|
NM 1:1 De HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in de tent der
samenkomst, op de eerste dag der tweede maand in het tweede jaar na hun
uittocht uit het land Egypte: |
1 And the LORD spake unto Moses in the wilderness of Sinai, in the
tabernacle of the congregation, on the first [day] of the second month, in
the second year after they were come out of the land of Egypt, saying, |
1 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, in de woestijn van Sinai, in de tent
der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat
zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende: |
|
NM 1:2 Neemt het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten
naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, allen
die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd, |
2 Take ye the sum of all the congregation of the children of Israel,
after their families, by the house of their fathers, with the number of
[their] names, every male by their polls; |
2 Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar
hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van
al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd. |
|
NM 1:3 van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger
uitrukken in Israël; gij zult hen tellen naar hun legerscharen, gij en
Aäron. |
3 From twenty years old and upward, all that are able to go forth to
war in Israel: thou and Aaron shall number them by their armies. |
3 Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel
uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron. |
|
NM 1:4 Daarbij zal u uit elke stam één man behulpzaam zijn, de man,
die het hoofd is van zijn families. |
4 And with you there shall be a man of every tribe; every one head of
the house of his fathers. |
4 En met ulieden zullen zijn van elken stam een man, die een hoofdman
is over het huis zijner vaderen. |
|
NM 1:5 En dit zijn de namen der mannen die u ter zijde zullen staan:
van Ruben Elisur, de zoon van Sedeür; |
5 And these [are] the names of the men that shall stand with you: of
[the tribe of] Reuben; Elizur the son of Shedeur. |
5 Deze zijn nu de namen der mannen, die bij u staan zullen: van Ruben,
Elizur, de zoon van Sedeur. |
|
NM 1:6 van Simeon Selumiël, de zoon van Surisaddai; |
6 Of Simeon; Shelumiel the son of Zurishaddai. |
6 Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai. |
|
NM 1:7 van Juda Nachson, de zoon van Amminadab; |
7 Of Judah; Nahshon the son of Amminadab. |
7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab. |
|
NM 1:8 van Issakar Netanel, de zoon van Suar; |
8 Of Issachar; Nethaneel the son of Zuar. |
8 Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar. |
|
NM 1:9 van Zebulon Eliab, de zoon van Chelon; |
9 Of Zebulun; Eliab the son of Helon. |
9 Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon. |
|
NM 1:10 van de zonen van Jozef: van Efraïm Elisama, de zoon van
Ammihud; van Manasse Gamliël, de zoon van Pedasur; |
10 Of the children of Joseph: of Ephraim; Elishama the son of Ammihud:
of Manasseh; Gamaliel the son of Pedahzur. |
10 Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud;
van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur. |
|
NM 1:11 van Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni; |
11 Of Benjamin; Abidan the son of Gideoni. |
11 Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni. |
|
NM 1:12 van Dan Achiëzer, de zoon van Ammisaddai; |
12 Of Dan; Ahiezer the son of Ammishaddai. |
12 Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai. |
|
NM 1:13 van Aser Pagiël, de zoon van Okran; |
13 Of Asher; Pagiel the son of Ocran. |
13 Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran. |
|
NM 1:14 van Gad Eljasaf, de zoon van Reüel; |
14 Of Gad; Eliasaph the son of Deuel. |
14 Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel. |
|
NM 1:15 van Naftali Achira, de zoon van Enan. |
15 Of Naphtali; Ahira the son of Enan. |
15 Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan. |
|
NM 1:16 Dit zijn degenen die uit de vergadering moeten worden
opgeroepen, vorsten van de stammen hunner vaderen; hoofden van Israëls
geslachten zijn zij. |
16 These [were] the renowned of the congregation, princes of the tribes
of their fathers, heads of thousands in Israel. |
16 Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen
hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel. |
|
NM 1:17 Toen namen Mozes en Aäron deze met name aangewezen mannen, |
17 And Moses and Aaron took these men which are expressed by [their]
names: |
17 Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welken met namen uitgedrukt
zijn. |
|
NM 1:18 en zij riepen op de eerste dag der tweede maand de gehele
vergadering samen, die zich opstelde volgens geslachten en families,
overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, hoofd
voor hoofd, |
18 And they assembled all the congregation together on the first [day]
of the second month, and they declared their pedigrees after their
families, by the house of their fathers, according to the number of the
names, from twenty years old and upward, by their polls. |
18 En zij verzamelden de gehele vergadering, op den eersten dag der
tweede maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar
het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van die twintig jaren oud
was en daarboven, hoofd voor hoofd. |
|
NM 1:19 zoals de HERE Mozes geboden had. En hij telde hen in de
woestijn Sinai. |
19 As the LORD commanded Moses, so he numbered them in the wilderness
of Sinai. |
19 Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de
woestijn van Sinai. |
|
NM 1:20 De zonen nu van Ruben, Israëls eerstgeborene, hun nakomelingen
naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, hoofd
voor hoofd, allen die van het mannelijk geslacht waren, van twintig jaar
oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
20 And the children of Reuben, Israel's eldest son, by their
generations, after their families, by the house of their fathers,
according to the number of the names, by their polls, every male from
twenty years old and upward, all that were able to go forth to war; |
20 Zo waren de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, hun
geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal
der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud
en daarboven, allen, die ten heire uittrokken; |
|
NM 1:21 de getelden van de stam Ruben waren zesenveertigduizend
vijfhonderd. |
21 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Reuben,
[were] forty and six thousand and five hundred. |
21 Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en
vijfhonderd. |
|
NM 1:22 Van de zonen van Simeon, hun nakomelingen naar hun geslachten
en families overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd, allen die
van het mannelijk geslacht waren, van twintig jaar oud en daarboven, allen
die in het leger uitrukten, |
22 Of the children of Simeon, by their generations, after their
families, by the house of their fathers, those that were numbered of them,
according to the number of the names, by their polls, every male from
twenty years old and upward, all that were able to go forth to war; |
22 Van de zonen van Simeon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar
het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor
hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen,
die ten heire uittrokken; |
|
NM 1:23 de getelden van de stam Simeon waren negenenvijftigduizend
driehonderd. |
23 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Simeon,
[were] fifty and nine thousand and three hundred. |
23 Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend
en driehonderd. |
|
NM 1:24 Van de zonen van Gad, hun nakomelingen naar hun geslachten en
families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en
daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
24 Of the children of Gad, by their generations, after their families,
by the house of their fathers, according to the number of the names, from
twenty years old and upward, all that were able to go forth to war; |
24 Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het
huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en
daarboven, allen, die ten heire uittrokken. |
|
NM 1:25 de getelden van de stam Gad waren vijfenveertigduizend
zeshonderd vijftig. |
25 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Gad, [were]
forty and five thousand six hundred and fifty. |
25 Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend
zeshonderd en vijftig. |
|
NM 1:26 Van de zonen van Juda, hun nakomelingen naar hun geslachten en
families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en
daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
26 Of the children of Judah, by their generations, after their
families, by the house of their fathers, according to the number of the
names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to
war; |
26 Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het
huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en
daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:27 de getelden van de stam Juda waren vierenzeventigduizend
zeshonderd. |
27 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Judah,
[were] threescore and fourteen thousand and six hundred. |
27 Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en
zeshonderd. |
|
NM 1:28 Van de zonen van Issakar, hun nakomelingen naar hun geslachten
en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was
en daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
28 Of the children of Issachar, by their generations, after their
families, by the house of their fathers, according to the number of the
names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to
war; |
28 Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar
het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en
daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:29 de getelden van de stam Issakar waren vierenvijftigduizend
vierhonderd. |
29 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Issachar,
[were] fifty and four thousand and four hundred. |
29 Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig
duizend en vierhonderd. |
|
NM 1:30 Van de zonen van Zebulon, hun nakomelingen naar hun geslachten
en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was
en daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
30 Of the children of Zebulun, by their generations, after their
families, by the house of their fathers, according to the number of the
names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to
war; |
30 Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar
het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en
daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:31 de getelden van de stam Zebulon waren zevenenvijftigduizend
vierhonderd. |
31 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Zebulun,
[were] fifty and seven thousand and four hundred. |
31 Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend
en vierhonderd. |
|
NM 1:32 Van de zonen van Jozef, van de zonen van Efraïm, hun
nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal
namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger
uitrukten, |
32 Of the children of Joseph, [namely], of the children of Ephraim, by
their generations, after their families, by the house of their fathers,
according to the number of the names, from twenty years old and upward,
all that were able to go forth to war; |
32 Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar
hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van
twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:33 de getelden van de stam Efraïm waren veertigduizend
vijfhonderd; |
33 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Ephraim,
[were] forty thousand and five hundred. |
33 Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en
vijfhonderd; |
|
NM 1:34 van de zonen van Manasse, hun nakomelingen naar hun geslachten
en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was
en daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
34 Of the children of Manasseh, by their generations, after their
families, by the house of their fathers, according to the number of the
names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to
war; |
34 Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar
het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en
daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:35 de getelden van de stam Manasse waren tweeëndertigduizend
tweehonderd. |
35 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Manasseh,
[were] thirty and two thousand and two hundred. |
35 Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend
en tweehonderd. |
|
NM 1:36 Van de zonen van Benjamin, hun nakomelingen naar hun geslachten
en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was
en daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
36 Of the children of Benjamin, by their generations, after their
families, by the house of their fathers, according to the number of the
names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to
war; |
36 Van de zonen van Benjamin, hun geboorten, naar hun geslachten, naar
het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en
daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:37 de getelden van de stam Benjamin waren vijfendertigduizend
vierhonderd. |
37 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Benjamin,
[were] thirty and five thousand and four hundred. |
37 Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend
en vierhonderd. |
|
NM 1:38 Van de zonen van Dan, hun nakomelingen naar hun geslachten en
families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en
daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
38 Of the children of Dan, by their generations, after their families,
by the house of their fathers, according to the number of the names, from
twenty years old and upward, all that were able to go forth to war; |
38 Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het
huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en
daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:39 de getelden van de stam Dan waren tweeënzestigduizend
zevenhonderd. |
39 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Dan, [were]
threescore and two thousand and seven hundred. |
39 Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en
zevenhonderd. |
|
NM 1:40 Van de zonen van Aser, hun nakomelingen naar hun geslachten en
families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en
daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
40 Of the children of Asher, by their generations, after their
families, by the house of their fathers, according to the number of the
names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to
war; |
40 Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het
huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en
daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:41 de getelden van de stam Aser waren eenenveertigduizend
vijfhonderd. |
41 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Asher,
[were] forty and one thousand and five hundred. |
41 Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en
vijfhonderd. |
|
NM 1:42 Van de zonen van Naftali, hun nakomelingen naar hun geslachten
en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was
en daarboven, allen die in het leger uitrukten, |
42 Of the children of Naphtali, throughout their generations, after
their families, by the house of their fathers, according to the number of
the names, from twenty years old and upward, all that were able to go
forth to war; |
42 [Van] de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten,
naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren
oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken, |
|
NM 1:43 de getelden van de stam Naftali waren drieënvijftigduizend
vierhonderd. |
43 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Naphtali,
[were] fifty and three thousand and four hundred. |
43 Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend
en vierhonderd. |
|
NM 1:44 Dit zijn de getelden, die Mozes telde met Aäron en de vorsten
Israëls, twaalf man; ieder vertegenwoordigde zijn families. |
44 These [are] those that were numbered, which Moses and Aaron
numbered, and the princes of Israel, [being] twelve men: each one was for
the house of his fathers. |
44 Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de
oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner
vaderen. |
|
NM 1:45 Dus waren al de getelden der Israëlieten, naar hun families,
van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten in
Israël, |
45 So were all those that were numbered of the children of Israel, by
the house of their fathers, from twenty years old and upward, all that
were able to go forth to war in Israel; |
45 Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner
vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten
heire uittrokken, |
|
NM 1:46 al de getelden waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig. |
46 Even all they that were numbered were six hundred thousand and three
thousand and five hundred and fifty. |
46 Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en
vijftig. |
|
NM 1:47 Maar de Levieten naar de stam hunner vaderen werden niet samen
met hen geteld. |
47 But the Levites after the tribe of their fathers were not numbered
among them. |
47 Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen
niet geteld. |
|
NM 1:48 De HERE had namelijk tot Mozes gesproken: |
48 For the LORD had spoken unto Moses, saying, |
48 Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende: |
|
NM 1:49 Slechts de stam Levi zult gij niet tellen, noch hun aantal
onder de Israëlieten opnemen, |
49 Only thou shalt not number the tribe of Levi, neither take the sum
of them among the children of Israel: |
49 Alleen de stam van Levi zult gij niet tellen, noch hun som opnemen,
onder de zonen van Israel. |
|
NM 1:50 maar stel gij de Levieten over de tabernakel der getuigenis en
over al zijn gerei en over al zijn toebehoren; zij zullen de tabernakel en
al zijn gerei dragen; zij zullen daarbij dienst doen en zich rondom de
tabernakel legeren. |
50 But thou shalt appoint the Levites over the tabernacle of testimony,
and over all the vessels thereof, and over all things that [belong] to it:
they shall bear the tabernacle, and all the vessels thereof; and they
shall minister unto it, and shall encamp round about the tabernacle. |
50 Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en
over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen
den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien
bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren. |
|
NM 1:51 Wanneer de tabernakel moet opbreken, dan zullen de Levieten hem
uit elkander nemen, en wanneer de tabernakel moet legeren, dan zullen de
Levieten hem oprichten, maar de onbevoegde, die nadert, zal ter dood
gebracht worden. |
51 And when the tabernacle setteth forward, the Levites shall take it
down: and when the tabernacle is to be pitched, the Levites shall set it
up: and the stranger that cometh nigh shall be put to death. |
51 En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven
afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten
denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden. |
|
NM 1:52 Terwijl de Israëlieten zich zullen legeren, ieder bij zijn
legerplaats en zijn vendel, naar hun legerscharen, |
52 And the children of Israel shall pitch their tents, every man by his
own camp, and every man by his own standard, throughout their hosts. |
52 En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn
leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren. |
|
NM 1:53 zullen de Levieten zich rondom de tabernakel der getuigenis
legeren, opdat er geen toorn ruste op de vergadering der Israëlieten; de
Levieten zullen zorg dragen voor de tabernakel der getuigenis. |
53 But the Levites shall pitch round about the tabernacle of testimony,
that there be no wrath upon the congregation of the children of Israel:
and the Levites shall keep the charge of the tabernacle of testimony. |
53 Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der
getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen
Israels zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der
getuigenis waarnemen. |
|
NM 1:54 En de Israëlieten deden het; juist zoals de HERE Mozes geboden
had, deden zij. |
54 And the children of Israel did according to all that the LORD
commanded Moses, so did they. |
54 Zo deden de kinderen Israels; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden
had, zo deden zij. |
|
NM 2:1 De HERE sprak tot Mozes en Aäron: |
1 And the LORD spake unto Moses and unto Aaron, saying, |
1 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende: |
|
NM 2:2 De Israëlieten zullen zich legeren ieder bij zijn vendel onder
de veldtekenen van hun families; op een afstand zullen zij zich rondom de
tent der samenkomst legeren. |
2 Every man of the children of Israel shall pitch by his own standard,
with the ensign of their father's house: far off about the tabernacle of
the congregation shall they pitch. |
2 De kinderen Israels zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier,
naar de tekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de tent der
samenkomst zullen zij zich legeren. |
|
NM 2:3 Aan de oostzijde, aan de kant waar de zon opgaat, zal het vendel
van de legerplaats van Juda zich legeren naar hun legerscharen. De vorst
nu der zonen van Juda was Nachson, de zoon van Amminadab; |
3 And on the east side toward the rising of the sun shall they of the
standard of the camp of Judah pitch throughout their armies: and Nahshon
the son of Amminadab [shall be] captain of the children of Judah. |
3 Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de
banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van
Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn. |
|
NM 2:4 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg
vierenzeventigduizend zeshonderd. |
4 And his host, and those that were numbered of them, [were] threescore
and fourteen thousand and six hundred. |
4 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en
zeshonderd. |
|
NM 2:5 Naast hem zal de stam Issakar zich legeren. De vorst nu der
zonen van Issakar was Netanel, de zoon van Suar; |
5 And those that do pitch next unto him [shall be] the tribe of
Issachar: and Nethaneel the son of Zuar [shall be] captain of the children
of Issachar. |
5 En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de
zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn. |
|
NM 2:6 en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond, bedroeg
vierenvijftigduizend vierhonderd. |
6 And his host, and those that were numbered thereof, [were] fifty and
four thousand and four hundred. |
6 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en
vierhonderd. |
|
NM 2:7 Voorts de stam Zebulon: de vorst nu der zonen van Zebulon was
Eliab, de zoon van Chelon; |
7 [Then] the tribe of Zebulun: and Eliab the son of Helon [shall be]
captain of the children of Zebulun. |
7 [Daartoe] de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de
overste der zonen van Zebulon zijn. |
|
NM 2:8 en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond, bedroeg
zevenenvijftigduizend vierhonderd. |
8 And his host, and those that were numbered thereof, [were] fifty and
seven thousand and four hundred. |
8 Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en
vierhonderd. |
|
NM 2:9 Al de getelden van de legerplaats van Juda waren
honderdzesentachtigduizend vierhonderd naar hun legerscharen. Zij zullen
het eerst opbreken. |
9 All that were numbered in the camp of Judah [were] an hundred
thousand and fourscore thousand and six thousand and four hundred,
throughout their armies. These shall first set forth. |
9 Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig
duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken. |
|
NM 2:10 Het vendel van de legerplaats van Ruben zal aan de zuidzijde
zijn, naar hun legerscharen. De vorst nu der zonen van Ruben was Elisur,
de zoon van Sedeür; |
10 On the south side [shall be] the standard of the camp of Reuben
according to their armies: and the captain of the children of Reuben
[shall be] Elizur the son of Shedeur. |
10 De banier des legers van Ruben, naar hun heiren, zal tegen het
zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeur, zal de overste der zonen van
Ruben zijn. |
|
NM 2:11 en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond, bedroeg
zesenveertigduizend vijfhonderd. |
11 And his host, and those that were numbered thereof, [were] forty and
six thousand and five hundred. |
11 Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en
vijfhonderd. |
|
NM 2:12 Naast hem zal de stam Simeon zich legeren. De vorst nu der
zonen van Simeon was Selumiël, de zoon van Surisaddai; |
12 And those which pitch by him [shall be] the tribe of Simeon: and the
captain of the children of Simeon [shall be] Shelumiel the son of
Zurishaddai. |
12 En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de
zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn. |
|
NM 2:13 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg
negenenvijftigduizend driehonderd. |
13 And his host, and those that were numbered of them, [were] fifty and
nine thousand and three hundred. |
13 Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en
driehonderd. |
|
NM 2:14 Voorts de stam Gad: de vorst nu der zonen van Gad van Eljasaf,
de zoon van Reüel; |
14 Then the tribe of Gad: and the captain of the sons of Gad [shall be]
Eliasaph the son of Reuel. |
14 Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de
overste der zonen van Gad zijn. |
|
NM 2:15 en zijn leger dat uit hun getelden bestond, bedroeg
vijfenveertigduizend zeshonderd vijftig. |
15 And his host, and those that were numbered of them, [were] forty and
five thousand and six hundred and fifty. |
15 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend
zeshonderd en vijftig. |
|
NM 2:16 Al de getelden van de legerplaats van Ruben waren
honderdeenenvijftigduizend vierhonderd vijftig naar hun legerscharen. Zij
zullen in de tweede plaats opbreken. |
16 All that were numbered in the camp of Reuben [were] an hundred
thousand and fifty and one thousand and four hundred and fifty, throughout
their armies. And they shall set forth in the second rank. |
16 Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig
duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede
optrekken. |
|
NM 2:17 De tent der samenkomst nu, de legerplaats der Levieten, zal te
midden van de legerplaatsen opbreken; zoals zij zich zullen legeren,
zullen zij ook opbreken, ieder op zijn plaats naar hun vendels. |
17 Then the tabernacle of the congregation shall set forward with the
camp of the Levites in the midst of the camp: as they encamp, so shall
they set forward, every man in his place by their standards. |
17 Daarna zal de tent der samenkomst optrekken, met het leger der
Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen,
alzo zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijn plaats, naar hun
banieren. |
|
NM 2:18 Het vendel van de legerplaats van Efraïm naar hun legerscharen
zal aan de westzijde zijn. De vorst nu der zonen van Efraïm was Elisama,
de zoon van Ammihud; |
18 On the west side [shall be] the standard of the camp of Ephraim
according to their armies: and the captain of the sons of Ephraim [shall
be] Elishama the son of Ammihud. |
18 De banier des legers van Efraim, naar hun heiren, zal tegen het
westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen van
Efraim zijn. |
|
NM 2:19 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg
veertigduizend vijfhonderd. |
19 And his host, and those that were numbered of them, [were] forty
thousand and five hundred. |
19 Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd. |
|
NM 2:20 Naast hem de stam Manasse: de vorst nu der zonen van Manasse
was Gamliël, de zoon van Pedasur; |
20 And by him [shall be] the tribe of Manasseh: and the captain of the
children of Manasseh [shall be] Gamaliel the son of Pedahzur. |
20 En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur,
zal de overste der zonen van Manasse zijn. |
|
NM 2:21 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg
tweeëndertigduizend tweehonderd. |
21 And his host, and those that were numbered of them, [were] thirty
and two thousand and two hundred. |
21 Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en
tweehonderd. |
|
NM 2:22 Voorts de stam Benjamin: de vorst nu der zonen van Benjamin was
Abidan, de zoon van Gidoni; |
22 Then the tribe of Benjamin: and the captain of the sons of Benjamin
[shall be] Abidan the son of Gideoni. |
22 Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de
overste der zonen van Benjamin zijn. |
|
NM 2:23 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg
vijfendertigduizend vierhonderd. |
23 And his host, and those that were numbered of them, [were] thirty
and five thousand and four hundred. |
23 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en
vierhonderd. |
|
NM 2:24 Al de getelden van de legerplaats van Efraïm waren
honderdachtduizend éénhonderd, naar hun legerscharen. Zij zullen in de
derde plaats opbreken. |
24 All that were numbered of the camp of Ephraim [were] an hundred
thousand and eight thousand and an hundred, throughout their armies. And
they shall go forward in the third rank. |
24 Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en
eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken. |
|
NM 2:25 Het vendel van de legerplaats van Dan zal aan de noordzijde
zijn, naar hun legerscharen. De vorst nu der zonen van Dan was Achiëzer,
de zoon van Ammisaddai; |
25 The standard of the camp of Dan [shall be] on the north side by
their armies: and the captain of the children of Dan [shall be] Ahiezer
the son of Ammishaddai. |
25 De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun
heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van
Dan zijn. |
|
NM 2:26 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg
tweeënzestigduizend zevenhonderd. |
26 And his host, and those that were numbered of them, [were]
threescore and two thousand and seven hundred. |
26 Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en
zevenhonderd. |
|
NM 2:27 Naast hem zal de stam Aser zich legeren: de vorst nu der zonen
van Aser was Pagiël, de zoon van Okran; |
27 And those that encamp by him [shall be] the tribe of Asher: and the
captain of the children of Asher [shall be] Pagiel the son of Ocran. |
27 En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon
van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn. |
|
NM 2:28 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg
eenenveertigduizend vijfhonderd. |
28 And his host, and those that were numbered of them, [were] forty and
one thousand and five hundred. |
28 Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en
vijfhonderd. |
|
NM 2:29 Voorts de stam Naftali: de vorst nu der zonen van Naftali was
Achira, de zoon van Enan; |
29 Then the tribe of Naphtali: and the captain of the children of
Naphtali [shall be] Ahira the son of Enan. |
29 Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de
overste der zonen van Nafthali zijn. |
|
NM 2:30 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg
drieënvijftigduizend vierhonderd. |
30 And his host, and those that were numbered of them, [were] fifty and
three thousand and four hundred. |
30 Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en
vierhonderd. |
|
NM 2:31 Al de getelden van de legerplaats van Dan waren
honderdzevenenvijftigduizend zeshonderd. Zij zullen naar hun vendels het
laatst opbreken. |
31 All they that were numbered in the camp of Dan [were] an hundred
thousand and fifty and seven thousand and six hundred. They shall go
hindmost with their standards. |
31 Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig
duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun
banieren. |
|
NM 2:32 Dit waren de getelden der Israëlieten naar hun families; al de
getelden der legerplaatsen naar hun legerscharen waren
zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig. |
32 These [are] those which were numbered of the children of Israel by
the house of their fathers: all those that were numbered of the camps
throughout their hosts [were] six hundred thousand and three thousand and
five hundred and fifty. |
32 Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner
vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie
duizend vijfhonderd en vijftig. |
|
NM 2:33 De Levieten echter werden niet samen met de Israëlieten
geteld, zoals de HERE Mozes geboden had. |
33 But the Levites were not numbered among the children of Israel; as
the LORD commanded Moses. |
33 Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israel,
gelijk als de HEERE Mozes geboden had. |
|
NM 2:34 En de Israëlieten deden het; juist zoals de HERE Mozes geboden
had, legerden zij zich naar hun vendels, en braken zij op, ieder naar zijn
geslacht, bij zijn familie. |
34 And the children of Israel did according to all that the LORD
commanded Moses: so they pitched by their standards, and so they set
forward, every one after their families, according to the house of their
fathers. |
34 En de kinderen Israels deden naar alles, wat de HEERE Mozes geboden
had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, een
iegelijk naar zijn geslachten, naar het huis zijner vaderen. |
|
NM 3:1 Dit nu waren de nakomelingen van Aäron en Mozes ten dage, dat
de HERE met Mozes sprak op de berg Sinai. |
1 These also [are] the generations of Aaron and Moses in the day [that]
the LORD spake with Moses in mount Sinai. |
1 Dit nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage [als] de HEERE
met Mozes gesproken heeft op den berg Sinai. |
|
NM 3:2 Dit waren de namen der zonen van Aäron: de eerstgeborene was
Nadab, voorts Abihu, Eleazar en Itamar. |
2 And these [are] the names of the sons of Aaron; Nadab the firstborn,
and Abihu, Eleazar, and Ithamar. |
2 En dit zijn de namen der zonen van Aaron: de eerstgeborene, Nadab,
daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar. |
|
NM 3:3 Dit waren de namen der zonen van Aäron, de gezalfde priesters,
die hij gewijd had om het priesterambt te bekleden. |
3 These [are] the names of the sons of Aaron, the priests which were
anointed, whom he consecrated to minister in the priest's office. |
3 Dit zijn de namen der zonen van Aaron, der priesteren, die gezalfd
waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen. |
|
NM 3:4 Nadat Nadab en Abihu voor het aangezicht des HEREN gestorven
waren in de woestijn Sinai, toen zij vreemd vuur vóór de HERE brachten -
zij hadden geen zonen - bekleedden Eleazar en Itamar het priesterambt
tijdens het leven van hun vader Aäron. |
4 And Nadab and Abihu died before the LORD, when they offered strange
fire before the LORD, in the wilderness of Sinai, and they had no
children: and Eleazar and Ithamar ministered in the priest's office in the
sight of Aaron their father. |
4 Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht des HEEREN, als zij
vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN in de woestijn van Sinai
brachten, en hadden geen kinderen, doch Eleazar en Ithamar bedienden het
priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aaron. |
|
NM 3:5 De HERE nu sprak tot Mozes: |
5 And the LORD spake unto Moses, saying, |
5 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 3:6 Laat de stam Levi aantreden en stel hem voor het aangezicht van
de priester Aäron, opdat zij hem dienen, |
6 Bring the tribe of Levi near, and present them before Aaron the
priest, that they may minister unto him. |
6 Doe den stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van
den priester Aaron, opdat zij hem dienen; |
|
NM 3:7 en zij zullen hun taak vervullen te zijnen behoeve en ten
behoeve van de gehele vergadering vóór de tent der samenkomst, door de
dienst bij de tabernakel te verrichten; |
7 And they shall keep his charge, and the charge of the whole
congregation before the tabernacle of the congregation, to do the service
of the tabernacle. |
7 En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht der gehele vergadering,
voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen; |
|
NM 3:8 zij zullen zorg dragen voor al het gerei van de tent der
samenkomst, en hun taak vervullen ten behoeve van de Israëlieten door de
dienst bij de tabernakel te verrichten. |
8 And they shall keep all the instruments of the tabernacle of the
congregation, and the charge of the children of Israel, to do the service
of the tabernacle. |
8 En dat zij al het gereedschap van de tent der samenkomst, en de wacht
der kinderen Israels waarnemen, om den dienst des tabernakels te bedienen. |
|
NM 3:9 Gij zult de Levieten schenken aan Aäron en zijn zonen; uit de
Israëlieten zullen dezen hem onvoorwaardelijk geschonken zijn. |
9 And thou shalt give the Levites unto Aaron and to his sons: they
[are] wholly given unto him out of the children of Israel. |
9 Gij zult dan, aan Aaron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij
zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israels. |
|
NM 3:10 Maar aan Aäron en zijn zonen zult gij opdragen hun
priesterambt waar te nemen; doch de onbevoegde, die nadert, zal ter dood
gebracht worden. |
10 And thou shalt appoint Aaron and his sons, and they shall wait on
their priest's office: and the stranger that cometh nigh shall be put to
death. |
10 Maar Aaron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt
waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. |
|
NM 3:11 En de HERE sprak tot Mozes: |
11 And the LORD spake unto Moses, saying, |
11 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 3:12 Zie, Ik zelf neem uit de Israëlieten de Levieten in plaats van
alle eerstgeborenen der Israëlieten, die het eerst uit de moederschoot
voortkomen, opdat de Levieten mijn eigendom zijn, |
12 And I, behold, I have taken the Levites from among the children of
Israel instead of all the firstborn that openeth the matrix among the
children of Israel: therefore the Levites shall be mine; |
12 En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen
Israels genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder
opent, uit de kinderen Israels; en de Levieten zullen Mijne zijn. |
|
NM 3:13 want alle eerstgeborenen zijn mijn eigendom. Ten dage, dat Ik
alle eerstgeborenen in het land Egypte sloeg, heiligde Ik Mij alle
eerstgeborenen in Israël, zowel van mens als van dier; zij zijn mijn
eigendom; Ik ben de HERE. |
13 Because all the firstborn [are] mine; [for] on the day that I smote
all the firstborn in the land of Egypt I hallowed unto me all the
firstborn in Israel, both man and beast: mine shall they be: I [am] the
LORD. |
13 Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle
eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle
eerstgeborenen in Israel, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn
zijn; Ik ben de HEERE! |
|
NM 3:14 En de HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinai: |
14 And the LORD spake unto Moses in the wilderness of Sinai, saying, |
14 En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, zeggende: |
|
NM 3:15 Tel de Levieten naar hun families en geslachten; allen die van
het mannelijk geslacht zijn, van één maand oud en daarboven, die zult
gij tellen. |
15 Number the children of Levi after the house of their fathers, by
their families: every male from a month old and upward shalt thou number
them. |
15 Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hun
geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult
gij tellen. |
|
NM 3:16 Toen telde Mozes hen naar het bevel des HEREN, zoals geboden
was. |
16 And Moses numbered them according to the word of the LORD, as he was
commanded. |
16 En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk hem geboden
was. |
|
NM 3:17 Dit nu waren de namen der zonen van Levi: Gerson, Kehat en
Merari. |
17 And these were the sons of Levi by their names; Gershon, and Kohath,
and Merari. |
17 Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en
Merari. |
|
NM 3:18 Dit waren de namen der zonen van Gerson naar hun geslachten:
Libni en Simi. |
18 And these [are] the names of the sons of Gershon by their families;
Libni, and Shimei. |
18 En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten:
Libni en Simei. |
|
NM 3:19 De zonen van Kehat naar hun geslachten waren Amram, Jishar,
Chebron en Uzziël. |
19 And the sons of Kohath by their families; Amram, and Izehar, Hebron,
and Uzziel. |
19 En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron
en Uzziel. |
|
NM 3:20 En de zonen van Merari naar hun geslachten waren Machli en
Musi. Dit zijn de geslachten der Levieten naar hun families. |
20 And the sons of Merari by their families; Mahli, and Mushi. These
[are] the families of the Levites according to the house of their fathers. |
20 En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit
zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen. |
|
NM 3:21 Tot Gerson behoorde het geslacht der Libnieten en dat der
Simieten; dit waren de geslachten der Gersonieten. |
21 Of Gershon [was] the family of the Libnites, and the family of the
Shimites: these [are] the families of the Gershonites. |
21 Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der
Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten. |
|
NM 3:22 Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het
mannelijk geslacht waren, van één maand oud en daarboven, waren
zevenduizend vijfhonderd. |
22 Those that were numbered of them, according to the number of all the
males, from a month old and upward, [even] those that were numbered of
them [were] seven thousand and five hundred. |
22 Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand
oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd. |
|
NM 3:23 De geslachten der Gersonieten legerden zich achter de
tabernakel aan de westzijde. |
23 The families of the Gershonites shall pitch behind the tabernacle
westward. |
23 De geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter den
tabernakel, westwaarts. |
|
NM 3:24 En het familiehoofd der Gersonieten was Eljasaf, de zoon van
Laël. |
24 And the chief of the house of the father of the Gershonites [shall
be] Eliasaph the son of Lael. |
24 De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn
Eljasaf, de zoon van Lael. |
|
NM 3:25 De Gersonieten nu hadden bij de tent der samenkomst, zowel
tabernakel als tent, de zorg voor de dakbedekking, het voorhangsel voor de
ingang van de tent der samenkomst, |
25 And the charge of the sons of Gershon in the tabernacle of the
congregation [shall be] the tabernacle, and the tent, the covering
thereof, and the hanging for the door of the tabernacle of the
congregation, |
25 En de wacht der zonen van Gerson in de tent der samenkomst zal zijn
de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de
tent der samenkomst; |
|
NM 3:26 de gordijnen van de voorhof en het voorhangsel voor de ingang
van de voorhof, die rondom de tabernakel en het altaar was, en de daarbij
behorende touwen, naar alles wat daaraan te doen was. |
26 And the hangings of the court, and the curtain for the door of the
court, which [is] by the tabernacle, and by the altar round about, and the
cords of it for all the service thereof. |
26 En de behangselen des voorhofs, en het deksel van de deur des
voorhofs, welke bij den tabernakel en bij het altaar rondom zijn;
mitsgaders de zelen, tot zijn gansen dienst. |
|
NM 3:27 Tot Kehat behoorde het geslacht der Amramieten, dat der
Jisharieten, dat der Chebronieten en dat der Uzziëlieten; dit waren de
geslachten der Kehatieten. |
27 And of Kohath [was] the family of the Amramites, and the family of
the Izeharites, and the family of the Hebronites, and the family of the
Uzzielites: these [are] the families of the Kohathites. |
27 En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der
Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der
Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten. |
|
NM 3:28 Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het
mannelijk geslacht waren, van één maand oud en daarboven, waren
achtduizend zeshonderd: zij hadden de zorg voor het heilige. |
28 In the number of all the males, from a month old and upward, [were]
eight thousand and six hundred, keeping the charge of the sanctuary. |
28 In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven,
waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms. |
|
NM 3:29 De geslachten der Kehatieten legerden zich langs de tabernakel
aan de zuidzijde. |
29 The families of the sons of Kohath shall pitch on the side of the
tabernacle southward. |
29 De geslachten der zonen van Kahath zullen zich legeren aan de zijde
des tabernakels, zuidwaarts. |
|
NM 3:30 En het familiehoofd van de geslachten der Kehatieten was
Elisafan, de zoon van Uzziël. |
30 And the chief of the house of the father of the families of the
Kohathites [shall be] Elizaphan the son of Uzziel. |
30 De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de
Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel. |
|
NM 3:31 Zij hadden de zorg voor de ark, de tafel, de kandelaar, de
altaren, het heilige gerei, waarmede men de dienst verrichtte, het
voorhangsel en alles wat daaraan te doen was. |
31 And their charge [shall be] the ark, and the table, and the
candlestick, and the altars, and the vessels of the sanctuary wherewith
they minister, and the hanging, and all the service thereof. |
31 Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de
altaren en het gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en
het deksel, en al [wat] [tot] zijn dienst [behoort]. |
|
NM 3:32 Het opperste hoofd nu der Levieten was Eleazar, de zoon van de
priester Aäron, die het opzicht had over hen, die de zorg hadden voor het
heilige. |
32 And Eleazar the son of Aaron the priest [shall be] chief over the
chief of the Levites, [and have] the oversight of them that keep the
charge of the sanctuary. |
32 De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van
Aaron, den priester; [zijn] opzicht zal zijn over degenen, die de wacht
des heiligdoms waarnemen. |
|
NM 3:33 Tot Merari behoorde het geslacht der Machlieten en dat der
Musieten; dit waren de geslachten van Merari. |
33 Of Merari [was] the family of the Mahlites, and the family of the
Mushites: these [are] the families of Merari. |
33 Van Merari is het geslacht der Mahelieten, en het geslacht der
Musieten; dit zijn de geslachten van Merari. |
|
NM 3:34 Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het
mannelijk geslacht waren, van één maand oud en daarboven, waren
zesduizend tweehonderd. |
34 And those that were numbered of them, according to the number of all
the males, from a month old and upward, [were] six thousand and two
hundred. |
34 En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud
en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd. |
|
NM 3:35 En het familiehoofd der geslachten van Merari was Suriël, de
zoon van Abichaïl. Zij legerden zich langs de tabernakel aan de
noordzijde. |
35 And the chief of the house of the father of the families of Merari
[was] Zuriel the son of Abihail: [these] shall pitch on the side of the
tabernacle northward. |
35 De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van Merari zal
zijn Zuriel, de zoon van Abihail; zij zullen zich legeren aan de zijde des
tabernakels, noordwaarts. |
|
NM 3:36 Aan de Merarieten was opgedragen de zorg voor de planken van de
tabernakel, zijn balken, zijn pilaren, zijn voetstukken, al zijn gerei en
alles wat daaraan te doen was, |
36 And [under] the custody and charge of the sons of Merari [shall be]
the boards of the tabernacle, and the bars thereof, and the pillars
thereof, and the sockets thereof, and all the vessels thereof, and all
that serveth thereto, |
36 En het opzicht der wachten van de zonen van Merari zal zijn over de
berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn
voeten, en al zijn gereedschap, en al [wat] [tot] zijn dienst [behoort]; |
|
NM 3:37 eveneens voor de pilaren van de voorhof rondom, de voetstukken,
de pinnen en de touwen daarvan. |
37 And the pillars of the court round about, and their sockets, and
their pins, and their cords. |
37 En de pilaren des voorhofs rondom, en hun voeten, en hun pennen, en
hun zelen. |
|
NM 3:38 Voorts legerden zich vóór de tabernakel aan de oostzijde,
vóór de tent der samenkomst aan de kant, waar de zon opgaat, Mozes en
Aäron en diens zonen, die de zorg hadden voor het heiligdom namens de
Israëlieten; maar de onbevoegde, die naderde, moest ter dood gebracht
worden. |
38 But those that encamp before the tabernacle toward the east, [even]
before the tabernacle of the congregation eastward, [shall be] Moses, and
Aaron and his sons, keeping the charge of the sanctuary for the charge of
the children of Israel; and the stranger that cometh nigh shall be put to
death. |
38 Die nu zich legeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor de
tent der samenkomst, tegen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aaron met
zijn zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms, voor de wacht der
kinderen Israels; en de vreemde die nadert, zal gedood worden. |
|
NM 3:39 Al de getelden der Levieten, die Mozes met Aäron naar het
bevel des HEREN naar hun geslachten telde, allen van het mannelijk
geslacht, van één maand oud en daarboven, waren tweeëntwintigduizend. |
39 All that were numbered of the Levites, which Moses and Aaron
numbered at the commandment of the LORD, throughout their families, all
the males from a month old and upward, [were] twenty and two thousand. |
39 Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des
HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een
maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend. |
|
NM 3:40 Toen zeide de HERE tot Mozes: Tel alle mannelijke
eerstgeborenen der Israëlieten van één maand oud en daarboven, en neem
het aantal hunner namen op, |
40 And the LORD said unto Moses, Number all the firstborn of the males
of the children of Israel from a month old and upward, and take the number
of their names. |
40 En de HEERE zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk
is onder de kinderen Israels, van een maand oud en daarboven; en neem het
getal hunner namen op. |
|
NM 3:41 en gij zult voor Mij de Levieten nemen - Ik ben de HERE - in
plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, evenals het vee der
Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder het vee der Israëlieten. |
41 And thou shalt take the Levites for me (I [am] the LORD) instead of
all the firstborn among the children of Israel; and the cattle of the
Levites instead of all the firstlings among the cattle of the children of
Israel. |
41 En gij zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben de HEERE!), in plaats
van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels, en de beesten der
Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen
Israels. |
|
NM 3:42 Toen telde Mozes, zoals de HERE hem geboden had, alle
eerstgeborenen onder de Israëlieten. |
42 And Moses numbered, as the LORD commanded him, all the firstborn
among the children of Israel. |
42 Mozes dan telde, gelijk als de HEERE hem geboden had, alle
eerstgeborenen onder de kinderen Israels. |
|
NM 3:43 Alle mannelijke eerstgeborenen, overeenkomstig het aantal
namen, van één maand oud en daarboven, bleken bij telling te zijn
tweeëntwintigduizend tweehonderd drieënzeventig. |
43 And all the firstborn males by the number of names, from a month old
and upward, of those that were numbered of them, were twenty and two
thousand two hundred and threescore and thirteen. |
43 En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen,
van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig
duizend tweehonderd en drie en zeventig. |
|
NM 3:44 Toen sprak de HERE tot Mozes: |
44 And the LORD spake unto Moses, saying, |
44 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 3:45 Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder de
Israëlieten, evenals het vee der Levieten in plaats van hun vee, opdat de
Levieten mijn eigendom zijn; Ik ben de HERE. |
45 Take the Levites instead of all the firstborn among the children of
Israel, and the cattle of the Levites instead of their cattle; and the
Levites shall be mine: I [am] the LORD. |
45 Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen
Israels, en de beesten der Levieten, in plaats van hun beesten; want de
Levieten zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE! |
|
NM 3:46 Als losgeld voor de tweehonderd drieënzeventig eerstgeborenen
der Israëlieten, die het getal der Levieten te boven gaan, |
46 And for those that are to be redeemed of the two hundred and
threescore and thirteen of the firstborn of the children of Israel, which
are more than the Levites; |
46 Aangaande de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden,
die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de kinderen
Israels; |
|
NM 3:47 zult gij voor ieder per hoofd vijf sikkels nemen, naar de
heilige sikkel zult gij het nemen - deze sikkel is twintig gera - |
47 Thou shalt even take five shekels apiece by the poll, after the
shekel of the sanctuary shalt thou take [them]: (the shekel [is] twenty
gerahs:) |
47 Gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des
heiligdoms zult gij ze nemen; die sikkel is twintig gera. |
|
NM 3:48 en dat geld zult gij aan Aäron en zijn zonen geven als het
losgeld voor diegenen onder hen, die het getal (der Levieten) te boven
gaan. |
48 And thou shalt give the money, wherewith the odd number of them is
to be redeemed, unto Aaron and to his sons. |
48 En gij zult dat geld aan Aaron en zijn zonen geven, [het] [geld] der
gelosten die onder hen overschieten. |
|
NM 3:49 Toen nam Mozes het losgeld van degenen die het getal van hen,
die door de Levieten waren losgekocht, te boven gingen; |
49 And Moses took the redemption money of them that were over and above
them that were redeemed by the Levites: |
49 Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de
gelosten door de Levieten. |
|
NM 3:50 van de eerstgeborenen der Israëlieten nam hij het geld,
duizend driehonderd vijfenzestig sikkels naar de heilige sikkel, |
50 Of the firstborn of the children of Israel took he the money; a
thousand three hundred and threescore and five [shekels], after the shekel
of the sanctuary: |
50 Van de eerstgeborenen van de kinderen Israels nam hij dat geld,
duizend driehonderd vijf en zestig [sikkelen], naar den sikkel des
heiligdoms. |
|
NM 3:51 en Mozes gaf het losgeld aan Aäron en zijn zonen naar het
bevel des HEREN, zoals de HERE aan Mozes geboden had. |
51 And Moses gave the money of them that were redeemed unto Aaron and
to his sons, according to the word of the LORD, as the LORD commanded
Moses. |
51 En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aaron en aan zijn zonen, naar
het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. |
|
NM 4:1 En de HERE sprak tot Mozes en Aäron: |
1 And the LORD spake unto Moses and unto Aaron, saying, |
1 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende: |
|
NM 4:2 Neem het aantal op van de Kehatieten onder de Levieten, naar hun
geslachten en families, |
2 Take the sum of the sons of Kohath from among the sons of Levi, after
their families, by the house of their fathers, |
2 Neemt op de som der zonen van Kahath, uit het midden der zonen van
Levi, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen. |
|
NM 4:3 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder,
die dienstplichtig is om werk te verrichten in de tent der samenkomst. |
3 From thirty years old and upward even until fifty years old, all that
enter into the host, to do the work in the tabernacle of the congregation. |
3 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot
dezen strijd inkomt, om het werk in de tent der samenkomst te doen. |
|
NM 4:4 Dit zal de dienst der Kehatieten in de tent der samenkomst zijn:
de zorg voor de allerheiligste dingen. |
4 This [shall be] the service of the sons of Kohath in the tabernacle
of the congregation, [about] the most holy things: |
4 Dit zal de dienst zijn der zonen van Kahath, in de tent der
samenkomst, [te] [weten] de heiligheid der heiligheden. |
|
NM 4:5 Bij het opbreken van de legerplaats zullen Aäron en zijn zonen
naar binnen gaan en het bedekkend voorhangsel afnemen, en daarmee de ark
der getuigenis bedekken; |
5 And when the camp setteth forward, Aaron shall come, and his sons,
and they shall take down the covering vail, and cover the ark of testimony
with it: |
5 In het optrekken des legers, zo zullen Aaron en zijn zonen komen, en
den voorhang des deksels afnemen, en zullen daarmede de ark der getuigenis
bedekken. |
|
NM 4:6 daarover zullen zij een bedekking van tachasvel leggen, en
daarover een kleed, geheel van blauwpurper, spreiden en de draagstokken
aanbrengen. |
6 And shall put thereon the covering of badgers' skins, and shall
spread over [it] a cloth wholly of blue, and shall put in the staves
thereof. |
6 En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een
geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen
derzelver handbomen aanleggen. |
|
NM 4:7 Ook over de tafel der toonbroden zullen zij een blauwpurperen
kleed spreiden, en daarop plaatsen de schotels, de schalen, de kommen en
de plengkannen, terwijl ook het steeds aanwezige brood erop zal blijven
liggen: |
7 And upon the table of shewbread they shall spread a cloth of blue,
and put thereon the dishes, and the spoons, and the bowls, and covers to
cover withal: and the continual bread shall be thereon: |
7 Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden,
en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en
de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn. |
|
NM 4:8 daarover zullen zij een scharlaken kleed spreiden en dit
bedekken met een bedekking van tachasvel, en de draagstokken aanbrengen. |
8 And they shall spread upon them a cloth of scarlet, and cover the
same with a covering of badgers' skins, and shall put in the staves
thereof. |
8 Daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en
zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen
derzelver handbomen aanleggen. |
|
NM 4:9 Dan zullen zij een blauwpurperen kleed nemen en daarmee de
kandelaar voor het licht bedekken met zijn lampen, snuiters, bakjes, en al
zijn gerei voor de olie, waarvan men zich daarbij bedient, |
9 And they shall take a cloth of blue, and cover the candlestick of the
light, and his lamps, and his tongs, and his snuffdishes, and all the oil
vessels thereof, wherewith they minister unto it: |
9 Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken den
kandelaar des luchters, en zijn lampen, en zijn snuiters, en zijn
blusvaten, en al zijn olievaten, met welke zij aan denzelven dienen. |
|
NM 4:10 en zij zullen hem met al zijn gerei plaatsen op een bedekking
van tachasvel en op een draagbaar zetten. |
10 And they shall put it and all the vessels thereof within a covering
of badgers' skins, and shall put [it] upon a bar. |
10 Zij zullen ook denzelven, en al zijn gereedschap, in een deksel van
dassenvellen doen, en zullen hem op den draagboom leggen. |
|
NM 4:11 Over het gouden altaar zullen zij een blauwpurperen kleed
spreiden en dit bedekken met een bedekking van tachasvel en de
draagstokken aanbrengen. |
11 And upon the golden altar they shall spread a cloth of blue, and
cover it with a covering of badgers' skins, and shall put to the staves
thereof: |
11 En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw
uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en
zij zullen deszelfs handbomen aanleggen. |
|
NM 4:12 Dan zullen zij al het dienstgerei nemen, waarmee zij in het
heilige dienst doen en dat op een blauwpurperen kleed plaatsen en het
bedekken met een bedekking van tachasvel en op een draagbaar plaatsen. |
12 And they shall take all the instruments of ministry, wherewith they
minister in the sanctuary, and put [them] in a cloth of blue, and cover
them with a covering of badgers' skins, and shall put [them] on a bar: |
12 Zij zullen ook nemen alle gereedschap van den dienst, met hetwelk
zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van
hemelsblauw, en zullen hetzelve met een deksel van dassenvellen bedekken;
en zij zullen het op den draagboom leggen. |
|
NM 4:13 En het altaar zullen zij van as reinigen, er een roodpurperen
kleed overheen spreiden, |
13 And they shall take away the ashes from the altar, and spread a
purple cloth thereon: |
13 En zij zullen de as van het altaar vegen, en zij zullen daarover een
kleed van purper uitspreiden. |
|
NM 4:14 en daarop leggen al zijn gerei, waarvan men zich daarbij
bedient, de vuurpannen, de vorken, de scheppen, de sprengbekkens, al het
gerei van het altaar, en daarover een bedekking van tachasvel spreiden, en
de draagstokken aanbrengen. |
14 And they shall put upon it all the vessels thereof, wherewith they
minister about it, [even] the censers, the fleshhooks, and the shovels,
and the basons, all the vessels of the altar; and they shall spread upon
it a covering of badgers' skins, and put to the staves of it. |
14 En zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap, waarmede zij aan
hetzelve dienen, de koolpannen, de krauwelen, en de schoffelen, en de
sprengbekkens, al het gereedschap des altaars; en zij zullen daarover een
deksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen deszelfs handbomen
aanleggen. |
|
NM 4:15 Als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van de legerplaats
gereed zijn met het bedekken van het heilige en al het heilige gerei, dan
zullen daarna de Kehatieten binnengaan om het te dragen; zij zullen echter
het heilige niet aanraken, want dan zouden zij sterven. Dit is hetgeen de
Kehatieten aan de tent der samenkomst te dragen hebben. |
15 And when Aaron and his sons have made an end of covering the
sanctuary, and all the vessels of the sanctuary, as the camp is to set
forward; after that, the sons of Kohath shall come to bear [it]: but they
shall not touch [any] holy thing, lest they die. These [things are] the
burden of the sons of Kohath in the tabernacle of the congregation. |
15 Als nu Aaron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van
alle gereedschap des heiligdoms, in het optrekken des legers, zullen
voleind hebben, zo zullen daarna de zonen van Kahath komen om te dragen;
maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is
de last der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst. |
|
NM 4:16 En Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft het toezicht
op de olie voor het licht, het welriekend reukwerk, het dagelijkse
spijsoffer en de zalfolie; hij heeft het toezicht op de gehele tabernakel
en alles wat daarin is, zowel het heilige als zijn gerei. |
16 And to the office of Eleazar the son of Aaron the priest
[pertaineth] the oil for the light, and the sweet incense, and the daily
meat offering, and the anointing oil, [and] the oversight of all the
tabernacle, and of all that therein [is], in the sanctuary, and in the
vessels thereof. |
16 Het opzicht nu van Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zal
zijn over de olie des luchters, en het reukwerk der welriekende
specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie; het opzicht des
gansen tabernakels, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn
gereedschap. |
|
NM 4:17 En de HERE sprak tot Mozes en Aäron: |
17 And the LORD spake unto Moses and unto Aaron, saying, |
17 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende: |
|
NM 4:18 Laat de stam van de geslachten der Kehatieten niet uitgeroeid
worden uit de Levieten. |
18 Cut ye not off the tribe of the families of the Kohathites from
among the Levites: |
18 Gij zult den stam van de geslachten der Kahathieten niet laten
uitgeroeid worden, uit het midden der Levieten; |
|
NM 4:19 Maar dit zult gij voor hen doen, opdat zij blijven leven en
niet sterven, wanneer zij de allerheiligste dingen naderen. Aäron en zijn
zonen zullen naar binnen gaan en hun een plaats aanwijzen, ieder bij
hetgeen hij te doen of te dragen heeft. |
19 But thus do unto them, that they may live, and not die, when they
approach unto the most holy things: Aaron and his sons shall go in, and
appoint them every one to his service and to his burden: |
19 Maar dit zult gij hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij
tot de heiligheid der heiligheden toetreden zullen: Aaron en zijn zonen
zullen komen, en stellen hen een ieder over zijn dienst en aan zijn last. |
|
NM 4:20 Maar zij zullen niet naar binnen gaan, zodat zij het heilige
ook maar voor een ogenblik zien, want dan zouden zij sterven. |
20 But they shall not go in to see when the holy things are covered,
lest they die. |
20 Doch zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom
inwindt, opdat zij niet sterven. |
|
NM 4:21 En de HERE sprak tot Mozes: |
21 And the LORD spake unto Moses, saying, |
21 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 4:22 Neem ook het aantal op van de Gersonieten naar hun families en
geslachten: |
22 Take also the sum of the sons of Gershon, throughout the houses of
their fathers, by their families; |
22 Neem ook op de som der zonen van Gerson, naar het huis hunner
vaderen, naar hun geslachten. |
|
NM 4:23 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud zult gij
hen tellen, ieder, die dienstplichtig is om arbeid te verrichten in de
tent der samenkomst. |
23 From thirty years old and upward until fifty years old shalt thou
number them; all that enter in to perform the service, to do the work in
the tabernacle of the congregation. |
23 Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig
jaren oud, al wie inkomt om den strijd te strijden, opdat hij den dienst
bediene in de tent der samenkomst. |
|
NM 4:24 Dit zal de dienst van de geslachten der Gersonieten zijn bij
het dienen en het dragen: |
24 This [is] the service of the families of the Gershonites, to serve,
and for burdens: |
24 Dit zal zijn de dienst der geslachten van de Gersonieten, in het
dienen en in den last. |
|
NM 4:25 zij zullen dragen de tentkleden van de tabernakel en de tent
der samenkomst, de bedekking daarvan en de bedekking van tachasvel, die
daar overheen ligt, het voorhangsel voor de ingang van de tent der
samenkomst, |
25 And they shall bear the curtains of the tabernacle, and the
tabernacle of the congregation, his covering, and the covering of the
badgers' skins that [is] above upon it, and the hanging for the door of
the tabernacle of the congregation, |
25 Zij zullen dan dragen de gordijnen des tabernakels, en de tent der
samenkomst; [te] [weten] haar deksel, en het dassendeksel, dat er bovenop
is, en het deksel der deur van de tent der samenkomst, |
|
NM 4:26 de gordijnen van de voorhof en het voorhangsel van de ingang
van de poort van de voorhof, die bij de tabernakel en het altaar rondom
is, met de bijbehorende touwen en al hun dienstgereedschap en alles wat
daaraan te doen is, daarbij zullen zij dienst doen. |
26 And the hangings of the court, and the hanging for the door of the
gate of the court, which [is] by the tabernacle and by the altar round
about, and their cords, and all the instruments of their service, and all
that is made for them: so shall they serve. |
26 En de behangselen des voorhofs, en het deksel der deur van de poort
des voorhofs, hetwelk is bij den tabernakel en bij het altaar rondom; en
hun zelen, en al het gereedschap van hun dienst, mitsgaders al wat
daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen. |
|
NM 4:27 Naar het bevel van Aäron en zijn zonen zal de gehele dienst
der Gersonieten verricht worden, bij al hun dragen en bij al hun dienen;
gij zult hun als taak aanwijzen alles wat zij moeten dragen. |
27 At the appointment of Aaron and his sons shall be all the service of
the sons of the Gershonites, in all their burdens, and in all their
service: and ye shall appoint unto them in charge all their burdens. |
27 De gehele dienst van de zonen der Gersonieten, in al hun last, en in
al hun dienst, zal zijn naar het bevel van Aaron en van zijn zonen; en
gijlieden zult hun ter bewaring al hun last bevelen. |
|
NM 4:28 Dit is de dienst van de geslachten der Gersonieten aan de tent
der samenkomst en hun taak onder leiding van Itamar, de zoon van de
priester Aäron. |
28 This [is] the service of the families of the sons of Gershon in the
tabernacle of the congregation: and their charge [shall be] under the hand
of Ithamar the son of Aaron the priest. |
28 Dit is de dienst van de geslachten der zonen van de Gersonieten, in
de tent der samenkomst; en hun wacht zal zijn onder de hand van Ithamar,
den zoon van Aaron, den priester. |
|
NM 4:29 Wat de Merarieten betreft, hen zult gij tellen naar hun
geslachten en families; |
29 As for the sons of Merari, thou shalt number them after their
families, by the house of their fathers; |
29 Aangaande de zonen van Merari, die zult gij naar hun geslachten, en
naar het huis hunner vaderen tellen. |
|
NM 4:30 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud zult gij
hen tellen, ieder, die dienstplichtig is om de arbeid te verrichten aan de
tent der samenkomst. |
30 From thirty years old and upward even unto fifty years old shalt
thou number them, every one that entereth into the service, to do the work
of the tabernacle of the congregation. |
30 Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig
jaren oud, al wie inkomt tot dezen strijd, om te bedienen den dienst van
de tent der samenkomst. |
|
NM 4:31 En dit is hun taak in het dragen, wat betreft al hun dienst aan
de tent der samenkomst: de planken van de tabernakel, zijn balken, zijn
pilaren, zijn voetstukken, |
31 And this [is] the charge of their burden, according to all their
service in the tabernacle of the congregation; the boards of the
tabernacle, and the bars thereof, and the pillars thereof, and sockets
thereof, |
31 Dit zal nu zijn de onderhouding van hun last, naar al hun dienst, in
de tent der samenkomst: de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en
zijn pilaren, en zijn voeten; |
|
NM 4:32 de pilaren van de voorhof rondom met de voetstukken, de pinnen
en de touwen, al het bijbehorende gereedschap en alles wat daaraan te doen
is; en bij name zult gij het gereedschap noemen, dat zij moeten dragen. |
32 And the pillars of the court round about, and their sockets, and
their pins, and their cords, with all their instruments, and with all
their service: and by name ye shall reckon the instruments of the charge
of their burden. |
32 Mitsgaders de pilaren des voorhofs rondom, hun voeten, en hun
pennen, en hun zelen, met al hun gereedschap, en met al hun dienst; en het
gereedschap van de waarneming van hun last zult gij bij namen tellen. |
|
NM 4:33 Dit is de dienst van de geslachten der Merarieten naar al hun
dienst aan de tent der samenkomst, onder leiding van Itamar, de zoon van
de priester Aäron. |
33 This [is] the service of the families of the sons of Merari,
according to all their service, in the tabernacle of the congregation,
under the hand of Ithamar the son of Aaron the priest. |
33 Dit is de dienst van de geslachten der zonen van Merari, naar hun
gansen dienst, in de tent der samenkomst, onder de hand van Ithamar, den
zoon van Aaron, den priester. |
|
NM 4:34 Toen Mozes met Aäron en de hoofden der vergadering de
Kehatieten telde naar hun geslachten en families, |
34 And Moses and Aaron and the chief of the congregation numbered the
sons of the Kohathites after their families, and after the house of their
fathers, |
34 Mozes dan en Aaron, en de oversten der vergadering telden de zonen
der Kahathieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen: |
|
NM 4:35 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder,
die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst, |
35 From thirty years old and upward even unto fifty years old, every
one that entereth into the service, for the work in the tabernacle of the
congregation: |
35 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie
inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst; |
|
NM 4:36 waren hun getelden naar hun geslachten tweeduizend zevenhonderd
vijftig; |
36 And those that were numbered of them by their families were two
thousand seven hundred and fifty. |
36 Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend
zevenhonderd en vijftig. |
|
NM 4:37 dit waren de getelden van de geslachten der Kehatieten, allen
die dienst deden aan de tent der samenkomst, die Mozes met Aäron telde
naar het bevel des HEREN door de dienst van Mozes. |
37 These [were] they that were numbered of the families of the
Kohathites, all that might do service in the tabernacle of the
congregation, which Moses and Aaron did number according to the
commandment of the LORD by the hand of Moses. |
37 Dit zijn de getelden van de geslachten der Kahathieten, van al wie
in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar
het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes. |
|
NM 4:38 De getelden der Gersonieten naar hun geslachten en families, |
38 And those that were numbered of the sons of Gershon, throughout
their families, and by the house of their fathers, |
38 Insgelijks de getelden der zonen van Gerson, naar hun geslachten, en
naar het huis hunner vaderen; |
|
NM 4:39 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder,
die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst, |
39 From thirty years old and upward even unto fifty years old, every
one that entereth into the service, for the work in the tabernacle of the
congregation, |
39 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie
inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst; |
|
NM 4:40 hun getelden naar hun geslachten en families waren tweeduizend
zeshonderd dertig. |
40 Even those that were numbered of them, throughout their families, by
the house of their fathers, were two thousand and six hundred and thirty. |
40 Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner
vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig. |
|
NM 4:41 Dit waren de getelden van de geslachten der Gersonieten, allen
die dienst deden aan de tent der samenkomst, die Mozes met Aäron telde
naar het bevel des HEREN. |
41 These [are] they that were numbered of the families of the sons of
Gershon, of all that might do service in the tabernacle of the
congregation, whom Moses and Aaron did number according to the commandment
of the LORD. |
41 Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Gerson, van
al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron telden, naar
het bevel des HEEREN. |
|
NM 4:42 De getelden van de geslachten der Merarieten naar hun
geslachten en families, |
42 And those that were numbered of the families of the sons of Merari,
throughout their families, by the house of their fathers, |
42 En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hun
geslachten, naar het huis hunner vaderen, |
|
NM 4:43 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder,
die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst, |
43 From thirty years old and upward even unto fifty years old, every
one that entereth into the service, for the work in the tabernacle of the
congregation, |
43 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie
inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst; |
|
NM 4:44 hun getelden naar hun geslachten waren drieduizend tweehonderd. |
44 Even those that were numbered of them after their families, were
three thousand and two hundred. |
44 Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en
tweehonderd. |
|
NM 4:45 Dit waren de getelden van de geslachten der Merarieten, die
Mozes met Aäron telde naar het bevel des HEREN door de dienst van Mozes. |
45 These [be] those that were numbered of the families of the sons of
Merari, whom Moses and Aaron numbered according to the word of the LORD by
the hand of Moses. |
45 Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, welke
Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van
Mozes. |
|
NM 4:46 Al de getelden, die Mozes met Aäron en de hoofden van Israël
naar hun geslachten en families telde, namelijk de Levieten, |
46 All those that were numbered of the Levites, whom Moses and Aaron
and the chief of Israel numbered, after their families, and after the
house of their fathers, |
46 Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en de oversten van Israel
geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis
hunner vaderen, |
|
NM 4:47 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder,
die dienstplichtig was tot dienen en tot dragen aan de tent der
samenkomst, |
47 From thirty years old and upward even unto fifty years old, every
one that came to do the service of the ministry, and the service of the
burden in the tabernacle of the congregation, |
47 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie
inkwam, om den dienst der bediening en den dienst van den last, in de tent
der samenkomst, te bedienen; |
|
NM 4:48 hun getelden waren achtduizend vijfhonderd tachtig. |
48 Even those that were numbered of them, were eight thousand and five
hundred and fourscore. |
48 Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig. |
|
NM 4:49 Naar het bevel des HEREN door de dienst van Mozes droeg men
ieder op, wat hij te dienen en te dragen had, te weten de getelden, zoals
de HERE Mozes geboden had. |
49 According to the commandment of the LORD they were numbered by the
hand of Moses, every one according to his service, and according to his
burden: thus were they numbered of him, as the LORD commanded Moses. |
49 Men telde hen, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes,
een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die
de HEERE Mozes geboden had. |
|
NM 5:1 De HERE sprak tot Mozes: |
1 And the LORD spake unto Moses, saying, |
1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 5:2 Gebied de Israëlieten, dat zij uit de legerplaats wegzenden
alle melaatsen, allen die een vloeiing hebben, en allen die onrein zijn
door aanraking van een lijk; |
2 Command the children of Israel, that they put out of the camp every
leper, and every one that hath an issue, and whosoever is defiled by the
dead: |
2 Gebied den kinderen Israels, dat zij uit het leger wegzenden alle
melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode. |
|
NM 5:3 zowel mannen als vrouwen zult gij wegzenden; gij zult hen buiten
de legerplaats zenden, opdat zij hun legerplaats niet verontreinigen, daar
Ik toch in hun midden woon. |
3 Both male and female shall ye put out, without the camp shall ye put
them; that they defile not their camps, in the midst whereof I dwell. |
3 Van het mannelijke tot het vrouwelijke zult gij hen wegzenden; tot
buiten het leger zult gij hen wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hun
legers, in welker midden Ik wone. |
|
NM 5:4 Toen deden de Israëlieten aldus en zonden hen weg buiten de
legerplaats; de Israëlieten deden, zoals de HERE tot Mozes gesproken had. |
4 And the children of Israel did so, and put them out without the camp:
as the LORD spake unto Moses, so did the children of Israel. |
4 En de kinderen Israels deden alzo, en zonden hen tot buiten het
leger; gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had, alzo deden de kinderen
Israels. |
|
NM 5:5 De HERE nu sprak tot Mozes: |
5 And the LORD spake unto Moses, saying, |
5 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: |
|
NM 5:6 Spreek tot de Israëlieten: Wanneer iemand, man of vrouw, een of
andere zonde doet, die mensen begaan, en daardoor ontrouw wordt tegenover
de HERE, zodat hij een schuld op zich laadt, |
6 Speak unto the children of Israel, When a man or woman shall commit
any sin that men commit, to do a trespass against the LORD, and that
person be guilty; |
6 Spreek tot de kinderen Israels: wanneer een man of een vrouw iets van
enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door
overtreding tegen den HEERE, zo is diezelve ziel schuldig. |
|
NM 5:7 dan zullen zij de zonden belijden, die zij begaan hebben; en
daarna de volle waarde van wat hij schuldig is, vergoeden, vermeerderd met
een vijfde, en dat geven aan degene tegenover wie hij zich schuldig
gemaakt heeft. |
7 Then they shall confess their sin which they have done: and he shall
recompense his trespass with the principal thereof, and add unto it the
fifth [part] thereof, and give [it] unto [him] against whom he hath
trespassed. |
7 En zij zullen hun zonde, welke zij gedaan hebben, belijden; daarna
zal hij zijn schuld weder uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en derzelver
vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven, aan wien hij
zich verschuldigd heeft. |
|
NM 5:8 Maar heeft die man geen losser, aan wie de schuld vergoed zou
kunnen worden, dan zal de schuld die vergoed moet worden, aan de HERE
vervallen, ten bate van de priester, ongeacht de ram der verzoening,
waarmee deze over hem verzoening zal doen. |
8 But if the man have no kinsman to recompense the trespass unto, let
the trespass be recompensed unto the LORD, [even] to the priest; beside
the ram of the atonement, whereby an atonement shall be made for him. |
8 Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weder
uit te keren, zal die schuld, welken den HEERE weder uitgekeerd wordt, des
priesters zijn; behalve den ram der verzoening, met welken hij voor hem
verzoening doen zal. |
|
NM 5:9 En elke heffing van al de heilige gaven, die de Israëlieten tot
de priester brengen, zal voor hem zijn; |
9 And every offering of all the holy things of the children of Israel,
which they bring unto the priest, shall be his. |
9 Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen
Israels, welke zij tot den priester brengen, zijne zijn. |
|
NM 5:10 maar wat de heilige gaven zelf betreft, die zullen voor de
brenger zijn; alleen wat hij de priester geeft, zal voor deze zijn. |
10 And every man's hallowed things shall be his: whatsoever any man
giveth the priest, it shall be his. |
10 En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand den
priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn. |
|
NM 5:11 De HERE nu sprak tot Mozes: |
11 And the LORD spake unto Moses, saying, |
11 Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: |
|
NM 5:12 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer iemands
vrouw zich misgaan zal hebben en hem ontrouw zal zijn geworden, |
12 Speak unto the children of Israel, and say unto them, If any man's
wife go aside, and commit a trespass against him, |
12 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer van iemand
zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem
overtreden zal hebben; |
|
NM 5:13 en een ander met haar geslachtsgemeenschap zal hebben gehad,
zonder dat het aan haar man bekend werd, daar het verborgen bleef, dat zij
zich verontreinigd had, en er geen getuige tegen haar was, en zij niet
betrapt werd, |
13 And a man lie with her carnally, and it be hid from the eyes of her
husband, and be kept close, and she be defiled, and [there be] no witness
against her, neither she be taken [with the manner]; |
13 Dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelegen hebben,
en het voor de ogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld
zal hebben, zijnde nochtans onrein geworden; en geen getuige tegen haar
is, en zij niet betrapt is; |
|
NM 5:14 en wanneer dan de geest der jaloersheid over hem komt, zodat
hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw, terwijl zij zich
verontreinigd heeft, of wanneer de geest der jaloersheid over hem komt,
zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw, terwijl zij zich niet
verontreinigd heeft, |
14 And the spirit of jealousy come upon him, and he be jealous of his
wife, and she be defiled: or if the spirit of jealousy come upon him, and
he be jealous of his wife, and she be not defiled: |
14 En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn
huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest
gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein
geworden is; |
|
NM 5:15 dan zal die man zijn vrouw tot de priester brengen met een
offergave voor haar van een tiende efa gerstemeel, waarover hij geen olie
gegoten heeft en waaraan hij geen wierook toegevoegd heeft, omdat het een
spijsoffer der jaloersheid is, een herinneringsoffer, dat ongerechtigheid
in gedachtenis brengt. |
15 Then shall the man bring his wife unto the priest, and he shall
bring her offering for her, the tenth [part] of an ephah of barley meal;
he shall pour no oil upon it, nor put frankincense thereon; for it [is] an
offering of jealousy, an offering of memorial, bringing iniquity to
remembrance. |
15 Dan zal die man zijn huisvrouw tot den priester brengen, en zal haar
offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel;
hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, dewijl het
een spijsoffer der ijveringen is, een spijsoffer der gedachtenis, dat de
ongerechtigheid in gedachtenis brengt. |
|
NM 5:16 Dan zal de priester haar doen naderen en voor het aangezicht
des HEREN stellen, |
16 And the priest shall bring her near, and set her before the LORD: |
16 En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het
aangezicht des HEEREN. |
|
NM 5:17 en de priester zal heilig water nemen in een aarden vat, en de
priester zal van het stof dat op de vloer van de tabernakel ligt, nemen en
aan het water toevoegen. |
17 And the priest shall take holy water in an earthen vessel; and of
the dust that is in the floor of the tabernacle the priest shall take, and
put [it] into the water: |
17 En de priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het
stof, hetwelk op den vloer des tabernakels is, zal de priester nemen, en
in het water doen. |
|
NM 5:18 Heeft de priester de vrouw voor het aangezicht des HEREN
gesteld, dan zal hij het hoofdhaar der vrouw losmaken, en op haar
handpalmen het herinneringsoffer, het spijsoffer der jaloersheid, leggen,
terwijl in de hand van de priester zal zijn dat bittere water, dat de
vloek brengt. |
18 And the priest shall set the woman before the LORD, and uncover the
woman's head, and put the offering of memorial in her hands, which [is]
the jealousy offering: and the priest shall have in his hand the bitter
water that causeth the curse: |
18 Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht des HEEREN
stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer
der gedachtenis op haar handen leggen, hetwelk het spijsoffer der
ijveringen is; en in de hand des priesters zal dat bitter water zijn,
hetwelk den vloek medebrengt. |
|
NM 5:19 Dan zal de priester haar onder ede stellen en tot de vrouw
zeggen: Indien geen man met u gemeenschap heeft gehad, en indien gij geen
onreinheid begaan hebt, terwijl gij uw man toebehoordet, blijf dan
ongestraft van dit bittere water, dat de vloek brengt; |
19 And the priest shall charge her by an oath, and say unto the woman,
If no man have lain with thee, and if thou hast not gone aside to
uncleanness [with another] instead of thy husband, be thou free from this
bitter water that causeth the curse: |
19 En de priester zal haar beedigen, en zal tot die vrouw zeggen:
Indien iemand bij u gelegen heeft, en indien gij, onder uw man zijnde,
niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water,
hetwelk den vloek medebrengt! |
|
NM 5:20 maar indien gij u, terwijl gij uw man toebehoordet, misgaan en
u verontreinigd hebt, doordat een ander dan uw eigen man met u gemeenschap
heeft gehad - |
20 But if thou hast gone aside [to another] instead of thy husband, and
if thou be defiled, and some man have lain with thee beside thine husband: |
20 Maar zo gij, onder uw man zijnde, afgeweken zijt, en zo gij onrein
geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man: |
|
NM 5:21 de priester zal de vrouw onder een eed van vervloeking stellen,
en de priester zal tot de vrouw zeggen: Dan stelle de HERE u tot een
vervloeking en een verwensing onder uw volk, doordat de HERE uw heup doe
invallen en uw buik doe opzwellen, |
21 Then the priest shall charge the woman with an oath of cursing, and
the priest shall say unto the woman, The LORD make thee a curse and an
oath among thy people, when the LORD doth make thy thigh to rot, and thy
belly to swell; |
21 (Dan zal de priester die vrouw met den eed der vervloeking beedigen,
en de priester zal tot die vrouw zeggen:) De HEERE zette u tot een vloek,
en tot een eed, in het midden uws volks, mits dat de HEERE uw heup
vervallende, en uw buik zwellende make; |
|
NM 5:22 want dit water, dat de vloek brengt, zal in uw binnenste komen
om uw buik te doen opzwellen en uw heup te doen invallen. Daarop zal de
vrouw zeggen: Amen, amen. |
22 And this water that causeth the curse shall go into thy bowels, to
make [thy] belly to swell, and [thy] thigh to rot: And the woman shall
say, Amen, amen. |
22 Dat ditzelve water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in uw
ingewand inga, om den buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen!
Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen! |
|
NM 5:23 Daarna zal de priester die vervloekingen op een blad schrijven
en in het bittere water afwassen |
23 And the priest shall write these curses in a book, and he shall blot
[them] out with the bitter water: |
23 Daarna zal de priester deze zelfde vloeken op een cedeltje
schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen. |
|
NM 5:24 en hij zal de vrouw het bittere water, dat de vloek brengt, te
drinken geven, en het water, dat de vloek brengt, zal in haar worden tot
bitterheid. |
24 And he shall cause the woman to drink the bitter water that causeth
the curse: and the water that causeth the curse shall enter into her, [and
become] bitter. |
24 En hij zal die vrouw dat bitter water, hetwelk de vervloeking
medebrengt, te drinken geven, dat het water, hetwelk de vervloeking
medebrengt, in haar tot bitterheden inga. |
|
NM 5:25 Dan zal de priester het spijsoffer der jaloersheid van de hand
der vrouw nemen, en dit, na het voor het aangezicht des HEREN bewogen te
hebben, naar het altaar brengen, |
25 Then the priest shall take the jealousy offering out of the woman's
hand, and shall wave the offering before the LORD, and offer it upon the
altar: |
25 En de priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der
ijveringen nemen, en hij zal datzelve spijsoffer voor het aangezicht des
HEEREN bewegen, en zal dat op het altaar offeren. |
|
NM 5:26 en de priester zal een handvol ervan als gedachtenisgave
afnemen en die op het altaar in rook doen opgaan; daarna zal hij de vrouw
het water te drinken geven. |
26 And the priest shall take an handful of the offering, [even] the
memorial thereof, and burn [it] upon the altar, and afterward shall cause
the woman to drink the water. |
26 De priester zal ook van dat spijsoffer, deszelfs gedenkoffer, een
handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat
water die vrouw te drinken geven. |
|
NM 5:27 Heeft hij haar het water te drinken gegeven, dan zal, wanneer
zij zich verontreinigd heeft en zij aan haar man ontrouw is geweest, het
water, dat de vloek brengt, in haar worden tot bitterheid, zodat haar buik
zal opzwellen en haar heup zal invallen, en die vrouw tot een vloek onder
haar volk zal zijn. |
27 And when he hath made her to drink the water, then it shall come to
pass, [that], if she be defiled, and have done trespass against her
husband, that the water that causeth the curse shall enter into her, [and
become] bitter, and her belly shall swell, and her thigh shall rot: and
the woman shall be a curse among her people. |
27 Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal
geschieden, indien zij onrein geworden is, en tegen haar man door
overtreding zal overtreden hebben, dat het water, hetwelk vervloeking
medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en
haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot
een vloek zijn. |
|
NM 5:28 Heeft de vrouw zich echter niet verontreinigd en is zij rein,
dan zal zij ongestraft blijven en zwanger kunnen worden. |
28 And if the woman be not defiled, but be clean; then she shall be
free, and shall conceive seed. |
28 Doch indien de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal
zij vrij zijn, en zal met zaad bezadigd worden. |
|
NM 5:29 Dit is de wet op gevallen van jaloersheid als een vrouw zich
misgaan heeft tegenover haar man en zich verontreinigd heeft, |
29 This [is] the law of jealousies, when a wife goeth aside [to
another] instead of her husband, and is defiled; |
29 Dit is de wet der ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde,
zal afgeweken en onrein geworden zijn; |
|
NM 5:30 of als over een man de geest der jaloersheid is gekomen, zodat
hij jaloers is ten aanzien van zijn vrouw; hij zal de vrouw voor het
aangezicht des HEREN stellen en de priester zal heel deze wet op haar
toepassen. |
30 Or when the spirit of jealousy cometh upon him, and he be jealous
over his wife, and shall set the woman before the LORD, and the priest
shall execute upon her all this law. |
30 Of als over en man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn
huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht des
HEEREN stelle, en de priester aan haar deze ganse wet volbrenge. |
|
NM 5:31 De man zal vrij zijn van ongerechtigheid, maar de vrouw zal
haar ongerechtigheid dragen. |
31 Then shall the man be guiltless from iniquity, and this woman shall
bear her iniquity. |
31 En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn; maar diezelve
vrouw zal haar ongerechtigheid dragen. |
|
NM 6:1 De HERE sprak tot Mozes: |
1 And the LORD spake unto Moses, saying, |
1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 6:2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer iemand, man
of vrouw, een bijzondere gelofte wil afleggen, de nazireeërgelofte, om
zich aan de HERE te wijden, |
2 Speak unto the children of Israel, and say unto them, When either man
or woman shall separate [themselves] to vow a vow of a Nazarite, to
separate [themselves] unto the LORD: |
2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer een man of
een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens
Nazireers, om zich den HEERE af te zonderen; |
|
NM 6:3 dan zal hij zich van wijn en bedwelmende drank onthouden, geen
azijn van wijn of van bedwelmende drank drinken noch enige uit druiven
bereide drank, en geen druiven eten, noch verse noch gedroogde. |
3 He shall separate [himself] from wine and strong drink, and shall
drink no vinegar of wine, or vinegar of strong drink, neither shall he
drink any liquor of grapes, nor eat moist grapes, or dried. |
3 Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik
van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven
zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. |
|
NM 6:4 Al de tijd van zijn nazireeërschap zal hij niets eten, dat van
de wijnstok afkomstig is, van de pitten af tot de toppen der ranken toe. |
4 All the days of his separation shall he eat nothing that is made of
the vine tree, from the kernels even to the husk. |
4 Al de dagen van zijn Nazireerschap zal hij niet eten van iets, dat
van den wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe. |
|
NM 6:5 Al de tijd van zijn nazireeërgelofte zal geen scheermes over
zijn hoofd komen; totdat de tijd, voor welke hij zich aan de HERE gewijd
heeft, ten einde is, zal hij heilig zijn, hij zal zijn hoofdhaar lang
laten groeien. |
5 All the days of the vow of his separation there shall no razor come
upon his head: until the days be fulfilled, in the which he separateth
[himself] unto the LORD, he shall be holy, [and] shall let the locks of
the hair of his head grow. |
5 Al de dagen der gelofte van zijn Nazireerschap zal het scheermes over
zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich
den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken
van het haar zijns hoofds wassen. |
|
NM 6:6 Al de tijd, dat hij zich aan de HERE gewijd heeft, zal hij bij
geen dode komen; |
6 All the days that he separateth [himself] unto the LORD he shall come
at no dead body. |
6 Al de dagen, die hij zich de HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij
tot het lichaam eens doden niet gaan. |
|
NM 6:7 aan zijn vader noch zijn moeder, aan zijn broeder noch zijn
zuster mag hij zich, na hun sterven, verontreinigen, want het
nazireeërschap zijns Gods is op zijn hoofd. |
7 He shall not make himself unclean for his father, or for his mother,
for his brother, or for his sister, when they die: because the
consecration of his God [is] upon his head. |
7 Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broeder of om zijn zuster,
om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het
Nazireerschap zijns Gods is op zijn hoofd. |
|
NM 6:8 Al de tijd van zijn nazireeërschap is hij de HERE heilig. |
8 All the days of his separation he [is] holy unto the LORD. |
8 Al de dagen van zijn Nazireerschap is hij den HEERE heilig. |
|
NM 6:9 Sterft echter geheel onverwacht iemand in zijn omgeving, zodat
hij het hoofdhaar van zijn nazireeërschap verontreinigt, dan zal hij zijn
hoofdhaar afscheren op de dag van zijn reiniging, op de zevende dag zal
hij het afscheren; |
9 And if any man die very suddenly by him, and he hath defiled the head
of his consecration; then he shall shave his head in the day of his
cleansing, on the seventh day shall he shave it. |
9 En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware,
dat hij het hoofd van zijn Nazireerschap zou verontreinigd hebben, zo zal
hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd bescheren; op den zevenden dag
zal hij het bescheren. |
|
NM 6:10 op de achtste dag zal hij twee tortelduiven of twee jonge
duiven naar de priester aan de ingang van de tent der samenkomst brengen. |
10 And on the eighth day he shall bring two turtles, or two young
pigeons, to the priest, to the door of the tabernacle of the congregation: |
10 En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven, of twee jonge
duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der samenkomst. |
|
NM 6:11 Dan zal de priester de ene tot een zondoffer en de andere tot
een brandoffer bereiden, en hij zal verzoening over hem doen, omdat hij
zich door aanraking van een lijk heeft bezondigd, en hij zal op diezelfde
dag zijn hoofd heiligen. |
11 And the priest shall offer the one for a sin offering, and the other
for a burnt offering, and make an atonement for him, for that he sinned by
the dead, and shall hallow his head that same day. |
11 De priester nu zal een bereiden ten zondoffer, en een ten
brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode
lichaam gezondigd heeft; alzo zal hij zijn hoofd op dienzelfden dag
heiligen. |
|
NM 6:12 Dan zal hij opnieuw aan de HERE de tijd van zijn
nazireeërschap wijden en een éénjarig schaap tot een schuldoffer
brengen; de voorafgaande tijd zal niet meetellen, omdat zijn
nazireeërschap verontreinigd was. |
12 And he shall consecrate unto the LORD the days of his separation,
and shall bring a lamb of the first year for a trespass offering: but the
days that were before shall be lost, because his separation was defiled. |
12 Daarna zal hij de dagen van zijn Nazireerschap den HEERE afzonderen,
en zal een lam, dat eenjarig is, brengen ten schuldoffer; en de vorige
dagen zullen vallen, omdat zijn Nazireerschap verontreinigd was. |
|
NM 6:13 Dit nu is de wet aangaande de nazireeër. Wanneer de tijd van
zijn nazireeërschap ten einde is, dan zal men hem naar de ingang van de
tent der samenkomst brengen, |
13 And this [is] the law of the Nazarite, when the days of his
separation are fulfilled: he shall be brought unto the door of the
tabernacle of the congregation: |
13 En dit is de wet des Nazireers: op den dag, als de dagen van zijn
Nazireerschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de
tent der samenkomst. |
|
NM 6:14 en hij zal zijn offergave de HERE aanbieden: een gaaf
éénjarig schaap als brandoffer en een gave, éénjarige ooi als
zondoffer en een gave ram als vredeoffer, |
14 And he shall offer his offering unto the LORD, one he lamb of the
first year without blemish for a burnt offering, and one ewe lamb of the
first year without blemish for a sin offering, and one ram without blemish
for peace offerings, |
14 Hij dan zal tot zijn offerande den HEERE offeren een volkomen
eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten
zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer. |
|
NM 6:15 met een korf ongezuurde broden van fijn meel, koeken aangemaakt
met olie, en dunne ongezuurde broden bestreken met olie, met het
bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers. |
15 And a basket of unleavened bread, cakes of fine flour mingled with
oil, and wafers of unleavened bread anointed with oil, and their meat
offering, and their drink offerings. |
15 En een korf ongezuurde [koeken], koeken van meelbloem, met olie
gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, mitsgaders hun
spijsoffer, en hun drankofferen; |
|
NM 6:16 En de priester zal het voor het aangezicht des HEREN brengen en
zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden; |
16 And the priest shall bring [them] before the LORD, and shall offer
his sin offering, and his burnt offering: |
16 En de priester zal het voor het aangezicht des HEEREN brengen, en
zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden. |
|
NM 6:17 de ram zal hij toebereiden als vredeoffer aan de HERE, met de
korf ongezuurde broden; ook zal de priester het bijbehorend spijsoffer en
het bijbehorend plengoffer bereiden. |
17 And he shall offer the ram [for] a sacrifice of peace offerings unto
the LORD, with the basket of unleavened bread: the priest shall offer also
his meat offering, and his drink offering. |
17 Hij zal ook den ram ten dankoffer den HEERE bereiden, met den korf
der ongezuurde [koeken]; en de priester zal zijn spijsoffer en zijn
drankoffer bereiden. |
|
NM 6:18 Dan zal de nazireeër vóór de ingang van de tent der
samenkomst het hoofdhaar van zijn nazireeërschap afscheren en dat
hoofdhaar van zijn nazireeërschap nemen en het in het vuur onder het
vredeoffer werpen. |
18 And the Nazarite shall shave the head of his separation [at] the
door of the tabernacle of the congregation, and shall take the hair of the
head of his separation, and put [it] in the fire which [is] under the
sacrifice of the peace offerings. |
18 Alsdan zal de Nazireer, aan de deur van de tent der samenkomst, het
hoofd van zijn Nazireerschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn
Nazireerschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het
dankoffer is. |
|
NM 6:19 De priester zal de schouder van de ram nemen, nadat deze
gekookt is, en één ongezuurde koek uit de korf, met één ongezuurde
dunne koek, en deze leggen op de handpalmen van de nazireeër, nadat deze
zich het haar van zijn nazireerschap heeft afgeschoren; |
19 And the priest shall take the sodden shoulder of the ram, and one
unleavened cake out of the basket, and one unleavened wafer, and shall put
[them] upon the hands of the Nazarite, after [the hair of] his separation
is shaven: |
19 Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van den ram, en
een ongezuurden koek uit den korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze
op de handen des Nazireers leggen, nadat hij zijn Nazireerschap
afgeschoren heeft. |
|
NM 6:20 vervolgens zal de priester deze voor het aangezicht des HEREN
bewegen als een beweegoffer; het zal een heiligheid voor de priester zijn,
met de beweegborst en de hefschenkel. Eerst daarna zal de nazireeër wijn
mogen drinken. |
20 And the priest shall wave them [for] a wave offering before the
LORD: this [is] holy for the priest, with the wave breast and heave
shoulder: and after that the Nazarite may drink wine. |
20 En de priester zal die bewegen ten beweegoffer, voor het aan gezicht
des HEEREN; het is een heilig ding voor den priester, met de borst des
beweegoffers, en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die
Nazireer wijn drinken. |
|
NM 6:21 Dit is de wet aangaande de nazireeër. Hetgeen hij als
offergave de HERE belooft op grond van zijn nazireeërschap, behalve
datgene waartoe hij in staat is, overeenkomstig zijn gelofte die hij
belooft, aldus zal hij doen overeenkomstig de wet op zijn nazireeërschap. |
21 This [is] the law of the Nazarite who hath vowed, [and of] his
offering unto the LORD for his separation, beside [that] that his hand
shall get: according to the vow which he vowed, so he must do after the
law of his separation. |
21 Dit is de wet des Nazireers, die zijn offerande den HEERE voor zijn
Nazireerschap zal beloofd hebben, behalve wat zijn hand bekomen zal; naar
zijn gelofte, welke hij beloofd zal hebben, alzo zal hij doen, naar de wet
van zijn Nazireerschap. |
|
NM 6:22 De HERE nu sprak tot Mozes: |
22 And the LORD spake unto Moses, saying, |
22 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 6:23 Spreek tot Aäron en zijn zonen: Zó zult gij de Israëlieten
zegenen: |
23 Speak unto Aaron and unto his sons, saying, On this wise ye shall
bless the children of Israel, saying unto them, |
23 Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de
kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen: |
|
NM 6:24 De HERE zegene u en behoede u; |
24 The LORD bless thee, and keep thee: |
24 De HEERE zegene u, en behoede u! |
|
NM 6:25 de HERE doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; |
25 The LORD make his face shine upon thee, and be gracious unto thee: |
25 De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! |
|
NM 6:26 de HERE verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede. |
26 The LORD lift up his countenance upon thee, and give thee peace. |
26 De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede! |
|
NM 6:27 Zo zullen zij mijn naam op de Israëlieten leggen, en Ik zal
hen zegenen. |
27 And they shall put my name upon the children of Israel; and I will
bless them. |
27 Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik zal
hen zegenen. |
|
NM 7:1 Op de dag nu, dat Mozes gereed was met het oprichten van de
tabernakel, zalfde en heiligde hij die met al zijn toebehoren, benevens
het altaar met al zijn toebehoren; en toen hij deze gezalfd en geheiligd
had, |
1 And it came to pass on the day that Moses had fully set up the
tabernacle, and had anointed it, and sanctified it, and all the
instruments thereof, both the altar and all the vessels thereof, and had
anointed them, and sanctified them; |
1 En het geschiedde ten dage, als Mozes geeindigd had den tabernakel op
te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn
gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze
gezalfd, en dezelve geheiligd had; |
|
NM 7:2 offerden de vorsten van Israël, de hoofden van hun families -
dit waren de vorsten der stammen, degenen, die aan het hoofd van de
getelden stonden; - |
2 That the princes of Israel, heads of the house of their fathers, who
[were] the princes of the tribes, and were over them that were numbered,
offered: |
2 Dat de oversten van Israel, de hoofden van het huis hunner vaderen,
offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden
stonden. |
|
NM 7:3 als hun offergave brachten zij voor het aangezicht des HEREN:
zes overdekte wagens en twaalf runderen, één wagen voor elke twee
vorsten en voor ieder één rund, en zij brachten ze vóór de tabernakel. |
3 And they brought their offering before the LORD, six covered wagons,
and twelve oxen; a wagon for two of the princes, and for each one an ox:
and they brought them before the tabernacle. |
3 En zij brachten hun offerande voor het aangezicht des HEEREN, zes
overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een
os voor elk een; en brachten ze voor den tabernakel. |
|
NM 7:4 Toen zeide de HERE tot Mozes: |
4 And the LORD spake unto Moses, saying, |
4 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 7:5 Neem deze van hen in ontvangst en laat ze dienen voor de dienst
aan de tent der samenkomst; geef ze aan de Levieten, naardat ieder voor
zijn dienst behoeft. |
5 Take [it] of them, that they may be to do the service of the
tabernacle of the congregation; and thou shalt give them unto the Levites,
to every man according to his service. |
5 Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van
de tent der samenkomst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een ieder
naar zijn dienst. |
|
NM 7:6 Toen nam Mozes de wagens en de runderen in ontvangst en gaf ze
aan de Levieten; |
6 And Moses took the wagons and the oxen, and gave them unto the
Levites. |
6 Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den
Levieten. |
|
NM 7:7 twee wagens en vier runderen gaf hij aan de Gersonieten, naardat
zij voor hun dienst behoefden, |
7 Two wagons and four oxen he gave unto the sons of Gershon, according
to their service: |
7 Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hun
dienst; |
|
NM 7:8 en vier wagens en acht runderen gaf hij aan de Merarieten,
naardat zij voor hun dienst behoefden, onder leiding van Itamar, de zoon
van de priester Aäron. |
8 And four wagons and eight oxen he gave unto the sons of Merari,
according unto their service, under the hand of Ithamar the son of Aaron
the priest. |
8 En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merari, naar
hun dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester. |
|
NM 7:9 Maar aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat op hen rustte de
dienst der heilige voorwerpen, die zij op hun schouder droegen. |
9 But unto the sons of Kohath he gave none: because the service of the
sanctuary belonging unto them [was that] they should bear upon their
shoulders. |
9 Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige
dingen was op hen, [die] zij op de schouderen droegen. |
|
NM 7:10 Ook brachten de vorsten een wijdingsgave voor het altaar, op de
dag dat het gezalfd werd; de vorsten brachten hun offergave vóór het
altaar. |
10 And the princes offered for dedicating of the altar in the day that
it was anointed, even the princes offered their offering before the altar. |
10 En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als
hetzelve gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het
altaar. |
|
NM 7:11 En de HERE zeide tot Mozes: laat op elke dag één vorst zijn
offergave voor de inwijding van het altaar brengen. |
11 And the LORD said unto Moses, They shall offer their offering, each
prince on his day, for the dedicating of the altar. |
11 En de HEERE zeide tot Mozes: Elke overste zal, een iegelijk op zijn
dag, zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars. |
|
NM 7:12 Die nu op de eerste dag zijn offergave bracht, was Nachson, de
zoon van Amminadab, van de stam van Juda. |
12 And he that offered his offering the first day was Nahshon the son
of Amminadab, of the tribe of Judah: |
12 Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de
zoon van Amminadab, voor den stam van Juda. |
|
NM 7:13 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
13 And his offering [was] one silver charger, the weight thereof [was]
an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after
the shekel of the sanctuary; both of them [were] full of fine flour
mingled with oil for a meat offering: |
13 En zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was
honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig
sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem
met olie gemengd, ten spijsoffer; |
|
NM 7:14 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
14 One spoon of ten [shekels] of gold, full of incense: |
14 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:15 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
15 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
15 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:16 één geitebok tot een zondoffer; |
16 One kid of the goats for a sin offering: |
16 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:17 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Nachson, de zoon van
Amminadab. |
17 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Nahshon
the son of Amminadab. |
17 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, den zoon van
Amminadab. |
|
NM 7:18 Op de tweede dag bracht Netanel, de zoon van Suar, de vorst van
Issakar, zijn offergave. |
18 On the second day Nethaneel the son of Zuar, prince of Issachar, did
offer: |
18 Op den tweeden dag offerde Nethaneel, de zoon van Zuar, de overste
van Issaschar. |
|
NM 7:19 Hij bracht als zijn offergave één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie tot een spijsoffer; |
19 He offered [for] his offering one silver charger, the weight whereof
[was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels,
after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled
with oil for a meat offering: |
19 Hij offerde zijn offerande: een zilveren schotel, welks gewicht was
honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig
sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem
met olie gemengd, ten spijsoffer; |
|
NM 7:20 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
20 One spoon of gold of ten [shekels], full of incense: |
20 En een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:21 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
21 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
21 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:22 één geitebok tot een zondoffer; |
22 One kid of the goats for a sin offering: |
22 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:23 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Netanel, de zoon van
Suar. |
23 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Nethaneel
the son of Zuar. |
23 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nethaneel, den zoon van Zuar. |
|
NM 7:24 Op de derde dag de vorst der Zebulonieten, Eliab, de zoon van
Chelon. |
24 On the third day Eliab the son of Helon, prince of the children of
Zebulun, [did offer]: |
24 Op den derden dag [offerde] de overste der zonen van Zebulon, Eliab,
de zoon van Helon. |
|
NM 7:25 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
25 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an
hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after
the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with
oil for a meat offering: |
25 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:26 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
26 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
26 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:27 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
27 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
27 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:28 één geitebok tot een zondoffer; |
28 One kid of the goats for a sin offering: |
28 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:29 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Eliab, de zoon van
Chelon. |
29 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Eliab the
son of Helon. |
29 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eliab, den zoon van Helon. |
|
NM 7:30 Op de vierde dag de vorst der Rubenieten, Elisur, de zoon van
Sedeür. |
30 On the fourth day Elizur the son of Shedeur, prince of the children
of Reuben, [did offer]: |
30 Op den vierden dag [offerde] de overste der kinderen van Ruben,
Elizur, de zoon van Sedeur. |
|
NM 7:31 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
31 His offering [was] one silver charger of the weight of an hundred
and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel
of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a
meat offering: |
31 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:32 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
32 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
32 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:33 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
33 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
33 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:34 één geitebok tot een zondoffer; |
34 One kid of the goats for a sin offering: |
34 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:35 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Elisur, de zoon van
Sedeür. |
35 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Elizur the
son of Shedeur. |
35 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elizur, den zoon van Sedeur. |
|
NM 7:36 Op de vijfde dag de vorst der Simeonieten, Selumiël, de zoon
van Surisaddai. |
36 On the fifth day Shelumiel the son of Zurishaddai, prince of the
children of Simeon, [did offer]: |
36 Op den vijfden dag [offerde] den overste der kinderen van Simeon,
Selumiel, de zoon van Zurisaddai. |
|
NM 7:37 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
37 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an
hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after
the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with
oil for a meat offering: |
37 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:38 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
38 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
38 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:39 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
39 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
39 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:40 één geitebok tot een zondoffer; |
40 One kid of the goats for a sin offering: |
40 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:41 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Selumiël, de zoon
van Surisaddai. |
41 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Shelumiel
the son of Zurishaddai. |
41 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Selumiel, den zoon van
Zurisaddai. |
|
NM 7:42 Op de zesde dag de vorst der Gadieten, Eljasaf, de zoon van
Reüel. |
42 On the sixth day Eliasaph the son of Deuel, prince of the children
of Gad, [offered]: |
42 Op den zesden dag [offerde] de overste der kinderen van Gad,
Eljasaf, den zoon van Dehuel. |
|
NM 7:43 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
43 His offering [was] one silver charger of the weight of an hundred
and thirty [shekels], a silver bowl of seventy shekels, after the shekel
of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a
meat offering: |
43 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:44 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
44 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
44 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:45 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
45 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
45 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:46 één geitebok tot een zondoffer; |
46 One kid of the goats for a sin offering: |
46 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:47 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Eljasaf, de zoon van
Reüel. |
47 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Eliasaph
the son of Deuel. |
47 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eljasaf, den zoon van Dehuel. |
|
NM 7:48 Op de zevende dag de vorst der Efraïmieten, Elisama, de zoon
van Ammihud. |
48 On the seventh day Elishama the son of Ammihud, prince of the
children of Ephraim, [offered]: |
48 Op den zevenden dag [offerde] de overste der kinderen van Efraim,
Elisama, den zoon van Ammihud. |
|
NM 7:49 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
49 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an
hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after
the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with
oil for a meat offering: |
49 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:50 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
50 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
50 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:51 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
51 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
51 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:52 één geitebok tot een zondoffer; |
52 One kid of the goats for a sin offering: |
52 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:53 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Elisama, de zoon van
Ammihud. |
53 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Elishama
the son of Ammihud. |
53 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elisama, den zoon van
Ammihud. |
|
NM 7:54 Op de achtste dag de vorst der Manassieten, Gamliël, de zoon
van Pedasur. |
54 On the eighth day [offered] Gamaliel the son of Pedahzur, prince of
the children of Manasseh: |
54 Op den achtsten dag [offerde] de overste der kinderen van Manasse,
Gamaliel, de zoon van Pedazur. |
|
NM 7:55 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
55 His offering [was] one silver charger of the weight of an hundred
and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel
of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a
meat offering: |
55 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:56 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
56 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
56 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:57 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
57 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
57 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:58 één geitebok tot een zondoffer; |
58 One kid of the goats for a sin offering: |
58 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:59 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Gamliël, de zoon
van Pedasur. |
59 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Gamaliel
the son of Pedahzur. |
59 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Gamaliel, den zoon van
Pedazur. |
|
NM 7:60 Op de negende dag de vorst der Benjaminieten, Abidan, de zoon
van Gidoni. |
60 On the ninth day Abidan the son of Gideoni, prince of the children
of Benjamin, [offered]: |
60 Op den negenden dag [offerde] de overste der kinderen van Benjamin,
Abidan, de zoon van Gideoni. |
|
NM 7:61 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
61 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an
hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after
the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with
oil for a meat offering: |
61 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:62 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
62 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
62 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:63 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
63 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
63 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:64 één geitebok tot een zondoffer; |
64 One kid of the goats for a sin offering: |
64 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:65 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Abidan, de zoon van
Gidoni. |
65 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Abidan the
son of Gideoni. |
65 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Abidan, den zoon van Gideoni. |
|
NM 7:66 Op de tiende dag de vorst der Danieten, Achiëzer, de zoon van
Ammisaddai. |
66 On the tenth day Ahiezer the son of Ammishaddai, prince of the
children of Dan, [offered]: |
66 Op den tienden dag [offerde] de overste der kinderen van Dan,
Ahiezer, de zoon van Ammisaddai. |
|
NM 7:67 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
67 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an
hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after
the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with
oil for a meat offering: |
67 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:68 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
68 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
68 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:69 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
69 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
69 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:70 één geitebok tot een zondoffer; |
70 One kid of the goats for a sin offering: |
70 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:71 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Achiëzer, de zoon
van Ammisaddai. |
71 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Ahiezer
the son of Ammishaddai. |
71 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahiezer, den zoon van
Ammisaddai. |
|
NM 7:72 Op de elfde dag de vorst der Aserieten, Pagiël, de zoon van
Okran. |
72 On the eleventh day Pagiel the son of Ocran, prince of the children
of Asher, [offered]: |
72 Op den elfden dag [offerde] de overste der kinderen van Aser,
Pagiel, de zoon van Ochran. |
|
NM 7:73 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
73 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an
hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after
the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with
oil for a meat offering: |
73 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:74 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
74 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
74 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:75 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
75 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
75 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:76 één geitebok tot een zondoffer; |
76 One kid of the goats for a sin offering: |
76 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:77 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Pagiël, de zoon van
Okran. |
77 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Pagiel the
son of Ocran. |
77 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Pagiel, den zoon van Ochran. |
|
NM 7:78 Op de twaalfde dag de vorst der Naftalieten, Achira, de zoon
van Enan. |
78 On the twelfth day Ahira the son of Enan, prince of the children of
Naphtali, [offered]: |
78 Op den twaalfden dag [offerde] de overste der kinderen van Nafthali,
Ahira, de zoon van Enan. |
|
NM 7:79 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd
dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig
sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt
met olie, tot een spijsoffer; |
79 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an
hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after
the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with
oil for a meat offering: |
79 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd
dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar
den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,
ten spijsoffer; |
|
NM 7:80 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk; |
80 One golden spoon of ten [shekels], full of incense: |
80 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks; |
|
NM 7:81 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een
brandoffer; |
81 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt
offering: |
81 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten
brandoffer; |
|
NM 7:82 één geitebok tot een zondoffer; |
82 One kid of the goats for a sin offering: |
82 Een geitenbok, ten zondoffer; |
|
NM 7:83 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken
en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Achira, de zoon van
Enan. |
83 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he
goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Ahira the
son of Enan. |
83 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahira, den zoon van Enan. |
|
NM 7:84 Dit was de wijdingsgave voor het altaar op de dag dat het
gezalfd werd, geschonken door de vorsten van Israël: twaalf zilveren
schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden schalen, |
84 This [was] the dedication of the altar, in the day when it was
anointed, by the princes of Israel: twelve chargers of silver, twelve
silver bowls, twelve spoons of gold: |
84 Dit was de inwijding des altaars van de oversten van Israel, op den
dag als hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren
sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen. |
|
NM 7:85 honderd dertig sikkels zilver elke schotel, en zeventig elk
sprengbekken; al het zilver der vaten bedroeg tweeduizend vierhonderd
sikkels, naar de heilige sikkel; |
85 Each charger of silver [weighing] an hundred and thirty [shekels],
each bowl seventy: all the silver vessels [weighed] two thousand and four
hundred [shekels], after the shekel of the sanctuary: |
85 Een zilveren schotel was van honderd dertig [sikkelen], en een
sprengbekken van zeventig; al het zilver van de vaten was twee duizend en
vierhonderd [sikkelen], naar den sikkel des heiligdoms. |
|
NM 7:86 twaalf gouden schalen gevuld met reukwerk, elke schaal tien
sikkels, naar de heilige sikkel; al het goud der schalen bedroeg honderd
twintig sikkels. |
86 The golden spoons [were] twelve, full of incense, [weighing] ten
[shekels] apiece, after the shekel of the sanctuary: all the gold of the
spoons [was] an hundred and twenty [shekels]. |
86 Twaalf gouden reukschalen van reukwerks; elke reukschaal was van
tien [sikkelen], naar den sikkel des heiligdoms; al het goud der
reukschalen was honderd en twintig [sikkelen]. |
|
NM 7:87 Al het vee voor het brandoffer bestond uit twaalf jonge
stieren, twaalf rammen, twaalf éénjarige schapen, met het bijbehorende
spijsoffer; daarbij twaalf geitebokken tot een zondoffer. |
87 All the oxen for the burnt offering [were] twelve bullocks, the rams
twelve, the lambs of the first year twelve, with their meat offering: and
the kids of the goats for sin offering twelve. |
87 Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen,
twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten
zondoffer. |
|
NM 7:88 Al het vee van het vredeoffer bestond uit vierentwintig jonge
stieren, zestig rammen, zestig bokken, zestig éénjarige schapen. Dit was
de wijdingsgave voor het altaar, nadat het gezalfd was. |
88 And all the oxen for the sacrifice of the peace offerings [were]
twenty and four bullocks, the rams sixty, the he goats sixty, the lambs of
the first year sixty. This [was] the dedication of the altar, after that
it was anointed. |
88 En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de
rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de
inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was. |
|
NM 7:89 Wanneer nu Mozes de tent der samenkomst binnenging om met Hem
te spreken, dan hoorde hij een stem, die tot hem sprak van boven het
verzoendeksel, dat op de ark der getuigenis was, van tussen de beide
cherubs, en Hij sprak tot hem. |
89 And when Moses was gone into the tabernacle of the congregation to
speak with him, then he heard the voice of one speaking unto him from off
the mercy seat that [was] upon the ark of testimony, from between the two
cherubims: and he spake unto him. |
89 En als Mozes in de tent der samenkomst ging, om met Hem te spreken,
zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel,
hetwelk is op de ark der getuigenis, van tussen de twee cherubim. Alzo
sprak Hij tot hem. |
|
NM 8:1 De HERE sprak tot Mozes: |
1 And the LORD spake unto Moses, saying, |
1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 8:2 Spreek tot Aäron en zeg tot hem: Wanneer gij de lampen opstelt,
moeten de zeven lampen haar licht doen vallen op de voorzijde van de
kandelaar. |
2 Speak unto Aaron, and say unto him, When thou lightest the lamps, the
seven lamps shall give light over against the candlestick. |
2 Spreek tot Aaron, en zeg tot hem: Als gij de lampen aansteken zult,
recht tegenover den kandelaar zullen de zeven lampen lichten. |
|
NM 8:3 En Aäron deed alzo; aan de voorzijde van de kandelaar stelde
hij de lampen daarvan op, zoals de HERE Mozes geboden had. |
3 And Aaron did so; he lighted the lamps thereof over against the
candlestick, as the LORD commanded Moses. |
3 En Aaron deed alzo: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs
lampen aan; |
|
NM 8:4 En aldus was de kandelaar gemaakt: van gedreven goud; zowel wat
zijn schacht als wat zijn bloesemversiering betreft, was hij gedreven
werk; overeenkomstig het voorbeeld dat de HERE hem had getoond, had Mozes
de kandelaar gemaakt. |
4 And this work of the candlestick [was of] beaten gold, unto the shaft
thereof, unto the flowers thereof, [was] beaten work: according unto the
pattern which the LORD had shewed Moses, so he made the candlestick. |
4 Dit werk nu des kandelaars was van dicht goud, tot zijn schacht, tot
zijn bloemen was het dicht; naar de gedaante, die de HEERE Mozes vertoond
had, alzo had hij den kandelaar gemaakt. |
|
NM 8:5 En de HERE sprak tot Mozes: |
5 And the LORD spake unto Moses, saying, |
5 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 8:6 Neem de Levieten uit de Israëlieten en reinig hen. |
6 Take the Levites from among the children of Israel, and cleanse them. |
6 Neem de Levieten uit het midden van de kinderen Israels, en reinig
hen. |
|
NM 8:7 Aldus zult gij met hen handelen om hen te reinigen: sprenkel op
hen ontzondigingswater, daarna moeten zij een scheermes over hun gehele
lichaam laten gaan en hun klederen wassen, opdat zij gereinigd worden. |
7 And thus shalt thou do unto them, to cleanse them: Sprinkle water of
purifying upon them, and let them shave all their flesh, and let them wash
their clothes, and [so] make themselves clean. |
7 En aldus zult gij hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water
der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun ganse vlees doen
gaan, en zij zullen hun klederen wassen, en zich reinigen. |
|
NM 8:8 Dan zullen zij een jonge stier nemen met het bijbehorend
spijsoffer, fijn meel aangemaakt met olie, en een tweede jonge stier zult
gij nemen tot een zondoffer. |
8 Then let them take a young bullock with his meat offering, [even]
fine flour mingled with oil, and another young bullock shalt thou take for
a sin offering. |
8 Daarna zullen zij nemen een var, een jong rund, met zijn spijsoffer
van meelbloem, met olie gemengd; en een anderen var, een jong rund, zult
gij nemen ten zondoffer. |
|
NM 8:9 Vervolgens zult gij de Levieten doen naderen vóór de tent der
samenkomst, en de gehele vergadering der Israëlieten samenroepen. |
9 And thou shalt bring the Levites before the tabernacle of the
congregation: and thou shalt gather the whole assembly of the children of
Israel together: |
9 En gij zult de Levieten voor de tent der samenkomst doen naderen; en
gij zult de gehele vergadering der kinderen Israels doen verzamelen. |
|
NM 8:10 Hebt gij de Levieten voor het aangezicht des HEREN doen
naderen, dan zullen de Israëlieten de Levieten de handen opleggen, |
10 And thou shalt bring the Levites before the LORD: and the children
of Israel shall put their hands upon the Levites: |
10 Ja, gij zult de Levieten voor het aangezicht des HEEREN doen
naderen; en de kinderen Israels zullen hun handen op de Levieten leggen. |
|
NM 8:11 en Aäron zal de Levieten bewegen als een beweegoffer uit de
Israëlieten voor het aangezicht des HEREN, en zij zullen bestemd zijn om
de dienst des HEREN te verrichten. |
11 And Aaron shall offer the Levites before the LORD [for] an offering
of the children of Israel, that they may execute the service of the LORD. |
11 En Aaron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht
des HEEREN, vanwege de kinderen Israels; opdat zij zijn, om den dienst des
HEEREN te bedienen. |
|
NM 8:12 Nadat de Levieten hun handen op de kop der jonge stieren gelegd
hebben, bereid dan de ene tot een zondoffer en de andere tot een
brandoffer voor de HERE, om verzoening te doen over de Levieten. |
12 And the Levites shall lay their hands upon the heads of the
bullocks: and thou shalt offer the one [for] a sin offering, and the other
[for] a burnt offering, unto the LORD, to make an atonement for the
Levites. |
12 En de Levieten zullen hun handen op het hoofd der varren leggen;
daarna bereidt gij een ten zondoffer, en een ten brandoffer den HEERE, om
over de Levieten verzoening te doen. |
|
NM 8:13 Dan zult gij de Levieten vóór Aäron en zijn zonen plaatsen
en hen bewegen als een beweegoffer voor de HERE. |
13 And thou shalt set the Levites before Aaron, and before his sons,
and offer them [for] an offering unto the LORD. |
13 En gij zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aaron, en
voor het aangezicht van zijn zonen, en gij zult hen bewegen ten
beweegoffer den HEERE. |
|
NM 8:14 Aldus zult gij de Levieten uit de Israëlieten afzonderen,
opdat de Levieten mijn eigendom zijn. |
14 Thus shalt thou separate the Levites from among the children of
Israel: and the Levites shall be mine. |
14 En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israels
uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn. |
|
NM 8:15 Eerst daarna zullen de Levieten naar binnen gaan om bij de tent
der samenkomst dienst te doen; gij zult hen reinigen en hen als een
beweegoffer bewegen. |
15 And after that shall the Levites go in to do the service of the
tabernacle of the congregation: and thou shalt cleanse them, and offer
them [for] an offering. |
15 En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te
bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen. |
|
NM 8:16 Want zij zullen uit de Israëlieten Mij onvoorwaardelijk
geschonken zijn; Ik heb hen voor Mij genomen in de plaats van alles wat
het eerst uit de moederschoot voortkomt, van alle eerstgeborenen onder de
Israëlieten. |
16 For they [are] wholly given unto me from among the children of
Israel; instead of such as open every womb, [even instead of] the
firstborn of all the children of Israel, have I taken them unto me. |
16 Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de
kinderen Israels; voor de opening van alle baarmoeder, [voor] de
eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israels, heb Ik ze Mij
genomen. |
|
NM 8:17 Want alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, zowel van mens
als van dier, zijn mijn eigendom; op de dag dat Ik alle eerstgeborenen in
het land Egypte sloeg, heb Ik hen Mij geheiligd, |
17 For all the firstborn of the children of Israel [are] mine, [both]
man and beast: on the day that I smote every firstborn in the land of
Egypt I sanctified them for myself. |
17 Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israels is Mijn, onder de
mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in
Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd. |
|
NM 8:18 en Ik nam de Levieten in de plaats van alle eerstgeborenen
onder de Israëlieten, |
18 And I have taken the Levites for all the firstborn of the children
of Israel. |
18 En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de
kinderen Israels. |
|
NM 8:19 en Ik gaf de Levieten uit de Israëlieten als geschonkenen aan
Aäron en zijn zonen, om de dienst der Israëlieten bij de tent der
samenkomst te verrichten, en om verzoening te doen over de Israëlieten,
opdat er geen plaag zij onder de Israëlieten, wanneer de Israëlieten tot
het heilige zouden naderen. |
19 And I have given the Levites [as] a gift to Aaron and to his sons
from among the children of Israel, to do the service of the children of
Israel in the tabernacle of the congregation, and to make an atonement for
the children of Israel: that there be no plague among the children of
Israel, when the children of Israel come nigh unto the sanctuary. |
19 En Ik heb de Levieten aan Aaron en aan zijn zonen tot een gift
gegeven, uit het midden van de kinderen Israels, om den dienst van de
kinderen Israels in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de
kinderen Israels verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de
kinderen Israels, als de kinderen Israels tot het heiligdom naderen
zouden. |
|
NM 8:20 Toen volbrachten Mozes, Aäron en de gehele vergadering der
Israëlieten deze handeling aan de Levieten; juist zoals de HERE Mozes ten
aanzien van de Levieten geboden had, deden de Israëlieten met hen. |
20 And Moses, and Aaron, and all the congregation of the children of
Israel, did to the Levites according unto all that the LORD commanded
Moses concerning the Levites, so did the children of Israel unto them. |
20 En Mozes deed, en Aaron, en de ganse vergadering der kinderen
Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van
de Levieten, zo deden de kinderen Israels aan hen. |
|
NM 8:21 De Levieten lieten zich ontzondigen en wiesen hun klederen,
Aäron bewoog hen als een beweegoffer voor het aangezicht des HEREN, en
deed verzoening over hen en reinigde hen. |
21 And the Levites were purified, and they washed their clothes; and
Aaron offered them [as] an offering before the LORD; and Aaron made an
atonement for them to cleanse them. |
21 En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun klederen, en Aaron
bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en Aaron deed
verzoening over hen, om hen te reinigen. |
|
NM 8:22 Daarna gingen de Levieten naar binnen om hun dienst bij de tent
der samenkomst te verrichten, onder toezicht van Aäron en zijn zonen.
Zoals de HERE Mozes aangaande de Levieten geboden had, deed men met hen. |
22 And after that went the Levites in to do their service in the
tabernacle of the congregation before Aaron, and before his sons: as the
LORD had commanded Moses concerning the Levites, so did they unto them. |
22 En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent
der samenkomst, voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht
zijner zonen; gelijk als de HEERE Mozes van de Levieten geboden had, alzo
deden zij aan hen. |
|
NM 8:23 En de HERE sprak tot Mozes: |
23 And the LORD spake unto Moses, saying, |
23 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 8:24 Dit geldt voor de Levieten: iemand van vijfentwintig jaar oud
en daarboven zal komen om zijn taak te verrichten in de dienst van de tent
der samenkomst, |
24 This [is it] that [belongeth] unto the Levites: from twenty and five
years old and upward they shall go in to wait upon the service of the
tabernacle of the congregation: |
24 Dit is het, wat de Levieten aangaat: van vijf en twintig jaren oud
en daarboven, zullen zij inkomen, om den strijd te strijden, in den dienst
van de tent der samenkomst. |
|
NM 8:25 en op vijftigjarige leeftijd zal hij van het dienstwerk
ontslagen zijn, zodat hij niet langer behoeft te dienen. |
25 And from the age of fifty years they shall cease waiting upon the
service [thereof], and shall serve no more: |
25 Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van den strijd van
dezen dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen. |
|
NM 8:26 Al zal hij zijn broeders in de tent der samenkomst bij het
vervullen van hun taak behulpzaam mogen zijn, hij zal geen dienst meer
behoeven te doen. Aldus zult gij met de Levieten handelen ten aanzien van
hun taak. |
26 But shall minister with their brethren in the tabernacle of the
congregation, to keep the charge, and shall do no service. Thus shalt thou
do unto the Levites touching their charge. |
26 Doch hij zal met zijn broederen dienen in de tent der samenkomst, om
de wacht waar te nemen; maar den dienst zal hij niet bedienen. Alzo zult
gij aan de Levieten doen in hun wachten. |
|
NM 9:1 En de HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in het tweede
jaar na hun uittocht uit het land Egypte, in de eerste maand: |
1 And the LORD spake unto Moses in the wilderness of Sinai, in the
first month of the second year after they were come out of the land of
Egypt, saying, |
1 En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, in het tweede
jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand,
zeggende: |
|
NM 9:2 De Israëlieten nu zullen het Pascha vieren op de daarvoor
bepaalde tijd; |
2 Let the children of Israel also keep the passover at his appointed
season. |
2 Dat de kinderen Israels het pascha houden zouden, op zijn gezetten
tijd. |
|
NM 9:3 op de veertiende dag dezer maand, in de avondschemering, zult
gij het vieren op de daarvoor bepaalde tijd, naar al de inzettingen en
verordeningen, die daarop betrekking hebben, zult gij het vieren. |
3 In the fourteenth day of this month, at even, ye shall keep it in his
appointed season: according to all the rites of it, and according to all
the ceremonies thereof, shall ye keep it. |
3 Op den veertienden dag in deze maand, tussen twee avonden zult gij
dat houden, op zijn gezetten tijd; naar al zijn inzettingen, en naar al
zijn rechten zult gij dat houden. |
|
NM 9:4 Toen beval Mozes de Israëlieten het Pascha te vieren; |
4 And Moses spake unto the children of Israel, that they should keep
the passover. |
4 Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, dat zij het pascha zouden
houden. |
|
NM 9:5 en zij vierden het Pascha in de eerste maand, op de veertiende
dag der maand, in de avondschemering, in de woestijn Sinai; juist zoals de
HERE Mozes geboden had, deden de Israëlieten. |
5 And they kept the passover on the fourteenth day of the first month
at even in the wilderness of Sinai: according to all that the LORD
commanded Moses, so did the children of Israel. |
5 En zij hielden het pascha op den veertienden dag der eerste maand,
tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinai; naar alles wat de HEERE
Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israels. |
|
NM 9:6 Nu waren er enige mannen, die onrein waren door aanraking van
het lijk van een mens, zodat zij op die dag het Pascha niet konden vieren;
dezen verschenen op die dag vóór Mozes en Aäron. |
6 And there were certain men, who were defiled by the dead body of a
man, that they could not keep the passover on that day: and they came
before Moses and before Aaron on that day: |
6 Toen waren er lieden geweest, die over het dode lichaam eens mensen
onrein waren, en op denzelven dag het pascha niet hadden kunnen houden;
daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht
van Aaron op dienzelven dag. |
|
NM 9:7 En die mannen zeiden tot hen: Wij zijn onrein door aanraking van
het lijk van een mens, waarom wordt ons nu belet de offergave des HEREN op
de daarvoor bepaalde tijd te midden van de Israëlieten te brengen? |
7 And those men said unto him, We [are] defiled by the dead body of a
man: wherefore are we kept back, that we may not offer an offering of the
LORD in his appointed season among the children of Israel? |
7 En diezelve lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode
lichaam eens mensen; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de
offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet zouden offeren, in het
midden van de kinderen Israels? |
|
NM 9:8 Toen zeide Mozes tot hen: Blijft hier staan, dan wil ik horen,
wat mij de HERE ten aanzien van u zal gebieden. |
8 And Moses said unto them, Stand still, and I will hear what the LORD
will command concerning you. |
8 En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, dat ik hoor, wat de HEERE u
gebieden zal. |
|
NM 9:9 Toen sprak de HERE tot Mozes: |
9 And the LORD spake unto Moses, saying, |
9 Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: |
|
NM 9:10 Spreek tot de Israëlieten: wanneer iemand onrein is door
aanraking van een lijk of op een verre reis is, - het geldt zowel voor u
als voor uw nageslacht - dan zal hij toch des HEREN Pascha vieren. |
10 Speak unto the children of Israel, saying, If any man of you or of
your posterity shall be unclean by reason of a dead body, or [be] in a
journey afar off, yet he shall keep the passover unto the LORD. |
10 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer iemand onder u, of
onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg
zal zijn, hij zal dan nog den HEERE het pascha houden. |
|
NM 9:11 In de tweede maand, op de veertiende dag, in de
avondschemering, zal men het vieren, met ongezuurde broden en bittere
kruiden zal men het eten. |
11 The fourteenth day of the second month at even they shall keep it,
[and] eat it with unleavened bread and bitter [herbs]. |
11 In de tweede maand, op den veertienden dag, tussen de twee avonden,
zullen zij dat houden; met ongezuurde [broden] en bittere saus zullen zij
dat eten. |
|
NM 9:12 Men zal niets ervan laten overblijven tot de volgende morgen,
en geen been eraan breken; geheel volgens de inzetting van het Pascha zal
men het vieren. |
12 They shall leave none of it unto the morning, nor break any bone of
it: according to all the ordinances of the passover they shall keep it. |
12 Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan
geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat
houden. |
|
NM 9:13 Maar de man, die rein is, en niet op reis, en nalaat het Pascha
te vieren, die zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten, omdat hij op
de daarvoor bepaalde tijd de offergave des HEREN niet heeft gebracht; die
man zal zijn zonde dragen. |
13 But the man that [is] clean, and is not in a journey, and forbeareth
to keep the passover, even the same soul shall be cut off from among his
people: because he brought not the offering of the LORD in his appointed
season, that man shall bear his sin. |
13 Als een man, die rein is, en op den weg niet is, en nalaten zal het
pascha te houden, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden;
want hij heeft de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet
geofferd, diezelve man zal zijn zonde dragen. |
|
NM 9:14 Wanneer bij u een vreemdeling vertoeft, die de HERE het Pascha
vieren wil, dan moet hij het vieren naar de inzetting van het Pascha en de
verordeningen, die daarop betrekking hebben. Enerlei inzetting zal voor u
gelden, zowel voor de vreemdeling als voor de in het land geborene. |
14 And if a stranger shall sojourn among you, and will keep the
passover unto the LORD; according to the ordinance of the passover, and
according to the manner thereof, so shall he do: ye shall have one
ordinance, both for the stranger, and for him that was born in the land. |
14 En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij
het pascha den HEERE ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en
naar zijn wijze, alzo zal hij het houden; het zal enerlei inzetting voor
ulieden zijn, beiden den vreemdeling en den inboorling des lands. |
|
NM 9:15 Op de dag nu der oprichting van de tabernakel bedekte de wolk
de tabernakel, de tent der getuigenis, en des avonds was zij op de
tabernakel als een vuurverschijnsel tot aan de morgen. |
15 And on the day that the tabernacle was reared up the cloud covered
the tabernacle, [namely], the tent of the testimony: and at even there was
upon the tabernacle as it were the appearance of fire, until the morning. |
15 En op den dag van het oprichten des tabernakels bedekte de wolk den
tabernakel, op de tent der getuigenis; en in den avond was over den
tabernakel als een gedaante des vuurs, tot aan den morgen. |
|
NM 9:16 Zo was het voortdurend: de wolk bedekte hem, en het
vuurverschijnsel des nachts. |
16 So it was alway: the cloud covered it [by day], and the appearance
of fire by night. |
16 Alzo geschiedde het geduriglijk; de wolk bedekte denzelven, en des
nachts was er een gedaante des vuurs. |
|
NM 9:17 En zo vaak als de wolk van boven de tent optrok, braken daarna
de Israëlieten op, en op de plek waar de wolk bleef rusten, daar legerden
zich de Israëlieten. |
17 And when the cloud was taken up from the tabernacle, then after that
the children of Israel journeyed: and in the place where the cloud abode,
there the children of Israel pitched their tents. |
17 Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zo verreisden
ook daarna de kinderen Israels; en in de plaats, waar de wolk bleef, daar
legerden zich de kinderen Israels. |
|
NM 9:18 Op het bevel des HEREN braken de Israëlieten op, en op het
bevel des HEREN legerden zij zich; zolang de wolk op de tabernakel rustte,
bleven zij gelegerd. |
18 At the commandment of the LORD the children of Israel journeyed, and
at the commandment of the LORD they pitched: as long as the cloud abode
upon the tabernacle they rested in their tents. |
18 Naar den mond des HEEREN, verreisden de kinderen Israels, en naar
des HEEREN mond legerden zij zich; al de dagen, in dewelke de wolk over
den tabernakel bleef, legerden zij zich. |
|
NM 9:19 Bleef de wolk lange tijd op de tabernakel, dan onderhielden de
Israëlieten de dienst des HEREN, en braken niet op. |
19 And when the cloud tarried long upon the tabernacle many days, then
the children of Israel kept the charge of the LORD, and journeyed not. |
19 En als de wolk vele dagen over den tabernakel verbleef, zo namen de
kinderen Israels de wacht des HEEREN waar, en verreisden niet. |
|
NM 9:20 Soms bleef de wolk enkele dagen op de tabernakel; dan legerden
zij zich op het bevel des HEREN en op het bevel des HEREN braken zij op. |
20 And [so] it was, when the cloud was a few days upon the tabernacle;
according to the commandment of the LORD they abode in their tents, and
according to the commandment of the LORD they journeyed. |
20 Als het nu was, dat de wolk weinige dagen op den tabernakel was,
naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN
verreisden zij. |
|
NM 9:21 Soms was de wolk er van de avond tot de morgen; trok de wolk
dan in de morgen op, dan braken zij op; hetzij des daags of des nachts,
als de wolk optrok, dan braken zij op. |
21 And [so] it was, when the cloud abode from even unto the morning,
and [that] the cloud was taken up in the morning, then they journeyed:
whether [it was] by day or by night that the cloud was taken up, they
journeyed. |
21 Maar was het, dat de wolk van den avond tot den morgen daar was, en
de wolk in den morgen opgeheven werd, zo verreisden zij; of des daags, of
des nachts, als de wolk opgeheven werd, zo verreisden zij. |
|
NM 9:22 Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel rustte, hetzij
twee dagen, een maand of nog langer, dan bleven de Israëlieten gelegerd
en braken niet op; eerst, als zij optrok, braken zij op. |
22 Or [whether it were] two days, or a month, or a year, that the cloud
tarried upon the tabernacle, remaining thereon, the children of Israel
abode in their tents, and journeyed not: but when it was taken up, they
journeyed. |
22 Of als de wolk twee dagen, of een maand, of [vele] dagen vertoog op
den tabernakel, blijvende daarop, zo legerden zich de kinderen Israels, en
verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij. |
|
NM 9:23 Op het bevel des HEREN legerden zij zich en op het bevel des
HEREN braken zij op; zij onderhielden de dienst des HEREN, volgens het
bevel des HEREN door de dienst van Mozes. |
23 At the commandment of the LORD they rested in the tents, and at the
commandment of the LORD they journeyed: they kept the charge of the LORD,
at the commandment of the LORD by the hand of Moses. |
23 Naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des
HEEREN verreisden zij; zij namen de wacht des HEEREN waar, naar den mond
des HEEREN, door de hand van Mozes. |
|
NM 10:1 De HERE sprak tot Mozes: |
1 And the LORD spake unto Moses, saying, |
1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: |
|
NM 10:2 Maak u twee zilveren trompetten; van gedreven werk zult gij
deze maken, om u te dienen tot het samenroepen van de vergadering en tot
het opbreken van de legerplaatsen. |
2 Make thee two trumpets of silver; of a whole piece shalt thou make
them: that thou mayest use them for the calling of the assembly, and for
the journeying of the camps. |
2 Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en
zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht
der legers. |
|
NM 10:3 Geeft men op beide een stoot, dan zal de gehele vergadering
zich tot u verzamelen bij de ingang van de tent der samenkomst. |
3 And when they shall blow with them, all the assembly shall assemble
themselves to thee at the door of the tabernacle of the congregation. |
3 Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot
u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst. |
|
NM 10:4 Geeft men op één een stoot, dan zullen de vorsten, de
stamhoofden Israëls, zich tot u verzamelen. |
4 And if they blow [but] with one [trumpet], then the princes, [which
are] heads of the thousands of Israel, shall gather themselves unto thee. |
4 Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd
worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel. |
|
NM 10:5 Blaast gij één signaal, dan zullen de legerafdelingen die aan
de oostzijde gelegerd zijn, opbreken; |
5 When ye blow an alarm, then the camps that lie on the east parts
shall go forward. |
5 Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers,
die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken. |
|
NM 10:6 blaast gij een tweede signaal, dan zullen de legerafdelingen
die aan de zuidzijde gelegerd zijn, opbreken. Men zal een signaal blazen,
als zij moeten opbreken; |
6 When ye blow an alarm the second time, then the camps that lie on the
south side shall take their journey: they shall blow an alarm for their
journeys. |
6 Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult,
zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een
gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten. |
|
NM 10:7 bij het samenroepen van de gemeente zult gij alleen een stoot
geven, maar geen signaal blazen. |
7 But when the congregation is to be gathered together, ye shall blow,
but ye shall not sound an alarm. |
7 Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen
gebroken geklank maken. |
|
NM 10:8 De zonen van Aäron, de priesters, zullen op de trompetten
blazen; dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn voor uw nageslacht. |
8 And the sons of Aaron, the priests, shall blow with the trumpets; and
they shall be to you for an ordinance for ever throughout your
generations. |
8 En de zonen van Aaron, de priesters, zullen met die trompetten
blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw
geslachten. |
|
NM 10:9 En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die
u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij
in gedachtenis gebracht zult worden voor het aangezicht van de HERE, uw
God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden. |
9 And if ye go to war in your land against the enemy that oppresseth
you, then ye shall blow an alarm with the trumpets; and ye shall be
remembered before the LORD your God, and ye shall be saved from your
enemies. |
9 En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den
vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank
maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws
Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden. |
|
NM 10:10 Ook op uw vreugdedagen, op uw feesten en op uw
nieuwemaansdagen zult gij een stoot op de trompetten geven bij uw
brandoffers en vredeoffers; zij zullen u dienen om u voor het aangezicht
van uw God in gedachtenis te brengen; Ik ben de HERE, uw God. |
10 Also in the day of your gladness, and in your solemn days, and in
the beginnings of your months, ye shall blow with the trumpets over your
burnt offerings, and over the sacrifices of your peace offerings; that
they may be to you for a memorial before your God: I [am] the LORD your
God. |
10 Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden,
en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen
over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter
gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God! |
|
NM 10:11 In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste dag
der maand, trok de wolk van boven de tabernakel der getuigenis op. |
11 And it came to pass on the twentieth [day] of the second month, in
the second year, that the cloud was taken up from off the tabernacle of
the testimony. |
11 En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den
twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den
tabernakel der getuigenis. |
|
NM 10:12 Toen braken de Israëlieten uit de woestijn Sinai op in de
voorgeschreven orde van opbreken, en de wolk bleef rusten in de woestijn
Paran. |
12 And the children of Israel took their journeys out of the wilderness
of Sinai; and the cloud rested in the wilderness of Paran. |
12 En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn
Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran. |
|
NM 10:13 Dit nu was de eerste maal, dat zij opbraken volgens het bevel
des HEREN door de dienst van Mozes. |
13 And they first took their journey according to the commandment of
the LORD by the hand of Moses. |
13 Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand
van Mozes. |
|
NM 10:14 In de eerste plaats brak het vendel van de legerplaats der
Judeeërs op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van
Juda stond Nachson, de zoon van Amminadab; |
14 In the first [place] went the standard of the camp of the children
of Judah according to their armies: and over his host [was] Nahshon the
son of Amminadab. |
14 Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van
Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van
Amminadab. |
|
NM 10:15 aan het hoofd van het leger van de stam der Issakarieten stond
Netanel, de zoon van Suar; |
15 And over the host of the tribe of the children of Issachar [was]
Nethaneel the son of Zuar. |
15 En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was
Nethaneel, den zoon van Zuar. |
|
NM 10:16 aan het hoofd van het leger van de stam der Zebulonieten stond
Eliab, de zoon van Chelon. |
16 And over the host of the tribe of the children of Zebulun [was]
Eliab the son of Helon. |
16 En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de
zoon van Helon. |
|
NM 10:17 Daarna werd de tabernakel afgebroken, en braken de Gersonieten
en de Merarieten op, die de tabernakel droegen. |
17 And the tabernacle was taken down; and the sons of Gershon and the
sons of Merari set forward, bearing the tabernacle. |
17 Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de
zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel. |
|
NM 10:18 Vervolgens brak het vendel van de legerplaats van Ruben op
volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Ruben stond
Elisur, de zoon van Sedeür; |
18 And the standard of the camp of Reuben set forward according to
their armies: and over his host [was] Elizur the son of Shedeur. |
18 Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en
over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur. |
|
NM 10:19 aan het hoofd van het leger van de stam der Simeonieten stond
Selumiël, de zoon van Surisaddai; |
19 And over the host of the tribe of the children of Simeon [was]
Shelumiel the son of Zurishaddai. |
19 En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel,
de zoon van Zurisaddai. |
|
NM 10:20 aan het hoofd van het leger van de stam der Gadieten stond
Eljasaf, de zoon van Reüel. |
20 And over the host of the tribe of the children of Gad [was] Eliasaph
the son of Deuel. |
20 En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de
zoon van Dehuel. |
|
NM 10:21 Daarna braken de Kehatieten op, die het heilige droegen; men
richtte de tabernakel op, voordat zij kwamen. |
21 And the Kohathites set forward, bearing the sanctuary: and [the
other] did set up the tabernacle against they came. |
21 Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en [de]
[anderen] richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen. |
|
NM 10:22 Dan brak het vendel van de legerplaats der Efraïmieten op
volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Efraïm stond
Elisama, de zoon van Ammihud; |
22 And the standard of the camp of the children of Ephraim set forward
according to their armies: and over his host [was] Elishama the son of
Ammihud. |
22 Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar
hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud. |
|
NM 10:23 aan het hoofd van het leger van de stam der Manassieten stond
Gamliël, de zoon van Pedasur; |
23 And over the host of the tribe of the children of Manasseh [was]
Gamaliel the son of Pedahzur. |
23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel,
de zoon van Pedazur. |
|
NM 10:24 aan het hoofd van het leger van de stam der Benjaminieten
stond Abidan, de zoon van Gidoni. |
24 And over the host of the tribe of the children of Benjamin [was]
Abidan the son of Gideoni. |
24 En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan,
de zoon van Gideoni. |
|
NM 10:25 Als laatste van alle legerplaatsen brak het vendel van de
legerplaats der Danieten op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van
het leger van Dan stond Achiëzer, de zoon van Ammisaddai; |
25 And the standard of the camp of the children of Dan set forward,
[which was] the rereward of all the camps throughout their hosts: and over
his host [was] Ahiezer the son of Ammishaddai. |
25 Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan,
samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was
Ahiezer de zoon van Ammisaddai. |
|
NM 10:26 aan het hoofd van het leger van de stam der Aserieten stond
Pagiël, de zoon van Okran; |
26 And over the host of the tribe of the children of Asher [was] Pagiel
the son of Ocran. |
26 En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de
zoon van Ochran. |
|
NM 10:27 aan het hoofd van het leger van de stam der Naftalieten stond
Achira, de zoon van Enan. |
27 And over the host of the tribe of the children of Naphtali [was]
Ahira the son of Enan. |
27 En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira,
de zoon van Enan. |
|
NM 10:28 Aldus was de orde van opbreken der Israëlieten volgens hun
legerscharen. En zij braken op. |
28 Thus [were] the journeyings of the children of Israel according to
their armies, when they set forward. |
28 Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij
reisden. |
|
NM 10:29 Toen zeide Mozes tot Chobab, de zoon van de Midjaniet Reüel,
de schoonvader van Mozes: Wij trekken op naar de plaats waarvan de HERE
gezegd heeft: Ik zal u haar geven; ga met ons, dan zullen wij u weldoen,
want de HERE heeft het goede gesproken over Israël. |
29 And Moses said unto Hobab, the son of Raguel the Midianite, Moses'
father in law, We are journeying unto the place of which the LORD said, I
will give it you: come thou with us, and we will do thee good: for the
LORD hath spoken good concerning Israel. |
29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den
schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE
gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen,
want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken. |
|
NM 10:30 Hij echter zeide tot hem: Neen, maar ik wil naar mijn land en
naar mijn verwanten gaan. |
30 And he said unto him, I will not go; but I will depart to mine own
land, and to my kindred. |
30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land
en naar mijn maagschap gaan. |
|
NM 10:31 Hij nu zeide: Wil ons toch niet verlaten, want gij weet
immers, hoe wij ons in de woestijn moeten legeren, en gij kunt ons tot
ogen dienen. |
31 And he said, Leave us not, I pray thee; forasmuch as thou knowest
how we are to encamp in the wilderness, and thou mayest be to us instead
of eyes. |
31 En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij
ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn. |
|
NM 10:32 Indien gij nu met ons medegaat, en wanneer het goede er zal
zijn, waarmede de HERE ons zal weldoen, dan zullen wij u weldoen. |
32 And it shall be, if thou go with us, yea, it shall be, that what
goodness the LORD shall do unto us, the same will we do unto thee. |
32 En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede
geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook
weldoen zullen. |
|
NM 10:33 Toen braken zij op van de berg des HEREN en trokken drie
dagreizen ver, terwijl de ark van het verbond des HEREN vóór hen uit
optrok, drie dagreizen ver, om voor hen een rustplaats te zoeken. |
33 And they departed from the mount of the LORD three days' journey:
and the ark of the covenant of the LORD went before them in the three
days' journey, to search out a resting place for them. |
33 Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des
verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen
een rustplaats uit te speuren. |
|
NM 10:34 En de wolk des HEREN was overdag boven hen, wanneer zij uit de
legerplaats opbraken. |
34 And the cloud of the LORD [was] upon them by day, when they went out
of the camp. |
34 En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger
verreisden. |
|
NM 10:35 Wanneer nu de ark opbrak, zeide Mozes: Sta op, HERE, opdat uw
vijanden verstrooid worden en uw haters van uw aangezicht wegvluchten. |
35 And it came to pass, when the ark set forward, that Moses said, Rise
up, LORD, and let thine enemies be scattered; and let them that hate thee
flee before thee. |
35 Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta
op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw
aangezicht vlieden! |
|
NM 10:36 En wanneer zij bleef rusten, zeide hij: Keer weder, HERE, tot
de tienduizenden der duizenden Israëls. |
36 And when it rested, he said, Return, O LORD, unto the many thousands
of Israel. |
36 En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! [tot] de tien
duizenden der duizenden van Israel! |
|
NM 11:1 Toen het volk aan het klagen was, was het kwaad in de oren des
HEREN; de HERE hoorde het en zijn toorn ontstak, waarop het vuur des HEREN
onder hen ontbrandde en aan de rand van de legerplaats woedde. |
1 And [when] the people complained, it displeased the LORD: and the
LORD heard [it]; and his anger was kindled; and the fire of the LORD burnt
among them, and consumed [them that were] in the uttermost parts of the
camp. |
1 En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, [dat] het kwaad
was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn
ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het
uiterste des legers. |
|
NM 11:2 Toen kermde het volk tot Mozes en Mozes bad tot de HERE; daarop
doofde het vuur. |
2 And the people cried unto Moses; and when Moses prayed unto the LORD,
the fire was quenched. |
2 Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE; en het vuur
werd gedempt. |
|
NM 11:3 Daarom gaf men aan die plaats de naam Tabera, omdat onder hen
het vuur des HEREN had gebrand. |
3 And he called the name of the place Taberah: because the fire of the
LORD burnt among them. |
3 Daarom noemde hij den naam dier plaats Thabera, omdat het vuur des
HEEREN onder hen gebrand had. |
|
NM 11:4 Het samenraapsel nu, dat zich onder hen bevond, werd met gulzig
begeren vervuld; ook de Israëlieten begonnen weer te jammeren en zeiden:
Wie geeft ons vlees te eten? |
4 And the mixt multitude that [was] among them fell a lusting: and the
children of Israel also wept again, and said, Who shall give us flesh to
eat? |
4 En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust
bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden:
Wie zal ons vlees te eten geven? |
|
NM 11:5 Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet,
aan de komkommers en de meloenen, het look, de uien en het knoflook. |
5 We remember the fish, which we did eat in Egypt freely; the
cucumbers, and the melons, and the leeks, and the onions, and the garlick: |
5 Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de
komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en
aan het knoflook. |
|
NM 11:6 Maar nu drogen wij uit, er is in het geheel niets, wij krijgen
alleen dit man te zien. |
6 But now our soul [is] dried away: [there is] nothing at all, beside
this manna, [before] our eyes. |
6 Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor
onze ogen! |
|
NM 11:7 Het man nu leek op korianderzaad en het zag er uit als
balsemhars; |
7 And the manna [was] as coriander seed, and the colour thereof as the
colour of bdellium. |
7 Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van
den bedolah. |
|
NM 11:8 het volk verspreidde zich om het te verzamelen en maalde het in
handmolens of stampte het in vijzels en kookte het in potten en bereidde
het tot koeken; en de smaak ervan was als van oliegebak; |
8 [And] the people went about, and gathered [it], and ground [it] in
mills, or beat [it] in a mortar, and baked [it] in pans, and made cakes of
it: and the taste of it was as the taste of fresh oil. |
8 Het volk liep hier en daar, en verzamelde [het], en maalde het met
molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte
daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid
der olie. |
|
NM 11:9 telkens wanneer des nachts de dauw op de legerplaats
neerdaalde, daalde ook het man daarop neder. |
9 And when the dew fell upon the camp in the night, the manna fell upon
it. |
9 En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op
hetzelve neder. |
|
NM 11:10 Toen Mozes het volk, geslacht aan geslacht, hoorde wenen,
ieder aan de ingang van zijn tent, ontbrandde de toorn des HEREN hevig, en
het was kwaad in de ogen van Mozes, |
10 Then Moses heard the people weep throughout their families, every
man in the door of his tent: and the anger of the LORD was kindled
greatly; Moses also was displeased. |
10 Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, een ieder
aan de deur zijner hut; en de toorn des HEEREN ontstak zeer; ook was het
kwaad in de ogen van Mozes. |
|
NM 11:11 en Mozes zeide tot de HERE: Waarom hebt Gij uw knecht slecht
behandeld en waarom heb ik geen genade gevonden in uw ogen, dat Gij de
last van dit gehele volk op mij legt? |
11 And Moses said unto the LORD, Wherefore hast thou afflicted thy
servant? and wherefore have I not found favour in thy sight, that thou
layest the burden of all this people upon me? |
11 En Mozes zeide tot de HEERE: Waarom hebt Gij aan Uw knecht kwalijk
gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat Gij den last
van dit ganse volk op mij legt? |
|
NM 11:12 Heb ik dit gehele volk ontvangen of heb ik het gebaard, dat
Gij tot mij zoudt kunnen zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een
voedstervader een zuigeling draagt, naar het land dat Gij aan zijn vaderen
onder ede beloofd hebt? |
12 Have I conceived all this people? have I begotten them, that thou
shouldest say unto me, Carry them in thy bosom, as a nursing father
beareth the sucking child, unto the land which thou swarest unto their
fathers? |
12 Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat Gij tot
mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader den
zuigeling draagt, tot dat land, hetwelk Gij hun vaderen gezworen hebt? |
|
NM 11:13 Vanwaar zou ik het vlees halen om aan dit gehele volk te
geven? want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees te eten! |
13 Whence should I have flesh to give unto all this people? for they
weep unto me, saying, Give us flesh, that we may eat. |
13 Van waar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij
wenen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten! |
|
NM 11:14 Ik alleen kan de zorg voor dit gehele volk niet dragen: dat is
mij te zwaar. |
14 I am not able to bear all this people alone, because [it is] too
heavy for me. |
14 Ik alleen kan al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar! |
|
NM 11:15 Wilt Gij zó met mij handelen, dood mij dan liever, indien ik
genade heb gevonden in uw ogen, opdat ik mijn ongeluk niet behoef aan te
zien. |
15 And if thou deal thus with me, kill me, I pray thee, out of hand, if
I have found favour in thy sight; and let me not see my wretchedness. |
15 En indien Gij alzo aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik
genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien! |
|
NM 11:16 Toen zeide de HERE tot Mozes: Vergader Mij uit de oudsten van
Israël zeventig mannen, van wie gij weet, dat zij oudsten en opzieners
van het volk zijn, en breng hen naar de tent der samenkomst, opdat zij
zich daar bij u opstellen. |
16 And the LORD said unto Moses, Gather unto me seventy men of the
elders of Israel, whom thou knowest to be the elders of the people, and
officers over them; and bring them unto the tabernacle of the
congregation, that they may stand there with thee. |
16 En de HEERE zeide tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de
oudsten van Israel, dewelke gij weet, dat zij de oudsten des volks en
deszelfs ambtlieden zijn; en gij zult hen brengen voor de tent der
samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen. |
|
NM 11:17 Dan zal Ik nederdalen en daar met u spreken en een deel van de
Geest die op u is, nemen en op hen leggen, opdat zij met u de last van het
volk dragen, en gij die niet alleen behoeft te dragen. |
17 And I will come down and talk with thee there: and I will take of
the spirit which [is] upon thee, and will put [it] upon them; and they
shall bear the burden of the people with thee, that thou bear [it] not
thyself alone. |
17 Zo zal Ik afkomen en met u aldaar spreken; en van den Geest, die op
u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u den last
van dit volk dragen, opdat gij [dien] alleen niet draagt. |
|
NM 11:18 Maar tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, dan
zult gij vlees eten; gij hebt immers ten aanhoren des HEREN gejammerd: Wie
zal ons vlees te eten geven? wij hadden het zo goed in Egypte. - De HERE
zal u vlees geven en gij zult eten. |
18 And say thou unto the people, Sanctify yourselves against to morrow,
and ye shall eat flesh: for ye have wept in the ears of the LORD, saying,
Who shall give us flesh to eat? for [it was] well with us in Egypt:
therefore the LORD will give you flesh, and ye shall eat. |
18 En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, en gij zult
vlees eten; want gij hebt voor de oren des HEEREN geweend, zeggende: Wie
zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal
de HEERE u vlees geven, en gij zult eten. |
|
NM 11:19 Gij zult het niet één dag eten en geen twee dagen, geen vijf
dagen, geen tien dagen en geen twintig dagen, |
19 Ye shall not eat one day, nor two days, nor five days, neither ten
days, nor twenty days; |
19 Gij zult niet een dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch
tien dagen, noch twintig dagen; |
|
NM 11:20 maar een volle maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij
ervan walgt - omdat gij de HERE hebt veracht, die in uw midden is en aldus
voor zijn aangezicht hebt gejammerd: Waarom toch zijn wij uit Egypte
getrokken? |
20 [But] even a whole month, until it come out at your nostrils, and it
be loathsome unto you: because that ye have despised the LORD which [is]
among you, and have wept before him, saying, Why came we forth out of
Egypt? |
20 Tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot
walging zij; overmits gij den HEERE, Die in het midden van u is, verworpen
hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij
uit Egypte getogen? |
|
NM 11:21 Doch Mozes zeide: Zeshonderdduizend man te voet bedraagt dit
volk, in welks midden ik ben, en Gij zegt: Vlees zal Ik hun geven, en een
volle maand zullen zij het eten! |
21 And Moses said, The people, among whom I [am], [are] six hundred
thousand footmen; and thou hast said, I will give them flesh, that they
may eat a whole month. |
21 En Mozes zeide: Zeshonderd duizend te voet is dit volk, in welks
midden ik ben; en Gij hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen
een gehele maand eten! |
|
NM 11:22 Kunnen er zoveel schapen en runderen voor hen geslacht worden,
dat zij er genoeg aan hebben? Of kunnen alle vissen uit de zee voor hen
gevangen worden, dat zij er genoeg aan hebben? |
22 Shall the flocks and the herds be slain for them, to suffice them?
or shall all the fish of the sea be gathered together for them, to suffice
them? |
22 Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor
hen genoeg zij? zullen al de vissen der zee voor hen verzameld worden, dat
voor hen genoeg zij? |
|
NM 11:23 De HERE echter zeide tot Mozes: Zou de hand des HEREN te kort
zijn? Nu zult gij zien, of mijn woord aan u geschieden zal of niet! |
23 And the LORD said unto Moses, Is the LORD'S hand waxed short? thou
shalt see now whether my word shall come to pass unto thee or not. |
23 Doch de HEERE zeide tot Mozes: Zou dan des HEEREN hand verkort zijn?
Gij zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet. |
|
NM 11:24 Toen Mozes naar buiten was gekomen, sprak hij de woorden des
HEREN tot het volk; daarop vergaderde hij zeventig mannen uit de oudsten
van het volk en stelde hen rondom de tent. |
24 And Moses went out, and told the people the words of the LORD, and
gathered the seventy men of the elders of the people, and set them round
about the tabernacle. |
24 En Mozes ging uit, en sprak de woorden des HEEREN tot het volk; en
hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten des volks, en stelde hen
rondom de tent. |
|
NM 11:25 Toen daalde de HERE in de wolk neder en sprak tot hem, en Hij
nam een deel van de Geest die op hem was, en legde dat op de zeventig
mannen, op de oudsten; toen de Geest op hen rustte, profeteerden zij, doch
daarna niet meer. |
25 And the LORD came down in a cloud, and spake unto him, and took of
the spirit that [was] upon him, and gave [it] unto the seventy elders: and
it came to pass, [that], when the spirit rested upon them, they
prophesied, and did not cease. |
25 Toen kwam de HEERE af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende
van den Geest, die op hem was, legde [Hem] op de zeventig mannen, die
oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij
profeteerden, maar daarna niet meer. |
|
NM 11:26 Twee mannen nu waren in de legerplaats achtergebleven; de een
heette Eldad, en de ander Medad. Toen de Geest op hen rustte - zij
behoorden tot de opgeschrevenen, maar waren niet naar de tent gegaan -
profeteerden zij in de legerplaats. |
26 But there remained two [of the] men in the camp, the name of the one
[was] Eldad, and the name of the other Medad: and the spirit rested upon
them; and they [were] of them that were written, but went not out unto the
tabernacle: and they prophesied in the camp. |
26 Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was
Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij
waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan
waren), en zij profeteerden in het leger. |
|
NM 11:27 Een jongeman snelde daarop heen en bracht Mozes bericht en
zeide: Eldad en Medad zijn aan het profeteren in de legerplaats. |
27 And there ran a young man, and told Moses, and said, Eldad and Medad
do prophesy in the camp. |
27 Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zeide: Eldad
en Medad profeteren in het leger. |
|
NM 11:28 Jozua nu, de zoon van Nun, die van jongs af Mozes' dienaar was
geweest, antwoordde daarop en zeide: Mijn heer Mozes, belet het hun. |
28 And Joshua the son of Nun, the servant of Moses, [one] of his young
men, answered and said, My lord Moses, forbid them. |
28 En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn
uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied hun! |
|
NM 11:29 Doch Mozes zeide tot hem: Wilt gij voor mij ijveren? och, ware
het gehele volk des HEREN profeten, doordat de HERE zijn Geest op hen
gave! |
29 And Moses said unto him, Enviest thou for my sake? would God that
all the LORD'S people were prophets, [and] that the LORD would put his
spirit upon them! |
29 Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och of al dat
volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave! |
|
NM 11:30 Daarop trok Mozes zich in de legerplaats terug, vergezeld van
de oudsten van Israël. |
30 And Moses gat him into the camp, he and the elders of Israel. |
30 Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van
Israel. |
|
NM 11:31 Toen stak er een wind op, door de HERE gezonden; die voerde
kwakkels aan van de zee en strooide ze uit over de legerplaats, zodat zij
een dagreis ver naar alle kanten rondom de legerplaats lagen, ongeveer
twee ellen hoog boven de grond. |
31 And there went forth a wind from the LORD, and brought quails from
the sea, and let [them] fall by the camp, as it were a day's journey on
this side, and as it were a day's journey on the other side, round about
the camp, and as it were two cubits [high] upon the face of the earth. |
31 Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkelen van de
zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize, en omtrent een
dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen
boven de aarde. |
|
NM 11:32 Toen maakte het volk zich op, die gehele dag en de gehele
nacht en de gehele volgende dag, en verzamelde de kwakkels - die het minst
had, verzamelde tien homer - en zij spreidden deze wijd uit, rondom de
legerplaats. |
32 And the people stood up all that day, and all [that] night, and all
the next day, and they gathered the quails: he that gathered least
gathered ten homers: and they spread [them] all abroad for themselves
round about the camp. |
32 Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen
nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het
minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van
elkander rondom het leger. |
|
NM 11:33 Terwijl het vlees nog tussen hun tanden was, vóórdat het
gekauwd was, ontbrandde de toorn des HEREN tegen het volk en de HERE sloeg
het volk met een zeer zware slag. |
33 And while the flesh [was] yet between their teeth, ere it was
chewed, the wrath of the LORD was kindled against the people, and the LORD
smote the people with a very great plague. |
33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak
de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een
zeer grote plaag. |
|
NM 11:34 Daarom gaf men aan die plaats de naam Kibrot-Hattaäwa, omdat
men daar het gulzige volk begraven had. |
34 And he called the name of that place Kibrothhattaavah: because there
they buried the people that lusted. |
34 Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar
begroeven zij het volk, dat belust was geweest. |
|
NM 11:35 Uit Kibrot-Hattaäwa brak het volk op naar Chaserot en zij
bleven te Chaserot. |
35 [And] the people journeyed from Kibrothhattaavah unto Hazeroth; and
abode at Hazeroth. |
35 Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven
in Hazeroth. |
|
NM 12:1 Mirjam nu sprak met Aäron over Mozes naar aanleiding van de
Ethiopische vrouw, die hij genomen had, want hij had een Ethiopische vrouw
genomen, |
1 And Miriam and Aaron spake against Moses because of the Ethiopian
woman whom he had married: for he had married an Ethiopian woman. |
1 Mirjam nu sprak, en Aaron, tegen Mozes, ter oorzake der vrouw, der
Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter
vrouw genomen. |
|
NM 12:2 en zij zeiden: Heeft de HERE soms uitsluitend door Mozes
gesproken, heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HERE hoorde het. |
2 And they said, Hath the LORD indeed spoken only by Moses? hath he not
spoken also by us? And the LORD heard [it]. |
2 En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken?
Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het! |
|
NM 12:3 Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer dan enig mens op de
aardbodem. |
3 (Now the man Moses [was] very meek, above all the men which [were]
upon the face of the earth.) |
3 Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op
den aardbodem waren. |
|
NM 12:4 Toen zeide de HERE onverwijld tot Mozes, Aäron en Mirjam: Gaat
met uw drieën uit naar de tent der samenkomst. Daarop gingen zij met hun
drieën uit. |
4 And the LORD spake suddenly unto Moses, and unto Aaron, and unto
Miriam, Come out ye three unto the tabernacle of the congregation. And
they three came out. |
4 Toen sprak de HEERE haastelijk tot Mozes, en tot Aaron, en tot
Mirjam: Gij drie, komt uit tot de tent der samenkomst! En zij drie kwamen
uit. |
|
NM 12:5 Toen daalde de HERE neder in de wolkkolom, stelde Zich in de
ingang der tent, en riep Aäron en Mirjam; en zij traden beiden naar
voren. |
5 And the LORD came down in the pillar of the cloud, and stood [in] the
door of the tabernacle, and called Aaron and Miriam: and they both came
forth. |
5 Toen kwam de HEERE af in de wolkkolom, en stond aan de deur der tent;
daarna riep Hij Aaron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit. |
|
NM 12:6 Toen zeide Hij: Hoort nu mijn woorden. Indien onder u een
profeet is, dan maak Ik, de HERE, Mij in een gezicht aan hem bekend, in
een droom spreek Ik met hem. |
6 And he said, Hear now my words: If there be a prophet among you, [I]
the LORD will make myself known unto him in a vision, [and] will speak
unto him in a dream. |
6 En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet [onder] u is,
Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een
droom zal Ik met hem spreken. |
|
NM 12:7 Niet aldus met mijn knecht Mozes, vertrouwd als hij is in
geheel mijn huis. |
7 My servant Moses [is] not so, who [is] faithful in all mine house. |
7 Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is. |
|
NM 12:8 Van mond tot mond spreek Ik met hem, duidelijk en niet in
raadselen, maar hij aanschouwt de gestalte des HEREN. Waarom hebt gij u
dan niet ontzien tegen mijn knecht Mozes te spreken? |
8 With him will I speak mouth to mouth, even apparently, and not in
dark speeches; and the similitude of the LORD shall he behold: wherefore
then were ye not afraid to speak against my servant Moses? |
8 [Van] mond tot mond spreek Ik met hem, en [door] aanzien, en niet
door duistere woorden; en de gelijkenis des HEEREN aanschouwt hij; waarom
dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te
spreken? |
|
NM 12:9 Daarom ontbrandde de toorn des HEREN tegen hen en Hij ging
heen. |
9 And the anger of the LORD was kindled against them; and he departed. |
9 Zo ontstak des HEEREN toorn tegen hen, en Hij ging weg. |
|
NM 12:10 Toen nu de wolk van boven de tent geweken was, zie, Mirjam was
melaats als sneeuw; toen Aäron zich tot Mirjam omwendde, ziedaar een
melaatse! |
10 And the cloud departed from off the tabernacle; and, behold, Miriam
[became] leprous, [white] as snow: and Aaron looked upon Miriam, and,
behold, [she was] leprous. |
10 En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats,
[wit] als de sneeuw. En Aaron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats. |
|
NM 12:11 Toen zeide Aäron tot Mozes: Ach mijn heer, reken ons toch de
zonde niet toe, die wij in onze dwaasheid begaan hebben. |
11 And Aaron said unto Moses, Alas, my lord, I beseech thee, lay not
the sin upon us, wherein we have done foolishly, and wherein we have
sinned. |
11 Daarom zeide Aaron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons
de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben! |
|
NM 12:12 Laat haar toch niet zijn als een doodgeborene, wiens vlees
reeds half vergaan is, wanneer hij uit de schoot zijner moeder komt. |
12 Let her not be as one dead, of whom the flesh is half consumed when
he cometh out of his mother's womb. |
12 Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit
zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is! |
|
NM 12:13 En Mozes riep tot de HERE: O God, genees haar toch. |
13 And Moses cried unto the LORD, saying, Heal her now, O God, I
beseech thee. |
13 Mozes dan riep tot den HEERE, zeggende: O God! heel haar toch! |
|
NM 12:14 Daarop zeide de HERE tot Mozes: Had haar vader haar openlijk
in het gezicht gespuwd, zou zij dan niet gedurende zeven dagen te schande
zijn? Laat haar gedurende zeven dagen buiten de legerplaats gesloten
worden, en daarna mag zij zich er weer bijvoegen. |
14 And the LORD said unto Moses, If her father had but spit in her
face, should she not be ashamed seven days? let her be shut out from the
camp seven days, and after that let her be received in [again]. |
14 En de HEERE zeide tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar
aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat
haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! |
|
NM 12:15 Daarop werd Mirjam zeven dagen buiten de legerplaats gesloten;
en het volk brak niet op, vóórdat Mirjam zich bij hen gevoegd had. |
15 And Miriam was shut out from the camp seven days: and the people
journeyed not till Miriam was brought in [again]. |
15 Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk
verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd. |
|
NM 12:16 Toen brak het volk op uit Chaserot en legerde zich in de
woestijn Paran. |
16 And afterward the people removed from Hazeroth, and pitched in the
wilderness of Paran. |
16 Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in
de woestijn van Paran. |
|
NM 13:1 De HERE sprak tot Mozes: |
1 And the LORD spake unto Moses, saying, |
1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
|
NM 13:2 Zend mannen uit om het land Kanaän te verspieden, dat Ik de
Israëlieten geven zal; telkens één man zult gij zenden als
vertegenwoordiger van de stam zijner vaderen: allen vorsten onder hen. |
2 Send thou men, that they may search the land of Canaan, which I give
unto the children of Israel: of every tribe of their fathers shall ye send
a man, every one a ruler among them. |
2 Zend u mannen uit: die het land Kanaan verspieden, hetwelk Ik den
kinderen Israels geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden
een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. |
|
NM 13:3 Toen zond Mozes hen heen uit de woestijn Paran, naar het bevel
des HEREN; al die mannen waren hoofden der Israëlieten. |
3 And Moses by the commandment of the LORD sent them from the
wilderness of Paran: all those men [were] heads of the children of Israel. |
3 Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des
HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels. |
|
NM 13:4 En dit zijn hun namen: van de stam Ruben Sammua, de zoon van
Zakkur; |
4 And these [were] their names: of the tribe of Reuben, Shammua the son
of Zaccur. |
4 En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van
Zaccur. |
|
NM 13:5 van de stam Simeon Safat, de zoon van Chori; |
5 Of the tribe of Simeon, Shaphat the son of Hori. |
5 Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori. |
|
NM 13:6 van de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne; |
6 Of the tribe of Judah, Caleb the son of Jephunneh. |
6 Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne. |
|
NM 13:7 van de stam Issakar Jigal, de zoon van Josef; |
7 Of the tribe of Issachar, Igal the son of Joseph. |
7 Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef. |
|
NM 13:8 van de stam Efraïm Hosea, de zoon van Nun; |
8 Of the tribe of Ephraim, Oshea the son of Nun. |
8 Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun. |
|
NM 13:9 van de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafu; |
9 Of the tribe of Benjamin, Palti the son of Raphu. |
9 Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu. |
|
NM 13:10 van de stam Zebulon Gaddiël, de zoon van Sodi; |
10 Of the tribe of Zebulun, Gaddiel the son of Sodi. |
10 Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi. |
|
NM 13:11 van de stam Jozef, van de stam Manasse Gaddi, de zoon van
Susi; |
11 Of the tribe of Joseph, [namely], of the tribe of Manasseh, Gaddi
the son of Susi. |
11 Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van
Susi. |
|
NM 13:12 van de stam Dan Ammiël, de zoon van Gemalli; |
12 Of the tribe of Dan, Ammiel the son of Gemalli. |
12 Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli. |
|
NM 13:13 van de stam Aser Setur, de zoon van Michaël; |
13 Of the tribe of Asher, Sethur the son of Michael. |
13 Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael. |
|
NM 13:14 van de stam Naftali Nachbi, de zoon van Wofsi; |
14 Of the tribe of Naphtali, Nahbi the son of Vophsi. |
14 Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi. |
|
NM 13:15 van de stam Gad Geüel, de zoon van Maki. |
15 Of the tribe of Gad, Geuel the son of Machi. |
15 Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi. |
|
NM 13:16 Dit zijn de namen der mannen, die Mozes uitzond om het land te
verspieden; en Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua. |
16 These [are] the names of the men which Moses sent to spy out the
land. And Moses called Oshea the son of Nun Jehoshua. |
16 Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te
verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua. |
|
NM 13:17 Mozes dan zond hen uit om het land Kanaän te verspieden en
zeide tot hen: Trekt hier het Zuiderland in en trekt op naar het bergland, |
17 And Moses sent them to spy out the land of Canaan, and said unto
them, Get you up this [way] southward, and go up into the mountain: |
17 Mozes dan zond hen, om het land Kanaan te verspieden; en hij zeide
tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte; |
|
NM 13:18 en ziet, hoe het land is, en of het volk dat erin woont, sterk
is of zwak, klein of talrijk; |
18 And see the land, what it [is]; and the people that dwelleth
therein, whether they [be] strong or weak, few or many; |
18 En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont,
of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel; |
|
NM 13:19 en of het land, waarin het woont, goed is of slecht, hoe de
steden zijn, waarin het woont, of het in legerplaatsen woont dan wel in
vestingen, |
19 And what the land [is] that they dwell in, whether it [be] good or
bad; and what cities [they be] that they dwell in, whether in tents, or in
strong holds; |
19 En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of
kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in
legers, of in sterkten; |
|
NM 13:20 en of het land vet is of schraal, of er bomen op staan of
niet. Weest moedig en neemt van de vrucht des lands mede. Het was toen
juist de tijd der eerste druiven. |
20 And what the land [is], whether it [be] fat or lean, whether there
be wood therein, or not. And be ye of good courage, and bring of the fruit
of the land. Now the time [was] the time of the firstripe grapes. |
20 Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in
zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen
nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven. |
|
NM 13:21 Zij trokken op en verspiedden het land van de woestijn Sin af
tot aan Rechob toe, waar de weg naar Hamat begint. |
21 So they went up, and searched the land from the wilderness of Zin
unto Rehob, as men come to Hamath. |
21 Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af
tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath. |
|
NM 13:22 Toen zij door het Zuiderland optrokken, kwam men tot Hebron;
daar woonden Achiman, Sesai en Talmai, de kinderen van Enak. Hebron is
zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte. |
22 And they ascended by the south, and came unto Hebron; where Ahiman,
Sheshai, and Talmai, the children of Anak, [were]. (Now Hebron was built
seven years before Zoan in Egypt.) |
22 En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe en daar
waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven
jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. |
|
NM 13:23 Toen zij in het dal Eskol gekomen waren, sneden zij daar een
rank met één tros druiven af, die zij met hun tweeën aan een draagstok
droegen; ook enige granaatappelen en vijgen. |
23 And they came unto the brook of Eshcol, and cut down from thence a
branch with one cluster of grapes, and they bare it between two upon a
staff; and [they brought] of the pomegranates, and of the figs. |
23 Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af
met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeen, op een draagstok;
ook van de granaatappelen en van de vijgen. |
|
NM 13:24 Die plaats noemde men het dal Eskol wegens de druiventros, die
de Israëlieten daar afgesneden hadden. |
24 The place was called the brook Eshcol, because of the cluster of
grapes which the children of Israel cut down from thence. |
24 Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros,
dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden. |
|
NM 13:25 Na verloop van veertig dagen keerden zij terug van het
verspieden van het land; |
25 And they returned from searching of the land after forty days. |
25 Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van
veertig dagen. |
|
NM 13:26 zij gingen op weg en kwamen tot Mozes en Aäron en de gehele
vergadering der Israëlieten in Kades, in de woestijn Paran, en brachten
hun en de gehele vergadering bericht en toonden hun de vrucht van het
land. |
26 And they went and came to Moses, and to Aaron, and to all the
congregation of the children of Israel, unto the wilderness of Paran, to
Kadesh; and brought back word unto them, and unto all the congregation,
and shewed them the fruit of the land. |
26 En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aaron, en tot de
gehele vergadering der kinderen Israels, in de woestijn Paran, naar Kades;
en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en
lieten hen de vrucht des lands zien. |
|
NM 13:27 Zij verhaalden hem dan en zeiden: Wij kwamen in het land,
waarheen gij ons gezonden hadt, en ja, het vloeit van melk en honig, en
dit is zijn vrucht. |
27 And they told him, and said, We came unto the land whither thou
sentest us, and surely it floweth with milk and honey; and this [is] the
fruit of it. |
27 En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land,
waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig
vloeiende, en dit is zijn vrucht. |
|
NM 13:28 Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden
zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar; |
28 Nevertheless the people [be] strong that dwell in the land, and the
cities [are] walled, [and] very great: and moreover we saw the children of
Anak there. |
28 Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de
steden zijn vast, [en] zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van
Enak gezien. |
|
NM 13:29 Amalek woont in het Zuiderland, de Hethieten, Jebusieten en
Amorieten wonen in het bergland, de Kanaänieten aan de zee en aan de
oever van de Jordaan. |
29 The Amalekites dwell in the land of the south: and the Hittites, and
the Jebusites, and the Amorites, dwell in the mountains: and the
Canaanites dwell by the sea, and by the coast of Jordan. |
29 De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten,
en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaanieten
wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan. |
|
NM 13:30 Daarop trachtte Kaleb het volk tot bedaren te brengen
tegenover Mozes en zeide: Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen,
want wij zullen het zeker kunnen vermeesteren. |
30 And Caleb stilled the people before Moses, and said, Let us go up at
once, and possess it; for we are well able to overcome it. |
30 Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig
optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker
overweldigen! |
|
NM 13:31 Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij
zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. |
31 But the men that went up with him said, We be not able to go up
against the people; for they [are] stronger than we. |
31 Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen
tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. |
|
NM 13:32 Ook verspreidden zij onder de Israëlieten een kwaad gerucht
omtrent het land dat zij verspied hadden, door te zeggen: Het land dat wij
zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners
verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote
lengte. |
32 And they brought up an evil report of the land which they had
searched unto the children of Israel, saying, The land, through which we
have gone to search it, [is] a land that eateth up the inhabitants
thereof; and all the people that we saw in it [are] men of a great
stature. |
32 Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij
verspied hadden, aan de kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk
wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners
verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien
hebben, zijn mannen van grote lengte. |
|
NM 13:33 Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen
behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun
ogen. |
33 And there we saw the giants, the sons of Anak, [which come] of the
giants: and we were in our own sight as grasshoppers, and so we were in
their sight. |
33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van
de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook
in hun ogen. |
|
NM 14:1 Toen verhief de gehele vergadering haar stem en het volk weende
in die nacht. |
1 And all the congregation lifted up their voice, and cried; and the
people wept that night. |
1 Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op,
en het volk weende in dienzelven nacht. |
|
NM 14:2 Al de Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron; en de gehele
vergadering zeide tot hen: Och, waren wij in het land Egypte gestorven, of
waren wij in deze woestijn gestorven! |
2 And all the children of Israel murmured against Moses and against
Aaron: and the whole congregation said unto them, Would God that we had
died in the land of Egypt! or would God we had died in this wilderness! |
2 En al de kinderen Israels murmureerden tegen Mozes en tegen Aaron; en
de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven
waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren! |
|
NM 14:3 Waarom toch brengt ons de HERE naar dit land, opdat wij door
het zwaard vallen, onze vrouwen en kinderen ten buit worden? Zou het voor
ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren? |
3 And wherefore hath the LORD brought us unto this land, to fall by the
sword, that our wives and our children should be a prey? were it not
better for us to return into Egypt? |
3 En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard
vallen, [en] onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons
niet goed zijn naar Egypte weder te keren? |
|
NM 14:4 En zij zeiden tot elkander: Laat ons een hoofd aanstellen en
naar Egypte terugkeren. |
4 And they said one to another, Let us make a captain, and let us
return into Egypt. |
4 En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en
wederkeren naar Egypte! |
|
NM 14:5 Toen wierpen Mozes en Aäron zich op hun aangezicht ten
aanschouwen van de gehele gemeente van de vergadering der Israëlieten. |
5 Then Moses and Aaron fell on their faces before all the assembly of
the congregation of the children of Israel. |
5 Toen vielen Mozes en Aaron op hun aangezichten, voor het aangezicht
van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israels. |
|
NM 14:6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die
behoorden tot degenen die het land verspied hadden, scheurden hun klederen |
6 And Joshua the son of Nun, and Caleb the son of Jephunneh, [which
were] of them that searched the land, rent their clothes: |
6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van
degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen. |
|
NM 14:7 en zeiden tot de gehele vergadering der Israëlieten: Het land
dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, dat land is buitengewoon
goed. |
7 And they spake unto all the company of the children of Israel,
saying, The land, which we passed through to search it, [is] an exceeding
good land. |
7 En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israels,
zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te
verspieden, is een uitermate goed land. |
|
NM 14:8 Indien de HERE welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in
dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honig. |
8 If the LORD delight in us, then he will bring us into this land, and
give it us; a land which floweth with milk and honey. |
8 Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat
land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is
vloeiende. |
|
NM 14:9 Alleen, weest dan niet opstandig tegen de HERE, en gij, vreest
het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is
van hen geweken, en de HERE is met ons; vreest hen niet. |
9 Only rebel not ye against the LORD, neither fear ye the people of the
land; for they [are] bread for us: their defence is departed from them,
and the LORD [is] with us: fear them not. |
9 Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig! en vreest gij niet het
volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken,
en de HEERE is met ons; vreest hen niet! |
|
NM 14:10 Toen zeide de gehele vergadering, dat men hen stenigen zou.
Maar de heerlijkheid des HEREN verscheen in de tent der samenkomst aan al
de Israëlieten. |
10 But all the congregation bade stone them with stones. And the glory
of the LORD appeared in the tabernacle of the congregation before all the
children of Israel. |
10 Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen
zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der
samenkomst, voor al de kinderen Israels. |
|
NM 14:11 En de HERE zeide tot Mozes: Hoelang zal dit volk Mij
versmaden, en hoelang zullen zij niet op Mij vertrouwen bij al de tekenen
die Ik in zijn midden gedaan heb? |
11 And the LORD said unto Moses, How long will this people provoke me?
and how long will it be ere they believe me, for all the signs which I
have shewed among them? |
11 En de HEERE zeide tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En
hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het
midden van hen gedaan heb? |
|
NM 14:12 Ik zal het met de pest slaan en het uitroeien, en u tot een
volk maken, groter en machtiger dan dit. |
12 I will smite them with the pestilence, and disinherit them, and will
make of thee a greater nation and mightier than they. |
12 Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal
u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is. |
|
NM 14:13 Maar Mozes zeide tot de HERE: Hoort Egypte het - Gij hebt
immers dit volk door uw kracht uit zijn midden doen optrekken - |
13 And Moses said unto the LORD, Then the Egyptians shall hear [it],
(for thou broughtest up this people in thy might from among them;) |
13 En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen;
want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen
optrekken; |
|
NM 14:14 dan zullen zij zeggen tot de inwoners van dit land, die
gehoord hebben, dat Gij, HERE, in het midden van dit volk zijt, dat Gij,
HERE, oog in oog U hebt laten zien, terwijl uw wolk boven hen staat en Gij
in de wolkkolom vóór hen henen gaat des daags en in de vuurkolom des
nachts - |
14 And they will tell [it] to the inhabitants of this land: [for] they
have heard that thou LORD [art] among this people, that thou LORD art seen
face to face, and [that] thy cloud standeth over them, and [that] thou
goest before them, by day time in a pillar of a cloud, and in a pillar of
fire by night. |
14 En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, [die] gehoord
hebben, dat Gij, HEERE! in het midden van dit volk zijt; dat Gij HEERE!
oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en Gij in een
wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags, en in een vuurkolom des
nachts. |
|
NM 14:15 zult Gij nu dit volk tot op de laatste man doden, dan zullen
de volken die van U bij geruchte hoorden, zeggen: |
15 Now [if] thou shalt kill [all] this people as one man, then the
nations which have heard the fame of thee will speak, saying, |
15 En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de
heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende: |
|
NM 14:16 Omdat de HERE dit volk niet kon brengen naar het land dat Hij
hun onder ede beloofd had, daarom heeft Hij hen in de woestijn omgebracht. |
16 Because the LORD was not able to bring this people into the land
which he sware unto them, therefore he hath slain them in the wilderness. |
16 Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij
hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn! |
|
NM 14:17 Nu dan, laat toch de kracht des HEREN zich groot betonen,
zoals Gij gesproken hebt: |
17 And now, I beseech thee, let the power of my Lord be great,
according as thou hast spoken, saying, |
17 Nu dan, laat toch de kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij
gesproken hebt, zeggende: |
|
NM 14:18 De HERE is lankmoedig en groot van goedertierenheid,
vergevende ongerechtigheid en overtreding, hoewel Hij zeker niet
ongestraft laat, maar de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de
kinderen, aan het derde en vierde geslacht. |
18 The LORD [is] longsuffering, and of great mercy, forgiving iniquity
and transgression, and by no means clearing [the guilty], visiting the
iniquity of the fathers upon the children unto the third and fourth
[generation]. |
18 De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de
ongerechtigheid en overtreding, die [den] [schuldige] geenszins onschuldig
houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het
derde en in het vierde [lid]. |
|
NM 14:19 Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk naar de grootheid
uwer goedertierenheid, gelijk Gij dit volk vergiffenis geschonken hebt van
Egypte af tot hier toe. |
19 Pardon, I beseech thee, the iniquity of this people according unto
the greatness of thy mercy, and as thou hast forgiven this people, from
Egypt even until now. |
19 Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer
goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot
hiertoe, vergeven hebt! |
|
NM 14:20 En de HERE zeide: Op uw bede schenk Ik vergeving. |
20 And the LORD said, I have pardoned according to thy word: |
20 En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord. |
|
NM 14:21 Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid des HEREN de ganse
aarde vervullen zal: |
21 But [as] truly [as] I live, all the earth shall be filled with the
glory of the LORD. |
21 Doch zekerlijk, [zo] [waarachtig] [als] Ik leef, zo zal de ganse
aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden! |
|
NM 14:22 Geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben, en de
tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu reeds
tienmaal verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben, |
22 Because all those men which have seen my glory, and my miracles,
which I did in Egypt and in the wilderness, and have tempted me now these
ten times, and have not hearkened to my voice; |
22 Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn
tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal
verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest; |
|
NM 14:23 zal het land zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd
heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien. |
23 Surely they shall not see the land which I sware unto their fathers,
neither shall any of them that provoked me see it: |
23 Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien
zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! |
|
NM 14:24 Doch omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is
en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal Ik hem naar het land brengen, waar
hij heen geweest is, en zijn nakomelingschap zal het bezitten. |
24 But my servant Caleb, because he had another spirit with him, and
hath followed me fully, him will I bring into the land whereinto he went;
and his seed shall possess it. |
24 Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is,
en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land,
in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. |
|
NM 14:25 De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen in de Laagvlakte.
Wendt u morgen om en trekt op naar de woestijn in de richting van de
Schelfzee. |
25 (Now the Amalekites and the Canaanites dwelt in the valley.) To
morrow turn you, and get you into the wilderness by the way of the Red
sea. |
25 De Amalekieten nu en de Kanaanieten wonen in het dal; wendt u
morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee. |
|
NM 14:26 Verder sprak de HERE tot Mozes en Aäron: |
26 And the LORD spake unto Moses and unto Aaron, saying, |
26 Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende: |
|
NM 14:27 Hoelang zal het duren dat deze boze vergadering tegen Mij
blijft morren? Het gemor, dat de Israëlieten tegen Mij uiten, heb Ik
gehoord. |
27 How long [shall I bear with] this evil congregation, which murmur
against me? I have heard the murmurings of the children of Israel, which
they murmur against me. |
27 Hoe lang zal [Ik] bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn
murmurerende? Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israels,
waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende. |
|
NM 14:28 Zeg tot hen: Zowaar Ik leef, luidt het woord des HEREN, Ik zal
zeker met u doen gelijk gij te mijnen aanhoren gesproken hebt! |
28 Say unto them, [As truly as] I live, saith the LORD, as ye have
spoken in mine ears, so will I do to you: |
28 Zeg tot hen: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef, spreekt de HEERE,
indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt! |
|
NM 14:29 In deze woestijn zullen uw lijken vallen, namelijk zovelen als
er van u geteld zijn, naar uw volle getal, van twintig jaar oud en
daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt. |
29 Your carcases shall fall in this wilderness; and all that were
numbered of you, according to your whole number, from twenty years old and
upward, which have murmured against me, |
29 Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden,
naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen
Mij gemurmureerd hebt. |
|
NM 14:30 Voorwaar, gij zult niet komen in het land, waarvan Ik gezworen
heb u daarin te doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua,
de zoon van Nun! |
30 Doubtless ye shall not come into the land, [concerning] which I
sware to make you dwell therein, save Caleb the son of Jephunneh, and
Joshua the son of Nun. |
30 Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb,
dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en
Jozua, de zoon van Nun. |
|
NM 14:31 En uw kinderen, van welke gij gezegd hebt: Die zullen tot een
buit zijn - hen zal Ik er brengen, opdat zij het land leren kennen, dat
gij veracht hebt. |
31 But your little ones, which ye said should be a prey, them will I
bring in, and they shall know the land which ye have despised. |
31 En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden!
die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij
smadelijk verworpen hebt. |
|
NM 14:32 Maar wat u betreft, uw lijken zullen vallen in deze woestijn, |
32 But [as for] you, your carcases, they shall fall in this wilderness. |
32 Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen! |
|
NM 14:33 en uw zonen zullen veertig jaar lang in de woestijn
rondzwerven en uw overspelig gedrag boeten, totdat uw lijken alle in de
woestijn liggen. |
33 And your children shall wander in the wilderness forty years, and
bear your whoredoms, until your carcases be wasted in the wilderness. |
33 En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren,
en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in
deze woestijn. |
|
NM 14:34 Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land
verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar
lang boeten, voor elke dag één jaar, opdat gij weet wat het betekent,
als Ik Mij afkeer. |
34 After the number of the days in which ye searched the land, [even]
forty days, each day for a year, shall ye bear your iniquities, [even]
forty years, and ye shall know my breach of promise. |
34 Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt,
veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden
dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking. |
|
NM 14:35 Ik, de HERE, heb het gesproken. Ik zal dit zeker doen aan heel
deze boze vergadering, die tegen Mij samenspant. In deze woestijn zullen
zij hun einde vinden en daar zullen zij sterven. |
35 I the LORD have said, I will surely do it unto all this evil
congregation, that are gathered together against me: in this wilderness
they shall be consumed, and there they shall die. |
35 Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze
vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij
zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! |
|
NM 14:36 De mannen nu, die Mozes uitgezonden had om het land te
verspieden, en die, toen zij teruggekomen waren, de gehele vergadering
tegen hem hadden doen morren door een kwaad gerucht over het land te
verspreiden, |
36 And the men, which Moses sent to search the land, who returned, and
made all the congregation to murmur against him, by bringing up a slander
upon the land, |
36 En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en
wedergekomen zijnde, de ganse vergadering tegen hem hadden doen
murmureren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende; |
|
NM 14:37 deze mannen, die een kwaad gerucht over het land verspreid
hadden, stierven door een plaag voor het aangezicht des HEREN. |
37 Even those men that did bring up the evil report upon the land, died
by the plague before the LORD. |
37 Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht
hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des HEEREN. |
|
NM 14:38 Maar van die mannen die uitgegaan waren om het land te
verspieden, bleven Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne,
in leven. |
38 But Joshua the son of Nun, and Caleb the son of Jephunneh, [which
were] of the men that went to search the land, lived [still]. |
38 Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven
levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden. |
|
NM 14:39 Toen Mozes deze woorden tot al de Israëlieten gesproken had,
bedreef het volk zware rouw. |
39 And Moses told these sayings unto all the children of Israel: and
the people mourned greatly. |
39 En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israels. Toen treurde
het volk zeer. |
|
NM 14:40 En de volgende morgen vroeg wilden zij de bergtop beklimmen,
onder de uitroep: Ziet, wij trekken op naar de plaats, van welke de HERE
gesproken heeft, want wij hebben gezondigd. |
40 And they rose up early in the morning, and gat them up into the top
of the mountain, saying, Lo, we [be here], and will go up unto the place
which the LORD hath promised: for we have sinned. |
40 En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des
bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de
plaats, die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd! |
|
NM 14:41 Maar Mozes zeide: Waarom staat gij op het punt het bevel des
HEREN te overtreden? Dit zal toch niet gelukken. |
41 And Moses said, Wherefore now do ye transgress the commandment of
the LORD? but it shall not prosper. |
41 Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des HEEREN?
Want dat zal geen voorspoed hebben. |
|
NM 14:42 Trekt niet op, want de HERE is niet in uw midden - opdat gij
niet de nederlaag lijdt tegen uw vijanden, |
42 Go not up, for the LORD [is] not among you; that ye be not smitten
before your enemies. |
42 Trekt niet op, want de HEERE zal in het midden van u niet zijn;
opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden. |
|
NM 14:43 want de Amalekieten en de Kanaänieten zijn daar tegenover u,
en gij zult door het zwaard vallen, daarom dat gij u van de HERE hebt
afgekeerd, en de HERE zal niet met u zijn. |
43 For the Amalekites and the Canaanites [are] there before you, and ye
shall fall by the sword: because ye are turned away from the LORD,
therefore the LORD will not be with you. |
43 Want de Amalekieten, en de Kanaanieten zijn daar voor uw aangezicht,
en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van
den HEERE, zo zal de HEERE met u ni |