every man a liar; as it is written, That thou mightest be justified in thy sayings, and mightest overcome when thou art judged.

4 Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt.

RM 3:5 Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen - ik spreek op menselijke wijze - soms onrechtvaardig?

5 But if our unrighteousness commend the righteousness of God, what shall we say? [Is] God unrighteous who taketh vengeance? (I speak as a man)

5 Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over [ons] brengt? (Ik spreek naar den mens.)

RM 3:6 Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?

6 God forbid: for then how shall God judge the world?

6 Dat zij verre, anderszins hoe zal God de wereld oordelen?

RM 3:7 Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld?

7 For if the truth of God hath more abounded through my lie unto his glory; why yet am I also judged as a sinner?

7 Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld?

RM 3:8 Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome? Het oordeel over dezen is welverdiend.

8 And not [rather], (as we be slanderously reported, and as some affirm that we say,) Let us do evil, that good may come? whose damnation is just.

8 En [zeggen wij] niet [liever] (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede [daaruit] kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is.

RM 3:9 Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn,

9 What then? are we better [than they]? No, in no wise: for we have before proved both Jews and Gentiles, that they are all under sin;

9 Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn;

RM 3:10 gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één,

10 As it is written, There is none righteous, no, not one:

10 Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;

RM 3:11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt;

11 There is none that understandeth, there is none that seeketh after God.

11 Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.

RM 3:12 allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.

12 They are all gone out of the way, they are together become unprofitable; there is none that doeth good, no, not one.

12 Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is [ook] niet tot een toe.

RM 3:13 Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen;

13 Their throat [is] an open sepulchre; with their tongues they have used deceit; the poison of asps [is] under their lips:

13 Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.

RM 3:14 hun mond is van vloek en bitterheid vol;

14 Whose mouth [is] full of cursing and bitterness:

14 Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

RM 3:15 Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten,

15 Their feet [are] swift to shed blood:

15 Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;

RM 3:16 verwoesting en ellende zijn op hun wegen,

16 Destruction and misery [are] in their ways:

16 Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;

RM 3:17 en de weg des vredes kennen zij niet.

17 And the way of peace have they not known:

17 En den weg des vredes hebben zij niet gekend.

RM 3:18 De vreze Gods staat hun niet voor ogen.

18 There is no fear of God before their eyes.

18 Er is geen vreze Gods voor hun ogen.

RM 3:19 Nu weten wij, dat de wet, bij al wat zij zegt, tot hén spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God,

19 Now we know that what things soever the law saith, it saith to them who are under the law: that every mouth may be stopped, and all the world may become guilty before God.

19 Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld [voor] God verdoemelijk zij.

RM 3:20 daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want wet doet zonde kennen.

20 Therefore by the deeds of the law there shall no flesh be justified in his sight: for by the law [is] the knowledge of sin.

20 Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.

RM 3:21 Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen,

21 But now the righteousness of God without the law is manifested, being witnessed by the law and the prophets;

21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:

RM 3:22 en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

22 Even the righteousness of God [which is] by faith of Jesus Christ unto all and upon all them that believe: for there is no difference:

22 Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

RM 3:23 Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods,

23 For all have sinned, and come short of the glory of God;

23 Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;

RM 3:24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

24 Being justified freely by his grace through the redemption that is in Christ Jesus:

24 En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;

RM 3:25 Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden -

25 Whom God hath set forth [to be] a propitiation through faith in his blood, to declare his righteousness for the remission of sins that are past, through the forbearance of God;

25 Welken God voorgesteld heeft [tot] een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;

RM 3:26 om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.

26 To declare, [I say], at this time his righteousness: that he might be just, and the justifier of him which believeth in Jesus.

26 Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in dezen tegenwoordigen tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is.

RM 3:27 Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet van geloof.

27 Where [is] boasting then? It is excluded. By what law? of works? Nay: but by the law of faith.

27 Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs.

RM 3:28 Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.

28 Therefore we conclude that a man is justified by faith without the deeds of the law.

28 Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

RM 3:29 Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen.

29 [Is he] the God of the Jews only? [is he] not also of the Gentiles? Yes, of the Gentiles also:

29 Is God [een] God der Joden alleen? en is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen;

RM 3:30 Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof.

30 Seeing [it is] one God, which shall justify the circumcision by faith, and uncircumcision through faith.

30 Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof.

RM 3:31 Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.

31 Do we then make void the law through faith? God forbid: yea, we establish the law.

31 Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet.

RM 4:1 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft?

1 What shall we say then that Abraham our father, as pertaining to the flesh, hath found?

1 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?

RM 4:2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God.

2 For if Abraham were justified by works, he hath [whereof] to glory; but not before God.

2 Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God.

RM 4:3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

3 For what saith the scripture? Abraham believed God, and it was counted unto him for righteousness.

3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.

RM 4:4 Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting.

4 Now to him that worketh is the reward not reckoned of grace, but of debt.

4 Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.

RM 4:5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid,

5 But to him that worketh not, but believeth on him that justifieth the ungodly, his faith is counted for righteousness.

5 Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.

RM 4:6 gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken:

6 Even as David also describeth the blessedness of the man, unto whom God imputeth righteousness without works,

6 Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;

RM 4:7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn.

7 [Saying], Blessed [are] they whose iniquities are forgiven, and whose sins are covered.

7 [Zeggende:] Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn;

RM 4:8 Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.

8 Blessed [is] the man to whom the Lord will not impute sin.

8 Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent.

RM 4:9 Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend.

9 [Cometh] this blessedness then upon the circumcision [only], or upon the uncircumcision also? for we say that faith was reckoned to Abraham for righteousness.

9 Deze zaligspreking dan, is die [alleen] over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.

RM 4:10 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden.

10 How was it then reckoned? when he was in circumcision, or in uncircumcision? Not in circumcision, but in uncircumcision.

10 Hoe is het [hem] dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.

RM 4:11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend,

11 And he received the sign of circumcision, a seal of the righteousness of the faith which [he had yet] being uncircumcised: that he might be the father of all them that believe, though they be not circumcised; that righteousness might be imputed unto them also:

11 En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen [tot] een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die [hem] in de voorhuid [was toegerekend]; opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;

RM 4:12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat.

12 And the father of circumcision to them who are not of the circumcision only, but who also walk in the steps of that faith of our father Abraham, which [he had] being [yet] uncircumcised.

12 En een vader der besnijdenis, dengenen [namelijk], die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, hetwelk in de voorhuid was.

RM 4:13 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.

13 For the promise, that he should be the heir of the world, [was] not to Abraham, or to his seed, through the law, but through the righteousness of faith.

13 Want de belofte [is] niet door de wet aan Abraham of zijn zaad [geschied], namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.

RM 4:14 Want indien zij, die het van de wet verwachten, erfgenamen zijn, dan is het geloof zonder inhoud en de belofte zonder gevolg.

14 For if they which are of the law [be] heirs, faith is made void, and the promise made of none effect:

14 Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.

RM 4:15 De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding.

15 Because the law worketh wrath: for where no law is, [there is] no transgression.

15 Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, [daar] is ook geen overtreding.

RM 4:16 Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is,

16 Therefore [it is] of faith, that [it might be] by grace; to the end the promise might be sure to all the seed; not to that only which is of the law, but to that also which is of the faith of Abraham; who is the father of us all,

16 Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;

RM 4:17 gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld - voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.

17 (As it is written, I have made thee a father of many nations,) before him whom he believed, [even] God, who quickeneth the dead, and calleth those things which be not as though they were.

17 (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, [namelijk] God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;

RM 4:18 En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn.

18 Who against hope believed in hope, that he might become the father of many nations, according to that which was spoken, So shall thy seed be.

18 Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen.

RM 4:19 En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara's moederschoot was gestorven;

19 And being not weak in faith, he considered not his own body now dead, when he was about an hundred years old, neither yet the deadness of Sara's womb:

19 En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaren oud was, [noch] ook dat de moeder in Sara verstorven was.

RM 4:20 maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer,

20 He staggered not at the promise of God through unbelief; but was strong in faith, giving glory to God;

20 En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer;

RM 4:21 in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.

21 And being fully persuaded that, what he had promised, he was able also to perform.

21 En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen.

RM 4:22 Daarom [ook] werd het hem gerekend tot gerechtigheid.

22 And therefore it was imputed to him for righteousness.

22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend.

RM 4:23 Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend,

23 Now it was not written for his sake alone, that it was imputed to him;

23 Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is;

RM 4:24 maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft,

24 But for us also, to whom it shall be imputed, if we believe on him that raised up Jesus our Lord from the dead;

24 Maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, [namelijk] dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft;

RM 4:25 die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.

25 Who was delivered for our offences, and was raised again for our justification.

25 Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

RM 5:1 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus,

1 Therefore being justified by faith, we have peace with God through our Lord Jesus Christ:

1 Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus;

RM 5:2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods.

2 By whom also we have access by faith into this grace wherein we stand, and rejoice in hope of the glory of God.

2 Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.

RM 5:3 En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt,

3 And not only [so], but we glory in tribulations also: knowing that tribulation worketh patience;

3 En niet alleenlijk [dit], maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;

RM 5:4 en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop;

4 And patience, experience; and experience, hope:

4 En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop;

RM 5:5 en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de heilige Geest, die ons gegeven is,

5 And hope maketh not ashamed; because the love of God is shed abroad in our hearts by the Holy Ghost which is given unto us.

5 En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.

RM 5:6 zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven.

6 For when we were yet without strength, in due time Christ died for the ungodly.

6 Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.

RM 5:7 Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven - maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven -

7 For scarcely for a righteous man will one die: yet peradventure for a good man some would even dare to die.

7 Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven.

RM 5:8 God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.

8 But God commendeth his love toward us, in that, while we were yet sinners, Christ died for us.

8 Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.

RM 5:9 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.

9 Much more then, being now justified by his blood, we shall be saved from wrath through him.

9 Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.

RM 5:10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft;

10 For if, when we were enemies, we were reconciled to God by the death of his Son, much more, being reconciled, we shall be saved by his life.

10 Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.

RM 5:11 en dát niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Here Jezus [Christus], door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

11 And not only [so], but we also joy in God through our Lord Jesus Christ, by whom we have now received the atonement.

11 En niet alleenlijk [dit], maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben.

RM 5:12 Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben;

12 Wherefore, as by one man sin entered into the world, and death by sin; and so death passed upon all men, for that all have sinned:

12 Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.

RM 5:13 want reeds vóór de wet was er zonde in de wereld. Maar zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.

13 (For until the law sin was in the world: but sin is not imputed when there is no law.

13 Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.

RM 5:14 Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende.

14 Nevertheless death reigned from Adam to Moses, even over them that had not sinned after the similitude of Adam's transgression, who is the figure of him that was to come.

14 Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou.

RM 5:15 Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want, indien door de overtreding van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden.

15 But not as the offence, so also [is] the free gift. For if through the offence of one many be dead, much more the grace of God, and the gift by grace, [which is] by one man, Jesus Christ, hath abounded unto many.

15 Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de misdaad van een, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van een mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.

RM 5:16 En het is met het geschenk niet zo als door het zondigen van één; want het oordeel leidde van één overtreding tot veroordeling, maar de genadegave van vele overtredingen tot rechtvaardiging.

16 And not as [it was] by one that sinned, [so is] the gift: for the judgment [was] by one to condemnation, but the free gift [is] of many offences unto justification.

16 En niet, gelijk [de schuld was] door den een, die gezondigd heeft, [alzo is] de gift; want de schuld is wel uit een [misdaad] tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.

RM 5:17 Want, indien door de overtreding van de ene de dood als koning is gaan heersen door die ene, veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de ene, Jezus Christus.

17 For if by one man's offence death reigned by one; much more they which receive abundance of grace and of the gift of righteousness shall reign in life by one, Jesus Christ.)

17 Want indien door de misdaad van een de dood geheerst heeft door dien enen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, [namelijk] Jezus Christus.

RM 5:18 Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven.

18 Therefore as by the offence of one [judgment came] upon all men to condemnation; even so by the righteousness of one [the free gift came] upon all men unto justification of life.

18 Zo dan, gelijk door een misdaad [de schuld gekomen is] over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door een rechtvaardigheid [komt de genade] over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens.

RM 5:19 Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden.

19 For as by one man's disobedience many were made sinners, so by the obedience of one shall many be made righteous.

19 Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen [tot] zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen [tot] rechtvaardigen gesteld worden.

RM 5:20 Maar de wet is er bijgekomen, zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden,

20 Moreover the law entered, that the offence might abound. But where sin abounded, grace did much more abound:

20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, [daar] is de genade veel meer overvloedig geweest;

RM 5:21 opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here.

21 That as sin hath reigned unto death, even so might grace reign through righteousness unto eternal life by Jesus Christ our Lord.

21 Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere.

RM 6:1 Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme?

1 What shall we say then? Shall we continue in sin, that grace may abound?

1 Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?

RM 6:2 Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?

2 God forbid. How shall we, that are dead to sin, live any longer therein?

2 Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?

RM 6:3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?

3 Know ye not, that so many of us as were baptized into Jesus Christ were baptized into his death?

3 Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?

RM 6:4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.

4 Therefore we are buried with him by baptism into death: that like as Christ was raised up from the dead by the glory of the Father, even so we also should walk in newness of life.

4 Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.

RM 6:5 Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding;

5 For if we have been planted together in the likeness of his death, we shall be also [in the likeness] of [his] resurrection:

5 Want indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn [in de gelijkmaking Zijner] opstanding;

RM 6:6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;

6 Knowing this, that our old man is crucified with [him], that the body of sin might be destroyed, that henceforth we should not serve sin.

6 Dit wetende, dat onze oude mens met [Hem] gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.

RM 6:7 want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

7 For he that is dead is freed from sin.

7 Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.

RM 6:8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven,

8 Now if we be dead with Christ, we believe that we shall also live with him:

8 Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;

RM 6:9 daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem.

9 Knowing that Christ being raised from the dead dieth no more; death hath no more dominion over him.

9 Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.

RM 6:10 Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God.

10 For in that he died, he died unto sin once: but in that he liveth, he liveth unto God.

10 Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode.

RM 6:11 Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.

11 Likewise reckon ye also yourselves to be dead indeed unto sin, but alive unto God through Jesus Christ our Lord.

11 Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.

RM 6:12 Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen,

12 Let not sin therefore reign in your mortal body, that ye should obey it in the lusts thereof.

12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven [lichaams].

RM 6:13 en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.

13 Neither yield ye your members [as] instruments of unrighteousness unto sin: but yield yourselves unto God, as those that are alive from the dead, and your members [as] instruments of righteousness unto God.

13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende [geworden] zijnde, en [stelt] uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.

RM 6:14 Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

14 For sin shall not have dominion over you: for ye are not under the law, but under grace.

14 Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

RM 6:15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!

15 What then? shall we sin, because we are not under the law, but under grace? God forbid.

15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.

RM 6:16 Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?

16 Know ye not, that to whom ye yield yourselves servants to obey, his servants ye are to whom ye obey; whether of sin unto death, or of obedience unto righteousness?

16 Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?

RM 6:17 Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is;

17 But God be thanked, that ye were the servants of sin, but ye have obeyed from the heart that form of doctrine which was delivered you.

17 Maar Gode zij dank, dat gij [wel] dienstknechten der zonde waart, maar [dat] gij [nu] van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt;

RM 6:18 en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid.

18 Being then made free from sin, ye became the servants of righteousness.

18 En vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.

RM 6:19 Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging.

19 I speak after the manner of men because of the infirmity of your flesh: for as ye have yielded your members servants to uncleanness and to iniquity unto iniquity; even so now yield your members servants to righteousness unto holiness.

19 Ik spreek op menselijke wijze, om der zwakheid uws vleses wil; want gelijk gij uw leden gesteld hebt, [om] dienstbaar [te zijn] der onreinigheid en der ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uw leden, [om] dienstbaar [te zijn] der gerechtigheid, tot heiligmaking.

RM 6:20 Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid.

20 For when ye were the servants of sin, ye were free from righteousness.

20 Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zo waart gij vrij van de gerechtigheid.

RM 6:21 Wat voor vrucht hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de dood.

21 What fruit had ye then in those things whereof ye are now ashamed? for the end of those things [is] death.

21 Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde derzelve is de dood.

RM 6:22 Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven.

22 But now being made free from sin, and become servants to God, ye have your fruit unto holiness, and the end everlasting life.

22 Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.

RM 6:23 Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.

23 For the wages of sin [is] death; but the gift of God [is] eternal life through Jesus Christ our Lord.

23 Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.

RM 7:1 Of weet gij niet, broeders, - ik spreek immers tot wie de wet kennen - dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft?

1 Know ye not, brethren, (for I speak to them that know the law,) how that the law hath dominion over a man as long as he liveth?

1 Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft?

RM 7:2 Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond.

2 For the woman which hath an husband is bound by the law to [her] husband so long as he liveth; but if the husband be dead, she is loosed from the law of [her] husband.

2 Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.

RM 7:3 Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft.

3 So then if, while [her] husband liveth, she be married to another man, she shall be called an adulteress: but if her husband be dead, she is free from that law; so that she is no adulteress, though she be married to another man.

3 Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.

RM 7:4 Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen.

4 Wherefore, my brethren, ye also are become dead to the law by the body of Christ; that ye should be married to another, [even] to him who is raised from the dead, that we should bring forth fruit unto God.

4 Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, [namelijk] Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

RM 7:5 Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen;

5 For when we were in the flesh, the motions of sins, which were by the law, did work in our members to bring forth fruit unto death.

5 Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen.

RM 7:6 maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.

6 But now we are delivered from the law, that being dead wherein we were held; that we should serve in newness of spirit, and not [in] the oldness of the letter.

6 Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet [in] de oudheid der letter.

RM 7:7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren.

7 What shall we say then? [Is] the law sin? God forbid. Nay, I had not known sin, but by the law: for I had not known lust, except the law had said, Thou shalt not covet.

7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten [zonde te zijn], indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.

RM 7:8 Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood.

8 But sin, taking occasion by the commandment, wrought in me all manner of concupiscence. For without the law sin [was] dead.

8 Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood.

RM 7:9 Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven,

9 For I was alive without the law once: but when the commandment came, sin revived, and I died.

9 En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.

RM 7:10 en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn;

10 And the commandment, which [was ordained] to life, I found [to be] unto death.

10 En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.

RM 7:11 want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood.

11 For sin, taking occasion by the commandment, deceived me, and by it slew [me].

11 Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood.

RM 7:12 Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

12 Wherefore the law [is] holy, and the commandment holy, and just, and good.

12 Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.

RM 7:13 Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede mijn dood bewerkt, opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod.

13 Was then that which is good made death unto me? God forbid. But sin, that it might appear sin, working death in me by that which is good; that sin by the commandment might become exceeding sinful.

13 Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde [is mij de dood geworden;] opdat zij zou openbaar worden zonde [te zijn]; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod.

RM 7:14 Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.

14 For we know that the law is spiritual: but I am carnal, sold under sin.

14 Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.

RM 7:15 Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik.

15 For that which I do I allow not: for what I would, that do I not; but what I hate, that do I.

15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.

RM 7:16 Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.

16 If then I do that which I would not, I consent unto the law that [it is] good.

16 En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is.

RM 7:17 Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

17 Now then it is no more I that do it, but sin that dwelleth in me.

17 Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

RM 7:18 Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.

18 For I know that in me (that is, in my flesh,) dwelleth no good thing: for to will is present with me; but [how] to perform that which is good I find not.

18 Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is [wel] bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.

RM 7:19 Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik.

19 For the good that I would I do not: but the evil which I would not, that I do.

19 Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

RM 7:20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

20 Now if I do that I would not, it is no more I that do it, but sin that dwelleth in me.

20 Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

RM 7:21 Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig;

21 I find then a law, that, when I would do good, evil is present with me.

21 Zo vind ik dan deze wet [in mij]: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.

RM 7:22 want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods,

22 For I delight in the law of God after the inward man:

22 Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;

RM 7:23 maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.

23 But I see another law in my members, warring against the law of my mind, and bringing me into captivity to the law of sin which is in my members.

23 Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.

RM 7:24 Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

24 O wretched man that I am! who shall deliver me from the body of this death?

24 Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

RM 7:25 Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!

25 I thank God through Jesus Christ our Lord.

25 Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere.

RM 7:26 Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.

So then with the mind I myself serve the law of God; but with the flesh the law of sin.

26 Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.

RM 8:1 Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.

1 [There is] therefore now no condemnation to them which are in Christ Jesus,

1 Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn,

 

who walk not after the flesh, but after the Spirit.

die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

RM 8:2 Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods.

2 For the law of the Spirit of life in Christ Jesus hath made me free from the law of sin and death.

2 Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.

RM 8:3 Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees - God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees,

3 For what the law could not do, in that it was weak through the flesh, God sending his own Son in the likeness of sinful flesh, and for sin, condemned sin in the flesh:

3 Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en [dat] voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.

RM 8:4 opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest.

4 That the righteousness of the law might be fulfilled in us, who walk not after the flesh, but after the Spirit.

4 Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

RM 8:5 Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest.

5 For they that are after the flesh do mind the things of the flesh; but they that are after the Spirit the things of the Spirit.

5 Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, [bedenken], dat des Geestes is.

RM 8:6 Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede.

6 For to be carnally minded [is] death; but to be spiritually minded [is] life and peace.

6 Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;

RM 8:7 Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet:

7 Because the carnal mind [is] enmity against God: for it is not subject to the law of God, neither indeed can be.

7 Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.

RM 8:8 zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.

8 So then they that are in the flesh cannot please God.

8 En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.

RM 8:9 Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.

9 But ye are not in the flesh, but in the Spirit, if so be that the Spirit of God dwell in you. Now if any man have not the Spirit of Christ, he is none of his.

9 Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.

RM 8:10 Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.

10 And if Christ [be] in you, the body [is] dead because of sin; but the Spirit [is] life because of righteousness.

10 En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonden wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil.

RM 8:11 En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont.

11 But if the Spirit of him that raised up Jesus from the dead dwell in you, he that raised up Christ from the dead shall also quicken your mortal bodies by his Spirit that dwelleth in you.

11 En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont.

RM 8:12 Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven.

12 Therefore, brethren, we are debtors, not to the flesh, to live after the flesh.

12 Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.

RM 8:13 Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.

13 For if ye live after the flesh, ye shall die: but if ye through the Spirit do mortify the deeds of the body, ye shall live.

13 Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven.

RM 8:14 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.

14 For as many as are led by the Spirit of God, they are the sons of God.

14 Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.

RM 8:15 Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader.

15 For ye have not received the spirit of bondage again to fear; but ye have received the Spirit of adoption, whereby we cry, Abba, Father.

15 Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!

RM 8:16 Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.

16 The Spirit itself beareth witness with our spirit, that we are the children of God:

16 Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

RM 8:17 Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.

17 And if children, then heirs; heirs of God, and joint-heirs with Christ; if so be that we suffer with [him], that we may be also glorified together.

17 En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met [Hem] lijden, opdat wij ook met [Hem] verheerlijkt worden.

RM 8:18 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden.

18 For I reckon that the sufferings of this present time [are] not worthy [to be compared] with the glory which shall be revealed in us.

18 Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.

RM 8:19 Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods.

19 For the earnest expectation of the creature waiteth for the manifestation of the sons of God.

19 Want het schepsel, [als] met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.

RM 8:20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft,

20 For the creature was made subject to vanity, not willingly, but by reason of him who hath subjected [the same] in hope,

20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het [der ijdelheid] onderworpen heeft;

RM 8:21 in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.

21 Because the creature itself also shall be delivered from the bondage of corruption into the glorious liberty of the children of God.

21 Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

RM 8:22 Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is.

22 For we know that the whole creation groaneth and travaileth in pain together until now.

22 Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen [als] in barensnood is tot nu toe.

RM 8:23 En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.

23 And not only [they], but ourselves also, which have the firstfruits of the Spirit, even we ourselves groan within ourselves, waiting for the adoption, [to wit], the redemption of our body.

23 En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, [zeg ik], zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, [namelijk] de verlossing onzes lichaams.

RM 8:24 Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet?

24 For we are saved by hope: but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth he yet hope for?

24 Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?

RM 8:25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding.

25 But if we hope for that we see not, [then] do we with patience wait for [it].

25 Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid.

RM 8:26 En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

26 Likewise the Spirit also helpeth our infirmities: for we know not what we should pray for as we ought: but the Spirit itself maketh intercession for us with groanings which cannot be uttered.

26 En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

RM 8:27 En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit.

27 And he that searcheth the hearts knoweth what [is] the mind of the Spirit, because he maketh intercession for the saints according to [the will of] God.

27 En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.

RM 8:28 Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn.

28 And we know that all things work together for good to them that love God, to them who are the called according to [his] purpose.

28 En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, [namelijk] dengenen, die naar [Zijn] voornemen geroepen zijn.

RM 8:29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen;

29 For whom he did foreknow, he also did predestinate [to be] conformed to the image of his Son, that he might be the firstborn among many brethren.

29 Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.

RM 8:30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

30 Moreover whom he did predestinate, them he also called: and whom he called, them he also justified: and whom he justified, them he also glorified.

30 En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

RM 8:31 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?

31 What shall we then say to these things? If God [be] for us, who [can be] against us?

31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?

RM 8:32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?

32 He that spared not his own Son, but delivered him up for us all, how shall he not with him also freely give us all things?

32 Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

RM 8:33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt;

33 Who shall lay any thing to the charge of God's elect? [It is] God that justifieth.

33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.

RM 8:34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.

34 Who [is] he that condemneth? [It is] Christ that died, yea rather, that is risen again, who is even at the right hand of God, who also maketh intercession for us.

34 Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter [hand] Gods is, Die ook voor ons bidt.

RM 8:35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?

35 Who shall separate us from the love of Christ? [shall] tribulation, or distress, or persecution, or famine, or nakedness, or peril, or sword?

35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard?

RM 8:36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.

36 As it is written, For thy sake we are killed all the day long; we are accounted as sheep for the slaughter.

36 (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.)

RM 8:37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.

37 Nay, in all these things we are more than conquerors through him that loved us.

37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.

RM 8:38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten,

38 For I am persuaded, that neither death, nor life, nor angels, nor principalities, nor powers, nor things present, nor things to come,

38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,

RM 8:39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

39 Nor height, nor depth, nor any other creature, shall be able to separate us from the love of God, which is in Christ Jesus our Lord.

39 Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

RM 9:1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest:

1 I say the truth in Christ, I lie not, my conscience also bearing me witness in the Holy Ghost,

1 Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest),

RM 9:2 ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer.

2 That I have great heaviness and continual sorrow in my heart.

2 Dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is.

RM 9:3 Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees;

3 For I could wish that myself were accursed from Christ for my brethren, my kinsmen according to the flesh:

3 Want ik zou zelf [wel] wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees;

RM 9:4 immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften:

4 Who are Israelites; to whom [pertaineth] the adoption, and the glory, and the covenants, and the giving of the law, and the service [of God], and the promises;

4 Welke Israelieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst [van] God, en de beloftenissen;

RM 9:5 hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen.

5 Whose [are] the fathers, and of whom as concerning the flesh Christ [came], who is over all, God blessed for ever. Amen.

5 Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.

RM 9:6 Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël,

6 Not as though the word of God hath taken none effect. For they [are] not all Israel, which are of Israel:

6 Doch [ik zeg dit] niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn.

RM 9:7 en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken.

7 Neither, because they are the seed of Abraham, [are they] all children: but, In Isaac shall thy seed be called.

7 Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden.

RM 9:8 Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht.

8 That is, They which are the children of the flesh, these [are] not the children of God: but the children of the promise are counted for the seed.

8 Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.

RM 9:9 Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben.

9 For this [is] the word of promise, At this time will I come, and Sara shall have a son.

9 Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben.

RM 9:10 Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Isaak.

10 And not only [this]; but when Rebecca also had conceived by one, [even] by our father Isaac;

10 En niet alleenlijk [deze], maar ook Rebekka [is daarvan een bewijs], als zij uit een bevrucht was, [namelijk] Izaak, onzen Vader.

RM 9:11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, -

11 (For [the children] being not yet born, neither having done any good or evil, that the purpose of God according to election might stand, not of works, but of him that calleth;)

11 Want als [de kinderen] nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, [vast] bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende;

RM 9:12 werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn,

12 It was said unto her, The elder shall serve the younger.

12 Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.

RM 9:13 gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.

13 As it is written, Jacob have I loved, but Esau have I hated.

13 Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.

RM 9:14 Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet!

14 What shall we say then? [Is there] unrighteousness with God? God forbid.

14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.

RM 9:15 Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn.

15 For he saith to Moses, I will have mercy on whom I will have mercy, and I will have compassion on whom I will have compassion.

15 Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben.

RM 9:16 Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt.

16 So then [it is] not of him that willeth, nor of him that runneth, but of God that sheweth mercy.

16 Zo [is het] dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.

RM 9:17 Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde.

17 For the scripture saith unto Pharaoh, Even for this same purpose have I raised thee up, that I might shew my power in thee, and that my name might be declared throughout all the earth.

17 Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde.

RM 9:18 Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.

18 Therefore hath he mercy on whom he will [have mercy], and whom he will he hardeneth.

18 Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil.

RM 9:19 Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil?

19 Thou wilt say then unto me, Why doth he yet find fault? For who hath resisted his will?

19 Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij [dan] nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan?

RM 9:20 Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt?

20 Nay but, O man, who art thou that repliest against God? Shall the thing formed say to him that formed [it], Why hast thou made me thus?

20 Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?

RM 9:21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?

21 Hath not the potter power over the clay, of the same lump to make one vessel unto honour, and another unto dishonour?

21 Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere?

RM 9:22 En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft -

22 [What] if God, willing to shew [his] wrath, and to make his power known, endured with much longsuffering the vessels of wrath fitted to destruction:

22 En of God, willende [Zijn] toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid;

RM 9:23 juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid?

23 And that he might make known the riches of his glory on the vessels of mercy, which he had afore prepared unto glory,

23 En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?

RM 9:24 En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen,

24 Even us, whom he hath called, not of the Jews only, but also of the Gentiles?

24 Welke Hij ook geroepen heeft, [namelijk] ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

RM 9:25 gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde.

25 As he saith also in Osee, I will call them my people, which were not my people; and her beloved, which was not beloved.

25 Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, [Mijn] beminde.

RM 9:26 En het zal geschieden ter plaatse, waar [tot hen] gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God.

26 And it shall come to pass, [that] in the place where it was said unto them, Ye [are] not my people; there shall they be called the children of the living God.

26 En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.

RM 9:27 En Jesaja roept over Israël uit: Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden;

27 Esaias also crieth concerning Israel, Though the number of the children of Israel be as the sand of the sea, a remnant shall be saved:

27 En Jesaja roept over Israel: Al ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.

RM 9:28 want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op de aarde, volledig en snel.

28 For he will finish the work, and cut [it] short in righteousness: because a short work will the Lord make upon the earth.

28 Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.

RM 9:29 En gelijk Jesaja tevoren gezegd had: Indien de Here Sebaot ons geen zaad overgelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn.

29 And as Esaias said before, Except the Lord of Sabaoth had left us a seed, we had been as Sodoma, and been made like unto Gomorrha.

29 En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Sebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest.

RM 9:30 Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is;

30 What shall we say then? That the Gentiles, which followed not after righteousness, have attained to righteousness, even the righteousness which is of faith.

30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.

RM 9:31 doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen.

31 But Israel, which followed after the law of righteousness, hath not attained to the law of righteousness.

31 Maar Israel, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen.

RM 9:32 Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,

32 Wherefore? Because [they sought it] not by faith, but as it were by the works of the law. For they stumbled at that stumblingstone;

32 Waarom? Omdat zij [die zochten] niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots;

RM 9:33 gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

33 As it is written, Behold, I lay in Sion a stumblingstone and rock of offence: and whosoever believeth on him shall not be ashamed.

33 Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

RM 10:1 Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit.

1 Brethren, my heart's desire and prayer to God for Israel is, that they might be saved.

1 Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat [ik] tot God voor Israel [doe], is tot [hun] zaligheid.

RM 10:2 Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand.

2 For I bear them record that they have a zeal of God, but not according to knowledge.

2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.

RM 10:3 Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.

3 For they being ignorant of God's righteousness, and going about to establish their own righteousness, have not submitted themselves unto the righteousness of God.

3 Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.

RM 10:4 Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.

4 For Christ [is] the end of the law for righteousness to every one that believeth.

4 Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.

RM 10:5 Want Mozes schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet doet, zal daardoor leven.

5 For Moses describeth the righteousness which is of the law, That the man which doeth those things shall live by them.

5 Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, [zeggende]: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.

RM 10:6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen;

6 But the righteousness which is of faith speaketh on this wise, Say not in thine heart, Who shall ascend into heaven? (that is, to bring Christ down [from above]:)

6 Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus [van boven] afbrengen.

RM 10:7 of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen.

7 Or, Who shall descend into the deep? (that is, to bring up Christ again from the dead.)

7 Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen.

RM 10:8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken.

8 But what saith it? The word is nigh thee, [even] in thy mouth, and in thy heart: that is, the word of faith, which we preach;

8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.

RM 10:9 Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden;

9 That if thou shalt confess with thy mouth the Lord Jesus, and shalt believe in thine heart that God hath raised him from the dead, thou shalt be saved.

9 [Namelijk], indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.

RM 10:10 want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.

10 For with the heart man believeth unto righteousness; and with the mouth confession is made unto salvation.

10 Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.

RM 10:11 Immers het schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

11 For the scripture saith, Whosoever believeth on him shall not be ashamed.

11 Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.

RM 10:12 Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen;

12 For there is no difference between the Jew and the Greek: for the same Lord over all is rich unto all that call upon him.

12 Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.

RM 10:13 want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.

13 For whosoever shall call upon the name of the Lord shall be saved.

13 Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

RM 10:14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker?

14 How then shall they call on him in whom they have not believed? and how shall they believe in him of whom they have not heard? and how shall they hear without a preacher?

14 Hoe zullen zij dan [Hem] aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij [in Hem] geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die [hun] predikt?

RM 10:15 En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen.

15 And how shall they preach, except they be sent? as it is written, How beautiful are the feet of them that preach the gospel of peace, and bring glad tidings of good things!

15 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!

RM 10:16 Maar niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven. Want Jesaja zegt: Here, wie heeft geloofd wat hij van ons hoorde?

16 But they have not all obeyed the gospel. For Esaias saith, Lord, who hath believed our report?

16 Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?

RM 10:17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.

17 So then faith [cometh] by hearing, and hearing by the word of God.

17 Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.

RM 10:18 Maar ik vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Zeer zeker: Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden.

18 But I say, Have they not heard? Yes verily, their sound went into all the earth, and their words unto the ends of the world.

18 Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld.

RM 10:19 Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan? Vooreerst zegt Mozes: Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk.

19 But I say, Did not Israel know? First Moses saith, I will provoke you to jealousy by [them that are] no people, [and] by a foolish nation I will anger you.

19 Maar ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door [degenen, die] geen volk [zijn]; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.

RM 10:20 En Jesaja waagt het te zeggen: Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen.

20 But Esaias is very bold, and saith, I was found of them that sought me not; I was made manifest unto them that asked not after me.

20 En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.

RM 10:21 Maar van Israël zegt hij: De ganse dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

21 But to Israel he saith, All day long I have stretched forth my hands unto a disobedient and gainsaying people.

21 Maar tegen Israel zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

RM 11:1 Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.

1 I say then, Hath God cast away his people? God forbid. For I also am an Israelite, of the seed of Abraham, [of] the tribe of Benjamin.

1 Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israeliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.

RM 11:2 God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet, wat het schriftwoord zegt in (de geschiedenis van) Elia, als hij Israël bij God aanklaagt:

2 God hath not cast away his people which he foreknew. Wot ye not what the scripture saith of Elias? how he maketh intercession to God against Israel, saying,

2 God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israel, zeggende:

RM 11:3 Here, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omvergehaald; ik ben alleen overgebleven en mij staan zij naar het leven.

3 Lord, they have killed thy prophets, and digged down thine altars; and I am left alone, and they seek my life.

3 Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.

RM 11:4 Maar wat zegt de godsspraak tot hem? Ik heb Mij zevenduizend man doen overblijven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen.

4 But what saith the answer of God unto him? I have reserved to myself seven thousand men, who have not bowed the knee to [the image of] Baal.

4 Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven [nog] zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het [beeld] van Baal niet gebogen hebben.

RM 11:5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade.

5 Even so then at this present time also there is a remnant according to the election of grace.

5 Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.

RM 11:6 Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer.

6 And if by grace, then [is it] no more of works: otherwise grace is no more grace.

6 En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer;

 

But if [it be] of works, then is it no more grace: otherwise work is no more work.

en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.

RM 11:7 Wat dan? Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard,

7 What then? Israel hath not obtained that which he seeketh for; but the election hath obtained it, and the rest were blinded

7 Wat dan? Hetgeen Israel zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.

RM 11:8 gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden.

8 (According as it is written, God hath given them the spirit of slumber, eyes that they should not see, and ears that they should not hear;) unto this day.

8 (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.

RM 11:9 En David zegt: Hun tafel worde tot een strik en een net, en tot een aanstoot en vergelding voor hen.

9 And David saith, Let their table be made a snare, and a trap, and a stumblingblock, and a recompence unto them:

9 En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.

RM 11:10 Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, en doe hun rug voorgoed zich krommen.

10 Let their eyes be darkened, that they may not see, and bow down their back alway.

10 Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.

RM 11:11 Ik vraag dan: zij zijn toch niet zo gestruikeld, dat zij wel vallen moesten? Volstrekt niet! Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken.

11 I say then, Have they stumbled that they should fall? God forbid: but [rather] through their fall salvation [is come] unto the Gentiles, for to provoke them to jealousy.

11 Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val [is] de zaligheid den heidenen [geworden], om hen tot jaloersheid te verwekken.

RM 11:12 Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

12 Now if the fall of them [be] the riches of the world, and the diminishing of them the riches of the Gentiles; how much more their fulness?

12 En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

RM 11:13 Ik spreek tot u, heidenen. Juist omdat ik apostel der heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening,

13 For I speak to you Gentiles, inasmuch as I am the apostle of the Gentiles, I magnify mine office:

13 Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;

RM 11:14 dat ik zo mogelijk de naijver van mijn vlees (en bloed) mocht opwekken, en enigen uit hen behouden.

14 If by any means I may provoke to emulation [them which are] my flesh, and might save some of them.

14 Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht.

RM 11:15 Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?

15 For if the casting away of them [be] the reconciling of the world, what [shall] the receiving [of them be], but life from the dead?

15 Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

RM 11:16 Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken.

16 For if the firstfruit [be] holy, the lump [is] also [holy]: and if the root [be] holy, so [are] the branches.

16 En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg [heilig], en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken [heilig].

RM 11:17 Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen,

17 And if some of the branches be broken off, and thou, being a wild olive tree, wert graffed in among them, and with them partakest of the root and fatness of the olive tree;

17 En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver [plaats] zijt ingeent, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,

RM 11:18 beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt - niet gíj draagt de wortel, maar de wortel ú.

18 Boast not against the branches. But if thou boast, thou bearest not the root, but the root thee.

18 Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.

RM 11:19 Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden.

19 Thou wilt say then, The branches were broken off, that I might be graffed in.

19 Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeent worden.

RM 11:20 Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees!

20 Well; because of unbelief they were broken off, and thou standest by faith. Be not highminded, but fear:

20 Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.

RM 11:21 Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen.

21 For if God spared not the natural branches, [take heed] lest he also spare not thee.

21 Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, [zie toe], dat Hij ook mogelijk u niet spare.

RM 11:22 Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden.

22 Behold therefore the goodness and severity of God: on them which fell, severity; but toward thee, goodness, if thou continue in [his] goodness: otherwise thou also shalt be cut off.

22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.

RM 11:23 Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten.

23 And they also, if they abide not still in unbelief, shall be graffed in: for God is able to graff them in again.

23 Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten.

RM 11:24 Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden.

24 For if thou wert cut out of the olive tree which is wild by nature, and wert graffed contrary to nature into a good olive tree: how much more shall these, which be the natural [branches], be graffed into their own olive tree?

24 Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke [takken] zijn, in hun eigen olijfboom geent worden?

RM 11:25 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat,

25 For I would not, brethren, that ye should be ignorant of this mystery, lest ye should be wise in your own conceits; that blindness in part is happened to Israel, until the fulness of the Gentiles be come in.

25 Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.

RM 11:26 en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden.

26 And so all Israel shall be saved: as it is written, There shall come out of Sion the Deliverer, and shall turn away ungodliness from Jacob:

26 En alzo zal geheel Israel zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

RM 11:27 En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.

27 For this [is] my covenant unto them, when I shall take away their sins.

27 En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.

RM 11:28 Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil.

28 As concerning the gospel, [they are] enemies for your sakes: but as touching the election, [they are] beloved for the fathers' sakes.

28 Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil;

RM 11:29 Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.

29 For the gifts and calling of God [are] without repentance.

29 Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.

RM 11:30 Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid,

30 For as ye in times past have not believed God, yet have now obtained mercy through their unbelief:

30 Want gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid;

RM 11:31 zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden.

31 Even so have these also now not believed, that through your mercy they also may obtain mercy.

31 Alzo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.

RM 11:32 Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen.

32 For God hath concluded them all in unbelief, that he might have mercy upon all.

32 Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.

RM 11:33 O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!

33 O the depth of the riches both of the wisdom and knowledge of God! how unsearchable [are] his judgments, and his ways past finding out!

33 O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!

RM 11:34 Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest?

34 For who hath known the mind of the Lord? or who hath been his counsellor?

34 Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?

RM 11:35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet?

35 Or who hath first given to him, and it shall be recompensed unto him again?

35 Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?

RM 11:36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.

36 For of him, and through him, and to him, [are] all things: to whom [be] glory for ever. Amen.

36 Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem [zij] de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

RM 12:1 Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst.

1 I beseech you therefore, brethren, by the mercies of God, that ye present your bodies a living sacrifice, holy, acceptable unto God, [which is] your reasonable service.

1 Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige [en] Gode welbehagelijke offerande, [welke is] uw redelijke godsdienst.

RM 12:2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene.

2 And be not conformed to this world: but be ye transformed by the renewing of your mind, that ye may prove what [is] that good, and acceptable, and perfect, will of God.

2 En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.

RM 12:3 Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld.

3 For I say, through the grace given unto me, to every man that is among you, not to think [of himself] more highly than he ought to think; but to think soberly, according as God hath dealt to every man the measure of faith.

3 Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft.

RM 12:4 Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben,

4 For as we have many members in one body, and all members have not the same office:

4 Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben;

RM 12:5 zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander.

5 So we, [being] many, are one body in Christ, and every one members one of another.

5 Alzo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden.

RM 12:6 Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is:

6 Having then gifts differing according to the grace that is given to us, whether prophecy, [let us prophesy] according to the proportion of faith;

6 Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is,

RM 12:7 profetie, naar gelang van ons geloof; wie dient, in het dienen; wie onderwijst, in het onderwijzen;

7 Or ministry, [let us wait] on [our] ministering: or he that teacheth, on teaching;

7 [Zo laat ons die gaven besteden], hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren;

RM 12:8 wie vermaant, in het vermanen; wie mededeelt, in eenvoud; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid.

8 Or he that exhorteth, on exhortation: he that giveth, [let him do it] with simplicity; he that ruleth, with diligence; he that sheweth mercy, with cheerfulness.

8 Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.

RM 12:9 De liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede.

9 [Let] love be without dissimulation. Abhor that which is evil; cleave to that which is good.

9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.

RM 12:10 Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld,

10 [Be] kindly affectioned one to another with brotherly love; in honour preferring one another;

10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.

RM 12:11 in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here.

11 Not slothful in business; fervent in spirit; serving the Lord;

11 Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere.

RM 12:12 Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed,

12 Rejoicing in hope; patient in tribulation; continuing instant in prayer;

12 Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.

RM 12:13 bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid.

13 Distributing to the necessity of saints; given to hospitality.

13 Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid.

RM 12:14 Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet.

14 Bless them which persecute you: bless, and curse not.

14 Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.

RM 12:15 Weest blijde met de blijden, weent met de wenenden.

15 Rejoice with them that do rejoice, and weep with them that weep.

15 Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.

RM 12:16 Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs.

16 [Be] of the same mind one toward another. Mind not high things, but condescend to men of low estate. Be not wise in your own conceits.

16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.

RM 12:17 Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen.

17 Recompense to no man evil for evil. Provide things honest in the sight of all men.

17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.

RM 12:18 Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen.

18 If it be possible, as much as lieth in you, live peaceably with all men.

18 Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.

RM 12:19 Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here.

19 Dearly beloved, avenge not yourselves, but [rather] give place unto wrath: for it is written, Vengeance [is] mine; I will repay, saith the Lord.

19 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij [komt] de wraak [toe]; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

RM 12:20 Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.

20 Therefore if thine enemy hunger, feed him; if he thirst, give him drink: for in so doing thou shalt heap coals of fire on his head.

20 Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.

RM 12:21 Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

21 Be not overcome of evil, but overcome evil with good.

21 Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.

RM 13:1 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld.

1 Let every soul be subject unto the higher powers. For there is no power but of God: the powers that be are ordained of God.

1 Alle ziel zij den machten, over [haar] gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd.

RM 13:2 Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen.

2 Whosoever therefore resisteth the power, resisteth the ordinance of God: and they that resist shall receive to themselves damnation.

2 Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen.

RM 13:3 Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen.

3 For rulers are not a terror to good works, but to the evil. Wilt thou then not be afraid of the power? do that which is good, and thou shalt have praise of the same:

3 Want de oversten zijn niet [tot] een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben;

RM 13:4 Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft.

4 For he is the minister of God to thee for good. But if thou do that which is evil, be afraid; for he beareth not the sword in vain: for he is the minister of God, a revenger to [execute] wrath upon him that doeth evil.

4 Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.

RM 13:5 Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil.

5 Wherefore [ye] must needs be subject, not only for wrath, but also for conscience sake.

5 Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil.

RM 13:6 Daarom brengt gij toch ook belastingen op; want zij zijn dienaren Gods, die juist op dit punt voortdurend letten.

6 For for this cause pay ye tribute also: for they are God's ministers, attending continually upon this very thing.

6 Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde.

RM 13:7 Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt.

7 Render therefore to all their dues: tribute to whom tribute [is due]; custom to whom custom; fear to whom fear; honour to whom honour.

7 Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, die gij de eer [schuldig zijt].

RM 13:8 Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld.

8 Owe no man any thing, but to love one another: for he that loveth another hath fulfilled the law.

8 Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld.

RM 13:9 Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen,

9 For this, Thou shalt not commit adultery, Thou shalt not kill, Thou shalt not steal,

9 Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen,

 

Thou shalt not bear false witness,

gij zult geen valse getuigenis geven,

gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

Thou shalt not covet; and if [there be] any other commandment, it is briefly comprehended in this saying, namely, Thou shalt love thy neighbour as thyself.

gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, [namelijk] in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.

RM 13:10 De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.

10 Love worketh no ill to his neighbour: therefore love [is] the fulfilling of the law.

10 De liefde doet den naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet.

RM 13:11 Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen.

11 And that, knowing the time, that now [it is] high time to awake out of sleep: for now [is] our salvation nearer than when we believed.

11 En dit [zeg ik te meer], dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij [eerst] geloofd hebben.

RM 13:12 De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!

12 The night is far spent, the day is at hand: let us therefore cast off the works of darkness, and let us put on the armour of light.

12 De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts.

RM 13:13 Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd!

13 Let us walk honestly, as in the day; not in rioting and drunkenness, not in chambering and wantonness, not in strife and envying.

13 Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;

RM 13:14 Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt.

14 But put ye on the Lord Jesus Christ, and make not provision for the flesh, to [fulfil] the lusts [thereof].

14 Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.

RM 14:1 Aanvaardt de zwakke in het geloof, maar niet om overwegingen te beoordelen.

1 Him that is weak in the faith receive ye, [but] not to doubtful disputations.

1 Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, [maar] niet tot twistige samensprekingen.

RM 14:2 De een gelooft, dat hij alles eten mag, maar de zwakke eet plantaardig voedsel.

2 For one believeth that he may eat all things: another, who is weak, eateth herbs.

2 De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.

RM 14:3 Wie wèl eet, minachte hem niet, die niet eet, en wie niet eet, oordele hem niet, die wèl eet, want God heeft hem aanvaard.

3 Let not him that eateth despise him that eateth not; and let not him which eateth not judge him that eateth: for God hath received him.

3 Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.

RM 14:4 Wie zijt gij, dat gij eens anders knecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven, want de Here is bij machte hem vast te doen staan.

4 Who art thou that judgest another man's servant? to his own master he standeth or falleth. Yea, he shall be holden up: for God is able to make him stand.

4 Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.

RM 14:5 Deze [immers] stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.

5 One man esteemeth one day above another: another esteemeth every day [alike]. Let every man be fully persuaded in his own mind.

5 De een acht wel den [enen] dag boven den [anderen] dag; maar de ander acht al de dagen [gelijk]. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.

RM 14:6 Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here,

6 He that regardeth the day, regardeth [it] unto the Lord;

6 Die den dag waarneemt, die neemt [hem] waar den Heere;

 

and he that regardeth not the day, to the Lord he doth not regard [it].

en die den dag niet waarneemt, die neemt [hem] niet waar den Heere.

en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God.

He that eateth, eateth to the Lord, for he giveth God thanks; and he that eateth not, to the Lord he eateth not, and giveth God thanks.

Die daar eet, die eet [zulks] den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet [zulks] den Heere niet, en hij dankt God.

RM 14:7 Want niemand onzer leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf;

7 For none of us liveth to himself, and no man dieth to himself.

7 Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven.

RM 14:8 want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren.

8 For whether we live, we live unto the Lord; and whether we die, we die unto the Lord: whether we live therefore, or die, we are the Lord's.

8 Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.

RM 14:9 Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij èn over doden èn over levenden heerschappij voeren zou.

9 For to this end Christ both died, and rose, and revived, that he might be Lord both of the dead and living.

9 Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.

RM 14:10 Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder? Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods.

10 But why dost thou judge thy brother? or why dost thou set at nought thy brother? for we shall all stand before the judgment seat of Christ.

10 Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.

RM 14:11 Want er staat geschreven: (Zo waarachtig als) Ik leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven.

11 For it is written, [As] I live, saith the Lord, every knee shall bow to me, and every tongue shall confess to God.

11 Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.

RM 14:12 Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven [aan God].

12 So then every one of us shall give account of himself to God.

12 Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.

RM 14:13 Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven.

13 Let us not therefore judge one another any more: but judge this rather, that no man put a stumblingblock or an occasion to fall in [his] brother's way.

13 Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.

RM 14:14 Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem, die iets onrein acht, is het onrein.

14 I know, and am persuaded by the Lord Jesus, that [there is] nothing unclean of itself: but to him that esteemeth any thing to be unclean, to him [it is] unclean.

14 Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.

RM 14:15 Want indien uw broeder door iets, dat gij eet, gegriefd wordt, wandelt gij niet meer naar de eis der liefde. Breng niet door uw eten hem ten verderve, voor wie Christus gestorven is.

15 But if thy brother be grieved with [thy] meat, now walkest thou not charitably. Destroy not him with thy meat, for whom Christ died.

15 Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uw spijze, voor welken Christus gestorven is.

RM 14:16 Laat van het goede, dat gij hebt, geen kwaad gezegd kunnen worden.

16 Let not then your good be evil spoken of:

16 Dat dan uw goed niet gelasterd worde.

RM 14:17 Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest.

17 For the kingdom of God is not meat and drink; but righteousness, and peace, and joy in the Holy Ghost.

17 Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest.

RM 14:18 Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen.

18 For he that in these things serveth Christ [is] acceptable to God, and approved of men.

18 Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den mensen.

RM 14:19 Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert.

19 Let us therefore follow after the things which make for peace, and things wherewith one may edify another.

19 Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander [dient].

RM 14:20 Breek niet ter wille van spijs het werk Gods af; alles is wel rein, maar het is verkeerd voor een mens, als hij door zijn eten tot aanstoot is.

20 For meat destroy not the work of God. All things indeed [are] pure; but [it is] evil for that man who eateth with offence.

20 Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mens, die met aanstoot eet.

RM 14:21 Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot.

21 [It is] good neither to eat flesh, nor to drink wine, nor [any thing] whereby thy brother stumbleth, or is offended, or is made weak.

21 Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch [iets], waaraan uw broeder zich stoot, of geergerd wordt, of [waarin] hij zwak is.

RM 14:22 Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht.

22 Hast thou faith? have [it] to thyself before God. Happy [is] he that condemneth not himself in that thing which he alloweth.

22 Hebt gij geloof? hebt [dat] bij uzelven voor God. Zalig is hij, die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.

RM 14:23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.

23 And he that doubteth is damned if he eat, because [he eateth] not of faith: for whatsoever [is] not of faith is sin.

23 Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof [eet]. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.

RM 15:1 Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen en niet onszelf behagen.

1 We then that are strong ought to bear the infirmities of the weak, and not to please ourselves.

1 Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.

RM 15:2 Ieder onzer trachte zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouwing,

2 Let every one of us please [his] neighbour for [his] good to edification.

2 Dat dan een iegelijk van ons [zijn] naaste behage ten goede, tot stichting.

RM 15:3 want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat: De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neder.

3 For even Christ pleased not himself; but, as it is written, The reproaches of them that reproached thee fell on me.

3 Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.

RM 15:4 Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden.

4 For whatsoever things were written aforetime were written for our learning, that we through patience and comfort of the scriptures might have hope.

4 Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.

RM 15:5 De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus Jezus,

5 Now the God of patience and consolation grant you to be likeminded one toward another according to Christ Jesus:

5 Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus;

RM 15:6 opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken.

6 That ye may with one mind [and] one mouth glorify God, even the Father of our Lord Jesus Christ.

6 Opdat gij eendrachtelijk, met een mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.

RM 15:7 Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods.

7 Wherefore receive ye one another, as Christ also received us to the glory of God.

7 Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods.

RM 15:8 Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen,

8 Now I say that Jesus Christ was a minister of the circumcision for the truth of God, to confirm the promises [made] unto the fathers:

8 En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen;

RM 15:9 en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat: Daarom zal ik U loven onder de heidenen en uw naam met snarenspel prijzen.

9 And that the Gentiles might glorify God for [his] mercy; as it is written, For this cause I will confess to thee among the Gentiles, and sing unto thy name.

9 En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.

RM 15:10 En verder zegt Hij: Verheugt u, heidenen, met zijn volk.

10 And again he saith, Rejoice, ye Gentiles, with his people.

10 En wederom zegt Hij: Weest vrolijk, gij heidenen met Zijn volk!

RM 15:11 En verder: Looft, al gij heidenen, de Here, en laten alle volken Hem prijzen.

11 And again, Praise the Lord, all ye Gentiles; and laud him, all ye people.

11 En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken!

RM 15:12 En verder zegt Jesaja: Komen zal de wortel van Isaï, en Hij, die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen.

12 And again, Esaias saith, There shall be a root of Jesse, and he that shall rise to reign over the Gentiles; in him shall the Gentiles trust.

12 En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.

RM 15:13 De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des heiligen Geestes.

13 Now the God of hope fill you with all joy and peace in believing, that ye may abound in hope, through the power of the Holy Ghost.

13 De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes.

RM 15:14 Ik heb echter, mijn broeders, zelf al de overtuiging van u, dat gij zelf reeds vol van goedheid zijt, vervuld met al de kennis, in staat ook elkander terecht te wijzen.

14 And I myself also am persuaded of you, my brethren, that ye also are full of goodness, filled with all knowledge, able also to admonish one another.

14 Doch, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen.

RM 15:15 Toch heb ik u hier en daar bij wijze van herinnering ietwat vrijmoedig geschreven, krachtens de mij van God geschonken genade,

15 Nevertheless, brethren, I have written the more boldly unto you in some sort, as putting you in mind, because of the grace that is given to me of God,

15 Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom [dit] indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is;

RM 15:16 om een dienaar van Christus Jezus voor de heidenen te zijn in de heilige dienst van het evangelie Gods, opdat de offergave der heidenen (Gode) welgevallig zou wezen, geheiligd door de heilige Geest.

16 That I should be the minister of Jesus Christ to the Gentiles, ministering the gospel of God, that the offering up of the Gentiles might be acceptable, being sanctified by the Holy Ghost.

16 Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest.

RM 15:17 Mijn roem bij God is dan ook in Christus Jezus.

17 I have therefore whereof I may glory through Jesus Christ in those things which pertain to God.

17 Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan.

RM 15:18 Want ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft, om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad,

18 For I will not dare to speak of any of those things which Christ hath not wrought by me, to make the Gentiles obedient, by word and deed,

18 Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken;

RM 15:19 door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes. Zo heb ik, van Jeruzalem uit rondreizende tot Illyrië toe, de prediking van het Evangelie van Christus volbracht.

19 Through mighty signs and wonders, by the power of the Spirit of God; so that from Jerusalem, and round about unto Illyricum, I have fully preached the gospel of Christ.

19 Door kracht van tekenen en wonderheden, [en] door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb.

RM 15:20 Ik stelde er mijn eer in het te verkondigen, doch zo, dat ik niet (optrad), waar de naam van Christus reeds genoemd was, om niet op eens anders fundament te bouwen,

20 Yea, so have I strived to preach the gospel, not where Christ was named, lest I should build upon another man's foundation:

20 En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen;

RM 15:21 maar (om te handelen) naar hetgeen geschreven staat: Zij, aan wie niets van Hem is verkondigd, zullen Hem zien en wie het niet gehoord hebben, zullen het verstaan.

21 But as it is written, To whom he was not spoken of, they shall see: and they that have not heard shall understand.

21 Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.

RM 15:22 Daarom werd ik dan ook herhaaldelijk verhinderd tot u te komen.

22 For which cause also I have been much hindered from coming to you.

22 Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen.

RM 15:23 Maar thans, nu mij in deze streken geen arbeidsveld meer overblijft en ik sedert tal van jaren verlangend ben tot u te komen,

23 But now having no more place in these parts, and having a great desire these many years to come unto you;

23 Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen,

RM 15:24 zodra ik naar Spanje reis - ik hoop u namelijk op mijn doorreis met eigen ogen te zien en door u voortgeholpen te worden voor mijn tocht daarheen, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb.

24 Whensoever I take my journey into Spain, I will come to you: for I trust to see you in my journey, and to be brought on my way thitherward by you, if first I be somewhat filled with your [company].

24 Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder [tegenwoordigheid] eensdeels verzadigd zal zijn.

RM 15:25 Maar thans ben ik op reis naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen.

25 But now I go unto Jerusalem to minister unto the saints.

25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.

RM 15:26 Want Macedonië en Achaje hebben goedgevonden een handreiking te doen aan de armen onder de heiligen te Jeruzalem.

26 For it hath pleased them of Macedonia and Achaia to make a certain contribution for the poor saints which are at Jerusalem.

26 Want het heeft [dien van] Macedonie en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.

RM 15:27 Zij hebben het immers goedgevonden, maar zijn het ook jegens hen verplicht, want indien de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen, behoren zij ook met hun stoffelijke goederen hen te dienen.

27 It hath pleased them verily; and their debtors they are. For if the Gentiles have been made partakers of their spiritual things, their duty is also to minister unto them in carnal things.

27 Want het heeft hun [zo] goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke [goederen] deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke [goederen] te dienen.

RM 15:28 Wanneer ik mij dan hiervan gekweten en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen.

28 When therefore I have performed this, and have sealed to them this fruit, I will come by you into Spain.

28 Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder [stad] naar Spanje afkomen.

RM 15:29 En ik weet, dat ik bij mijn komst te uwent met een volle zegen van Christus zal komen.

29 And I am sure that, when I come unto you, I shall come in the fulness of the blessing of the gospel of Christ.

29 En ik weet, dat ik, tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal.

RM 15:30 Maar, [broeders,] ik vermaan u bij onze Here Jezus Christus en bij de liefde des Geestes, om samen met mij te worstelen in den gebede voor mij tot God,

30 Now I beseech you, brethren, for the Lord Jesus Christ's sake, and for the love of the Spirit, that ye strive together with me in [your] prayers to God for me;

30 En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;

RM 15:31 opdat ik behoed worde voor de weerspannigen in Judea, en dat mijn dienstbetoon voor Jeruzalem gunstig worde opgenomen door de heiligen,

31 That I may be delivered from them that do not believe in Judaea; and that my service which [I have] for Jerusalem may be accepted of the saints;

31 Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, dien [ik] aan Jeruzalem [doe], aangenaam zij den heiligen;

RM 15:32 opdat ik, in blijdschap tot u gekomen met Gods wil, mij tezamen met u verkwikken moge.

32 That I may come unto you with joy by the will of God, and may with you be refreshed.

32 Opdat ik met blijdschap, door den wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden.

RM 15:33 De God nu des vredes zij met u allen! Amen.

33 Now the God of peace [be] with you all. Amen.

33 En de God des vredes zij met u allen. Amen.

RM 16:1 Ik beveel Febe, onze zuster, [tevens] dienares der gemeente te Kenchreeën, bij u aan,

1 I commend unto you Phebe our sister, which is a servant of the church which is at Cenchrea:

1 En ik beveel u Febe, onze zuster, die een dienares is der Gemeente, die te Kenchreen is;

RM 16:2 dat gij haar ontvangt in de Here op een wijze, de heiligen waardig, en haar bijstaat, indien zij u in het een of ander mocht nodig hebben. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend.

2 That ye receive her in the Lord, as becometh saints, and that ye assist her in whatsoever business she hath need of you: for she hath been a succourer of many, and of myself also.

2 Opdat gij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven.

RM 16:3 Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus,

3 Greet Priscilla and Aquila my helpers in Christ Jesus:

3 Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus;

RM 16:4 mensen, die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben. Niet ik alleen ben hun dankbaar, maar ook al de heidengemeenten.

4 Who have for my life laid down their own necks: unto whom not only I give thanks, but also all the churches of the Gentiles.

4 Die voor mijn leven hun hals gesteld hebben; denwelken niet alleen ik danke, maar ook al de Gemeenten der heidenen.

RM 16:5 Groet insgelijks de gemeente bij hen aan huis. Groet mijn geliefde Epenetus, de eersteling voor Christus uit Asia.

5 Likewise [greet] the church that is in their house. Salute my wellbeloved Epaenetus, who is the firstfruits of Achaia unto Christ.

5 [Groet] ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus.

RM 16:6 Groet Maria, iemand, die zich veel moeite voor u heeft gegeven.

6 Greet Mary, who bestowed much labour on us.

6 Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft.

RM 16:7 Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen onder de apostelen in aanzien, die reeds vóór mij in Christus geweest zijn.

7 Salute Andronicus and Junia, my kinsmen, and my fellowprisoners, who are of note among the apostles, who also were in Christ before me.

7 Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn.

RM 16:8 Groet Ampliatus, mijn geliefde in de Here.

8 Greet Amplias my beloved in the Lord.

8 Groet Amplias, mijn beminde in den Heere.

RM 16:9 Groet Urbanus, onze medewerker in Christus, en mijn geliefde Stachys.

9 Salute Urbane, our helper in Christ, and Stachys my beloved.

9 Groet Urbanus, onzen medearbeider in Christus, en Stachys, mijn beminde.

RM 16:10 Groet Apelles, die in Christus beproefd gebleken is. Groet hen, die behoren tot de kring van Aristobulus.

10 Salute Apelles approved in Christ. Salute them which are of Aristobulus' [household].

10 Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen, die van het [huisgezin] van Aristobulus [zijn].

RM 16:11 Groet mijn stamgenoot Herodion. Groet hen, die behoren tot de kring van Narcissus, die in de Here zijn.

11 Salute Herodion my kinsman. Greet them that be of the [household] of Narcissus, which are in the Lord.

11 Groet Herodion, die van mijn maagschap is. Groet hen, die van [het huisgezin] van Narcissus [zijn], degenen [namelijk], die in den Heere zijn.

RM 16:12 Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen, die zich moeite gegeven hebben in de Here. Groet de geliefde Persis, die zich veel moeite gegeven heeft in de Here.

12 Salute Tryphena and Tryphosa, who labour in the Lord. Salute the beloved Persis, which laboured much in the Lord.

12 Groet Tryfena en Tryfosa, [vrouwen] die in den Heere arbeiden. Groet Persis, de beminde [zuster], die veel gearbeid heeft in den Heere.

RM 16:13 Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is.

13 Salute Rufus chosen in the Lord, and his mother and mine.

13 Groet Rufus, den uitverkorene in den Heere, en zijn moeder en de mijne.

RM 16:14 Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas, en de broeders bij hen.

14 Salute Asyncritus, Phlegon, Hermas, Patrobas, Hermes, and the brethren which are with them.

14 Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn.

RM 16:15 Groet Filologus, en Julia, Nereus met zijn zuster, en Olympas, benevens al de heiligen, die bij hen zijn.

15 Salute Philologus, and Julia, Nereus, and his sister, and Olympas, and all the saints which are with them.

15 Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met henlieden zijn.

RM 16:16 Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de gemeenten van Christus.

16 Salute one another with an holy kiss. The churches of Christ salute you.

16 Groet elkander met een heiligen kus. De Gemeenten van Christus groeten ulieden.

RM 16:17 Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs, dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorzaken, en mijdt hen.

17 Now I beseech you, brethren, mark them which cause divisions and offences contrary to the doctrine which ye have learned; and avoid them.

17 En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij [van ons] geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.

RM 16:18 Want zulke lieden dienen niet onze Here Christus, maar hun eigen buik, en misleiden door hun schoonklinkende en vrome taal de harten der argelozen.

18 For they that are such serve not our Lord Jesus Christ, but their own belly; and by good words and fair speeches deceive the hearts of the simple.

18 Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen.

RM 16:19 Want uw gehoorzaamheid is bij allen bekend geworden. Over u verblijd ik mij dus, doch ik wil, dat gij niet alleen wijs zijt tot het goede, maar ook onbesmet van het kwade.

19 For your obedience is come abroad unto all [men]. I am glad therefore on your behalf: but yet I would have you wise unto that which is good, and simple concerning evil.

19 Want uw gehoorzaamheid is tot [kennis van] allen gekomen. Ik verblijde mij dan uwenthalve; en ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwade.

RM 16:20 De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van onze Here Jezus zij met u!

20 And the God of peace shall bruise Satan under your feet shortly. The grace of our Lord Jesus Christ [be] with you. Amen.

20 En de God des vredes zal den satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen.

RM 16:21 Mijn medearbeider Timoteüs en mijn stamgenoten Lucius, Jason en Sosipater, groeten u.

21 Timotheus my workfellow, and Lucius, and Jason, and Sosipater, my kinsmen, salute you.

21 U groeten, Timotheus, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten.

RM 16:22 Ik, Tertius, die de brief op schrift gebracht heb, groet u in de Here.

22 I Tertius, who wrote [this] epistle, salute you in the Lord.

22 Ik, Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere.

RM 16:23 Gajus, wiens gastvrijheid ik en de gehele gemeente genieten, laat u groeten. U groet Erastus, de stadsrentmeester, en Quartus, de broeder.

23 Gaius mine host, and of the whole church, saluteth you. Erastus the chamberlain of the city saluteth you, and Quartus a brother.

23 U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele Gemeente. U groet Erastus, de rentmeester der stad, en de broeder Quartus.

RM 16:24 [De genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen. Amen.]

24 The grace of our Lord Jesus Christ [be] with you all. Amen.

24 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.

RM 16:25 Hem nu, die bij machte is u te versterken - naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen,

25 Now to him that is of power to stablish you according to my gospel, and the preaching of Jesus Christ, according to the revelation of the mystery, which was kept secret since the world began,

25 Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die [van] de tijden der eeuwen verzwegen is geweest;

RM 16:26 maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekendgemaakt onder alle volken -

26 But now is made manifest, and by the scriptures of the prophets, according to the commandment of the everlasting God, made known to all nations for the obedience of faith:

26 Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt;

RM 16:27 Hem, de alleen wijze God, zij, door Jezus Christus, de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.

27 To God only wise, [be] glory through Jesus Christ for ever. Amen.

27 Den [zelven] alleen wijzen God [zij] door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

 

[Written to the Romans from Corinthus, [and sent] by Phebe servant of the church at Cenchrea.]