Mattheüs

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 24 25 26 27 28

NBG 1951

KJV 1611

STATEN 1637

MT 1:1 Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham.

1 The book of the generation of Jesus Christ, the son of David, the son of Abraham.

1 Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van David, den zoon van Abraham.

MT 1:2 Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders,

2 Abraham begat Isaac; and Isaac begat Jacob; and Jacob begat Judas and his brethren;

2 Abraham gewon Izak, en Izak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders;

MT 1:3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram,

3 And Judas begat Phares and Zara of Thamar; and Phares begat Esrom; and Esrom begat Aram;

3 En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;

MT 1:4 Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon,

4 And Aram begat Aminadab; and Aminadab begat Naasson; and Naasson begat Salmon;

4 En Aram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon;

MT 1:5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï,

5 And Salmon begat Booz of Rachab; and Booz begat Obed of Ruth; and Obed begat Jesse;

5 En Salmon gewon Booz bij Rachab, en Booz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jessai;

MT 1:6 Isaï verwekte David, de koning. David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria,

6 And Jesse begat David the king; and David the king begat Solomon of her [that had been the wife] of Urias;

6 En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Salomon bij degene, die Uria’s [vrouw was geweest];

MT 1:7 Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asa,

7 And Solomon begat Roboam; and Roboam begat Abia; and Abia begat Asa;

7 En Salomon gewon Roboam, en Roboam gewon Abia, en Abia gewon Asa;

MT 1:8 Asa verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia,

8 And Asa begat Josaphat; and Josaphat begat Joram; and Joram begat Ozias;

8 En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias;

MT 1:9 Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia,

9 And Ozias begat Joatham; and Joatham begat Achaz; and Achaz begat Ezekias;

9 En Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias;

MT 1:10 Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia,

10 And Ezekias begat Manasses; and Manasses begat Amon; and Amon begat Josias;

10 En Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias;

MT 1:11 Josia verwekte Jechonja en diens broeders ten tijde van de Babylonische ballingschap.

11 And Josias begat Jechonias and his brethren, about the time they were carried away to Babylon:

11 En Josias gewon Jechonias, en zijn broeders, omtrent de Babylonische overvoering.

MT 1:12 Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel,

12 And after they were brought to Babylon, Jechonias begat Salathiel; and Salathiel begat Zorobabel;

12 En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiel, en Salathiel gewon Zorobabel;

MT 1:13 Zerubbabel verwekte Abihud, Abihud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor,

13 And Zorobabel begat Abiud; and Abiud begat Eliakim; and Eliakim begat Azor;

13 En Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;

MT 1:14 Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud,

14 And Azor begat Sadoc; and Sadoc begat Achim; and Achim begat Eliud;

14 En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;

MT 1:15 Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob,

15 And Eliud begat Eleazar; and Eleazar begat Matthan; and Matthan begat Jacob;

15 En Eliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob;

MT 1:16 Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt.

16 And Jacob begat Joseph the husband of Mary, of whom was born Jesus, who is called Christ.

16 En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus.

MT 1:17 Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de Babylonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten.

17 So all the generations from Abraham to David [are] fourteen generations; and from David until the carrying away into Babylon [are] fourteen generations; and from the carrying away into Babylon unto Christ [are] fourteen generations.

17 Al de geslachten dan, van Abraham tot David, [zijn] veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, [zijn] veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, [zijn] veertien geslachten.

MT 1:18 De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus. Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de heilige Geest.

18 Now the birth of Jesus Christ was on this wise: When as his mother Mary was espoused to Joseph, before they came together, she was found with child of the Holy Ghost.

18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, Zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest.

MT 1:19 Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden.

19 Then Joseph her husband, being a just [man], and not willing to make her a publick example, was minded to put her away privily.

19 Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten.

MT 1:20 Toen die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom en zeide: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest.

20 But while he thought on these things, behold, the angel of the Lord appeared unto him in a dream, saying, Joseph, thou son of David, fear not to take unto thee Mary thy wife: for that which is conceived in her is of the Holy Ghost.

20 En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, [gij] zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest;

MT 1:21 Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden.

21 And she shall bring forth a son, and thou shalt call his name JESUS: for he shall save his people from their sins.

21 En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.

MT 1:22 Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide:

22 Now all this was done, that it might be fulfilled which was spoken of the Lord by the prophet, saying,

22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende:

MT 1:23 Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons.

23 Behold, a virgin shall be with child, and shall bring forth a son, and they shall call his name Emmanuel, which being interpreted is, God with us.

23 Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

MT 1:24 Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was, deed hij, zoals de engel des Heren hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich.

24 Then Joseph being raised from sleep did as the angel of the Lord had bidden him, and took unto him his wife:

24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;

MT 1:25 En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus.

25 And knew her not till she had brought forth her firstborn son: and he called his name JESUS.

25 En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.

MT 2:1 Toen nu Jezus geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem,

1 Now when Jesus was born in Bethlehem of Judaea in the days of Herod the king, behold, there came wise men from the east to Jerusalem,

1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, [gelegen] in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, [enige] wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.

MT 2:2 en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen.

2 Saying, Where is he that is born King of the Jews? for we have seen his star in the east, and are come to worship him.

2 Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.

MT 2:3 Toen koning Herodes hiervan hoorde, ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem.

3 When Herod the king had heard [these things], he was troubled, and all Jerusalem with him.

3 De koning Herodes nu, [dit] gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem.

MT 2:4 En hij liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk vergaderen en trachtte van hen te vernemen, waar de Christus geboren zou worden.

4 And when he had gathered all the chief priests and scribes of the people together, he demanded of them where Christ should be born.

4 En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden.

MT 2:5 Zij zeiden tot hen: Te Betlehem in Judea, want aldus staat geschreven door de profeet:

5 And they said unto him, In Bethlehem of Judaea: for thus it is written by the prophet,

5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea [gelegen]; want alzo is geschreven door den profeet:

MT 2:6 En gij, Betlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal.

6 And thou Bethlehem, [in] the land of Juda, art not the least among the princes of Juda: for out of thee shall come a Governor, that shall rule my people Israel.

6 En gij Bethlehem, [gij] land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israel weiden zal.

MT 2:7 Toen riep Herodes de wijzen in het geheim en deed bij hen nauwkeurig navraag naar de tijd, dat de ster geschenen had.

7 Then Herod, when he had privily called the wise men, enquired of them diligently what time the star appeared.

7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;

MT 2:8 En hij liet hen naar Betlehem gaan, en zeide: Gaat en doet nauwkeurig onderzoek naar dat kind; en zodra gij het vindt, bericht het mij, opdat ook ik hem hulde ga bewijzen.

8 And he sent them to Bethlehem, and said, Go and search diligently for the young child; and when ye have found [him], bring me word again, that I may come and worship him also.

8 En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.

MT 2:9 Zij hoorden de koning aan en reisden weg; en zie, de ster, die zij hadden gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was.

9 When they had heard the king, they departed; and, lo, the star, which they saw in the east, went before them, till it came and stood over where the young child was.

9 En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven [de plaats], waar het Kindeken was.

MT 2:10 Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.

10 When they saw the star, they rejoiced with exceeding great joy.

10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.

MT 2:11 En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en zij vielen neder en bewezen hem hulde. En zij ontsloten hun kostbaarheden en boden hem geschenken aan: goud en wierook en mirre.

11 And when they were come into the house, they saw the young child with Mary his mother, and fell down, and worshipped him: and when they had opened their treasures, they presented unto him gifts; gold, and frankincense, and myrrh.

11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.

MT 2:12 En van Godswege in de droom gewaarschuwd om niet tot Herodes terug te keren, trokken zij langs een andere weg naar hun land terug.

12 And being warned of God in a dream that they should not return to Herod, they departed into their own country another way.

12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.

MT 2:13 Toen zij weggetrokken waren, zie, een engel des Heren verschijnt Jozef in de droom en zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte, en blijf aldaar, totdat Ik het u zeg; want Herodes zal alles in het werk stellen om het kind om te brengen.

13 And when they were departed, behold, the angel of the Lord appeareth to Joseph in a dream, saying, Arise, and take the young child and his mother, and flee into Egypt, and be thou there until I bring thee word: for Herod will seek the young child to destroy him.

13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden.

MT 2:14 Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte,

14 When he arose, he took the young child and his mother by night, and departed into Egypt:

14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;

MT 2:15 en daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.

15 And was there until the death of Herod: that it might be fulfilled which was spoken of the Lord by the prophet, saying, Out of Egypt have I called my son.

15 En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.

MT 2:16 Toen Herodes zag, dat hij door de wijzen misleid was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Betlehem en het gehele gebied daarvan al de jongens van twee jaar oud en daar beneden om te brengen, in overeenstemming met de tijd, die hij bij de wijzen had uitgevorst.

16 Then Herod, when he saw that he was mocked of the wise men, was exceeding wroth, and sent forth, and slew all the children that were in Bethlehem, and in all the coasts thereof, from two years old and under, according to the time which he had diligently enquired of the wise men.

16 Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en [enigen] afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen [waren], van twee jaren [oud] en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.

MT 2:17 Toen werd vervuld het woord, gesproken door de profeet Jeremia, toen hij zeide:

17 Then was fulfilled that which was spoken by Jeremy the prophet, saying,

17 Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende:

MT 2:18 Een stem is te Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn.

18 In Rama was there a voice heard, lamentation, and weeping, and great mourning, Rachel weeping [for] her children, and would not be comforted, because they are not.

18 Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!

MT 2:19 Toen Herodes gestorven was, zie, een engel des Heren verschijnt in de droom aan Jozef in Egypte,

19 But when Herod was dead, behold, an angel of the Lord appeareth in a dream to Joseph in Egypt,

19 Toen Herodes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte.

MT 2:20 en zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en reis naar het land Israël, want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven.

20 Saying, Arise, and take the young child and his mother, and go into the land of Israel: for they are dead which sought the young child's life.

20 Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israels; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten.

MT 2:21 En hij stond op en hij nam het kind en zijn moeder en kwam in het land Israël.

21 And he arose, and took the young child and his mother, and came into the land of Israel.

21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindeken en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israels.

MT 2:22 Toen hij echter hoorde, dat Archelaüs koning over Judea was in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan. En van Godswege in de droom gewaarschuwd, ging hij naar het gebied van Galilea,

22 But when he heard that Archelaus did reign in Judaea in the room of his father Herod, he was afraid to go thither: notwithstanding, being warned of God in a dream, he turned aside into the parts of Galilee:

22 Maar als hij hoorde, dat Archelaus in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea.

MT 2:23 en, daar gekomen, vestigde hij zich in een stad, genaamd Nazaret, opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken is, dat Hij Nazoreeër zou heten.

23 And he came and dwelt in a city called Nazareth: that it might be fulfilled which was spoken by the prophets, He shall be called a Nazarene.

23 En [daar] gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden.

MT 3:1 In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea,

1 In those days came John the Baptist, preaching in the wilderness of Judaea,

1 En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea,

MT 3:2 en zeide: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

2 And saying, Repent ye: for the kingdom of heaven is at hand.

2 En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

MT 3:3 Hij toch is het, van wie door de profeet Jesaja gesproken werd, toen hij zeide: De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden.

3 For this is he that was spoken of by the prophet Esaias, saying, The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye the way of the Lord, make his paths straight.

3 Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!

MT 3:4 Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kameelhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing.

4 And the same John had his raiment of camel's hair, and a leathern girdle about his loins; and his meat was locusts and wild honey.

4 En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.

MT 3:5 Toen liep Jeruzalem en heel Judea en de gehele Jordaanstreek tot hem uit,

5 Then went out to him Jerusalem, and all Judaea, and all the region round about Jordan,

5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan;

MT 3:6 en zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door hem dopen, onder belijdenis van hun zonden.

6 And were baptized of him in Jordan, confessing their sins.

6 En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.

MT 3:7 Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan?

7 But when he saw many of the Pharisees and Sadducees come to his baptism, he said unto them, O generation of vipers, who hath warned you to flee from the wrath to come?

7 Hij dan, ziende velen van de Farizeen en Sadduceen tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

MT 3:8 Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt;

8 Bring forth therefore fruits meet for repentance:

8 Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.

MT 3:9 en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken.

9 And think not to say within yourselves, We have Abraham to [our] father: for I say unto you, that God is able of these stones to raise up children unto Abraham.

9 En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

MT 3:10 Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

10 And now also the axe is laid unto the root of the trees: therefore every tree which bringeth not forth good fruit is hewn down, and cast into the fire.

10 En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

MT 3:11 Ik doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.

11 I indeed baptize you with water unto repentance: but he that cometh after me is mightier than I, whose shoes I am not worthy to bear: he shall baptize you with the Holy Ghost, and [with] fire:

11 Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben [Hem na] te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.

MT 3:12 De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.

12 Whose fan [is] in his hand, and he will throughly purge his floor, and gather his wheat into the garner; but he will burn up the chaff with unquenchable fire.

12 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.

MT 3:13 Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen.

13 Then cometh Jesus from Galilee to Jordan unto John, to be baptized of him.

13 Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.

MT 3:14 Maar deze trachtte Hem daarvan terug te houden en zeide: Ik heb nodig door U gedoopt te worden en komt Gij tot mij?

14 But John forbad him, saying, I have need to be baptized of thee, and comest thou to me?

14 Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?

MT 3:15 Jezus echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem geworden.

15 And Jesus answering said unto him, Suffer [it to be so] now: for thus it becometh us to fulfil all righteousness. Then he suffered him.

15 Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.

MT 3:16 Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen.

16 And Jesus, when he was baptized, went up straightway out of the water: and, lo, the heavens were opened unto him, and he saw the Spirit of God descending like a dove, and lighting upon him:

16 En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.

MT 3:17 En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.

17 And lo a voice from heaven, saying, This is my beloved Son, in whom I am well pleased.

17 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

MT 4:1 Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel.

1 Then was Jesus led up of the Spirit into the wilderness to be tempted of the devil.

1 Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

MT 4:2 En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij ten laatste honger.

2 And when he had fasted forty days and forty nights, he was afterward an hungred.

2 En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.

MT 4:3 En de verzoeker kwam en zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen broden worden.

3 And when the tempter came to him, he said, If thou be the Son of God, command that these stones be made bread.

3 En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.

MT 4:4 Maar Hij antwoordde en zeide: Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat.

4 But he answered and said, It is written, Man shall not live by bread alone, but by every word that proceedeth out of the mouth of God.

4 Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

MT 4:5 Toen nam de duivel Hem mede naar de heilige stad en hij stelde Hem op de rand van het dak des tempels,

5 Then the devil taketh him up into the holy city, and setteth him on a pinnacle of the temple,

5 Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;

MT 4:6 en zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: Aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u, en op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot.

6 And saith unto him, If thou be the Son of God, cast thyself down: for it is written, He shall give his angels charge concerning thee: and in [their] hands they shall bear thee up, lest at any time thou dash thy foot against a stone.

6 En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en [dat] zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.

MT 4:7 Jezus zeide tot hem: Er staat ook geschreven: Gij zult de Here, uw God, niet verzoeken.

7 Jesus said unto him, It is written again, Thou shalt not tempt the Lord thy God.

7 Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.

MT 4:8 Wederom nam de duivel Hem mede naar een zeer hoge berg en hij toonde Hem al de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid,

8 Again, the devil taketh him up into an exceeding high mountain, and sheweth him all the kingdoms of the world, and the glory of them;

8 Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;

MT 4:9 en zeide tot Hem: Dit alles zal ik U geven, indien Gij U nederwerpt en mij aanbidt.

9 And saith unto him, All these things will I give thee, if thou wilt fall down and worship me.

9 En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.

MT 4:10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan! Er staat immers geschreven: De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.

10 Then saith Jesus unto him, Get thee hence, Satan: for it is written, Thou shalt worship the Lord thy God, and him only shalt thou serve.

10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.

MT 4:11 Toen liet de duivel Hem met rust en zie, engelen kwamen en dienden Hem.

11 Then the devil leaveth him, and, behold, angels came and ministered unto him.

11 Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.

MT 4:12 Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij Zich terug naar Galilea.

12 Now when Jesus had heard that John was cast into prison, he departed into Galilee;

12 Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd naar Galilea;

MT 4:13 En Hij verliet Nazaret en ging wonen te Kafarnaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali,

13 And leaving Nazareth, he came and dwelt in Capernaum, which is upon the sea coast, in the borders of Zabulon and Nephthalim:

13 En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;

MT 4:14 opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Jesaja gesproken, toen hij zeide:

14 That it might be fulfilled which was spoken by Esaias the prophet, saying,

14 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:

MT 4:15 Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen:

15 The land of Zabulon, and the land of Nephthalim, [by] the way of the sea, beyond Jordan, Galilee of the Gentiles;

15 Het land Zebulon en het land Nafthali [aan den] weg der zee over de Jordaan, Galilea der volken;

MT 4:16 het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan.

16 The people which sat in darkness saw great light; and to them which sat in the region and shadow of death light is sprung up.

16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en dengenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.

MT 4:17 Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

17 From that time Jesus began to preach, and to say, Repent: for the kingdom of heaven is at hand.

17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

MT 4:18 Toen Hij nu langs de zee van Galilea ging, zag Hij twee broeders, Simon, die Petrus genoemd wordt, en Andreas, diens broeder, een net in zee werpen; want zij waren vissers.

18 And Jesus, walking by the sea of Galilee, saw two brethren, Simon called Peter, and Andrew his brother, casting a net into the sea: for they were fishers.

18 En Jezus, wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broeders, [namelijk] Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers);

MT 4:19 En Hij zeide tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.

19 And he saith unto them, Follow me, and I will make you fishers of men.

19 En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.

MT 4:20 Zij nu lieten terstond hun netten liggen en volgden Hem.

20 And they straightway left [their] nets, and followed him.

20 Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.

MT 4:21 En vandaar verder gegaan zijnde, zag Hij nog twee broeders, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl ze bezig waren hun netten in orde te brengen, en Hij riep hen.

21 And going on from thence, he saw other two brethren, James [the son] of Zebedee, and John his brother, in a ship with Zebedee their father, mending their nets; and he called them.

21 En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, [namelijk] Jakobus, den [zoon] van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeus, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.

MT 4:22 Zij lieten dan terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.

22 And they immediately left the ship and their father, and followed him.

22 Zij dan, terstond verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.

MT 4:23 En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk.

23 And Jesus went about all Galilee, teaching in their synagogues, and preaching the gospel of the kingdom, and healing all manner of sickness and all manner of disease among the people.

23 En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.

MT 4:24 En het gerucht van Hem drong door tot in geheel Syrië; en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden, en Hij genas hen.

24 And his fame went throughout all Syria: and they brought unto him all sick people that were taken with divers diseases and torments, and those which were possessed with devils, and those which were lunatick, and those that had the palsy; and he healed them.

24 En Zijn gerucht ging [van daar] uit in geheel Syrie; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.

MT 4:25 En Hem volgden vele scharen uit Galilea en Dekapolis en Jeruzalem en Judea en het Overjordaanse.

25 And there followed him great multitudes of people from Galilee, and [from] Decapolis, and [from] Jerusalem, and [from] Judaea, and [from] beyond Jordan.

25 En vele scharen volgden Hem na, van Galilea en [van] Dekapolis, en [van] Jeruzalem, en [van] Judea, en [van] over de Jordaan.

MT 5:1 Toen Hij nu de scharen zag, ging Hij de berg op en nadat Hij Zich had nedergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem.

1 And seeing the multitudes, he went up into a mountain: and when he was set, his disciples came unto him:

1 En [Jezus], de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.

MT 5:2 En Hij opende zijn mond en leerde hen, zeggende:

2 And he opened his mouth, and taught them, saying,

2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:

MT 5:3 Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

3 Blessed [are] the poor in spirit: for theirs is the kingdom of heaven.

3 Zalig [zijn] de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

MT 5:4 Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.

4 Blessed [are] they that mourn: for they shall be comforted.

4 Zalig [zijn] die treuren; want zij zullen vertroost worden.

MT 5:5 Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

5 Blessed [are] the meek: for they shall inherit the earth.

5 Zalig [zijn] de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.

MT 5:6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

6 Blessed [are] they which do hunger and thirst after righteousness: for they shall be filled.

6 Zalig [zijn] die hongeren en dorsten [naar] de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

MT 5:7 Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.

7 Blessed [are] the merciful: for they shall obtain mercy.

7 Zalig [zijn] de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.

MT 5:8 Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.

8 Blessed [are] the pure in heart: for they shall see God.

8 Zalig [zijn] de reinen van hart; want zij zullen God zien.

MT 5:9 Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

9 Blessed [are] the peacemakers: for they shall be called the children of God.

9 Zalig [zijn] de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

MT 5:10 Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

10 Blessed [are] they which are persecuted for righteousness' sake: for theirs is the kingdom of heaven.

10 Zalig [zijn] die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

MT 5:11 Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.

11 Blessed are ye, when [men] shall revile you, and persecute [you], and shall say all manner of evil against you falsely, for my sake.

11 Zalig zijt gij, als u [de mensen] smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.

MT 5:12 Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.

12 Rejoice, and be exceeding glad: for great [is] your reward in heaven: for so persecuted they the prophets which were before you.

12 Verblijdt en verheugt [u;] want uw loon [is] groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u [geweest zijn].

MT 5:13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.

13 Ye are the salt of the earth: but if the salt have lost his savour, wherewith shall it be salted? it is thenceforth good for nothing, but to be cast out, and to be trodden under foot of men.

13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal [het] gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.

MT 5:14 Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.

14 Ye are the light of the world. A city that is set on an hill cannot be hid.

14 Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.

MT 5:15 Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn.

15 Neither do men light a candle, and put it under a bushel, but on a candlestick; and it giveth light unto all that are in the house.

15 Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis [zijn];

MT 5:16 Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.

16 Let your light so shine before men, that they may see your good works, and glorify your Father which is in heaven.

16 Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

MT 5:17 Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen.

17 Think not that I am come to destroy the law, or the prophets: I am not come to destroy, but to fulfil.

17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om [die] te ontbinden, maar te vervullen.

MT 5:18 Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.

18 For verily I say unto you, Till heaven and earth pass, one jot or one tittle shall in no wise pass from the law, till all be fulfilled.

18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.

MT 5:19 Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.

19 Whosoever therefore shall break one of these least commandments, and shall teach men so, he shall be called the least in the kingdom of heaven: but whosoever shall do and teach [them], the same shall be called great in the kingdom of heaven.

19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, [die] zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie [dezelve] zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

MT 5:20 Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan.

20 For I say unto you, That except your righteousness shall exceed [the righteousness] of the scribes and Pharisees, ye shall in no case enter into the kingdom of heaven.

20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeen, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

MT 5:21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht.

21 Ye have heard that it was said by them of old time, Thou shalt not kill; and whosoever shall kill shall be in danger of the judgment:

21 Gij hebt gehoord, dat [tot] de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, [die] zal strafbaar zijn door het gericht.

MT 5:22 Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.

22 But I say unto you, That whosoever is angry with his brother without a cause shall be in danger of the judgment: and whosoever shall say to his brother, Raca, shall be in danger of the council: but whosoever shall say, Thou fool, shall be in danger of hell fire.

22 Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.

MT 5:23 Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft,

23 Therefore if thou bring thy gift to the altar, and there rememberest that thy brother hath ought against thee;

23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;

MT 5:24 laat uw gave daar, vóór het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.

24 Leave there thy gift before the altar, and go thy way; first be reconciled to thy brother, and then come and offer thy gift.

24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.

MT 5:25 Wees vriendelijk jegens uw tegenpartij, tijdig, terwijl gij nog met hem onderweg zijt, opdat uw tegenpartij u niet aan de rechter overlevere en de rechter aan zijn dienaar en gij in de gevangenis wordt geworpen.

25 Agree with thine adversary quickly, whiles thou art in the way with him; lest at any time the adversary deliver thee to the judge, and the judge deliver thee to the officer, and thou be cast into prison.

25 Weest haastelijk welgezind [jegens] uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

MT 5:26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar voorzeker niet uitkomen, voordat gij de laatste penning hebt betaald.

26 Verily I say unto thee, Thou shalt by no means come out thence, till thou hast paid the uttermost farthing.

26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.

MT 5:27 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken.

27 Ye have heard that it was said by them of old time, Thou shalt not commit adultery:

27 Gij hebt gehoord, dat [van] de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.

MT 5:28 Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.

28 But I say unto you, That whosoever looketh on a woman to lust after her hath committed adultery with her already in his heart.

28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw [aan] ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.

MT 5:29 Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

29 And if thy right eye offend thee, pluck it out, and cast [it] from thee: for it is profitable for thee that one of thy members should perish, and not [that] thy whole body should be cast into hell.

29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

MT 5:30 En indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle vare.

30 And if thy right hand offend thee, cut it off, and cast [it] from thee: for it is profitable for thee that one of thy members should perish, and not [that] thy whole body should be cast into hell.

30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

MT 5:31 Er is ook gezegd: Al wie zijn vrouw wegzendt, moet haar een scheidbrief geven.

31 It hath been said, Whosoever shall put away his wife, let him give her a writing of divorcement:

31 Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.

MT 5:32 Maar Ik zeg u: Een ieder, die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk.

32 But I say unto you, That whosoever shall put away his wife, saving for the cause of fornication, causeth her to commit adultery: and whosoever shall marry her that is divorced committeth adultery.

32 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.

MT 5:33 Wederom hebt gij gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult uw eed niet breken, doch aan de Here uw eden gestand doen.

33 Again, ye have heard that it hath been said by them of old time, Thou shalt not forswear thyself, but shalt perform unto the Lord thine oaths:

33 Wederom hebt gij gehoord, dat [van] de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.

MT 5:34 Maar Ik zeg u, in het geheel niet te zweren: bij de hemel niet, omdat hij de troon van God is;

34 But I say unto you, Swear not at all; neither by heaven; for it is God's throne:

34 Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

MT 5:35 bij de aarde niet, omdat zij de voetbank zijner voeten is; bij Jeruzalem niet, omdat het de stad van de grote Koning is;

35 Nor by the earth; for it is his footstool: neither by Jerusalem; for it is the city of the great King.

35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;

MT 5:36 ook bij uw hoofd zult gij niet zweren, omdat gij niet één haar wit kunt maken of zwart.

36 Neither shalt thou swear by thy head, because thou canst not make one hair white or black.

36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;

MT 5:37 Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn, en het neen, neen; wat daar bovenuit gaat, is uit den boze.

37 But let your communication be, Yea, yea; Nay, nay: for whatsoever is more than these cometh of evil.

37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.

MT 5:38 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand.

38 Ye have heard that it hath been said, An eye for an eye, and a tooth for a tooth:

38 Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.

MT 5:39 Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe;

39 But I say unto you, That ye resist not evil: but whosoever shall smite thee on thy right cheek, turn to him the other also.

39 Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

MT 5:40 en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel;

40 And if any man will sue thee at the law, and take away thy coat, let him have [thy] cloke also.

40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;

MT 5:41 en zal iemand u voor één mijl pressen, ga er twee met hem.

41 And whosoever shall compel thee to go a mile, go with him twain.

41 En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee [mijlen].

MT 5:42 Geef hem, die van u vraagt, en wijs hem niet af, die van u lenen wil.

42 Give to him that asketh thee, and from him that would borrow of thee turn not thou away.

42 Geeft dengene, die [iets] van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

MT 5:43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten.

43 Ye have heard that it hath been said, Thou shalt love thy neighbour, and hate thine enemy.

43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.

MT 5:44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen,

44 But I say unto you, Love your enemies, bless them that curse you, do good to them that hate you, and pray for them which despitefully use you, and persecute you;

44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

MT 5:45 opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

45 That ye may be the children of your Father which is in heaven: for he maketh his sun to rise on the evil and on the good, and sendeth rain on the just and on the unjust.

45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

MT 5:46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

46 For if ye love them which love you, what reward have ye? do not even the publicans the same?

46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

MT 5:47 En indien gij alleen uw broeders groet, waarin doet gij meer dan het gewone? Doen ook de heidenen niet hetzelfde?

47 And if ye salute your brethren only, what do ye more [than others]? do not even the publicans so?

47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?

MT 5:48 Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.

48 Be ye therefore perfect, even as your Father which is in heaven is perfect.

48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

MT 6:1 Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet doet voor de mensen, om door hen opgemerkt te worden; want dan hebt gij geen loon bij uw Vader, die in de hemelen is.

1 Take heed that ye do not your alms before men, to be seen of them: otherwise ye have no reward of your Father which is in heaven.

1 Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.

MT 6:2 Wanneer gij dan aalmoezen geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, om door de mensen geroemd te worden. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds.

2 Therefore when thou doest [thine] alms, do not sound a trumpet before thee, as the hypocrites do in the synagogues and in the streets, that they may have glory of men. Verily I say unto you, They have their reward.

2 Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geeerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.

MT 6:3 Maar laat, als gij aalmoezen geeft, uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet,

3 But when thou doest alms, let not thy left hand know what thy right hand doeth:

3 Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker [hand] niet weten, wat uw rechter doet;

MT 6:4 opdat uw aalmoes in het verborgene zij, en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

4 That thine alms may be in secret: and thy Father which seeth in secret himself shall reward thee openly.

4 Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.

MT 6:5 En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds.

5 And when thou prayest, thou shalt not be as the hypocrites [are]: for they love to pray standing in the synagogues and in the corners of the streets, that they may be seen of men. Verily I say unto you, They have their reward.

5 En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.

MT 6:6 Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

6 But thou, when thou prayest, enter into thy closet, and when thou hast shut thy door, pray to thy Father which is in secret; and thy Father which seeth in secret shall reward thee openly.

6 Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.

MT 6:7 En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden.

7 But when ye pray, use not vain repetitions, as the heathen [do]: for they think that they shall be heard for their much speaking.

7 En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.

MT 6:8 Wordt hun dan niet gelijk, want [God] uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.

8 Be not ye therefore like unto them: for your Father knoweth what things ye have need of, before ye ask him.

8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.

MT 6:9 Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd;

9 After this manner therefore pray ye: Our Father which art in heaven, Hallowed be thy name.

9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen [zijt!] Uw Naam worde geheiligd.

MT 6:10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.

10 Thy kingdom come. Thy will be done in earth, as [it is] in heaven.

10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel [alzo] ook op de aarde.

MT 6:11 Geef ons heden ons dagelijks brood;

11 Give us this day our daily bread.

11 Geef ons heden ons dagelijks brood.

MT 6:12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;

12 And forgive us our debts, as we forgive our debtors.

12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

MT 6:13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.

13 And lead us not into temptation, but deliver us from evil:

13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.

[Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.]

For thine is the kingdom, and the power, and the glory, for ever. Amen.

Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.

MT 6:14 Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven;

14 For if ye forgive men their trespasses, your heavenly Father will also forgive you:

14 Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.

MT 6:15 maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.

15 But if ye forgive not men their trespasses, neither will your Father forgive your trespasses.

15 Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.

MT 6:16 En wanneer gij vast, toont dan niet, zoals de huichelaars, een somber gelaat; want zij maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de mensen te vertonen, wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds.

16 Moreover when ye fast, be not, as the hypocrites, of a sad countenance: for they disfigure their faces, that they may appear unto men to fast. Verily I say unto you, They have their reward.

16 En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.

MT 6:17 Maar gij, zalf uw hoofd, als gij vast, en was uw gelaat,

17 But thou, when thou fastest, anoint thine head, and wash thy face;

17 Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht;

MT 6:18 om u niet bij uw vasten aan de mensen te vertonen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

18 That thou appear not unto men to fast, but unto thy Father which is in secret: and thy Father, which seeth in secret, shall reward thee openly.

18 Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.

MT 6:19 Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen;

19 Lay not up for yourselves treasures upon earth, where moth and rust doth corrupt, and where thieves break through and steal:

19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;

MT 6:20 maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen.

20 But lay up for yourselves treasures in heaven, where neither moth nor rust doth corrupt, and where thieves do not break through nor steal:

20 Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;

MT 6:21 Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

21 For where your treasure is, there will your heart be also.

21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

MT 6:22 De lamp van het lichaam is het oog. Indien dan uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam verlicht zijn;

22 The light of the body is the eye: if therefore thine eye be single, thy whole body shall be full of light.

22 De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;

MT 6:23 maar indien uw oog slecht is, zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien nu wat licht in u is, duisternis is, hoe groot is dan de duisternis!

23 But if thine eye be evil, thy whole body shall be full of darkness. If therefore the light that is in thee be darkness, how great [is] that darkness!

23 Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot [zal] de duisternis [zelve zijn!]

MT 6:24 Niemand kan twee heren dienen, want hij zal òf de ene haten en de andere liefhebben, òf zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen èn Mammon.

24 No man can serve two masters: for either he will hate the one, and love the other; or else he will hold to the one, and despise the other. Ye cannot serve God and mammon.

24 Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.

MT 6:25 Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten [of drinken], of over uw lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding?

25 Therefore I say unto you, Take no thought for your life, what ye shall eat, or what ye shall drink; nor yet for your body, what ye shall put on. Is not the life more than meat, and the body than raiment?

25 Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?

MT 6:26 Ziet naar de vogelen des hemels: zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat gij ze niet verre te boven?

26 Behold the fowls of the air: for they sow not, neither do they reap, nor gather into barns; yet your heavenly Father feedeth them. Are ye not much better than they?

26 Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt [nochtans] dezelve; gaat gij dezelve niet [zeer] veel te boven?

MT 6:27 Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?

27 Which of you by taking thought can add one cubit unto his stature?

27 Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?

MT 6:28 En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien:

28 And why take ye thought for raiment? Consider the lilies of the field, how they grow; they toil not, neither do they spin:

28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;

MT 6:29 zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.

29 And yet I say unto you, That even Solomon in all his glory was not arrayed like one of these.

29 En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.

MT 6:30 Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?

30 Wherefore, if God so clothe the grass of the field, which to day is, and to morrow is cast into the oven, [shall he] not much more [clothe] you, O ye of little faith?

30 Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer [kleden], gij kleingelovigen?

MT 6:31 Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?

31 Therefore take no thought, saying, What shall we eat? or, What shall we drink? or, Wherewithal shall we be clothed?

31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?

MT 6:32 Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft.

32 (For after all these things do the Gentiles seek:) for your heavenly Father knoweth that ye have need of all these things.

32 Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.

MT 6:33 Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.

33 But seek ye first the kingdom of God, and his righteousness; and all these things shall be added unto you.

33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.

MT 6:34 Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

34 Take therefore no thought for the morrow: for the morrow shall take thought for the things of itself. Sufficient unto the day [is] the evil thereof.

34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; [elke] dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.

MT 7:1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt;

1 Judge not, that ye be not judged.

1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.

MT 7:2 want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, en met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden.

2 For with what judgment ye judge, ye shall be judged: and with what measure ye mete, it shall be measured to you again.

2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.

MT 7:3 Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet?

3 And why beholdest thou the mote that is in thy brother's eye, but considerest not the beam that is in thine own eye?

3 En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?

MT 7:4 Hoe zult gij dan tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, terwijl, zie, de balk in uw oog is?

4 Or how wilt thou say to thy brother, Let me pull out the mote out of thine eye; and, behold, a beam [is] in thine own eye?

4 Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?

MT 7:5 Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen.

5 Thou hypocrite, first cast out the beam out of thine own eye; and then shalt thou see clearly to cast out the mote out of thy brother's eye.

5 Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.

MT 7:6 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren.

6 Give not that which is holy unto the dogs, neither cast ye your pearls before swine, lest they trample them under their feet, and turn again and rend you.

6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en [zich] omkerende, u verscheuren.

MT 7:7 Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden.

7 Ask, and it shall be given you; seek, and ye shall find; knock, and it shall be opened unto you:

7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

MT 7:8 Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.

8 For every one that asketh receiveth; and he that seeketh findeth; and to him that knocketh it shall be opened.

8 Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

MT 7:9 Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven?

9 Or what man is there of you, whom if his son ask bread, will he give him a stone?

9 Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?

MT 7:10 Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven?

10 Or if he ask a fish, will he give him a serpent?

10 En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?

MT 7:11 Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.

11 If ye then, being evil, know how to give good gifts unto your children, how much more shall your Father which is in heaven give good things to them that ask him?

11 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede [gaven] geven dengenen, die ze van Hem bidden!

MT 7:12 Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.

12 Therefore all things whatsoever ye would that men should do to you, do ye even so to them: for this is the law and the prophets.

12 Alle [dingen] dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.

MT 7:13 Gaat in door de enge poort, want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan;

13 Enter ye in at the strait gate: for wide [is] the gate, and broad [is] the way, that leadeth to destruction, and many there be which go in thereat:

13 Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;

MT 7:14 want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.

14 Because strait [is] the gate, and narrow [is] the way, which leadeth unto life, and few there be that find it.

14 Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.

MT 7:15 Wacht u voor de valse profeten, die in schapevacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven.

15 Beware of false prophets, which come to you in sheep's clothing, but inwardly they are ravening wolves.

15 Maar wacht [u] van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.

MT 7:16 Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels?

16 Ye shall know them by their fruits. Do men gather grapes of thorns, or figs of thistles?

16 Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?

MT 7:17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort.

17 Even so every good tree bringeth forth good fruit; but a corrupt tree bringeth forth evil fruit.

17 Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.

MT 7:18 Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen.

18 A good tree cannot bring forth evil fruit, neither [can] a corrupt tree bring forth good fruit.

18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.

MT 7:19 Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

19 Every tree that bringeth not forth good fruit is hewn down, and cast into the fire.

19 Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

MT 7:20 Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen.

20 Wherefore by their fruits ye shall know them.

20 Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.

MT 7:21 Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is.

21 Not every one that saith unto me, Lord, Lord, shall enter into the kingdom of heaven; but he that doeth the will of my Father which is in heaven.

21 Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.

MT 7:22 Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan?

22 Many will say to me in that day, Lord, Lord, have we not prophesied in thy name? and in thy name have cast out devils? and in thy name done many wonderful works?

22 Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?

MT 7:23 En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

23 And then will I profess unto them, I never knew you: depart from me, ye that work iniquity.

23 En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!

MT 7:24 Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots.

24 Therefore whosoever heareth these sayings of mine, and doeth them, I will liken him unto a wise man, which built his house upon a rock:

24 Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;

MT 7:25 En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, en het viel niet in, want het was op de rots gegrondvest.

25 And the rain descended, and the floods came, and the winds blew, and beat upon that house; and it fell not: for it was founded upon a rock.

25 En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.

MT 7:26 En een ieder, die deze mijn woorden hoort en ze niet doet, zal gelijken op een dwaas man, die zijn huis bouwde op het zand.

26 And every one that heareth these sayings of mine, and doeth them not, shall be likened unto a foolish man, which built his house upon the sand:

26 En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;

MT 7:27 En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het viel in, en zijn val was groot.

27 And the rain descended, and the floods came, and the winds blew, and beat upon that house; and it fell: and great was the fall of it.

27 En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.

MT 7:28 En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen versteld stonden over zijn leer,

28 And it came to pass, when Jesus had ended these sayings, the people were astonished at his doctrine:

28 En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, [dat] de scharen zich ontzetten over Zijn leer;

MT 7:29 want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden.

29 For he taught them as [one] having authority, and not as the scribes.

29 Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.

MT 8:1 Nadat Hij nu van de berg was afgedaald, volgden Hem vele scharen.

1 When he was come down from the mountain, great multitudes followed him.

1 Toen Hij nu van den berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd.

MT 8:2 En zie, een melaatse kwam tot Hem en viel voor Hem neder, zeggende: Here, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.

2 And, behold, there came a leper and worshipped him, saying, Lord, if thou wilt, thou canst make me clean.

2 En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

MT 8:3 En Hij strekte de hand uit en raakte hem aan en zeide: Ik wil het, word rein. En terstond werd hij rein van zijn melaatsheid.

3 And Jesus put forth [his] hand, and touched him, saying, I will; be thou clean. And immediately his leprosy was cleansed.

3 En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd [hij van] zijn melaatsheid gereinigd.

MT 8:4 En Jezus zeide tot hem: Zie toe, dat gij het aan niemand zegt, maar ga heen, toon u aan de priester en offer de gave, die Mozes heeft voorgeschreven, hun tot een getuigenis.

4 And Jesus saith unto him, See thou tell no man; but go thy way, shew thyself to the priest, and offer the gift that Moses commanded, for a testimony unto them.

4 En Jezus zeide tot hem: Zie, dat gij [dit] niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven den priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

MT 8:5 Toen Hij nu Kafarnaüm binnenging, kwam een hoofdman tot Hem met een bede,

5 And when Jesus was entered into Capernaum, there came unto him a centurion, beseeching him,

5 Als nu Jezus te Kapernaum ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,

MT 8:6 en zeide: Here, mijn knecht ligt thuis, verlamd, met hevige pijn.

6 And saying, Lord, my servant lieth at home sick of the palsy, grievously tormented.

6 En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.

MT 8:7 Hij zeide tot hem: Zal Ik komen en hem genezen?

7 And Jesus saith unto him, I will come and heal him.

7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.

MT 8:8 Doch de hoofdman antwoordde en zeide: Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen.

8 The centurion answered and said, Lord, I am not worthy that thou shouldest come under my roof: but speak the word only, and my servant shall be healed.

8 En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

MT 8:9 Want ik ben zelf een ondergeschikte met soldaten onder mij, en ik zeg tot de één: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het.

9 For I am a man under authority, having soldiers under me: and I say to this [man], Go, and he goeth; and to another, Come, and he cometh; and to my servant, Do this, and he doeth [it].

9 Want ik ben ook een mens onder de macht [van anderen], hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.

MT 8:10 Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich en zeide tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden!

10 When Jesus heard [it], he marvelled, and said to them that followed, Verily I say unto you, I have not found so great faith, no, not in Israel.

10 Jezus nu, [dit] horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot dengenen, die [Hem] volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israel zo groot een geloof niet gevonden.

MT 8:11 Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen;

11 And I say unto you, That many shall come from the east and west, and shall sit down with Abraham, and Isaac, and Jacob, in the kingdom of heaven.

11 Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen;

MT 8:12 maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

12 But the children of the kingdom shall be cast out into outer darkness: there shall be weeping and gnashing of teeth.

12 En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.

MT 8:13 En Jezus zeide tot de hoofdman: Ga heen, u geschiede naar uw geloof. En de knecht genas, juist op dat uur.

13 And Jesus said unto the centurion, Go thy way; and as thou hast believed, [so] be it done unto thee. And his servant was healed in the selfsame hour.

13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te diezelver ure.

MT 8:14 En Jezus kwam in het huis van Petrus en zag diens schoonmoeder met koorts te bed liggen.

14 And when Jesus was come into Peter's house, he saw his wife's mother laid, and sick of a fever.

14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder [te bed] liggen, hebbende de koorts.

MT 8:15 En Hij vatte haar hand en de koorts verliet haar, en zij stond op en diende Hem.

15 And he touched her hand, and the fever left her: and she arose, and ministered unto them.

15 En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende henlieden.

MT 8:16 Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen,

16 When the even was come, they brought unto him many that were possessed with devils: and he cast out the spirits with [his] word, and healed all that were sick:

16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de [boze] geesten uit met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;

MT 8:17 opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zeide: Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.

17 That it might be fulfilled which was spoken by Esaias the prophet, saying, Himself took our infirmities, and bare [our] sicknesses.

17 Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden [op Zich] genomen, en onze [ziekten] gedragen.

MT 8:18 Toen Jezus een schare rondom Zich zag, beval Hij te vertrekken naar de overkant.

18 Now when Jesus saw great multitudes about him, he gave commandment to depart unto the other side.

18 En Jezus, vele scharen ziende rondom Zich, beval aan de andere zijde over te varen.

MT 8:19 En er kwam een schriftgeleerde tot Hem en zeide: Meester, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.

19 And a certain scribe came, and said unto him, Master, I will follow thee whithersoever thou goest.

19 En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zeide tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook henengaat.

MT 8:20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen.

20 And Jesus saith unto him, The foxes have holes, and the birds of the air [have] nests; but the Son of man hath not where to lay [his] head.

20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.

MT 8:21 Een ander echter, een van zijn discipelen, zeide tot Hem: Here, sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.

21 And another of his disciples said unto him, Lord, suffer me first to go and bury my father.

21 En een ander uit Zijn discipelen zeide tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave.

MT 8:22 Maar Jezus zeide tot hem: Volg mij en laat de doden hun doden begraven.

22 But Jesus said unto him, Follow me; and let the dead bury their dead.

22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.

MT 8:23 En toen Hij in het schip ging, volgden zijn discipelen Hem.

23 And when he was entered into a ship, his disciples followed him.

23 En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.

MT 8:24 En zie, er kwam een grote onstuimigheid op de zee, zodat de golven over het schip sloegen; maar Hij sliep.

24 And, behold, there arose a great tempest in the sea, insomuch that the ship was covered with the waves: but he was asleep.

24 En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.

MT 8:25 En zij kwamen en maakten Hem wakker en zeiden: Here, help ons, wij vergaan!

25 And his disciples came to [him], and awoke him, saying, Lord, save us: we perish.

25 En Zijn discipelen, bij [Hem] komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan!

MT 8:26 En Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij bevreesd, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en het werd volkomen stil.

26 And he saith unto them, Why are ye fearful, O ye of little faith? Then he arose, and rebuked the winds and the sea; and there was a great calm.

26 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.

MT 8:27 En de mensen verwonderden zich en zeiden: Wat voor iemand is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn?

27 But the men marvelled, saying, What manner of man is this, that even the winds and the sea obey him!

27 En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!

MT 8:28 Nadat Hij aan de overkant in het land der Gadarenen was gekomen, kwamen Hem twee bezetenen uit de grafsteden tegemoet, zeer gevaarlijke, zodat niemand langs die weg kon voorbijgaan.

28 And when he was come to the other side into the country of the Gergesenes, there met him two possessed with devils, coming out of the tombs, exceeding fierce, so that no man might pass by that way.

28 En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesenen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.

MT 8:29 En zie, zij schreeuwden, zeggende: Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen?

29 And, behold, they cried out, saying, What have we to do with thee, Jesus, thou Son of God? art thou come hither to torment us before the time?

29 En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U [te doen?] Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?

MT 8:30 Nu werd er ver van hen een grote kudde zwijnen gehoed.

30 And there was a good way off from them an herd of many swine feeding.

30 En verre van hen was een kudde veler zwijnen, weidende.

MT 8:31 De boze geesten smeekten Hem en zeiden: Indien Gij ons uitdrijft, laat ons dan in de kudde zwijnen varen.

31 So the devils besought him, saying, If thou cast us out, suffer us to go away into the herd of swine.

31 En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.

MT 8:32 En Hij zeide tot hen: Gaat heen! Zij voeren uit en gingen in de zwijnen; en zie, de gehele kudde stormde langs de helling de zee in en zij kwamen om in het water.

32 And he said unto them, Go. And when they were come out, they went into the herd of swine: and, behold, the whole herd of swine ran violently down a steep place into the sea, and perished in the waters.

32 En Hij zeide tot hen: Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water.

MT 8:33 En de hoeders namen de vlucht en kwamen in de stad en berichtten alles, ook van de bezetenen.

33 And they that kept them fled, and went their ways into the city, and told every thing, and what was befallen to the possessed of the devils.

33 En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al [deze] dingen, en wat den bezetenen [geschied was].

MT 8:34 En zie, de gehele stad liep uit, Jezus tegemoet, en toen zij Hem zagen, drongen zij er bij Hem op aan hun gebied te verlaten.

34 And, behold, the whole city came out to meet Jesus: and when they saw him, they besought [him] that he would depart out of their coasts.

34 En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken.

MT 9:1 En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn eigen stad.

1 And he entered into a ship, and passed over, and came into his own city.

1 En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad.

En zie, men bracht een verlamde, op een bed liggende, tot Hem.

2 And, behold, they brought to him a man sick of the palsy, lying on a bed:

En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende.

MT 9:2 En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven.

and Jesus seeing their faith said unto the sick of the palsy; Son, be of good cheer; thy sins be forgiven thee.

2 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.

MT 9:3 En zie, sommige der schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God.

3 And, behold, certain of the scribes said within themselves, This [man] blasphemeth.

3 En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert [God].

MT 9:4 En daar Jezus hun overleggingen kende, zeide Hij: Waarom overlegt gij kwaad in uw hart?

4 And Jesus knowing their thoughts said, Wherefore think ye evil in your hearts?

4 En Jezus, ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?

MT 9:5 Want wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?

5 For whether is easier, to say, [Thy] sins be forgiven thee; or to say, Arise, and walk?

5 Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?

MT 9:6 Maar, opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven - toen zeide Hij tot de verlamde: Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.

6 But that ye may know that the Son of man hath power on earth to forgive sins, (then saith he to the sick of the palsy,) Arise, take up thy bed, and go unto thine house.

6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.

MT 9:7 En hij stond op en ging naar huis.

7 And he arose, and departed to his house.

7 En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.

MT 9:8 Toen de scharen dit zagen, vreesden zij en zij verheerlijkten God, die zulk een macht aan de mensen gegeven had.

8 But when the multitudes saw [it], they marvelled, and glorified God, which had given such power unto men.

8 De scharen nu [dat] ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht den mensen gegeven had.

MT 9:9 En vandaar verder gaande zag Jezus iemand bij het tolhuis zitten, Matteüs genaamd, en Hij zeide tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem.

9 And as Jesus passed forth from thence, he saw a man, named Matthew, sitting at the receipt of custom: and he saith unto him, Follow me. And he arose, and followed him.

9 En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheus; en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.

MT 9:10 En het geschiedde toen Hij in het huis aanlag, zie, vele tollenaars en zondaars kwamen en lagen mede aan met Jezus en zijn discipelen.

10 And it came to pass, as Jesus sat at meat in the house, behold, many publicans and sinners came and sat down with him and his disciples.

10 En het geschiedde, als Hij in het huis [van Mattheus] aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen.

MT 9:11 En toen de Farizeeën dit zagen, zeiden zij tot zijn discipelen: Waarom eet uw meester met de tollenaars en zondaars?

11 And when the Pharisees saw [it], they said unto his disciples, Why eateth your Master with publicans and sinners?

11 En de Farizeen, [dat] ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren?

MT 9:12 Hij hoorde het en zeide: Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn.

12 But when Jesus heard [that], he said unto them, They that be whole need not a physician, but they that are sick.

12 Maar Jezus, [zulks] horende, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.

MT 9:13 Gaat heen en leert, wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.

13 But go ye and learn what [that] meaneth, I will have mercy, and not sacrifice: for I am not come to call the righteous, but sinners to repentance.

13 Doch gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.

MT 9:14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem en vroegen: Waarom vasten wij en de Farizeeën wèl, maar uw discipelen niet?

14 Then came to him the disciples of John, saying, Why do we and the Pharisees fast oft, but thy disciples fast not?

14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeen veel, en Uw discipelen vasten niet?

MT 9:15 Jezus zeide tot hen: Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vasten.

15 And Jesus said unto them, Can the children of the bridechamber mourn, as long as the bridegroom is with them? but the days will come, when the bridegroom shall be taken from them, and then shall they fast.

15 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.

MT 9:16 En niemand zet een niet-gekrompen lap op een oud kledingstuk; want de ingezette lap scheurt iets af van het kledingstuk en de scheur wordt erger.

16 No man putteth a piece of new cloth unto an old garment, for that which is put in to fill it up taketh from the garment, and the rent is made worse.

16 Ook zet niemand een lap ongevold laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur.

MT 9:17 Ook doet men jonge wijn niet in oude zakken; anders barsten de zakken en de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren; maar men doet jonge wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behouden.

17 Neither do men put new wine into old bottles: else the bottles break, and the wine runneth out, and the bottles perish: but they put new wine into new bottles, and both are preserved.

17 Noch doet men nieuwen wijn in oude [leder] zakken; anders zo bersten de [leder] zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de [leder] zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe [leder] zakken, en beide te zamen worden behouden.

MT 9:18 Terwijl Hij dit tot hen sprak, zie, een overste (der synagoge) kwam tot Hem en viel voor Hem neder, en zeide: Mijn dochter is zo juist gestorven, maar kom en leg uw hand op haar en zij zal leven.

18 While he spake these things unto them, behold, there came a certain ruler, and worshipped him, saying, My daughter is even now dead: but come and lay thy hand upon her, and she shall live.

18 Als Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven.

MT 9:19 En Jezus stond op en volgde hem met zijn discipelen.

19 And Jesus arose, and followed him, and [so did] his disciples.

19 En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen.

MT 9:20 En zie, een vrouw, die reeds twaalf jaren aan bloedvloeiingen leed, kwam van achteren tot Hem en raakte de kwast van zijn kleed aan.

20 And, behold, a woman, which was diseased with an issue of blood twelve years, came behind [him], and touched the hem of his garment:

20 (En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte den zoom Zijns kleeds aan;

MT 9:21 Want, zeide zij bij zichzelf, indien ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik behouden zijn.

21 For she said within herself, If I may but touch his garment, I shall be whole.

21 Want zij zeide in zichzelven: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.

MT 9:22 Maar Jezus keerde Zich om, zag haar en zeide: Houd moed, dochter, uw geloof heeft u behouden. En de vrouw was behouden van dat ogenblik af.

22 But Jesus turned him about, and when he saw her, he said, Daughter, be of good comfort; thy faith hath made thee whole. And the woman was made whole from that hour.

22 En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.)

MT 9:23 En toen Jezus in het huis van de overste kwam en de fluitspelers en het misbaar van de schare zag,

23 And when Jesus came into the ruler's house, and saw the minstrels and the people making a noise,

23 En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,

MT 9:24 zeide Hij: Gaat heen, want het meisje is niet gestorven, maar het slaapt. En zij lachten Hem uit.

24 He said unto them, Give place: for the maid is not dead, but sleepeth. And they laughed him to scorn.

24 Zeide Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem.

MT 9:25 Toen de schare uitgedreven was, ging Hij binnen en vatte haar hand en het meisje ontwaakte.

25 But when the people were put forth, he went in, and took her by the hand, and the maid arose.

25 Als nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op.

MT 9:26 En de roep hierover verbreidde zich in die gehele streek.

26 And the fame hereof went abroad into all that land.

26 En dit gerucht ging uit door dat gehele land.

MT 9:27 En terwijl Jezus vandaar verder ging, volgden Hem twee blinden, al roepende en zeggende: Heb medelijden met ons, Zoon van David!

27 And when Jesus departed thence, two blind men followed him, crying, and saying, [Thou] Son of David, have mercy on us.

27 En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: [Gij] Zone Davids, ontferm U onzer!

MT 9:28 En toen Hij het huis was binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem, en Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dit doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Here.

28 And when he was come into the house, the blind men came to him: and Jesus saith unto them, Believe ye that I am able to do this? They said unto him, Yea, Lord.

28 En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!

MT 9:29 Toen raakte Hij hun ogen aan en zeide: U geschiede naar uw geloof.

29 Then touched he their eyes, saying, According to your faith be it unto you.

29 Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.

MT 9:30 En hun ogen gingen open. En Jezus verbood hun ten strengste en zeide: Ziet toe, niemand mag dit weten!

30 And their eyes were opened; and Jesus straitly charged them, saying, See [that] no man know [it].

30 En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat het niemand wete.

MT 9:31 Maar zij gingen heen en maakten Hem in die gehele streek bekend.

31 But they, when they were departed, spread abroad his fame in all that country.

31 Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.

MT 9:32 Terwijl zij heengingen, zie, men bracht een doofstomme bezetene bij Hem.

32 As they went out, behold, they brought to him a dumb man possessed with a devil.

32 Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.

MT 9:33 En nadat de boze geest was uitgedreven, sprak de doofstomme. En de scharen verbaasden zich en zeiden: Zo iets is nog nooit in Israël voorgekomen!

33 And when the devil was cast out, the dumb spake: and the multitudes marvelled, saying, It was never so seen in Israel.

33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israel gezien!

MT 9:34 Maar de Farizeeën zeiden: Door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit.

34 But the Pharisees said, He casteth out devils through the prince of the devils.

34 Maar de Farizeen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.

MT 9:35 En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal.

35 And Jesus went about all the cities and villages, teaching in their synagogues, and preaching the gospel of the kingdom, and healing every sickness and every disease among the people.

35 En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.

MT 9:36 Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben.

36 But when he saw the multitudes, he was moved with compassion on them, because they fainted, and were scattered abroad, as sheep having no shepherd.

36 En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.

MT 9:37 Toen zeide Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.

37 Then saith he unto his disciples, The harvest truly [is] plenteous, but the labourers [are] few;

37 Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige;

MT 9:38 Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst.

38 Pray ye therefore the Lord of the harvest, that he will send forth labourers into his harvest.

38 Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.

MT 10:1 En Hij riep zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.

1 And when he had called unto [him] his twelve disciples, he gave them power [against] unclean spirits, to cast them out, and to heal all manner of sickness and all manner of disease.

1 En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.

MT 10:2 En dit zijn de namen van de twaalf apostelen: vooreerst Simon, genaamd Petrus, en Andreas, zijn broeder; en Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder;

2 Now the names of the twelve apostles are these; The first, Simon, who is called Peter, and Andrew his brother; James [the son] of Zebedee, and John his brother;

2 De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de [zoon] van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder;

MT 10:3 Filippus en Bartolomeüs; Tomas en Matteüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs en Taddeüs;

3 Philip, and Bartholomew; Thomas, and Matthew the publican; James [the son] of Alphaeus, and Lebbaeus, whose surname was Thaddaeus;

3 Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de [zoon] van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus;

MT 10:4 Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

4 Simon the Canaanite, and Judas Iscariot, who also betrayed him.

4 Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

MT 10:5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen;

5 These twelve Jesus sent forth, and commanded them, saying, Go not into the way of the Gentiles, and into [any] city of the Samaritans enter ye not:

5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in [enige] stad der Samaritanen.

MT 10:6 begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls.

6 But go rather to the lost sheep of the house of Israel.

6 Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israels.

MT 10:7 Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

7 And as ye go, preach, saying, The kingdom of heaven is at hand.

7 En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

MT 10:8 Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet.

8 Heal the sick, cleanse the lepers, raise the dead, cast out devils: freely ye have received, freely give.

8 Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.

MT 10:9 Voorziet u niet van goud of zilver of koper in uw gordels,

9 Provide neither gold, nor silver, nor brass in your purses,

9 Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper [geld] in uw gordels;

MT 10:10 van geen reiszak voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf, want de arbeider is zijn voedsel waard.

10 Nor scrip for [your] journey, neither two coats, neither shoes, nor yet staves: for the workman is worthy of his meat.

10 Noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.

MT 10:11 Welke stad of welk dorp gij ook binnenkomt, onderzoekt wie het daarin waard is, en blijft daar tot uw vertrek.

11 And into whatsoever city or town ye shall enter, enquire who in it is worthy; and there abide till ye go thence.

11 En in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is; en blijft aldaar, totdat gij [daar] uitgaat.

MT 10:12 Als gij het huis binnentreedt, geeft het de vredegroet;

12 And when ye come into an house, salute it.

12 En als gij in het huis gaat, zo groet hetzelve.

MT 10:13 en indien het huis het waard is, zo kome uw vrede daarover; doch indien niet, zo kere uw vrede tot u terug.

13 And if the house be worthy, let your peace come upon it: but if it be not worthy, let your peace return to you.

13 En indien dat huis waardig is, zo kome uw vrede over hetzelve, maar indien het niet waardig is, zo kere uw vrede weder tot u.

MT 10:14 En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten af.

14 And whosoever shall not receive you, nor hear your words, when ye depart out of that house or city, shake off the dust of your feet.

14 En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit dezelve stad, schudt het stof uwer voeten af.

MT 10:15 Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor die stad.

15 Verily I say unto you, It shall be more tolerable for the land of Sodom and Gomorrha in the day of judgment, than for that city.

15 Voorwaar zeg Ik u: Het zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad.

MT 10:16 Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven.

16 Behold, I send you forth as sheep in the midst of wolves: be ye therefore wise as serpents, and harmless as doves.

16 Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.

MT 10:17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen;

17 But beware of men: for they will deliver you up to the councils, and they will scourge you in their synagogues;

17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.

MT 10:18 gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volken.

18 And ye shall be brought before governors and kings for my sake, for a testimony against them and the Gentiles.

18 En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis.

MT 10:19 Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet;

19 But when they deliver you up, take no thought how or what ye shall speak: for it shall be given you in that same hour what ye shall speak.

19 Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult.

MT 10:20 want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt.

20 For it is not ye that speak, but the Spirit of your Father which speaketh in you.

20 Want gij zijt [het] niet, die spreekt, maar [het is] de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.

MT 10:21 Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen.

21 And the brother shall deliver up the brother to death, and the father the child: and the children shall rise up against [their] parents, and cause them to be put to death.

21 En de [ene] broeder zal den [anderen] broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.

MT 10:22 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

22 And ye shall be hated of all [men] for my name's sake: but he that endureth to the end shall be saved.

22 En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.

MT 10:23 Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, gij zult niet alle steden van Israël zijn rondgekomen, voordat de Zoon des mensen komt.

23 But when they persecute you in this city, flee ye into another: for verily I say unto you, Ye shall not have gone over the cities of Israel, till the Son of man be come.

23 Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg ik u: Gij zult [uw reis door] de steden Israels niet geeindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn.

MT 10:24 Een discipel staat niet boven zijn meester, of een slaaf boven zijn heer.

24 The disciple is not above [his] master, nor the servant above his lord.

24 De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijn heer.

MT 10:25 Het is genoeg voor de discipel te worden als zijn meester, en voor de slaaf als zijn heer. Indien men aan de heer des huizes de naam Beëlzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huisgenoten!

25 It is enough for the disciple that he be as his master, and the servant as his lord. If they have called the master of the house Beelzebub, how much more [shall they call] them of his household?

25 Het [zij] den discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den Heere des huizes Beelzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!

MT 10:26 Vreest hen dan niet, want er is niets bedekt, of het zal geopenbaard worden, en verborgen, of het zal bekend worden.

26 Fear them not therefore: for there is nothing covered, that shall not be revealed; and hid, that shall not be known.

26 Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten worden.

MT 10:27 Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken.

27 What I tell you in darkness, [that] speak ye in light: and what ye hear in the ear, [that] preach ye upon the housetops.

27 Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.

MT 10:28 En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel.

28 And fear not them which kill the body, but are not able to kill the soul: but rather fear him which is able to destroy both soul and body in hell.

28 En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.

MT 10:29 Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader.

29 Are not two sparrows sold for a farthing? and one of them shall not fall on the ground without your Father.

29 Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.

MT 10:30 En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld.

30 But the very hairs of your head are all numbered.

30 En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld.

MT 10:31 Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele mussen te boven.

31 Fear ye not therefore, ye are of more value than many sparrows.

31 Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.

MT 10:32 Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is;

32 Whosoever therefore shall confess me before men, him will I confess also before my Father which is in heaven.

32 Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen [is].

MT 10:33 maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is.

33 But whosoever shall deny me before men, him will I also deny before my Father which is in heaven.

33 Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen [is].

MT 10:34 Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

34 Think not that I am come to send peace on earth: I came not to send peace, but a sword.

34 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

MT 10:35 Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder;

35 For I am come to set a man at variance against his father, and the daughter against her mother, and the daughter in law against her mother in law.

35 Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.

MT 10:36 en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.

36 And a man's foes [shall be] they of his own household.

36 En zij [zullen] des mensen vijanden [worden], die zijn huisgenoten [zijn].

MT 10:37 Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig;

37 He that loveth father or mother more than me is not worthy of me: and he that loveth son or daughter more than me is not worthy of me.

37 Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.

MT 10:38 en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig.

38 And he that taketh not his cross, and followeth after me, is not worthy of me.

38 En die zijn kruis niet [op zich] neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

MT 10:39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.

39 He that findeth his life shall lose it: and he that loseth his life for my sake shall find it.

39 Die zijn ziel vindt, zal [dezelve] verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.

MT 10:40 Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft.

40 He that receiveth you receiveth me, and he that receiveth me receiveth him that sent me.

40 Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.

MT 10:41 Wie een profeet ontvangt als profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt als rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.

41 He that receiveth a prophet in the name of a prophet shall receive a prophet's reward; and he that receiveth a righteous man in the name of a righteous man shall receive a righteous man's reward.

41 Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.

MT 10:42 En wie één van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar, Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan.

42 And whosoever shall give to drink unto one of these little ones a cup of cold [water] only in the name of a disciple, verily I say unto you, he shall in no wise lose his reward.

42 En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud [water], in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.

MT 11:1 En het geschiedde, toen Jezus zijn bevelen aan zijn twaalf discipelen ten einde had gebracht, dat Hij vandaar vertrok om te leren en te prediken in hun steden.

1 And it came to pass, when Jesus had made an end of commanding his twelve disciples, he departed thence to teach and to preach in their cities.

1 En het is geschied, toen Jezus geeindigd had Zijn twaalf discipelen bevelen te geven, dat Hij van daar voortging, om te leren en te prediken in hun steden.

MT 11:2 Johannes nu hoorde in de gevangenis de werken van de Christus en liet Hem door zijn discipelen de vraag overbrengen:

2 Now when John had heard in the prison the works of Christ, he sent two of his disciples,

2 En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen;

MT 11:3 Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?

3 And said unto him, Art thou he that should come, or do we look for another?

3 En zeide tot hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?

MT 11:4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet:

4 Jesus answered and said unto them, Go and shew John again those things which ye do hear and see:

4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet:

MT 11:5 blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie.

5 The blind receive their sight, and the lame walk, the lepers are cleansed, and the deaf hear, the dead are raised up, and the poor have the gospel preached to them.

5 De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.

MT 11:6 En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.

6 And blessed is [he], whosoever shall not be offended in me.

6 En zalig is hij, die aan Mij niet zal geergerd worden.

MT 11:7 Terwijl dezen heengingen, begon Jezus tot de scharen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen?

7 And as they departed, Jesus began to say unto the multitudes concerning John, What went ye out into the wilderness to see? A reed shaken with the wind?

7 Als nu dezen heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?

MT 11:8 Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in weelderige kleding? Zie, die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der koningen.

8 But what went ye out for to see? A man clothed in soft raiment? behold, they that wear soft [clothing] are in kings' houses.

8 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? Ziet, die zachte [klederen] dragen, zijn in der koningen huizen.

MT 11:9 Maar waarom zijt gij dan gegaan? Om een profeet te zien? Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet.

9 But what went ye out for to see? A prophet? yea, I say unto you, and more than a prophet.

9 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.

MT 11:10 Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal.

10 For this is [he], of whom it is written, Behold, I send my messenger before thy face, which shall prepare thy way before thee.

10 Want deze is het, van denwelken geschreven staat: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen.

MT 11:11 Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij.

11 Verily I say unto you, Among them that are born of women there hath not risen a greater than John the Baptist: notwithstanding he that is least in the kingdom of heaven is greater than he.

11 Voorwaar zeg Ik u: onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Doper; doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij.

MT 11:12 Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar.

12 And from the days of John the Baptist until now the kingdom of heaven suffereth violence, and the violent take it by force.

12 En van de dagen van Johannes den Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld.

MT 11:13 Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe;

13 For all the prophets and the law prophesied until John.

13 Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.

MT 11:14 en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.

14 And if ye will receive [it], this is Elias, which was for to come.

14 En zo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou.

MT 11:15 Wie oren heeft, die hore!

15 He that hath ears to hear, let him hear.

15 Wie oren heeft om te horen, die hore.

MT 11:16 Doch waarmede zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de markten zitten en de anderen toeroepen:

16 But whereunto shall I liken this generation? It is like unto children sitting in the markets, and calling unto their fellows,

16 Doch waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderkens, die op de markten zitten, en hun gezellen toeroepen,

MT 11:17 Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt geen misbaar gemaakt.

17 And saying, We have piped unto you, and ye have not danced; we have mourned unto you, and ye have not lamented.

17 En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend.

MT 11:18 Want Johannes is gekomen, niet etende en niet drinkende, en zij zeggen: Hij heeft een boze geest.

18 For John came neither eating nor drinking, and they say, He hath a devil.

18 Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel.

MT 11:19 De Zoon des mensen is gekomen, wèl etende en drinkende, en zij zeggen: Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars. En de wijsheid is gerechtvaardigd op grond van haar werken.

19 The Son of man came eating and drinking, and they say, Behold a man gluttonous, and a winebibber, a friend of publicans and sinners. But wisdom is justified of her children.

19 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, [Die] een vraat en wijnzuiper [is], een Vriend van tollenaren en zondaren. Doch de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen.

MT 11:20 Toen begon Hij de steden, waarin de meeste krachten door Hem verricht waren, te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden:

20 Then began he to upbraid the cities wherein most of his mighty works were done, because they repented not:

20 Toen begon Hij de steden, in dewelke Zijn krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden.

MT 11:21 Wee u, Chorazin, wee u, Betsaïda! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben.

21 Woe unto thee, Chorazin! woe unto thee, Bethsaida! for if the mighty works, which were done in you, had been done in Tyre and Sidon, they would have repented long ago in sackcloth and ashes.

21 Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.

MT 11:22 Doch Ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor u.

22 But I say unto you, It shall be more tolerable for Tyre and Sidon at the day of judgment, than for you.

22 Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden.

MT 11:23 En gij, Kafarnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk(zult gij nederdalen; want indien in Sodom de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden.

23 And thou, Capernaum, which art exalted unto heaven, shalt be brought down to hell: for if the mighty works, which have been done in thee, had been done in Sodom, it would have remained until this day.

23 En gij, Kapernaum! die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op den huidigen dag gebleven zijn.

MT 11:24 Maar Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor u.

24 But I say unto you, That it shall be more tolerable for the land of Sodom in the day of judgment, than for thee.

24 Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u.

MT 11:25 Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard.

25 At that time Jesus answered and said, I thank thee, O Father, Lord of heaven and earth, because thou hast hid these things from the wise and prudent, and hast revealed them unto babes.

25 In diezelve tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard.

MT 11:26 Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.

26 Even so, Father: for so it seemed good in thy sight.

26 Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U.

MT 11:27 Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.

27 All things are delivered unto me of my Father: and no man knoweth the Son, but the Father; neither knoweth any man the Father, save the Son, and [he] to whomsoever the Son will reveal [him].

27 Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren.

MT 11:28 Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;

28 Come unto me, all [ye] that labour and are heavy laden, and I will give you rest.

28 Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.

MT 11:29 neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen;

29 Take my yoke upon you, and learn of me; for I am meek and lowly in heart: and ye shall find rest unto your souls.

29 Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.

MT 11:30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht.

30 For my yoke [is] easy, and my burden is light.

30 Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.

MT 12:1 Te dien tijde ging Jezus op de sabbat door de korenvelden en zijn discipelen kregen honger en begonnen aren te plukken en te eten.

1 At that time Jesus went on the sabbath day through the corn; and his disciples were an hungred, and began to pluck the ears of corn, and to eat.

1 In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.

MT 12:2 Maar toen de Farizeeën dit zagen, zeiden zij tot Hem: Zie, uw discipelen doen wat men op sabbat niet mag doen.

2 But when the Pharisees saw [it], they said unto him, Behold, thy disciples do that which is not lawful to do upon the sabbath day.

2 En de Farizeen, [dat] ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.

MT 12:3 En Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen wat David gedaan heeft, toen hij en die met hem waren honger kregen?

3 But he said unto them, Have ye not read what David did, when he was an hungred, and they that were with him;

3 Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem [waren]?

MT 12:4 Hoe hij het huis Gods binnengegaan is en zij de toonbroden hebben gegeten, waarvan hij noch die met hem waren mochten eten, doch alleen de priesters?

4 How he entered into the house of God, and did eat the shewbread, which was not lawful for him to eat, neither for them which were with him, but only for the priests?

4 Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem [waren], maar den priesteren alleen.

MT 12:5 Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat op de sabbat de priesters in de tempel de sabbat schenden zonder schuldig te zijn?

5 Or have ye not read in the law, how that on the sabbath days the priests in the temple profane the sabbath, and are blameless?

5 Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en [nochtans] onschuldig zijn?

MT 12:6 Maar Ik zeg u: Meer dan de tempel is hier.

6 But I say unto you, That in this place is [one] greater than the temple.

6 En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.

MT 12:7 Indien gij geweten hadt, wat het zeggen wil: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande, dan zoudt gij geen onschuldigen hebben veroordeeld.

7 But if ye had known what [this] meaneth, I will have mercy, and not sacrifice, ye would not have condemned the guiltless.

7 Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.

MT 12:8 Want de Zoon des mensen is heer over de sabbat.

8 For the Son of man is Lord even of the sabbath day.

8 Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.

MT 12:9 En Hij vertrok van die plaats en ging in hun synagoge.

9 And when he was departed thence, he went into their synagogue:

9 En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.

MT 12:10 En zie, daar was een mens met een verschrompelde hand. En zij legden Hem de vraag voor, of het geoorloofd is op de sabbat te genezen, om Hem te kunnen aanklagen.

10 And, behold, there was a man which had [his] hand withered. And they asked him, saying, Is it lawful to heal on the sabbath days? that they might accuse him.

10 En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen).

MT 12:11 Maar Hij zeide tot hen: Wie zou er onder u zijn, die één schaap heeft en die, als dit op een sabbat in een put valt, het niet grijpen zal en eruit trekken?

11 And he said unto them, What man shall there be among you, that shall have one sheep, and if it fall into a pit on the sabbath day, will he not lay hold on it, and lift [it] out?

11 En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, [die] hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen?

MT 12:12 Hoeveel gaat niet een mens een schaap te boven? Derhalve is het geoorloofd op de sabbat wèl te doen.

12 How much then is a man better than a sheep? Wherefore it is lawful to do well on the sabbath days.

12 Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.

MT 12:13 Toen zeide Hij tot die mens: Strek uw hand uit. En hij strekte haar uit en zij werd weder gezond gelijk de andere.

13 Then saith he to the man, Stretch forth thine hand. And he stretched [it] forth; and it was restored whole, like as the other.

13 Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.

MT 12:14 En de Farizeeën gingen heen en spanden tegen Hem samen ten einde Hem om te brengen.

14 Then the Pharisees went out, and held a council against him, how they might destroy him.

14 En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.

MT 12:15 Maar Jezus doorzag het en ging vandaar weg. En velen volgden Hem en Hij genas hen allen,

15 But when Jesus knew [it], he withdrew himself from thence: and great multitudes followed him, and he healed them all;

15 Maar Jezus, [dat] wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.

MT 12:16 en Hij verbood hun ten strengste Hem bekend te maken,

16 And charged them that they should not make him known:

16 En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;

MT 12:17 opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet Jesaja, toen hij zeide:

17 That it might be fulfilled which was spoken by Esaias the prophet, saying,

17 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:

MT 12:18 Zie, mijn knecht, die Ik verkoren heb, mijn geliefde, in wie mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal mijn Geest op Hem leggen en Hij zal de heidenen het oordeel verkondigen.

18 Behold my servant, whom I have chosen; my beloved, in whom my soul is well pleased: I will put my spirit upon him, and he shall shew judgment to the Gentiles.

18 Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.

MT 12:19 Hij zal niet twisten of schreeuwen, en niemand zal op de pleinen zijn stem horen.

19 He shall not strive, nor cry; neither shall any man hear his voice in the streets.

19 Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.

MT 12:20 Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven, voordat Hij het oordeel tot overwinning heeft gebracht.

20 A bruised reed shall he not break, and smoking flax shall he not quench, till he send forth judgment unto victory.

20 Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.

MT 12:21 En op zijn naam zullen de heidenen hopen.

21 And in his name shall the Gentiles trust.

21 En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.

MT 12:22 Toen bracht men een bezetene tot Hem, die blind en stom was. En Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag.

22 Then was brought unto him one possessed with a devil, blind, and dumb: and he healed him, insomuch that the blind and dumb both spake and saw.

22 Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, [die] blind en stom [was]; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.

MT 12:23 En al de scharen waren buiten zichzelf en zeiden: Dit is toch niet de Zoon van David?

23 And all the people were amazed, and said, Is not this the son of David?

23 En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?

MT 12:24 Maar de Farizeeën hoorden het en zeiden: Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste der geesten.

24 But when the Pharisees heard [it], they said, This [fellow] doth not cast out devils, but by Beelzebub the prince of the devils.

24 Maar de Farizeen, [dit] gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen.

MT 12:25 Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden.

25 And Jesus knew their thoughts, and said unto them, Every kingdom divided against itself is brought to desolation; and every city or house divided against itself shall not stand:

25 Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.

MT 12:26 En indien de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden?

26 And if Satan cast out Satan, he is divided against himself; how shall then his kingdom stand?

26 En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?

MT 12:27 En indien Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn.

27 And if I by Beelzebub cast out devils, by whom do your children cast [them] out? therefore they shall be your judges.

27 En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.

MT 12:28 Maar indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen.

28 But if I cast out devils by the Spirit of God, then the kingdom of God is come unto you.

28 Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.

MT 12:29 Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden? Dan zal hij zijn huis plunderen.

29 Or else how can one enter into a strong man's house, and spoil his goods, except he first bind the strong man? and then he will spoil his house.

29 Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.

MT 12:30 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit.

30 He that is not with me is against me; and he that gathereth not with me scattereth abroad.

30 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.

MT 12:31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden.

31 Wherefore I say unto you, All manner of sin and blasphemy shall be forgiven unto men: but the blasphemy [against] the [Holy] Ghost shall not be forgiven unto men.

31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.

MT 12:32 Spreekt iemand een woord tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar spreekt iemand tegen de Heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.

32 And whosoever speaketh a word against the Son of man, it shall be forgiven him: but whosoever speaketh against the Holy Ghost, it shall not be forgiven him, neither in this world, neither in the [world] to come.

32 En zo wie [enig] woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.

MT 12:33 Acht de boom goed, maar dan ook zijn vrucht, òf acht de boom slecht, maar dan ook zijn vrucht, want aan zijn vrucht kent men de boom.

33 Either make the tree good, and his fruit good; or else make the tree corrupt, and his fruit corrupt: for the tree is known by [his] fruit.

33 Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.

MT 12:34 Adderengebroed, hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond.

34 O generation of vipers, how can ye, being evil, speak good things? for out of the abundance of the heart the mouth speaketh.

34 Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.

MT 12:35 Een goed mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en een slecht mens uit zijn boze schat boze dingen.

35 A good man out of the good treasure of the heart bringeth forth good things: and an evil man out of the evil treasure bringeth forth evil things.

35 De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.

MT 12:36 Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels,

36 But I say unto you, That every idle word that men shall speak, they shall give account thereof in the day of judgment.

36 Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.

MT 12:37 want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden.

37 For by thy words thou shalt be justified, and by thy words thou shalt be condemned.

37 Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.

MT 12:38 Toen antwoordden Hem enige der schriftgeleerden en Farizeeën en zeiden: Meester, wij zouden wel een teken van U willen zien.

38 Then certain of the scribes and of the Pharisees answered, saying, Master, we would see a sign from thee.

38 Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U [wel] een teken zien.

MT 12:39 Maar Hij antwoordde hun en zeide: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona, de profeet.

39 But he answered and said unto them, An evil and adulterous generation seeketh after a sign; and there shall no sign be given to it, but the sign of the prophet Jonas:

39 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.

MT 12:40 Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten.

40 For as Jonas was three days and three nights in the whale's belly; so shall the Son of man be three days and three nights in the heart of the earth.

40 Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.

MT 12:41 De mannen van Nineve zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, meer dan Jona is hier.

41 The men of Nineveh shall rise in judgment with this generation, and shall condemn it: because they repented at the preaching of Jonas; and, behold, a greater than Jonas [is] here.

41 De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!

MT 12:42 De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met dit geslacht en het veroordelen, want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier.

42 The queen of the south shall rise up in the judgment with this generation, and shall condemn it: for she came from the uttermost parts of the earth to hear the wisdom of Solomon; and, behold, a greater than Solomon [is] here.

42 De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!

MT 12:43 Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet.

43 When the unclean spirit is gone out of a man, he walketh through dry places, seeking rest, and findeth none.

43 En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.

MT 12:44 Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren; en als hij komt, vindt hij het leegstaan [en] geveegd en op orde.

44 Then he saith, I will return into my house from whence I came out; and when he is come, he findeth [it] empty, swept, and garnished.

44 Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.

MT 12:45 Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin. Alzo zal het ook gaan met dit boze geslacht.

45 Then goeth he, and taketh with himself seven other spirits more wicked than himself, and they enter in and dwell there: and the last [state] of that man is worse than the first. Even so shall it be also unto this wicked generation.

45 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.

MT 12:46 Terwijl Hij nog tot de scharen sprak, zie, zijn moeder en broeders stonden buiten en trachtten Hem te spreken te krijgen.

46 While he yet talked to the people, behold, [his] mother and his brethren stood without, desiring to speak with him.

46 En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.

MT 12:47 [En iemand zeide tot Hem: Zie, uw moeder en uw broeders staan buiten en trachten U te spreken te krijgen.]

47 Then one said unto him, Behold, thy mother and thy brethren stand without, desiring to speak with thee.

47 En iemand zeide tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders staan [daar] buiten, zoekende U te spreken.

MT 12:48 Maar Hij antwoordde de boodschapper en zeide: Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?

48 But he answered and said unto him that told him, Who is my mother? and who are my brethren?

48 Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene die Hem [dat] zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?

MT 12:49 En Hij strekte zijn hand uit over zijn discipelen en zeide: Ziedaar mijn moeder en mijn broeders.

49 And he stretched forth his hand toward his disciples, and said, Behold my mother and my brethren!

49 En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.

MT 12:50 Want al wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder.

50 For whosoever shall do the will of my Father which is in heaven, the same is my brother, and sister, and mother.

50 Want zo wie den wil Mijns Vaders doet Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder.

MT 13:1 Op die dag ging Jezus het huis uit en Hij zat bij de zee.

1 The same day went Jesus out of the house, and sat by the sea side.

1 En te dien dage Jezus, uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee.

MT 13:2 En vele scharen vergaderden zich bij Hem, zodat Hij in een schip ging en daar nederzat, en de gehele schare stond op de oever.

2 And great multitudes were gathered together unto him, so that he went into a ship, and sat; and the whole multitude stood on the shore.

2 En tot Hem vergaderden vele scharen, zodat Hij in een schip ging en nederzat, en al de schare stond op den oever.

MT 13:3 En Hij sprak tot hen vele dingen in gelijkenissen en zeide: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien.

3 And he spake many things unto them in parables, saying, Behold, a sower went forth to sow;

3 En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.

MT 13:4 En bij het zaaien viel een deel langs de weg en de vogels kwamen en aten het op.

4 And when he sowed, some [seeds] fell by the way side, and the fowls came and devoured them up:

4 En als hij zaaide, viel een deel [van het zaad] bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op.

MT 13:5 Een ander deel viel op de steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had, en terstond schoot het op, omdat het geen diepe aarde had,

5 Some fell upon stony places, where they had not much earth: and forthwith they sprung up, because they had no deepness of earth:

5 En een ander [deel] viel op steenachtige [plaatsen], waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.

MT 13:6 maar toen de zon opkwam, verschroeide het en omdat het geen wortel had, verdorde het.

6 And when the sun was up, they were scorched; and because they had no root, they withered away.

6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord.

MT 13:7 Een ander deel viel op de dorens en de dorens kwamen op en verstikten het.

7 And some fell among thorns; and the thorns sprung up, and choked them:

7 En een ander [deel] viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve.

MT 13:8 Een ander deel viel in goede aarde en het gaf vrucht, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig.

8 But other fell into good ground, and brought forth fruit, some an hundredfold, some sixtyfold, some thirtyfold.

8 En een ander [deel] viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd, het ander zestig, en het ander dertig [voud].

MT 13:9 Wie oren heeft, die hore!

9 Who hath ears to hear, let him hear.

9 Wie oren heeft om te horen, die hore.

MT 13:10 En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?

10 And the disciples came, and said unto him, Why speakest thou unto them in parables?

10 En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?

MT 13:11 Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven.

11 He answered and said unto them, Because it is given unto you to know the mysteries of the kingdom of heaven, but to them it is not given.

11 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.

MT 13:12 Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden.

12 For whosoever hath, to him shall be given, and he shall have more abundance: but whosoever hath not, from him shall be taken away even that he hath.

12 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

MT 13:13 Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen.

13 Therefore speak I to them in parables: because they seeing see not; and hearing they hear not, neither do they understand.

13 Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.

MT 13:14 En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken;

14 And in them is fulfilled the prophecy of Esaias, which saith, By hearing ye shall hear, and shall not understand; and seeing ye shall see, and shall not perceive:

14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.

MT 13:15 want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.

15 For this people's heart is waxed gross, and [their] ears are dull of hearing, and their eyes they have closed; lest at any time they should see with [their] eyes, and hear with [their] ears, and should understand with [their] heart, and should be converted, and I should heal them.

15 Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.

MT 13:16 Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen.

16 But blessed [are] your eyes, for they see: and your ears, for they hear.

16 Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.

MT 13:17 Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.

17 For verily I say unto you, That many prophets and righteous [men] have desired to see [those things] which ye see, and have not seen [them]; and to hear [those things] which ye hear, and have not heard [them].

17 Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben [ze] niet gezien; en te horen de dingen, die gij hoort, en hebben [ze] niet gehoord.

MT 13:18 Gij nu, hoort de gelijkenis van de zaaier.

18 Hear ye therefore the parable of the sower.

18 Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.

MT 13:19 Bij een ieder, die het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is: dat is de langs de weg gezaaide.

19 When any one heareth the word of the kingdom, and understandeth [it] not, then cometh the wicked [one], and catcheth away that which was sown in his heart. This is he which received seed by the way side.

19 Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij den weg bezaaid is.

MT 13:20 De op steenachtige plaatsen gezaaide is hij, die het woord hoort en het terstond met blijdschap aanneemt;

20 But he that received the seed into stony places, the same is he that heareth the word, and anon with joy receiveth it;

20 Maar die in steenachtige [plaatsen] bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt;

MT 13:21 maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; wanneer echter verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komt hij terstond ten val.

21 Yet hath he not root in himself, but dureth for a while: for when tribulation or persecution ariseth because of the word, by and by he is offended.

21 Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geergerd.

MT 13:22 De in de dorens gezaaide is hij, die het woord hoort, en de zorg van de wereld en het bedrog van de rijkdom verstikt het woord en hij wordt onvruchtbaar.

22 He also that received seed among the thorns is he that heareth the word; and the care of this world, and the deceitfulness of riches, choke the word, and he becometh unfruitful.

22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

MT 13:23 De in goede aarde gezaaide is hij, die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig.

23 But he that received seed into the good ground is he that heareth the word, and understandeth [it]; which also beareth fruit, and bringeth forth, some an hundredfold, some sixty, some thirty.

23 Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd, de ander zestig, en de ander dertig [voud].

MT 13:24 Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker.

24 Another parable put he forth unto them, saying, The kingdom of heaven is likened unto a man which sowed good seed in his field:

24 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.

MT 13:25 Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg.

25 But while men slept, his enemy came and sowed tares among the wheat, and went his way.

25 En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.

MT 13:26 Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn.

26 But when the blade was sprung up, and brought forth fruit, then appeared the tares also.

26 Toen het nu [tot] kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.

MT 13:27 Daarna kwamen de slaven van de eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid?

27 So the servants of the householder came and said unto him, Sir, didst not thou sow good seed in thy field? from whence then hath it tares?

27 En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Van waar heeft hij dan dit onkruid?

MT 13:28 Hij zeide tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan.

28 He said unto them, An enemy hath done this.

28 En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan.

MT 13:29 De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen?

The servants said unto him, Wilt thou then that we go and gather them up?

En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen?

Hij zeide: Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken.

29 But he said, Nay; lest while ye gather up the tares, ye root up also the wheat with them.

29 Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.

MT 13:30 Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur.

30 Let both grow together until the harvest: and in the time of harvest I will say to the reapers, Gather ye together first the tares, and bind them in bundles to burn them: but gather the wheat into my barn.

30 Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.

MT 13:31 Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide.

31 Another parable put he forth unto them, saying, The kingdom of heaven is like to a grain of mustard seed, which a man took, and sowed in his field:

31 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, hetwelk een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid;

MT 13:32 Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.

32 Which indeed is the least of all seeds: but when it is grown, it is the greatest among herbs, and becometh a tree, so that the birds of the air come and lodge in the branches thereof.

32 Hetwelk wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is ‘t het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken.

MT 13:33 Nog een gelijkenis sprak Hij tot hen: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was.

33 Another parable spake he unto them; The kingdom of heaven is like unto leaven, which a woman took, and hid in three measures of meal, till the whole was leavened.

33 Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, [zeggende]: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.

MT 13:34 Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen,

34 All these things spake Jesus unto the multitude in parables; and without a parable spake he not unto them:

34 Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet.

MT 13:35 opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is.

35 That it might be fulfilled which was spoken by the prophet, saying, I will open my mouth in parables; I will utter things which have been kept secret from the foundation of the world.

35 Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door den profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging der wereld.

MT 13:36 Toen liet Hij de scharen gaan en ging naar huis. En zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Maak ons de gelijkenis van het onkruid in de akker duidelijk.

36 Then Jesus sent the multitude away, and went into the house: and his disciples came unto him, saying, Declare unto us the parable of the tares of the field.

36 Toen nu Jezus de scharen [van Zich] gelaten had, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers.

MT 13:37 Hij antwoordde en zeide: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen;

37 He answered and said unto them, He that soweth the good seed is the Son of man;

37 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen;

MT 13:38 de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk;

38 The field is the world; the good seed are the children of the kingdom;

38 En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des Koninkrijks;

MT 13:39 het onkruid zijn de kinderen van de boze;

but the tares are the children of the wicked [one];

en het onkruid zijn de kinderen des bozen;

de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; de oogst is de voleinding der wereld; de maaiers zijn de engelen.

39 The enemy that sowed them is the devil; the harvest is the end of the world; and the reapers are the angels.

39 En de vijand, die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen.

MT 13:40 Zoals nu het onkruid verzameld wordt en met vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voleinding der wereld.

40 As therefore the tares are gathered and burned in the fire; so shall it be in the end of this world.

40 Gelijkerwijs dan het onkruid vergaderd, en met vuur verbrand wordt, alzo zal het [ook] zijn in de voleinding dezer wereld.

MT 13:41 De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven,

41 The Son of man shall send forth his angels, and they shall gather out of his kingdom all things that offend, and them which do iniquity;

41 De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen;

MT 13:42 en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

42 And shall cast them into a furnace of fire: there shall be wailing and gnashing of teeth.

42 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

MT 13:43 Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft, die hore!

43 Then shall the righteous shine forth as the sun in the kingdom of their Father. Who hath ears to hear, let him hear.

43 Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders. Die oren heeft om te horen, die hore.

MT 13:44 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker.

44 Again, the kingdom of heaven is like unto treasure hid in a field; the which when a man hath found, he hideth, and for joy thereof goeth and selleth all that he hath, and buyeth that field.

44 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat, in den akker verborgen, welken een mens gevonden hebbende, verborg [dien], en van blijdschap over denzelven, gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker.

MT 13:45 Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone parelen zocht.

45 Again, the kingdom of heaven is like unto a merchant man, seeking goodly pearls:

45 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone parelen zoekt;

MT 13:46 Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht die.

46 Who, when he had found one pearl of great price, went and sold all that he had, and bought it.

46 Dewelke, hebbende een parel van grote waarde gevonden, ging heen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve.

MT 13:47 Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei bijeenbrengt.

47 Again, the kingdom of heaven is like unto a net, that was cast into the sea, and gathered of every kind:

47 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten [van vissen] samenbrengt;

MT 13:48 Wanneer het vol is, haalt men het op de oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg.

48 Which, when it was full, they drew to shore, and sat down, and gathered the good into vessels, but cast the bad away.

48 Hetwelk, wanneer het vol geworden is, [de vissers] aan den oever optrekken, en nederzittende, lezen het goede uit in [hun] vaten, maar het kwade werpen zij weg.

MT 13:49 Zó zal het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen,

49 So shall it be at the end of the world: the angels shall come forth, and sever the wicked from among the just,

49 Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden;

MT 13:50 en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

50 And shall cast them into the furnace of fire: there shall be wailing and gnashing of teeth.

50 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.

MT 13:51 Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja.

51 Jesus saith unto them, Have ye understood all these things? They say unto him, Yea, Lord.

51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!

MT 13:52 Hij zeide tot hen: Daarom is iedere schriftgeleerde, die een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt.

52 Then said he unto them, Therefore every scribe [which is] instructed unto the kingdom of heaven is like unto a man [that is] an householder, which bringeth forth out of his treasure [things] new and old.

52 En Hij zeide tot hen: Daarom, een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.

MT 13:53 En het geschiedde, toen Jezus deze gelijkenissen ten einde gebracht had, dat Hij vandaar wegging.

53 And it came to pass, [that] when Jesus had finished these parables, he departed thence.

53 En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geeindigd had, vertrok Hij van daar.

MT 13:54 En in zijn vaderstad gekomen, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden: Vanwaar heeft Hij die wijsheid en die krachten?

54 And when he was come into his own country, he taught them in their synagogue, insomuch that they were astonished, and said, Whence hath this [man] this wisdom, and [these] mighty works?

54 En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar [komt] Dezen die wijsheid en die krachten?

MT 13:55 Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en Judas?

55 Is not this the carpenter's son? is not his mother called Mary? and his brethren, James, and Joses, and Simon, and Judas?

55 Is Deze niet de Zoon des timmermans? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?

MT 13:56 En behoren zijn zusters niet allen bij ons? Vanwaar heeft Hij dan dit alles?

56 And his sisters, are they not all with us? Whence then hath this [man] all these things?

56 En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Van waar [komt] dan Dezen dit alles?

MT 13:57 En zij namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is alleen in zijn vaderstad en in zijn huis ongeëerd.

57 And they were offended in him. But Jesus said unto them, A prophet is not without honour, save in his own country, and in his own house.

57 En zij werden aan Hem geergerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeeerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.

MT 13:58 En Hij deed daar niet vele krachten wegens hun ongeloof.

58 And he did not many mighty works there because of their unbelief.

58 En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.

MT 14:1 In die tijd hoorde Herodes, de viervorst, wat van Jezus verteld werd,

1 At that time Herod the tetrarch heard of the fame of Jesus,

1 Te dierzelver tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus;

MT 14:2 en hij zeide tot zijn dienaars: Dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in hem.

2 And said unto his servants, This is John the Baptist; he is risen from the dead; and therefore mighty works do shew forth themselves in him.

2 En zeide tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.

MT 14:3 Want Herodes had Johannes laten grijpen, geboeid en gevangengezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus;

3 For Herod had laid hold on John, and bound him, and put [him] in prison for Herodias' sake, his brother Philip's wife.

3 Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Herodias’ wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.

MT 14:4 want Johannes zeide tot hem: Gij moogt haar niet hebben.

4 For John said unto him, It is not lawful for thee to have her.

4 Want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.

MT 14:5 En hoewel hij hem wilde ter dood brengen, vreesde hij de schare, omdat zij hem voor een profeet hielden.

5 And when he would have put him to death, he feared the multitude, because they counted him as a prophet.

5 En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet.

MT 14:6 Maar op het geboortefeest van Herodes danste de dochter van Herodias in hun midden en zij behaagde Herodes,

6 But when Herod's birthday was kept, the daughter of Herodias danced before them, and pleased Herod.

6 Maar als de dag der geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden [van hen], en zij behaagde aan Herodes.

MT 14:7 waarom hij haar onder ede toezegde haar te geven, wat zij maar vragen zou.

7 Whereupon he promised with an oath to give her whatsoever she would ask.

7 Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook eisen zou.

MT 14:8 En zij, opgestookt door haar moeder, zeide: Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.

8 And she, being before instructed of her mother, said, Give me here John Baptist's head in a charger.

8 En zij, te voren onderricht zijnde van haar moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Doper.

MT 14:9 En de koning werd bedroefd, maar om zijn eden, en om hen die mede aanlagen, beval hij het haar te geven,

9 And the king was sorry: nevertheless for the oath's sake, and them which sat with him at meat, he commanded [it] to be given [her].

9 En de koning werd bedroefd; doch om de eden, en degenen, die [met hem] aanzaten, gebood hij, dat het [haar] zou gegeven worden;

MT 14:10 en hij liet Johannes in de gevangenis onthoofden.

10 And he sent, and beheaded John in the prison.

10 En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker.

MT 14:11 En zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven en zij bracht het aan haar moeder.

11 And his head was brought in a charger, and given to the damsel: and she brought [it] to her mother.

11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het [tot] haar moeder.

MT 14:12 En zijn discipelen kwamen en namen zijn lijk weg en begroeven hem; en zij gingen heen en berichtten het aan Jezus.

12 And his disciples came, and took up the body, and buried it, and went and told Jesus.

12 En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus.

MT 14:13 Toen Jezus dit hoorde, trok Hij Zich vandaar in een schip terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de scharen dit hoorden, volgden zij Hem te voet uit de steden.

13 When Jesus heard [of it], he departed thence by ship into a desert place apart: and when the people had heard [thereof], they followed him on foot out of the cities.

13 En [als] Jezus [dit] hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, [dat] horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.

MT 14:14 En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare, en Hij werd met ontferming over hen bewogen en genas hun zieken.

14 And Jesus went forth, and saw a great multitude, and was moved with compassion toward them, and he healed their sick.

14 En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun kranken.

MT 14:15 Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden: De plaats (hier) is eenzaam en de tijd is reeds verstreken; zend dan de scharen weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om spijzen voor zich te kopen.

15 And when it was evening, his disciples came to him, saying, This is a desert place, and the time is now past; send the multitude away, that they may go into the villages, and buy themselves victuals.

15 En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de vlekken en zichzelven spijs kopen.

MT 14:16 Maar Jezus zeide tot hen: Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten.

16 But Jesus said unto them, They need not depart; give ye them to eat.

16 Maar Jezus zeide tot hen: Het is hun niet van node heen te gaan, geeft gij hun te eten.

MT 14:17 Zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.

17 And they say unto him, We have here but five loaves, and two fishes.

17 Doch zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen.

MT 14:18 Hij zeide: Brengt Mij die hier.

18 He said, Bring them hither to me.

18 En Hij zeide: Brengt Mij dezelve hier.

MT 14:19 En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen.

19 And he commanded the multitude to sit down on the grass, and took the five loaves, and the two fishes, and looking up to heaven, he blessed, and brake, and gave the loaves to [his] disciples, and the disciples to the multitude.

19 En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende dezelve; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden den discipelen, en de discipelen aan de scharen.

MT 14:20 En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol.

20 And they did all eat, and were filled: and they took up of the fragments that remained twelve baskets full.

20 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, twaalf volle korven.

MT 14:21 Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet medegerekend.

21 And they that had eaten were about five thousand men, beside women and children.

21 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.

MT 14:22 En [terstond] dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezonden.

22 And straightway Jesus constrained his disciples to get into a ship, and to go before him unto the other side, while he sent the multitudes away.

22 En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.

MT 14:23 En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.

23 And when he had sent the multitudes away, he went up into a mountain apart to pray: and when the evening was come, he was there alone.

23 En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.

MT 14:24 Doch het schip was reeds vele stadiën van het land verwijderd, geteisterd door de golven, want de wind was tegen.

24 But the ship was now in the midst of the sea, tossed with waves: for the wind was contrary.

24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was [hun] tegen.

MT 14:25 In de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, gaande over de zee.

25 And in the fourth watch of the night Jesus went unto them, walking on the sea.

25 Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.

MT 14:26 Toen de discipelen Hem over de zee zagen gaan, werden zij verbijsterd en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees.

26 And when the disciples saw him walking on the sea, they were troubled, saying, It is a spirit; and they cried out for fear.

26 En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vrees.

MT 14:27 Terstond sprak [Jezus] hen aan en zeide: Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd!

27 But straightway Jesus spake unto them, saying, Be of good cheer; it is I; be not afraid.

27 Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.

MT 14:28 Petrus antwoordde Hem en zeide: Here, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water.

28 And Peter answered him and said, Lord, if it be thou, bid me come unto thee on the water.

28 En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.

MT 14:29 En Hij zeide: Kom! En Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.

29 And he said, Come. And when Peter was come down out of the ship, he walked on the water, to go to Jesus.

29 En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.

MT 14:30 Maar toen hij zag op de wind, werd hij bevreesd en begon te zinken en hij schreeuwde: Here, red mij!

30 But when he saw the wind boisterous, he was afraid; and beginning to sink, he cried, saying, Lord, save me.

30 Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!

MT 14:31 Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zeide tot hem: Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?

31 And immediately Jesus stretched forth [his] hand, and caught him, and said unto him, O thou of little faith, wherefore didst thou doubt?

31 En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?

MT 14:32 En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen.

32 And when they were come into the ship, the wind ceased.

32 En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.

MT 14:33 Die in het schip waren, vielen voor hem neder en zeiden: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!

33 Then they that were in the ship came and worshipped him, saying, Of a truth thou art the Son of God.

33 Die nu in het schip [waren], kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!

MT 14:34 En toen zij overgestoken waren, kwamen zij in Gennesaret aan land.

34 And when they were gone over, they came into the land of Gennesaret.

34 En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret.

MT 14:35 En zodra de mannen van die plaats Hem herkend hadden, zonden zij bericht in die gehele omgeving, en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren,

35 And when the men of that place had knowledge of him, they sent out into all that country round about, and brought unto him all that were diseased;

35 En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;

MT 14:36 en zij smeekten Hem, dat zij alleen maar de kwast van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden behouden.

36 And besought him that they might only touch the hem of his garment: and as many as touched were made perfectly whole.

36 En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zovelen als [Hem] aanraakten, werden gezond.

MT 15:1 Toen kwamen uit Jeruzalem Farizeeën en schriftgeleerden tot Jezus en vroegen:

1 Then came to Jesus scribes and Pharisees, which were of Jerusalem, saying,

1 Toen kwamen tot Jezus [enige] Schriftgeleerden en Farizeen, die van Jeruzalem [waren], zeggende:

MT 15:2 Waarom overtreden uw discipelen de overlevering der ouden?

2 Why do thy disciples transgress the tradition of the elders?

2 Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden?

MT 15:3 Immers, zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten.

for they wash not their hands when they eat bread.

Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten.

Hij antwoordde hun en zeide: Waarom overtreedt ook gij ter wille van uw overlevering (zelfs) het gebod Gods?

3 But he answered and said unto them, Why do ye also transgress the commandment of God by your tradition?

3 Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting?

MT 15:4 Want God heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven.

4 For God commanded, saying, Honour thy father and mother: and, He that curseth father or mother, let him die the death.

4 Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.

MT 15:5 Maar gij zegt: Wie tot zijn vader of zijn moeder zegt: Het is offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, behoeft zijn vader of zijn moeder niet te eren.

5 But ye say, Whosoever shall say to [his] father or [his] mother, [It is] a gift, by whatsoever thou mightest be profited by me;

5 Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: [Het is] een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, [die voldoet].

MT 15:6 Zo hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering.

6 And honour not his father or his mother, [he shall be free]. Thus have ye made the commandment of God of none effect by your tradition.

6 En gij hebt [alzo] Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.

MT 15:7 Huichelaars, terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd, zeggende:

7 [Ye] hypocrites, well did Esaias prophesy of you, saying,

7 Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:

MT 15:8 Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.

8 This people draweth nigh unto me with their mouth, and honoureth me with [their] lips; but their heart is far from me.

8 Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;

MT 15:9 Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn.

9 But in vain they do worship me, teaching [for] doctrines the commandments of men.

9 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, [die] geboden van mensen [zijn].

MT 15:10 En toen Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat!

10 And he called the multitude, and said unto them, Hear, and understand:

10 En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat.

MT 15:11 Niet wat de mond binnengaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitkomt, dat maakt de mens onrein.

11 Not that which goeth into the mouth defileth a man; but that which cometh out of the mouth, this defileth a man.

11 Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens.

MT 15:12 Toen kwamen zijn discipelen en zeiden tot Hem: Weet Gij, dat de Farizeeën, toen zij dit woord hoorden, er aanstoot aan namen?

12 Then came his disciples, and said unto him, Knowest thou that the Pharisees were offended, after they heard this saying?

12 Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij [wel], dat de Farizeen deze rede horende, geergerd zijn geweest?

MT 15:13 Hij antwoordde hun en zeide: Elke plant, die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.

13 But he answered and said, Every plant, which my heavenly Father hath not planted, shall be rooted up.

13 Maar Hij, antwoordende zeide: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.

MT 15:14 Laat hen gaan, blinden zijn zij, die blinden leiden. Indien een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een put vallen.

14 Let them alone: they be blind leaders of the blind. And if the blind lead the blind, both shall fall into the ditch.

14 Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.

MT 15:15 Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Verklaar ons de gelijkenis.

15 Then answered Peter and said unto him, Declare unto us this parable.

15 En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.

MT 15:16 Hij zeide: Zijt ook gij nog onbevattelijk?

16 And Jesus said, Are ye also yet without understanding?

16 Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?

MT 15:17 Begrijpt gij niet, dat al wat de mond binnengaat, in de buik komt en te zijner plaatse verdwijnt?

17 Do not ye yet understand, that whatsoever entereth in at the mouth goeth into the belly, and is cast out into the draught?

17 Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?

MT 15:18 Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein.

18 But those things which proceed out of the mouth come forth from the heart; and they defile the man.

18 Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.

MT 15:19 Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen.

19 For out of the heart proceed evil thoughts, murders, adulteries, fornications, thefts, false witness, blasphemies:

19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.

MT 15:20 Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onrein.

20 These are [the things] which defile a man: but to eat with unwashen hands defileth not a man.

20 Deze dingen zijn het, die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet.

MT 15:21 En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon.

21 Then Jesus went thence, and departed into the coasts of Tyre and Sidon.

21 En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.

MT 15:22 En zie, een Kananese vrouw uit dat gebied kwam en riep: Heb medelijden met mij, Here, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten.

22 And, behold, a woman of Canaan came out of the same coasts, and cried unto him, saying, Have mercy on me, O Lord, [thou] Son of David; my daughter is grievously vexed with a devil.

22 En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! [Gij] Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.

MT 15:23 Hij echter antwoordde haar geen woord, en zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggende: Zend haar weg, want zij roept ons na.

23 But he answered her not a word. And his disciples came and besought him, saying, Send her away; for she crieth after us.

23 Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.

MT 15:24 Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.

24 But he answered and said, I am not sent but unto the lost sheep of the house of Israel.

24 Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.

MT 15:25 Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zeide: Here, help mij!

25 Then came she and worshipped him, saying, Lord, help me.

25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!

MT 15:26 Hij echter antwoordde en zeide: Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.

26 But he answered and said, It is not meet to take the children's bread, and to cast [it] to dogs.

26 Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens [voor] te werpen.

MT 15:27 Maar zij zeide: Zeker, Here, ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen.

27 And she said, Truth, Lord: yet the dogs eat of the crumbs which fall from their masters' table.

27 En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel hunner heren.

MT 15:28 Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.

28 Then Jesus answered and said unto her, O woman, great [is] thy faith: be it unto thee even as thou wilt. And her daughter was made whole from that very hour.

28 Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.

MT 15:29 En Jezus vertrok vandaar, en Hij ging langs de zee van Galilea en ging de berg op, en Hij zette Zich daar neder.

29 And Jesus departed from thence, and came nigh unto the sea of Galilee; and went up into a mountain, and sat down there.

29 En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galilea, en klom op den berg, en zat daar neder.

MT 15:30 En vele scharen kwamen bij Hem, die lammen, kreupelen, blinden, stommen en vele anderen bij zich hadden, en zij legden die aan zijn voeten neer.

30 And great multitudes came unto him, having with them [those that were] lame, blind, dumb, maimed, and many others, and cast them down at Jesus' feet; and he healed them:

30 En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelve.

MT 15:31 En Hij genas hen, zodat de schare zich verwonderde, want zij zagen stommen spreken, kreupelen gezond, lammen lopen en blinden zien. En zij verheerlijkten de God van Israël.

31 Insomuch that the multitude wondered, when they saw the dumb to speak, the maimed to be whole, the lame to walk, and the blind to see: and they glorified the God of Israel.

31 Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israels.

MT 15:32 Maar Jezus riep zijn discipelen tot Zich en zeide: Ik heb medelijden met de schare, want zij zijn nu reeds drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten. En zonder voedsel wegzenden wil Ik hen niet, zij mochten eens onderweg bezwijken.

32 Then Jesus called his disciples [unto him], and said, I have compassion on the multitude, because they continue with me now three days, and have nothing to eat: and I will not send them away fasting, lest they faint in the way.

32 En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.

MT 15:33 En zijn discipelen zeiden tot Hem: Hoe komen wij in een eenzame streek aan zóveel broden, dat wij zulk een schare verzadigen kunnen?

33 And his disciples say unto him, Whence should we have so much bread in the wilderness, as to fill so great a multitude?

33 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Van waar [zullen] wij zovele broden in de woestijn [bekomen], dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?

MT 15:34 En Jezus zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven en enkele visjes.

34 And Jesus saith unto them, How many loaves have ye? And they said, Seven, and a few little fishes.

34 En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.

MT 15:35 En Hij gaf aan de schare bevel, dat zij op de grond zouden gaan zitten.

35 And he commanded the multitude to sit down on the ground.

35 En Hij gebood den scharen neder te zitten op de aarde.

MT 15:36 Daarna nam Hij de zeven broden en de vissen, dankte en brak ze, en Hij gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen.

36 And he took the seven loaves and the fishes, and gave thanks, and brake [them], and gave to his disciples, and the disciples to the multitude.

36 En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen [gaven ze] aan de schare.

MT 15:37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij raapten het overschot der brokken op, zeven korven vol.

37 And they did all eat, and were filled: and they took up of the broken [meat] that was left seven baskets full.

37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden.

MT 15:38 Zij, die gegeten hadden, waren vierduizend mannen, vrouwen en kinderen niet medegerekend.

38 And they that did eat were four thousand men, beside women and children.

38 En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.

MT 15:39 En nadat Hij de schare weggezonden had, ging Hij in het schip en vertrok naar het gebied van Magadan.

39 And he sent away the multitude, and took ship, and came into the coasts of Magdala.

39 En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.

MT 16:1 En de Farizeeën en Sadduceeën kwamen tot Hem en vroegen, om Hem te verzoeken, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen.

1 The Pharisees also with the Sadducees came, and tempting desired him that he would shew them a sign from heaven.

1 En de Farizeen en Sadduceen tot Hem gekomen zijnde, en [Hem] verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit den hemel zou tonen.

MT 16:2 Hij antwoordde hun en zeide: [Bij het vallen van de avond, zegt gij: Goed weer, want de lucht ziet rood.

2 He answered and said unto them, When it is evening, ye say, [It will be] fair weather: for the sky is red.

2 Maar Hij antwoordde, en zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder; want de hemel is rood;

MT 16:3 En des morgens: Vandaag ruw weer, want de lucht ziet somber rood. Het aanzien van de lucht weet gij te onderscheiden, maar kunt gij het de tekenen der tijden niet?]

3 And in the morning, [It will be] foul weather to day: for the sky is red and lowring. O [ye] hypocrites, ye can discern the face of the sky; but can ye not [discern] the signs of the times?

3 En des morgens: Heden onweder; want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de tekenen der tijden niet [onderscheiden]?

MT 16:4 Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona. En Hij verliet hen en ging heen.

4 A wicked and adulterous generation seeketh after a sign; and there shall no sign be given unto it, but the sign of the prophet Jonas. And he left them, and departed.

4 Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, den profeet. En hen verlatende, ging Hij weg.

MT 16:5 En toen de discipelen naar de overkant gingen, hadden zij vergeten broden mede te nemen.

5 And when his disciples were come to the other side, they had forgotten to take bread.

5 En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden [mede] te nemen.

MT 16:6 Jezus zeide tot hen: Ziet toe en wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën.

6 Then Jesus said unto them, Take heed and beware of the leaven of the Pharisees and of the Sadducees.

6 En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdesem der Farizeen en Sadduceen.

MT 16:7 Zij bespraken dit onder elkander en zeiden: Dat is, omdat wij geen broden medegenomen hebben.

7 And they reasoned among themselves, saying, [It is] because we have taken no bread.

7 En zij overlegden bij zichzelven, zeggende: [Het is] omdat wij geen broden [mede] genomen hebben.

MT 16:8 Toen Jezus dat bemerkte, zeide Hij: Waarom spreekt gij met elkander erover, kleingelovigen, dat gij geen broden hebt?

8 [Which] when Jesus perceived, he said unto them, O ye of little faith, why reason ye among yourselves, because ye have brought no bread?

8 En Jezus, [dat] wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingelovigen! dat gij geen broden [mede] genomen hebt?

MT 16:9 Ziet gij het nog niet in en herinnert gij u niet de vijf broden der vijfduizend en hoeveel manden gij medenaamt?

9 Do ye not yet understand, neither remember the five loaves of the five thousand, and how many baskets ye took up?

9 Verstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf broden der vijf duizend [mannen]; en hoevele korven gij opnaamt?

MT 16:10 Of de zeven broden der vierduizend en hoeveel korven gij medenaamt?

10 Neither the seven loaves of the four thousand, and how many baskets ye took up?

10 Noch aan de zeven broden der vier duizend [mannen], en hoevele manden gij opnaamt?

MT 16:11 Hoe begrijpt gij niet, dat Ik u niet van broden sprak? Maar wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën.

11 How is it that ye do not understand that I spake [it] not to you concerning bread, that ye should beware of the leaven of the Pharisees and of the Sadducees?

11 Hoe verstaat gij niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, [als Ik zeide], dat gij u wachten zoudt van den zuurdesem der Farizeen en Sadduceen.

MT 16:12 Toen zagen zij in, dat Hij hun niet gezegd had zich te wachten voor de zuurdesem [der broden], maar voor de leer der Farizeeën en Sadduceeën.

12 Then understood they how that he bade [them] not beware of the leaven of bread, but of the doctrine of the Pharisees and of the Sadducees.

12 Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdesem des broods, maar van de leer der Farizeen en Sadduceen?

MT 16:13 Toen Jezus in de omgeving van Caesarea Filippi gekomen was, vroeg Hij zijn discipelen en zeide: Wie zeggen de mensen, dat de Zoon des mensen is?

13 When Jesus came into the coasts of Caesarea Philippi, he asked his disciples, saying, Whom do men say that I the Son of man am?

13 Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?

MT 16:14 En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; anderen: Elia; weer anderen: Jeremia, of één der profeten.

14 And they said, Some [say that thou art] John the Baptist: some, Elias; and others, Jeremias, or one of the prophets.

14 En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia of een van de profeten.

MT 16:15 Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?

15 He saith unto them, But whom say ye that I am?

15 Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?

MT 16:16 Simon Petrus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!

16 And Simon Peter answered and said, Thou art the Christ, the Son of the living God.

16 En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

MT 16:17 Jezus antwoordde en zeide: Zalig zijt gij, Simon Barjona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is.

17 And Jesus answered and said unto him, Blessed art thou, Simon Barjona: for flesh and blood hath not revealed [it] unto thee, but my Father which is in heaven.

17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u [dat] niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.

MT 16:18 En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.

18 And I say also unto thee, That thou art Peter, and upon this rock I will build my church; and the gates of hell shall not prevail against it.

18 En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.

MT 16:19 Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen.

19 And I will give unto thee the keys of the kingdom of heaven: and whatsoever thou shalt bind on earth shall be bound in heaven: and whatsoever thou shalt loose on earth shall be loosed in heaven.

19 En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.

MT 16:20 Toen verbood Hij met nadruk zijn discipelen aan iemand te zeggen: Hij is de Christus.

20 Then charged he his disciples that they should tell no man that he was Jesus the Christ.

20 Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus.

MT 16:21 Van toen aan begon Jezus Christus zijn discipelen te tonen, dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden van de zijde der oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derden dage opgewekt worden.

21 From that time forth began Jesus to shew unto his disciples, how that he must go unto Jerusalem, and suffer many things of the elders and chief priests and scribes, and be killed, and be raised again the third day.

21 Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.

MT 16:22 En Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen, zeggende: Dat verhoede God, Here, dat zal U geenszins overkomen!

22 Then Peter took him, and began to rebuke him, saying, Be it far from thee, Lord: this shall not be unto thee.

22 En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, [wees] U genadig! dit zal U geenszins geschieden.

MT 16:23 Doch Hij keerde Zich om en zeide tot Petrus: Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt Mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen.

23 But he turned, and said unto Peter, Get thee behind me, Satan: thou art an offence unto me: for thou savourest not the things that be of God, but those that be of men.

23 Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.

MT 16:24 Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij.

24 Then said Jesus unto his disciples, If any [man] will come after me, let him deny himself, and take up his cross, and follow me.

24 Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.

MT 16:25 Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden.

25 For whosoever will save his life shall lose it: and whosoever will lose his life for my sake shall find it.

25 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.

MT 16:26 Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven?

26 For what is a man profited, if he shall gain the whole world, and lose his own soul? or what shall a man give in exchange for his soul?

26 Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?

MT 16:27 Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden.

27 For the Son of man shall come in the glory of his Father with his angels; and then he shall reward every man according to his works.

27 Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.

MT 16:28 Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid.

28 Verily I say unto you, There be some standing here, which shall not taste of death, till they see the Son of man coming in his kingdom.

28 Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

MT 17:1 En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jakobus en zijn broeder Johannes mede en Hij leidde hen een hoge berg op, in de eenzaamheid.

1 And after six days Jesus taketh Peter, James, and John his brother, and bringeth them up into an high mountain apart,

1 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen.

MT 17:2 En zijn gedaante veranderde voor hun ogen en zijn gelaat straalde gelijk de zon en zijn klederen werden wit als het licht.

2 And was transfigured before them: and his face did shine as the sun, and his raiment was white as the light.

2 En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.

MT 17:3 En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken.

3 And, behold, there appeared unto them Moses and Elias talking with him.

3 En ziet, van hen werden gezien Mozes en Elias, met Hem samensprekende.

MT 17:4 Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Here, het is goed, dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.

4 Then answered Peter, and said unto Jesus, Lord, it is good for us to be here: if thou wilt, let us make here three tabernacles; one for thee, and one for Moses, and one for Elias.

4 En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij hier zijn; zo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en een voor Elias.

MT 17:5 Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!

5 While he yet spake, behold, a bright cloud overshadowed them: and behold a voice out of the cloud, which said, This is my beloved Son, in whom I am well pleased; hear ye him.

5 Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!

MT 17:6 Toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd.

6 And when the disciples heard [it], they fell on their face, and were sore afraid.

6 En de discipelen, [dit] horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.

MT 17:7 En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zeide: Staat op en weest niet bevreesd.

7 And Jesus came and touched them, and said, Arise, and be not afraid.

7 En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zeide: Staat op en vreest niet.

MT 17:8 Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen.

8 And when they had lifted up their eyes, they saw no man, save Jesus only.

8 En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen.

MT 17:9 En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Jezus hun, zeggende: Vertelt niemand dit gezicht, voordat de Zoon des mensen uit de doden is opgewekt.

9 And as they came down from the mountain, Jesus charged them, saying, Tell the vision to no man, until the Son of man be risen again from the dead.

9 En als zij van de berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden.

MT 17:10 En de discipelen vroegen Hem en zeiden: Hoe kunnen dan de schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen?

10 And his disciples asked him, saying, Why then say the scribes that Elias must first come?

10 En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elias eerst moet komen?

MT 17:11 Hij antwoordde en zeide:

11 And Jesus answered and said unto them,

11 Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen:

MT 17:12 Elia zal wel komen en alles herstellen,

Elias truly shall first come, and restore all things.

Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten.

maar Ik zeg u, dat Elia reeds gekomen is en zij hebben hem niet erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden. Zó zal ook de Zoon des mensen door hen moeten lijden.

12 But I say unto you, That Elias is come already, and they knew him not, but have done unto him whatsoever they listed. Likewise shall also the Son of man suffer of them.

12 Maar Ik zeg u, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan, al wat zij hebben gewild; alzo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden.

MT 17:13 Toen begrepen de discipelen, dat Hij over Johannes de Doper tot hen gesproken had.

13 Then the disciples understood that he spake unto them of John the Baptist.

13 Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes de Doper gesproken had.

MT 17:14 En toen zij bij de schare gekomen waren, kwam iemand tot Hem, knielde voor Hem neder, en zeide:

14 And when they were come to the multitude, there came to him a [certain] man, kneeling down to him, and saying,

14 En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieen, en zeggende:

MT 17:15 Here, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water.

15 Lord, have mercy on my son: for he is lunatick, and sore vexed: for ofttimes he falleth into the fire, and oft into the water.

15 Heere! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water.

MT 17:16 En ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen.

16 And I brought him to thy disciples, and they could not cure him.

16 En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.

MT 17:17 Jezus antwoordde en zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Breng hem Mij hier.

17 Then Jesus answered and said, O faithless and perverse generation, how long shall I be with you? how long shall I suffer you? bring him hither to me.

17 En Jezus, antwoordende, zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.

MT 17:18 En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af.

18 And Jesus rebuked the devil; and he departed out of him: and the child was cured from that very hour.

18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.

MT 17:19 Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?

19 Then came the disciples to Jesus apart, and said, Why could not we cast him out?

19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?

MT 17:20 Hij zeide tot hen: Vanwege uw klein geloof. Want voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn.

20 And Jesus said unto them, Because of your unbelief: for verily I say unto you, If ye have faith as a grain of mustard seed, ye shall say unto this mountain, Remove hence to yonder place; and it shall remove; and nothing shall be impossible unto you.

20 En Jezus zeide tot hen: Om uws