Numeri

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36

NED. BIJBELGENOOTSCHAP 1951

KING JAMES VERSION 1611

STATENBIJBEL 1637

NM 1:1 De HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in de tent der samenkomst, op de eerste dag der tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte:

1 And the LORD spake unto Moses in the wilderness of Sinai, in the tabernacle of the congregation, on the first [day] of the second month, in the second year after they were come out of the land of Egypt, saying,

1 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, in de woestijn van Sinai, in de tent der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende:

NM 1:2 Neemt het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, allen die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd,

2 Take ye the sum of all the congregation of the children of Israel, after their families, by the house of their fathers, with the number of [their] names, every male by their polls;

2 Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.

NM 1:3 van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukken in Israël; gij zult hen tellen naar hun legerscharen, gij en Aäron.

3 From twenty years old and upward, all that are able to go forth to war in Israel: thou and Aaron shall number them by their armies.

3 Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron.

NM 1:4 Daarbij zal u uit elke stam één man behulpzaam zijn, de man, die het hoofd is van zijn families.

4 And with you there shall be a man of every tribe; every one head of the house of his fathers.

4 En met ulieden zullen zijn van elken stam een man, die een hoofdman is over het huis zijner vaderen.

NM 1:5 En dit zijn de namen der mannen die u ter zijde zullen staan: van Ruben Elisur, de zoon van Sedeür;

5 And these [are] the names of the men that shall stand with you: of [the tribe of] Reuben; Elizur the son of Shedeur.

5 Deze zijn nu de namen der mannen, die bij u staan zullen: van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur.

NM 1:6 van Simeon Selumiël, de zoon van Surisaddai;

6 Of Simeon; Shelumiel the son of Zurishaddai.

6 Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

NM 1:7 van Juda Nachson, de zoon van Amminadab;

7 Of Judah; Nahshon the son of Amminadab.

7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.

NM 1:8 van Issakar Netanel, de zoon van Suar;

8 Of Issachar; Nethaneel the son of Zuar.

8 Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.

NM 1:9 van Zebulon Eliab, de zoon van Chelon;

9 Of Zebulun; Eliab the son of Helon.

9 Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

NM 1:10 van de zonen van Jozef: van Efraïm Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse Gamliël, de zoon van Pedasur;

10 Of the children of Joseph: of Ephraim; Elishama the son of Ammihud: of Manasseh; Gamaliel the son of Pedahzur.

10 Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.

NM 1:11 van Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni;

11 Of Benjamin; Abidan the son of Gideoni.

11 Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.

NM 1:12 van Dan Achiëzer, de zoon van Ammisaddai;

12 Of Dan; Ahiezer the son of Ammishaddai.

12 Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.

NM 1:13 van Aser Pagiël, de zoon van Okran;

13 Of Asher; Pagiel the son of Ocran.

13 Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.

NM 1:14 van Gad Eljasaf, de zoon van Reüel;

14 Of Gad; Eliasaph the son of Deuel.

14 Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.

NM 1:15 van Naftali Achira, de zoon van Enan.

15 Of Naphtali; Ahira the son of Enan.

15 Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.

NM 1:16 Dit zijn degenen die uit de vergadering moeten worden opgeroepen, vorsten van de stammen hunner vaderen; hoofden van Israëls geslachten zijn zij.

16 These [were] the renowned of the congregation, princes of the tribes of their fathers, heads of thousands in Israel.

16 Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel.

NM 1:17 Toen namen Mozes en Aäron deze met name aangewezen mannen,

17 And Moses and Aaron took these men which are expressed by [their] names:

17 Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welken met namen uitgedrukt zijn.

NM 1:18 en zij riepen op de eerste dag der tweede maand de gehele vergadering samen, die zich opstelde volgens geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, hoofd voor hoofd,

18 And they assembled all the congregation together on the first [day] of the second month, and they declared their pedigrees after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, by their polls.

18 En zij verzamelden de gehele vergadering, op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van die twintig jaren oud was en daarboven, hoofd voor hoofd.

NM 1:19 zoals de HERE Mozes geboden had. En hij telde hen in de woestijn Sinai.

19 As the LORD commanded Moses, so he numbered them in the wilderness of Sinai.

19 Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinai.

NM 1:20 De zonen nu van Ruben, Israëls eerstgeborene, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd, allen die van het mannelijk geslacht waren, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

20 And the children of Reuben, Israel's eldest son, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, by their polls, every male from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

20 Zo waren de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;

NM 1:21 de getelden van de stam Ruben waren zesenveertigduizend vijfhonderd.

21 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Reuben, [were] forty and six thousand and five hundred.

21 Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

NM 1:22 Van de zonen van Simeon, hun nakomelingen naar hun geslachten en families overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd, allen die van het mannelijk geslacht waren, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

22 Of the children of Simeon, by their generations, after their families, by the house of their fathers, those that were numbered of them, according to the number of the names, by their polls, every male from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

22 Van de zonen van Simeon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;

NM 1:23 de getelden van de stam Simeon waren negenenvijftigduizend driehonderd.

23 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Simeon, [were] fifty and nine thousand and three hundred.

23 Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

NM 1:24 Van de zonen van Gad, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

24 Of the children of Gad, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

24 Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.

NM 1:25 de getelden van de stam Gad waren vijfenveertigduizend zeshonderd vijftig.

25 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Gad, [were] forty and five thousand six hundred and fifty.

25 Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

NM 1:26 Van de zonen van Juda, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

26 Of the children of Judah, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

26 Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:27 de getelden van de stam Juda waren vierenzeventigduizend zeshonderd.

27 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Judah, [were] threescore and fourteen thousand and six hundred.

27 Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

NM 1:28 Van de zonen van Issakar, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

28 Of the children of Issachar, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

28 Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:29 de getelden van de stam Issakar waren vierenvijftigduizend vierhonderd.

29 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Issachar, [were] fifty and four thousand and four hundred.

29 Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.

NM 1:30 Van de zonen van Zebulon, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

30 Of the children of Zebulun, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

30 Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:31 de getelden van de stam Zebulon waren zevenenvijftigduizend vierhonderd.

31 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Zebulun, [were] fifty and seven thousand and four hundred.

31 Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

NM 1:32 Van de zonen van Jozef, van de zonen van Efraïm, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

32 Of the children of Joseph, [namely], of the children of Ephraim, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

32 Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:33 de getelden van de stam Efraïm waren veertigduizend vijfhonderd;

33 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Ephraim, [were] forty thousand and five hundred.

33 Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;

NM 1:34 van de zonen van Manasse, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

34 Of the children of Manasseh, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

34 Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:35 de getelden van de stam Manasse waren tweeëndertigduizend tweehonderd.

35 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Manasseh, [were] thirty and two thousand and two hundred.

35 Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

NM 1:36 Van de zonen van Benjamin, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

36 Of the children of Benjamin, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

36 Van de zonen van Benjamin, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:37 de getelden van de stam Benjamin waren vijfendertigduizend vierhonderd.

37 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Benjamin, [were] thirty and five thousand and four hundred.

37 Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.

NM 1:38 Van de zonen van Dan, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

38 Of the children of Dan, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

38 Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:39 de getelden van de stam Dan waren tweeënzestigduizend zevenhonderd.

39 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Dan, [were] threescore and two thousand and seven hundred.

39 Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.

NM 1:40 Van de zonen van Aser, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

40 Of the children of Asher, by their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

40 Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:41 de getelden van de stam Aser waren eenenveertigduizend vijfhonderd.

41 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Asher, [were] forty and one thousand and five hundred.

41 Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.

NM 1:42 Van de zonen van Naftali, hun nakomelingen naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

42 Of the children of Naphtali, throughout their generations, after their families, by the house of their fathers, according to the number of the names, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war;

42 [Van] de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

NM 1:43 de getelden van de stam Naftali waren drieënvijftigduizend vierhonderd.

43 Those that were numbered of them, [even] of the tribe of Naphtali, [were] fifty and three thousand and four hundred.

43 Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.

NM 1:44 Dit zijn de getelden, die Mozes telde met Aäron en de vorsten Israëls, twaalf man; ieder vertegenwoordigde zijn families.

44 These [are] those that were numbered, which Moses and Aaron numbered, and the princes of Israel, [being] twelve men: each one was for the house of his fathers.

44 Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.

NM 1:45 Dus waren al de getelden der Israëlieten, naar hun families, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten in Israël,

45 So were all those that were numbered of the children of Israel, by the house of their fathers, from twenty years old and upward, all that were able to go forth to war in Israel;

45 Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,

NM 1:46 al de getelden waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig.

46 Even all they that were numbered were six hundred thousand and three thousand and five hundred and fifty.

46 Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

NM 1:47 Maar de Levieten naar de stam hunner vaderen werden niet samen met hen geteld.

47 But the Levites after the tribe of their fathers were not numbered among them.

47 Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld.

NM 1:48 De HERE had namelijk tot Mozes gesproken:

48 For the LORD had spoken unto Moses, saying,

48 Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:

NM 1:49 Slechts de stam Levi zult gij niet tellen, noch hun aantal onder de Israëlieten opnemen,

49 Only thou shalt not number the tribe of Levi, neither take the sum of them among the children of Israel:

49 Alleen de stam van Levi zult gij niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israel.

NM 1:50 maar stel gij de Levieten over de tabernakel der getuigenis en over al zijn gerei en over al zijn toebehoren; zij zullen de tabernakel en al zijn gerei dragen; zij zullen daarbij dienst doen en zich rondom de tabernakel legeren.

50 But thou shalt appoint the Levites over the tabernacle of testimony, and over all the vessels thereof, and over all things that [belong] to it: they shall bear the tabernacle, and all the vessels thereof; and they shall minister unto it, and shall encamp round about the tabernacle.

50 Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren.

NM 1:51 Wanneer de tabernakel moet opbreken, dan zullen de Levieten hem uit elkander nemen, en wanneer de tabernakel moet legeren, dan zullen de Levieten hem oprichten, maar de onbevoegde, die nadert, zal ter dood gebracht worden.

51 And when the tabernacle setteth forward, the Levites shall take it down: and when the tabernacle is to be pitched, the Levites shall set it up: and the stranger that cometh nigh shall be put to death.

51 En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden.

NM 1:52 Terwijl de Israëlieten zich zullen legeren, ieder bij zijn legerplaats en zijn vendel, naar hun legerscharen,

52 And the children of Israel shall pitch their tents, every man by his own camp, and every man by his own standard, throughout their hosts.

52 En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren.

NM 1:53 zullen de Levieten zich rondom de tabernakel der getuigenis legeren, opdat er geen toorn ruste op de vergadering der Israëlieten; de Levieten zullen zorg dragen voor de tabernakel der getuigenis.

53 But the Levites shall pitch round about the tabernacle of testimony, that there be no wrath upon the congregation of the children of Israel: and the Levites shall keep the charge of the tabernacle of testimony.

53 Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israels zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen.

NM 1:54 En de Israëlieten deden het; juist zoals de HERE Mozes geboden had, deden zij.

54 And the children of Israel did according to all that the LORD commanded Moses, so did they.

54 Zo deden de kinderen Israels; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij.

NM 2:1 De HERE sprak tot Mozes en Aäron:

1 And the LORD spake unto Moses and unto Aaron, saying,

1 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

NM 2:2 De Israëlieten zullen zich legeren ieder bij zijn vendel onder de veldtekenen van hun families; op een afstand zullen zij zich rondom de tent der samenkomst legeren.

2 Every man of the children of Israel shall pitch by his own standard, with the ensign of their father's house: far off about the tabernacle of the congregation shall they pitch.

2 De kinderen Israels zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de tent der samenkomst zullen zij zich legeren.

NM 2:3 Aan de oostzijde, aan de kant waar de zon opgaat, zal het vendel van de legerplaats van Juda zich legeren naar hun legerscharen. De vorst nu der zonen van Juda was Nachson, de zoon van Amminadab;

3 And on the east side toward the rising of the sun shall they of the standard of the camp of Judah pitch throughout their armies: and Nahshon the son of Amminadab [shall be] captain of the children of Judah.

3 Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.

NM 2:4 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg vierenzeventigduizend zeshonderd.

4 And his host, and those that were numbered of them, [were] threescore and fourteen thousand and six hundred.

4 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

NM 2:5 Naast hem zal de stam Issakar zich legeren. De vorst nu der zonen van Issakar was Netanel, de zoon van Suar;

5 And those that do pitch next unto him [shall be] the tribe of Issachar: and Nethaneel the son of Zuar [shall be] captain of the children of Issachar.

5 En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.

NM 2:6 en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond, bedroeg vierenvijftigduizend vierhonderd.

6 And his host, and those that were numbered thereof, [were] fifty and four thousand and four hundred.

6 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

NM 2:7 Voorts de stam Zebulon: de vorst nu der zonen van Zebulon was Eliab, de zoon van Chelon;

7 [Then] the tribe of Zebulun: and Eliab the son of Helon [shall be] captain of the children of Zebulun.

7 [Daartoe] de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.

NM 2:8 en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond, bedroeg zevenenvijftigduizend vierhonderd.

8 And his host, and those that were numbered thereof, [were] fifty and seven thousand and four hundred.

8 Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

NM 2:9 Al de getelden van de legerplaats van Juda waren honderdzesentachtigduizend vierhonderd naar hun legerscharen. Zij zullen het eerst opbreken.

9 All that were numbered in the camp of Judah [were] an hundred thousand and fourscore thousand and six thousand and four hundred, throughout their armies. These shall first set forth.

9 Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.

NM 2:10 Het vendel van de legerplaats van Ruben zal aan de zuidzijde zijn, naar hun legerscharen. De vorst nu der zonen van Ruben was Elisur, de zoon van Sedeür;

10 On the south side [shall be] the standard of the camp of Reuben according to their armies: and the captain of the children of Reuben [shall be] Elizur the son of Shedeur.

10 De banier des legers van Ruben, naar hun heiren, zal tegen het zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeur, zal de overste der zonen van Ruben zijn.

NM 2:11 en zijn leger, dat uit zijn getelden bestond, bedroeg zesenveertigduizend vijfhonderd.

11 And his host, and those that were numbered thereof, [were] forty and six thousand and five hundred.

11 Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

NM 2:12 Naast hem zal de stam Simeon zich legeren. De vorst nu der zonen van Simeon was Selumiël, de zoon van Surisaddai;

12 And those which pitch by him [shall be] the tribe of Simeon: and the captain of the children of Simeon [shall be] Shelumiel the son of Zurishaddai.

12 En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.

NM 2:13 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg negenenvijftigduizend driehonderd.

13 And his host, and those that were numbered of them, [were] fifty and nine thousand and three hundred.

13 Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

NM 2:14 Voorts de stam Gad: de vorst nu der zonen van Gad van Eljasaf, de zoon van Reüel;

14 Then the tribe of Gad: and the captain of the sons of Gad [shall be] Eliasaph the son of Reuel.

14 Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.

NM 2:15 en zijn leger dat uit hun getelden bestond, bedroeg vijfenveertigduizend zeshonderd vijftig.

15 And his host, and those that were numbered of them, [were] forty and five thousand and six hundred and fifty.

15 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

NM 2:16 Al de getelden van de legerplaats van Ruben waren honderdeenenvijftigduizend vierhonderd vijftig naar hun legerscharen. Zij zullen in de tweede plaats opbreken.

16 All that were numbered in the camp of Reuben [were] an hundred thousand and fifty and one thousand and four hundred and fifty, throughout their armies. And they shall set forth in the second rank.

16 Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.

NM 2:17 De tent der samenkomst nu, de legerplaats der Levieten, zal te midden van de legerplaatsen opbreken; zoals zij zich zullen legeren, zullen zij ook opbreken, ieder op zijn plaats naar hun vendels.

17 Then the tabernacle of the congregation shall set forward with the camp of the Levites in the midst of the camp: as they encamp, so shall they set forward, every man in his place by their standards.

17 Daarna zal de tent der samenkomst optrekken, met het leger der Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, alzo zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijn plaats, naar hun banieren.

NM 2:18 Het vendel van de legerplaats van Efraïm naar hun legerscharen zal aan de westzijde zijn. De vorst nu der zonen van Efraïm was Elisama, de zoon van Ammihud;

18 On the west side [shall be] the standard of the camp of Ephraim according to their armies: and the captain of the sons of Ephraim [shall be] Elishama the son of Ammihud.

18 De banier des legers van Efraim, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen van Efraim zijn.

NM 2:19 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg veertigduizend vijfhonderd.

19 And his host, and those that were numbered of them, [were] forty thousand and five hundred.

19 Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.

NM 2:20 Naast hem de stam Manasse: de vorst nu der zonen van Manasse was Gamliël, de zoon van Pedasur;

20 And by him [shall be] the tribe of Manasseh: and the captain of the children of Manasseh [shall be] Gamaliel the son of Pedahzur.

20 En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.

NM 2:21 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg tweeëndertigduizend tweehonderd.

21 And his host, and those that were numbered of them, [were] thirty and two thousand and two hundred.

21 Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

NM 2:22 Voorts de stam Benjamin: de vorst nu der zonen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gidoni;

22 Then the tribe of Benjamin: and the captain of the sons of Benjamin [shall be] Abidan the son of Gideoni.

22 Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.

NM 2:23 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg vijfendertigduizend vierhonderd.

23 And his host, and those that were numbered of them, [were] thirty and five thousand and four hundred.

23 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

NM 2:24 Al de getelden van de legerplaats van Efraïm waren honderdachtduizend éénhonderd, naar hun legerscharen. Zij zullen in de derde plaats opbreken.

24 All that were numbered of the camp of Ephraim [were] an hundred thousand and eight thousand and an hundred, throughout their armies. And they shall go forward in the third rank.

24 Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.

NM 2:25 Het vendel van de legerplaats van Dan zal aan de noordzijde zijn, naar hun legerscharen. De vorst nu der zonen van Dan was Achiëzer, de zoon van Ammisaddai;

25 The standard of the camp of Dan [shall be] on the north side by their armies: and the captain of the children of Dan [shall be] Ahiezer the son of Ammishaddai.

25 De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.

NM 2:26 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg tweeënzestigduizend zevenhonderd.

26 And his host, and those that were numbered of them, [were] threescore and two thousand and seven hundred.

26 Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.

NM 2:27 Naast hem zal de stam Aser zich legeren: de vorst nu der zonen van Aser was Pagiël, de zoon van Okran;

27 And those that encamp by him [shall be] the tribe of Asher: and the captain of the children of Asher [shall be] Pagiel the son of Ocran.

27 En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.

NM 2:28 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg eenenveertigduizend vijfhonderd.

28 And his host, and those that were numbered of them, [were] forty and one thousand and five hundred.

28 Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

NM 2:29 Voorts de stam Naftali: de vorst nu der zonen van Naftali was Achira, de zoon van Enan;

29 Then the tribe of Naphtali: and the captain of the children of Naphtali [shall be] Ahira the son of Enan.

29 Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.

NM 2:30 en zijn leger, dat uit hun getelden bestond, bedroeg drieënvijftigduizend vierhonderd.

30 And his host, and those that were numbered of them, [were] fifty and three thousand and four hundred.

30 Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

NM 2:31 Al de getelden van de legerplaats van Dan waren honderdzevenenvijftigduizend zeshonderd. Zij zullen naar hun vendels het laatst opbreken.

31 All they that were numbered in the camp of Dan [were] an hundred thousand and fifty and seven thousand and six hundred. They shall go hindmost with their standards.

31 Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.

NM 2:32 Dit waren de getelden der Israëlieten naar hun families; al de getelden der legerplaatsen naar hun legerscharen waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig.

32 These [are] those which were numbered of the children of Israel by the house of their fathers: all those that were numbered of the camps throughout their hosts [were] six hundred thousand and three thousand and five hundred and fifty.

32 Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

NM 2:33 De Levieten echter werden niet samen met de Israëlieten geteld, zoals de HERE Mozes geboden had.

33 But the Levites were not numbered among the children of Israel; as the LORD commanded Moses.

33 Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israel, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

NM 2:34 En de Israëlieten deden het; juist zoals de HERE Mozes geboden had, legerden zij zich naar hun vendels, en braken zij op, ieder naar zijn geslacht, bij zijn familie.

34 And the children of Israel did according to all that the LORD commanded Moses: so they pitched by their standards, and so they set forward, every one after their families, according to the house of their fathers.

34 En de kinderen Israels deden naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, een iegelijk naar zijn geslachten, naar het huis zijner vaderen.

NM 3:1 Dit nu waren de nakomelingen van Aäron en Mozes ten dage, dat de HERE met Mozes sprak op de berg Sinai.

1 These also [are] the generations of Aaron and Moses in the day [that] the LORD spake with Moses in mount Sinai.

1 Dit nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage [als] de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinai.

NM 3:2 Dit waren de namen der zonen van Aäron: de eerstgeborene was Nadab, voorts Abihu, Eleazar en Itamar.

2 And these [are] the names of the sons of Aaron; Nadab the firstborn, and Abihu, Eleazar, and Ithamar.

2 En dit zijn de namen der zonen van Aaron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar.

NM 3:3 Dit waren de namen der zonen van Aäron, de gezalfde priesters, die hij gewijd had om het priesterambt te bekleden.

3 These [are] the names of the sons of Aaron, the priests which were anointed, whom he consecrated to minister in the priest's office.

3 Dit zijn de namen der zonen van Aaron, der priesteren, die gezalfd waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen.

NM 3:4 Nadat Nadab en Abihu voor het aangezicht des HEREN gestorven waren in de woestijn Sinai, toen zij vreemd vuur vóór de HERE brachten - zij hadden geen zonen - bekleedden Eleazar en Itamar het priesterambt tijdens het leven van hun vader Aäron.

4 And Nadab and Abihu died before the LORD, when they offered strange fire before the LORD, in the wilderness of Sinai, and they had no children: and Eleazar and Ithamar ministered in the priest's office in the sight of Aaron their father.

4 Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht des HEEREN, als zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN in de woestijn van Sinai brachten, en hadden geen kinderen, doch Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aaron.

NM 3:5 De HERE nu sprak tot Mozes:

5 And the LORD spake unto Moses, saying,

5 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 3:6 Laat de stam Levi aantreden en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen,

6 Bring the tribe of Levi near, and present them before Aaron the priest, that they may minister unto him.

6 Doe den stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aaron, opdat zij hem dienen;

NM 3:7 en zij zullen hun taak vervullen te zijnen behoeve en ten behoeve van de gehele vergadering vóór de tent der samenkomst, door de dienst bij de tabernakel te verrichten;

7 And they shall keep his charge, and the charge of the whole congregation before the tabernacle of the congregation, to do the service of the tabernacle.

7 En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht der gehele vergadering, voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen;

NM 3:8 zij zullen zorg dragen voor al het gerei van de tent der samenkomst, en hun taak vervullen ten behoeve van de Israëlieten door de dienst bij de tabernakel te verrichten.

8 And they shall keep all the instruments of the tabernacle of the congregation, and the charge of the children of Israel, to do the service of the tabernacle.

8 En dat zij al het gereedschap van de tent der samenkomst, en de wacht der kinderen Israels waarnemen, om den dienst des tabernakels te bedienen.

NM 3:9 Gij zult de Levieten schenken aan Aäron en zijn zonen; uit de Israëlieten zullen dezen hem onvoorwaardelijk geschonken zijn.

9 And thou shalt give the Levites unto Aaron and to his sons: they [are] wholly given unto him out of the children of Israel.

9 Gij zult dan, aan Aaron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israels.

NM 3:10 Maar aan Aäron en zijn zonen zult gij opdragen hun priesterambt waar te nemen; doch de onbevoegde, die nadert, zal ter dood gebracht worden.

10 And thou shalt appoint Aaron and his sons, and they shall wait on their priest's office: and the stranger that cometh nigh shall be put to death.

10 Maar Aaron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.

NM 3:11 En de HERE sprak tot Mozes:

11 And the LORD spake unto Moses, saying,

11 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 3:12 Zie, Ik zelf neem uit de Israëlieten de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen der Israëlieten, die het eerst uit de moederschoot voortkomen, opdat de Levieten mijn eigendom zijn,

12 And I, behold, I have taken the Levites from among the children of Israel instead of all the firstborn that openeth the matrix among the children of Israel: therefore the Levites shall be mine;

12 En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israels genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israels; en de Levieten zullen Mijne zijn.

NM 3:13 want alle eerstgeborenen zijn mijn eigendom. Ten dage, dat Ik alle eerstgeborenen in het land Egypte sloeg, heiligde Ik Mij alle eerstgeborenen in Israël, zowel van mens als van dier; zij zijn mijn eigendom; Ik ben de HERE.

13 Because all the firstborn [are] mine; [for] on the day that I smote all the firstborn in the land of Egypt I hallowed unto me all the firstborn in Israel, both man and beast: mine shall they be: I [am] the LORD.

13 Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israel, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!

NM 3:14 En de HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinai:

14 And the LORD spake unto Moses in the wilderness of Sinai, saying,

14 En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, zeggende:

NM 3:15 Tel de Levieten naar hun families en geslachten; allen die van het mannelijk geslacht zijn, van één maand oud en daarboven, die zult gij tellen.

15 Number the children of Levi after the house of their fathers, by their families: every male from a month old and upward shalt thou number them.

15 Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult gij tellen.

NM 3:16 Toen telde Mozes hen naar het bevel des HEREN, zoals geboden was.

16 And Moses numbered them according to the word of the LORD, as he was commanded.

16 En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk hem geboden was.

NM 3:17 Dit nu waren de namen der zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari.

17 And these were the sons of Levi by their names; Gershon, and Kohath, and Merari.

17 Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.

NM 3:18 Dit waren de namen der zonen van Gerson naar hun geslachten: Libni en Simi.

18 And these [are] the names of the sons of Gershon by their families; Libni, and Shimei.

18 En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simei.

NM 3:19 De zonen van Kehat naar hun geslachten waren Amram, Jishar, Chebron en Uzziël.

19 And the sons of Kohath by their families; Amram, and Izehar, Hebron, and Uzziel.

19 En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.

NM 3:20 En de zonen van Merari naar hun geslachten waren Machli en Musi. Dit zijn de geslachten der Levieten naar hun families.

20 And the sons of Merari by their families; Mahli, and Mushi. These [are] the families of the Levites according to the house of their fathers.

20 En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.

NM 3:21 Tot Gerson behoorde het geslacht der Libnieten en dat der Simieten; dit waren de geslachten der Gersonieten.

21 Of Gershon [was] the family of the Libnites, and the family of the Shimites: these [are] the families of the Gershonites.

21 Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.

NM 3:22 Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het mannelijk geslacht waren, van één maand oud en daarboven, waren zevenduizend vijfhonderd.

22 Those that were numbered of them, according to the number of all the males, from a month old and upward, [even] those that were numbered of them [were] seven thousand and five hundred.

22 Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.

NM 3:23 De geslachten der Gersonieten legerden zich achter de tabernakel aan de westzijde.

23 The families of the Gershonites shall pitch behind the tabernacle westward.

23 De geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter den tabernakel, westwaarts.

NM 3:24 En het familiehoofd der Gersonieten was Eljasaf, de zoon van Laël.

24 And the chief of the house of the father of the Gershonites [shall be] Eliasaph the son of Lael.

24 De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael.

NM 3:25 De Gersonieten nu hadden bij de tent der samenkomst, zowel tabernakel als tent, de zorg voor de dakbedekking, het voorhangsel voor de ingang van de tent der samenkomst,

25 And the charge of the sons of Gershon in the tabernacle of the congregation [shall be] the tabernacle, and the tent, the covering thereof, and the hanging for the door of the tabernacle of the congregation,

25 En de wacht der zonen van Gerson in de tent der samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent der samenkomst;

NM 3:26 de gordijnen van de voorhof en het voorhangsel voor de ingang van de voorhof, die rondom de tabernakel en het altaar was, en de daarbij behorende touwen, naar alles wat daaraan te doen was.

26 And the hangings of the court, and the curtain for the door of the court, which [is] by the tabernacle, and by the altar round about, and the cords of it for all the service thereof.

26 En de behangselen des voorhofs, en het deksel van de deur des voorhofs, welke bij den tabernakel en bij het altaar rondom zijn; mitsgaders de zelen, tot zijn gansen dienst.

NM 3:27 Tot Kehat behoorde het geslacht der Amramieten, dat der Jisharieten, dat der Chebronieten en dat der Uzziëlieten; dit waren de geslachten der Kehatieten.

27 And of Kohath [was] the family of the Amramites, and the family of the Izeharites, and the family of the Hebronites, and the family of the Uzzielites: these [are] the families of the Kohathites.

27 En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.

NM 3:28 Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het mannelijk geslacht waren, van één maand oud en daarboven, waren achtduizend zeshonderd: zij hadden de zorg voor het heilige.

28 In the number of all the males, from a month old and upward, [were] eight thousand and six hundred, keeping the charge of the sanctuary.

28 In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.

NM 3:29 De geslachten der Kehatieten legerden zich langs de tabernakel aan de zuidzijde.

29 The families of the sons of Kohath shall pitch on the side of the tabernacle southward.

29 De geslachten der zonen van Kahath zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.

NM 3:30 En het familiehoofd van de geslachten der Kehatieten was Elisafan, de zoon van Uzziël.

30 And the chief of the house of the father of the families of the Kohathites [shall be] Elizaphan the son of Uzziel.

30 De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.

NM 3:31 Zij hadden de zorg voor de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren, het heilige gerei, waarmede men de dienst verrichtte, het voorhangsel en alles wat daaraan te doen was.

31 And their charge [shall be] the ark, and the table, and the candlestick, and the altars, and the vessels of the sanctuary wherewith they minister, and the hanging, and all the service thereof.

31 Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, en al [wat] [tot] zijn dienst [behoort].

NM 3:32 Het opperste hoofd nu der Levieten was Eleazar, de zoon van de priester Aäron, die het opzicht had over hen, die de zorg hadden voor het heilige.

32 And Eleazar the son of Aaron the priest [shall be] chief over the chief of the Levites, [and have] the oversight of them that keep the charge of the sanctuary.

32 De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aaron, den priester; [zijn] opzicht zal zijn over degenen, die de wacht des heiligdoms waarnemen.

NM 3:33 Tot Merari behoorde het geslacht der Machlieten en dat der Musieten; dit waren de geslachten van Merari.

33 Of Merari [was] the family of the Mahlites, and the family of the Mushites: these [are] the families of Merari.

33 Van Merari is het geslacht der Mahelieten, en het geslacht der Musieten; dit zijn de geslachten van Merari.

NM 3:34 Hun getelden, overeenkomstig het aantal van allen die van het mannelijk geslacht waren, van één maand oud en daarboven, waren zesduizend tweehonderd.

34 And those that were numbered of them, according to the number of all the males, from a month old and upward, [were] six thousand and two hundred.

34 En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.

NM 3:35 En het familiehoofd der geslachten van Merari was Suriël, de zoon van Abichaïl. Zij legerden zich langs de tabernakel aan de noordzijde.

35 And the chief of the house of the father of the families of Merari [was] Zuriel the son of Abihail: [these] shall pitch on the side of the tabernacle northward.

35 De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van Merari zal zijn Zuriel, de zoon van Abihail; zij zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, noordwaarts.

NM 3:36 Aan de Merarieten was opgedragen de zorg voor de planken van de tabernakel, zijn balken, zijn pilaren, zijn voetstukken, al zijn gerei en alles wat daaraan te doen was,

36 And [under] the custody and charge of the sons of Merari [shall be] the boards of the tabernacle, and the bars thereof, and the pillars thereof, and the sockets thereof, and all the vessels thereof, and all that serveth thereto,

36 En het opzicht der wachten van de zonen van Merari zal zijn over de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al [wat] [tot] zijn dienst [behoort];

NM 3:37 eveneens voor de pilaren van de voorhof rondom, de voetstukken, de pinnen en de touwen daarvan.

37 And the pillars of the court round about, and their sockets, and their pins, and their cords.

37 En de pilaren des voorhofs rondom, en hun voeten, en hun pennen, en hun zelen.

NM 3:38 Voorts legerden zich vóór de tabernakel aan de oostzijde, vóór de tent der samenkomst aan de kant, waar de zon opgaat, Mozes en Aäron en diens zonen, die de zorg hadden voor het heiligdom namens de Israëlieten; maar de onbevoegde, die naderde, moest ter dood gebracht worden.

38 But those that encamp before the tabernacle toward the east, [even] before the tabernacle of the congregation eastward, [shall be] Moses, and Aaron and his sons, keeping the charge of the sanctuary for the charge of the children of Israel; and the stranger that cometh nigh shall be put to death.

38 Die nu zich legeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor de tent der samenkomst, tegen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aaron met zijn zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms, voor de wacht der kinderen Israels; en de vreemde die nadert, zal gedood worden.

NM 3:39 Al de getelden der Levieten, die Mozes met Aäron naar het bevel des HEREN naar hun geslachten telde, allen van het mannelijk geslacht, van één maand oud en daarboven, waren tweeëntwintigduizend.

39 All that were numbered of the Levites, which Moses and Aaron numbered at the commandment of the LORD, throughout their families, all the males from a month old and upward, [were] twenty and two thousand.

39 Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.

NM 3:40 Toen zeide de HERE tot Mozes: Tel alle mannelijke eerstgeborenen der Israëlieten van één maand oud en daarboven, en neem het aantal hunner namen op,

40 And the LORD said unto Moses, Number all the firstborn of the males of the children of Israel from a month old and upward, and take the number of their names.

40 En de HEERE zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de kinderen Israels, van een maand oud en daarboven; en neem het getal hunner namen op.

NM 3:41 en gij zult voor Mij de Levieten nemen - Ik ben de HERE - in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, evenals het vee der Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder het vee der Israëlieten.

41 And thou shalt take the Levites for me (I [am] the LORD) instead of all the firstborn among the children of Israel; and the cattle of the Levites instead of all the firstlings among the cattle of the children of Israel.

41 En gij zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben de HEERE!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels, en de beesten der Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen Israels.

NM 3:42 Toen telde Mozes, zoals de HERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de Israëlieten.

42 And Moses numbered, as the LORD commanded him, all the firstborn among the children of Israel.

42 Mozes dan telde, gelijk als de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels.

NM 3:43 Alle mannelijke eerstgeborenen, overeenkomstig het aantal namen, van één maand oud en daarboven, bleken bij telling te zijn tweeëntwintigduizend tweehonderd drieënzeventig.

43 And all the firstborn males by the number of names, from a month old and upward, of those that were numbered of them, were twenty and two thousand two hundred and threescore and thirteen.

43 En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.

NM 3:44 Toen sprak de HERE tot Mozes:

44 And the LORD spake unto Moses, saying,

44 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 3:45 Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, evenals het vee der Levieten in plaats van hun vee, opdat de Levieten mijn eigendom zijn; Ik ben de HERE.

45 Take the Levites instead of all the firstborn among the children of Israel, and the cattle of the Levites instead of their cattle; and the Levites shall be mine: I [am] the LORD.

45 Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen Israels, en de beesten der Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!

NM 3:46 Als losgeld voor de tweehonderd drieënzeventig eerstgeborenen der Israëlieten, die het getal der Levieten te boven gaan,

46 And for those that are to be redeemed of the two hundred and threescore and thirteen of the firstborn of the children of Israel, which are more than the Levites;

46 Aangaande de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de kinderen Israels;

NM 3:47 zult gij voor ieder per hoofd vijf sikkels nemen, naar de heilige sikkel zult gij het nemen - deze sikkel is twintig gera -

47 Thou shalt even take five shekels apiece by the poll, after the shekel of the sanctuary shalt thou take [them]: (the shekel [is] twenty gerahs:)

47 Gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des heiligdoms zult gij ze nemen; die sikkel is twintig gera.

NM 3:48 en dat geld zult gij aan Aäron en zijn zonen geven als het losgeld voor diegenen onder hen, die het getal (der Levieten) te boven gaan.

48 And thou shalt give the money, wherewith the odd number of them is to be redeemed, unto Aaron and to his sons.

48 En gij zult dat geld aan Aaron en zijn zonen geven, [het] [geld] der gelosten die onder hen overschieten.

NM 3:49 Toen nam Mozes het losgeld van degenen die het getal van hen, die door de Levieten waren losgekocht, te boven gingen;

49 And Moses took the redemption money of them that were over and above them that were redeemed by the Levites:

49 Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten.

NM 3:50 van de eerstgeborenen der Israëlieten nam hij het geld, duizend driehonderd vijfenzestig sikkels naar de heilige sikkel,

50 Of the firstborn of the children of Israel took he the money; a thousand three hundred and threescore and five [shekels], after the shekel of the sanctuary:

50 Van de eerstgeborenen van de kinderen Israels nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig [sikkelen], naar den sikkel des heiligdoms.

NM 3:51 en Mozes gaf het losgeld aan Aäron en zijn zonen naar het bevel des HEREN, zoals de HERE aan Mozes geboden had.

51 And Moses gave the money of them that were redeemed unto Aaron and to his sons, according to the word of the LORD, as the LORD commanded Moses.

51 En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aaron en aan zijn zonen, naar het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

NM 4:1 En de HERE sprak tot Mozes en Aäron:

1 And the LORD spake unto Moses and unto Aaron, saying,

1 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

NM 4:2 Neem het aantal op van de Kehatieten onder de Levieten, naar hun geslachten en families,

2 Take the sum of the sons of Kohath from among the sons of Levi, after their families, by the house of their fathers,

2 Neemt op de som der zonen van Kahath, uit het midden der zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen.

NM 4:3 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig is om werk te verrichten in de tent der samenkomst.

3 From thirty years old and upward even until fifty years old, all that enter into the host, to do the work in the tabernacle of the congregation.

3 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot dezen strijd inkomt, om het werk in de tent der samenkomst te doen.

NM 4:4 Dit zal de dienst der Kehatieten in de tent der samenkomst zijn: de zorg voor de allerheiligste dingen.

4 This [shall be] the service of the sons of Kohath in the tabernacle of the congregation, [about] the most holy things:

4 Dit zal de dienst zijn der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst, [te] [weten] de heiligheid der heiligheden.

NM 4:5 Bij het opbreken van de legerplaats zullen Aäron en zijn zonen naar binnen gaan en het bedekkend voorhangsel afnemen, en daarmee de ark der getuigenis bedekken;

5 And when the camp setteth forward, Aaron shall come, and his sons, and they shall take down the covering vail, and cover the ark of testimony with it:

5 In het optrekken des legers, zo zullen Aaron en zijn zonen komen, en den voorhang des deksels afnemen, en zullen daarmede de ark der getuigenis bedekken.

NM 4:6 daarover zullen zij een bedekking van tachasvel leggen, en daarover een kleed, geheel van blauwpurper, spreiden en de draagstokken aanbrengen.

6 And shall put thereon the covering of badgers' skins, and shall spread over [it] a cloth wholly of blue, and shall put in the staves thereof.

6 En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.

NM 4:7 Ook over de tafel der toonbroden zullen zij een blauwpurperen kleed spreiden, en daarop plaatsen de schotels, de schalen, de kommen en de plengkannen, terwijl ook het steeds aanwezige brood erop zal blijven liggen:

7 And upon the table of shewbread they shall spread a cloth of blue, and put thereon the dishes, and the spoons, and the bowls, and covers to cover withal: and the continual bread shall be thereon:

7 Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn.

NM 4:8 daarover zullen zij een scharlaken kleed spreiden en dit bedekken met een bedekking van tachasvel, en de draagstokken aanbrengen.

8 And they shall spread upon them a cloth of scarlet, and cover the same with a covering of badgers' skins, and shall put in the staves thereof.

8 Daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.

NM 4:9 Dan zullen zij een blauwpurperen kleed nemen en daarmee de kandelaar voor het licht bedekken met zijn lampen, snuiters, bakjes, en al zijn gerei voor de olie, waarvan men zich daarbij bedient,

9 And they shall take a cloth of blue, and cover the candlestick of the light, and his lamps, and his tongs, and his snuffdishes, and all the oil vessels thereof, wherewith they minister unto it:

9 Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken den kandelaar des luchters, en zijn lampen, en zijn snuiters, en zijn blusvaten, en al zijn olievaten, met welke zij aan denzelven dienen.

NM 4:10 en zij zullen hem met al zijn gerei plaatsen op een bedekking van tachasvel en op een draagbaar zetten.

10 And they shall put it and all the vessels thereof within a covering of badgers' skins, and shall put [it] upon a bar.

10 Zij zullen ook denzelven, en al zijn gereedschap, in een deksel van dassenvellen doen, en zullen hem op den draagboom leggen.

NM 4:11 Over het gouden altaar zullen zij een blauwpurperen kleed spreiden en dit bedekken met een bedekking van tachasvel en de draagstokken aanbrengen.

11 And upon the golden altar they shall spread a cloth of blue, and cover it with a covering of badgers' skins, and shall put to the staves thereof:

11 En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen deszelfs handbomen aanleggen.

NM 4:12 Dan zullen zij al het dienstgerei nemen, waarmee zij in het heilige dienst doen en dat op een blauwpurperen kleed plaatsen en het bedekken met een bedekking van tachasvel en op een draagbaar plaatsen.

12 And they shall take all the instruments of ministry, wherewith they minister in the sanctuary, and put [them] in a cloth of blue, and cover them with a covering of badgers' skins, and shall put [them] on a bar:

12 Zij zullen ook nemen alle gereedschap van den dienst, met hetwelk zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen hetzelve met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op den draagboom leggen.

NM 4:13 En het altaar zullen zij van as reinigen, er een roodpurperen kleed overheen spreiden,

13 And they shall take away the ashes from the altar, and spread a purple cloth thereon:

13 En zij zullen de as van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden.

NM 4:14 en daarop leggen al zijn gerei, waarvan men zich daarbij bedient, de vuurpannen, de vorken, de scheppen, de sprengbekkens, al het gerei van het altaar, en daarover een bedekking van tachasvel spreiden, en de draagstokken aanbrengen.

14 And they shall put upon it all the vessels thereof, wherewith they minister about it, [even] the censers, the fleshhooks, and the shovels, and the basons, all the vessels of the altar; and they shall spread upon it a covering of badgers' skins, and put to the staves of it.

14 En zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap, waarmede zij aan hetzelve dienen, de koolpannen, de krauwelen, en de schoffelen, en de sprengbekkens, al het gereedschap des altaars; en zij zullen daarover een deksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen deszelfs handbomen aanleggen.

NM 4:15 Als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van de legerplaats gereed zijn met het bedekken van het heilige en al het heilige gerei, dan zullen daarna de Kehatieten binnengaan om het te dragen; zij zullen echter het heilige niet aanraken, want dan zouden zij sterven. Dit is hetgeen de Kehatieten aan de tent der samenkomst te dragen hebben.

15 And when Aaron and his sons have made an end of covering the sanctuary, and all the vessels of the sanctuary, as the camp is to set forward; after that, the sons of Kohath shall come to bear [it]: but they shall not touch [any] holy thing, lest they die. These [things are] the burden of the sons of Kohath in the tabernacle of the congregation.

15 Als nu Aaron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap des heiligdoms, in het optrekken des legers, zullen voleind hebben, zo zullen daarna de zonen van Kahath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst.

NM 4:16 En Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft het toezicht op de olie voor het licht, het welriekend reukwerk, het dagelijkse spijsoffer en de zalfolie; hij heeft het toezicht op de gehele tabernakel en alles wat daarin is, zowel het heilige als zijn gerei.

16 And to the office of Eleazar the son of Aaron the priest [pertaineth] the oil for the light, and the sweet incense, and the daily meat offering, and the anointing oil, [and] the oversight of all the tabernacle, and of all that therein [is], in the sanctuary, and in the vessels thereof.

16 Het opzicht nu van Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zal zijn over de olie des luchters, en het reukwerk der welriekende specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie; het opzicht des gansen tabernakels, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap.

NM 4:17 En de HERE sprak tot Mozes en Aäron:

17 And the LORD spake unto Moses and unto Aaron, saying,

17 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

NM 4:18 Laat de stam van de geslachten der Kehatieten niet uitgeroeid worden uit de Levieten.

18 Cut ye not off the tribe of the families of the Kohathites from among the Levites:

18 Gij zult den stam van de geslachten der Kahathieten niet laten uitgeroeid worden, uit het midden der Levieten;

NM 4:19 Maar dit zult gij voor hen doen, opdat zij blijven leven en niet sterven, wanneer zij de allerheiligste dingen naderen. Aäron en zijn zonen zullen naar binnen gaan en hun een plaats aanwijzen, ieder bij hetgeen hij te doen of te dragen heeft.

19 But thus do unto them, that they may live, and not die, when they approach unto the most holy things: Aaron and his sons shall go in, and appoint them every one to his service and to his burden:

19 Maar dit zult gij hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid der heiligheden toetreden zullen: Aaron en zijn zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijn dienst en aan zijn last.

NM 4:20 Maar zij zullen niet naar binnen gaan, zodat zij het heilige ook maar voor een ogenblik zien, want dan zouden zij sterven.

20 But they shall not go in to see when the holy things are covered, lest they die.

20 Doch zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven.

NM 4:21 En de HERE sprak tot Mozes:

21 And the LORD spake unto Moses, saying,

21 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 4:22 Neem ook het aantal op van de Gersonieten naar hun families en geslachten:

22 Take also the sum of the sons of Gershon, throughout the houses of their fathers, by their families;

22 Neem ook op de som der zonen van Gerson, naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten.

NM 4:23 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud zult gij hen tellen, ieder, die dienstplichtig is om arbeid te verrichten in de tent der samenkomst.

23 From thirty years old and upward until fifty years old shalt thou number them; all that enter in to perform the service, to do the work in the tabernacle of the congregation.

23 Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt om den strijd te strijden, opdat hij den dienst bediene in de tent der samenkomst.

NM 4:24 Dit zal de dienst van de geslachten der Gersonieten zijn bij het dienen en het dragen:

24 This [is] the service of the families of the Gershonites, to serve, and for burdens:

24 Dit zal zijn de dienst der geslachten van de Gersonieten, in het dienen en in den last.

NM 4:25 zij zullen dragen de tentkleden van de tabernakel en de tent der samenkomst, de bedekking daarvan en de bedekking van tachasvel, die daar overheen ligt, het voorhangsel voor de ingang van de tent der samenkomst,

25 And they shall bear the curtains of the tabernacle, and the tabernacle of the congregation, his covering, and the covering of the badgers' skins that [is] above upon it, and the hanging for the door of the tabernacle of the congregation,

25 Zij zullen dan dragen de gordijnen des tabernakels, en de tent der samenkomst; [te] [weten] haar deksel, en het dassendeksel, dat er bovenop is, en het deksel der deur van de tent der samenkomst,

NM 4:26 de gordijnen van de voorhof en het voorhangsel van de ingang van de poort van de voorhof, die bij de tabernakel en het altaar rondom is, met de bijbehorende touwen en al hun dienstgereedschap en alles wat daaraan te doen is, daarbij zullen zij dienst doen.

26 And the hangings of the court, and the hanging for the door of the gate of the court, which [is] by the tabernacle and by the altar round about, and their cords, and all the instruments of their service, and all that is made for them: so shall they serve.

26 En de behangselen des voorhofs, en het deksel der deur van de poort des voorhofs, hetwelk is bij den tabernakel en bij het altaar rondom; en hun zelen, en al het gereedschap van hun dienst, mitsgaders al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen.

NM 4:27 Naar het bevel van Aäron en zijn zonen zal de gehele dienst der Gersonieten verricht worden, bij al hun dragen en bij al hun dienen; gij zult hun als taak aanwijzen alles wat zij moeten dragen.

27 At the appointment of Aaron and his sons shall be all the service of the sons of the Gershonites, in all their burdens, and in all their service: and ye shall appoint unto them in charge all their burdens.

27 De gehele dienst van de zonen der Gersonieten, in al hun last, en in al hun dienst, zal zijn naar het bevel van Aaron en van zijn zonen; en gijlieden zult hun ter bewaring al hun last bevelen.

NM 4:28 Dit is de dienst van de geslachten der Gersonieten aan de tent der samenkomst en hun taak onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.

28 This [is] the service of the families of the sons of Gershon in the tabernacle of the congregation: and their charge [shall be] under the hand of Ithamar the son of Aaron the priest.

28 Dit is de dienst van de geslachten der zonen van de Gersonieten, in de tent der samenkomst; en hun wacht zal zijn onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.

NM 4:29 Wat de Merarieten betreft, hen zult gij tellen naar hun geslachten en families;

29 As for the sons of Merari, thou shalt number them after their families, by the house of their fathers;

29 Aangaande de zonen van Merari, die zult gij naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen tellen.

NM 4:30 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud zult gij hen tellen, ieder, die dienstplichtig is om de arbeid te verrichten aan de tent der samenkomst.

30 From thirty years old and upward even unto fifty years old shalt thou number them, every one that entereth into the service, to do the work of the tabernacle of the congregation.

30 Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt tot dezen strijd, om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst.

NM 4:31 En dit is hun taak in het dragen, wat betreft al hun dienst aan de tent der samenkomst: de planken van de tabernakel, zijn balken, zijn pilaren, zijn voetstukken,

31 And this [is] the charge of their burden, according to all their service in the tabernacle of the congregation; the boards of the tabernacle, and the bars thereof, and the pillars thereof, and sockets thereof,

31 Dit zal nu zijn de onderhouding van hun last, naar al hun dienst, in de tent der samenkomst: de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten;

NM 4:32 de pilaren van de voorhof rondom met de voetstukken, de pinnen en de touwen, al het bijbehorende gereedschap en alles wat daaraan te doen is; en bij name zult gij het gereedschap noemen, dat zij moeten dragen.

32 And the pillars of the court round about, and their sockets, and their pins, and their cords, with all their instruments, and with all their service: and by name ye shall reckon the instruments of the charge of their burden.

32 Mitsgaders de pilaren des voorhofs rondom, hun voeten, en hun pennen, en hun zelen, met al hun gereedschap, en met al hun dienst; en het gereedschap van de waarneming van hun last zult gij bij namen tellen.

NM 4:33 Dit is de dienst van de geslachten der Merarieten naar al hun dienst aan de tent der samenkomst, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.

33 This [is] the service of the families of the sons of Merari, according to all their service, in the tabernacle of the congregation, under the hand of Ithamar the son of Aaron the priest.

33 Dit is de dienst van de geslachten der zonen van Merari, naar hun gansen dienst, in de tent der samenkomst, onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.

NM 4:34 Toen Mozes met Aäron en de hoofden der vergadering de Kehatieten telde naar hun geslachten en families,

34 And Moses and Aaron and the chief of the congregation numbered the sons of the Kohathites after their families, and after the house of their fathers,

34 Mozes dan en Aaron, en de oversten der vergadering telden de zonen der Kahathieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen:

NM 4:35 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst,

35 From thirty years old and upward even unto fifty years old, every one that entereth into the service, for the work in the tabernacle of the congregation:

35 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;

NM 4:36 waren hun getelden naar hun geslachten tweeduizend zevenhonderd vijftig;

36 And those that were numbered of them by their families were two thousand seven hundred and fifty.

36 Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.

NM 4:37 dit waren de getelden van de geslachten der Kehatieten, allen die dienst deden aan de tent der samenkomst, die Mozes met Aäron telde naar het bevel des HEREN door de dienst van Mozes.

37 These [were] they that were numbered of the families of the Kohathites, all that might do service in the tabernacle of the congregation, which Moses and Aaron did number according to the commandment of the LORD by the hand of Moses.

37 Dit zijn de getelden van de geslachten der Kahathieten, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.

NM 4:38 De getelden der Gersonieten naar hun geslachten en families,

38 And those that were numbered of the sons of Gershon, throughout their families, and by the house of their fathers,

38 Insgelijks de getelden der zonen van Gerson, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen;

NM 4:39 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst,

39 From thirty years old and upward even unto fifty years old, every one that entereth into the service, for the work in the tabernacle of the congregation,

39 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;

NM 4:40 hun getelden naar hun geslachten en families waren tweeduizend zeshonderd dertig.

40 Even those that were numbered of them, throughout their families, by the house of their fathers, were two thousand and six hundred and thirty.

40 Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.

NM 4:41 Dit waren de getelden van de geslachten der Gersonieten, allen die dienst deden aan de tent der samenkomst, die Mozes met Aäron telde naar het bevel des HEREN.

41 These [are] they that were numbered of the families of the sons of Gershon, of all that might do service in the tabernacle of the congregation, whom Moses and Aaron did number according to the commandment of the LORD.

41 Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Gerson, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des HEEREN.

NM 4:42 De getelden van de geslachten der Merarieten naar hun geslachten en families,

42 And those that were numbered of the families of the sons of Merari, throughout their families, by the house of their fathers,

42 En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen,

NM 4:43 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig was tot de arbeid aan de tent der samenkomst,

43 From thirty years old and upward even unto fifty years old, every one that entereth into the service, for the work in the tabernacle of the congregation,

43 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;

NM 4:44 hun getelden naar hun geslachten waren drieduizend tweehonderd.

44 Even those that were numbered of them after their families, were three thousand and two hundred.

44 Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.

NM 4:45 Dit waren de getelden van de geslachten der Merarieten, die Mozes met Aäron telde naar het bevel des HEREN door de dienst van Mozes.

45 These [be] those that were numbered of the families of the sons of Merari, whom Moses and Aaron numbered according to the word of the LORD by the hand of Moses.

45 Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.

NM 4:46 Al de getelden, die Mozes met Aäron en de hoofden van Israël naar hun geslachten en families telde, namelijk de Levieten,

46 All those that were numbered of the Levites, whom Moses and Aaron and the chief of Israel numbered, after their families, and after the house of their fathers,

46 Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en de oversten van Israel geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen,

NM 4:47 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, ieder, die dienstplichtig was tot dienen en tot dragen aan de tent der samenkomst,

47 From thirty years old and upward even unto fifty years old, every one that came to do the service of the ministry, and the service of the burden in the tabernacle of the congregation,

47 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam, om den dienst der bediening en den dienst van den last, in de tent der samenkomst, te bedienen;

NM 4:48 hun getelden waren achtduizend vijfhonderd tachtig.

48 Even those that were numbered of them, were eight thousand and five hundred and fourscore.

48 Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.

NM 4:49 Naar het bevel des HEREN door de dienst van Mozes droeg men ieder op, wat hij te dienen en te dragen had, te weten de getelden, zoals de HERE Mozes geboden had.

49 According to the commandment of the LORD they were numbered by the hand of Moses, every one according to his service, and according to his burden: thus were they numbered of him, as the LORD commanded Moses.

49 Men telde hen, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die de HEERE Mozes geboden had.

NM 5:1 De HERE sprak tot Mozes:

1 And the LORD spake unto Moses, saying,

1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 5:2 Gebied de Israëlieten, dat zij uit de legerplaats wegzenden alle melaatsen, allen die een vloeiing hebben, en allen die onrein zijn door aanraking van een lijk;

2 Command the children of Israel, that they put out of the camp every leper, and every one that hath an issue, and whosoever is defiled by the dead:

2 Gebied den kinderen Israels, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode.

NM 5:3 zowel mannen als vrouwen zult gij wegzenden; gij zult hen buiten de legerplaats zenden, opdat zij hun legerplaats niet verontreinigen, daar Ik toch in hun midden woon.

3 Both male and female shall ye put out, without the camp shall ye put them; that they defile not their camps, in the midst whereof I dwell.

3 Van het mannelijke tot het vrouwelijke zult gij hen wegzenden; tot buiten het leger zult gij hen wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hun legers, in welker midden Ik wone.

NM 5:4 Toen deden de Israëlieten aldus en zonden hen weg buiten de legerplaats; de Israëlieten deden, zoals de HERE tot Mozes gesproken had.

4 And the children of Israel did so, and put them out without the camp: as the LORD spake unto Moses, so did the children of Israel.

4 En de kinderen Israels deden alzo, en zonden hen tot buiten het leger; gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had, alzo deden de kinderen Israels.

NM 5:5 De HERE nu sprak tot Mozes:

5 And the LORD spake unto Moses, saying,

5 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

NM 5:6 Spreek tot de Israëlieten: Wanneer iemand, man of vrouw, een of andere zonde doet, die mensen begaan, en daardoor ontrouw wordt tegenover de HERE, zodat hij een schuld op zich laadt,

6 Speak unto the children of Israel, When a man or woman shall commit any sin that men commit, to do a trespass against the LORD, and that person be guilty;

6 Spreek tot de kinderen Israels: wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den HEERE, zo is diezelve ziel schuldig.

NM 5:7 dan zullen zij de zonden belijden, die zij begaan hebben; en daarna de volle waarde van wat hij schuldig is, vergoeden, vermeerderd met een vijfde, en dat geven aan degene tegenover wie hij zich schuldig gemaakt heeft.

7 Then they shall confess their sin which they have done: and he shall recompense his trespass with the principal thereof, and add unto it the fifth [part] thereof, and give [it] unto [him] against whom he hath trespassed.

7 En zij zullen hun zonde, welke zij gedaan hebben, belijden; daarna zal hij zijn schuld weder uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en derzelver vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven, aan wien hij zich verschuldigd heeft.

NM 5:8 Maar heeft die man geen losser, aan wie de schuld vergoed zou kunnen worden, dan zal de schuld die vergoed moet worden, aan de HERE vervallen, ten bate van de priester, ongeacht de ram der verzoening, waarmee deze over hem verzoening zal doen.

8 But if the man have no kinsman to recompense the trespass unto, let the trespass be recompensed unto the LORD, [even] to the priest; beside the ram of the atonement, whereby an atonement shall be made for him.

8 Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weder uit te keren, zal die schuld, welken den HEERE weder uitgekeerd wordt, des priesters zijn; behalve den ram der verzoening, met welken hij voor hem verzoening doen zal.

NM 5:9 En elke heffing van al de heilige gaven, die de Israëlieten tot de priester brengen, zal voor hem zijn;

9 And every offering of all the holy things of the children of Israel, which they bring unto the priest, shall be his.

9 Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israels, welke zij tot den priester brengen, zijne zijn.

NM 5:10 maar wat de heilige gaven zelf betreft, die zullen voor de brenger zijn; alleen wat hij de priester geeft, zal voor deze zijn.

10 And every man's hallowed things shall be his: whatsoever any man giveth the priest, it shall be his.

10 En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand den priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn.

NM 5:11 De HERE nu sprak tot Mozes:

11 And the LORD spake unto Moses, saying,

11 Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

NM 5:12 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer iemands vrouw zich misgaan zal hebben en hem ontrouw zal zijn geworden,

12 Speak unto the children of Israel, and say unto them, If any man's wife go aside, and commit a trespass against him,

12 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben;

NM 5:13 en een ander met haar geslachtsgemeenschap zal hebben gehad, zonder dat het aan haar man bekend werd, daar het verborgen bleef, dat zij zich verontreinigd had, en er geen getuige tegen haar was, en zij niet betrapt werd,

13 And a man lie with her carnally, and it be hid from the eyes of her husband, and be kept close, and she be defiled, and [there be] no witness against her, neither she be taken [with the manner];

13 Dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelegen hebben, en het voor de ogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nochtans onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is;

NM 5:14 en wanneer dan de geest der jaloersheid over hem komt, zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw, terwijl zij zich verontreinigd heeft, of wanneer de geest der jaloersheid over hem komt, zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw, terwijl zij zich niet verontreinigd heeft,

14 And the spirit of jealousy come upon him, and he be jealous of his wife, and she be defiled: or if the spirit of jealousy come upon him, and he be jealous of his wife, and she be not defiled:

14 En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is;

NM 5:15 dan zal die man zijn vrouw tot de priester brengen met een offergave voor haar van een tiende efa gerstemeel, waarover hij geen olie gegoten heeft en waaraan hij geen wierook toegevoegd heeft, omdat het een spijsoffer der jaloersheid is, een herinneringsoffer, dat ongerechtigheid in gedachtenis brengt.

15 Then shall the man bring his wife unto the priest, and he shall bring her offering for her, the tenth [part] of an ephah of barley meal; he shall pour no oil upon it, nor put frankincense thereon; for it [is] an offering of jealousy, an offering of memorial, bringing iniquity to remembrance.

15 Dan zal die man zijn huisvrouw tot den priester brengen, en zal haar offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, dewijl het een spijsoffer der ijveringen is, een spijsoffer der gedachtenis, dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt.

NM 5:16 Dan zal de priester haar doen naderen en voor het aangezicht des HEREN stellen,

16 And the priest shall bring her near, and set her before the LORD:

16 En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het aangezicht des HEEREN.

NM 5:17 en de priester zal heilig water nemen in een aarden vat, en de priester zal van het stof dat op de vloer van de tabernakel ligt, nemen en aan het water toevoegen.

17 And the priest shall take holy water in an earthen vessel; and of the dust that is in the floor of the tabernacle the priest shall take, and put [it] into the water:

17 En de priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof, hetwelk op den vloer des tabernakels is, zal de priester nemen, en in het water doen.

NM 5:18 Heeft de priester de vrouw voor het aangezicht des HEREN gesteld, dan zal hij het hoofdhaar der vrouw losmaken, en op haar handpalmen het herinneringsoffer, het spijsoffer der jaloersheid, leggen, terwijl in de hand van de priester zal zijn dat bittere water, dat de vloek brengt.

18 And the priest shall set the woman before the LORD, and uncover the woman's head, and put the offering of memorial in her hands, which [is] the jealousy offering: and the priest shall have in his hand the bitter water that causeth the curse:

18 Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer der gedachtenis op haar handen leggen, hetwelk het spijsoffer der ijveringen is; en in de hand des priesters zal dat bitter water zijn, hetwelk den vloek medebrengt.

NM 5:19 Dan zal de priester haar onder ede stellen en tot de vrouw zeggen: Indien geen man met u gemeenschap heeft gehad, en indien gij geen onreinheid begaan hebt, terwijl gij uw man toebehoordet, blijf dan ongestraft van dit bittere water, dat de vloek brengt;

19 And the priest shall charge her by an oath, and say unto the woman, If no man have lain with thee, and if thou hast not gone aside to uncleanness [with another] instead of thy husband, be thou free from this bitter water that causeth the curse:

19 En de priester zal haar beedigen, en zal tot die vrouw zeggen: Indien iemand bij u gelegen heeft, en indien gij, onder uw man zijnde, niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt!

NM 5:20 maar indien gij u, terwijl gij uw man toebehoordet, misgaan en u verontreinigd hebt, doordat een ander dan uw eigen man met u gemeenschap heeft gehad -

20 But if thou hast gone aside [to another] instead of thy husband, and if thou be defiled, and some man have lain with thee beside thine husband:

20 Maar zo gij, onder uw man zijnde, afgeweken zijt, en zo gij onrein geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man:

NM 5:21 de priester zal de vrouw onder een eed van vervloeking stellen, en de priester zal tot de vrouw zeggen: Dan stelle de HERE u tot een vervloeking en een verwensing onder uw volk, doordat de HERE uw heup doe invallen en uw buik doe opzwellen,

21 Then the priest shall charge the woman with an oath of cursing, and the priest shall say unto the woman, The LORD make thee a curse and an oath among thy people, when the LORD doth make thy thigh to rot, and thy belly to swell;

21 (Dan zal de priester die vrouw met den eed der vervloeking beedigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) De HEERE zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden uws volks, mits dat de HEERE uw heup vervallende, en uw buik zwellende make;

NM 5:22 want dit water, dat de vloek brengt, zal in uw binnenste komen om uw buik te doen opzwellen en uw heup te doen invallen. Daarop zal de vrouw zeggen: Amen, amen.

22 And this water that causeth the curse shall go into thy bowels, to make [thy] belly to swell, and [thy] thigh to rot: And the woman shall say, Amen, amen.

22 Dat ditzelve water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om den buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!

NM 5:23 Daarna zal de priester die vervloekingen op een blad schrijven en in het bittere water afwassen

23 And the priest shall write these curses in a book, and he shall blot [them] out with the bitter water:

23 Daarna zal de priester deze zelfde vloeken op een cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen.

NM 5:24 en hij zal de vrouw het bittere water, dat de vloek brengt, te drinken geven, en het water, dat de vloek brengt, zal in haar worden tot bitterheid.

24 And he shall cause the woman to drink the bitter water that causeth the curse: and the water that causeth the curse shall enter into her, [and become] bitter.

24 En hij zal die vrouw dat bitter water, hetwelk de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga.

NM 5:25 Dan zal de priester het spijsoffer der jaloersheid van de hand der vrouw nemen, en dit, na het voor het aangezicht des HEREN bewogen te hebben, naar het altaar brengen,

25 Then the priest shall take the jealousy offering out of the woman's hand, and shall wave the offering before the LORD, and offer it upon the altar:

25 En de priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der ijveringen nemen, en hij zal datzelve spijsoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen, en zal dat op het altaar offeren.

NM 5:26 en de priester zal een handvol ervan als gedachtenisgave afnemen en die op het altaar in rook doen opgaan; daarna zal hij de vrouw het water te drinken geven.

26 And the priest shall take an handful of the offering, [even] the memorial thereof, and burn [it] upon the altar, and afterward shall cause the woman to drink the water.

26 De priester zal ook van dat spijsoffer, deszelfs gedenkoffer, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven.

NM 5:27 Heeft hij haar het water te drinken gegeven, dan zal, wanneer zij zich verontreinigd heeft en zij aan haar man ontrouw is geweest, het water, dat de vloek brengt, in haar worden tot bitterheid, zodat haar buik zal opzwellen en haar heup zal invallen, en die vrouw tot een vloek onder haar volk zal zijn.

27 And when he hath made her to drink the water, then it shall come to pass, [that], if she be defiled, and have done trespass against her husband, that the water that causeth the curse shall enter into her, [and become] bitter, and her belly shall swell, and her thigh shall rot: and the woman shall be a curse among her people.

27 Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal geschieden, indien zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, hetwelk vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn.

NM 5:28 Heeft de vrouw zich echter niet verontreinigd en is zij rein, dan zal zij ongestraft blijven en zwanger kunnen worden.

28 And if the woman be not defiled, but be clean; then she shall be free, and shall conceive seed.

28 Doch indien de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal zij vrij zijn, en zal met zaad bezadigd worden.

NM 5:29 Dit is de wet op gevallen van jaloersheid als een vrouw zich misgaan heeft tegenover haar man en zich verontreinigd heeft,

29 This [is] the law of jealousies, when a wife goeth aside [to another] instead of her husband, and is defiled;

29 Dit is de wet der ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn;

NM 5:30 of als over een man de geest der jaloersheid is gekomen, zodat hij jaloers is ten aanzien van zijn vrouw; hij zal de vrouw voor het aangezicht des HEREN stellen en de priester zal heel deze wet op haar toepassen.

30 Or when the spirit of jealousy cometh upon him, and he be jealous over his wife, and shall set the woman before the LORD, and the priest shall execute upon her all this law.

30 Of als over en man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stelle, en de priester aan haar deze ganse wet volbrenge.

NM 5:31 De man zal vrij zijn van ongerechtigheid, maar de vrouw zal haar ongerechtigheid dragen.

31 Then shall the man be guiltless from iniquity, and this woman shall bear her iniquity.

31 En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn; maar diezelve vrouw zal haar ongerechtigheid dragen.

NM 6:1 De HERE sprak tot Mozes:

1 And the LORD spake unto Moses, saying,

1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 6:2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer iemand, man of vrouw, een bijzondere gelofte wil afleggen, de nazireeërgelofte, om zich aan de HERE te wijden,

2 Speak unto the children of Israel, and say unto them, When either man or woman shall separate [themselves] to vow a vow of a Nazarite, to separate [themselves] unto the LORD:

2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireers, om zich den HEERE af te zonderen;

NM 6:3 dan zal hij zich van wijn en bedwelmende drank onthouden, geen azijn van wijn of van bedwelmende drank drinken noch enige uit druiven bereide drank, en geen druiven eten, noch verse noch gedroogde.

3 He shall separate [himself] from wine and strong drink, and shall drink no vinegar of wine, or vinegar of strong drink, neither shall he drink any liquor of grapes, nor eat moist grapes, or dried.

3 Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.

NM 6:4 Al de tijd van zijn nazireeërschap zal hij niets eten, dat van de wijnstok afkomstig is, van de pitten af tot de toppen der ranken toe.

4 All the days of his separation shall he eat nothing that is made of the vine tree, from the kernels even to the husk.

4 Al de dagen van zijn Nazireerschap zal hij niet eten van iets, dat van den wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe.

NM 6:5 Al de tijd van zijn nazireeërgelofte zal geen scheermes over zijn hoofd komen; totdat de tijd, voor welke hij zich aan de HERE gewijd heeft, ten einde is, zal hij heilig zijn, hij zal zijn hoofdhaar lang laten groeien.

5 All the days of the vow of his separation there shall no razor come upon his head: until the days be fulfilled, in the which he separateth [himself] unto the LORD, he shall be holy, [and] shall let the locks of the hair of his head grow.

5 Al de dagen der gelofte van zijn Nazireerschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen.

NM 6:6 Al de tijd, dat hij zich aan de HERE gewijd heeft, zal hij bij geen dode komen;

6 All the days that he separateth [himself] unto the LORD he shall come at no dead body.

6 Al de dagen, die hij zich de HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens doden niet gaan.

NM 6:7 aan zijn vader noch zijn moeder, aan zijn broeder noch zijn zuster mag hij zich, na hun sterven, verontreinigen, want het nazireeërschap zijns Gods is op zijn hoofd.

7 He shall not make himself unclean for his father, or for his mother, for his brother, or for his sister, when they die: because the consecration of his God [is] upon his head.

7 Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broeder of om zijn zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazireerschap zijns Gods is op zijn hoofd.

NM 6:8 Al de tijd van zijn nazireeërschap is hij de HERE heilig.

8 All the days of his separation he [is] holy unto the LORD.

8 Al de dagen van zijn Nazireerschap is hij den HEERE heilig.

NM 6:9 Sterft echter geheel onverwacht iemand in zijn omgeving, zodat hij het hoofdhaar van zijn nazireeërschap verontreinigt, dan zal hij zijn hoofdhaar afscheren op de dag van zijn reiniging, op de zevende dag zal hij het afscheren;

9 And if any man die very suddenly by him, and he hath defiled the head of his consecration; then he shall shave his head in the day of his cleansing, on the seventh day shall he shave it.

9 En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij het hoofd van zijn Nazireerschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd bescheren; op den zevenden dag zal hij het bescheren.

NM 6:10 op de achtste dag zal hij twee tortelduiven of twee jonge duiven naar de priester aan de ingang van de tent der samenkomst brengen.

10 And on the eighth day he shall bring two turtles, or two young pigeons, to the priest, to the door of the tabernacle of the congregation:

10 En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven, of twee jonge duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der samenkomst.

NM 6:11 Dan zal de priester de ene tot een zondoffer en de andere tot een brandoffer bereiden, en hij zal verzoening over hem doen, omdat hij zich door aanraking van een lijk heeft bezondigd, en hij zal op diezelfde dag zijn hoofd heiligen.

11 And the priest shall offer the one for a sin offering, and the other for a burnt offering, and make an atonement for him, for that he sinned by the dead, and shall hallow his head that same day.

11 De priester nu zal een bereiden ten zondoffer, en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; alzo zal hij zijn hoofd op dienzelfden dag heiligen.

NM 6:12 Dan zal hij opnieuw aan de HERE de tijd van zijn nazireeërschap wijden en een éénjarig schaap tot een schuldoffer brengen; de voorafgaande tijd zal niet meetellen, omdat zijn nazireeërschap verontreinigd was.

12 And he shall consecrate unto the LORD the days of his separation, and shall bring a lamb of the first year for a trespass offering: but the days that were before shall be lost, because his separation was defiled.

12 Daarna zal hij de dagen van zijn Nazireerschap den HEERE afzonderen, en zal een lam, dat eenjarig is, brengen ten schuldoffer; en de vorige dagen zullen vallen, omdat zijn Nazireerschap verontreinigd was.

NM 6:13 Dit nu is de wet aangaande de nazireeër. Wanneer de tijd van zijn nazireeërschap ten einde is, dan zal men hem naar de ingang van de tent der samenkomst brengen,

13 And this [is] the law of the Nazarite, when the days of his separation are fulfilled: he shall be brought unto the door of the tabernacle of the congregation:

13 En dit is de wet des Nazireers: op den dag, als de dagen van zijn Nazireerschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent der samenkomst.

NM 6:14 en hij zal zijn offergave de HERE aanbieden: een gaaf éénjarig schaap als brandoffer en een gave, éénjarige ooi als zondoffer en een gave ram als vredeoffer,

14 And he shall offer his offering unto the LORD, one he lamb of the first year without blemish for a burnt offering, and one ewe lamb of the first year without blemish for a sin offering, and one ram without blemish for peace offerings,

14 Hij dan zal tot zijn offerande den HEERE offeren een volkomen eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer.

NM 6:15 met een korf ongezuurde broden van fijn meel, koeken aangemaakt met olie, en dunne ongezuurde broden bestreken met olie, met het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers.

15 And a basket of unleavened bread, cakes of fine flour mingled with oil, and wafers of unleavened bread anointed with oil, and their meat offering, and their drink offerings.

15 En een korf ongezuurde [koeken], koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, mitsgaders hun spijsoffer, en hun drankofferen;

NM 6:16 En de priester zal het voor het aangezicht des HEREN brengen en zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden;

16 And the priest shall bring [them] before the LORD, and shall offer his sin offering, and his burnt offering:

16 En de priester zal het voor het aangezicht des HEEREN brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.

NM 6:17 de ram zal hij toebereiden als vredeoffer aan de HERE, met de korf ongezuurde broden; ook zal de priester het bijbehorend spijsoffer en het bijbehorend plengoffer bereiden.

17 And he shall offer the ram [for] a sacrifice of peace offerings unto the LORD, with the basket of unleavened bread: the priest shall offer also his meat offering, and his drink offering.

17 Hij zal ook den ram ten dankoffer den HEERE bereiden, met den korf der ongezuurde [koeken]; en de priester zal zijn spijsoffer en zijn drankoffer bereiden.

NM 6:18 Dan zal de nazireeër vóór de ingang van de tent der samenkomst het hoofdhaar van zijn nazireeërschap afscheren en dat hoofdhaar van zijn nazireeërschap nemen en het in het vuur onder het vredeoffer werpen.

18 And the Nazarite shall shave the head of his separation [at] the door of the tabernacle of the congregation, and shall take the hair of the head of his separation, and put [it] in the fire which [is] under the sacrifice of the peace offerings.

18 Alsdan zal de Nazireer, aan de deur van de tent der samenkomst, het hoofd van zijn Nazireerschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireerschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is.

NM 6:19 De priester zal de schouder van de ram nemen, nadat deze gekookt is, en één ongezuurde koek uit de korf, met één ongezuurde dunne koek, en deze leggen op de handpalmen van de nazireeër, nadat deze zich het haar van zijn nazireerschap heeft afgeschoren;

19 And the priest shall take the sodden shoulder of the ram, and one unleavened cake out of the basket, and one unleavened wafer, and shall put [them] upon the hands of the Nazarite, after [the hair of] his separation is shaven:

19 Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van den ram, en een ongezuurden koek uit den korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen des Nazireers leggen, nadat hij zijn Nazireerschap afgeschoren heeft.

NM 6:20 vervolgens zal de priester deze voor het aangezicht des HEREN bewegen als een beweegoffer; het zal een heiligheid voor de priester zijn, met de beweegborst en de hefschenkel. Eerst daarna zal de nazireeër wijn mogen drinken.

20 And the priest shall wave them [for] a wave offering before the LORD: this [is] holy for the priest, with the wave breast and heave shoulder: and after that the Nazarite may drink wine.

20 En de priester zal die bewegen ten beweegoffer, voor het aan gezicht des HEEREN; het is een heilig ding voor den priester, met de borst des beweegoffers, en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die Nazireer wijn drinken.

NM 6:21 Dit is de wet aangaande de nazireeër. Hetgeen hij als offergave de HERE belooft op grond van zijn nazireeërschap, behalve datgene waartoe hij in staat is, overeenkomstig zijn gelofte die hij belooft, aldus zal hij doen overeenkomstig de wet op zijn nazireeërschap.

21 This [is] the law of the Nazarite who hath vowed, [and of] his offering unto the LORD for his separation, beside [that] that his hand shall get: according to the vow which he vowed, so he must do after the law of his separation.

21 Dit is de wet des Nazireers, die zijn offerande den HEERE voor zijn Nazireerschap zal beloofd hebben, behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, welke hij beloofd zal hebben, alzo zal hij doen, naar de wet van zijn Nazireerschap.

NM 6:22 De HERE nu sprak tot Mozes:

22 And the LORD spake unto Moses, saying,

22 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 6:23 Spreek tot Aäron en zijn zonen: Zó zult gij de Israëlieten zegenen:

23 Speak unto Aaron and unto his sons, saying, On this wise ye shall bless the children of Israel, saying unto them,

23 Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:

NM 6:24 De HERE zegene u en behoede u;

24 The LORD bless thee, and keep thee:

24 De HEERE zegene u, en behoede u!

NM 6:25 de HERE doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig;

25 The LORD make his face shine upon thee, and be gracious unto thee:

25 De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!

NM 6:26 de HERE verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.

26 The LORD lift up his countenance upon thee, and give thee peace.

26 De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!

NM 6:27 Zo zullen zij mijn naam op de Israëlieten leggen, en Ik zal hen zegenen.

27 And they shall put my name upon the children of Israel; and I will bless them.

27 Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik zal hen zegenen.

NM 7:1 Op de dag nu, dat Mozes gereed was met het oprichten van de tabernakel, zalfde en heiligde hij die met al zijn toebehoren, benevens het altaar met al zijn toebehoren; en toen hij deze gezalfd en geheiligd had,

1 And it came to pass on the day that Moses had fully set up the tabernacle, and had anointed it, and sanctified it, and all the instruments thereof, both the altar and all the vessels thereof, and had anointed them, and sanctified them;

1 En het geschiedde ten dage, als Mozes geeindigd had den tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had;

NM 7:2 offerden de vorsten van Israël, de hoofden van hun families - dit waren de vorsten der stammen, degenen, die aan het hoofd van de getelden stonden; -

2 That the princes of Israel, heads of the house of their fathers, who [were] the princes of the tribes, and were over them that were numbered, offered:

2 Dat de oversten van Israel, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden stonden.

NM 7:3 als hun offergave brachten zij voor het aangezicht des HEREN: zes overdekte wagens en twaalf runderen, één wagen voor elke twee vorsten en voor ieder één rund, en zij brachten ze vóór de tabernakel.

3 And they brought their offering before the LORD, six covered wagons, and twelve oxen; a wagon for two of the princes, and for each one an ox: and they brought them before the tabernacle.

3 En zij brachten hun offerande voor het aangezicht des HEEREN, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elk een; en brachten ze voor den tabernakel.

NM 7:4 Toen zeide de HERE tot Mozes:

4 And the LORD spake unto Moses, saying,

4 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 7:5 Neem deze van hen in ontvangst en laat ze dienen voor de dienst aan de tent der samenkomst; geef ze aan de Levieten, naardat ieder voor zijn dienst behoeft.

5 Take [it] of them, that they may be to do the service of the tabernacle of the congregation; and thou shalt give them unto the Levites, to every man according to his service.

5 Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een ieder naar zijn dienst.

NM 7:6 Toen nam Mozes de wagens en de runderen in ontvangst en gaf ze aan de Levieten;

6 And Moses took the wagons and the oxen, and gave them unto the Levites.

6 Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten.

NM 7:7 twee wagens en vier runderen gaf hij aan de Gersonieten, naardat zij voor hun dienst behoefden,

7 Two wagons and four oxen he gave unto the sons of Gershon, according to their service:

7 Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hun dienst;

NM 7:8 en vier wagens en acht runderen gaf hij aan de Merarieten, naardat zij voor hun dienst behoefden, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.

8 And four wagons and eight oxen he gave unto the sons of Merari, according unto their service, under the hand of Ithamar the son of Aaron the priest.

8 En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merari, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.

NM 7:9 Maar aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat op hen rustte de dienst der heilige voorwerpen, die zij op hun schouder droegen.

9 But unto the sons of Kohath he gave none: because the service of the sanctuary belonging unto them [was that] they should bear upon their shoulders.

9 Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, [die] zij op de schouderen droegen.

NM 7:10 Ook brachten de vorsten een wijdingsgave voor het altaar, op de dag dat het gezalfd werd; de vorsten brachten hun offergave vóór het altaar.

10 And the princes offered for dedicating of the altar in the day that it was anointed, even the princes offered their offering before the altar.

10 En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als hetzelve gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar.

NM 7:11 En de HERE zeide tot Mozes: laat op elke dag één vorst zijn offergave voor de inwijding van het altaar brengen.

11 And the LORD said unto Moses, They shall offer their offering, each prince on his day, for the dedicating of the altar.

11 En de HEERE zeide tot Mozes: Elke overste zal, een iegelijk op zijn dag, zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars.

NM 7:12 Die nu op de eerste dag zijn offergave bracht, was Nachson, de zoon van Amminadab, van de stam van Juda.

12 And he that offered his offering the first day was Nahshon the son of Amminadab, of the tribe of Judah:

12 Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda.

NM 7:13 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

13 And his offering [was] one silver charger, the weight thereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them [were] full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

13 En zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:14 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

14 One spoon of ten [shekels] of gold, full of incense:

14 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:15 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

15 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

15 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:16 één geitebok tot een zondoffer;

16 One kid of the goats for a sin offering:

16 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:17 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Nachson, de zoon van Amminadab.

17 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Nahshon the son of Amminadab.

17 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab.

NM 7:18 Op de tweede dag bracht Netanel, de zoon van Suar, de vorst van Issakar, zijn offergave.

18 On the second day Nethaneel the son of Zuar, prince of Issachar, did offer:

18 Op den tweeden dag offerde Nethaneel, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar.

NM 7:19 Hij bracht als zijn offergave één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie tot een spijsoffer;

19 He offered [for] his offering one silver charger, the weight whereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

19 Hij offerde zijn offerande: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:20 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

20 One spoon of gold of ten [shekels], full of incense:

20 En een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:21 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

21 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

21 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:22 één geitebok tot een zondoffer;

22 One kid of the goats for a sin offering:

22 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:23 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Netanel, de zoon van Suar.

23 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Nethaneel the son of Zuar.

23 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nethaneel, den zoon van Zuar.

NM 7:24 Op de derde dag de vorst der Zebulonieten, Eliab, de zoon van Chelon.

24 On the third day Eliab the son of Helon, prince of the children of Zebulun, [did offer]:

24 Op den derden dag [offerde] de overste der zonen van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

NM 7:25 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

25 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

25 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:26 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

26 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

26 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:27 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

27 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

27 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:28 één geitebok tot een zondoffer;

28 One kid of the goats for a sin offering:

28 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:29 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Eliab, de zoon van Chelon.

29 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Eliab the son of Helon.

29 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eliab, den zoon van Helon.

NM 7:30 Op de vierde dag de vorst der Rubenieten, Elisur, de zoon van Sedeür.

30 On the fourth day Elizur the son of Shedeur, prince of the children of Reuben, [did offer]:

30 Op den vierden dag [offerde] de overste der kinderen van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur.

NM 7:31 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

31 His offering [was] one silver charger of the weight of an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

31 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:32 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

32 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

32 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:33 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

33 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

33 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:34 één geitebok tot een zondoffer;

34 One kid of the goats for a sin offering:

34 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:35 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Elisur, de zoon van Sedeür.

35 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Elizur the son of Shedeur.

35 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elizur, den zoon van Sedeur.

NM 7:36 Op de vijfde dag de vorst der Simeonieten, Selumiël, de zoon van Surisaddai.

36 On the fifth day Shelumiel the son of Zurishaddai, prince of the children of Simeon, [did offer]:

36 Op den vijfden dag [offerde] den overste der kinderen van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

NM 7:37 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

37 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

37 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:38 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

38 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

38 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:39 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

39 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

39 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:40 één geitebok tot een zondoffer;

40 One kid of the goats for a sin offering:

40 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:41 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Selumiël, de zoon van Surisaddai.

41 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Shelumiel the son of Zurishaddai.

41 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Selumiel, den zoon van Zurisaddai.

NM 7:42 Op de zesde dag de vorst der Gadieten, Eljasaf, de zoon van Reüel.

42 On the sixth day Eliasaph the son of Deuel, prince of the children of Gad, [offered]:

42 Op den zesden dag [offerde] de overste der kinderen van Gad, Eljasaf, den zoon van Dehuel.

NM 7:43 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

43 His offering [was] one silver charger of the weight of an hundred and thirty [shekels], a silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

43 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:44 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

44 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

44 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:45 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

45 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

45 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:46 één geitebok tot een zondoffer;

46 One kid of the goats for a sin offering:

46 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:47 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Eljasaf, de zoon van Reüel.

47 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Eliasaph the son of Deuel.

47 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eljasaf, den zoon van Dehuel.

NM 7:48 Op de zevende dag de vorst der Efraïmieten, Elisama, de zoon van Ammihud.

48 On the seventh day Elishama the son of Ammihud, prince of the children of Ephraim, [offered]:

48 Op den zevenden dag [offerde] de overste der kinderen van Efraim, Elisama, den zoon van Ammihud.

NM 7:49 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

49 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

49 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:50 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

50 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

50 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:51 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

51 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

51 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:52 één geitebok tot een zondoffer;

52 One kid of the goats for a sin offering:

52 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:53 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Elisama, de zoon van Ammihud.

53 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Elishama the son of Ammihud.

53 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elisama, den zoon van Ammihud.

NM 7:54 Op de achtste dag de vorst der Manassieten, Gamliël, de zoon van Pedasur.

54 On the eighth day [offered] Gamaliel the son of Pedahzur, prince of the children of Manasseh:

54 Op den achtsten dag [offerde] de overste der kinderen van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.

NM 7:55 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

55 His offering [was] one silver charger of the weight of an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

55 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:56 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

56 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

56 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:57 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

57 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

57 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:58 één geitebok tot een zondoffer;

58 One kid of the goats for a sin offering:

58 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:59 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Gamliël, de zoon van Pedasur.

59 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Gamaliel the son of Pedahzur.

59 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Gamaliel, den zoon van Pedazur.

NM 7:60 Op de negende dag de vorst der Benjaminieten, Abidan, de zoon van Gidoni.

60 On the ninth day Abidan the son of Gideoni, prince of the children of Benjamin, [offered]:

60 Op den negenden dag [offerde] de overste der kinderen van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.

NM 7:61 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

61 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

61 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:62 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

62 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

62 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:63 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

63 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

63 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:64 één geitebok tot een zondoffer;

64 One kid of the goats for a sin offering:

64 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:65 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Abidan, de zoon van Gidoni.

65 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Abidan the son of Gideoni.

65 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Abidan, den zoon van Gideoni.

NM 7:66 Op de tiende dag de vorst der Danieten, Achiëzer, de zoon van Ammisaddai.

66 On the tenth day Ahiezer the son of Ammishaddai, prince of the children of Dan, [offered]:

66 Op den tienden dag [offerde] de overste der kinderen van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.

NM 7:67 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

67 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

67 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:68 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

68 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

68 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:69 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

69 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

69 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:70 één geitebok tot een zondoffer;

70 One kid of the goats for a sin offering:

70 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:71 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Achiëzer, de zoon van Ammisaddai.

71 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Ahiezer the son of Ammishaddai.

71 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahiezer, den zoon van Ammisaddai.

NM 7:72 Op de elfde dag de vorst der Aserieten, Pagiël, de zoon van Okran.

72 On the eleventh day Pagiel the son of Ocran, prince of the children of Asher, [offered]:

72 Op den elfden dag [offerde] de overste der kinderen van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.

NM 7:73 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

73 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

73 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:74 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

74 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

74 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:75 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

75 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

75 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:76 één geitebok tot een zondoffer;

76 One kid of the goats for a sin offering:

76 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:77 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Pagiël, de zoon van Okran.

77 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Pagiel the son of Ocran.

77 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Pagiel, den zoon van Ochran.

NM 7:78 Op de twaalfde dag de vorst der Naftalieten, Achira, de zoon van Enan.

78 On the twelfth day Ahira the son of Enan, prince of the children of Naphtali, [offered]:

78 Op den twaalfden dag [offerde] de overste der kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.

NM 7:79 Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

79 His offering [was] one silver charger, the weight whereof [was] an hundred and thirty [shekels], one silver bowl of seventy shekels, after the shekel of the sanctuary; both of them full of fine flour mingled with oil for a meat offering:

79 Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig [sikkelen]; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

NM 7:80 één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk;

80 One golden spoon of ten [shekels], full of incense:

80 Een reukschaal van tien gouden [sikkelen], vol reukwerks;

NM 7:81 één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

81 One young bullock, one ram, one lamb of the first year, for a burnt offering:

81 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

NM 7:82 één geitebok tot een zondoffer;

82 One kid of the goats for a sin offering:

82 Een geitenbok, ten zondoffer;

NM 7:83 en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Achira, de zoon van Enan.

83 And for a sacrifice of peace offerings, two oxen, five rams, five he goats, five lambs of the first year: this [was] the offering of Ahira the son of Enan.

83 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahira, den zoon van Enan.

NM 7:84 Dit was de wijdingsgave voor het altaar op de dag dat het gezalfd werd, geschonken door de vorsten van Israël: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden schalen,

84 This [was] the dedication of the altar, in the day when it was anointed, by the princes of Israel: twelve chargers of silver, twelve silver bowls, twelve spoons of gold:

84 Dit was de inwijding des altaars van de oversten van Israel, op den dag als hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen.

NM 7:85 honderd dertig sikkels zilver elke schotel, en zeventig elk sprengbekken; al het zilver der vaten bedroeg tweeduizend vierhonderd sikkels, naar de heilige sikkel;

85 Each charger of silver [weighing] an hundred and thirty [shekels], each bowl seventy: all the silver vessels [weighed] two thousand and four hundred [shekels], after the shekel of the sanctuary:

85 Een zilveren schotel was van honderd dertig [sikkelen], en een sprengbekken van zeventig; al het zilver van de vaten was twee duizend en vierhonderd [sikkelen], naar den sikkel des heiligdoms.

NM 7:86 twaalf gouden schalen gevuld met reukwerk, elke schaal tien sikkels, naar de heilige sikkel; al het goud der schalen bedroeg honderd twintig sikkels.

86 The golden spoons [were] twelve, full of incense, [weighing] ten [shekels] apiece, after the shekel of the sanctuary: all the gold of the spoons [was] an hundred and twenty [shekels].

86 Twaalf gouden reukschalen van reukwerks; elke reukschaal was van tien [sikkelen], naar den sikkel des heiligdoms; al het goud der reukschalen was honderd en twintig [sikkelen].

NM 7:87 Al het vee voor het brandoffer bestond uit twaalf jonge stieren, twaalf rammen, twaalf éénjarige schapen, met het bijbehorende spijsoffer; daarbij twaalf geitebokken tot een zondoffer.

87 All the oxen for the burnt offering [were] twelve bullocks, the rams twelve, the lambs of the first year twelve, with their meat offering: and the kids of the goats for sin offering twelve.

87 Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer.

NM 7:88 Al het vee van het vredeoffer bestond uit vierentwintig jonge stieren, zestig rammen, zestig bokken, zestig éénjarige schapen. Dit was de wijdingsgave voor het altaar, nadat het gezalfd was.

88 And all the oxen for the sacrifice of the peace offerings [were] twenty and four bullocks, the rams sixty, the he goats sixty, the lambs of the first year sixty. This [was] the dedication of the altar, after that it was anointed.

88 En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was.

NM 7:89 Wanneer nu Mozes de tent der samenkomst binnenging om met Hem te spreken, dan hoorde hij een stem, die tot hem sprak van boven het verzoendeksel, dat op de ark der getuigenis was, van tussen de beide cherubs, en Hij sprak tot hem.

89 And when Moses was gone into the tabernacle of the congregation to speak with him, then he heard the voice of one speaking unto him from off the mercy seat that [was] upon the ark of testimony, from between the two cherubims: and he spake unto him.

89 En als Mozes in de tent der samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, hetwelk is op de ark der getuigenis, van tussen de twee cherubim. Alzo sprak Hij tot hem.

NM 8:1 De HERE sprak tot Mozes:

1 And the LORD spake unto Moses, saying,

1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 8:2 Spreek tot Aäron en zeg tot hem: Wanneer gij de lampen opstelt, moeten de zeven lampen haar licht doen vallen op de voorzijde van de kandelaar.

2 Speak unto Aaron, and say unto him, When thou lightest the lamps, the seven lamps shall give light over against the candlestick.

2 Spreek tot Aaron, en zeg tot hem: Als gij de lampen aansteken zult, recht tegenover den kandelaar zullen de zeven lampen lichten.

NM 8:3 En Aäron deed alzo; aan de voorzijde van de kandelaar stelde hij de lampen daarvan op, zoals de HERE Mozes geboden had.

3 And Aaron did so; he lighted the lamps thereof over against the candlestick, as the LORD commanded Moses.

3 En Aaron deed alzo: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan;

NM 8:4 En aldus was de kandelaar gemaakt: van gedreven goud; zowel wat zijn schacht als wat zijn bloesemversiering betreft, was hij gedreven werk; overeenkomstig het voorbeeld dat de HERE hem had getoond, had Mozes de kandelaar gemaakt.

4 And this work of the candlestick [was of] beaten gold, unto the shaft thereof, unto the flowers thereof, [was] beaten work: according unto the pattern which the LORD had shewed Moses, so he made the candlestick.

4 Dit werk nu des kandelaars was van dicht goud, tot zijn schacht, tot zijn bloemen was het dicht; naar de gedaante, die de HEERE Mozes vertoond had, alzo had hij den kandelaar gemaakt.

NM 8:5 En de HERE sprak tot Mozes:

5 And the LORD spake unto Moses, saying,

5 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 8:6 Neem de Levieten uit de Israëlieten en reinig hen.

6 Take the Levites from among the children of Israel, and cleanse them.

6 Neem de Levieten uit het midden van de kinderen Israels, en reinig hen.

NM 8:7 Aldus zult gij met hen handelen om hen te reinigen: sprenkel op hen ontzondigingswater, daarna moeten zij een scheermes over hun gehele lichaam laten gaan en hun klederen wassen, opdat zij gereinigd worden.

7 And thus shalt thou do unto them, to cleanse them: Sprinkle water of purifying upon them, and let them shave all their flesh, and let them wash their clothes, and [so] make themselves clean.

7 En aldus zult gij hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun ganse vlees doen gaan, en zij zullen hun klederen wassen, en zich reinigen.

NM 8:8 Dan zullen zij een jonge stier nemen met het bijbehorend spijsoffer, fijn meel aangemaakt met olie, en een tweede jonge stier zult gij nemen tot een zondoffer.

8 Then let them take a young bullock with his meat offering, [even] fine flour mingled with oil, and another young bullock shalt thou take for a sin offering.

8 Daarna zullen zij nemen een var, een jong rund, met zijn spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; en een anderen var, een jong rund, zult gij nemen ten zondoffer.

NM 8:9 Vervolgens zult gij de Levieten doen naderen vóór de tent der samenkomst, en de gehele vergadering der Israëlieten samenroepen.

9 And thou shalt bring the Levites before the tabernacle of the congregation: and thou shalt gather the whole assembly of the children of Israel together:

9 En gij zult de Levieten voor de tent der samenkomst doen naderen; en gij zult de gehele vergadering der kinderen Israels doen verzamelen.

NM 8:10 Hebt gij de Levieten voor het aangezicht des HEREN doen naderen, dan zullen de Israëlieten de Levieten de handen opleggen,

10 And thou shalt bring the Levites before the LORD: and the children of Israel shall put their hands upon the Levites:

10 Ja, gij zult de Levieten voor het aangezicht des HEEREN doen naderen; en de kinderen Israels zullen hun handen op de Levieten leggen.

NM 8:11 en Aäron zal de Levieten bewegen als een beweegoffer uit de Israëlieten voor het aangezicht des HEREN, en zij zullen bestemd zijn om de dienst des HEREN te verrichten.

11 And Aaron shall offer the Levites before the LORD [for] an offering of the children of Israel, that they may execute the service of the LORD.

11 En Aaron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, vanwege de kinderen Israels; opdat zij zijn, om den dienst des HEEREN te bedienen.

NM 8:12 Nadat de Levieten hun handen op de kop der jonge stieren gelegd hebben, bereid dan de ene tot een zondoffer en de andere tot een brandoffer voor de HERE, om verzoening te doen over de Levieten.

12 And the Levites shall lay their hands upon the heads of the bullocks: and thou shalt offer the one [for] a sin offering, and the other [for] a burnt offering, unto the LORD, to make an atonement for the Levites.

12 En de Levieten zullen hun handen op het hoofd der varren leggen; daarna bereidt gij een ten zondoffer, en een ten brandoffer den HEERE, om over de Levieten verzoening te doen.

NM 8:13 Dan zult gij de Levieten vóór Aäron en zijn zonen plaatsen en hen bewegen als een beweegoffer voor de HERE.

13 And thou shalt set the Levites before Aaron, and before his sons, and offer them [for] an offering unto the LORD.

13 En gij zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en gij zult hen bewegen ten beweegoffer den HEERE.

NM 8:14 Aldus zult gij de Levieten uit de Israëlieten afzonderen, opdat de Levieten mijn eigendom zijn.

14 Thus shalt thou separate the Levites from among the children of Israel: and the Levites shall be mine.

14 En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israels uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn.

NM 8:15 Eerst daarna zullen de Levieten naar binnen gaan om bij de tent der samenkomst dienst te doen; gij zult hen reinigen en hen als een beweegoffer bewegen.

15 And after that shall the Levites go in to do the service of the tabernacle of the congregation: and thou shalt cleanse them, and offer them [for] an offering.

15 En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen.

NM 8:16 Want zij zullen uit de Israëlieten Mij onvoorwaardelijk geschonken zijn; Ik heb hen voor Mij genomen in de plaats van alles wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten.

16 For they [are] wholly given unto me from among the children of Israel; instead of such as open every womb, [even instead of] the firstborn of all the children of Israel, have I taken them unto me.

16 Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israels; voor de opening van alle baarmoeder, [voor] de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israels, heb Ik ze Mij genomen.

NM 8:17 Want alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, zowel van mens als van dier, zijn mijn eigendom; op de dag dat Ik alle eerstgeborenen in het land Egypte sloeg, heb Ik hen Mij geheiligd,

17 For all the firstborn of the children of Israel [are] mine, [both] man and beast: on the day that I smote every firstborn in the land of Egypt I sanctified them for myself.

17 Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israels is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd.

NM 8:18 en Ik nam de Levieten in de plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten,

18 And I have taken the Levites for all the firstborn of the children of Israel.

18 En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels.

NM 8:19 en Ik gaf de Levieten uit de Israëlieten als geschonkenen aan Aäron en zijn zonen, om de dienst der Israëlieten bij de tent der samenkomst te verrichten, en om verzoening te doen over de Israëlieten, opdat er geen plaag zij onder de Israëlieten, wanneer de Israëlieten tot het heilige zouden naderen.

19 And I have given the Levites [as] a gift to Aaron and to his sons from among the children of Israel, to do the service of the children of Israel in the tabernacle of the congregation, and to make an atonement for the children of Israel: that there be no plague among the children of Israel, when the children of Israel come nigh unto the sanctuary.

19 En Ik heb de Levieten aan Aaron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israels, om den dienst van de kinderen Israels in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israels verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israels, als de kinderen Israels tot het heiligdom naderen zouden.

NM 8:20 Toen volbrachten Mozes, Aäron en de gehele vergadering der Israëlieten deze handeling aan de Levieten; juist zoals de HERE Mozes ten aanzien van de Levieten geboden had, deden de Israëlieten met hen.

20 And Moses, and Aaron, and all the congregation of the children of Israel, did to the Levites according unto all that the LORD commanded Moses concerning the Levites, so did the children of Israel unto them.

20 En Mozes deed, en Aaron, en de ganse vergadering der kinderen Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israels aan hen.

NM 8:21 De Levieten lieten zich ontzondigen en wiesen hun klederen, Aäron bewoog hen als een beweegoffer voor het aangezicht des HEREN, en deed verzoening over hen en reinigde hen.

21 And the Levites were purified, and they washed their clothes; and Aaron offered them [as] an offering before the LORD; and Aaron made an atonement for them to cleanse them.

21 En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun klederen, en Aaron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en Aaron deed verzoening over hen, om hen te reinigen.

NM 8:22 Daarna gingen de Levieten naar binnen om hun dienst bij de tent der samenkomst te verrichten, onder toezicht van Aäron en zijn zonen. Zoals de HERE Mozes aangaande de Levieten geboden had, deed men met hen.

22 And after that went the Levites in to do their service in the tabernacle of the congregation before Aaron, and before his sons: as the LORD had commanded Moses concerning the Levites, so did they unto them.

22 En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent der samenkomst, voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht zijner zonen; gelijk als de HEERE Mozes van de Levieten geboden had, alzo deden zij aan hen.

NM 8:23 En de HERE sprak tot Mozes:

23 And the LORD spake unto Moses, saying,

23 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 8:24 Dit geldt voor de Levieten: iemand van vijfentwintig jaar oud en daarboven zal komen om zijn taak te verrichten in de dienst van de tent der samenkomst,

24 This [is it] that [belongeth] unto the Levites: from twenty and five years old and upward they shall go in to wait upon the service of the tabernacle of the congregation:

24 Dit is het, wat de Levieten aangaat: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om den strijd te strijden, in den dienst van de tent der samenkomst.

NM 8:25 en op vijftigjarige leeftijd zal hij van het dienstwerk ontslagen zijn, zodat hij niet langer behoeft te dienen.

25 And from the age of fifty years they shall cease waiting upon the service [thereof], and shall serve no more:

25 Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van den strijd van dezen dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen.

NM 8:26 Al zal hij zijn broeders in de tent der samenkomst bij het vervullen van hun taak behulpzaam mogen zijn, hij zal geen dienst meer behoeven te doen. Aldus zult gij met de Levieten handelen ten aanzien van hun taak.

26 But shall minister with their brethren in the tabernacle of the congregation, to keep the charge, and shall do no service. Thus shalt thou do unto the Levites touching their charge.

26 Doch hij zal met zijn broederen dienen in de tent der samenkomst, om de wacht waar te nemen; maar den dienst zal hij niet bedienen. Alzo zult gij aan de Levieten doen in hun wachten.

NM 9:1 En de HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte, in de eerste maand:

1 And the LORD spake unto Moses in the wilderness of Sinai, in the first month of the second year after they were come out of the land of Egypt, saying,

1 En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende:

NM 9:2 De Israëlieten nu zullen het Pascha vieren op de daarvoor bepaalde tijd;

2 Let the children of Israel also keep the passover at his appointed season.

2 Dat de kinderen Israels het pascha houden zouden, op zijn gezetten tijd.

NM 9:3 op de veertiende dag dezer maand, in de avondschemering, zult gij het vieren op de daarvoor bepaalde tijd, naar al de inzettingen en verordeningen, die daarop betrekking hebben, zult gij het vieren.

3 In the fourteenth day of this month, at even, ye shall keep it in his appointed season: according to all the rites of it, and according to all the ceremonies thereof, shall ye keep it.

3 Op den veertienden dag in deze maand, tussen twee avonden zult gij dat houden, op zijn gezetten tijd; naar al zijn inzettingen, en naar al zijn rechten zult gij dat houden.

NM 9:4 Toen beval Mozes de Israëlieten het Pascha te vieren;

4 And Moses spake unto the children of Israel, that they should keep the passover.

4 Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, dat zij het pascha zouden houden.

NM 9:5 en zij vierden het Pascha in de eerste maand, op de veertiende dag der maand, in de avondschemering, in de woestijn Sinai; juist zoals de HERE Mozes geboden had, deden de Israëlieten.

5 And they kept the passover on the fourteenth day of the first month at even in the wilderness of Sinai: according to all that the LORD commanded Moses, so did the children of Israel.

5 En zij hielden het pascha op den veertienden dag der eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinai; naar alles wat de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israels.

NM 9:6 Nu waren er enige mannen, die onrein waren door aanraking van het lijk van een mens, zodat zij op die dag het Pascha niet konden vieren; dezen verschenen op die dag vóór Mozes en Aäron.

6 And there were certain men, who were defiled by the dead body of a man, that they could not keep the passover on that day: and they came before Moses and before Aaron on that day:

6 Toen waren er lieden geweest, die over het dode lichaam eens mensen onrein waren, en op denzelven dag het pascha niet hadden kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Aaron op dienzelven dag.

NM 9:7 En die mannen zeiden tot hen: Wij zijn onrein door aanraking van het lijk van een mens, waarom wordt ons nu belet de offergave des HEREN op de daarvoor bepaalde tijd te midden van de Israëlieten te brengen?

7 And those men said unto him, We [are] defiled by the dead body of a man: wherefore are we kept back, that we may not offer an offering of the LORD in his appointed season among the children of Israel?

7 En diezelve lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam eens mensen; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet zouden offeren, in het midden van de kinderen Israels?

NM 9:8 Toen zeide Mozes tot hen: Blijft hier staan, dan wil ik horen, wat mij de HERE ten aanzien van u zal gebieden.

8 And Moses said unto them, Stand still, and I will hear what the LORD will command concerning you.

8 En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, dat ik hoor, wat de HEERE u gebieden zal.

NM 9:9 Toen sprak de HERE tot Mozes:

9 And the LORD spake unto Moses, saying,

9 Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

NM 9:10 Spreek tot de Israëlieten: wanneer iemand onrein is door aanraking van een lijk of op een verre reis is, - het geldt zowel voor u als voor uw nageslacht - dan zal hij toch des HEREN Pascha vieren.

10 Speak unto the children of Israel, saying, If any man of you or of your posterity shall be unclean by reason of a dead body, or [be] in a journey afar off, yet he shall keep the passover unto the LORD.

10 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog den HEERE het pascha houden.

NM 9:11 In de tweede maand, op de veertiende dag, in de avondschemering, zal men het vieren, met ongezuurde broden en bittere kruiden zal men het eten.

11 The fourteenth day of the second month at even they shall keep it, [and] eat it with unleavened bread and bitter [herbs].

11 In de tweede maand, op den veertienden dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde [broden] en bittere saus zullen zij dat eten.

NM 9:12 Men zal niets ervan laten overblijven tot de volgende morgen, en geen been eraan breken; geheel volgens de inzetting van het Pascha zal men het vieren.

12 They shall leave none of it unto the morning, nor break any bone of it: according to all the ordinances of the passover they shall keep it.

12 Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden.

NM 9:13 Maar de man, die rein is, en niet op reis, en nalaat het Pascha te vieren, die zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten, omdat hij op de daarvoor bepaalde tijd de offergave des HEREN niet heeft gebracht; die man zal zijn zonde dragen.

13 But the man that [is] clean, and is not in a journey, and forbeareth to keep the passover, even the same soul shall be cut off from among his people: because he brought not the offering of the LORD in his appointed season, that man shall bear his sin.

13 Als een man, die rein is, en op den weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet geofferd, diezelve man zal zijn zonde dragen.

NM 9:14 Wanneer bij u een vreemdeling vertoeft, die de HERE het Pascha vieren wil, dan moet hij het vieren naar de inzetting van het Pascha en de verordeningen, die daarop betrekking hebben. Enerlei inzetting zal voor u gelden, zowel voor de vreemdeling als voor de in het land geborene.

14 And if a stranger shall sojourn among you, and will keep the passover unto the LORD; according to the ordinance of the passover, and according to the manner thereof, so shall he do: ye shall have one ordinance, both for the stranger, and for him that was born in the land.

14 En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha den HEERE ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijn wijze, alzo zal hij het houden; het zal enerlei inzetting voor ulieden zijn, beiden den vreemdeling en den inboorling des lands.

NM 9:15 Op de dag nu der oprichting van de tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, de tent der getuigenis, en des avonds was zij op de tabernakel als een vuurverschijnsel tot aan de morgen.

15 And on the day that the tabernacle was reared up the cloud covered the tabernacle, [namely], the tent of the testimony: and at even there was upon the tabernacle as it were the appearance of fire, until the morning.

15 En op den dag van het oprichten des tabernakels bedekte de wolk den tabernakel, op de tent der getuigenis; en in den avond was over den tabernakel als een gedaante des vuurs, tot aan den morgen.

NM 9:16 Zo was het voortdurend: de wolk bedekte hem, en het vuurverschijnsel des nachts.

16 So it was alway: the cloud covered it [by day], and the appearance of fire by night.

16 Alzo geschiedde het geduriglijk; de wolk bedekte denzelven, en des nachts was er een gedaante des vuurs.

NM 9:17 En zo vaak als de wolk van boven de tent optrok, braken daarna de Israëlieten op, en op de plek waar de wolk bleef rusten, daar legerden zich de Israëlieten.

17 And when the cloud was taken up from the tabernacle, then after that the children of Israel journeyed: and in the place where the cloud abode, there the children of Israel pitched their tents.

17 Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zo verreisden ook daarna de kinderen Israels; en in de plaats, waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israels.

NM 9:18 Op het bevel des HEREN braken de Israëlieten op, en op het bevel des HEREN legerden zij zich; zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven zij gelegerd.

18 At the commandment of the LORD the children of Israel journeyed, and at the commandment of the LORD they pitched: as long as the cloud abode upon the tabernacle they rested in their tents.

18 Naar den mond des HEEREN, verreisden de kinderen Israels, en naar des HEEREN mond legerden zij zich; al de dagen, in dewelke de wolk over den tabernakel bleef, legerden zij zich.

NM 9:19 Bleef de wolk lange tijd op de tabernakel, dan onderhielden de Israëlieten de dienst des HEREN, en braken niet op.

19 And when the cloud tarried long upon the tabernacle many days, then the children of Israel kept the charge of the LORD, and journeyed not.

19 En als de wolk vele dagen over den tabernakel verbleef, zo namen de kinderen Israels de wacht des HEEREN waar, en verreisden niet.

NM 9:20 Soms bleef de wolk enkele dagen op de tabernakel; dan legerden zij zich op het bevel des HEREN en op het bevel des HEREN braken zij op.

20 And [so] it was, when the cloud was a few days upon the tabernacle; according to the commandment of the LORD they abode in their tents, and according to the commandment of the LORD they journeyed.

20 Als het nu was, dat de wolk weinige dagen op den tabernakel was, naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN verreisden zij.

NM 9:21 Soms was de wolk er van de avond tot de morgen; trok de wolk dan in de morgen op, dan braken zij op; hetzij des daags of des nachts, als de wolk optrok, dan braken zij op.

21 And [so] it was, when the cloud abode from even unto the morning, and [that] the cloud was taken up in the morning, then they journeyed: whether [it was] by day or by night that the cloud was taken up, they journeyed.

21 Maar was het, dat de wolk van den avond tot den morgen daar was, en de wolk in den morgen opgeheven werd, zo verreisden zij; of des daags, of des nachts, als de wolk opgeheven werd, zo verreisden zij.

NM 9:22 Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel rustte, hetzij twee dagen, een maand of nog langer, dan bleven de Israëlieten gelegerd en braken niet op; eerst, als zij optrok, braken zij op.

22 Or [whether it were] two days, or a month, or a year, that the cloud tarried upon the tabernacle, remaining thereon, the children of Israel abode in their tents, and journeyed not: but when it was taken up, they journeyed.

22 Of als de wolk twee dagen, of een maand, of [vele] dagen vertoog op den tabernakel, blijvende daarop, zo legerden zich de kinderen Israels, en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij.

NM 9:23 Op het bevel des HEREN legerden zij zich en op het bevel des HEREN braken zij op; zij onderhielden de dienst des HEREN, volgens het bevel des HEREN door de dienst van Mozes.

23 At the commandment of the LORD they rested in the tents, and at the commandment of the LORD they journeyed: they kept the charge of the LORD, at the commandment of the LORD by the hand of Moses.

23 Naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN verreisden zij; zij namen de wacht des HEEREN waar, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.

NM 10:1 De HERE sprak tot Mozes:

1 And the LORD spake unto Moses, saying,

1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

NM 10:2 Maak u twee zilveren trompetten; van gedreven werk zult gij deze maken, om u te dienen tot het samenroepen van de vergadering en tot het opbreken van de legerplaatsen.

2 Make thee two trumpets of silver; of a whole piece shalt thou make them: that thou mayest use them for the calling of the assembly, and for the journeying of the camps.

2 Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.

NM 10:3 Geeft men op beide een stoot, dan zal de gehele vergadering zich tot u verzamelen bij de ingang van de tent der samenkomst.

3 And when they shall blow with them, all the assembly shall assemble themselves to thee at the door of the tabernacle of the congregation.

3 Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.

NM 10:4 Geeft men op één een stoot, dan zullen de vorsten, de stamhoofden Israëls, zich tot u verzamelen.

4 And if they blow [but] with one [trumpet], then the princes, [which are] heads of the thousands of Israel, shall gather themselves unto thee.

4 Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel.

NM 10:5 Blaast gij één signaal, dan zullen de legerafdelingen die aan de oostzijde gelegerd zijn, opbreken;

5 When ye blow an alarm, then the camps that lie on the east parts shall go forward.

5 Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.

NM 10:6 blaast gij een tweede signaal, dan zullen de legerafdelingen die aan de zuidzijde gelegerd zijn, opbreken. Men zal een signaal blazen, als zij moeten opbreken;

6 When ye blow an alarm the second time, then the camps that lie on the south side shall take their journey: they shall blow an alarm for their journeys.

6 Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten.

NM 10:7 bij het samenroepen van de gemeente zult gij alleen een stoot geven, maar geen signaal blazen.

7 But when the congregation is to be gathered together, ye shall blow, but ye shall not sound an alarm.

7 Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.

NM 10:8 De zonen van Aäron, de priesters, zullen op de trompetten blazen; dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn voor uw nageslacht.

8 And the sons of Aaron, the priests, shall blow with the trumpets; and they shall be to you for an ordinance for ever throughout your generations.

8 En de zonen van Aaron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.

NM 10:9 En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij in gedachtenis gebracht zult worden voor het aangezicht van de HERE, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden.

9 And if ye go to war in your land against the enemy that oppresseth you, then ye shall blow an alarm with the trumpets; and ye shall be remembered before the LORD your God, and ye shall be saved from your enemies.

9 En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.

NM 10:10 Ook op uw vreugdedagen, op uw feesten en op uw nieuwemaansdagen zult gij een stoot op de trompetten geven bij uw brandoffers en vredeoffers; zij zullen u dienen om u voor het aangezicht van uw God in gedachtenis te brengen; Ik ben de HERE, uw God.

10 Also in the day of your gladness, and in your solemn days, and in the beginnings of your months, ye shall blow with the trumpets over your burnt offerings, and over the sacrifices of your peace offerings; that they may be to you for a memorial before your God: I [am] the LORD your God.

10 Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!

NM 10:11 In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste dag der maand, trok de wolk van boven de tabernakel der getuigenis op.

11 And it came to pass on the twentieth [day] of the second month, in the second year, that the cloud was taken up from off the tabernacle of the testimony.

11 En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.

NM 10:12 Toen braken de Israëlieten uit de woestijn Sinai op in de voorgeschreven orde van opbreken, en de wolk bleef rusten in de woestijn Paran.

12 And the children of Israel took their journeys out of the wilderness of Sinai; and the cloud rested in the wilderness of Paran.

12 En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.

NM 10:13 Dit nu was de eerste maal, dat zij opbraken volgens het bevel des HEREN door de dienst van Mozes.

13 And they first took their journey according to the commandment of the LORD by the hand of Moses.

13 Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.

NM 10:14 In de eerste plaats brak het vendel van de legerplaats der Judeeërs op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Juda stond Nachson, de zoon van Amminadab;

14 In the first [place] went the standard of the camp of the children of Judah according to their armies: and over his host [was] Nahshon the son of Amminadab.

14 Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.

NM 10:15 aan het hoofd van het leger van de stam der Issakarieten stond Netanel, de zoon van Suar;

15 And over the host of the tribe of the children of Issachar [was] Nethaneel the son of Zuar.

15 En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.

NM 10:16 aan het hoofd van het leger van de stam der Zebulonieten stond Eliab, de zoon van Chelon.

16 And over the host of the tribe of the children of Zebulun [was] Eliab the son of Helon.

16 En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.

NM 10:17 Daarna werd de tabernakel afgebroken, en braken de Gersonieten en de Merarieten op, die de tabernakel droegen.

17 And the tabernacle was taken down; and the sons of Gershon and the sons of Merari set forward, bearing the tabernacle.

17 Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.

NM 10:18 Vervolgens brak het vendel van de legerplaats van Ruben op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Ruben stond Elisur, de zoon van Sedeür;

18 And the standard of the camp of Reuben set forward according to their armies: and over his host [was] Elizur the son of Shedeur.

18 Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.

NM 10:19 aan het hoofd van het leger van de stam der Simeonieten stond Selumiël, de zoon van Surisaddai;

19 And over the host of the tribe of the children of Simeon [was] Shelumiel the son of Zurishaddai.

19 En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

NM 10:20 aan het hoofd van het leger van de stam der Gadieten stond Eljasaf, de zoon van Reüel.

20 And over the host of the tribe of the children of Gad [was] Eliasaph the son of Deuel.

20 En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.

NM 10:21 Daarna braken de Kehatieten op, die het heilige droegen; men richtte de tabernakel op, voordat zij kwamen.

21 And the Kohathites set forward, bearing the sanctuary: and [the other] did set up the tabernacle against they came.

21 Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en [de] [anderen] richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.

NM 10:22 Dan brak het vendel van de legerplaats der Efraïmieten op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Efraïm stond Elisama, de zoon van Ammihud;

22 And the standard of the camp of the children of Ephraim set forward according to their armies: and over his host [was] Elishama the son of Ammihud.

22 Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.

NM 10:23 aan het hoofd van het leger van de stam der Manassieten stond Gamliël, de zoon van Pedasur;

23 And over the host of the tribe of the children of Manasseh [was] Gamaliel the son of Pedahzur.

23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.

NM 10:24 aan het hoofd van het leger van de stam der Benjaminieten stond Abidan, de zoon van Gidoni.

24 And over the host of the tribe of the children of Benjamin [was] Abidan the son of Gideoni.

24 En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.

NM 10:25 Als laatste van alle legerplaatsen brak het vendel van de legerplaats der Danieten op volgens hun legerscharen; aan het hoofd van het leger van Dan stond Achiëzer, de zoon van Ammisaddai;

25 And the standard of the camp of the children of Dan set forward, [which was] the rereward of all the camps throughout their hosts: and over his host [was] Ahiezer the son of Ammishaddai.

25 Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.

NM 10:26 aan het hoofd van het leger van de stam der Aserieten stond Pagiël, de zoon van Okran;

26 And over the host of the tribe of the children of Asher [was] Pagiel the son of Ocran.

26 En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.

NM 10:27 aan het hoofd van het leger van de stam der Naftalieten stond Achira, de zoon van Enan.

27 And over the host of the tribe of the children of Naphtali [was] Ahira the son of Enan.

27 En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.

NM 10:28 Aldus was de orde van opbreken der Israëlieten volgens hun legerscharen. En zij braken op.

28 Thus [were] the journeyings of the children of Israel according to their armies, when they set forward.

28 Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.

NM 10:29 Toen zeide Mozes tot Chobab, de zoon van de Midjaniet Reüel, de schoonvader van Mozes: Wij trekken op naar de plaats waarvan de HERE gezegd heeft: Ik zal u haar geven; ga met ons, dan zullen wij u weldoen, want de HERE heeft het goede gesproken over Israël.

29 And Moses said unto Hobab, the son of Raguel the Midianite, Moses' father in law, We are journeying unto the place of which the LORD said, I will give it you: come thou with us, and we will do thee good: for the LORD hath spoken good concerning Israel.

29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.

NM 10:30 Hij echter zeide tot hem: Neen, maar ik wil naar mijn land en naar mijn verwanten gaan.

30 And he said unto him, I will not go; but I will depart to mine own land, and to my kindred.

30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.

NM 10:31 Hij nu zeide: Wil ons toch niet verlaten, want gij weet immers, hoe wij ons in de woestijn moeten legeren, en gij kunt ons tot ogen dienen.

31 And he said, Leave us not, I pray thee; forasmuch as thou knowest how we are to encamp in the wilderness, and thou mayest be to us instead of eyes.

31 En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.

NM 10:32 Indien gij nu met ons medegaat, en wanneer het goede er zal zijn, waarmede de HERE ons zal weldoen, dan zullen wij u weldoen.

32 And it shall be, if thou go with us, yea, it shall be, that what goodness the LORD shall do unto us, the same will we do unto thee.

32 En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.

NM 10:33 Toen braken zij op van de berg des HEREN en trokken drie dagreizen ver, terwijl de ark van het verbond des HEREN vóór hen uit optrok, drie dagreizen ver, om voor hen een rustplaats te zoeken.

33 And they departed from the mount of the LORD three days' journey: and the ark of the covenant of the LORD went before them in the three days' journey, to search out a resting place for them.

33 Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.

NM 10:34 En de wolk des HEREN was overdag boven hen, wanneer zij uit de legerplaats opbraken.

34 And the cloud of the LORD [was] upon them by day, when they went out of the camp.

34 En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.

NM 10:35 Wanneer nu de ark opbrak, zeide Mozes: Sta op, HERE, opdat uw vijanden verstrooid worden en uw haters van uw aangezicht wegvluchten.

35 And it came to pass, when the ark set forward, that Moses said, Rise up, LORD, and let thine enemies be scattered; and let them that hate thee flee before thee.

35 Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!

NM 10:36 En wanneer zij bleef rusten, zeide hij: Keer weder, HERE, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.

36 And when it rested, he said, Return, O LORD, unto the many thousands of Israel.

36 En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! [tot] de tien duizenden der duizenden van Israel!

NM 11:1 Toen het volk aan het klagen was, was het kwaad in de oren des HEREN; de HERE hoorde het en zijn toorn ontstak, waarop het vuur des HEREN onder hen ontbrandde en aan de rand van de legerplaats woedde.

1 And [when] the people complained, it displeased the LORD: and the LORD heard [it]; and his anger was kindled; and the fire of the LORD burnt among them, and consumed [them that were] in the uttermost parts of the camp.

1 En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, [dat] het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers.

NM 11:2 Toen kermde het volk tot Mozes en Mozes bad tot de HERE; daarop doofde het vuur.

2 And the people cried unto Moses; and when Moses prayed unto the LORD, the fire was quenched.

2 Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE; en het vuur werd gedempt.

NM 11:3 Daarom gaf men aan die plaats de naam Tabera, omdat onder hen het vuur des HEREN had gebrand.

3 And he called the name of the place Taberah: because the fire of the LORD burnt among them.

3 Daarom noemde hij den naam dier plaats Thabera, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had.

NM 11:4 Het samenraapsel nu, dat zich onder hen bevond, werd met gulzig begeren vervuld; ook de Israëlieten begonnen weer te jammeren en zeiden: Wie geeft ons vlees te eten?

4 And the mixt multitude that [was] among them fell a lusting: and the children of Israel also wept again, and said, Who shall give us flesh to eat?

4 En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?

NM 11:5 Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en de meloenen, het look, de uien en het knoflook.

5 We remember the fish, which we did eat in Egypt freely; the cucumbers, and the melons, and the leeks, and the onions, and the garlick:

5 Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook.

NM 11:6 Maar nu drogen wij uit, er is in het geheel niets, wij krijgen alleen dit man te zien.

6 But now our soul [is] dried away: [there is] nothing at all, beside this manna, [before] our eyes.

6 Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!

NM 11:7 Het man nu leek op korianderzaad en het zag er uit als balsemhars;

7 And the manna [was] as coriander seed, and the colour thereof as the colour of bdellium.

7 Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van den bedolah.

NM 11:8 het volk verspreidde zich om het te verzamelen en maalde het in handmolens of stampte het in vijzels en kookte het in potten en bereidde het tot koeken; en de smaak ervan was als van oliegebak;

8 [And] the people went about, and gathered [it], and ground [it] in mills, or beat [it] in a mortar, and baked [it] in pans, and made cakes of it: and the taste of it was as the taste of fresh oil.

8 Het volk liep hier en daar, en verzamelde [het], en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie.

NM 11:9 telkens wanneer des nachts de dauw op de legerplaats neerdaalde, daalde ook het man daarop neder.

9 And when the dew fell upon the camp in the night, the manna fell upon it.

9 En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.

NM 11:10 Toen Mozes het volk, geslacht aan geslacht, hoorde wenen, ieder aan de ingang van zijn tent, ontbrandde de toorn des HEREN hevig, en het was kwaad in de ogen van Mozes,

10 Then Moses heard the people weep throughout their families, every man in the door of his tent: and the anger of the LORD was kindled greatly; Moses also was displeased.

10 Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur zijner hut; en de toorn des HEEREN ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes.

NM 11:11 en Mozes zeide tot de HERE: Waarom hebt Gij uw knecht slecht behandeld en waarom heb ik geen genade gevonden in uw ogen, dat Gij de last van dit gehele volk op mij legt?

11 And Moses said unto the LORD, Wherefore hast thou afflicted thy servant? and wherefore have I not found favour in thy sight, that thou layest the burden of all this people upon me?

11 En Mozes zeide tot de HEERE: Waarom hebt Gij aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat Gij den last van dit ganse volk op mij legt?

NM 11:12 Heb ik dit gehele volk ontvangen of heb ik het gebaard, dat Gij tot mij zoudt kunnen zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een voedstervader een zuigeling draagt, naar het land dat Gij aan zijn vaderen onder ede beloofd hebt?

12 Have I conceived all this people? have I begotten them, that thou shouldest say unto me, Carry them in thy bosom, as a nursing father beareth the sucking child, unto the land which thou swarest unto their fathers?

12 Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat Gij tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader den zuigeling draagt, tot dat land, hetwelk Gij hun vaderen gezworen hebt?

NM 11:13 Vanwaar zou ik het vlees halen om aan dit gehele volk te geven? want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees te eten!

13 Whence should I have flesh to give unto all this people? for they weep unto me, saying, Give us flesh, that we may eat.

13 Van waar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij wenen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten!

NM 11:14 Ik alleen kan de zorg voor dit gehele volk niet dragen: dat is mij te zwaar.

14 I am not able to bear all this people alone, because [it is] too heavy for me.

14 Ik alleen kan al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar!

NM 11:15 Wilt Gij zó met mij handelen, dood mij dan liever, indien ik genade heb gevonden in uw ogen, opdat ik mijn ongeluk niet behoef aan te zien.

15 And if thou deal thus with me, kill me, I pray thee, out of hand, if I have found favour in thy sight; and let me not see my wretchedness.

15 En indien Gij alzo aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien!

NM 11:16 Toen zeide de HERE tot Mozes: Vergader Mij uit de oudsten van Israël zeventig mannen, van wie gij weet, dat zij oudsten en opzieners van het volk zijn, en breng hen naar de tent der samenkomst, opdat zij zich daar bij u opstellen.

16 And the LORD said unto Moses, Gather unto me seventy men of the elders of Israel, whom thou knowest to be the elders of the people, and officers over them; and bring them unto the tabernacle of the congregation, that they may stand there with thee.

16 En de HEERE zeide tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israel, dewelke gij weet, dat zij de oudsten des volks en deszelfs ambtlieden zijn; en gij zult hen brengen voor de tent der samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen.

NM 11:17 Dan zal Ik nederdalen en daar met u spreken en een deel van de Geest die op u is, nemen en op hen leggen, opdat zij met u de last van het volk dragen, en gij die niet alleen behoeft te dragen.

17 And I will come down and talk with thee there: and I will take of the spirit which [is] upon thee, and will put [it] upon them; and they shall bear the burden of the people with thee, that thou bear [it] not thyself alone.

17 Zo zal Ik afkomen en met u aldaar spreken; en van den Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u den last van dit volk dragen, opdat gij [dien] alleen niet draagt.

NM 11:18 Maar tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, dan zult gij vlees eten; gij hebt immers ten aanhoren des HEREN gejammerd: Wie zal ons vlees te eten geven? wij hadden het zo goed in Egypte. - De HERE zal u vlees geven en gij zult eten.

18 And say thou unto the people, Sanctify yourselves against to morrow, and ye shall eat flesh: for ye have wept in the ears of the LORD, saying, Who shall give us flesh to eat? for [it was] well with us in Egypt: therefore the LORD will give you flesh, and ye shall eat.

18 En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, en gij zult vlees eten; want gij hebt voor de oren des HEEREN geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal de HEERE u vlees geven, en gij zult eten.

NM 11:19 Gij zult het niet één dag eten en geen twee dagen, geen vijf dagen, geen tien dagen en geen twintig dagen,

19 Ye shall not eat one day, nor two days, nor five days, neither ten days, nor twenty days;

19 Gij zult niet een dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen;

NM 11:20 maar een volle maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij ervan walgt - omdat gij de HERE hebt veracht, die in uw midden is en aldus voor zijn aangezicht hebt gejammerd: Waarom toch zijn wij uit Egypte getrokken?

20 [But] even a whole month, until it come out at your nostrils, and it be loathsome unto you: because that ye have despised the LORD which [is] among you, and have wept before him, saying, Why came we forth out of Egypt?

20 Tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; overmits gij den HEERE, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen?

NM 11:21 Doch Mozes zeide: Zeshonderdduizend man te voet bedraagt dit volk, in welks midden ik ben, en Gij zegt: Vlees zal Ik hun geven, en een volle maand zullen zij het eten!

21 And Moses said, The people, among whom I [am], [are] six hundred thousand footmen; and thou hast said, I will give them flesh, that they may eat a whole month.

21 En Mozes zeide: Zeshonderd duizend te voet is dit volk, in welks midden ik ben; en Gij hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen een gehele maand eten!

NM 11:22 Kunnen er zoveel schapen en runderen voor hen geslacht worden, dat zij er genoeg aan hebben? Of kunnen alle vissen uit de zee voor hen gevangen worden, dat zij er genoeg aan hebben?

22 Shall the flocks and the herds be slain for them, to suffice them? or shall all the fish of the sea be gathered together for them, to suffice them?

22 Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen der zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?

NM 11:23 De HERE echter zeide tot Mozes: Zou de hand des HEREN te kort zijn? Nu zult gij zien, of mijn woord aan u geschieden zal of niet!

23 And the LORD said unto Moses, Is the LORD'S hand waxed short? thou shalt see now whether my word shall come to pass unto thee or not.

23 Doch de HEERE zeide tot Mozes: Zou dan des HEEREN hand verkort zijn? Gij zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet.

NM 11:24 Toen Mozes naar buiten was gekomen, sprak hij de woorden des HEREN tot het volk; daarop vergaderde hij zeventig mannen uit de oudsten van het volk en stelde hen rondom de tent.

24 And Moses went out, and told the people the words of the LORD, and gathered the seventy men of the elders of the people, and set them round about the tabernacle.

24 En Mozes ging uit, en sprak de woorden des HEEREN tot het volk; en hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten des volks, en stelde hen rondom de tent.

NM 11:25 Toen daalde de HERE in de wolk neder en sprak tot hem, en Hij nam een deel van de Geest die op hem was, en legde dat op de zeventig mannen, op de oudsten; toen de Geest op hen rustte, profeteerden zij, doch daarna niet meer.

25 And the LORD came down in a cloud, and spake unto him, and took of the spirit that [was] upon him, and gave [it] unto the seventy elders: and it came to pass, [that], when the spirit rested upon them, they prophesied, and did not cease.

25 Toen kwam de HEERE af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van den Geest, die op hem was, legde [Hem] op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.

NM 11:26 Twee mannen nu waren in de legerplaats achtergebleven; de een heette Eldad, en de ander Medad. Toen de Geest op hen rustte - zij behoorden tot de opgeschrevenen, maar waren niet naar de tent gegaan - profeteerden zij in de legerplaats.

26 But there remained two [of the] men in the camp, the name of the one [was] Eldad, and the name of the other Medad: and the spirit rested upon them; and they [were] of them that were written, but went not out unto the tabernacle: and they prophesied in the camp.

26 Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.

NM 11:27 Een jongeman snelde daarop heen en bracht Mozes bericht en zeide: Eldad en Medad zijn aan het profeteren in de legerplaats.

27 And there ran a young man, and told Moses, and said, Eldad and Medad do prophesy in the camp.

27 Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zeide: Eldad en Medad profeteren in het leger.

NM 11:28 Jozua nu, de zoon van Nun, die van jongs af Mozes' dienaar was geweest, antwoordde daarop en zeide: Mijn heer Mozes, belet het hun.

28 And Joshua the son of Nun, the servant of Moses, [one] of his young men, answered and said, My lord Moses, forbid them.

28 En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied hun!

NM 11:29 Doch Mozes zeide tot hem: Wilt gij voor mij ijveren? och, ware het gehele volk des HEREN profeten, doordat de HERE zijn Geest op hen gave!

29 And Moses said unto him, Enviest thou for my sake? would God that all the LORD'S people were prophets, [and] that the LORD would put his spirit upon them!

29 Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och of al dat volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!

NM 11:30 Daarop trok Mozes zich in de legerplaats terug, vergezeld van de oudsten van Israël.

30 And Moses gat him into the camp, he and the elders of Israel.

30 Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israel.

NM 11:31 Toen stak er een wind op, door de HERE gezonden; die voerde kwakkels aan van de zee en strooide ze uit over de legerplaats, zodat zij een dagreis ver naar alle kanten rondom de legerplaats lagen, ongeveer twee ellen hoog boven de grond.

31 And there went forth a wind from the LORD, and brought quails from the sea, and let [them] fall by the camp, as it were a day's journey on this side, and as it were a day's journey on the other side, round about the camp, and as it were two cubits [high] upon the face of the earth.

31 Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize, en omtrent een dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.

NM 11:32 Toen maakte het volk zich op, die gehele dag en de gehele nacht en de gehele volgende dag, en verzamelde de kwakkels - die het minst had, verzamelde tien homer - en zij spreidden deze wijd uit, rondom de legerplaats.

32 And the people stood up all that day, and all [that] night, and all the next day, and they gathered the quails: he that gathered least gathered ten homers: and they spread [them] all abroad for themselves round about the camp.

32 Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.

NM 11:33 Terwijl het vlees nog tussen hun tanden was, vóórdat het gekauwd was, ontbrandde de toorn des HEREN tegen het volk en de HERE sloeg het volk met een zeer zware slag.

33 And while the flesh [was] yet between their teeth, ere it was chewed, the wrath of the LORD was kindled against the people, and the LORD smote the people with a very great plague.

33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag.

NM 11:34 Daarom gaf men aan die plaats de naam Kibrot-Hattaäwa, omdat men daar het gulzige volk begraven had.

34 And he called the name of that place Kibrothhattaavah: because there they buried the people that lusted.

34 Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.

NM 11:35 Uit Kibrot-Hattaäwa brak het volk op naar Chaserot en zij bleven te Chaserot.

35 [And] the people journeyed from Kibrothhattaavah unto Hazeroth; and abode at Hazeroth.

35 Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.

NM 12:1 Mirjam nu sprak met Aäron over Mozes naar aanleiding van de Ethiopische vrouw, die hij genomen had, want hij had een Ethiopische vrouw genomen,

1 And Miriam and Aaron spake against Moses because of the Ethiopian woman whom he had married: for he had married an Ethiopian woman.

1 Mirjam nu sprak, en Aaron, tegen Mozes, ter oorzake der vrouw, der Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen.

NM 12:2 en zij zeiden: Heeft de HERE soms uitsluitend door Mozes gesproken, heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HERE hoorde het.

2 And they said, Hath the LORD indeed spoken only by Moses? hath he not spoken also by us? And the LORD heard [it].

2 En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het!

NM 12:3 Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer dan enig mens op de aardbodem.

3 (Now the man Moses [was] very meek, above all the men which [were] upon the face of the earth.)

3 Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op den aardbodem waren.

NM 12:4 Toen zeide de HERE onverwijld tot Mozes, Aäron en Mirjam: Gaat met uw drieën uit naar de tent der samenkomst. Daarop gingen zij met hun drieën uit.

4 And the LORD spake suddenly unto Moses, and unto Aaron, and unto Miriam, Come out ye three unto the tabernacle of the congregation. And they three came out.

4 Toen sprak de HEERE haastelijk tot Mozes, en tot Aaron, en tot Mirjam: Gij drie, komt uit tot de tent der samenkomst! En zij drie kwamen uit.

NM 12:5 Toen daalde de HERE neder in de wolkkolom, stelde Zich in de ingang der tent, en riep Aäron en Mirjam; en zij traden beiden naar voren.

5 And the LORD came down in the pillar of the cloud, and stood [in] the door of the tabernacle, and called Aaron and Miriam: and they both came forth.

5 Toen kwam de HEERE af in de wolkkolom, en stond aan de deur der tent; daarna riep Hij Aaron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit.

NM 12:6 Toen zeide Hij: Hoort nu mijn woorden. Indien onder u een profeet is, dan maak Ik, de HERE, Mij in een gezicht aan hem bekend, in een droom spreek Ik met hem.

6 And he said, Hear now my words: If there be a prophet among you, [I] the LORD will make myself known unto him in a vision, [and] will speak unto him in a dream.

6 En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet [onder] u is, Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.

NM 12:7 Niet aldus met mijn knecht Mozes, vertrouwd als hij is in geheel mijn huis.

7 My servant Moses [is] not so, who [is] faithful in all mine house.

7 Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is.

NM 12:8 Van mond tot mond spreek Ik met hem, duidelijk en niet in raadselen, maar hij aanschouwt de gestalte des HEREN. Waarom hebt gij u dan niet ontzien tegen mijn knecht Mozes te spreken?

8 With him will I speak mouth to mouth, even apparently, and not in dark speeches; and the similitude of the LORD shall he behold: wherefore then were ye not afraid to speak against my servant Moses?

8 [Van] mond tot mond spreek Ik met hem, en [door] aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis des HEEREN aanschouwt hij; waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken?

NM 12:9 Daarom ontbrandde de toorn des HEREN tegen hen en Hij ging heen.

9 And the anger of the LORD was kindled against them; and he departed.

9 Zo ontstak des HEEREN toorn tegen hen, en Hij ging weg.

NM 12:10 Toen nu de wolk van boven de tent geweken was, zie, Mirjam was melaats als sneeuw; toen Aäron zich tot Mirjam omwendde, ziedaar een melaatse!

10 And the cloud departed from off the tabernacle; and, behold, Miriam [became] leprous, [white] as snow: and Aaron looked upon Miriam, and, behold, [she was] leprous.

10 En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, [wit] als de sneeuw. En Aaron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats.

NM 12:11 Toen zeide Aäron tot Mozes: Ach mijn heer, reken ons toch de zonde niet toe, die wij in onze dwaasheid begaan hebben.

11 And Aaron said unto Moses, Alas, my lord, I beseech thee, lay not the sin upon us, wherein we have done foolishly, and wherein we have sinned.

11 Daarom zeide Aaron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben!

NM 12:12 Laat haar toch niet zijn als een doodgeborene, wiens vlees reeds half vergaan is, wanneer hij uit de schoot zijner moeder komt.

12 Let her not be as one dead, of whom the flesh is half consumed when he cometh out of his mother's womb.

12 Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is!

NM 12:13 En Mozes riep tot de HERE: O God, genees haar toch.

13 And Moses cried unto the LORD, saying, Heal her now, O God, I beseech thee.

13 Mozes dan riep tot den HEERE, zeggende: O God! heel haar toch!

NM 12:14 Daarop zeide de HERE tot Mozes: Had haar vader haar openlijk in het gezicht gespuwd, zou zij dan niet gedurende zeven dagen te schande zijn? Laat haar gedurende zeven dagen buiten de legerplaats gesloten worden, en daarna mag zij zich er weer bijvoegen.

14 And the LORD said unto Moses, If her father had but spit in her face, should she not be ashamed seven days? let her be shut out from the camp seven days, and after that let her be received in [again].

14 En de HEERE zeide tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden!

NM 12:15 Daarop werd Mirjam zeven dagen buiten de legerplaats gesloten; en het volk brak niet op, vóórdat Mirjam zich bij hen gevoegd had.

15 And Miriam was shut out from the camp seven days: and the people journeyed not till Miriam was brought in [again].

15 Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd.

NM 12:16 Toen brak het volk op uit Chaserot en legerde zich in de woestijn Paran.

16 And afterward the people removed from Hazeroth, and pitched in the wilderness of Paran.

16 Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.

NM 13:1 De HERE sprak tot Mozes:

1 And the LORD spake unto Moses, saying,

1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

NM 13:2 Zend mannen uit om het land Kanaän te verspieden, dat Ik de Israëlieten geven zal; telkens één man zult gij zenden als vertegenwoordiger van de stam zijner vaderen: allen vorsten onder hen.

2 Send thou men, that they may search the land of Canaan, which I give unto the children of Israel: of every tribe of their fathers shall ye send a man, every one a ruler among them.

2 Zend u mannen uit: die het land Kanaan verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israels geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.

NM 13:3 Toen zond Mozes hen heen uit de woestijn Paran, naar het bevel des HEREN; al die mannen waren hoofden der Israëlieten.

3 And Moses by the commandment of the LORD sent them from the wilderness of Paran: all those men [were] heads of the children of Israel.

3 Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels.

NM 13:4 En dit zijn hun namen: van de stam Ruben Sammua, de zoon van Zakkur;

4 And these [were] their names: of the tribe of Reuben, Shammua the son of Zaccur.

4 En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.

NM 13:5 van de stam Simeon Safat, de zoon van Chori;

5 Of the tribe of Simeon, Shaphat the son of Hori.

5 Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.

NM 13:6 van de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne;

6 Of the tribe of Judah, Caleb the son of Jephunneh.

6 Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.

NM 13:7 van de stam Issakar Jigal, de zoon van Josef;

7 Of the tribe of Issachar, Igal the son of Joseph.

7 Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.

NM 13:8 van de stam Efraïm Hosea, de zoon van Nun;

8 Of the tribe of Ephraim, Oshea the son of Nun.

8 Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.

NM 13:9 van de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafu;

9 Of the tribe of Benjamin, Palti the son of Raphu.

9 Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.

NM 13:10 van de stam Zebulon Gaddiël, de zoon van Sodi;

10 Of the tribe of Zebulun, Gaddiel the son of Sodi.

10 Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.

NM 13:11 van de stam Jozef, van de stam Manasse Gaddi, de zoon van Susi;

11 Of the tribe of Joseph, [namely], of the tribe of Manasseh, Gaddi the son of Susi.

11 Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.

NM 13:12 van de stam Dan Ammiël, de zoon van Gemalli;

12 Of the tribe of Dan, Ammiel the son of Gemalli.

12 Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.

NM 13:13 van de stam Aser Setur, de zoon van Michaël;

13 Of the tribe of Asher, Sethur the son of Michael.

13 Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.

NM 13:14 van de stam Naftali Nachbi, de zoon van Wofsi;

14 Of the tribe of Naphtali, Nahbi the son of Vophsi.

14 Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.

NM 13:15 van de stam Gad Geüel, de zoon van Maki.

15 Of the tribe of Gad, Geuel the son of Machi.

15 Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.

NM 13:16 Dit zijn de namen der mannen, die Mozes uitzond om het land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua.

16 These [are] the names of the men which Moses sent to spy out the land. And Moses called Oshea the son of Nun Jehoshua.

16 Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.

NM 13:17 Mozes dan zond hen uit om het land Kanaän te verspieden en zeide tot hen: Trekt hier het Zuiderland in en trekt op naar het bergland,

17 And Moses sent them to spy out the land of Canaan, and said unto them, Get you up this [way] southward, and go up into the mountain:

17 Mozes dan zond hen, om het land Kanaan te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;

NM 13:18 en ziet, hoe het land is, en of het volk dat erin woont, sterk is of zwak, klein of talrijk;

18 And see the land, what it [is]; and the people that dwelleth therein, whether they [be] strong or weak, few or many;

18 En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;

NM 13:19 en of het land, waarin het woont, goed is of slecht, hoe de steden zijn, waarin het woont, of het in legerplaatsen woont dan wel in vestingen,

19 And what the land [is] that they dwell in, whether it [be] good or bad; and what cities [they be] that they dwell in, whether in tents, or in strong holds;

19 En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;

NM 13:20 en of het land vet is of schraal, of er bomen op staan of niet. Weest moedig en neemt van de vrucht des lands mede. Het was toen juist de tijd der eerste druiven.

20 And what the land [is], whether it [be] fat or lean, whether there be wood therein, or not. And be ye of good courage, and bring of the fruit of the land. Now the time [was] the time of the firstripe grapes.

20 Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.

NM 13:21 Zij trokken op en verspiedden het land van de woestijn Sin af tot aan Rechob toe, waar de weg naar Hamat begint.

21 So they went up, and searched the land from the wilderness of Zin unto Rehob, as men come to Hamath.

21 Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.

NM 13:22 Toen zij door het Zuiderland optrokken, kwam men tot Hebron; daar woonden Achiman, Sesai en Talmai, de kinderen van Enak. Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte.

22 And they ascended by the south, and came unto Hebron; where Ahiman, Sheshai, and Talmai, the children of Anak, [were]. (Now Hebron was built seven years before Zoan in Egypt.)

22 En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.

NM 13:23 Toen zij in het dal Eskol gekomen waren, sneden zij daar een rank met één tros druiven af, die zij met hun tweeën aan een draagstok droegen; ook enige granaatappelen en vijgen.

23 And they came unto the brook of Eshcol, and cut down from thence a branch with one cluster of grapes, and they bare it between two upon a staff; and [they brought] of the pomegranates, and of the figs.

23 Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeen, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.

NM 13:24 Die plaats noemde men het dal Eskol wegens de druiventros, die de Israëlieten daar afgesneden hadden.

24 The place was called the brook Eshcol, because of the cluster of grapes which the children of Israel cut down from thence.

24 Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden.

NM 13:25 Na verloop van veertig dagen keerden zij terug van het verspieden van het land;

25 And they returned from searching of the land after forty days.

25 Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.

NM 13:26 zij gingen op weg en kwamen tot Mozes en Aäron en de gehele vergadering der Israëlieten in Kades, in de woestijn Paran, en brachten hun en de gehele vergadering bericht en toonden hun de vrucht van het land.

26 And they went and came to Moses, and to Aaron, and to all the congregation of the children of Israel, unto the wilderness of Paran, to Kadesh; and brought back word unto them, and unto all the congregation, and shewed them the fruit of the land.

26 En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aaron, en tot de gehele vergadering der kinderen Israels, in de woestijn Paran, naar Kades; en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hen de vrucht des lands zien.

NM 13:27 Zij verhaalden hem dan en zeiden: Wij kwamen in het land, waarheen gij ons gezonden hadt, en ja, het vloeit van melk en honig, en dit is zijn vrucht.

27 And they told him, and said, We came unto the land whither thou sentest us, and surely it floweth with milk and honey; and this [is] the fruit of it.

27 En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.

NM 13:28 Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar;

28 Nevertheless the people [be] strong that dwell in the land, and the cities [are] walled, [and] very great: and moreover we saw the children of Anak there.

28 Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, [en] zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.

NM 13:29 Amalek woont in het Zuiderland, de Hethieten, Jebusieten en Amorieten wonen in het bergland, de Kanaänieten aan de zee en aan de oever van de Jordaan.

29 The Amalekites dwell in the land of the south: and the Hittites, and the Jebusites, and the Amorites, dwell in the mountains: and the Canaanites dwell by the sea, and by the coast of Jordan.

29 De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaanieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.

NM 13:30 Daarop trachtte Kaleb het volk tot bedaren te brengen tegenover Mozes en zeide: Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen, want wij zullen het zeker kunnen vermeesteren.

30 And Caleb stilled the people before Moses, and said, Let us go up at once, and possess it; for we are well able to overcome it.

30 Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!

NM 13:31 Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.

31 But the men that went up with him said, We be not able to go up against the people; for they [are] stronger than we.

31 Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.

NM 13:32 Ook verspreidden zij onder de Israëlieten een kwaad gerucht omtrent het land dat zij verspied hadden, door te zeggen: Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte.

32 And they brought up an evil report of the land which they had searched unto the children of Israel, saying, The land, through which we have gone to search it, [is] a land that eateth up the inhabitants thereof; and all the people that we saw in it [are] men of a great stature.

32 Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.

NM 13:33 Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen.

33 And there we saw the giants, the sons of Anak, [which come] of the giants: and we were in our own sight as grasshoppers, and so we were in their sight.

33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.

NM 14:1 Toen verhief de gehele vergadering haar stem en het volk weende in die nacht.

1 And all the congregation lifted up their voice, and cried; and the people wept that night.

1 Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.

NM 14:2 Al de Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, waren wij in het land Egypte gestorven, of waren wij in deze woestijn gestorven!

2 And all the children of Israel murmured against Moses and against Aaron: and the whole congregation said unto them, Would God that we had died in the land of Egypt! or would God we had died in this wilderness!

2 En al de kinderen Israels murmureerden tegen Mozes en tegen Aaron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!

NM 14:3 Waarom toch brengt ons de HERE naar dit land, opdat wij door het zwaard vallen, onze vrouwen en kinderen ten buit worden? Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren?

3 And wherefore hath the LORD brought us unto this land, to fall by the sword, that our wives and our children should be a prey? were it not better for us to return into Egypt?

3 En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, [en] onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren?

NM 14:4 En zij zeiden tot elkander: Laat ons een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren.

4 And they said one to another, Let us make a captain, and let us return into Egypt.

4 En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte!

NM 14:5 Toen wierpen Mozes en Aäron zich op hun aangezicht ten aanschouwen van de gehele gemeente van de vergadering der Israëlieten.

5 Then Moses and Aaron fell on their faces before all the assembly of the congregation of the children of Israel.

5 Toen vielen Mozes en Aaron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israels.

NM 14:6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die behoorden tot degenen die het land verspied hadden, scheurden hun klederen

6 And Joshua the son of Nun, and Caleb the son of Jephunneh, [which were] of them that searched the land, rent their clothes:

6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen.

NM 14:7 en zeiden tot de gehele vergadering der Israëlieten: Het land dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, dat land is buitengewoon goed.

7 And they spake unto all the company of the children of Israel, saying, The land, which we passed through to search it, [is] an exceeding good land.

7 En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israels, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land.

NM 14:8 Indien de HERE welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honig.

8 If the LORD delight in us, then he will bring us into this land, and give it us; a land which floweth with milk and honey.

8 Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is vloeiende.

NM 14:9 Alleen, weest dan niet opstandig tegen de HERE, en gij, vreest het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is van hen geweken, en de HERE is met ons; vreest hen niet.

9 Only rebel not ye against the LORD, neither fear ye the people of the land; for they [are] bread for us: their defence is departed from them, and the LORD [is] with us: fear them not.

9 Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig! en vreest gij niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de HEERE is met ons; vreest hen niet!

NM 14:10 Toen zeide de gehele vergadering, dat men hen stenigen zou. Maar de heerlijkheid des HEREN verscheen in de tent der samenkomst aan al de Israëlieten.

10 But all the congregation bade stone them with stones. And the glory of the LORD appeared in the tabernacle of the congregation before all the children of Israel.

10 Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israels.

NM 14:11 En de HERE zeide tot Mozes: Hoelang zal dit volk Mij versmaden, en hoelang zullen zij niet op Mij vertrouwen bij al de tekenen die Ik in zijn midden gedaan heb?

11 And the LORD said unto Moses, How long will this people provoke me? and how long will it be ere they believe me, for all the signs which I have shewed among them?

11 En de HEERE zeide tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb?

NM 14:12 Ik zal het met de pest slaan en het uitroeien, en u tot een volk maken, groter en machtiger dan dit.

12 I will smite them with the pestilence, and disinherit them, and will make of thee a greater nation and mightier than they.

12 Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.

NM 14:13 Maar Mozes zeide tot de HERE: Hoort Egypte het - Gij hebt immers dit volk door uw kracht uit zijn midden doen optrekken -

13 And Moses said unto the LORD, Then the Egyptians shall hear [it], (for thou broughtest up this people in thy might from among them;)

13 En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;

NM 14:14 dan zullen zij zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat Gij, HERE, in het midden van dit volk zijt, dat Gij, HERE, oog in oog U hebt laten zien, terwijl uw wolk boven hen staat en Gij in de wolkkolom vóór hen henen gaat des daags en in de vuurkolom des nachts -

14 And they will tell [it] to the inhabitants of this land: [for] they have heard that thou LORD [art] among this people, that thou LORD art seen face to face, and [that] thy cloud standeth over them, and [that] thou goest before them, by day time in a pillar of a cloud, and in a pillar of fire by night.

14 En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, [die] gehoord hebben, dat Gij, HEERE! in het midden van dit volk zijt; dat Gij HEERE! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en Gij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags, en in een vuurkolom des nachts.

NM 14:15 zult Gij nu dit volk tot op de laatste man doden, dan zullen de volken die van U bij geruchte hoorden, zeggen:

15 Now [if] thou shalt kill [all] this people as one man, then the nations which have heard the fame of thee will speak, saying,

15 En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:

NM 14:16 Omdat de HERE dit volk niet kon brengen naar het land dat Hij hun onder ede beloofd had, daarom heeft Hij hen in de woestijn omgebracht.

16 Because the LORD was not able to bring this people into the land which he sware unto them, therefore he hath slain them in the wilderness.

16 Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn!

NM 14:17 Nu dan, laat toch de kracht des HEREN zich groot betonen, zoals Gij gesproken hebt:

17 And now, I beseech thee, let the power of my Lord be great, according as thou hast spoken, saying,

17 Nu dan, laat toch de kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende:

NM 14:18 De HERE is lankmoedig en groot van goedertierenheid, vergevende ongerechtigheid en overtreding, hoewel Hij zeker niet ongestraft laat, maar de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht.

18 The LORD [is] longsuffering, and of great mercy, forgiving iniquity and transgression, and by no means clearing [the guilty], visiting the iniquity of the fathers upon the children unto the third and fourth [generation].

18 De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die [den] [schuldige] geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde [lid].

NM 14:19 Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk naar de grootheid uwer goedertierenheid, gelijk Gij dit volk vergiffenis geschonken hebt van Egypte af tot hier toe.

19 Pardon, I beseech thee, the iniquity of this people according unto the greatness of thy mercy, and as thou hast forgiven this people, from Egypt even until now.

19 Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt!

NM 14:20 En de HERE zeide: Op uw bede schenk Ik vergeving.

20 And the LORD said, I have pardoned according to thy word:

20 En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.

NM 14:21 Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid des HEREN de ganse aarde vervullen zal:

21 But [as] truly [as] I live, all the earth shall be filled with the glory of the LORD.

21 Doch zekerlijk, [zo] [waarachtig] [als] Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden!

NM 14:22 Geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben, en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu reeds tienmaal verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben,

22 Because all those men which have seen my glory, and my miracles, which I did in Egypt and in the wilderness, and have tempted me now these ten times, and have not hearkened to my voice;

22 Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;

NM 14:23 zal het land zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien.

23 Surely they shall not see the land which I sware unto their fathers, neither shall any of them that provoked me see it:

23 Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!

NM 14:24 Doch omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal Ik hem naar het land brengen, waar hij heen geweest is, en zijn nakomelingschap zal het bezitten.

24 But my servant Caleb, because he had another spirit with him, and hath followed me fully, him will I bring into the land whereinto he went; and his seed shall possess it.

24 Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.

NM 14:25 De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen in de Laagvlakte. Wendt u morgen om en trekt op naar de woestijn in de richting van de Schelfzee.

25 (Now the Amalekites and the Canaanites dwelt in the valley.) To morrow turn you, and get you into the wilderness by the way of the Red sea.

25 De Amalekieten nu en de Kanaanieten wonen in het dal; wendt u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee.

NM 14:26 Verder sprak de HERE tot Mozes en Aäron:

26 And the LORD spake unto Moses and unto Aaron, saying,

26 Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

NM 14:27 Hoelang zal het duren dat deze boze vergadering tegen Mij blijft morren? Het gemor, dat de Israëlieten tegen Mij uiten, heb Ik gehoord.

27 How long [shall I bear with] this evil congregation, which murmur against me? I have heard the murmurings of the children of Israel, which they murmur against me.

27 Hoe lang zal [Ik] bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn murmurerende? Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israels, waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende.

NM 14:28 Zeg tot hen: Zowaar Ik leef, luidt het woord des HEREN, Ik zal zeker met u doen gelijk gij te mijnen aanhoren gesproken hebt!

28 Say unto them, [As truly as] I live, saith the LORD, as ye have spoken in mine ears, so will I do to you:

28 Zeg tot hen: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt!

NM 14:29 In deze woestijn zullen uw lijken vallen, namelijk zovelen als er van u geteld zijn, naar uw volle getal, van twintig jaar oud en daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt.

29 Your carcases shall fall in this wilderness; and all that were numbered of you, according to your whole number, from twenty years old and upward, which have murmured against me,

29 Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt.

NM 14:30 Voorwaar, gij zult niet komen in het land, waarvan Ik gezworen heb u daarin te doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun!

30 Doubtless ye shall not come into the land, [concerning] which I sware to make you dwell therein, save Caleb the son of Jephunneh, and Joshua the son of Nun.

30 Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

NM 14:31 En uw kinderen, van welke gij gezegd hebt: Die zullen tot een buit zijn - hen zal Ik er brengen, opdat zij het land leren kennen, dat gij veracht hebt.

31 But your little ones, which ye said should be a prey, them will I bring in, and they shall know the land which ye have despised.

31 En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt.

NM 14:32 Maar wat u betreft, uw lijken zullen vallen in deze woestijn,

32 But [as for] you, your carcases, they shall fall in this wilderness.

32 Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen!

NM 14:33 en uw zonen zullen veertig jaar lang in de woestijn rondzwerven en uw overspelig gedrag boeten, totdat uw lijken alle in de woestijn liggen.

33 And your children shall wander in the wilderness forty years, and bear your whoredoms, until your carcases be wasted in the wilderness.

33 En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.

NM 14:34 Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag één jaar, opdat gij weet wat het betekent, als Ik Mij afkeer.

34 After the number of the days in which ye searched the land, [even] forty days, each day for a year, shall ye bear your iniquities, [even] forty years, and ye shall know my breach of promise.

34 Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking.

NM 14:35 Ik, de HERE, heb het gesproken. Ik zal dit zeker doen aan heel deze boze vergadering, die tegen Mij samenspant. In deze woestijn zullen zij hun einde vinden en daar zullen zij sterven.

35 I the LORD have said, I will surely do it unto all this evil congregation, that are gathered together against me: in this wilderness they shall be consumed, and there they shall die.

35 Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven!

NM 14:36 De mannen nu, die Mozes uitgezonden had om het land te verspieden, en die, toen zij teruggekomen waren, de gehele vergadering tegen hem hadden doen morren door een kwaad gerucht over het land te verspreiden,

36 And the men, which Moses sent to search the land, who returned, and made all the congregation to murmur against him, by bringing up a slander upon the land,

36 En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de ganse vergadering tegen hem hadden doen murmureren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende;

NM 14:37 deze mannen, die een kwaad gerucht over het land verspreid hadden, stierven door een plaag voor het aangezicht des HEREN.

37 Even those men that did bring up the evil report upon the land, died by the plague before the LORD.

37 Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des HEEREN.

NM 14:38 Maar van die mannen die uitgegaan waren om het land te verspieden, bleven Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, in leven.

38 But Joshua the son of Nun, and Caleb the son of Jephunneh, [which were] of the men that went to search the land, lived [still].

38 Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden.

NM 14:39 Toen Mozes deze woorden tot al de Israëlieten gesproken had, bedreef het volk zware rouw.

39 And Moses told these sayings unto all the children of Israel: and the people mourned greatly.

39 En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israels. Toen treurde het volk zeer.

NM 14:40 En de volgende morgen vroeg wilden zij de bergtop beklimmen, onder de uitroep: Ziet, wij trekken op naar de plaats, van welke de HERE gesproken heeft, want wij hebben gezondigd.

40 And they rose up early in the morning, and gat them up into the top of the mountain, saying, Lo, we [be here], and will go up unto the place which the LORD hath promised: for we have sinned.

40 En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd!

NM 14:41 Maar Mozes zeide: Waarom staat gij op het punt het bevel des HEREN te overtreden? Dit zal toch niet gelukken.

41 And Moses said, Wherefore now do ye transgress the commandment of the LORD? but it shall not prosper.

41 Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des HEEREN? Want dat zal geen voorspoed hebben.

NM 14:42 Trekt niet op, want de HERE is niet in uw midden - opdat gij niet de nederlaag lijdt tegen uw vijanden,

42 Go not up, for the LORD [is] not among you; that ye be not smitten before your enemies.

42 Trekt niet op, want de HEERE zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden.

NM 14:43 want de Amalekieten en de Kanaänieten zijn daar tegenover u, en gij zult door het zwaard vallen, daarom dat gij u van de HERE hebt afgekeerd, en de HERE zal niet met u zijn.

43 For the Amalekites and the Canaanites [are] there before you, and ye shall fall by the sword: because ye are turned away from the LORD, therefore the LORD will not be with you.

43 Want de Amalekieten, en de Kanaanieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van den HEERE, zo zal de HEERE met u ni