Psalmen

Back Home Next

 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 KJDictionary

NED. BIJBELGENOOTSCHAP 1951

KING JAMES VERSION 1611

STATENBIJBEL 1637

HET EERSTE BOEK: PSALM 1-41

PS 1:1 Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters;

 

1 Blessed [is] the man that walketh not in the counsel of the ungodly, nor standeth in the way of sinners, nor sitteth in the seat of the scornful.

 

1 Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;

PS 1:2 maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.

2 But his delight [is] in the law of the LORD; and in his law doth he meditate day and night.

2 Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.

PS 1:3 Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; - al wat hij onderneemt, gelukt.

3 And he shall be like a tree planted by the rivers of water, that bringeth forth his fruit in his season; his leaf also shall not wither; and whatsoever he doeth shall prosper.

3 Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.

PS 1:4 Niet alzo de goddelozen: die toch zijn als kaf dat de wind verstrooit.

4 The ungodly [are] not so: but [are] like the chaff which the wind driveth away.

4 Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.

PS 1:5 Daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen,

5 Therefore the ungodly shall not stand in the judgment, nor sinners in the congregation of the righteous.

5 Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.

PS 1:6 want de HERE kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen vergaat.

6 For the LORD knoweth the way of the righteous: but the way of the ungodly shall perish.

6 Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.

PS 2:1 Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid?

1 Why do the heathen rage, and the people imagine a vain thing?

1 Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?

PS 2:2 De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de HERE en zijn gezalfde:

2 The kings of the earth set themselves, and the rulers take counsel together, against the LORD, and against his anointed, [saying],

2 De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, [zeggende]:

PS 2:3 Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen!

3 Let us break their bands asunder, and cast away their cords from us.

3 Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.

PS 2:4 Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen.

4 He that sitteth in the heavens shall laugh: the Lord shall have them in derision.

4 Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.

PS 2:5 Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap:

5 Then shall he speak unto them in his wrath, and vex them in his sore displeasure.

5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.

PS 2:6 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg.

6 Yet have I set my king upon my holy hill of Zion.

6 Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.

PS 2:7 Ik wil gewagen van het besluit des HEREN: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt.

7 I will declare the decree: the LORD hath said unto me, Thou [art] my Son; this day have I begotten thee.

7 Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

PS 2:8 Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit.

8 Ask of me, and I shall give [thee] the heathen [for] thine inheritance, and the uttermost parts of the earth [for] thy possession.

8 Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde [tot] Uw bezitting.

PS 2:9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk.

9 Thou shalt break them with a rod of iron; thou shalt dash them in pieces like a potter's vessel.

9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.

PS 2:10 Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde.

10 Be wise now therefore, O ye kings: be instructed, ye judges of the earth.

10 Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!

PS 2:11 Dient de HERE met vreze en verheugt u met beving.

11 Serve the LORD with fear, and rejoice with trembling.

11 Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.

PS 2:12 Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!

12 Kiss the Son, lest he be angry, and ye perish [from] the way, when his wrath is kindled but a little. Blessed [are] all they that put their trust in him.

12 Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij [op] den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.

PS 3:1 Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.

1 A Psalm of David, when he fled from Absalom his son.

1 Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.

PS 3:2 O HERE, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders; velen staan tegen mij op;

LORD, how are they increased that trouble me! many [are] they that rise up against me.

2 O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.

PS 3:3 velen zeggen van mij: Hij vindt geen hulp bij God. Sela

2 Many [there be] which say of my soul, [There is] no help for him in God. Selah.

3 Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.

PS 3:4 Maar Gij, HERE, zijt een schild dat mij dekt, mijn eer, en die mijn hoofd opheft.

3 But thou, O LORD, [art] a shield for me; my glory, and the lifter up of mine head.

4 Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.

PS 3:5 Als ik luide roep tot de HERE, antwoordt Hij mij van zijn heilige berg. Sela

4 I cried unto the LORD with my voice, and he heard me out of his holy hill. Selah.

5 Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.

PS 3:6 Ik legde mij neder en sliep; ik ontwaakte, want de HERE schraagt mij.

5 I laid me down and slept; I awaked; for the LORD sustained me.

6 Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.

PS 3:7 Ik vrees niet voor tienduizenden van volk, die zich rondom tegen mij stellen.

6 I will not be afraid of ten thousands of people, that have set [themselves] against me round about.

7 Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.

PS 3:8 Sta op, HERE, verlos mij, mijn God! Ja, Gij hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen, en de tanden der goddelozen verbrijzeld.

7 Arise, O LORD; save me, O my God: for thou hast smitten all mine enemies [upon] the cheek bone; thou hast broken the teeth of the ungodly.

8 Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.

PS 3:9 De verlossing is van de HERE, uw zegen zij over uw volk. Sela

8 Salvation [belongeth] unto the LORD: thy blessing [is] upon thy people. Selah.

9 Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela.

PS 4:1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van David.

1 To the chief Musician on Neginoth, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

PS 4:2 Als ik roep, antwoord mij, o God mijner gerechtigheid, die mij ruimte maakt in benauwdheid; wees mij genadig en hoor mijn gebed.

Hear me when I call, O God of my righteousness: thou hast enlarged me [when I was] in distress; have mercy upon me, and hear my prayer.

2 Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.

PS 4:3 Gij mannen, hoelang is mijn eer tot versmading, hoelang hebt gij ijdelheid lief, jaagt gij de leugen na? Sela

2 O ye sons of men, how long [will ye turn] my glory into shame? [how long] will ye love vanity, [and] seek after leasing? Selah.

3 Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? [Hoe] [lang] zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.

PS 4:4 Weet toch, dat de HERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HERE hoort, als ik tot Hem roep.

3 But know that the LORD hath set apart him that is godly for himself: the LORD will hear when I call unto him.

4 Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.

PS 4:5 Weest toornig, maar zondigt niet; spreekt in uw hart op uw leger, en zwijgt. Sela

4 Stand in awe, and sin not: commune with your own heart upon your bed, and be still. Selah.

5 Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.

PS 4:6 Brengt offers naar de eis en vertrouwt op de HERE.

5 Offer the sacrifices of righteousness, and put your trust in the LORD.

6 Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.

PS 4:7 Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? verhef over ons het licht uws aanschijns, o HERE!

6 [There be] many that say, Who will shew us [any] good? LORD, lift thou up the light of thy countenance upon us.

7 Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!

PS 4:8 Gij hebt meer vreugde in mijn hart gegeven dan toen hun koren en most overvloedig waren.

7 Thou hast put gladness in my heart, more than in the time [that] their corn and their wine increased.

8 Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.

PS 4:9 In vrede kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, o HERE, doet mij veilig wonen.

8 I will both lay me down in peace, and sleep: for thou, LORD, only makest me dwell in safety.

9 Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen.

PS 5:1 Voor de koorleider. Bij fluitspel. Een psalm van David.

1 To the chief Musician upon Nehiloth, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.

PS 5:2 Neem mijn redenen ter ore, o HERE, let op mijn verzuchting.

Give ear to my words, O LORD, consider my meditation.

2 O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.

PS 5:3 Sla acht op mijn hulpgeroep, o mijn Koning en mijn God, want tot U richt ik mijn gebed.

2 Hearken unto the voice of my cry, my King, and my God: for unto thee will I pray.

3 Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.

PS 5:4 HERE, des morgens hoort Gij mijn stem, des morgens leg ik het U voor, en zie uit.

3 My voice shalt thou hear in the morning, O LORD; in the morning will I direct [my prayer] unto thee, and will look up.

4 Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik [mij] tot U schikken, en wacht houden.

PS 5:5 Want Gij zijt geen God, aan wie goddeloosheid behaagt, geen boze zal bij U vertoeven;

4 For thou [art] not a God that hath pleasure in wickedness: neither shall evil dwell with thee.

5 Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.

PS 5:6 de verdwaasden houden geen stand voor uw ogen, Gij haat alle bedrijvers van ongerechtigheid;

5 The foolish shall not stand in thy sight: thou hatest all workers of iniquity.

6 De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.

PS 5:7 Gij richt te gronde de leugensprekers, de HERE verafschuwt de man van bloed en bedrog.

6 Thou shalt destroy them that speak leasing: the LORD will abhor the bloody and deceitful man.

7 Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.

PS 5:8 Maar ik zal, dank zij uw grote goedertierenheid, uw huis binnengaan, mij nederbuigen naar uw heilige tempel in vreze voor U.

7 But as for me, I will come [into] thy house in the multitude of thy mercy: [and] in thy fear will I worship toward thy holy temple.

8 Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.

PS 5:9 HERE, leid mij door uw gerechtigheid om mijner belagers wil; effen uw weg voor mijn aangezicht.

8 Lead me, O LORD, in thy righteousness because of mine enemies; make thy way straight before my face.

9 HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.

PS 5:10 Want in hun mond is niets betrouwbaar, hun binnenste is enkel verderf, hun keel is een open graf, zij maken hun tong glad.

9 For [there is] no faithfulness in their mouth; their inward part [is] very wickedness; their throat [is] an open sepulchre; they flatter with their tongue.

10 Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.

PS 5:11 Doe hen boeten, o God, laat hen vallen door hun eigen overleggingen, verstoot hen om hun vele overtredingen; want zij zijn wederspannig tegen U.

10 Destroy thou them, O God; let them fall by their own counsels; cast them out in the multitude of their transgressions; for they have rebelled against thee.

11 Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.

PS 5:12 Maar verheugen zullen zich allen die bij U schuilen, altoos zullen zij jubelen, daar Gij hen beschermt, en in U zullen juichen wie uw naam liefhebben.

11 But let all those that put their trust in thee rejoice: let them ever shout for joy, because thou defendest them: let them also that love thy name be joyful in thee.

12 Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.

PS 5:13 Want Gij zegent de rechtvaardige, o HERE, Gij omgeeft hem met welbehagen als met een schild.

12 For thou, LORD, wilt bless the righteous; with favour wilt thou compass him as [with] a shield.

13 Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.

PS 6:1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Op de wijze van: De achtste. Een psalm van David.

1 To the chief Musician on Neginoth upon Sheminith, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.

PS 6:2 O HERE, straf mij niet in uw toorn, en kastijd mij niet in uw grimmigheid.

O LORD, rebuke me not in thine anger, neither chasten me in thy hot displeasure.

2 O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

PS 6:3 Wees mij genadig, HERE, want ik kwijn weg; genees mij, HERE, want mijn gebeente is verschrikt.

2 Have mercy upon me, O LORD; for I [am] weak: O LORD, heal me; for my bones are vexed.

3 Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

PS 6:4 Ja, mijn ziel is ten zeerste verschrikt, en Gij, HERE, hoelang nog?

3 My soul is also sore vexed: but thou, O LORD, how long?

4 Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

PS 6:5 Keer weder, HERE, red mijn ziel, verlos mij om uwer goedertierenheid wil.

4 Return, O LORD, deliver my soul: oh save me for thy mercies' sake.

5 Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

PS 6:6 Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zou U loven in het dodenrijk?

5 For in death [there is] no remembrance of thee: in the grave who shall give thee thanks?

6 Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

PS 6:7 Ik ben afgemat van mijn zuchten; elke nacht doorweek ik mijn sponde, doe ik mijn bed van tranen vloeien.

6 I am weary with my groaning; all the night make I my bed to swim; I water my couch with my tears.

7 Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.

PS 6:8 Mijn oog is dof geworden van verdriet, verzwakt door allen die mij benauwen.

7 Mine eye is consumed because of grief; it waxeth old because of all mine enemies.

8 Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.

PS 6:9 Wijkt van mij, al gij bedrijvers van ongerechtigheid, want de HERE heeft mijn wenen gehoord;

8 Depart from me, all ye workers of iniquity; for the LORD hath heard the voice of my weeping.

9 Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.

PS 6:10 de HERE heeft mijn smeking gehoord, de HERE neemt mijn bede aan.

9 The LORD hath heard my supplication; the LORD will receive my prayer.

10 De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.

PS 6:11 Al mijn vijanden zullen beschaamd staan, ten zeerste verschrikt, zij zullen in een oogwenk beschaamd afdeinzen.

10 Let all mine enemies be ashamed and sore vexed: let them return [and] be ashamed suddenly.

11 Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

PS 7:1 Een klaaglied van David, dat hij de HERE gezongen heeft om de woorden van de Benjaminiet Kus.

1 Shiggaion of David, which he sang unto the LORD, concerning the words of Cush the Benjamite.

1 Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.

PS 7:2 HERE, mijn God, bij U schuil ik, verlos mij van al mijn vervolgers en red mij,

O LORD my God, in thee do I put my trust: save me from all them that persecute me, and deliver me:

2 HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.

PS 7:3 opdat hij niet als een leeuw mij verscheure, wegslepe, zonder dat iemand redt.

2 Lest he tear my soul like a lion, rending [it] in pieces, while [there is] none to deliver.

3 Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.

PS 7:4 HERE, mijn God, indien ik dàt gedaan heb, indien er onrecht kleeft aan mijn handen,

3 O LORD my God, if I have done this; if there be iniquity in my hands;

4 HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;

PS 7:5 indien ik hem kwaad gedaan heb, die vrede met mij had, - ja, ik heb hem gered, die mij zonder oorzaak benauwde -

4 If I have rewarded evil unto him that was at peace with me; (yea, I have delivered him that without cause is mine enemy:)

5 Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered die mij zonder oorzaak benauwde!)

PS 7:6 dan moge de vijand mij vervolgen en achterhalen, en mijn leven ter aarde vertreden, en mijn ziel nederwerpen in het stof. Sela

5 Let the enemy persecute my soul, and take [it]; yea, let him tread down my life upon the earth, and lay mine honour in the dust. Selah.

6 Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.

PS 7:7 Sta op, HERE, in uw toorn, verhef U tegen de woede van hen die mij benauwen, waak op tot mijn hulp, Gij, die het recht verordent.

6 Arise, O LORD, in thine anger, lift up thyself because of the rage of mine enemies: and awake for me [to] the judgment [that] thou hast commanded.

7 Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.

PS 7:8 Dan moge de vergadering der natiën U omringen; keer weder boven haar naar den hoge.

7 So shall the congregation of the people compass thee about: for their sakes therefore return thou on high.

8 Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.

PS 7:9 De HERE richt de volken. Doe mij recht, HERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn onschuld, die bij mij is.

8 The LORD shall judge the people: judge me, O LORD, according to my righteousness, and according to mine integrity [that is] in me.

9 De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, [die] bij mij is.

PS 7:10 Laat de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig Gij de rechtvaardige, Gij, die hart en nieren toetst, rechtvaardige God.

9 Oh let the wickedness of the wicked come to an end; but establish the just: for the righteous God trieth the hearts and reins.

10 Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!

PS 7:11 Mijn schild is bij God, die de oprechten van hart verlost;

10 My defence [is] of God, which saveth the upright in heart.

11 Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.

PS 7:12 God is een rechtvaardig Rechter en een God, die te allen dage toornt.

11 God judgeth the righteous, and God is angry [with the wicked] every day.

12 God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.

PS 7:13 Bekeert iemand zich niet, dan wet Hij zijn zwaard, spant zijn boog en legt aan,

12 If he turn not, he will whet his sword; he hath bent his bow, and made it ready.

13 Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid.

PS 7:14 Hij richt op hem zijn dodelijke wapenen, maakt zijn pijlen tot brandende schichten.

13 He hath also prepared for him the instruments of death; he ordaineth his arrows against the persecutors.

14 En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.

PS 7:15 Zie, wie met ongerechtigheid bevrucht werd, is zwanger van onheil en baart leugen.

14 Behold, he travaileth with iniquity, and hath conceived mischief, and brought forth falsehood.

15 Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.

PS 7:16 Hij delft een kuil en graaft die uit, maar valt zelf in de groeve die hij maakte.

15 He made a pit, and digged it, and is fallen into the ditch [which] he made.

16 Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, [die] hij gemaakt heeft.

PS 7:17 Het onheil dat hij stichtte, keert weder op zijn hoofd, en zijn geweld komt neder op zijn schedel.

16 His mischief shall return upon his own head, and his violent dealing shall come down upon his own pate.

17 Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen.

PS 7:18 Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid, en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.

17 I will praise the LORD according to his righteousness: and will sing praise to the name of the LORD most high.

18 Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.

PS 8:1 Voor de koorleider. Op de Gittit. Een psalm van David.

1 To the chief Musician upon Gittith, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.

PS 8:2 O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde, Gij, die uw majesteit toont aan de hemel.

O LORD our Lord, how excellent [is] thy name in all the earth! who hast set thy glory above the heavens.

2 O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

PS 8:3 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen.

2 Out of the mouth of babes and sucklings hast thou ordained strength because of thine enemies, that thou mightest still the enemy and the avenger.

3 Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

PS 8:4 Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt:

3 When I consider thy heavens, the work of thy fingers, the moon and the stars, which thou hast ordained;

4 Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;

PS 8:5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?

4 What is man, that thou art mindful of him? and the son of man, that thou visitest him?

5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

PS 8:6 Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond.

5 For thou hast made him a little lower than the angels, and hast crowned him with glory and honour.

6 En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?

PS 8:7 Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd:

6 Thou madest him to have dominion over the works of thy hands; thou hast put all [things] under his feet:

7 Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

PS 8:8 schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds,

7 All sheep and oxen, yea, and the beasts of the field;

8 Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

PS 8:9 de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist.

8 The fowl of the air, and the fish of the sea, [and whatsoever] passeth through the paths of the seas.

9 Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.

PS 8:10 O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde.

9 O LORD our Lord, how excellent [is] thy name in all the earth!

10 O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

PS 9:1 Voor de koorleider. Op de wijze van: De dood van de zoon. Een psalm van David.

1 To the chief Musician upon Muthlabben, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.

PS 9:2 Ik zal U loven, HERE, met mijn ganse hart, ik wil al uw wonderen verhalen;

I will praise [thee], O LORD, with my whole heart; I will shew forth all thy marvellous works.

2 Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.

PS 9:3 in U wil ik mij verheugen en juichen, uw naam psalmzingen, o Allerhoogste,

2 I will be glad and rejoice in thee: I will sing praise to thy name, O thou most High.

3 In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!

PS 9:4 nu mijn vijanden terugdeinzen, struikelen en vergaan voor uw aangezicht.

3 When mine enemies are turned back, they shall fall and perish at thy presence.

4 Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.

PS 9:5 Want mijn pleitzaak en mijn geding hebt Gij berecht, als rechtvaardig rechter de rechterstoel bestegen.

4 For thou hast maintained my right and my cause; thou satest in the throne judging right.

5 Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.

PS 9:6 Gij hebt de volken gedreigd, de goddelozen te gronde gericht, hun naam hebt Gij uitgewist voor altoos en immer;

5 Thou hast rebuked the heathen, thou hast destroyed the wicked, thou hast put out their name for ever and ever.

6 Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.

PS 9:7 de vijanden zijn weg - eeuwige puinhopen -, want steden hebt Gij verwoest, zelfs hun gedachtenis is vergaan.

6 O thou enemy, destructions are come to a perpetual end: and thou hast destroyed cities; their memorial is perished with them.

7 O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is [met] hen vergaan.

PS 9:8 Maar de HERE zetelt voor eeuwig, zijn rechterstoel heeft Hij ten gerichte gezet;

7 But the LORD shall endure for ever: he hath prepared his throne for judgment.

8 Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.

PS 9:9 ja, Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid, Hij richt de natiën in rechtmatigheid.

8 And he shall judge the world in righteousness, he shall minister judgment to the people in uprightness.

9 En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.

PS 9:10 Daarom is de HERE een burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood.

9 The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble.

10 En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.

PS 9:11 Daarom vertrouwen op U wie uw naam kennen, want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o HERE.

10 And they that know thy name will put their trust in thee: for thou, LORD, hast not forsaken them that seek thee.

11 En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.

PS 9:12 Psalmzingt de HERE, die op Sion woont, verkondigt onder de volken zijn daden;

11 Sing praises to the LORD, which dwelleth in Zion: declare among the people his doings.

12 Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.

PS 9:13 Want Hij, die de bloedschuld wreekt, gedenkt hunner, het geroep der ellendigen vergeet Hij niet.

12 When he maketh inquisition for blood, he remembereth them: he forgetteth not the cry of the humble.

13 Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

PS 9:14 Wees mij genadig, HERE; zie mijn ellende, door mijn haters mij berokkend, Gij, die mij opheft uit de poorten des doods,

13 Have mercy upon me, O LORD; consider my trouble [which I suffer] of them that hate me, thou that liftest me up from the gates of death:

14 Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters [mij] [aangedaan], Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;

PS 9:15 opdat ik verhale al uw roemrijke daden, in de poorten der dochter van Sion juiche over uw heil.

14 That I may shew forth all thy praise in the gates of the daughter of Zion: I will rejoice in thy salvation.

15 Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.

PS 9:16 De volken zijn verzonken in de kuil die zij dolven; in het net dat zij verborgen, raakte hun voet verward.

15 The heathen are sunk down in the pit [that] they made: in the net which they hid is their own foot taken.

16 De heidenen zijn gezonken in de groeve, [die] zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.

PS 9:17 De HERE deed Zich kennen, Hij handhaafde het recht; in het werk van zijn handen is de goddeloze verstrikt. higgajon, Sela

16 The LORD is known [by] the judgment [which] he executeth: the wicked is snared in the work of his own hands. Higgaion. Selah.

17 De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.

PS 9:18 De goddelozen keren om naar het dodenrijk, al de volken die God vergeten.

17 The wicked shall be turned into hell, [and] all the nations that forget God.

18 De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.

PS 9:19 Want niet voorgoed blijft de arme vergeten, niet voor immer gaat de hoop der ootmoedigen teloor.

18 For the needy shall not alway be forgotten: the expectation of the poor shall [not] perish for ever.

19 Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, [noch] de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.

PS 9:20 Sta op, HERE, laat de sterveling niet zegepralen, laat de volken voor uw aanschijn gericht worden.

19 Arise, O LORD; let not man prevail: let the heathen be judged in thy sight.

20 Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.

PS 9:21 Jaag hun schrik aan, HERE, zodat de volken erkennen, dat zij stervelingen zijn. Sela

20 Put them in fear, O LORD: [that] the nations may know themselves [to be but] men. Selah.

21 O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, [dat] zij mensen zijn. Sela.

PS 10:1 Waarom, HERE, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood?

1 Why standest thou afar off, O LORD? [why] hidest thou [thyself] in times of trouble?

1 O HEERE! waarom staat Gij van verre? [waarom] verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?

PS 10:2 Over de trots van de goddeloze is de ellendige ontstoken - laat hen verstrikt worden in de boze plannen die zij bedacht hebben.

2 The wicked in [his] pride doth persecute the poor: let them be taken in the devices that they have imagined.

2 De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.

PS 10:3 De goddeloze immers roemt naar hartelust, de woekeraar spreekt zegenwensen, hij versmaadt de HERE.

3 For the wicked boasteth of his heart's desire, and blesseth the covetous, [whom] the LORD abhorreth.

3 Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.

PS 10:4 De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn: Er is geen God.

4 The wicked, through the pride of his countenance, will not seek [after God]: God [is] not in all his thoughts.

4 De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is.

PS 10:5 Zijn wegen zijn voorspoedig te allen tijde. Uw gerichten zijn hem te hoog, hij blaast tegen allen die hem benauwen;

5 His ways are always grievous; thy judgments [are] far above out of his sight: [as for] all his enemies, he puffeth at them.

5 Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan.

PS 10:6 hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen, ik, die van geslacht tot geslacht niet in rampspoed zal raken.

6 He hath said in his heart, I shall not be moved: for [I shall] never [be] in adversity.

6 Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want [ik] zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.

PS 10:7 Zijn mond is vervuld van vloek en bedrog en verdrukking, onder zijn tong zijn ongerechtigheid en onheil,

7 His mouth is full of cursing and deceit and fraud: under his tongue [is] mischief and vanity.

7 Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

PS 10:8 hij ligt in hinderlaag bij de gehuchten, in het verborgene doodt hij de onschuldige. Zijn ogen bespieden de zwakke,

8 He sitteth in the lurking places of the villages: in the secret places doth he murder the innocent: his eyes are privily set against the poor.

8 Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.

PS 10:9 hij loert in het verborgene als een leeuw in de struiken; hij loert om de ellendige te vangen, hij vangt de ellendige, hem trekkend in zijn net.

9 He lieth in wait secretly as a lion in his den: he lieth in wait to catch the poor: he doth catch the poor, when he draweth him into his net.

9 Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.

PS 10:10 Hij bukt, duikt ineen, en de zwakken vallen in zijn sterke klauwen.

10 He croucheth, [and] humbleth himself, that the poor may fall by his strong ones.

10 Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke [poten].

PS 10:11 Hij zegt in zijn hart: God vergeet het, Hij verbergt zijn aangezicht, Hij ziet het in eeuwigheid niet.

11 He hath said in his heart, God hath forgotten: he hideth his face; he will never see [it].

11 Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.

PS 10:12 Sta op, HERE! o God, hef uw hand op, vergeet de ellendigen niet.

12 Arise, O LORD; O God, lift up thine hand: forget not the humble.

12 Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.

PS 10:13 Waarom smaadt de goddeloze God, spreekt hij in zijn hart: Gij vraagt geen rekenschap.

13 Wherefore doth the wicked contemn God? he hath said in his heart, Thou wilt not require [it].

13 Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?

PS 10:14 Gij ziet het, want Gij aanschouwt moeite en verdriet, om het in uw hand te leggen. Op U verlaat zich de zwakke, voor de wees zijt Gij een helper.

14 Thou hast seen [it]; for thou beholdest mischief and spite, to requite [it] with thy hand: the poor committeth himself unto thee; thou art the helper of the fatherless.

14 Gij ziet het [immers]; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.

PS 10:15 Verbreek de arm van de goddeloze en boze, straf zijn goddeloosheid, totdat Gij ze niet meer vindt.

15 Break thou the arm of the wicked and the evil [man]: seek out his wickedness [till] thou find none.

15 Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, [totdat] Gij haar niet vindt.

PS 10:16 De HERE is Koning, eeuwig en altoos. De volken zijn vergaan uit zijn land.

16 The LORD [is] King for ever and ever: the heathen are perished out of his land.

16 De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.

PS 10:17 De begeerte der ootmoedigen hebt Gij, HERE, gehoord: Gij sterkt hun hart, uw oor merkt op,

17 LORD, thou hast heard the desire of the humble: thou wilt prepare their heart, thou wilt cause thine ear to hear:

17 HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;

PS 10:18 om recht te doen de wees en de verdrukte, zodat nooit meer een aards sterveling schrik aanjaagt.

18 To judge the fatherless and the oppressed, that the man of the earth may no more oppress.

18 Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.

PS 11:1 Voor de koorleider. Van David. Bij de HERE schuil ik. Hoe durft gij dan tot mij zeggen: Vliedt naar uw gebergte als vogels?

1 To the chief Musician, [A Psalm] of David. In the LORD put I my trust: how say ye to my soul, Flee [as] a bird to your mountain?

1 [Een] [psalm] van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen [naar] ulieder gebergte, [als] een vogel?

PS 11:2 Want zie, de goddelozen spannen de boog, zij leggen hun pijl op de pees, om oprechten van hart in het duister te treffen.

2 For, lo, the wicked bend [their] bow, they make ready their arrow upon the string, that they may privily shoot at the upright in heart.

2 Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.

PS 11:3 Wanneer de grondslagen zijn vernield, wat kan dan de rechtvaardige doen?

3 If the foundations be destroyed, what can the righteous do?

3 Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?

PS 11:4 De HERE woont in zijn heilig paleis, de HERE heeft in de hemel zijn troon; zijn ogen slaan gade, zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen.

4 The LORD [is] in his holy temple, the LORD'S throne [is] in heaven: his eyes behold, his eyelids try, the children of men.

4 De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.

PS 11:5 De HERE toetst de rechtvaardige en de goddeloze; en wie geweld bemint, die haat Hij.

5 The LORD trieth the righteous: but the wicked and him that loveth violence his soul hateth.

5 De HEERE proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.

PS 11:6 Hij regent op de goddelozen vurige kolen en zwavel, schroeiende wind is het deel van hun beker.

6 Upon the wicked he shall rain snares, fire and brimstone, and an horrible tempest: [this shall be] the portion of their cup.

6 Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.

PS 11:7 Want de HERE is rechtvaardig en Hij heeft gerechtigheid lief; de oprechten zullen zijn aangezicht aanschouwen.

7 For the righteous LORD loveth righteousness; his countenance doth behold the upright.

7 Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.

PS 12:1 Voor de koorleider. Op de wijze van: De achtste. Een psalm van David.

1 To the chief Musician upon Sheminith, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.

PS 12:2 Help toch, HERE, want er zijn geen vromen meer; ja, de getrouwen zijn schaars onder de mensenkinderen.

Help, LORD; for the godly man ceaseth; for the faithful fail from among the children of men.

2 Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

PS 12:3 Zij spreken valsheid tegen elkander, zij spreken dubbelhartig, met gladde lippen.

2 They speak vanity every one with his neighbour: [with] flattering lips [and] with a double heart do they speak.

3 Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, [met] vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

PS 12:4 De HERE verdelge alle gladde lippen en elke grootsprekende tong;

3 The LORD shall cut off all flattering lips, [and] the tongue that speaketh proud things:

4 De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.

PS 12:5 hen die zeggen: Met onze tong zijn wij sterk; onze lippen zijn met ons - wie is heer over ons?

4 Who have said, With our tongue will we prevail; our lips [are] our own: who [is] lord over us?

5 Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

PS 12:6 Om de onderdrukking der ellendigen, het zuchten der armen, maak Ik Mij thans op, zegt de HERE; Ik stel in veiligheid wie daarnaar smacht.

5 For the oppression of the poor, for the sighing of the needy, now will I arise, saith the LORD; I will set [him] in safety [from him that] puffeth at him.

6 Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.

PS 12:7 De woorden des HEREN zijn zuivere woorden, gedegen zilver, in een smeltoven in de aarde zevenvoudig gelouterd.

6 The words of the LORD [are] pure words: [as] silver tried in a furnace of earth, purified seven times.

7 De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.

PS 12:8 Gij, HERE, zult ze gestand doen, ons altoos beschermen tegen dit geslacht;

7 Thou shalt keep them, O LORD, thou shalt preserve them from this generation for ever.

8 Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.

PS 12:9 de goddelozen draven rond, terwijl snoodheid bij de mensenkinderen het hoofd opsteekt.

8 The wicked walk on every side, when the vilest men are exalted.

9 De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.

PS 13:1 Voor de koorleider. Een psalm van David.

1 To the chief Musician, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

PS 13:2 Hoelang, HERE? Zult Gij mij voortdurend vergeten? Hoelang zult Gij uw aangezicht voor mij verbergen?

How long wilt thou forget me, O LORD? for ever? how long wilt thou hide thy face from me?

2 Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?

PS 13:3 Hoelang zal ik plannen koesteren in mijn ziel, kommer hebben in mijn hart, dag aan dag? Hoelang zal mijn vijand zich boven mij verheffen?

2 How long shall I take counsel in my soul, [having] sorrow in my heart daily? how long shall mine enemy be exalted over me?

3 Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?

PS 13:4 Aanschouw toch, antwoord mij, HERE, mijn God! Verlicht mijn ogen, opdat ik niet inslape ten dode;

3 Consider [and] hear me, O LORD my God: lighten mine eyes, lest I sleep the [sleep of] death;

4 Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik [in] de dood niet ontslape;

PS 13:5 opdat mijn vijand niet zegge: Ik heb hem overmocht; opdat mijn tegenstanders niet juichen, wanneer ik wankel.

4 Lest mine enemy say, I have prevailed against him; [and] those that trouble me rejoice when I am moved.

5 Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.

PS 13:6 Ik echter vertrouw op uw goedertierenheid, over uw verlossing juicht mijn hart.

5 But I have trusted in thy mercy; my heart shall rejoice in thy salvation.

6 Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil;

Ik wil de HERE zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan.

6 I will sing unto the LORD, because he hath dealt bountifully with me.

ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.

PS 14:1 Voor de koorleider. Van David. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij bedrijven gruwelijke en afschuwelijke misdaden, niemand is er, die goed doet.

1 To the chief Musician, [A Psalm] of David. The fool hath said in his heart, [There is] no God. They are corrupt, they have done abominable works, [there is] none that doeth good.

1 [Een] [psalm] van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk [met] [hun] werk; er is niemand, die goed doet.

PS 14:2 De HERE ziet neder uit de hemel op de mensenkinderen, om te zien, of er één verstandig is, één, die God zoekt.

2 The LORD looked down from heaven upon the children of men, to see if there were any that did understand, [and] seek God.

2 De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.

PS 14:3 Allen zijn zij afgeweken, tezamen ontaard; er is niemand die goed doet, zelfs niet één.

3 They are all gone aside, they are [all] together become filthy: [there is] none that doeth good, no, not one.

3 Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.

PS 14:4 Hebben zij dan geen kennis, al die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten, als aten zij brood? De HERE roepen zij niet aan.

4 Have all the workers of iniquity no knowledge? who eat up my people [as] they eat bread, and call not upon the LORD.

4 Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, [alsof] zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.

PS 14:5 Daar overvalt hen de schrik, want God is bij het rechtvaardig geslacht.

5 There were they in great fear: for God [is] in the generation of the righteous.

5 Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.

PS 14:6 Het voornemen van de ellendige kunt gij wel beschamen, maar de HERE is zijn toevlucht.

6 Ye have shamed the counsel of the poor, because the LORD [is] his refuge.

6 Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.

PS 14:7 Och, dat uit Sion Israëls redding daagde! Als de HERE een keer brengt in het lot van zijn volk, dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.

7 Oh that the salvation of Israel [were come] out of Zion! when the LORD bringeth back the captivity of his people, Jacob shall rejoice, [and] Israel shall be glad.

7 Och, dat Israels verlossing uit Sion [kwam]! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, [dan] zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.

PS 15:1 Een psalm van David. HERE, wie mag verkeren in uw tent? Wie mag wonen op uw heilige berg?

1 A Psalm of David. LORD, who shall abide in thy tabernacle? who shall dwell in thy holy hill?

1 Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?

PS 15:2 Hij, die onberispelijk wandelt en doet wat recht is en waarheid spreekt in zijn hart,

2 He that walketh uprightly, and worketh righteousness, and speaketh the truth in his heart.

2 Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;

PS 15:3 die met zijn tong niet lastert, die zijn metgezel geen kwaad doet en geen smaad op zijn naaste laadt;

3 [He that] backbiteth not with his tongue, nor doeth evil to his neighbour, nor taketh up a reproach against his neighbour.

3 Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;

PS 15:4 in wiens ogen de verwerpelijke veracht is, terwijl hij hen eert, die de HERE vrezen. Heeft hij tot zijn schade gezworen, hij verandert het niet;

4 In whose eyes a vile person is contemned; but he honoureth them that fear the LORD. [He that] sweareth to [his own] hurt, and changeth not.

4 In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot [zijn] schade, evenwel verandert hij niet;

PS 15:5 hij leent zijn geld niet op woeker en aanvaardt geen geschenk tegen de onschuldige. Wie zó handelt zal nimmer wankelen.

5 [He that] putteth not out his money to usury, nor taketh reward against the innocent. He that doeth these [things] shall never be moved.

5 Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.

PS 16:1 Een kleinood van David. Bewaar mij, o God, want bij U schuil ik.

1 Michtam of David. Preserve me, O God: for in thee do I put my trust.

1 Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.

PS 16:2 Ik heb tot de HERE gezegd: Gij zijt mijn HERE, ik heb geen goed buiten U.

2 [O my soul], thou hast said unto the LORD, Thou [art] my Lord: my goodness [extendeth] not to thee;

2 [O] [mijn] [ziel]! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid [raakt] niet tot U;

PS 16:3 Wat betreft de heiligen die in den lande zijn: zij zijn de heerlijken in wie al mijn welbehagen is.

3 [But] to the saints that [are] in the earth, and [to] the excellent, in whom [is] all my delight.

3 [Maar] tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.

PS 16:4 Vele zijn de smarten van hen die dingen naar de gunst van een andere (god); ik zal hun plengoffers van bloed niet plengen, zelfs hun namen op mijn lippen niet nemen.

4 Their sorrows shall be multiplied [that] hasten [after] another [god]: their drink offerings of blood will I not offer, nor take up their names into my lips.

4 De smarten dergenen, die een anderen [God] begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.

PS 16:5 O HERE, mijn erfdeel en mijn beker, Gij zelf bestendigt wat het lot mij toewees.

5 The LORD [is] the portion of mine inheritance and of my cup: thou maintainest my lot.

5 De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.

PS 16:6 De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven, ja, mijn erfdeel bekoort mij.

6 The lines are fallen unto me in pleasant [places]; yea, I have a goodly heritage.

6 De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.

PS 16:7 Ik prijs de HERE, die mij raad heeft gegeven, zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.

7 I will bless the LORD, who hath given me counsel: my reins also instruct me in the night seasons.

7 Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.

PS 16:8 Ik stel mij de HERE bestendig voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet.

8 I have set the LORD always before me: because [he is] at my right hand, I shall not be moved.

8 Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.

PS 16:9 Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen;

9 Therefore my heart is glad, and my glory rejoiceth: my flesh also shall rest in hope.

9 Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.

PS 16:10 want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve zien.

10 For thou wilt not leave my soul in hell; neither wilt thou suffer thine Holy One to see corruption.

10 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.

PS 16:11 Gij maakt mij het pad des levens bekend; overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig.

11 Thou wilt shew me the path of life: in thy presence [is] fulness of joy; at thy right hand [there are] pleasures for evermore.

11 Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.

PS 17:1 Een gebed van David. Hoor, HERE, naar een rechtvaardige zaak, sla acht op mijn smeking; leen het oor aan mijn gebed, gesproken met onbedrieglijke lippen.

1 A Prayer of David. Hear the right, O LORD, attend unto my cry, give ear unto my prayer, [that goeth] not out of feigned lips.

1 Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen [gesproken].

PS 17:2 Laat het oordeel over mij van uw aangezicht uitgaan: uw ogen schouwen wat recht is.

2 Let my sentence come forth from thy presence; let thine eyes behold the things that are equal.

2 Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.

PS 17:3 Toetst Gij mijn hart, onderzoekt Gij des nachts, beproeft Gij mij, Gij vindt niets; wat ik ook bedenk, mijn mond overtreedt niet.

3 Thou hast proved mine heart; thou hast visited [me] in the night; thou hast tried me, [and] shalt find nothing; I am purposed [that] my mouth shall not transgress.

3 Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; [hetgeen] ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.

PS 17:4 Wat betreft daden van mensen, naar het woord uwer lippen heb ik mij gewacht voor de paden van de geweldenaar;

4 Concerning the works of men, by the word of thy lips I have kept [me from] the paths of the destroyer.

4 Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

PS 17:5 mijn treden hielden uw spoor, mijn schreden wankelden niet.

5 Hold up my goings in thy paths, [that] my footsteps slip not.

5 Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

PS 17:6 Ik roep U aan, omdat Gij, o God, mij antwoordt; neig uw oor tot mij, hoor naar mijn woord.

6 I have called upon thee, for thou wilt hear me, O God: incline thine ear unto me, [and hear] my speech.

6 Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.

PS 17:7 Maak uw gunstbewijzen wonderbaar, Verlosser van hen die voor tegenstanders schuilen bij uw rechterhand.

7 Shew thy marvellous lovingkindness, O thou that savest by thy right hand them which put their trust [in thee] from those that rise up [against them].

7 Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op [U] betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!

PS 17:8 Bewaar mij als de appel van het oog, berg mij, in de schaduw van uw vleugelen,

8 Keep me as the apple of the eye, hide me under the shadow of thy wings,

8 Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,

PS 17:9 voor de goddelozen die mij overweldigen, voor mijn doodsvijanden die mij omsingelen.

9 From the wicked that oppress me, [from] my deadly enemies, [who] compass me about.

9 Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.

PS 17:10 Zij sluiten hun vette (hart) toe, met hun mond spreken zij hovaardig;

10 They are inclosed in their own fat: with their mouth they speak proudly.

10 Met hun vet besluiten zij [zich], met hun mond spreken zij hovaardelijk.

PS 17:11 zij omringen ons thans, waar wij ook gaan, hun oogmerk is ons ter aarde te werpen.

11 They have now compassed us in our steps: they have set their eyes bowing down to the earth;

11 In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen [op] [ons] ter aarde nederbukkende.

PS 17:12 Hij gelijkt op een leeuw die begeert te verscheuren, en op een jonge leeuw, in een schuilhoek gedoken.

12 Like as a lion [that] is greedy of his prey, and as it were a young lion lurking in secret places.

12 Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.

PS 17:13 Sta op, HERE, treed hem tegemoet, doe hem bukken, red met uw zwaard mijn leven van de goddeloze,

13 Arise, O LORD, disappoint him, cast him down: deliver my soul from the wicked, [which is] thy sword:

13 Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;

PS 17:14 met uw hand, HERE, van de mannen, van de wereldse mannen, wier deel in dit leven is, en vul hun binnenste met wat Gij voor hen hebt weggelegd, zodat hun zonen er nog zat van zijn, die wat hun rest, aan hun kinderen nalaten.

14 From men [which are] thy hand, O LORD, from men of the world, [which have] their portion in [this] life, and whose belly thou fillest with thy hid [treasure]: they are full of children, and leave the rest of their [substance] to their babes.

14 Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen [schat]; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.

PS 17:15 Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen, en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld.

15 As for me, I will behold thy face in righteousness: I shall be satisfied, when I awake, with thy likeness.

15 [Maar] ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.

PS 18:1 Voor de koorleider. Van de knecht des HEREN, van David, die tot de HERE de woorden van dit lied sprak, ten dage dat de HERE hem verlost had uit de greep van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.

1 To the chief Musician, [A Psalm] of David, the servant of the LORD, who spake unto the LORD the words of this song in the day [that] the LORD delivered him from the hand of all his enemies, and from the hand of Saul:

1 Voor den opperzangmeester, [een] [psalm] van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.

PS 18:2 Hij zeide: Ik heb U hartelijk lief, HERE, mijn sterkte,

And he said, I will love thee, O LORD, my strength.

2 Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!

PS 18:3 o HERE, mijn steenrots, mijn vesting en mijn bevrijder, mijn God, mijn Rots, bij wie ik schuil, mijn schild, hoorn mijns heils, mijn burcht.

2 The LORD [is] my rock, and my fortress, and my deliverer; my God, my strength, in whom I will trust; my buckler, and the horn of my salvation, [and] my high tower.

3 De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.

PS 18:4 Geloofd zij de HERE, roep ik uit; want van mijn vijanden ben ik verlost.

3 I will call upon the LORD, [who is worthy] to be praised: so shall I be saved from mine enemies.

4 Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

PS 18:5 Banden des doods hadden mij omvangen, en stromen van verderf hadden mij overvallen,

4 The sorrows of death compassed me, and the floods of ungodly men made me afraid.

5 Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

PS 18:6 banden van het dodenrijk hadden mij omgeven, valstrikken van de dood lagen op mijn weg.

5 The sorrows of hell compassed me about: the snares of death prevented me.

6 Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.

PS 18:7 Toen het mij bang te moede was, riep ik de HERE aan, tot mijn God riep ik om hulp. Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis, mijn hulpgeroep tot Hem drong door in zijn oren.

6 In my distress I called upon the LORD, and cried unto my God: he heard my voice out of his temple, and my cry came before him, [even] into his ears.

7 Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

PS 18:8 Toen dreunde en beefde de aarde en de grondvesten der bergen sidderden en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was.

7 Then the earth shook and trembled; the foundations also of the hills moved and were shaken, because he was wroth.

8 Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

PS 18:9 Rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam voort uit zijn mond, kolen raakten erdoor in brand.

8 There went up a smoke out of his nostrils, and fire out of his mouth devoured: coals were kindled by it.

9 Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

PS 18:10 Hij neigde de hemel en daalde neder, donkerheid was onder zijn voeten,

9 He bowed the heavens also, and came down: and darkness [was] under his feet.

10 En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.

PS 18:11 Hij reed op een cherub en vloog en zweefde op de vleugels van de wind.

10 And he rode upon a cherub, and did fly: yea, he did fly upon the wings of the wind.

11 En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.

PS 18:12 Hij stelde het duister tot zijn omhulsel, tot zijn beschutting rondom Zich: duistere wateren, wolkengevaarten.

11 He made darkness his secret place; his pavilion round about him [were] dark waters [and] thick clouds of the skies.

12 Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

PS 18:13 Van de glans vóór Hem verdwenen zijn wolken, hagel en vurige kolen.

12 At the brightness [that was] before him his thick clouds passed, hail [stones] and coals of fire.

13 Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.

PS 18:14 De HERE deed de donder in de hemel weerklinken, de Allerhoogste verhief zijn stem - [hagel en vurige kolen].

13 The LORD also thundered in the heavens, and the Highest gave his voice; hail [stones] and coals of fire.

14 En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.

PS 18:15 Hij schoot zijn pijlen en verstrooide hen, hij slingerde bliksemen en bracht hen in verwarring.

14 Yea, he sent out his arrows, and scattered them; and he shot out lightnings, and discomfited them.

15 En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.

PS 18:16 Toen werden de beddingen der wateren zichtbaar en de grondvesten der wereld kwamen bloot vanwege uw dreigen, o HERE, vanwege het blazen van de adem van uw neus.

15 Then the channels of waters were seen, and the foundations of the world were discovered at thy rebuke, O LORD, at the blast of the breath of thy nostrils.

16 En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.

PS 18:17 Hij reikte van omhoog, greep mij, trok mij op uit grote wateren.

16 He sent from above, he took me, he drew me out of many waters.

17 Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

PS 18:18 Hij ontrukte mij aan mijn machtige vijand, en aan mijn haters, omdat zij sterker waren dan ik.

17 He delivered me from my strong enemy, and from them which hated me: for they were too strong for me.

18 Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

PS 18:19 Zij traden mij in de weg ten dage van mijn ongeluk, maar de HERE was mij tot steun;

18 They prevented me in the day of my calamity: but the LORD was my stay.

19 Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.

PS 18:20 Hij leidde mij uit in de ruimte. Hij redde mij, omdat Hij welgevallen aan mij had.

19 He brought me forth also into a large place; he delivered me, because he delighted in me.

20 En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.

PS 18:21 De HERE deed mij naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen vergold Hij mij,

20 The LORD rewarded me according to my righteousness; according to the cleanness of my hands hath he recompensed me.

21 De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

PS 18:22 want ik heb de wegen des HEREN gehouden en ben niet goddeloos afgeweken van mijn God.

21 For I have kept the ways of the LORD, and have not wickedly departed from my God.

22 Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

PS 18:23 Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen en zijn inzettingen deed ik niet van mij weg,

22 For all his judgments [were] before me, and I did not put away his statutes from me.

23 Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.

PS 18:24 maar ik was onberispelijk jegens Hem, en wachtte mij voor ongerechtigheid.

23 I was also upright before him, and I kept myself from mine iniquity.

24 Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

PS 18:25 De HERE heeft mij vergolden naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen vóór zijn ogen.

24 Therefore hath the LORD recompensed me according to my righteousness, according to the cleanness of my hands in his eyesight.

25 Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.

PS 18:26 Jegens de getrouwe toont Gij U getrouw, jegens de onberispelijke toont Gij U onberispelijk,

25 With the merciful thou wilt shew thyself merciful; with an upright man thou wilt shew thyself upright;

26 Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.

PS 18:27 jegens de reine toont Gij U rein, maar jegens de verkeerde toont Gij U een tegenstander.

26 With the pure thou wilt shew thyself pure; and with the froward thou wilt shew thyself froward.

27 Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.

PS 18:28 Gij toch verlost het ellendige volk en vernedert de hovaardige ogen.

27 For thou wilt save the afflicted people; but wilt bring down high looks.

28 Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.

PS 18:29 Gij toch doet mijn lamp schijnen, de HERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.

28 For thou wilt light my candle: the LORD my God will enlighten my darkness.

29 Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.

PS 18:30 Met U immers loop ik op een legerbende in en met mijn God spring ik over een muur.

29 For by thee I have run through a troop; and by my God have I leaped over a wall.

30 Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.

PS 18:31 Gods weg is volmaakt; des HEREN woord is zuiver. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen.

30 [As for] God, his way [is] perfect: the word of the LORD is tried: he [is] a buckler to all those that trust in him.

31 Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.

PS 18:32 Want wie is God behalve de HERE, wie is een rots buiten onze God?

31 For who [is] God save the LORD? or who [is] a rock save our God?

32 Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?

PS 18:33 Die God, die mij met kracht omgordt en mijn weg effen maakt;

32 [It is] God that girdeth me with strength, and maketh my way perfect.

33 Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.

PS 18:34 die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan;

33 He maketh my feet like hinds' [feet], and setteth me upon my high places.

34 Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.

PS 18:35 die mijn handen oefent ten strijde, zodat mijn armen een koperen boog spannen.

34 He teacheth my hands to war, so that a bow of steel is broken by mine arms.

35 Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

PS 18:36 Ook gaaft Gij mij het schild uws heils, en uw rechterhand ondersteunde mij, uw nederbuigende goedheid maakte mij groot.

35 Thou hast also given me the shield of thy salvation: and thy right hand hath holden me up, and thy gentleness hath made me great.

36 Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.

PS 18:37 Gij hebt mij ruimte gegeven voor mijn schreden, en mijn enkels wankelden niet.

36 Thou hast enlarged my steps under me, that my feet did not slip.

37 Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

PS 18:38 Ik vervolgde mijn vijanden om hen te achterhalen, en liet niet af, eer ik hen had vernietigd;

37 I have pursued mine enemies, and overtaken them: neither did I turn again till they were consumed.

38 Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.

PS 18:39 ik verpletterde hen, zodat zij niet konden opstaan, zij vielen onder mijn voeten.

38 I have wounded them that they were not able to rise: they are fallen under my feet.

39 Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.

PS 18:40 Gij hebt mij aangegord met kracht tot de strijd, Gij deedt onder mij bukken wie tegen mij opstonden;

39 For thou hast girded me with strength unto the battle: thou hast subdued under me those that rose up against me.

40 Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.

PS 18:41 Gij deedt mijn vijanden mij de rug toekeren, en mijn haters verdelgde ik.

40 Thou hast also given me the necks of mine enemies; that I might destroy them that hate me.

41 En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.

PS 18:42 Zij riepen om hulp, maar niemand redde, tot de HERE, maar Hij antwoordde hun niet;

41 They cried, but [there was] none to save [them: even] unto the LORD, but he answered them not.

42 Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.

PS 18:43 toen vermaalde ik hen als stof voor de wind. Ik goot hen uit als slijk van de straten.

42 Then did I beat them small as the dust before the wind: I did cast them out as the dirt in the streets.

43 Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.

PS 18:44 Gij deedt mij ontkomen aan de twisten van het volk, Gij steldet mij tot hoofd der natiën; volken die ik niet kende, werden mij dienstbaar;

43 Thou hast delivered me from the strivings of the people; [and] thou hast made me the head of the heathen: a people [whom] I have not known shall serve me.

44 Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, [dat] ik niet kende, heeft mij gediend.

PS 18:45 nauwelijks hadden zij van mij gehoord, of zij gehoorzaamden mij; vreemden veinsden onderdanigheid tegenover mij.

44 As soon as they hear of me, they shall obey me: the strangers shall submit themselves unto me.

45 Zo haast als [hun] oor [van] [mij] hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.

PS 18:46 Vreemden verloren hun kracht en verlieten bevend hun burchten.

45 The strangers shall fade away, and be afraid out of their close places.

46 Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.

PS 18:47 De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God mijns heils,

46 The LORD liveth; and blessed [be] my rock; and let the God of my salvation be exalted.

47 De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!

PS 18:48 de God, die mij wraak heeft verleend, die volken onder mij gebracht heeft,

47 [It is] God that avengeth me, and subdueth the people under me.

48 De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;

PS 18:49 die mij van mijn vijanden heeft gered. Ja, Gij hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden, Gij hebt mij gered van de geweldenaar.

48 He delivereth me from mine enemies: yea, thou liftest me up above those that rise up against me: thou hast delivered me from the violent man.

49 Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.

PS 18:50 Daarom loof ik U, o HERE, onder de volken en wil ik uw naam psalmzingen.

49 Therefore will I give thanks unto thee, O LORD, among the heathen, and sing praises unto thy name.

50 Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;

PS 18:51 Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen, en betoont trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht voor altijd.

50 Great deliverance giveth he to his king; and sheweth mercy to his anointed, to David, and to his seed for evermore.

51 Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.

PS 19:1 Voor de koorleider. Een psalm van David.

1 To the chief Musician, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

PS 19:2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen;

The heavens declare the glory of God; and the firmament sheweth his handywork.

2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

PS 19:3 de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht.

2 Day unto day uttereth speech, and night unto night sheweth knowledge.

3 De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.

PS 19:4 Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen:

3 [There is] no speech nor language, [where] their voice is not heard.

4 Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.

PS 19:5 toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld. - Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon,

4 Their line is gone out through all the earth, and their words to the end of the world. In them hath he set a tabernacle for the sun,

5 Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.

PS 19:6 die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek treedt, jubelend als een held om het pad te lopen.

5 Which [is] as a bridegroom coming out of his chamber, [and] rejoiceth as a strong man to run a race.

6 En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.

PS 19:7 Van het ene einde des hemels is haar opgang en haar omloop tot het andere einde; niets blijft verborgen voor haar gloed.

6 His going forth [is] from the end of the heaven, and his circuit unto the ends of it: and there is nothing hid from the heat thereof.

7 Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.

PS 19:8 De wet des HEREN is volmaakt, zij verkwikt de ziel; de getuigenis des HEREN is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de onverstandige.

7 The law of the LORD [is] perfect, converting the soul: the testimony of the LORD [is] sure, making wise the simple.

8 De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.

PS 19:9 De bevelen des HEREN zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des HEREN is louter, het verlicht de ogen.

8 The statutes of the LORD [are] right, rejoicing the heart: the commandment of the LORD [is] pure, enlightening the eyes.

9 De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.

PS 19:10 De vreze des HEREN is rein, voor immer bestendig; de verordeningen des HEREN zijn waarheid, altegader rechtvaardig.

9 The fear of the LORD [is] clean, enduring for ever: the judgments of the LORD [are] true [and] righteous altogether.

10 De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.

PS 19:11 Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig, ja, dan honigzeem uit de raat.

10 More to be desired [are they] than gold, yea, than much fine gold: sweeter also than honey and the honeycomb.

11 Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.

PS 19:12 Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning.

11 Moreover by them is thy servant warned: [and] in keeping of them [there is] great reward.

12 Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.

PS 19:13 Afdwalingen - wie bemerkt ze? Spreek van de verborgene mij vrij.

12 Who can understand [his] errors? cleanse thou me from secret [faults].

13 Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene [afdwalingen].

PS 19:14 Behoed ook uw knecht voor overmoed, laat die over mij niet heersen; dan ben ik onberispelijk en vrij van grove overtreding.

13 Keep back thy servant also from presumptuous [sins]; let them not have dominion over me: then shall I be upright, and I shall be innocent from the great transgression.

14 Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.

PS 19:15 Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o HERE, mijn rots en mijn verlosser.

14 Let the words of my mouth, and the meditation of my heart, be acceptable in thy sight, O LORD, my strength, and my redeemer.

15 Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!

PS 20:1 Voor de koorleider. Een psalm van David.

1 To the chief Musician, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

PS 20:2 De HERE antwoorde u ten dage der benauwdheid, de naam van Jakobs God make u onaantastbaar;

The LORD hear thee in the day of trouble; the name of the God of Jacob defend thee;

2 De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.

PS 20:3 Hij zende u hulp uit het heiligdom en ondersteune u uit Sion.

2 Send thee help from the sanctuary, and strengthen thee out of Zion;

3 Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion.

PS 20:4 Hij gedenke al uw offers, en uw brandoffer achte Hij welgevallig. Sela

3 Remember all thy offerings, and accept thy burnt sacrifice; Selah.

4 Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.

PS 20:5 Hij geve u naar uw hart, en doe al uw plannen in vervulling gaan.

4 Grant thee according to thine own heart, and fulfil all thy counsel.

5 Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.

PS 20:6 Wij willen juichen over uw overwinning, en in de naam van onze God de vaandels opsteken; de HERE vervulle al uw begeerten.

5 We will rejoice in thy salvation, and in the name of our God we will set up [our] banners: the LORD fulfil all thy petitions.

6 Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten.

PS 20:7 Nu weet ik, dat de HERE zijn gezalfde de overwinning geeft, Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel met de machtige heilsdaden zijner rechterhand.

6 Now know I that the LORD saveth his anointed; he will hear him from his holy heaven with the saving strength of his right hand.

7 Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.

PS 20:8 Dezen beroemen zich op wagens en genen op paarden, maar wij roemen in de naam van de HERE, onze God.

7 Some [trust] in chariots, and some in horses: but we will remember the name of the LORD our God.

8 Dezen [vermelden] van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.

PS 20:9 Zij zinken neder en vallen, maar wij richten ons op en houden stand.

8 They are brought down and fallen: but we are risen, and stand upright.

9 Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven.

PS 20:10 O HERE, schenk de koning de overwinning, Hij antwoorde ons ten dage dat wij roepen.

9 Save, LORD: let the king hear us when we call.

10 O HEERE! behoud; die Koning verhore ons ten dage van ons roepen.

PS 21:1 Voor de koorleider. Een psalm van David.

1 To the chief Musician, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

PS 21:2 HERE, over uw macht verheugt zich de koning, hoezeer juicht hij over uw heil.

The king shall joy in thy strength, O LORD; and in thy salvation how greatly shall he rejoice!

2 O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!

PS 21:3 Zijn hartewens hebt Gij hem geschonken, de begeerte van zijn lippen hebt Gij niet geweigerd. Sela

2 Thou hast given him his heart's desire, and hast not withholden the request of his lips. Selah.

3 Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Sela.

PS 21:4 Want Gij treedt hem tegemoet met rijke zegeningen. Gij zet een kroon van fijn goud op zijn hoofd.

3 For thou preventest him with the blessings of goodness: thou settest a crown of pure gold on his head.

4 Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.

PS 21:5 Leven vroeg hij van U; Gij gaaft het hem, lengte van dagen voor altoos en immer.

4 He asked life of thee, [and] thou gavest [it] him, [even] length of days for ever and ever.

5 Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.

PS 21:6 Groot is zijn eer door uw heil, majesteit en luister hebt Gij hem toebedeeld;

5 His glory [is] great in thy salvation: honour and majesty hast thou laid upon him.

6 Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.

PS 21:7 want Gij maakt hem rijk gezegend voor immer. Gij overstelpt hem met blijdschap voor uw aangezicht.

6 For thou hast made him most blessed for ever: thou hast made him exceeding glad with thy countenance.

7 Want Gij zet hem [tot] zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.

PS 21:8 Want de koning vertrouwt op de HERE en door de goedertierenheid des Allerhoogsten wankelt hij niet.

7 For the king trusteth in the LORD, and through the mercy of the most High he shall not be moved.

8 Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.

PS 21:9 Uw hand zal al uw vijanden vinden, uw rechterhand zal uw haters vinden.

8 Thine hand shall find out all thine enemies: thy right hand shall find out those that hate thee.

9 Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.

PS 21:10 Gij zult hen maken als een vurige oven ten tijde dat Gij verschijnt, o HERE. In zijn toorn zal Hij hen verslinden, en het vuur zal hen verteren;

9 Thou shalt make them as a fiery oven in the time of thine anger: the LORD shall swallow them up in his wrath, and the fire shall devour them.

10 Gij zult hen zetten als een vurige oven ter tijd uws [toornigen] aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.

PS 21:11 hun kroost zult Gij van de aarde verdelgen en hun nageslacht uit de mensenkinderen.

10 Their fruit shalt thou destroy from the earth, and their seed from among the children of men.

11 Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.

PS 21:12 Als zij onheil over u willen brengen, boze plannen beramen, vermogen zij niets.

11 For they intended evil against thee: they imagined a mischievous device, [which] they are not able [to perform].

12 Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, [doch] zullen niets vermogen.

PS 21:13 Ja, Gij zult hen de rug doen keren, met de pees van uw boog legt Gij aan op hun gelaat.

12 Therefore shalt thou make them turn their back, [when] thou shalt make ready [thine arrows] upon thy strings against the face of them.

13 Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen.

PS 21:14 Verhef U, o HERE, in uw kracht, wij willen uw sterkte met psalmen bezingen.

13 Be thou exalted, LORD, in thine own strength: [so] will we sing and praise thy power.

14 Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven.

PS 22:1 Voor de koorleider. Op de wijze van: De hinde van de dageraad. Een psalm van David.

1 To the chief Musician upon Aijeleth Shahar, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.

PS 22:2 Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, bij de woorden van mijn jammerklacht?

My God, my God, why hast thou forsaken me? [why art thou so] far from helping me, [and from] the words of my roaring?

2 Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, [van] de woorden mijns brullens?

PS 22:3 Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik kom niet tot stilte.

2 O my God, I cry in the daytime, but thou hearest not; and in the night season, and am not silent.

3 Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.

PS 22:4 Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen Israëls.

3 But thou [art] holy, [O thou] that inhabitest the praises of Israel.

4 Doch Gij zijt heilig, wonende [onder] de lofzangen Israels.

PS 22:5 Op U hebben onze vaderen vertrouwd, zij hebben vertrouwd, en Gij deedt hen ontkomen;

4 Our fathers trusted in thee: they trusted, and thou didst deliver them.

5 Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.

PS 22:6 tot U hebben zij geroepen en zij werden gered, op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd.

5 They cried unto thee, and were delivered: they trusted in thee, and were not confounded.

6 Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.

PS 22:7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk.

6 But I [am] a worm, and no man; a reproach of men, and despised of the people.

7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

PS 22:8 Allen die mij zien, bespotten mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd:

7 All they that see me laugh me to scorn: they shoot out the lip, they shake the head, [saying],

8 Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, [zeggende]:

PS 22:9 Wentel het op de HERE - laat die hem verlossen, hem redden, Hij heeft immers welgevallen aan hem!

8 He trusted on the LORD [that] he would deliver him: let him deliver him, seeing he delighted in him.

9 Hij heeft [het] op den HEERE gewenteld, dat Hij hem [nu] uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!

PS 22:10 Gij toch hebt mij uit de moederschoot getogen, Gij deedt mij vertrouwend rusten aan de borst van mijn moeder;

9 But thou [art] he that took me out of the womb: thou didst make me hope [when I was] upon my mother's breasts.

10 Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.

PS 22:11 aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte, van de moederschoot af zijt Gij mijn God.

10 I was cast upon thee from the womb: thou [art] my God from my mother's belly.

11 Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.

PS 22:12 Wees dan niet verre van mij, want nabij is de nood, en er is geen helper.

11 Be not far from me; for trouble [is] near; for [there is] none to help.

12 Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.

PS 22:13 Vele stieren hebben mij omringd, buffels van Basan hebben mij omsingeld;

12 Many bulls have compassed me: strong [bulls] of Bashan have beset me round.

13 Vele varren hebben mij omsingeld, sterke [stieren] van Basan hebben mij omringd.

PS 22:14 zij sperren hun muil tegen mij open - een verscheurende, brullende leeuw.

13 They gaped upon me [with] their mouths, [as] a ravening and a roaring lion.

14 Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, [als] een verscheurende en brullende leeuw.

PS 22:15 Als water ben ik uitgestort en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is geworden als was, het is gesmolten in mijn binnenste;

14 I am poured out like water, and all my bones are out of joint: my heart is like wax; it is melted in the midst of my bowels.

15 Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.

PS 22:16 verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof des doods legt Gij mij neer.

15 My strength is dried up like a potsherd; and my tongue cleaveth to my jaws; and thou hast brought me into the dust of death.

16 Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.

PS 22:17 Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren.

16 For dogs have compassed me: the assembly of the wicked have inclosed me: they pierced my hands and my feet.

17 Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.

PS 22:18 Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij.

17 I may tell all my bones: they look [and] stare upon me.

18 Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.

PS 22:19 Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad.

18 They part my garments among them, and cast lots upon my vesture.

19 Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

PS 22:20 Maar Gij, HERE, wees niet verre; mijn sterkte, haast U mij ter hulpe.

19 But be not thou far from me, O LORD: O my strength, haste thee to help me.

20 Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.

PS 22:21 Red van het zwaard mijn ziel, mijn eenzame, van het geweld van de hond.

20 Deliver my soul from the sword; my darling from the power of the dog.

21 Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.

PS 22:22 Verlos mij uit de muil van de leeuw, en van de horens der woudossen. Gij hebt mij geantwoord!

21 Save me from the lion's mouth: for thou hast heard me from the horns of the unicorns.

22 Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.

PS 22:23 Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen.

22 I will declare thy name unto my brethren: in the midst of the congregation will I praise thee.

23 Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.

PS 22:24 Gij, die de HERE vreest, looft Hem, verheerlijkt Hem, gij ganse nageslacht van Jakob, en hebt ontzag voor Hem, gij ganse nageslacht van Israël.

23 Ye that fear the LORD, praise him; all ye the seed of Jacob, glorify him; and fear him, all ye the seed of Israel.

24 Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!

PS 22:25 Want Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende van de ellendige, en zijn aangezicht niet voor hem verborgen, maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep.

24 For he hath not despised nor abhorred the affliction of the afflicted; neither hath he hid his face from him; but when he cried unto him, he heard.

25 Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.

PS 22:26 Van U komt mijn lof in een grote gemeente, mijn geloften zal ik betalen in de tegenwoordigheid van wie Hem vrezen.

25 My praise [shall be] of thee in the great congregation: I will pay my vows before them that fear him.

26 Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.

PS 22:27 De ootmoedigen zullen eten en verzadigd worden, wie de HERE zoeken, zullen Hem loven, uw hart leve op, voor immer.

26 The meek shall eat and be satisfied: they shall praise the LORD that seek him: your heart shall live for ever.

27 De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.

PS 22:28 Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de HERE bekeren; alle geslachten der volken zullen zich nederbuigen voor uw aangezicht.

27 All the ends of the world shall remember and turn unto the LORD: and all the kindreds of the nations shall worship before thee.

28 Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.

PS 22:29 Want het koninkrijk is des HEREN, Hij is heerser over de volken.

28 For the kingdom [is] the LORD'S: and he [is] the governor among the nations.

29 Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.

PS 22:30 Alle welgedanen der aarde eten en aanbidden; voor Hem knielen allen die in het stof nederdalen, en wie zijn ziel niet in leven kan houden.

29 All [they that be] fat upon earth shall eat and worship: all they that go down to the dust shall bow before him: and none can keep alive his own soul.

30 Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.

PS 22:31 Het nakroost zal Hem dienen, er zal van de Here verteld worden aan het komende geslacht;

30 A seed shall serve him; it shall be accounted to the Lord for a generation.

31 Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten.

PS 22:32 zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk dat geboren zal worden, omdat Hij het gedaan heeft.

31 They shall come, and shall declare his righteousness unto a people that shall be born, that he hath done [this].

32 Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.

PS 23:1 Een psalm van David. De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets;

1 A Psalm of David. The LORD [is] my shepherd; I shall not want.

1 Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.

PS 23:2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren;

2 He maketh me to lie down in green pastures: he leadeth me beside the still waters.

2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.

PS 23:3 Hij verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen om zijns naams wil.

3 He restoreth my soul: he leadeth me in the paths of righteousness for his name's sake.

3 Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.

PS 23:4 Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij.

4 Yea, though I walk through the valley of the shadow of death, I will fear no evil: for thou [art] with me; thy rod and thy staff they comfort me.

4 Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.

PS 23:5 Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.

5 Thou preparest a table before me in the presence of mine enemies: thou anointest my head with oil; my cup runneth over.

5 Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.

PS 23:6 Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven; ik zal in het huis des HEREN verblijven tot in lengte van dagen.

6 Surely goodness and mercy shall follow me all the days of my life: and I will dwell in the house of the LORD for ever.

6 Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.

PS 24:1 Van David. Een psalm. Des HEREN is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarop wonen.

1 A Psalm of David. The earth [is] the LORD'S, and the fulness thereof; the world, and they that dwell therein.

1 Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.

PS 24:2 Want Hij heeft haar op de zeeën gegrond en op de stromen gevestigd.

2 For he hath founded it upon the seas, and established it upon the floods.

2 Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.

PS 24:3 Wie mag de berg des HEREN beklimmen, wie mag staan in zijn heilige stede?

3 Who shall ascend into the hill of the LORD? or who shall stand in his holy place?

3 Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?

PS 24:4 Die rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel niet op valsheid richt, noch bedrieglijk zweert.

4 He that hath clean hands, and a pure heart; who hath not lifted up his soul unto vanity, nor sworn deceitfully.

4 Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;

PS 24:5 Die zal van de HERE een zegen wegdragen en gerechtigheid van de God zijns heils.

5 He shall receive the blessing from the LORD, and righteousness from the God of his salvation.

5 Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.

PS 24:6 Dat is het geslacht van wie naar Hem vragen; die uw aanschijn zoeken; dat is Jakob. Sela

6 This [is] the generation of them that seek him, that seek thy face, O Jacob. Selah.

6 Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, [dat] is Jakob! Sela.

PS 24:7 Heft, poorten, uw hoofden omhoog, en verheft u, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga.

7 Lift up your heads, O ye gates; and be ye lift up, ye everlasting doors; and the King of glory shall come in.

7 Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!

PS 24:8 Wie is toch de Koning der ere? De HERE, sterk en geweldig, de HERE, geweldig in de strijd.

8 Who [is] this King of glory? The LORD strong and mighty, the LORD mighty in battle.

8 Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.

PS 24:9 Heft, poorten, uw hoofden omhoog, en verheft ze, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga.

9 Lift up your heads, O ye gates; even lift [them] up, ye everlasting doors; and the King of glory shall come in.

9 Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!

PS 24:10 Wie is Hij toch, de Koning der ere? De HERE der heerscharen, Hij is de Koning der ere. Sela

10 Who is this King of glory? The LORD of hosts, he [is] the King of glory. Selah.

10 Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.

PS 25:1 Van David. Tot U, HERE, hef ik mijn ziel op;

1 [A Psalm] of David. Unto thee, O LORD, do I lift up my soul.

1 [Een] [psalm] van David. [Aleph]. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.

PS 25:2 mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden, laten mijn vijanden niet over mij juichen.

2 O my God, I trust in thee: let me not be ashamed, let not mine enemies triumph over me.

2 [Beth]. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.

PS 25:3 Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd, beschaamd worden wie trouweloos handelen zonder oorzaak.

3 Yea, let none that wait on thee be ashamed: let them be ashamed which transgress without cause.

3 [Gimel]. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.

PS 25:4 HERE, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden,

4 Shew me thy ways, O LORD; teach me thy paths.

4 [Daleth]. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.

PS 25:5 leid mij in uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils, U verwacht ik de ganse dag.

5 Lead me in thy truth, and teach me: for thou [art] the God of my salvation; on thee do I wait all the day.

5 [He]. [Vau]. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag.

PS 25:6 Gedenk uw barmhartigheid, HERE, en uw gunstbewijzen, want die zijn van eeuwigheid;

6 Remember, O LORD, thy tender mercies and thy lovingkindnesses; for they [have been] ever of old.

6 [Zain]. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.

PS 25:7 gedenk niet de zonden van mijn jeugd, noch mijn overtredingen, gedenk mijner naar uw goedertierenheid, om uwer goedheid wil, HERE.

7 Remember not the sins of my youth, nor my transgressions: according to thy mercy remember thou me for thy goodness' sake, O LORD.

7 [Cheth]. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!

PS 25:8 Goed en waarachtig is de HERE; daarom onderwijst Hij de zondaars aangaande de weg.

8 Good and upright [is] the LORD: therefore will he teach sinners in the way.

8 [Teth]. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.

PS 25:9 Ootmoedigen doet Hij wandelen in het recht, en Hij leert ootmoedigen zijn weg.

9 The meek will he guide in judgment: and the meek will he teach his way.

9 [Jod]. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.

PS 25:10 Alle paden des HEREN zijn goedertierenheid en trouw voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren.

10 All the paths of the LORD [are] mercy and truth unto such as keep his covenant and his testimonies.

10 [Caph]. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.

PS 25:11 Om uws naams wil, HERE, vergeef mij mijn ongerechtigheid, want die is groot.

11 For thy name's sake, O LORD, pardon mine iniquity; for it [is] great.

11 [Lamed]. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.

PS 25:12 Wie is de man die de HERE vreest? Hij onderwijst hem aangaande de weg die hij moet kiezen.

12 What man [is] he that feareth the LORD? him shall he teach in the way [that] he shall choose.

12 [Mem]. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, [dien] hij zal hebben te verkiezen.

PS 25:13 Hij zelf zal in voorspoed vertoeven, en zijn nageslacht zal het land beërven.

13 His soul shall dwell at ease; and his seed shall inherit the earth.

13 [Nun]. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven.

PS 25:14 Des HEREN vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen, en zijn verbond maakt Hij hun bekend.

14 The secret of the LORD [is] with them that fear him; and he will shew them his covenant.

14 [Samech]. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun [die] bekend te maken.

PS 25:15 Mijn ogen zijn bestendig op de HERE, want Hij voert mijn voeten uit het net.

15 Mine eyes [are] ever toward the LORD; for he shall pluck my feet out of the net.

15 [Ain]. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.

PS 25:16 Wend U tot mij en wees mij genadig, want eenzaam ben ik en ellendig.

16 Turn thee unto me, and have mercy upon me; for I [am] desolate and afflicted.

16 [Pe]. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.

PS 25:17 De benauwdheden mijns harten hebben zich uitgebreid, voer mij uit mijn angsten.

17 The troubles of my heart are enlarged: [O] bring thou me out of my distresses.

17 [Tsade]. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.

PS 25:18 Zie op mijn ellende en mijn moeite, en vergeef al mijn zonden.

18 Look upon mine affliction and my pain; and forgive all my sins.

18 [Resch]. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.

PS 25:19 Zie, hoe talrijk zijn mijn vijanden, en met welk een boosaardige haat haten zij mij.

19 Consider mine enemies; for they are many; and they hate me with cruel hatred.

19 [Resch]. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.

PS 25:20 Bewaar toch mijn ziel en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want bij U schuil ik.

20 O keep my soul, and deliver me: let me not be ashamed; for I put my trust in thee.

20 [Schin]. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.

PS 25:21 Vroomheid en oprechtheid mogen mij behoeden, want U verwacht ik.

21 Let integrity and uprightness preserve me; for I wait on thee.

21 [Thau]. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.

PS 25:22 O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.

22 Redeem Israel, O God, out of all his troubles.

22 O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden.

PS 26:1 Van David. Doe mij recht, HERE, want ik heb in onschuld gewandeld; op de HERE heb ik vertrouwd zonder te wankelen.

1 [A Psalm] of David. Judge me, O LORD; for I have walked in mine integrity: I have trusted also in the LORD; [therefore] I shall not slide.

1 [Een] [psalm] van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.

PS 26:2 Toets mij, HERE, en beproef mij, keur mijn nieren en mijn hart.

2 Examine me, O LORD, and prove me; try my reins and my heart.

2 Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.

PS 26:3 Want uw goedertierenheid houd ik voor ogen, en ik wandel in uw waarheid.

3 For thy lovingkindness [is] before mine eyes: and I have walked in thy truth.

3 Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.

PS 26:4 Bij de valsaards zit ik niet neer, met de huichelaars ga ik niet om;

4 I have not sat with vain persons, neither will I go in with dissemblers.

4 Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.

PS 26:5 ik haat het gezelschap der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet neer.

5 I have hated the congregation of evil doers; and will not sit with the wicked.

5 Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.

PS 26:6 Ik was mijn handen in onschuld, en maak de omgang om uw altaar, o HERE,

6 I will wash mine hands in innocency: so will I compass thine altar, O LORD:

6 Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!

PS 26:7 terwijl ik luide een loflied doe horen, en al uw wonderen vertel.

7 That I may publish with the voice of thanksgiving, and tell of all thy wondrous works.

7 Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.

PS 26:8 HERE, ik heb lief de stede van uw huis, de woonplaats van uw heerlijkheid.

8 LORD, I have loved the habitation of thy house, and the place where thine honour dwelleth.

8 HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.

PS 26:9 Raap mijn ziel niet weg met de zondaars, noch mijn leven met hen die bloed vergieten,

9 Gather not my soul with sinners, nor my life with bloody men:

9 Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;

PS 26:10 aan wier handen misdaad kleeft, en wier rechterhand vol is van geschenken.

10 In whose hands [is] mischief, and their right hand is full of bribes.

10 In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.

PS 26:11 Ik echter wandel in onschuld - verlos mij en wees mij genadig.

11 But as for me, I will walk in mine integrity: redeem me, and be merciful unto me.

11 Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij [dan] en wees mij genadig.

PS 26:12 Mijn voet staat op effen baan - in de samenkomsten zal ik de HERE prijzen.

12 My foot standeth in an even place: in the congregations will I bless the LORD.

12 Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.

PS 27:1 Van David. De HERE is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De HERE is mijns levens veste, voor wie zou ik vervaard zijn?

1 [A Psalm] of David. The LORD [is] my light and my salvation; whom shall I fear? the LORD [is] the strength of my life; of whom shall I be afraid?

1 [Een] [psalm] van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?

PS 27:2 Toen boosdoeners op mij afkwamen om mijn vlees te eten - mijn tegenstanders en mijn vijanden - zijn zij zelf gestruikeld en gevallen.

2 When the wicked, [even] mine enemies and my foes, came upon me to eat up my flesh, they stumbled and fell.

2 Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.

PS 27:3 Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest niet; al verheft zich een krijg tegen mij, nochtans blijf ik vertrouwen.

3 Though an host should encamp against me, my heart shall not fear: though war should rise against me, in this [will] I [be] confident.

3 Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.

PS 27:4 Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel.

4 One [thing] have I desired of the LORD, that will I seek after; that I may dwell in the house of the LORD all the days of my life, to behold the beauty of the LORD, and to enquire in his temple.

4 Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.

PS 27:5 Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots.

5 For in the time of trouble he shall hide me in his pavilion: in the secret of his tabernacle shall he hide me; he shall set me up upon a rock.

5 Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.

PS 27:6 En nu heft mijn hoofd zich op boven mijn vijanden rondom mij; daarom wil ik in zijn tent offeren offers met geschal, ik wil zingen, ja psalmzingen de HERE.

6 And now shall mine head be lifted up above mine enemies round about me: therefore will I offer in his tabernacle sacrifices of joy; I will sing, yea, I will sing praises unto the LORD.

6 Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.

PS 27:7 Hoor, HERE, hoe ik luide roep, wees mij genadig en antwoord mij.

7 Hear, O LORD, [when] I cry with my voice: have mercy also upon me, and answer me.

7 Hoor, HEERE! mijn stem, [als] ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.

PS 27:8 Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezicht. Ik zoek uw aangezicht, HERE.

8 [When thou saidst], Seek ye my face; my heart said unto thee, Thy face, LORD, will I seek.

8 Mijn hart zegt tot U: [Gij] [zegt]: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!

PS 27:9 Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uw knecht niet af in toorn, Gij waart mijn hulp; verwerp mij niet en verlaat mij niet, o God mijns heils.

9 Hide not thy face [far] from me; put not thy servant away in anger: thou hast been my help; leave me not, neither forsake me, O God of my salvation.

9 Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!

PS 27:10 Al hebben mijn vader en moeder mij verlaten, toch neemt de HERE mij aan.

10 When my father and my mother forsake me, then the LORD will take me up.

10 Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.

PS 27:11 Onderwijs mij, HERE, uw weg en leid mij op een effen pad om mijner belagers wil;

11 Teach me thy way, O LORD, and lead me in a plain path, because of mine enemies.

11 HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.

PS 27:12 geef mij niet prijs aan de lust van mijn tegenstanders, want valse getuigen staan tegen mij op, en hij die geweld blaast.

12 Deliver me not over unto the will of mine enemies: for false witnesses are risen up against me, and such as breathe out cruelty.

12 Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.

PS 27:13 O, als ik niet had geloofd des HEREN goedheid te zullen zien in het land der levenden!

13 [I had fainted], unless I had believed to see the goodness of the LORD in the land of the living.

13 Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, [ik] [ware] [vergaan].

PS 27:14 Wacht op de HERE, wees sterk, uw hart zij onversaagd; ja wacht op de HERE.

14 Wait on the LORD: be of good courage, and he shall strengthen thine heart: wait, I say, on the LORD.

14 Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.

PS 28:1 Van David. Tot U roep ik, HERE, mijn rots; wend U niet zwijgend van mij af, opdat ik niet, als Gij tegen mij blijft zwijgen, worde als zij die in de groeve nederdalen.

1 [A Psalm] of David. Unto thee will I cry, O LORD my rock; be not silent to me: lest, [if] thou be silent to me, I become like them that go down into the pit.

1 [Een] [psalm] van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, [zo] Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.

PS 28:2 Hoor naar mijn luide smekingen, als ik tot U roep om hulp, en mijn handen ophef naar uw binnenste heiligdom.

2 Hear the voice of my supplications, when I cry unto thee, when I lift up my hands toward thy holy oracle.

2 Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.

PS 28:3 Ruk mij niet weg met de goddelozen, noch met de bedrijvers van ongerechtigheid, die met hun naasten vriendelijk spreken, terwijl boosheid in hun hart is.

3 Draw me not away with the wicked, and with the workers of iniquity, which speak peace to their neighbours, but mischief [is] in their hearts.

3 Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.

PS 28:4 Geef hun naar hun handeling en naar hun schandelijk gedrag; geef hun naar het werk van hun handen, vergeld hun naar hun doen.

4 Give them according to their deeds, and according to the wickedness of their endeavours: give them after the work of their hands; render to them their desert.

4 Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.

PS 28:5 Omdat zij niet letten op de daden des HEREN noch op het werk zijner handen, zal Hij hen afbreken en hen niet opbouwen.

5 Because they regard not the works of the LORD, nor the operation of his hands, he shall destroy them, and not build them up.

5 Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.

PS 28:6 Geprezen zij de HERE, want Hij heeft gehoord mijn luide smekingen.

6 Blessed [be] the LORD, because he hath heard the voice of my supplications.

6 Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.

PS 28:7 De HERE is mijn kracht en mijn schild; op Hem vertrouwde mijn hart en ik werd geholpen. Daarom juicht mijn hart en loof ik Hem met mijn lied.

7 The LORD [is] my strength and my shield; my heart trusted in him, and I am helped: therefore my heart greatly rejoiceth; and with my song will I praise him.

7 De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.

PS 28:8 De HERE is hun kracht, een veste des heils is Hij voor zijn gezalfde.

8 The LORD [is] their strength, and he [is] the saving strength of his anointed.

8 De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.

PS 28:9 Verlos dan uw volk en zegen uw erfdeel, weid hen en draag hen tot in eeuwigheid.

9 Save thy people, and bless thine inheritance: feed them also, and lift them up for ever.

9 Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.

PS 29:1 Een psalm van David. Geeft de HERE, gij hemelingen, geeft de HERE heerlijkheid en sterkte;

1 A Psalm of David. Give unto the LORD, O ye mighty, give unto the LORD glory and strength.

1 Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte.

PS 29:2 geeft de HERE de heerlijkheid van zijn naam, buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos.

2 Give unto the LORD the glory due unto his name; worship the LORD in the beauty of holiness.

2 Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.

PS 29:3 De stem des HEREN is over de wateren, de God der heerlijkheid doet de donder weerklinken, de HERE over de geweldige wateren.

3 The voice of the LORD [is] upon the waters: the God of glory thundereth: the LORD [is] upon many waters.

3 De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.

PS 29:4 De stem des HEREN is vol kracht, de stem des HEREN is vol glorie.

4 The voice of the LORD [is] powerful; the voice of the LORD [is] full of majesty.

4 De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.

PS 29:5 De stem des HEREN breekt ceders, ja, de HERE verbreekt de ceders van de Libanon.

5 The voice of the LORD breaketh the cedars; yea, the LORD breaketh the cedars of Lebanon.

5 De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.

PS 29:6 Hij doet ze opspringen als een stierkalf, de Libanon en de Sirjon als een jonge woudos.

6 He maketh them also to skip like a calf; Lebanon and Sirion like a young unicorn.

6 En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.

PS 29:7 De stem des HEREN klieft vuurvlammen,

7 The voice of the LORD divideth the flames of fire.

7 De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.

PS 29:8 de stem des HEREN doet de woestijn beven; de HERE doet de woestijn van Kades beven;

8 The voice of the LORD shaketh the wilderness; the LORD shaketh the wilderness of Kadesh.

8 De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.

PS 29:9 de stem des HEREN doet de hinden jongen werpen en zij ontschorst de wouden. Maar in zijn paleis zegt ieder: Ere!

9 The voice of the LORD maketh the hinds to calve, and discovereth the forests: and in his temple doth every one speak of [his] glory.

9 De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt [Hem] een iegelijk eer.

PS 29:10 De HERE troonde boven de zondvloed, ja, de HERE troont als koning in eeuwigheid.

10 The LORD sitteth upon the flood; yea, the LORD sitteth King for ever.

10 De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid.

PS 29:11 De HERE zal zijn volk sterkte verlenen, de HERE zal zijn volk zegenen met vrede.

11 The LORD will give strength unto his people; the LORD will bless his people with peace.

11 De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.

PS 30:1 Een psalm. Een lied voor de tempelwijding. Van David.

1 A Psalm [and] Song [at] the dedication of the house of David.

1 Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.

PS 30:2 Ik zal U verhogen, HERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden geen vreugde over mij gegeven.

I will extol thee, O LORD; for thou hast lifted me up, and hast not made my foes to rejoice over me.

2 Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.

PS 30:3 HERE, mijn God, tot U riep ik om hulp, en Gij hebt mij genezen.

2 O LORD my God, I cried unto thee, and thou hast healed me.

3 HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.

PS 30:4 HERE, Gij deedt mij opkomen uit het dodenrijk, Gij hebt mij leven gegeven, zodat ik niet in de groeve nederdaalde.

3 O LORD, thou hast brought up my soul from the grave: thou hast kept me alive, that I should not go down to the pit.

4 HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.

PS 30:5 Psalmzingt de HERE, gij zijn gunstgenoten, en looft zijn heilige naam;

4 Sing unto the LORD, O ye saints of his, and give thanks at the remembrance of his holiness.

5 Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

PS 30:6 want een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen; des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich.

5 For his anger [endureth but] a moment; in his favour [is] life: weeping may endure for a night, but joy [cometh] in the morning.

6 Want een ogenblik is er in Zijn toorn, [maar] een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.

PS 30:7 In mijn onbezorgdheid had ik gedacht: ik zal nimmer wankelen -

6 And in my prosperity I said, I shall never be moved.

7 Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.

PS 30:8 HERE, door uw welbehagen hadt Gij mijn berg bevestigd - Gij verborgt uw aangezicht, ik stond verschrikt.

7 LORD, by thy favour thou hast made my mountain to stand strong: thou didst hide thy face, [and] I was troubled.

8 [Want], HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; [maar] [toen] Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.

PS 30:9 Tot U, HERE, riep ik, en tot de Here smeekte ik om genade:

8 I cried to thee, O LORD; and unto the LORD I made supplication.

9 Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:

PS 30:10 Wat voor gewin ligt er in mijn bloed, in mijn nederdalen in de groeve? Kan het stof U loven, kan dat uw trouw vermelden?

9 What profit [is there] in my blood, when I go down to the pit? Shall the dust praise thee? shall it declare thy truth?

10 Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?

PS 30:11 Hoor, HERE, en wees mij genadig, HERE, wees mij een helper.

10 Hear, O LORD, and have mercy upon me: LORD, be thou my helper.

11 Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.

PS 30:12 Mijn rouwklacht hebt Gij veranderd in een reidans, mijn rouwkleed hebt Gij losgemaakt, met vreugde mij omgord,

11 Thou hast turned for me my mourning into dancing: thou hast put off my sackcloth, and girded me with gladness;

12 Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;

PS 30:13 opdat mijn ziel U zou psalmzingen, en nimmer verstommen. HERE, mijn God, voor altoos zal ik U loven.

12 To the end that [my] glory may sing praise to thee, and not be silent. O LORD my God, I will give thanks unto thee for ever.

13 Opdat [mijn] eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.

PS 31:1 Voor de koorleider. Een psalm van David.

1 To the chief Musician, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

PS 31:2 Bij U, HERE, schuil ik, laat mij nimmer beschaamd worden. Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid,

In thee, O LORD, do I put my trust; let me never be ashamed: deliver me in thy righteousness.

2 Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.

PS 31:3 neig uw oor tot mij, red mij haastig. Wees mij tot een beschuttende rots, tot een sterke vesting om mij te redden;

2 Bow down thine ear to me; deliver me speedily: be thou my strong rock, for an house of defence to save me.

3 Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.

PS 31:4 want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting, en om uws naams wil zult Gij mij voeren en leiden.

3 For thou [art] my rock and my fortress; therefore for thy name's sake lead me, and guide me.

4 Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.

PS 31:5 Gij zult mij trekken uit het net dat men voor mij had verborgen, want Gij zijt mijn veste.

4 Pull me out of the net that they have laid privily for me: for thou [art] my strength.

5 Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.

PS 31:6 In uw hand beveel ik mijn geest; Gij verlost mij, HERE, getrouwe God.

5 Into thine hand I commit my spirit: thou hast redeemed me, O LORD God of truth.

6 In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!

PS 31:7 Ik haat hen die ijdele nietigheden vereren; ik immers vertrouw op de HERE.

6 I have hated them that regard lying vanities: but I trust in the LORD.

7 Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.

PS 31:8 Ik wil juichen en mij verheugen over uw goedertierenheid, daar Gij acht hebt geslagen op mijn ellende, hebt geweten van de benauwdheden mijner ziel.

7 I will be glad and rejoice in thy mercy: for thou hast considered my trouble; thou hast known my soul in adversities;

8 Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, [en] mijn ziel in benauwdheden gekend;

PS 31:9 Gij toch hebt mij aan de vijand niet prijsgegeven, Gij hebt mijn voeten in de ruimte doen staan.

8 And hast not shut me up into the hand of the enemy: thou hast set my feet in a large room.

9 En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.

PS 31:10 Wees mij genadig, o HERE, want ik ben benauwd; van verdriet verkwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam.

9 Have mercy upon me, O LORD, for I am in trouble: mine eye is consumed with grief, [yea], my soul and my belly.

10 Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

PS 31:11 Want mijn leven vergaat in kommer en mijn jaren in zuchten, mijn kracht struikelt door mijn ongerechtigheid, en mijn gebeente verkwijnt.

10 For my life is spent with grief, and my years with sighing: my strength faileth because of mine iniquity, and my bones are consumed.

11 Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.

PS 31:12 Voor allen die mij benauwen, ben ik tot een smaad geworden, voor mijn buren allermeest, en voor mijn bekenden tot een schrik; wie mij op straat zien, vluchten voor mij weg.

11 I was a reproach among all mine enemies, but especially among my neighbours, and a fear to mine acquaintance: they that did see me without fled from me.

12 Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.

PS 31:13 Vergeten ben ik, uit het hart, als een dode; ik ben geworden als gebroken vaatwerk.

12 I am forgotten as a dead man out of mind: I am like a broken vessel.

13 Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.

PS 31:14 Want ik hoor het gemompel van velen - schrik van rondom -; terwijl zij met elkander tegen mij beraadslagen, smeden zij plannen om mij het leven te benemen.

13 For I have heard the slander of many: fear [was] on every side: while they took counsel together against me, they devised to take away my life.

14 Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.

PS 31:15 Maar ik vertrouw op U, HERE, ik zeg: Gij zijt mijn God.

14 But I trusted in thee, O LORD: I said, Thou [art] my God.

15 Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.

PS 31:16 Mijn tijden zijn in uw hand, red mij uit de hand van mijn vijanden en vervolgers.

15 My times [are] in thy hand: deliver me from the hand of mine enemies, and from them that persecute me.

16 Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.

PS 31:17 Doe uw aanschijn lichten over uw knecht, verlos mij door uw goedertierenheid.

16 Make thy face to shine upon thy servant: save me for thy mercies' sake.

17 Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.

PS 31:18 HERE, laat mij niet beschaamd worden, want U roep ik aan; laten de goddelozen beschaamd worden, tot zwijgen gebracht in het dodenrijk.

17 Let me not be ashamed, O LORD; for I have called upon thee: let the wicked be ashamed, [and] let them be silent in the grave.

18 HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

PS 31:19 Laten de leugenlippen verstommen, die tegen de rechtvaardige verwaten spreken, met trots en hoon.

18 Let the lying lips be put to silence; which speak grievous things proudly and contemptuously against the righteous.

19 Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.

PS 31:20 Hoe groot is het goed dat Gij hebt weggelegd voor wie U vrezen, dat Gij bereid hebt voor wie bij U schuilen ten aanschouwen van de mensenkinderen.

19 [Oh] how great [is] thy goodness, which thou hast laid up for them that fear thee; [which] thou hast wrought for them that trust in thee before the sons of men!

20 O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; [dat] Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!

PS 31:21 Gij verbergt hen in het verborgene van uw aanschijn voor de samenscholing der mensen; Gij bergt hen in een hut voor het getwist der tongen.

20 Thou shalt hide them in the secret of thy presence from the pride of man: thou shalt keep them secretly in a pavilion from the strife of tongues.

21 Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor de twist der tongen.

PS 31:22 Geprezen zij de HERE, want Hij heeft mij wonderbare goedertierenheid betoond in de gloed der benauwdheid.

21 Blessed [be] the LORD: for he hath shewed me his marvellous kindness in a strong city.

22 Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, [mij] [voerende] [als] in een vaste stad.

PS 31:23 Terwijl ik in mijn angst dacht: ik ben verbannen uit uw oog - hebt Gij voorwaar mijn luide smekingen gehoord, toen ik tot U riep om hulp.

22 For I said in my haste, I am cut off from before thine eyes: nevertheless thou heardest the voice of my supplications when I cried unto thee.

23 Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.

PS 31:24 Hebt de HERE lief, al zijn gunstgenoten; de HERE bewaart de getrouwen, maar ruimschoots vergeldt Hij de trotsen.

23 O love the LORD, all ye his saints: [for] the LORD preserveth the faithful, and plentifully rewardeth the proud doer.

24 Hebt den HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! [want] de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft.

PS 31:25 Weest sterk en uw hart zij onversaagd, gij allen, die op de HERE hoopt.

24 Be of good courage, and he shall strengthen your heart, all ye that hope in the LORD.

25 Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt!

PS 32:1 Van David. Een leerdicht. Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is;

1 [A Psalm] of David, Maschil. Blessed [is he whose] transgression [is] forgiven, [whose] sin [is] covered.

1 Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

PS 32:2 welzalig de mens, wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

2 Blessed [is] the man unto whom the LORD imputeth not iniquity, and in whose spirit [there is] no guile.

2 Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

PS 32:3 Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag;

3 When I kept silence, my bones waxed old through my roaring all the day long.

3 Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

PS 32:4 want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte. Sela

4 For day and night thy hand was heavy upon me: my moisture is turned into the drought of summer. Selah.

4 Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.

PS 32:5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden. Sela

5 I acknowledged my sin unto thee, and mine iniquity have I not hid. I said, I will confess my transgressions unto the LORD; and thou forgavest the iniquity of my sin. Selah.

5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.

PS 32:6 Daarom bidde iedere vrome tot U ten tijde dat Gij U laat vinden; zelfs bij een stortvloed van geweldige wateren zullen die hem niet bereiken.

6 For this shall every one that is godly pray unto thee in a time when thou mayest be found: surely in the floods of great waters they shall not come nigh unto him.

6 Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.

PS 32:7 Gij zijt mij een verberging, Gij bewaart mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met jubelzangen van bevrijding. Sela

7 Thou [art] my hiding place; thou shalt preserve me from trouble; thou shalt compass me about with songs of deliverance. Selah.

7 Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.

PS 32:8 Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; mijn oog is op u.

8 I will instruct thee and teach thee in the way which thou shalt go: I will guide thee with mine eye.

8 Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.

PS 32:9 Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men bedwingt met toom en bit, opdat het u niet te na kome.

9 Be ye not as the horse, [or] as the mule, [which] have no understanding: whose mouth must be held in with bit and bridle, lest they come near unto thee.

9 Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.

PS 32:10 Talrijk zijn de smarten van de goddeloze, maar wie op de HERE vertrouwt, die omringt Hij met goedertierenheid.

10 Many sorrows [shall be] to the wicked: but he that trusteth in the LORD, mercy shall compass him about.

10 De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.

PS 32:11 Verheugt u in de HERE en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt allen, gij oprechten van hart.

11 Be glad in the LORD, and rejoice, ye righteous: and shout for joy, all [ye that are] upright in heart.

11 Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!

PS 33:1 Jubelt, gij rechtvaardigen, in de HERE, een lofzang betaamt de oprechten.

1 Rejoice in the LORD, O ye righteous: [for] praise is comely for the upright.

1 Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.

PS 33:2 Looft de HERE met de citer, psalmzingt Hem met de tiensnarige harp.

2 Praise the LORD with harp: sing unto him with the psaltery [and] an instrument of ten strings.

2 Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, [en] het tiensnarig instrument.

PS 33:3 Zingt Hem een nieuw lied, speelt schoon op de snaren onder geschal.

3 Sing unto him a new song; play skilfully with a loud noise.

3 Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.

PS 33:4 Want des HEREN woord is waarachtig, al zijn werk geschiedt in trouw;

4 For the word of the LORD [is] right; and all his works [are done] in truth.

4 Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.

PS 33:5 Hij heeft gerechtigheid en recht lief, de aarde is vol van de goedertierenheid des HEREN.

5 He loveth righteousness and judgment: the earth is full of the goodness of the LORD.

5 Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.

PS 33:6 Door het woord des HEREN zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond al hun heer.

6 By the word of the LORD were the heavens made; and all the host of them by the breath of his mouth.

6 Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.

PS 33:7 Hij verzamelt het water der zee als een dam, Hij legt watervloeden in schatkamers op.

7 He gathereth the waters of the sea together as an heap: he layeth up the depth in storehouses.

7 Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.

PS 33:8 De ganse aarde vreze voor de HERE, al de bewoners der wereld moeten voor Hem ontzag hebben.

8 Let all the earth fear the LORD: let all the inhabitants of the world stand in awe of him.

8 Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.

PS 33:9 Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er.

9 For he spake, and it was [done]; he commanded, and it stood fast.

9 Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.

PS 33:10 De HERE verbreekt de raad der volken, Hij verijdelt de gedachten der natiën;

10 The LORD bringeth the counsel of the heathen to nought: he maketh the devices of the people of none effect.

10 De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.

PS 33:11 de raad des HEREN houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht.

11 The counsel of the LORD standeth for ever, the thoughts of his heart to all generations.

11 [Maar] de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.

PS 33:12 Welzalig het volk, welks God de HERE is, de natie, die Hij Zich ten erfdeel koos.

12 Blessed [is] the nation whose God [is] the LORD; [and] the people [whom] he hath chosen for his own inheritance.

12 Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.

PS 33:13 De HERE schouwt uit de hemel, Hij slaat alle mensenkinderen gade;

13 The LORD looketh from heaven; he beholdeth all the sons of men.

13 De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.

PS 33:14 uit zijn woonplaats ziet Hij naar alle bewoners der aarde,

14 From the place of his habitation he looketh upon all the inhabitants of the earth.

14 Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.

PS 33:15 Hij, die hun aller harten vormt, die al hun werken doorgrondt.

15 He fashioneth their hearts alike; he considereth all their works.

15 Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.

PS 33:16 Geen koning wordt behouden door een machtig leger, geen held wordt gered door geweldige kracht;

16 There is no king saved by the multitude of an host: a mighty man is not delivered by much strength.

16 Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;

PS 33:17 het paard faalt ter overwinning, en doet niet ontkomen door zijn geweldige sterkte.

17 An horse [is] a vain thing for safety: neither shall he deliver [any] by his great strength.

17 Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.

PS 33:18 Zie, des HEREN oog is op hen die Hem vrezen, die op zijn goedertierenheid hopen,

18 Behold, the eye of the LORD [is] upon them that fear him, upon them that hope in his mercy;

18 Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.

PS 33:19 om hun ziel van de dood te redden, en hen in het leven te houden in hongersnood.

19 To deliver their soul from death, and to keep them alive in famine.

19 Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.

PS 33:20 Onze ziel verwacht de HERE, Hij is onze hulp en ons schild.

20 Our soul waiteth for the LORD: he [is] our help and our shield.

20 Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.

PS 33:21 Ja, in Hem verheugt zich ons hart, ja, op zijn heilige naam vertrouwen wij.

21 For our heart shall rejoice in him, because we have trusted in his holy name.

21 Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.

PS 33:22 Uw goedertierenheid, HERE, zij over ons, gelijk wij op U hopen.

22 Let thy mercy, O LORD, be upon us, according as we hope in thee.

22 Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.

PS 34:1 Van David, toen hij zich bij Abimelek als een waanzinnige gedroeg, zodat deze hem wegjoeg, en hij heenging.

1 [A Psalm] of David, when he changed his behaviour before Abimelech; who drove him away, and he departed.

1 [Een] [psalm] van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.

PS 34:2 Ik wil de HERE te allen tijde prijzen, bestendig zij zijn lof in mijn mond.

I will bless the LORD at all times: his praise [shall] continually [be] in my mouth.

2 [Aleph]. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.

PS 34:3 In de HERE beroeme zich mijn ziel; laten de ootmoedigen het horen en zich verheugen.

2 My soul shall make her boast in the LORD: the humble shall hear [thereof], and be glad.

3 [Beth]. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.

PS 34:4 Maakt met mij de HERE groot, en laat ons tezamen zijn naam verheffen.

3 O magnify the LORD with me, and let us exalt his name together.

4 [Gimel]. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.

PS 34:5 Ik zocht de HERE en Hij antwoordde mij, Hij redde mij uit al mijn verschrikkingen.

4 I sought the LORD, and he heard me, and delivered me from all my fears.

5 [Daleth]. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.

PS 34:6 Zij schouwen naar Hem en stralen van vreugde, en hun aangezicht zal niet schaamrood worden.

5 They looked unto him, and were lightened: and their faces were not ashamed.

6 [He]. [Vau]. Zij hebben op Hem gezien, ja, [Hem] als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

PS 34:7 Deze ellendige hier riep en de HERE hoorde, Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.

6 This poor man cried, and the LORD heard [him], and saved him out of all his troubles.

7 [Zain]. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.

PS 34:8 De Engel des HEREN legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen.

7 The angel of the LORD encampeth round about them that fear him, and delivereth them.

8 [Cheth]. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.

PS 34:9 Smaakt en ziet, dat de HERE goed is; welzalig de man die bij Hem schuilt.

8 O taste and see that the LORD [is] good: blessed [is] the man [that] trusteth in him.

9 [Teth]. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, [die] op Hem betrouwt.

PS 34:10 Vreest de HERE, gij, zijn heiligen, want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.

9 O fear the LORD, ye his saints: for [there is] no want to them that fear him.

10 [Jod]. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.

PS 34:11 Jonge leeuwen lijden ontbering en honger, maar wie de HERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.

10 The young lions do lack, and suffer hunger: but they that seek the LORD shall not want any good [thing].

11 [Caph]. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.

PS 34:12 Komt, kinderen, luistert naar mij, ik zal u de vreze des HEREN leren.

11 Come, ye children, hearken unto me: I will teach you the fear of the LORD.

12 [Lamed]. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.

PS 34:13 Wie is de man die het leven begeert, vele dagen wenst om het goede te genieten?

12 What man [is he that] desireth life, [and] loveth [many] days, that he may see good?

13 [Mem]. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

PS 34:14 Bewaar uw tong voor het kwade en uw lippen voor het spreken van bedrog;

13 Keep thy tongue from evil, and thy lips from speaking guile.

14 [Nun]. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.

PS 34:15 wijk van het kwade en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na.

14 Depart from evil, and do good; seek peace, and pursue it.

15 [Samech]. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.

PS 34:16 De ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren tot hun hulpgeroep;

15 The eyes of the LORD [are] upon the righteous, and his ears [are open] unto their cry.

16 [Ain]. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.

PS 34:17 het aangezicht des HEREN is tegen hen die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.

16 The face of the LORD [is] against them that do evil, to cut off the remembrance of them from the earth.

17 [Pe]. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.

PS 34:18 Roepen zij, dan hoort de HERE, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.

17 [The righteous] cry, and the LORD heareth, and delivereth them out of all their troubles.

18 [Tsade]. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.

PS 34:19 De HERE is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest.

18 The LORD [is] nigh unto them that are of a broken heart; and saveth such as be of a contrite spirit.

19 [Koph]. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.

PS 34:20 Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige, maar uit die alle redt hem de HERE;

19 Many [are] the afflictions of the righteous: but the LORD delivereth him out of them all.

20 [Resch]. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.

PS 34:21 Hij behoedt al zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken.

20 He keepeth all his bones: not one of them is broken.

21 [Schin]. Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken.

PS 34:22 Het onheil doodt de goddeloze, en wie de rechtvaardige haten, zullen ervoor boeten,

21 Evil shall slay the wicked: and they that hate the righteous shall be desolate.

22 [Thau]. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.

PS 34:23 De HERE verlost de ziel van zijn knechten, allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten.

22 The LORD redeemeth the soul of his servants: and none of them that trust in him shall be desolate.

23 De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.

PS 35:1 Van David. Twist, HERE, tegen wie met mij twisten, bestrijd wie mij bestrijden.

1 [A Psalm] of David. Plead [my cause], O LORD, with them that strive with me: fight against them that fight against me.

1 [Een] [psalm] van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.

PS 35:2 Grijp schild en rondas, sta op, mij ter hulpe,

2 Take hold of shield and buckler, and stand up for mine help.

2 Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.

PS 35:3 zwaai speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, zeg tot mijn ziel: Ik ben uw verlossing.

3 Draw out also the spear, and stop [the way] against them that persecute me: say unto my soul, I [am] thy salvation.

3 En breng de spies voort, en sluit [den] [weg] toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.

PS 35:4 Laten beschaamd en te schande worden wie mij naar het leven staan, laten terugdeinzen en schaamrood worden wie onheil tegen mij beramen.

4 Let them be confounded and put to shame that seek after my soul: let them be turned back and brought to confusion that devise my hurt.

4 Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.

PS 35:5 Laten zij worden als kaf voor de wind, wanneer de Engel des HEREN hen neerstoot;

5 Let them be as chaff before the wind: and let the angel of the LORD chase [them].

5 Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.

PS 35:6 hun weg zij duister en glibberig, wanneer de Engel des HEREN hen achtervolgt;

6 Let their way be dark and slippery: and let the angel of the LORD persecute them.

6 Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.

PS 35:7 want zonder oorzaak verborgen zij voor mij hun net, zonder oorzaak dolven zij een kuil voor mijn leven.

7 For without cause have they hid for me their net [in] a pit, [which] without cause they have digged for my soul.

7 Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.

PS 35:8 Moge het verderf over hem komen, zonder dat hij het merkt; het net, dat hij verborgen had, vange hemzelf, hij valle in het verderf.

8 Let destruction come upon him at unawares; and let his net that he hath hid catch himself: into that very destruction let him fall.

8 De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

PS 35:9 Maar mijn ziel juicht in de HERE, jubelt in zijn verlossing;

9 And my soul shall be joyful in the LORD: it shall rejoice in his salvation.

9 Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.

PS 35:10 al mijn beenderen zeggen: HERE, wie is als Gij, die de ellendige redt van wie sterker is dan hij, en de ellendige en de arme van wie hem berooft?

10 All my bones shall say, LORD, who [is] like unto thee, which deliverest the poor from him that is too strong for him, yea, the poor and the needy from him that spoileth him?

10 Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.

PS 35:11 Misdadige getuigen staan op, zij vragen mij naar wat ik niet weet,

11 False witnesses did rise up; they laid to my charge [things] that I knew not.

11 Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.

PS 35:12 zij vergelden mij kwaad voor goed; ik word van kinderen beroofd.

12 They rewarded me evil for good [to] the spoiling of my soul.

12 Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.

PS 35:13 Maar mij aangaande - toen zij ziek waren, was een rouwgewaad mijn kleed, ik verootmoedigde mij met vasten, en mijn gebed keerde in mijn boezem weder;

13 But as for me, when they were sick, my clothing [was] sackcloth: I humbled my soul with fasting; and my prayer returned into mine own bosom.

13 Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.

PS 35:14 als gold het mijn vriend of mijn broeder, zo liep ik rond; in het zwart gaande als in rouw over een moeder, zo boog ik mij neder.

14 I behaved myself as though [he had been] my friend [or] brother: I bowed down heavily, as one that mourneth [for his] mother.

14 Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over [zijn] moeder treurt.

PS 35:15 Doch toen ik strompelde verheugden zij zich en liepen te hoop; vechtlustigen, mij onbekend, liepen tegen mij te hoop; zij lasterden zonder ophouden.

15 But in mine adversity they rejoiced, and gathered themselves together: [yea], the abjects gathered themselves together against me, and I knew [it] not; they did tear [me], and ceased not:

15 Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij [als] geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden [hun] [klederen], en zwegen niet stil.

PS 35:16 Een kring van goddeloze spotters knarsten de tanden tegen mij.

16 With hypocritical mockers in feasts, they gnashed upon me with their teeth.

16 Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.

PS 35:17 Hoelang, HERE, zult Gij toezien? Verlos toch mijn ziel van hun verwoestingen, mijn eenzame, van de jonge leeuwen.

17 Lord, how long wilt thou look on? rescue my soul from their destructions, my darling from the lions.

17 HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.

PS 35:18 Dan zal ik U loven in een grote gemeente, onder een geweldige schare U prijzen.

18 I will give thee thanks in the great congregation: I will praise thee among much people.

18 Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.

PS 35:19 Dat mijn valse vijanden zich niet over mij verheugen, noch met de ogen knippen wie mij zonder oorzaak haten.

19 Let not them that are mine enemies wrongfully rejoice over me: [neither] let them wink with the eye that hate me without a cause.

19 Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; [noch] wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.

PS 35:20 Waarlijk, van vrede spreken zij niet, en tegen de stillen in den lande beramen zij bedrieglijke dingen,

20 For they speak not peace: but they devise deceitful matters against [them that are] quiet in the land.

20 Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.

PS 35:21 zij sperren hun mond open tegen mij, zij zeggen: Ha, ha! ons oog heeft het gezien.

21 Yea, they opened their mouth wide against me, [and] said, Aha, aha, our eye hath seen [it].

21 En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!

PS 35:22 Gij hebt het gezien, HERE, zwijg niet; o Here, wees niet verre van mij.

22 [This] thou hast seen, O LORD: keep not silence: O Lord, be not far from me.

22 HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.

PS 35:23 Waak op en ontwaak voor mijn recht, voor mijn rechtsgeding, o mijn God en mijn Here.

23 Stir up thyself, and awake to my judgment, [even] unto my cause, my God and my Lord.

23 Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.

PS 35:24 Doe mij recht naar uw gerechtigheid, o HERE, mijn God, dat zij zich niet over mij verheugen;

24 Judge me, O LORD my God, according to thy righteousness; and let them not rejoice over me.

24 Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.

PS 35:25 dat zij in hun hart niet zeggen: Ha! onze wens! dat zij niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

25 Let them not say in their hearts, Ah, so would we have it: let them not say, We have swallowed him up.

25 Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

PS 35:26 Laten tezamen beschaamd en schaamrood worden, wie zich verheugen over mijn rampspoed, laten met schande en smaad bekleed worden, wie tegen mij pralen.

26 Let them be ashamed and brought to confusion together that rejoice at mine hurt: let them be clothed with shame and dishonour that magnify [themselves] against me.

26 Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.

PS 35:27 Laten jubelen en zich verheugen, wie mijn rechtvaardiging begeren; dat zij bestendig zeggen: De HERE is groot, die welgevallen heeft aan het heil van zijn knecht.

27 Let them shout for joy, and be glad, that favour my righteous cause: yea, let them say continually, Let the LORD be magnified, which hath pleasure in the prosperity of his servant.

27 Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!

PS 35:28 En mijn tong zal van uw gerechtigheid gewagen, van uw lof de ganse dag.

28 And my tongue shall speak of thy righteousness [and] of thy praise all the day long.

 

PS 36:1 Voor de koorleider. Van David, de knecht des HEREN.

1 To the chief Musician, [A Psalm] of David the servant of the LORD.

1 [Een] [psalm] van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.

PS 36:2 De zonde spreekt tot de goddeloze diep in zijn hart; - geen vrees voor God staat hem voor ogen -

The transgression of the wicked saith within my heart, [that there is] no fear of God before his eyes.

2 De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.

PS 36:3 want zij vleit hem in zijn eigen ogen, totdat men zijn ongerechtigheid ontdekt en haat.

2 For he flattereth himself in his own eyes, until his iniquity be found to be hateful.

3 Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, [die] te haten is.

PS 36:4 De woorden van zijn mond zijn onheil en bedrog, hij laat na verstandig en goed te handelen;

3 The words of his mouth [are] iniquity and deceit: he hath left off to be wise, [and] to do good.

4 De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.

PS 36:5 op zijn legerstede beraamt hij onheil, hij stelt zich op een weg die niet goed is; wat kwaad is, verwerpt hij niet.

4 He deviseth mischief upon his bed; he setteth himself in a way [that is] not good; he abhorreth not evil.

5 Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.

PS 36:6 HERE, hemelhoog is uw goedertierenheid, uw trouw reikt tot de wolken;

5 Thy mercy, O LORD, [is] in the heavens; [and] thy faithfulness [reacheth] unto the clouds.

6 O HEERE! Uw goedertierenheid is [tot] in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.

PS 36:7 uw gerechtigheid is als de bergen Gods, uw gericht is een geweldige watervloed. Mens en dier verlost Gij, HERE.

6 Thy righteousness [is] like the great mountains; thy judgments [are] a great deep: O LORD, thou preservest man and beast.

7 Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.

PS 36:8 Hoe kostelijk is uw goedertierenheid, o God; daarom schuilen de mensenkinderen in de schaduw uwer vleugelen;

7 How excellent [is] thy lovingkindness, O God! therefore the children of men put their trust under the shadow of thy wings.

8 Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

PS 36:9 zij laven zich aan het vette van uw huis, Gij drenkt hen met de stroom van uw liefelijkheden.

8 They shall be abundantly satisfied with the fatness of thy house; and thou shalt make them drink of the river of thy pleasures.

9 Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen [uit] de beek Uwer wellusten.

PS 36:10 Want bij U is de bron des levens, in uw licht zien wij het licht.

9 For with thee [is] the fountain of life: in thy light shall we see light.

10 Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.

PS 36:11 Bestendig uw goedertierenheid voor wie U kennen, en uw gerechtigheid voor de oprechten van hart.

10 O continue thy lovingkindness unto them that know thee; and thy righteousness to the upright in heart.

11 Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

PS 36:12 Laat de trotse voet over mij niet komen, noch de hand der goddelozen mij doen vlieden.

11 Let not the foot of pride come against me, and let not the hand of the wicked remove me.

12 De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.

PS 36:13 Daar zijn de bedrijvers van ongerechtigheid gevallen; zij zijn neergestoten en kunnen niet opstaan.

12 There are the workers of iniquity fallen: they are cast down, and shall not be able to rise.

13 Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.

PS 37:1 Van David. Wees niet afgunstig op de bedrijvers van ongerechtigheid, benijd niet wie onrecht plegen;

1 [A Psalm] of David. Fret not thyself because of evildoers, neither be thou envious against the workers of iniquity.

1 [Een] [psalm] van David. [Aleph]. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.

PS 37:2 want zij verdorren snel als het gras, en verwelken als het groene kruid.

2 For they shall soon be cut down like the grass, and wither as the green herb.

2 Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.

PS 37:3 Vertrouw op de HERE en doe het goede, woon in het land en betracht getrouwheid;

3 Trust in the LORD, and do good; [so] shalt thou dwell in the land, and verily thou shalt be fed.

3 [Beth]. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u [met] getrouwigheid.

PS 37:4 verlustig u in de HERE; dan zal Hij u geven de wensen van uw hart.

4 Delight thyself also in the LORD; and he shall give thee the desires of thine heart.

4 En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.

PS 37:5 Wentel uw weg op de HERE en vertrouw op Hem, en Hij zal het maken;

5 Commit thy way unto the LORD; trust also in him; and he shall bring [it] to pass.

5 [Gimel]. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;

PS 37:6 Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht, en uw recht als de middag.

6 And he shall bring forth thy righteousness as the light, and thy judgment as the noonday.

6 En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.

PS 37:7 Wees stil voor de HERE en verbeid Hem; wees niet afgunstig op wie zijn weg voorspoedig maakt, op de man die boze plannen smeedt.

7 Rest in the LORD, and wait patiently for him: fret not thyself because of him who prospereth in his way, because of the man who bringeth wicked devices to pass.

7 [Daleth]. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.

PS 37:8 Sta af van toorn en laat de grimmigheid varen, wees niet afgunstig - dat sticht louter kwaad.

8 Cease from anger, and forsake wrath: fret not thyself in any wise to do evil.

8 [He]. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers [niet], om kwaad te doen.

PS 37:9 Want boosdoeners worden uitgeroeid, maar wie de HERE verwachten, zij zullen het land beërven:

9 For evildoers shall be cut off: but those that wait upon the LORD, they shall inherit the earth.

9 Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.

PS 37:10 Immers nog een wijle, en de goddeloze is niet meer; als gij let op zijn plaats, dan is hij niet meer;

10 For yet a little while, and the wicked [shall] not [be]: yea, thou shalt diligently consider his place, and it [shall] not [be].

10 [Vau]. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.

PS 37:11 maar de ootmoedigen beërven het land en verlustigen zich in grote vrede.

11 But the meek shall inherit the earth; and shall delight themselves in the abundance of peace.

11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.

PS 37:12 De goddeloze smeedt boze plannen tegen de rechtvaardige en knarst de tanden tegen hem;

12 The wicked plotteth against the just, and gnasheth upon him with his teeth.

12 [Zain]. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.

PS 37:13 de Here belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.

13 The Lord shall laugh at him: for he seeth that his day is coming.

13 De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.

PS 37:14 De goddelozen ontbloten het zwaard en spannen hun boog, om ellendigen en armen neer te vellen, om de oprechten van wandel te slachten;

14 The wicked have drawn out the sword, and have bent their bow, to cast down the poor and needy, [and] to slay such as be of upright conversation.

14 [Cheth]. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.

PS 37:15 hun zwaard zal in hun eigen hart dringen, en hun bogen zullen verbroken worden.

15 Their sword shall enter into their own heart, and their bows shall be broken.

15 Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.

PS 37:16 Beter is het weinige van de rechtvaardige dan de rijkdom van vele goddelozen;

16 A little that a righteous man hath [is] better than the riches of many wicked.

16 [Teth]. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.

PS 37:17 want de armen der goddelozen worden verbroken, maar de HERE schraagt de rechtvaardigen.

17 For the arms of the wicked shall be broken: but the LORD upholdeth the righteous.

17 Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.

PS 37:18 De HERE kent de dagen der vromen, en hun erfdeel zal voor altoos bestaan;

18 The LORD knoweth the days of the upright: and their inheritance shall be for ever.

18 [Jod]. De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.

PS 37:19 in boze tijd zullen zij niet beschaamd worden, in dagen van hongersnood zullen zij verzadigd worden.

19 They shall not be ashamed in the evil time: and in the days of famine they shall be satisfied.

19 Zij zullen niet beschaamd worden in den kwade tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.

PS 37:20 Voorwaar, de goddelozen gaan te gronde, de vijanden des HEREN zijn als de pracht der landouwen: zij vergaan, in rook vergaan zij.

20 But the wicked shall perish, and the enemies of the LORD [shall be] as the fat of lambs: they shall consume; into smoke shall they consume away.

20 [Caph]. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.

PS 37:21 De goddeloze vraagt te leen en geeft niet terug, maar de rechtvaardige ontfermt zich en schenkt.

21 The wicked borroweth, and payeth not again: but the righteous sheweth mercy, and giveth.

21 [Lamed]. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.

PS 37:22 Voorwaar, de door Hem gezegenden beërven het land, maar de door Hem gevloekten worden uitgeroeid.

22 For [such as be] blessed of him shall inherit the earth; and [they that be] cursed of him shall be cut off.

22 Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.

PS 37:23 Door de HERE worden de schreden van de man bevestigd, aan wiens weg Hij welgevallen heeft;

23 The steps of a [good] man are ordered by the LORD: and he delighteth in his way.

23 [Mem]. De gangen [deszelven] mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.

PS 37:24 wanneer hij valt, stort hij niet neder, want de HERE schraagt zijn hand.

24 Though he fall, he shall not be utterly cast down: for the LORD upholdeth [him with] his hand.

24 Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.

PS 37:25 Jong ben ik geweest, ook ben ik oud geworden, maar - een rechtvaardige heb ik niet verlaten gezien, noch zijn nageslacht zoekende brood;

25 I have been young, and [now] am old; yet have I not seen the righteous forsaken, nor his seed begging bread.

25 [Nun]. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.

PS 37:26 te allen tijde ontfermt hij zich en leent uit, en zijn nageslacht is tot een zegen.

26 [He is] ever merciful, and lendeth; and his seed [is] blessed.

26 Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.

PS 37:27 Wijk van het kwade en doe het goede, dan zult gij voor altoos wonen;

27 Depart from evil, and do good; and dwell for evermore.

27 [Samech]. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.

PS 37:28 want de HERE bemint het recht, en Hij verlaat zijn gunstgenoten niet. Voor altoos blijven zij bewaard, maar het nageslacht der goddelozen wordt uitgeroeid.

28 For the LORD loveth judgment, and forsaketh not his saints; they are preserved for ever: but the seed of the wicked shall be cut off.

28 Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.

PS 37:29 De rechtvaardigen beërven het land en wonen daarin voor immer.

29 The righteous shall inherit the land, and dwell therein for ever.

29 De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.

PS 37:30 De mond van de rechtvaardige gewaagt van wijsheid, zijn tong spreekt het recht;

30 The mouth of the righteous speaketh wisdom, and his tongue talketh of judgment.

30 [Pe]. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.

PS 37:31 de wet van zijn God is in zijn hart, zijn schreden wankelen niet.

31 The law of his God [is] in his heart; none of his steps shall slide.

31 De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.

PS 37:32 De goddeloze loert op de rechtvaardige en zoekt hem te doden;

32 The wicked watcheth the righteous, and seeketh to slay him.

32 [Tsade]. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.

PS 37:33 de HERE geeft hem in zijn hand niet over, Hij laat niet toe, dat hij veroordeeld wordt, als hij voor het gericht komt.

33 The LORD will not leave him in his hand, nor condemn him when he is judged.

33 [Maar] de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.

PS 37:34 Wacht op de HERE en bewaar zijn weg, dan zal Hij u verhogen om het land te beërven, de uitroeiing van goddelozen zult gij met vreugde zien.

34 Wait on the LORD, and keep his way, and he shall exalt thee to inherit the land: when the wicked are cut off, thou shalt see [it].

34 [Koph]. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.

PS 37:35 Ik zag een goddeloze, een geweldenaar, die zich uitbreidde als een weelderige woekerplant;

35 I have seen the wicked in great power, and spreading himself like a green bay tree.

35 [Resch]. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.

PS 37:36 toen iemand voorbijging, zie, hij was niet meer, ik zocht hem, maar hij was niet te vinden.

36 Yet he passed away, and, lo, he [was] not: yea, I sought him, but he could not be found.

36 Maar hij ging door, en zie, hij was er niet [meer]; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.

PS 37:37 Sla de vrome gade en zie op de oprechte, want de man des vredes heeft nakroost;

37 Mark the perfect [man], and behold the upright: for the end of [that] man [is] peace.

37 [Schin]. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van [dien] man zal vrede zijn.

PS 37:38 maar de overtreders worden tezamen verdelgd, het nakroost van de goddelozen wordt uitgeroeid.

38 But the transgressors shall be destroyed together: the end of the wicked shall be cut off.

38 Maar de overtreders worden te zamen verdelgd. het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.

PS 37:39 Doch het heil der rechtvaardigen is van de HERE, hun schutse ten tijde der benauwdheid;

39 But the salvation of the righteous [is] of the LORD: [he is] their strength in the time of trouble.

39 [Thau]. Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.

PS 37:40 de HERE helpt hen en doet hen ontkomen, Hij doet hen ontkomen aan de goddelozen en verlost hen, want zij schuilen bij Hem.

40 And the LORD shall help them, and deliver them: he shall deliver them from the wicked, and save them, because they trust in him.

40 En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.

PS 38:1 Een psalm van David. Bij het gedenkoffer.

1 A Psalm of David, to bring to remembrance.

1 Een psalm van David, om te doen gedenken.

PS 38:2 HERE, straf mij niet in uw toorn, en kastijd mij niet in uw grimmigheid;

O LORD, rebuke me not in thy wrath: neither chasten me in thy hot displeasure.

2 O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.

PS 38:3 want uw pijlen zijn op mij nedergekomen, uw hand is op mij neergedaald.

2 For thine arrows stick fast in me, and thy hand presseth me sore.

3 Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.

PS 38:4 Niets is meer gezond aan mijn vlees vanwege uw gramschap, niets is heel aan mijn gebeente vanwege mijn zonde;

3 [There is] no soundness in my flesh because of thine anger; neither [is there any] rest in my bones because of my sin.

4 Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.

PS 38:5 want mijn ongerechtigheden zijn over mijn hoofd gegaan, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.

4 For mine iniquities are gone over mine head: as an heavy burden they are too heavy for me.

5 Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.

PS 38:6 Mijn wonden stinken, zij etteren vanwege mijn verdwaasdheid;

5 My wounds stink [and] are corrupt because of my foolishness.

6 Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.

PS 38:7 ik ben gebogen, zeer diep gebukt, ik ga de ganse dag in het zwart.

6 I am troubled; I am bowed down greatly; I go mourning all the day long.

7 Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.

PS 38:8 Want mijn lendenen zijn vol ontsteking, niets is meer gezond aan mijn vlees;

7 For my loins are filled with a loathsome [disease]: and [there is] no soundness in my flesh.

8 Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke [plage], en er is niets geheels in mijn vlees.

PS 38:9 ik ben uitgeput, volslagen verbrijzeld, ik brul het uit vanwege het bonzen van mijn hart.

8 I am feeble and sore broken: I have roared by reason of the disquietness of my heart.

9 Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.

PS 38:10 Here, al mijn verlangen ligt voor U open, mijn zuchten is voor U niet verborgen;

9 Lord, all my desire [is] before thee; and my groaning is not hid from thee.

10 HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.

PS 38:11 mijn hart slaat hevig, mijn kracht begeeft mij, zelfs het licht van mijn ogen moet ik missen.

10 My heart panteth, my strength faileth me: as for the light of mine eyes, it also is gone from me.

11 Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij.

PS 38:12 Mijn vrienden en bekenden staan afzijdig van mijn plaag, zelfs mijn verwanten staan van verre.

11 My lovers and my friends stand aloof from my sore; and my kinsmen stand afar off.

12 Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.

PS 38:13 Wie mij naar het leven staan, spannen mij strikken, wie mijn onheil begeren, spreken van verderf, en zinnen de ganse dag op bedrog.

12 They also that seek after my life lay snares [for me]: and they that seek my hurt speak mischievous things, and imagine deceits all the day long.

13 En die mijn ziel zoeken, leggen [mij] strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.

PS 38:14 Maar ik ben als een dove, ik hoor niet, als een stomme, die zijn mond niet open doet;

13 But I, as a deaf [man], heard not; and [I was] as a dumb man [that] openeth not his mouth.

14 Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, [die] zijn mond niet opendoet.

PS 38:15 ja, ik ben als een man die niet hoort, en in wiens mond geen verweer is.

14 Thus I was as a man that heareth not, and in whose mouth [are] no reproofs.

15 Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.

PS 38:16 Want op U, HERE, hoop ik; Gij immers zult antwoorden, Here, mijn God.

15 For in thee, O LORD, do I hope: thou wilt hear, O Lord my God.

16 Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!

PS 38:17 Want ik dacht: Als zij zich maar niet over mij verheugen, niet tegen mij snoeven bij het wankelen van mijn voet.

16 For I said, [Hear me], lest [otherwise] they should rejoice over me: when my foot slippeth, they magnify [themselves] against me.

17 Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.

PS 38:18 Ja, ik dreig te struikelen, en mijn smart staat mij bestendig voor ogen;

17 For I [am] ready to halt, and my sorrow [is] continually before me.

18 Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.

PS 38:19 want ik belijd mijn ongerechtigheid, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.

18 For I will declare mine iniquity; I will be sorry for my sin.

19 Want ik maak [U] mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.

PS 38:20 Mijn vijanden echter leven, zij zijn machtig, talrijk zijn zij, die mij trouweloos haten,

19 But mine enemies [are] lively, [and] they are strong: and they that hate me wrongfully are multiplied.

20 Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.

PS 38:21 zij, die mij kwaad voor goed vergelden en mij wederstaan, omdat ik het goede najaag.

20 They also that render evil for good are mine adversaries; because I follow [the thing that] good [is].

21 En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.

PS 38:22 HERE, verlaat mij niet, mijn God, wees niet verre van mij!

21 Forsake me not, O LORD: O my God, be not far from me.

22 Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij.

PS 38:23 Haast U, mij ter hulpe, Here, mijn heil.

22 Make haste to help me, O Lord my salvation.

23 Haast U tot mijn hulp, HEERE, mijn Heil!

PS 39:1 Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David.

1 To the chief Musician, [even] to Jeduthun, A Psalm of David.

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.

PS 39:2 Ik had gedacht: ik wil mijn wegen bewaren, opdat ik niet zondige met mijn tong; ik wil mijn mond met een muilband bedwingen, zolang de goddeloze voor mij staat.

I said, I will take heed to my ways, that I sin not with my tongue: I will keep my mouth with a bridle, while the wicked is before me.

2 Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.

PS 39:3 Ik was verstomd, sprakeloos, ik zweeg, verstoken van het goede; maar mijn smart werd heviger,

2 I was dumb with silence, I held my peace, [even] from good; and my sorrow was stirred.

3 Ik was verstomd [door] stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.

PS 39:4 mijn hart gloeide in mijn binnenste, bij mijn verzuchting laaide vuur op; ik sprak met mijn tong -

3 My heart was hot within me, while I was musing the fire burned: [then] spake I with my tongue,

4 Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; [toen] sprak ik met mijn tong:

PS 39:5 Laat mij, HERE, mijn einde kennen, en welke de maat van mijn dagen is; laat mij weten, hoe vergankelijk ik ben.

4 LORD, make me to know mine end, and the measure of my days, what it [is; that] I may know how frail I [am].

5 HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.

PS 39:6 Zie, Gij hebt mijn dagen als enige handbreedten gesteld, mijn levensduur is als niets voor U; ja, ieder mens staat daar, enkel een ademtocht. Sela

5 Behold, thou hast made my days [as] an handbreadth; and mine age [is] as nothing before thee: verily every man at his best state [is] altogether vanity. Selah.

6 Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, [hoe] vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.

PS 39:7 Ja, de mens gaat daarheen als een schaduw, ja, als een ademtocht suizen zij weg, zij garen bijeen en weten niet, wie het tot zich nemen zal.

6 Surely every man walketh in a vain shew: surely they are disquieted in vain: he heapeth up [riches], and knoweth not who shall gather them.

7 Immers wandelt de mens [als] in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.

PS 39:8 En nu, wat verwacht ik, Here? Mijn hoop, die is op U.

7 And now, Lord, what wait I for? my hope [is] in thee.

8 En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.

PS 39:9 Red mij van al mijn overtredingen, stel mij niet tot een smaad voor de dwaas.

8 Deliver me from all my transgressions: make me not the reproach of the foolish.

9 Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.

PS 39:10 Ik ben verstomd, ik doe mijn mond niet open, want Gij zelf hebt het gedaan.

9 I was dumb, I opened not my mouth; because thou didst [it].

10 Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

PS 39:11 Neem uw plaag van mij weg, ik bezwijk onder de bestrijding van uw hand.

10 Remove thy stroke away from me: I am consumed by the blow of thine hand.

11 Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.

PS 39:12 Kastijdt Gij iemand met straffen om zijn ongerechtigheid, dan doet Gij zijn schoonheid teloorgaan als door een mot; immers is ieder mens een ademtocht. Sela

11 When thou with rebukes dost correct man for iniquity, thou makest his beauty to consume away like a moth: surely every man [is] vanity. Selah.

12 Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.

PS 39:13 Hoor mijn gebed, HERE, en neem mijn hulpgeroep ter ore, zwijg niet bij mijn geween, want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner gelijk al mijn vaderen.

12 Hear my prayer, O LORD, and give ear unto my cry; hold not thy peace at my tears: for I [am] a stranger with thee, [and] a sojourner, as all my fathers [were].

13 Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.

PS 39:14 Wend uw blik van mij af, opdat ik mij wederom verblijde, eer dat ik heenga en niet meer ben.

13 O spare me, that I may recover strength, before I go hence, and be no more.

14 Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet [meer] zij.

PS 40:1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm.

1 To the chief Musician, A Psalm of David.

1 Davids psalm, voor den opperzangmeester.

PS 40:2 Vurig verwachtte ik de HERE; toen neigde Hij Zich tot mij en hoorde mijn hulpgeroep,

I waited patiently for the LORD; and he inclined unto me, and heard my cry.

2 Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.

PS 40:3 Hij trok mij op uit de kuil van het verderf, uit het slijk van de modderpoel; Hij stelde mijn voeten op een rots, mijn schreden maakte Hij vast,

2 He brought me up also out of an horrible pit, out of the miry clay, and set my feet upon a rock, [and] established my goings.

3 En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.

PS 40:4 Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lofzang aan onze God. Mogen velen het zien en vrezen, en op de HERE vertrouwen.

3 And he hath put a new song in my mouth, [even] praise unto our God: many shall see [it], and fear, and shall trust in the LORD.

4 En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.

PS 40:5 Welzalig de man, die de HERE tot zijn vertrouwen heeft gesteld, die zich niet wendt tot de hovaardigen, noch tot hen die naar leugen afdwalen.

4 Blessed [is] that man that maketh the LORD his trust, and respecteth not the proud, nor such as turn aside to lies.

5 Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.

PS 40:6 Talrijk hebt Gij gemaakt, o HERE, mijn God, uw wonderen en uw gedachten jegens ons; niets is bij U te vergelijken. Wilde ik ze vermelden en uitspreken, te talrijk zijn zij om te noemen.

5 Many, O LORD my God, [are] thy wonderful works [which] thou hast done, and thy thoughts [which are] to us-ward: they cannot be reckoned up in order unto thee: [if] I would declare and speak [of them], they are more than can be numbered.

6 Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.

PS 40:7 In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, - Gij hebt mij geopende oren gegeven -, brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd.

6 Sacrifice and offering thou didst not desire; mine ears hast thou opened: burnt offering and sin offering hast thou not required.

7 Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist.

PS 40:8 Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven;

7 Then said I, Lo, I come: in the volume of the book [it is] written of me,

8 Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.

PS 40:9 ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste.

8 I delight to do thy will, O my God: yea, thy law [is] within my heart.

9 Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.

PS 40:10 Ik verkondig de blijde mare van uw gerechtigheid in een grote gemeente; zie, mijn lippen weerhoud ik niet, HERE, Gij weet het.

9 I have preached righteousness in the great congregation: lo, I have not refrained my lips, O LORD, thou knowest.

10 Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet