Markus

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

NBG 1951

KJV 1611

STATEN 1637

MK 1:1 Begin van het Evangelie van Jezus Christus.

1 The beginning of the gospel of Jesus Christ, the Son of God;

1 Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, den Zone Gods.

MK 1:2 Gelijk geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg bereiden zal;

2 As it is written in the prophets, Behold, I send my messenger before thy face, which shall prepare thy way before thee.

2 Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.

MK 1:3 de stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden,

3 The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye the way of the Lord, make his paths straight.

3 De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.

MK 1:4 geschiedde het, dat Johannes doopte in de woestijn en de doop der bekering tot vergeving van zonden predikte.

4 John did baptize in the wilderness, and preach the baptism of repentance for the remission of sins.

4 Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.

MK 1:5 En het gehele Joodse land liep tot hem uit en alle inwoners van Jeruzalem, en zij lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan onder belijdenis van hun zonden.

5 And there went out unto him all the land of Judaea, and they of Jerusalem, and were all baptized of him in the river of Jordan, confessing their sins.

5 En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.

MK 1:6 En Johannes was gekleed met kameelhaar en met een lederen gordel om zijn lendenen, en hij at sprinkhanen en wilde honing.

6 And John was clothed with camel's hair, and with a girdle of a skin about his loins; and he did eat locusts and wild honey;

6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.

MK 1:7 En hij predikte en zeide: Na mij komt, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben, nederbukkende, los te maken.

7 And preached, saying, There cometh one mightier than I after me, the latchet of whose shoes I am not worthy to stoop down and unloose.

7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.

MK 1:8 Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.

8 I indeed have baptized you with water: but he shall baptize you with the Holy Ghost.

8 Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met den Heilige Geest.

MK 1:9 En het geschiedde in die dagen, dat Jezus Nazaret in Galilea verliet en Zich door Johannes in de Jordaan liet dopen.

9 And it came to pass in those days, that Jesus came from Nazareth of Galilee, and was baptized of John in Jordan.

9 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth, [gelegen] in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.

MK 1:10 En terstond, toen Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemelen scheuren en de Geest als een duif op Zich nederdalen.

10 And straightway coming up out of the water, he saw the heavens opened, and the Spirit like a dove descending upon him:

10 En terstond als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.

MK 1:11 En een stem [kwam] uit de hemelen: Gij zijt mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn welbehagen.

11 And there came a voice from heaven, [saying], Thou art my beloved Son, in whom I am well pleased.

11 En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

MK 1:12 En terstond dreef de Geest Hem uit naar de woestijn.

12 And immediately the Spirit driveth him into the wilderness.

12 En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.

MK 1:13 En Hij werd in de woestijn veertig dagen verzocht door de satan en Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem.

13 And he was there in the wilderness forty days, tempted of Satan; and was with the wild beasts; and the angels ministered unto him.

13 En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.

MK 1:14 En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken,

14 Now after that John was put in prison, Jesus came into Galilee, preaching the gospel of the kingdom of God,

14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.

MK 1:15 [en Hij zeide]: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.

15 And saying, The time is fulfilled, and the kingdom of God is at hand: repent ye, and believe the gospel.

15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.

MK 1:16 En toen Hij langs de zee van Galilea ging, zag Hij Simon en Andreas, de broeder van Simon, in de zee staan en het net uitwerpen, want zij waren vissers.

16 Now as he walked by the sea of Galilee, he saw Simon and Andrew his brother casting a net into the sea: for they were fishers.

16 En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);

MK 1:17 En Jezus zeide tot hen: Komt achter Mij en Ik zal maken, dat gij vissers van mensen wordt.

17 And Jesus said unto them, Come ye after me, and I will make you to become fishers of men.

17 En Jezus zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal maken, dat gij vissers der mensen zult worden.

MK 1:18 En zij lieten terstond hun netten liggen en volgden Hem.

18 And straightway they forsook their nets, and followed him.

18 En zij, terstond hun netten verlatende, zijn Hem gevolgd.

MK 1:19 En een weinig verder gegaan zijnde, zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broeder, terwijl dezen bezig waren in het schip hun netten in orde te brengen.

19 And when he had gone a little further thence, he saw James the [son] of Zebedee, and John his brother, who also were in the ship mending their nets.

19 En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag Hij Jakobus, den [zoon] van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, en dezelven in het schip hun netten vermakende.

MK 1:20 En terstond riep Hij hen. En zij lieten hun vader Zebedeüs in het schip achter met de dagloners en gingen heen, Hem achterna.

20 And straightway he called them: and they left their father Zebedee in the ship with the hired servants, and went after him.

20 En terstond riep Hij hen; en zij, latende hun vader Zebedeus in het schip, met de huurlingen, zijn Hem nagevolgd.

MK 1:21 En zij kwamen te Kafarnaüm en terstond op de sabbat ging Hij naar de synagoge en leerde.

21 And they went into Capernaum; and straightway on the sabbath day he entered into the synagogue, and taught.

21 En zij kwamen binnen Kapernaum; en terstond op den sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij.

MK 1:22 En zij stonden versteld over zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende, en niet als de schriftgeleerden.

22 And they were astonished at his doctrine: for he taught them as one that had authority, and not as the scribes.

22 En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.

MK 1:23 En terstond was er in hun synagoge een mens met een onreine geest en hij schreeuwde luid,

23 And there was in their synagogue a man with an unclean spirit; and he cried out,

23 En er was in hun synagoge een mens, met een onreinen geest, en hij riep uit,

MK 1:24 zeggende: Wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazaret? Zijt Gij gekomen om ons te verdelgen? Ik weet wel, wie Gij zijt: de heilige Gods.

24 Saying, Let [us] alone; what have we to do with thee, thou Jesus of Nazareth? art thou come to destroy us? I know thee who thou art, the Holy One of God.

24 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U [te doen], Gij Jezus Nazarener, zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, [namelijk] de Heilige Gods.

MK 1:25 En Jezus bestrafte hem [zeggende]: Zwijg stil en ga uit van hem.

25 And Jesus rebuked him, saying, Hold thy peace, and come out of him.

25 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem.

MK 1:26 En de onreine geest deed hem stuiptrekken en ging onder groot geschreeuw van hem uit.

26 And when the unclean spirit had torn him, and cried with a loud voice, he came out of him.

26 En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met een grote stem, ging uit van hem.

MK 1:27 En allen werden zeer verbaasd, zodat zij elkander vroegen, zeggende: Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag! Ook de onreine geesten geeft Hij bevelen en zij gehoorzamen Hem!

27 And they were all amazed, insomuch that they questioned among themselves, saying, What thing is this? what new doctrine [is] this? for with authority commandeth he even the unclean spirits, and they do obey him.

27 En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook den onreine geesten gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn!

MK 1:28 En het gerucht van Hem drong terstond overal door in de gehele omgeving van Galilea.

28 And immediately his fame spread abroad throughout all the region round about Galilee.

28 En Zijn gerucht ging terstond uit, in het gehele omliggende land van Galilea.

MK 1:29 En terstond, uit de synagoge, gingen zij in het huis van Simon en Andreas met Jakobus en Johannes.

29 And forthwith, when they were come out of the synagogue, they entered into the house of Simon and Andrew, with James and John.

29 En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes.

MK 1:30 En de schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed en terstond spraken zij met Hem over haar.

30 But Simon's wife's mother lay sick of a fever, and anon they tell him of her.

30 En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar.

MK 1:31 En Hij kwam naderbij, vatte haar hand en richtte haar op. En de koorts verliet haar en zij diende hen.

31 And he came and took her by the hand, and lifted her up; and immediately the fever left her, and she ministered unto them.

31 En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte haar op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.

MK 1:32 Toen het nu avond werd en de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, en de bezetenen.

32 And at even, when the sun did set, they brought unto him all that were diseased, and them that were possessed with devils.

32 Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.

MK 1:33 En de gehele stad was te hoop gelopen bij de deur.

33 And all the city was gathered together at the door.

33 En de gehele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.

MK 1:34 En Hij genas velen, die ernstig ongesteld waren door allerlei ziekten, en vele boze geesten dreef Hij uit en Hij liet de geesten niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.

34 And he healed many that were sick of divers diseases, and cast out many devils; and suffered not the devils to speak, because they knew him.

34 En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.

MK 1:35 En vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op en ging naar buiten en Hij ging heen naar een eenzame plaats en bad aldaar.

35 And in the morning, rising up a great while before day, he went out, and departed into a solitary place, and there prayed.

35 En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats, en bad aldaar.

MK 1:36 Maar Simon en die met hem waren, gingen Hem achterna,

36 And Simon and they that were with him followed after him.

36 En Simon, en die met hem [waren], zijn Hem nagevolgd.

MK 1:37 en zij vonden Hem en zeiden tot Hem: Allen zoeken U.

37 And when they had found him, they said unto him, All [men] seek for thee.

37 En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen.

MK 1:38 En Hij zeide tot hen: Laten wij elders heengaan, naar de naburige plaatsen, opdat Ik ook daar predike; want daartoe ben Ik uitgegaan.

38 And he said unto them, Let us go into the next towns, that I may preach there also: for therefore came I forth.

38 En Hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook daar predike; want daartoe ben Ik uitgegaan.

MK 1:39 En Hij ging prediken in hun synagogen in geheel Galilea, en de boze geesten dreef Hij uit.

39 And he preached in their synagogues throughout all Galilee, and cast out devils.

39 En Hij predikte in hun synagogen, door geheel Galilea, en wierp de duivelen uit.

MK 1:40 En een melaatse kwam tot Hem, die voor Hem op de knieën viel, en smekende tot Hem zeide: Indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.

40 And there came a leper to him, beseeching him, and kneeling down to him, and saying unto him, If thou wilt, thou canst make me clean.

40 En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieen, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

MK 1:41 En met barmhartigheid bewogen, strekte Hij zijn hand uit, raakte hem aan en zeide tot hem: Ik wil het, word rein!

41 And Jesus, moved with compassion, put forth [his] hand, and touched him, and saith unto him, I will; be thou clean.

41 En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!

MK 1:42 En terstond verliet hem de melaatsheid en hij werd rein.

42 And as soon as he had spoken, immediately the leprosy departed from him, and he was cleansed.

42 En als Hij [dit] gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.

MK 1:43 En met een strenge vermaning zond Hij hem terstond weg,

43 And he straitly charged him, and forthwith sent him away;

43 En als Hij hem strengelijk verboden had, deed Hij hem terstond van Zich gaan;

MK 1:44 en Hij zeide tot hem: Zie toe, dat gij niemand iets zegt, maar ga heen, toon u aan de priester en offer voor uw reiniging hetgeen Mozes heeft voorgeschreven, hun tot een getuigenis.

44 And saith unto him, See thou say nothing to any man: but go thy way, shew thyself to the priest, and offer for thy cleansing those things which Moses commanded, for a testimony unto them.

44 En zeide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

MK 1:45 Maar toen hij was weggegaan, begon hij het telkens weder te verkondigen, en het gebeurde ruchtbaar te maken, zodat Hij niet meer openlijk de stad kon binnenkomen, maar Zich buiten in eenzame plaatsen ophield. En zij kwamen tot Hem van alle kanten.

45 But he went out, and began to publish [it] much, and to blaze abroad the matter, insomuch that Jesus could no more openly enter into the city, but was without in desert places: and they came to him from every quarter.

45 Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden, alzo dat Hij niet meer openbaar in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten.

MK 2:1 En toen Hij weder te Kafarnaüm gekomen was, hoorde men na enige dagen, dat Hij thuis was.

1 And again he entered into Capernaum after [some] days; and it was noised that he was in the house.

1 En na [sommige] dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.

MK 2:2 En velen kwamen bijeen, zodat zelfs de ruimte bij de deur hen niet meer kon bevatten, en Hij sprak het woord tot hen.

2 And straightway many were gathered together, insomuch that there was no room to receive [them], no, not so much as about the door: and he preached the word unto them.

2 En terstond vergaderden [daar] velen, alzo dat ook zelfs de [plaatsen] omtrent de deur [hen] niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.

MK 2:3 En zij kwamen en brachten een verlamde tot Hem, die door vier mannen gedragen werd.

3 And they come unto him, bringing one sick of the palsy, which was borne of four.

3 En er kwamen [sommigen] tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.

MK 2:4 En daar zij deze niet tot Hem konden brengen vanwege de schare, namen zij de dakbedekking weg boven de plaats, waar Hij was, en na het dak opengebroken te hebben, lieten zij de matras neder, waarop de verlamde lag.

4 And when they could not come nigh unto him for the press, they uncovered the roof where he was: and when they had broken [it] up, they let down the bed wherein the sick of the palsy lay.

4 En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en [dat] opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag.

MK 2:5 En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Kind, uw zonden worden vergeven.

5 When Jesus saw their faith, he said unto the sick of the palsy, Son, thy sins be forgiven thee.

5 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.

MK 2:6 Nu waren daar enige van de schriftgeleerden gezeten en zij overlegden in hun harten:

6 But there were certain of the scribes sitting there, and reasoning in their hearts,

6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:

MK 2:7 Wat spreekt deze aldus? Hij lastert God. Wie kan zonden vergeven dan God alleen?

7 Why doth this [man] thus speak blasphemies? who can forgive sins but God only?

7 Wat spreekt Deze aldus [gods] lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?

MK 2:8 En Jezus doorzag terstond in zijn geest, dat zij aldus in zichzelf overlegden, en Hij zeide tot hen: Waarom overlegt gij deze dingen in uw harten?

8 And immediately when Jesus perceived in his spirit that they so reasoned within themselves, he said unto them, Why reason ye these things in your hearts?

8 En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?

MK 2:9 Wat is gemakkelijker, tot de verlamde te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en neem uw matras op en wandel?

9 Whether is it easier to say to the sick of the palsy, [Thy] sins be forgiven thee; or to say, Arise, and take up thy bed, and walk?

9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?

MK 2:10 Maar, opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven - zeide Hij tot de verlamde:

10 But that ye may know that the Son of man hath power on earth to forgive sins, (he saith to the sick of the palsy,)

10 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):

MK 2:11 Tot u zeg Ik, sta op, neem uw matras op en ga naar uw huis.

11 I say unto thee, Arise, and take up thy bed, and go thy way into thine house.

11 Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.

MK 2:12 En hij stond op, nam terstond zijn matras op en ging voor aller oog naar buiten, zodat zij allen ontzet waren en God verheerlijkten, zeggende: Zo iets hebben wij nog nooit gezien!

12 And immediately he arose, took up the bed, and went forth before them all; insomuch that they were all amazed, and glorified God, saying, We never saw it on this fashion.

12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!

MK 2:13 En Hij ging weder naar buiten, langs de zee, en de gehele schare kwam tot Hem en Hij leerde hen.

13 And he went forth again by the sea side; and all the multitude resorted unto him, and he taught them.

13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.

MK 2:14 En voorbijgaande zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en Hij zeide tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem.

14 And as he passed by, he saw Levi the [son] of Alphaeus sitting at the receipt of custom, and said unto him, Follow me. And he arose and followed him.

14 En voorbijgaande zag Hij Levi, [den zoon] van Alfeus, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.

MK 2:15 En het geschiedde, toen Hij aanlag in zijn huis, dat vele tollenaars en zondaars mede aanlagen met Jezus en zijn discipelen; want zij waren talrijk en zij volgden Hem.

15 And it came to pass, that, as Jesus sat at meat in his house, many publicans and sinners sat also together with Jesus and his disciples: for there were many, and they followed him.

15 En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.

MK 2:16 En toen de schriftgeleerden der Farizeeën Hem met de zondaars en tollenaars zagen eten, zeiden zij tot zijn discipelen: Waarom eet Hij met de tollenaars en zondaars?

16 And when the scribes and Pharisees saw him eat with publicans and sinners, they said unto his disciples, How is it that he eateth and drinketh with publicans and sinners?

16 En de Schriftgeleerden en de Farizeen, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat [is] [het], dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?

MK 2:17 En Jezus hoorde het en zeide tot hen: Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.

17 When Jesus heard [it], he saith unto them, They that are whole have no need of the physician, but they that are sick: I came not to call the righteous, but sinners to repentance.

17 En Jezus, [dat] horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.

MK 2:18 En de discipelen van Johannes en de Farizeeën hielden hun vasten. En zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en de discipelen van de Farizeeën wèl, maar uw discipelen niet?

18 And the disciples of John and of the Pharisees used to fast: and they come and say unto him, Why do the disciples of John and of the Pharisees fast, but thy disciples fast not?

18 En de discipelen van Johannes en der Farizeen vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der Farizeen, en Uw discipelen vasten niet?

MK 2:19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen bruiloftsgasten dan vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.

19 And Jesus said unto them, Can the children of the bridechamber fast, while the bridegroom is with them? as long as they have the bridegroom with them, they cannot fast.

19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij den Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.

MK 2:20 Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is en dan zullen zij vasten, te dien dage.

20 But the days will come, when the bridegroom shall be taken away from them, and then shall they fast in those days.

20 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in dezelven dagen.

MK 2:21 Niemand naait een nietgekrompen lap op een oud kledingstuk, anders scheurt de ingezette lap er iets af - het nieuwe van het oude - en de scheur wordt erger.

21 No man also seweth a piece of new cloth on an old garment: else the new piece that filled it up taketh away from the old, and the rent is made worse.

21 En niemand naait een lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap [iets] af van het oude [kleed], en er wordt een ergere scheur.

MK 2:22 En niemand doet jonge wijn in oude zakken; anders zal de wijn de zakken doen barsten en de wijn gaat verloren met de zakken. [Maar jonge wijn doet men in nieuwe zakken.]

22 And no man putteth new wine into old bottles: else the new wine doth burst the bottles, and the wine is spilled, and the bottles will be marred: but new wine must be put into new bottles.

22 En niemand doet nieuwen wijn in oude [lederzakken]; anders doet de nieuwe wijn de [leder] zakken bersten en de wijn wordt uitgestort, en de [leder] zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe [leder] zakken doen.

MK 2:23 En het geschiedde, dat Hij op de sabbat door de korenvelden ging en zijn discipelen begonnen onder het gaan aren te plukken.

23 And it came to pass, that he went through the corn fields on the sabbath day; and his disciples began, as they went, to pluck the ears of corn.

23 En het geschiedde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.

MK 2:24 En de Farizeeën zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op de sabbat wat niet mag?

24 And the Pharisees said unto him, Behold, why do they on the sabbath day that which is not lawful?

24 En de Farizeen zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag, wat niet geoorloofd is?

MK 2:25 En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen wat David gedaan heeft, toen de nood drong en hij en die met hem waren, honger kregen?

25 And he said unto them, Have ye never read what David did, when he had need, and was an hungred, he, and they that were with him?

25 En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die met hem [waren]?

MK 2:26 [Hoe] hij onder het hogepriesterschap van Abjatar het huis Gods binnengegaan is en de toonbroden gegeten heeft, waarvan niemand mag eten dan de priesters, en hij ze ook aan degenen, die met hem waren, gegeven heeft?

26 How he went into the house of God in the days of Abiathar the high priest, and did eat the shewbread, which is not lawful to eat but for the priests, and gave also to them which were with him?

26 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathar, den hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, dan den priesteren, en ook gegeven heeft dengenen, die met hem waren?

MK 2:27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.

27 And he said unto them, The sabbath was made for man, and not man for the sabbath:

27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mens, niet de mens om den sabbat.

MK 2:28 Alzo is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat.

28 Therefore the Son of man is Lord also of the sabbath.

28 Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van den sabbat.

MK 3:1 En Hij ging wederom een synagoge binnen en daar was een mens met een verschrompelde hand;

1 And he entered again into the synagogue; and there was a man there which had a withered hand.

1 En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.

MK 3:2 en zij letten op Hem, of Hij hem op de sabbat genezen zou, om Hem te kunnen aanklagen.

2 And they watched him, whether he would heal him on the sabbath day; that they might accuse him.

2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.

MK 3:3 En Hij zeide tot de mens met de verschrompelde hand: Kom in het midden staan.

3 And he saith unto the man which had the withered hand, Stand forth.

3 En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.

MK 3:4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te redden of te doden? Maar zij zwegen stil.

4 And he saith unto them, Is it lawful to do good on the sabbath days, or to do evil? to save life, or to kill? But they held their peace.

4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.

MK 3:5 En nadat Hij hen, zeer bedroefd over de verharding van hun hart, rondom Zich met toorn had aangezien, zeide Hij tot de mens: Strek uw hand uit! En hij strekte haar uit en zijn hand werd weder gezond.

5 And when he had looked round about on them with anger, being grieved for the hardness of their hearts, he saith unto the man, Stretch forth thine hand. And he stretched [it] out: and his hand was restored whole as the other.

5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.

MK 3:6 En de Farizeeën gingen heen en pleegden terstond met de Herodianen overleg tegen Hem ten einde Hem om te brengen.

6 And the Pharisees went forth, and straightway took counsel with the Herodians against him, how they might destroy him.

6 En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden.

MK 3:7 En Jezus trok Zich met zijn discipelen terug naar de zee. En een talrijke menigte uit Galilea ging mede.

7 But Jesus withdrew himself with his disciples to the sea: and a great multitude from Galilee followed him, and from Judaea,

7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea.

MK 3:8 Ook uit Judea en uit Jeruzalem en uit Idumea en het Overjordaanse en de streken van Tyrus en Sidon kwam een talrijke menigte tot Hem, daar zij hoorden, hoeveel Hij deed.

8 And from Jerusalem, and from Idumaea, and [from] beyond Jordan; and they about Tyre and Sidon, a great multitude, when they had heard what great things he did, came unto him.

8 En van Jeruzalem, en van Idumea, en [van] over de Jordaan; en die [van] omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.

MK 3:9 En Hij zeide tot zijn discipelen, dat een scheepje in zijn nabijheid moest blijven met het oog op de schare, opdat zij Hem niet zouden verdringen.

9 And he spake to his disciples, that a small ship should wait on him because of the multitude, lest they should throng him.

9 En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.

MK 3:10 Want Hij genas velen, zodat allen, die kwalen hadden, op Hem aandrongen om Hem te kunnen aanraken.

10 For he had healed many; insomuch that they pressed upon him for to touch him, as many as had plagues.

10 Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die [enige] kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.

MK 3:11 En de onreine geesten wierpen zich voor Hem neder, telkens als zij Hem zagen, en zij schreeuwden, zeggende: Gij zijt de Zoon van God.

11 And unclean spirits, when they saw him, fell down before him, and cried, saying, Thou art the Son of God.

11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods.

MK 3:12 En herhaaldelijk verbood Hij hun Hem bekend te maken.

12 And he straitly charged them that they should not make him known.

12 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.

MK 3:13 En Hij ging de berg op en riep tot Zich, wie Hij zelf wilde, en zij kwamen tot Hem.

13 And he goeth up into a mountain, and calleth [unto him] whom he would: and they came unto him.

13 En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.

MK 3:14 En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken,

14 And he ordained twelve, that they should be with him, and that he might send them forth to preach,

14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;

MK 3:15 en om macht te hebben boze geesten uit te drijven.

15 And to have power to heal sicknesses, and to cast out devils:

15 En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.

MK 3:16 En Hij stelde de twaalven aan, en aan Simon gaf Hij de bijnaam Petrus,

16 And Simon he surnamed Peter;

16 En Simon gaf Hij den [toe] naam Petrus;

MK 3:17 en Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broeder van Jakobus, en Hij gaf hun de bijnaam Boanerges, dat is zonen des donders, en

17 And James the [son] of Zebedee, and John the brother of James; and he surnamed them Boanerges, which is, The sons of thunder:

17 En Jakobus, den [zoon] van Zebedeus, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun [toe] namen, Boanerges, hetwelk is, zonen des donders;

MK 3:18 Andreas en Filippus en Bartolomeüs en Matteüs en Tomas en Jakobus, de zoon van Alfeüs en Taddeüs en Simon de Zeloot en Judas Iskariot,

18 And Andrew, and Philip, and Bartholomew, and Matthew, and Thomas, and James the [son] of Alphaeus, and Thaddaeus, and Simon the Canaanite,

18 En Andreas, en Filippus, en Bartholomeus, en Mattheus, en Thomas, en Jakobus, den [zoon] van Alfeus, en Thaddeus, en Simon Kananites,

MK 3:19 die Hem ook verraden heeft.

19 And Judas Iscariot, which also betrayed him:

19 En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

MK 3:20 En Hij ging in een huis;

and they went into an house.

20 En zij kwamen in huis;

en er verzamelde zich weder [de] schare, zodat zij zelfs geen brood konden eten.

20 And the multitude cometh together again, so that they could not so much as eat bread.

en daar vergaderde wederom en schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.

MK 3:21 En toen zijn naastbestaanden dit hoorden, gingen zij heen om Hem te halen, want zij zeiden: Hij is niet bij zijn zinnen.

21 And when his friends heard [of it], they went out to lay hold on him: for they said, He is beside himself.

21 En als degenen, die Hem bestonden, [dit] hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.

MK 3:22 En de schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit.

22 And the scribes which came down from Jerusalem said, He hath Beelzebub, and by the prince of the devils casteth he out devils.

22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beelzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.

MK 3:23 En Hij riep hen tot Zich en sprak tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitdrijven?

23 And he called them [unto him], and said unto them in parables, How can Satan cast out Satan?

23 En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?

MK 3:24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, kan dat koninkrijk zich niet staande houden.

24 And if a kingdom be divided against itself, that kingdom cannot stand.

24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.

MK 3:25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zal dat huis niet kunnen bestaan.

25 And if a house be divided against itself, that house cannot stand.

25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.

MK 3:26 En indien de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij niet bestaan, doch is hij aan zijn einde.

26 And if Satan rise up against himself, and be divided, he cannot stand, but hath an end.

26 En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.

MK 3:27 Maar niemand kan het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden, en dan zal hij zijn huis plunderen.

27 No man can enter into a strong man's house, and spoil his goods, except he will first bind the strong man; and then he will spoil his house.

27 Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.

MK 3:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat alle zonden aan de kinderen der mensen zullen vergeven worden, ook de godslasteringen, welke zij gesproken mogen hebben;

28 Verily I say unto you, All sins shall be forgiven unto the sons of men, and blasphemies wherewith soever they shall blaspheme:

28 Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;

MK 3:29 maar wie gelasterd heeft tegen de heilige Geest, heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar staat schuldig aan eeuwige zonde.

29 But he that shall blaspheme against the Holy Ghost hath never forgiveness, but is in danger of eternal damnation:

29 Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.

MK 3:30 Immers, zij zeiden: Hij heeft een onreine geest.

30 Because they said, He hath an unclean spirit.

30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.

MK 3:31 En zijn moeder en zijn broeders kwamen, en buiten staande zonden zij iemand tot Hem om Hem te roepen.

31 There came then his brethren and his mother, and, standing without, sent unto him, calling him.

31 Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.

MK 3:32 En een schare zat rondom Hem en zij zeiden tot Hem: Zie, uw moeder en uw broeders en uw zusters staan buiten en zoeken U.

32 And the multitude sat about him, and they said unto him, Behold, thy mother and thy brethren without seek for thee.

32 En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.

MK 3:33 En Hij antwoordde en zeide tot hen: Wie zijn mijn moeder en broeders?

33 And he answered them, saying, Who is my mother, or my brethren?

33 En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?

MK 3:34 En rondziende over degenen, die in een kring rondom Hem zaten, zeide Hij: Zie, mijn moeder en mijn broeders.

34 And he looked round about on them which sat about him, and said, Behold my mother and my brethren!

34 En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.

MK 3:35 Al wie de wil Gods doet, die is mijn broeder en zuster en moeder.

35 For whosoever shall do the will of God, the same is my brother, and my sister, and mother.

35 Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.

MK 4:1 En wederom begon Hij te leren bij de zee. En een zeer grote schare verzamelde zich bij Hem, zodat Hij in een schip ging en daarin nederzat op de zee, en de gehele schare was bij de zee op het land.

1 And he began again to teach by the sea side: and there was gathered unto him a great multitude, so that he entered into a ship, and sat in the sea; and the whole multitude was by the sea on the land.

1 En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.

MK 4:2 En Hij leerde hun vele dingen in gelijkenissen, en Hij zeide tot hen in zijn onderwijs:

2 And he taught them many things by parables, and said unto them in his doctrine,

2 En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:

MK 4:3 Hoort. Zie, een zaaier ging uit om te zaaien.

3 Hearken; Behold, there went out a sower to sow:

3 Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.

MK 4:4 En het geschiedde bij het zaaien, dat een deel langs de weg viel, en de vogels kwamen en aten het op.

4 And it came to pass, as he sowed, some fell by the way side, and the fowls of the air came and devoured it up.

4 En het geschiedde in het zaaien, dat het ene [deel zaads] viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.

MK 4:5 Een ander deel viel op steenachtige bodem, waar het niet veel aarde had, en terstond schoot het op, omdat het geen diepe aarde had.

5 And some fell on stony ground, where it had not much earth; and immediately it sprang up, because it had no depth of earth:

5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.

MK 4:6 Maar toen de zon opging, verschroeide het, en omdat het geen wortel had, verdorde het.

6 But when the sun was up, it was scorched; and because it had no root, it withered away.

6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.

MK 4:7 En een ander deel viel in de dorens en de dorens kwamen op en verstikten het en het gaf geen vrucht.

7 And some fell among thorns, and the thorns grew up, and choked it, and it yielded no fruit.

7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.

MK 4:8 En het overige viel in goede aarde en opkomende en uitstoelende gaf het vrucht, en het droeg tot dertig-, zestig- en honderdvoud toe.

8 And other fell on good ground, and did yield fruit that sprang up and increased; and brought forth, some thirty, and some sixty, and some an hundred.

8 En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig [voud], en het andere zestig [voud], en het andere honderd [voud].

MK 4:9 En Hij zeide: Wie oren heeft om te horen, die hore.

9 And he said unto them, He that hath ears to hear, let him hear.

9 En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.

MK 4:10 En toen Hij (met hen) alleen was, vroegen zij die in zijn omgeving waren met de twaalven, Hem naar de gelijkenissen.

10 And when he was alone, they that were about him with the twelve asked of him the parable.

10 En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem [waren], met de twaalven, naar de gelijkenis.

MK 4:11 En Hij zeide tot hen: U is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods, maar tot hen, die buiten staan, komt alles in gelijkenissen,

11 And he said unto them, Unto you it is given to know the mystery of the kingdom of God: but unto them that are without, all [these] things are done in parables:

11 En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;

MK 4:12 dat zij ziende zien en niet bemerken, en horende horen en niet verstaan, opdat zij zich niet bekeren en hun vergeven worde.

12 That seeing they may see, and not perceive; and hearing they may hear, and not understand; lest at any time they should be converted, and [their] sins should be forgiven them.

12 Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.

MK 4:13 En Hij zeide tot hen: Weet gij niet, wat deze gelijkenis betekent, en hoe zult gij dan al de gelijkenissen verstaan?

13 And he said unto them, Know ye not this parable? and how then will ye know all parables?

13 En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?

MK 4:14 De zaaier zaait het woord.

14 The sower soweth the word.

14 De zaaier [is, die] het Woord zaait.

MK 4:15 Dit zijn degenen, die langs de weg zijn: waar het woord gezaaid wordt, en zodra zij het horen, komt terstond de satan en neemt het woord, dat in hen gezaaid is, weg.

15 And these are they by the way side, where the word is sown; but when they have heard, Satan cometh immediately, and taketh away the word that was sown in their hearts.

15 En dezen zijn, die bij den weg [bezaaid worden], waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.

MK 4:16 En evenzo zijn, die op steenachtige plaatsen gezaaid worden, degenen, die, zodra zij het woord horen, het terstond met blijdschap aannemen.

16 And these are they likewise which are sown on stony ground; who, when they have heard the word, immediately receive it with gladness;

16 En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige [plaatsen] bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen;

MK 4:17 Doch zij hebben geen wortel in zich, maar zijn mensen van het ogenblik; wanneer later verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komen zij terstond ten val.

17 And have no root in themselves, and so endure but for a time: afterward, when affliction or persecution ariseth for the word's sake, immediately they are offended.

17 En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.

MK 4:18 En een ander deel zijn degenen, die in de dorens gezaaid worden: dit zijn zij, die het woord horen,

18 And these are they which are sown among thorns; such as hear the word,

18 En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, [namelijk] degenen, die het Woord horen;

MK 4:19 maar de zorgen van de wereld en het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere komen erbij en verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar.

19 And the cares of this world, and the deceitfulness of riches, and the lusts of other things entering in, choke the word, and it becometh unfruitful.

19 En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

MK 4:20 En dit zijn degenen, die in goede aarde gezaaid zijn: zij, die het woord horen en in zich opnemen en vrucht dragen, dertig-en zestig- en honderdvoud.

20 And these are they which are sown on good ground; such as hear the word, and receive [it], and bring forth fruit, some thirtyfold, some sixty, and some an hundred.

20 En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig [voud], en het andere zestig [voud], en het andere honderd [voud].

MK 4:21 En Hij zeide tot hen: De lamp komt toch niet om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden? Is het niet om op de standaard gezet te worden?

21 And he said unto them, Is a candle brought to be put under a bushel, or under a bed? and not to be set on a candlestick?

21 En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? [Is het] niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?

MK 4:22 Want er is niets verborgen, dan om geopenbaard te worden, of aan het oog onttrokken, dan om in het openbaar te komen.

22 For there is nothing hid, which shall not be manifested; neither was any thing kept secret, but that it should come abroad.

22 Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, [om] verborgen [te zijn], maar opdat het in het openbaar zou komen.

MK 4:23 Indien iemand oren heeft om te horen, die hore.

23 If any man have ears to hear, let him hear.

23 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.

MK 4:24 En Hij zeide tot hen: Ziet toe, wat gij hoort. Met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden, en u zal boven die maat gegeven worden.

24 And he said unto them, Take heed what ye hear: with what measure ye mete, it shall be measured to you: and unto you that hear shall more be given.

24 En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal [meer] toegelegd worden.

MK 4:25 Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, ook wat hij heeft zal hem ontnomen worden.

25 For he that hath, to him shall be given: and he that hath not, from him shall be taken even that which he hath.

25 Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

MK 4:26 En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, als een mens, die zaad werpt in de aarde,

26 And he said, So is the kingdom of God, as if a man should cast seed into the ground;

26 En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;

MK 4:27 en slaapt en opstaat, nacht en dag, en het zaad komt op en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe.

27 And should sleep, and rise night and day, and the seed should spring and grow up, he knoweth not how.

27 En [voorts] sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.

MK 4:28 De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar.

28 For the earth bringeth forth fruit of herself; first the blade, then the ear, after that the full corn in the ear.

28 Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.

MK 4:29 Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er terstond de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken is.

29 But when the fruit is brought forth, immediately he putteth in the sickle, because the harvest is come.

29 En als de vrucht [zich] voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.

MK 4:30 En Hij zeide: Hoe zullen wij het Koninkrijk Gods afbeelden, of onder welke gelijkenis zullen wij het brengen?

30 And he said, Whereunto shall we liken the kingdom of God? or with what comparison shall we compare it?

30 En Hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve vergelijken?

MK 4:31 [Het is als een] mosterdzaadje, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden op de aarde,

31 [It is] like a grain of mustard seed, which, when it is sown in the earth, is less than all the seeds that be in the earth:

31 [Namelijk] bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde [zijn].

MK 4:32 en toch, als het gezaaid is, opkomt en groter wordt dan alle tuingewassen, en grote takken maakt, zodat in zijn schaduw de vogelen des hemels kunnen nestelen.

32 But when it is sown, it groweth up, and becometh greater than all herbs, and shooteth out great branches; so that the fowls of the air may lodge under the shadow of it.

32 En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.

MK 4:33 En in vele dergelijke gelijkenissen sprak Hij het woord tot hen, naardat zij het konden horen,

33 And with many such parables spake he the word unto them, as they were able to hear [it].

33 En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden.

MK 4:34 en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet, maar afzonderlijk aan zijn discipelen verklaarde Hij alles.

34 But without a parable spake he not unto them: and when they were alone, he expounded all things to his disciples.

34 En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder.

MK 4:35 En Hij zeide tot hen op die dag, toen het laat geworden was: Laten wij oversteken naar de overkant.

35 And the same day, when the even was come, he saith unto them, Let us pass over unto the other side.

35 En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.

MK 4:36 En zij lieten de schare achter en namen Hem, zoals Hij was, in het schip mede, en er waren andere schepen bij Hem.

36 And when they had sent away the multitude, they took him even as he was in the ship. And there were also with him other little ships.

36 En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.

MK 4:37 En er stak een zware stormwind op en de golven sloegen in het schip, zodat het schip reeds vol liep.

37 And there arose a great storm of wind, and the waves beat into the ship, so that it was now full.

37 En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.

MK 4:38 Maar Hij zelf lag op het achterschip tegen het kussen te slapen. En zij maakten Hem wakker en zeiden tot Hem: Meester, trekt Gij er U niets van aan, dat wij vergaan?

38 And he was in the hinder part of the ship, asleep on a pillow: and they awake him, and say unto him, Master, carest thou not that we perish?

38 En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?

MK 4:39 En Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en het werd volkomen stil.

39 And he arose, and rebuked the wind, and said unto the sea, Peace, be still. And the wind ceased, and there was a great calm.

39 En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.

MK 4:40 En Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij zó bevreesd? Hoe hebt gij geen geloof?

40 And he said unto them, Why are ye so fearful? how is it that ye have no faith?

40 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?

MK 4:41 En zij werden bovenmate bevreesd en zeiden tot elkander: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?

41 And they feared exceedingly, and said one to another, What manner of man is this, that even the wind and the sea obey him?

41 En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?

MK 5:1 En zij kwamen aan de overkant der zee in het land der Gerasenen.

1 And they came over unto the other side of the sea, into the country of the Gadarenes.

1 En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen.

MK 5:2 En toen Hij uit het schip ging, kwam Hem [terstond] uit de grafsteden een mens tegemoet met een onreine geest,

2 And when he was come out of the ship, immediately there met him out of the tombs a man with an unclean spirit,

2 En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest;

MK 5:3 die verblijf hield in de graven, en niemand had hem meer kunnen binden zelfs niet met een keten,

3 Who had [his] dwelling among the tombs; and no man could bind him, no, not with chains:

3 Dewelke [zijn] woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.

MK 5:4 want hij was dikwijls met voetboeien en ketenen gebonden geweest en de ketenen waren door hem stukgetrokken en de voetboeien vernield, en niemand was bij machte hem te bedwingen.

4 Because that he had been often bound with fetters and chains, and the chains had been plucked asunder by him, and the fetters broken in pieces: neither could any [man] tame him.

4 Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.

MK 5:5 En voortdurend, nacht en dag, was hij in de graven en in de bergen, schreeuwende en zichzelf met stenen slaande.

5 And always, night and day, he was in the mountains, and in the tombs, crying, and cutting himself with stones.

5 En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.

MK 5:6 En toen hij Jezus uit de verte zag, liep hij toe, viel voor Hem neder,

6 But when he saw Jesus afar off, he ran and worshipped him,

6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij [toe], en aanbad Hem.

MK 5:7 en zeide, roepende met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt.

7 And cried with a loud voice, and said, What have I to do with thee, Jesus, [thou] Son of the most high God? I adjure thee by God, that thou torment me not.

7 En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U [te doen], Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!

MK 5:8 Want Hij zeide tot hem: Onreine geest, ga uit van deze mens.

8 For he said unto him, Come out of the man, [thou] unclean spirit.

8 (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)

MK 5:9 En Hij vroeg hem: Hoe is uw naam?

9 And he asked him, What [is] thy name?

9 En Hij vraagde hem: Welke is uw naam?

MK 5:10 En hij zeide tot Hem: Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk.

And he answered, saying, My name [is] Legion: for we are many.

En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.

En hij smeekte Hem dringend hen niet buiten het land te zenden.

10 And he besought him much that he would not send them away out of the country.

10 En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.

MK 5:11 Nu werd daar bij de berg een grote kudde zwijnen gehoed.

11 Now there was there nigh unto the mountains a great herd of swine feeding.

11 En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.

MK 5:12 En zij smeekten Hem, zeggende: Zend ons in de zwijnen, dat wij daarin varen.

12 And all the devils besought him, saying, Send us into the swine, that we may enter into them.

12 En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.

MK 5:13 En Hij stond het hun toe. En de onreine geesten gingen uit en voeren in de zwijnen; en de kudde, ongeveer tweeduizend, stormde langs de helling de zee in en zij verdronken in de zee.

13 And forthwith Jesus gave them leave. And the unclean spirits went out, and entered into the swine: and the herd ran violently down a steep place into the sea, (they were about two thousand;) and were choked in the sea.

13 En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.

MK 5:14 En die ze hoedden, namen de vlucht en berichtten het in de stad en op het land. En de mensen gingen zien, wat er gebeurd was.

14 And they that fed the swine fled, and told [it] in the city, and in the country. And they went out to see what it was that was done.

14 En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten [zulks] in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was.

MK 5:15 En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, hem, die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd.

15 And they come to Jesus, and see him that was possessed with the devil, and had the legion, sitting, and clothed, and in his right mind: and they were afraid.

15 En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, [namelijk] die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.

MK 5:16 En die het hadden gezien, verhaalden hun, hoe het met de bezetene gegaan was en ook van de zwijnen.

16 And they that saw [it] told them how it befell to him that was possessed with the devil, and [also] concerning the swine.

16 En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en [ook] van de zwijnen.

MK 5:17 En zij begonnen er bij Hem op aan te dringen, dat Hij uit hun gebied weg zou gaan.

17 And they began to pray him to depart out of their coasts.

17 En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.

MK 5:18 En toen Hij in het schip ging, smeekte de bezetene Hem, dat hij bij Hem mocht blijven.

18 And when he was come into the ship, he that had been possessed with the devil prayed him that he might be with him.

18 En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.

MK 5:19 Doch Hij stond het hem niet toe, maar Hij zeide tot hem: Ga naar uw huis tot de uwen en bericht hun al wat de Here in zijn ontferming u gedaan heeft.

19 Howbeit Jesus suffered him not, but saith unto him, Go home to thy friends, and tell them how great things the Lord hath done for thee, and hath had compassion on thee.

19 Doch Jezus liet hem [dat] niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en [hoe] Hij Zich uwer ontfermd heeft.

MK 5:20 En hij ging weg en begon in de Dekapolis te verkondigen al wat Jezus hem gedaan had, en allen verwonderden zich.

20 And he departed, and began to publish in Decapolis how great things Jesus had done for him: and all [men] did marvel.

20 En hij ging heen, en begon te verkondigen in het [land] van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.

MK 5:21 En toen Jezus met het schip weder overgestoken was naar de overkant, verzamelde zich een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.

21 And when Jesus was passed over again by ship unto the other side, much people gathered unto him: and he was nigh unto the sea.

21 En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.

MK 5:22 En er kwam een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus, en toen deze Hem zag, wierp hij zich neder aan zijn voeten,

22 And, behold, there cometh one of the rulers of the synagogue, Jairus by name; and when he saw him, he fell at his feet,

22 En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,

MK 5:23 en hij smeekte Hem dringend, zeggende: Mijn dochtertje ligt op haar uiterste; kom toch en leg haar de handen op, dan zal zij behouden worden en in leven blijven.

23 And besought him greatly, saying, My little daughter lieth at the point of death: [I pray thee], come and lay thy hands on her, that she may be healed; and she shall live.

23 En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; [ik bid U], dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.

MK 5:24 En Hij ging met hem mede en een grote schare volgde Hem en zij drongen tegen Hem op.

24 And [Jesus] went with him; and much people followed him, and thronged him.

24 En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.

MK 5:25 En een vrouw, die twaalf jaar aan bloedvloeiingen geleden had,

25 And a certain woman, which had an issue of blood twelve years,

25 En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,

MK 5:26 en veel doorstaan had van vele dokters en al het hare daaraan ten koste had gelegd en geen baat had gevonden, maar veeleer achteruit was gegaan,

26 And had suffered many things of many physicians, and had spent all that she had, and was nothing bettered, but rather grew worse,

26 En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare [daaraan] ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;

MK 5:27 had gehoord, wat er van Jezus verteld werd, en zij kwam tussen de schare en raakte van achter zijn kleed aan.

27 When she had heard of Jesus, came in the press behind, and touched his garment.

27 [Deze] van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan.

MK 5:28 Want zij zeide: Indien ik slechts zijn klederen kan aanraken, zal ik behouden zijn.

28 For she said, If I may touch but his clothes, I shall be whole.

28 Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.

MK 5:29 En terstond droogde de bron van haar bloed op en zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was.

29 And straightway the fountain of her blood was dried up; and she felt in [her] body that she was healed of that plague.

29 En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.

MK 5:30 En Jezus bemerkte terstond bij Zichzelf de kracht, die van Hem uitgegaan was, en Hij keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft mijn klederen aangeraakt?

30 And Jesus, immediately knowing in himself that virtue had gone out of him, turned him about in the press, and said, Who touched my clothes?

30 En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?

MK 5:31 En zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare tegen U opdringt en Gij zegt: Wie heeft Mij aangeraakt?

31 And his disciples said unto him, Thou seest the multitude thronging thee, and sayest thou, Who touched me?

31 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?

MK 5:32 En Hij keek rond om te zien, wie dat gedaan had.

32 And he looked round about to see her that had done this thing.

32 En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.

MK 5:33 De vrouw nu, bevreesd en bevende, wetende wat met haar geschied was, kwam en wierp zich voor Hem neder en zeide Hem de volle waarheid.

33 But the woman fearing and trembling, knowing what was done in her, came and fell down before him, and told him all the truth.

33 En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.

MK 5:34 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.

34 And he said unto her, Daughter, thy faith hath made thee whole; go in peace, and be whole of thy plague.

34 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.

MK 5:35 Terwijl Hij nog sprak, kwam men uit het huis van de overste der synagoge hem zeggen: Uw dochter is gestorven; waarom valt gij de Meester nog lastig?

35 While he yet spake, there came from the ruler of the synagogue's [house certain] which said, Thy daughter is dead: why troublest thou the Master any further?

35 Terwijl Hij nog sprak, kwamen [enigen] van [het huis] des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?

MK 5:36 Doch Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd, maar Hij zeide tot de overste der synagoge: Wees niet bevreesd, geloof alleen.

36 As soon as Jesus heard the word that was spoken, he saith unto the ruler of the synagogue, Be not afraid, only believe.

36 En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.

MK 5:37 En Hij stond niemand toe met Hem mede te gaan, behalve Petrus en Jakobus en Johannes, de broeder van Jakobus.

37 And he suffered no man to follow him, save Peter, and James, and John the brother of James.

37 En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;

MK 5:38 En zij kwamen in het huis van de overste der synagoge en Hij zag het misbaar en mensen, die luid weenden en weeklaagden.

38 And he cometh to the house of the ruler of the synagogue, and seeth the tumult, and them that wept and wailed greatly.

38 En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte [en degenen], die zeer weenden en huilden.

MK 5:39 En binnengekomen, zeide Hij tot hen: Waarom maakt gij misbaar en weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.

39 And when he was come in, he saith unto them, Why make ye this ado, and weep? the damsel is not dead, but sleepeth.

39 En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en [wat] weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.

MK 5:40 En zij lachten Hem uit. Doch Hij dreef hen allen het huis uit en nam de vader van het kind en de moeder en die bij Hem waren mede en Hij ging het vertrek binnen, waar het kind lag.

40 And they laughed him to scorn. But when he had put them all out, he taketh the father and the mother of the damsel, and them that were with him, and entereth in where the damsel was lying.

40 En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem [waren], en ging binnen, waar het kind lag.

MK 5:41 En Hij vatte de hand van het kind en zeide tot haar: Talita koem, hetgeen betekent: Meisje, ik zeg u, sta op!

41 And he took the damsel by the hand, and said unto her, Talitha cumi; which is, being interpreted, Damsel, I say unto thee, arise.

41 En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.

MK 5:42 En het meisje stond onmiddellijk op en het kon lopen; want het was twaalf jaar. En zij ontzetten zich terstond bovenmate.

42 And straightway the damsel arose, and walked; for she was [of the age] of twelve years. And they were astonished with a great astonishment.

42 En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren [oud]; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.

MK 5:43 En Hij gebood hun nadrukkelijk, dat niemand dit te weten zou komen en zeide, dat men haar te eten zou geven.

43 And he charged them straitly that no man should know it; and commanded that something should be given her to eat.

43 En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.

MK 6:1 En Hij vertrok vandaar en kwam in zijn vaderstad, en zijn discipelen volgden Hem.

1 And he went out from thence, and came into his own country; and his disciples follow him.

1 En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.

MK 6:2 En toen de sabbat aangebroken was, begon Hij te leren in de synagoge. En zeer velen van die Hem hoorden, stonden versteld en zeiden: Waar heeft Hij deze dingen vandaan en wat is dat voor een wijsheid, die Hem gegeven is? En zulke krachten, als door zijn handen geschieden?

2 And when the sabbath day was come, he began to teach in the synagogue: and many hearing [him] were astonished, saying, From whence hath this [man] these things? and what wisdom [is] this which is given unto him, that even such mighty works are wrought by his hands?

2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die [Hem] hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar [komen] Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?

MK 6:3 Is dit niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En behoren zijn zusters hier niet bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.

3 Is not this the carpenter, the son of Mary, the brother of James, and Joses, and of Juda, and Simon? and are not his sisters here with us? And they were offended at him.

3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geergerd.

MK 6:4 En Jezus zeide tot hen: Een profeet is alleen in zijn vaderstad en onder zijn verwanten en in zijn huis ongeëerd.

4 But Jesus said unto them, A prophet is not without honour, but in his own country, and among his own kin, and in his own house.

4 En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeeerd dan in zijn vaderland en onder [zijn] magen, en in zijn huis.

MK 6:5 En Hij kon daar geen enkele kracht doen; alleen genas Hij enige zieken door handoplegging.

5 And he could there do no mighty work, save that he laid his hands upon a few sick folk, and healed [them].

5 En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen.

MK 6:6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof. En Hij ging de omliggende dorpen rond en leerde.

6 And he marvelled because of their unbelief. And he went round about the villages, teaching.

6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken [daar] rondom, lerende.

MK 6:7 En Hij riep de twaalven tot Zich en begon hen uit te zenden, twee aan twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.

7 And he called [unto him] the twelve, and began to send them forth by two and two; and gave them power over unclean spirits;

7 En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.

MK 6:8 En Hij gebood hun niets mede te nemen voor onderweg, dan alleen een staf; geen brood, geen reiszak, geen geld in de gordel,

8 And commanded them that they should take nothing for [their] journey, save a staff only; no scrip, no bread, no money in [their] purse:

8 En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;

MK 6:9 maar wèl sandalen aan de voeten te dragen en: trekt niet twee hemden aan.

9 But [be] shod with sandals; and not put on two coats.

9 Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn.

MK 6:10 En Hij zeide tot hen: Als gij eenmaal ergens een huis zijt binnengegaan, blijft daar dan, totdat gij vandaar vertrekt.

10 And he said unto them, In what place soever ye enter into an house, there abide till ye depart from that place.

10 En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.

MK 6:11 En indien een plaats u niet ontvangt en zij niet naar u luisteren, gaat daarvandaan en schudt het stof af, dat aan uw voeten is, hun tot een getuigenis.

11 And whosoever shall not receive you, nor hear you, when ye depart thence, shake off the dust under your feet for a testimony against them.

11 En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis.

 

Verily I say unto you, It shall be more tolerable for Sodom and Gomorrha in the day of judgment, than for that city.

Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.

MK 6:12 En zij vertrokken en predikten, dat zij zich zouden bekeren.

12 And they went out, and preached that men should repent.

12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren.

MK 6:13 En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.

13 And they cast out many devils, and anointed with oil many that were sick, and healed [them].

13 En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.

MK 6:14 En koning Herodes hoorde van Hem, want zijn naam was bekend geworden; en men zeide: Johannes de Doper is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in Hem.

14 And king Herod heard [of him]; (for his name was spread abroad:) and he said, That John the Baptist was risen from the dead, and therefore mighty works do shew forth themselves in him.

14 En de koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.

MK 6:15 Anderen zeiden: Het is Elia, weer anderen: Een profeet als een van de profeten.

15 Others said, That it is Elias. And others said, That it is a prophet, or as one of the prophets.

15 Anderen zeiden: Hij is Elias; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een der profeten.

MK 6:16 Toen dan Herodes van Hem hoorde, zeide hij: Johannes, die ik onthoofd heb, die is opgewekt.

16 But when Herod heard [thereof], he said, It is John, whom I beheaded: he is risen from the dead.

16 Maar als het Herodes hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt.

MK 6:17 Want hij, Herodes, had Johannes laten grijpen en geboeid gevangen gezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar tot vrouw genomen had.

17 For Herod himself had sent forth and laid hold upon John, and bound him in prison for Herodias' sake, his brother Philip's wife: for he had married her.

17 Want dezelve Herodes, [enigen] uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Herodias, de huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.

MK 6:18 Want Johannes had tot Herodes gezegd: Gij moogt de vrouw van uw broeder niet hebben.

18 For John had said unto Herod, It is not lawful for thee to have thy brother's wife.

18 Want Johannes zeide tot Herodes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.

MK 6:19 Herodias had het op hem voorzien en wilde hem doden, doch zij kon dit niet,

19 Therefore Herodias had a quarrel against him, and would have killed him; but she could not:

19 En Herodias legde op hem toe; en wilde hem doden, en kon niet;

MK 6:20 want Herodes had ontzag voor Johannes, daar hij wist, dat hij een rechtvaardig en heilig man was; en hij beschermde hem en als hij hem gehoord had, was hij in grote verlegenheid, maar hij hoorde hem gaarne.

20 For Herod feared John, knowing that he was a just man and an holy, and observed him; and when he heard him, he did many things, and heard him gladly.

20 Want Herodes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.

MK 6:21 En toen er een gelegen dag gekomen was en Herodes op zijn geboortefeest een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn legeroversten en de voornaamsten van Galilea,

21 And when a convenient day was come, that Herod on his birthday made a supper to his lords, high captains, and chief [estates] of Galilee;

21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes, op den dag zijner geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galilea;

MK 6:22 en de dochter van Herodias binnenkwam en danste, behaagde zij Herodes en hun, die mede aanlagen. En de koning zeide tot het meisje: Vraag van mij, wat gij maar wilt en ik zal het u geven.

22 And when the daughter of the said Herodias came in, and danced, and pleased Herod and them that sat with him, the king said unto the damsel, Ask of me whatsoever thou wilt, and I will give [it] thee.

22 En als de dochter van dezelve Herodias inkwam, en danste, en Herodes en dengenen die mede aanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.

MK 6:23 En hij zwoer haar: Wat gij mij ook maar vragen zult, zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk.

23 And he sware unto her, Whatsoever thou shalt ask of me, I will give [it] thee, unto the half of my kingdom.

23 En hij zwoer haar: Zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven, [ook] tot de helft mijns koninkrijks!

MK 6:24 En zij ging heen en zeide tot haar moeder: Wat zal ik vragen? En deze zeide: Het hoofd van Johannes de Doper.

24 And she went forth, and said unto her mother, What shall I ask? And she said, The head of John the Baptist.

24 En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doper.

MK 6:25 En terstond ging zij haastig naar binnen tot de koning en vroeg, zeggende: Ik wil, dat gij mij onmiddellijk op een schotel geeft het hoofd van Johannes de Doper.

25 And she came in straightway with haste unto the king, and asked, saying, I will that thou give me by and by in a charger the head of John the Baptist.

25 En zij, terstond met haast ingaande tot den koning, heeft het geeist, zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes den Doper.

MK 6:26 En ofschoon de koning zeer bedroefd werd, wilde hij het haar om zijn eden en om hen, die aanlagen, niet weigeren.

26 And the king was exceeding sorry; [yet] for his oath's sake, and for their sakes which sat with him, he would not reject her.

26 En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, [nochtans] om de eden, en degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar [hetzelve] niet afslaan.

MK 6:27 En terstond zond de koning een scherprechter met de opdracht het hoofd te brengen. En deze ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,

27 And immediately the king sent an executioner, and commanded his head to be brought: and he went and beheaded him in the prison,

27 En de koning zond terstond een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;

MK 6:28 en hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje en het meisje gaf het aan haar moeder.

28 And brought his head in a charger, and gave it to the damsel: and the damsel gave it to her mother.

28 En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve harer moeder.

MK 6:29 En toen zijn discipelen het hoorden, kwamen zij en namen zijn lijk weg en legden het in een graf.

29 And when his disciples heard [of it], they came and took up his corpse, and laid it in a tomb.

29 En als zijn discipelen [dit] hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en legden dat in een graf.

MK 6:30 En de apostelen kwamen weder samen bij Jezus en berichtten Hem al wat zij gedaan en geleerd hadden.

30 And the apostles gathered themselves together unto Jesus, and told him all things, both what they had done, and what they had taught.

30 En de apostelen kwamen [weder] tot Jezus, en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden.

MK 6:31 En Hij zeide tot hen: Komt hier en gaat (met Mij) alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig. Want er waren velen, die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen tijd om te eten.

31 And he said unto them, Come ye yourselves apart into a desert place, and rest a while: for there were many coming and going, and they had no leisure so much as to eat.

31 En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.

MK 6:32 En zij vertrokken in het schip naar een eenzame plaats, alleen.

32 And they departed into a desert place by ship privately.

32 En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen.

MK 6:33 En zij zagen hen wegvaren en velen letten erop, en zij liepen te voet uit al de steden daarheen en waren er vóór hen.

33 And the people saw them departing, and many knew him, and ran afoot thither out of all cities, and outwent them, and came together unto him.

33 En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem.

MK 6:34 En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren.

34 And Jesus, when he came out, saw much people, and was moved with compassion toward them, because they were as sheep not having a shepherd: and he began to teach them many things.

34 En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.

MK 6:35 En toen het reeds laat geworden was, kwamen zijn discipelen tot Hem en zeiden: De plaats (hier) is eenzaam en het is reeds laat.

35 And when the day was now far spent, his disciples came unto him, and said, This is a desert place, and now the time [is] far passed:

35 En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag;

MK 6:36 Zend hen weg, dan kunnen zij naar de gehuchten en dorpen in de omtrek gaan om voedsel voor zich te kopen.

36 Send them away, that they may go into the country round about, and into the villages, and buy themselves bread: for they have nothing to eat.

36 Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen.

MK 6:37 Maar Hij antwoordde hun en zeide: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij dan voor tweehonderd schellingen brood gaan kopen en hun te eten geven?

37 He answered and said unto them, Give ye them to eat. And they say unto him, Shall we go and buy two hundred pennyworth of bread, and give them to eat?

37 Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven?

MK 6:38 Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat eens zien! En toen zij het nagegaan hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

38 He saith unto them, How many loaves have ye? go and see. And when they knew, they say, Five, and two fishes.

38 En Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat heen en beziet [het]. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

MK 6:39 En Hij droeg hun op, dat allen groepsgewijze moesten gaan zitten op het groene gras.

39 And he commanded them to make all sit down by companies upon the green grass.

39 En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij waardschappen, op het groene gras.

MK 6:40 En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.

40 And they sat down in ranks, by hundreds, and by fifties.

40 En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen.

MK 6:41 En Hij nam de vijf broden en de twee vissen, zag op naar de hemel, sprak de zegen uit en brak de broden en gaf ze aan de discipelen, dat die ze hun zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen.

41 And when he had taken the five loaves and the two fishes, he looked up to heaven, and blessed, and brake the loaves, and gave [them] to his disciples to set before them; and the two fishes divided he among them all.

41 En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, zag Hij op naar den hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen.

MK 6:42 En zij aten allen en werden verzadigd.

42 And they did all eat, and were filled.

42 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden.

MK 6:43 En zij raapten de brokken op, twaalf manden vol, en ook van de vissen.

43 And they took up twelve baskets full of the fragments, and of the fishes.

43 En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de vissen.

MK 6:44 En die de broden gegeten hadden, waren vijfduizend man.

44 And they that did eat of the loaves were about five thousand men.

44 En die daar de broden gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen.

MK 6:45 En terstond dwong Hij zijn discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, naar Betsaïda, terwijl Hij zelf de schare wegzond.

45 And straightway he constrained his disciples to get into the ship, and to go to the other side before unto Bethsaida, while he sent away the people.

45 En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen aan de andere zijde tegen [over] Bethsaida, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.

MK 6:46 En toen Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden.

46 And when he had sent them away, he departed into a mountain to pray.

46 En als Hij aan dezelve hun afscheid gegeven had, ging Hij op den berg om te bidden.

MK 6:47 En bij het vallen van de avond was het schip midden op de zee, en Hij was alleen aan land.

47 And when even was come, the ship was in the midst of the sea, and he alone on the land.

47 En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land.

MK 6:48 En toen Hij zag, dat zij zich aftobden om vooruit te komen bij het varen - want zij hadden de wind tegen - kwam Hij omstreeks de vierde nachtwake tot hen, gaande over de zee; en Hij wilde hen voorbijgaan.

48 And he saw them toiling in rowing; for the wind was contrary unto them: and about the fourth watch of the night he cometh unto them, walking upon the sea, and would have passed by them.

48 En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om [het schip] voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omtrent de vierde wake des nachts, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan.

MK 6:49 Toen zij Hem over de zee zagen gaan, meenden zij, dat het een spook was en zij schreeuwden luid.

49 But when they saw him walking upon the sea, they supposed it had been a spirit, and cried out:

49 En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden, dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer;

MK 6:50 Want allen zagen zij Hem en werden verbijsterd. Maar terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd!

50 For they all saw him, and were troubled. And immediately he talked with them, and saith unto them, Be of good cheer: it is I; be not afraid.

50 Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het; vreest niet.

MK 6:51 En Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen. En zij waren innerlijk bovenmate ontsteld,

51 And he went up unto them into the ship; and the wind ceased: and they were sore amazed in themselves beyond measure, and wondered.

51 En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven, en waren verwonderd.

MK 6:52 want zij waren bij de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun hart was verhard.

52 For they considered not [the miracle] of the loaves: for their heart was hardened.

52 Want zij hadden niet gelet op [het wonder] der broden; want hun hart was verhard.

MK 6:53 En overgestoken zijnde naar het land, kwamen zij in Gennesaret, en legden daar aan.

53 And when they had passed over, they came into the land of Gennesaret, and drew to the shore.

53 En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesareth, en havenden aldaar.

MK 6:54 En toen zij van boord gingen, herkenden de mensen Hem terstond,

54 And when they were come out of the ship, straightway they knew him,

54 En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden zij Hem kennende.

MK 6:55 en zij liepen die gehele streek af en begonnen degenen, die ernstig ongesteld waren, op matrassen rond te dragen naar de plaats, waar zij hoorden dat Hij was.

55 And ran through that whole region round about, and began to carry about in beds those that were sick, where they heard he was.

55 [En] het gehele omliggende land doorlopende, begonnen zij op beddekens degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden dat Hij was.

MK 6:56 En waar Hij ook kwam in dorpen of steden of gehuchten, daar legden zij de zieken op de markten en smeekten Hem, dat zij slechts de kwast van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden gezond.

56 And whithersoever he entered, into villages, or cities, or country, they laid the sick in the streets, and besought him that they might touch if it were but the border of his garment: and as many as touched him were made whole.

56 En zo waar Hij kwam, in vlekken, of steden, of dorpen, daar legden zij de kranken op de markten, en baden Hem, dat zij maar den zoom Zijns kleeds aanraken mochten; en zovelen, als er Hem aanraakten, werden gezond.

MK 7:1 En de Farizeeën verzamelden zich bij Hem met sommige van de schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren.

1 Then came together unto him the Pharisees, and certain of the scribes, which came from Jerusalem.

1 En tot Hem vergaderden de Farizeen, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;

MK 7:2 En toen zij zagen, dat sommige van zijn discipelen met onreine, dat is ongewassen, handen hun brood aten -

2 And when they saw some of his disciples eat bread with defiled, that is to say, with unwashen, hands, they found fault.

2 En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij [hen].

MK 7:3 want de Farizeeën en al de Joden eten niet zonder eerst een handwassing verricht te hebben, daarmede vasthoudende aan de overlevering der ouden,

3 For the Pharisees, and all the Jews, except they wash [their] hands oft, eat not, holding the tradition of the elders.

3 Want de Farizeen en al de Joden eten niet, tenzij dat zij [eerst] de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden.

MK 7:4 en van de markt komende eten zij niet dan na zich gereinigd te hebben; en vele andere dingen zijn er, waaraan zij zich volgens overlevering houden, bijvoorbeeld het onderdompelen van bekers en kannen en koperwerk, -

4 And [when they come] from the market, except they wash, they eat not. And many other things there be, which they have received to hold, [as] the washing of cups, and pots, brasen vessels, and of tables.

4 En van de markt [komende], eten zij niet, tenzij dat zij [eerst] gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, [als namelijk] de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.

MK 7:5 toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem: Waarom wandelen uw discipelen niet naar de overlevering der ouden, maar eten zij met onreine handen hun brood?

5 Then the Pharisees and scribes asked him, Why walk not thy disciples according to the tradition of the elders, but eat bread with unwashen hands?

5 Daarna vraagden Hem de Farizeen en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen?

MK 7:6 Maar Hij zeide tot hen: Terecht heeft Jesaja van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.

6 He answered and said unto them, Well hath Esaias prophesied of you hypocrites, as it is written, This people honoureth me with [their] lips, but their heart is far from me.

6 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.

MK 7:7 Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn.

7 Howbeit in vain do they worship me, teaching [for] doctrines the commandments of men.

7 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, [die] geboden [zijn] der mensen;

MK 7:8 Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen.

8 For laying aside the commandment of God, ye hold the tradition of men,

8 Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen,

 

[as] the washing of pots and cups: and many other such like things ye do.

[als namelijk] wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele.

MK 7:9 En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden.

9 And he said unto them, Full well ye reject the commandment of God, that ye may keep your own tradition.

9 En Hij zeide tot hen: Gij doet [zeker] Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.

MK 7:10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven.

10 For Moses said, Honour thy father and thy mother; and, Whoso curseth father or mother, let him die the death:

10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.

MK 7:11 Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is korban, dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken,

11 But ye say, If a man shall say to his father or mother, [It is] Corban, that is to say, a gift, by whatsoever thou mightest be profited by me; [he shall be free].

11 Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: [Het is] korban (dat is [te zeggen,] een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, [die voldoet].

MK 7:12 dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen.

12 And ye suffer him no more to do ought for his father or his mother;

12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;

MK 7:13 En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele.

13 Making the word of God of none effect through your tradition, which ye have delivered: and many such like things do ye.

13 Makende [alzo] Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.

MK 7:14 En toen Hij de schare wederom tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort allen naar Mij en verstaat wèl:

14 And when he had called all the people [unto him], he said unto them, Hearken unto me every one [of you], and understand:

14 En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.

MK 7:15 Niets, dat van buiten de mens in hem komt, kan hem onrein maken, maar hetgeen uit de mens naar buiten komt, dat is het, wat hem onrein maakt.

15 There is nothing from without a man, that entering into him can defile him: but the things which come out of him, those are they that defile the man.

15 Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen.

MK 7:16 [Indien iemand oren heeft om te horen, die hore.]

16 If any man have ears to hear, let him hear.

16 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.

MK 7:17 En toen Hij van de schare thuis kwam, vroegen zijn discipelen Hem naar de gelijkenis.

17 And when he was entered into the house from the people, his disciples asked him concerning the parable.

17 En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.

MK 7:18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij zo onbevattelijk? Begrijpt gij niet, dat al wat van buiten in de mens komt, hem niet onrein kan maken,

18 And he saith unto them, Are ye so without understanding also? Do ye not perceive, that whatsoever thing from without entereth into the man, [it] cannot defile him;

18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?

MK 7:19 omdat het niet in zijn hart komt, maar in de buik, en er te zijner plaatse uitgaat? En zo verklaarde Hij alle spijzen rein.

19 Because it entereth not into his heart, but into the belly, and goeth out into the draught, purging all meats?

19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.

MK 7:20 En Hij zeide: Hetgeen uit de mens naar buiten komt, dat maakt de mens onrein.

20 And he said, That which cometh out of the man, that defileth the man.

20 En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.

MK 7:21 Want van binnenuit, uit het hart der mensen, komen de kwade overleggingen, hoererij,

21 For from within, out of the heart of men, proceed evil thoughts, adulteries, fornications, murders,

21 Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,

MK 7:22 diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, boosheid, list, onmatigheid, een boos oog, godslastering, overmoed, onverstand.

22 Thefts, covetousness, wickedness, deceit, lasciviousness, an evil eye, blasphemy, pride, foolishness:

22 Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.

MK 7:23 Al die slechte dingen komen van binnen uit naar buiten en maken de mens onrein.

23 All these evil things come from within, and defile the man.

23 Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.

MK 7:24 En Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Tyrus. En toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet, dat iemand het wist; maar Hij kon niet verborgen blijven.

24 And from thence he arose, and went into the borders of Tyre and Sidon, and entered into an house, and would have no man know [it]: but he could not be hid.

24 En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon [nochtans] niet verborgen zijn.

MK 7:25 Want terstond hoorde van Hem een vrouw, wier dochtertje een onreine geest had; en zij kwam tot Hem en viel Hem te voet.

25 For a [certain] woman, whose young daughter had an unclean spirit, heard of him, and came and fell at his feet:

25 Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten.

MK 7:26 Deze vrouw was een Griekse, een Syrofenicische van geboorte.

26 The woman was a Greek, a Syrophenician by nation;

26 Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicie;

MK 7:27 En zij vroeg Hem de boze geest uit haar dochter te drijven.

and she besought him that he would cast forth the devil out of her daughter.

en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter.

En Hij zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden want het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.

27 But Jesus said unto her, Let the children first be filled: for it is not meet to take the children's bread, and to cast [it] unto the dogs.

27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens [voor] werpe.

MK 7:28 Doch zij antwoordde en zeide tot Hem: Zeker, Here, de honden eten immers ook onder de tafel van de kruimels der kinderen.

28 And she answered and said unto him, Yes, Lord: yet the dogs under the table eat of the children's crumbs.

28 Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.

MK 7:29 En Hij zeide tot haar: Om dit woord, ga heen, de boze geest is uit uw dochter gevaren.

29 And he said unto her, For this saying go thy way; the devil is gone out of thy daughter.

29 En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.

MK 7:30 En toen zij naar huis gegaan was, vond zij het kind te bed liggen en de boze geest uitgevaren.

30 And when she was come to her house, she found the devil gone out, and her daughter laid upon the bed.

30 En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.

MK 7:31 En toen Hij weder uit het gebied van Tyrus vertrokken was, kwam Hij door Sidon naar de zee van Galilea, midden in het gebied van Dekapolis.

31 And again, departing from the coasts of Tyre and Sidon, he came unto the sea of Galilee, through the midst of the coasts of Decapolis.

31 En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis.

MK 7:32 En zij brachten tot Hem een dove, die moeilijk sprak, en smeekten Hem deze de hand op te leggen.

32 And they bring unto him one that was deaf, and had an impediment in his speech; and they beseech him to put his hand upon him.

32 En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.

MK 7:33 Hij nam hem terzijde, buiten de schare, en stak zijn vingers in zijn oren, spuwde, raakte zijn tong aan,

33 And he took him aside from the multitude, and put his fingers into his ears, and he spit, and touched his tongue;

33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;

MK 7:34 en Hij zag op naar de hemel en zuchtte en zeide tot hem: Effata, dat is: wordt geopend!

34 And looking up to heaven, he sighed, and saith unto him, Ephphatha, that is, Be opened.

34 En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend!

MK 7:35 En zijn oren werden geopend en terstond werd de band zijner tong los en hij sprak goed.

35 And straightway his ears were opened, and the string of his tongue was loosed, and he spake plain.

35 En terstond werden zijn oren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.

MK 7:36 En Hij gebood hun het niemand te zeggen. Maar hoe meer Hij het hun gebood, des te meer maakten zij het ruchtbaar.

36 And he charged them that they should tell no man: but the more he charged them, so much the more a great deal they published [it];

36 En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer.

MK 7:37 En zij waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: Hij heeft alles wèl gemaakt, ook de doven doet Hij horen en de stommen spreken.

37 And were beyond measure astonished, saying, He hath done all things well: he maketh both the deaf to hear, and the dumb to speak.

37 En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken.

MK 8:1 In die dagen, toen er weder een grote schare bijeen was en zij niets te eten hadden, riep Hij zijn discipelen tot Zich en zeide tot hen:

1 In those days the multitude being very great, and having nothing to eat, Jesus called his disciples [unto him], and saith unto them,

1 In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niets hadden wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen:

MK 8:2 Ik heb medelijden met de schare, want zij zijn nu reeds drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten;

2 I have compassion on the multitude, because they have now been with me three days, and have nothing to eat:

2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden.

MK 8:3 en indien Ik hen zonder voedsel naar huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken, en sommigen van hen zijn van ver weg.

3 And if I send them away fasting to their own houses, they will faint by the way: for divers of them came from far.

3 En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre.

MK 8:4 En zijn discipelen antwoordden Hem: Vanwaar zal iemand dezen hier in een eenzame streek met broden kunnen verzadigen?

4 And his disciples answered him, From whence can a man satisfy these [men] with bread here in the wilderness?

4 En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?

MK 8:5 En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven.

5 And he asked them, How many loaves have ye? And they said, Seven.

5 En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven.

MK 8:6 En Hij gaf aan de schare bevel op de grond te gaan zitten. En Hij nam de zeven broden, dankte, brak ze en gaf ze aan zijn discipelen om ze hun voor te zetten, en zij zetten ze voor aan de schare.

6 And he commanded the people to sit down on the ground: and he took the seven loaves, and gave thanks, and brake, and gave to his disciples to set before [them]; and they did set [them] before the people.

6 En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze de schare voor.

MK 8:7 En zij hadden enkele visjes; en nadat Hij daarbij de zegen had uitgesproken, zeide Hij, dat zij ook die moesten voorzetten.

7 And they had a few small fishes: and he blessed, and commanded to set them also before [them].

7 En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen.

MK 8:8 En zij aten en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, zeven korven.

8 So they did eat, and were filled: and they took up of the broken [meat] that was left seven baskets.

8 En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.

MK 8:9 En het waren er ongeveer vierduizend en Hij zond hen weg.

9 And they that had eaten were about four thousand: and he sent them away.

9 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.

MK 8:10 En terstond ging Hij met zijn discipelen in het schip en kwam in het gebied van Dalmanuta.

10 And straightway he entered into a ship with his disciples, and came into the parts of Dalmanutha.

10 En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha.

MK 8:11 En de Farizeeën liepen uit en begonnen met Hem te redetwisten; en zij begeerden van Hem een teken uit de hemel, om Hem te verzoeken.

11 And the Pharisees came forth, and began to question with him, seeking of him a sign from heaven, tempting him.

11 En de Farizeen gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van den hemel, Hem verzoekende.

MK 8:12 En Hij, diep zuchtend in zijn geest, zeide: Waartoe begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Aan dit geslacht zal voorzeker geen teken gegeven worden!

12 And he sighed deeply in his spirit, and saith, Why doth this generation seek after a sign? verily I say unto you, There shall no sign be given unto this generation.

12 En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijn geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!

MK 8:13 En Hij liet hen alleen en Hij ging weder scheep en vertrok naar de overkant.

13 And he left them, and entering into the ship again departed to the other side.

13 En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde.

MK 8:14 En zij hadden vergeten broden mede te nemen, en behalve één brood hadden zij niets bij zich in het schip.

14 Now [the disciples] had forgotten to take bread, neither had they in the ship with them more than one loaf.

14 En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip.

MK 8:15 En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en de zuurdesem van Herodes.

15 And he charged them, saying, Take heed, beware of the leaven of the Pharisees, and [of] the leaven of Herod.

15 En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farizeen, en van den zuurdesem van Herodes.

MK 8:16 En zij spraken erover onder elkander, dat zij geen broden hadden.

16 And they reasoned among themselves, saying, [It is] because we have no bread.

16 En zij overlegden onder elkander, zeggende: [Het is,] omdat wij geen broden hebben.

MK 8:17 En toen Hij dat bemerkte, zeide Hij tot hen: Waarom spreekt gij erover, dat gij geen broden hebt? Verstaat gij nog niet en begrijpt gij niet? Hebt gij een verhard hart?

17 And when Jesus knew [it], he saith unto them, Why reason ye, because ye have no bread? perceive ye not yet, neither understand? have ye your heart yet hardened?

17 En Jezus, [dat] bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart?

MK 8:18 Hebt gij ogen en ziet gij niet; hebt gij oren en hoort gij niet?

18 Having eyes, see ye not? and having ears, hear ye not? and do ye not remember?

18 Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?

MK 8:19 En herinnert gij u niet, toen Ik de vijf broden brak voor de vijfduizend, hoeveel manden vol brokken gij hebt opgeraapt? En zij zeiden tot Hem: Twaalf.

19 When I brake the five loaves among five thousand, how many baskets full of fragments took ye up? They say unto him, Twelve.

19 En gedenkt gij niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeiden Hem: Twaalf.

MK 8:20 En bij de zeven voor de vierduizend, hoeveel korven vol brokken gij hebt opgeraapt? En zij zeiden: Zeven.

20 And when the seven among four thousand, how many baskets full of fragments took ye up? And they said, Seven.

20 En toen Ik de zeven [brak] onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.

MK 8:21 En Hij zeide tot hen: Begrijpt gij nóg niet?

21 And he said unto them, How is it that ye do not understand?

21 En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?

MK 8:22 En zij kwamen te Betsaïda. En zij brachten een blinde tot Hem en smeekten Hem deze aan te raken.

22 And he cometh to Bethsaida; and they bring a blind man unto him, and besought him to touch him.

22 En Hij kwam te Bethsaida; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte.

MK 8:23 En Hij vatte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp, en Hij spuwde in zijn ogen, legde hem de handen op en vroeg hem: Ziet gij iets?

23 And he took the blind man by the hand, and led him out of the town; and when he had spit on his eyes, and put his hands upon him, he asked him if he saw ought.

23 En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag.

MK 8:24 En hij zag op en zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen als bomen wandelen:

24 And he looked up, and said, I see men as trees, walking.

24 En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen.

MK 8:25 Vervolgens legde Hij weder de handen op zijn ogen, en hij zag duidelijk en was hersteld. En hij zag voortaan alles scherp.

25 After that he put [his] hands again upon his eyes, and made him look up: and he was restored, and saw every man clearly.

25 Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.

MK 8:26 En Hij zond hem naar huis en zeide: Ga het dorp zelfs niet in.

26 And he sent him away to his house, saying, Neither go into the town, nor tell [it] to any in the town.

26 En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.

MK 8:27 En Jezus vertrok met zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea Filippi. En onderweg vroeg Hij zijn discipelen en sprak tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?

27 And Jesus went out, and his disciples, into the towns of Caesarea Philippi: and by the way he asked his disciples, saying unto them, Whom do men say that I am?

27 En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?

MK 8:28 Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; weer anderen: Een van de profeten.

28 And they answered, John the Baptist: but some [say], Elias; and others, One of the prophets.

28 En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Een van de profeten.

MK 8:29 En Hij vroeg hun: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Petrus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus.

29 And he saith unto them, But whom say ye that I am? And Peter answereth and saith unto him, Thou art the Christ.

29 En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Gij zijt de Christus.

MK 8:30 En Hij verbood hun nadrukkelijk met iemand hierover te spreken.

30 And he charged them that they should tell no man of him.

30 En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.

MK 8:31 En Hij begon hen te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden, en gedood worden en na drie dagen opstaan.

31 And he began to teach them, that the Son of man must suffer many things, and be rejected of the elders, and [of] the chief priests, and scribes, and be killed, and after three days rise again.

31 En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan.

MK 8:32 Hij sprak dit woord vrijuit. En Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen.

32 And he spake that saying openly. And Peter took him, and began to rebuke him.

32 En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen;

MK 8:33 Doch Hij keerde Zich om en, ziende naar zijn discipelen, bestrafte Hij Petrus en zeide: Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen.

33 But when he had turned about and looked on his disciples, he rebuked Peter, saying, Get thee behind me, Satan: for thou savourest not the things that be of God, but the things that be of men.

33 Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga heen, achter Mijn, satanas, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.

MK 8:34 En Hij riep de schare, met zijn discipelen, tot Zich en zeide tot hen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij.

34 And when he had called the people [unto him] with his disciples also, he said unto them, Whosoever will come after me, let him deny himself, and take up his cross, and follow me.

34 En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zeide Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.

MK 8:35 Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden.

35 For whosoever will save his life shall lose it; but whosoever shall lose his life for my sake and the gospel's, the same shall save it.

35 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en [om] des Evangelies [wil], die zal hetzelve behouden.

MK 8:36 Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?

36 For what shall it profit a man, if he shall gain the whole world, and lose his own soul?

36 Want wat zou het den mens baten zo hij de gehele wereld won, en zijner ziele schade leed?

MK 8:37 Want wat zou een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?

37 Or what shall a man give in exchange for his soul?

37 Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?

MK 8:38 Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, de Zoon des mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen.

38 Whosoever therefore shall be ashamed of me and of my words in this adulterous and sinful generation; of him also shall the Son of man be ashamed, when he cometh in the glory of his Father with the holy angels.

38 Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen.

MK 9:1 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij zien, dat het Koninkrijk Gods gekomen is met kracht.

1 And he said unto them, Verily I say unto you, That there be some of them that stand here, which shall not taste of death, till they have seen the kingdom of God come with power.

1 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is.

MK 9:2 En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes mede en leidde hen een hoge berg op, hen alleen. En zijn gedaante veranderde voor hun ogen,

2 And after six days Jesus taketh [with him] Peter, and James, and John, and leadeth them up into an high mountain apart by themselves: and he was transfigured before them.

2 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hogen berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd.

MK 9:3 en zijn klederen werden schitterend, hel wit, zoals geen voller op aarde ze kan maken.

3 And his raiment became shining, exceeding white as snow; so as no fuller on earth can white them.

3 En Zijn klederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde [zo] wit maken kan.

MK 9:4 En hun verscheen Elia met Mozes en zij waren in gesprek met Jezus.

4 And there appeared unto them Elias with Moses: and they were talking with Jesus.

4 En van hen werd gezien Elias met Mozes, en zij spraken met Jezus.

MK 9:5 En Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, laten wij drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.

5 And Peter answered and said to Jesus, Master, it is good for us to be here: and let us make three tabernacles; one for thee, and one for Moses, and one for Elias.

5 En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elias een.

MK 9:6 Want hij wist niet, wat hij antwoorden moest, want zij waren zeer bevreesd.

6 For he wist not what to say; for they were sore afraid.

6 Want hij wist niet, wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd.

MK 9:7 En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en er klonk een stem uit de wolk: Deze is mijn Zoon, de geliefde, hoort naar Hem.

7 And there was a cloud that overshadowed them: and a voice came out of the cloud, saying, This is my beloved Son: hear him.

7 En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!

MK 9:8 En opeens, rondkijkende, zagen zij niemand meer bij zich dan Jezus alleen.

8 And suddenly, when they had looked round about, they saw no man any more, save Jesus only with themselves.

8 En haastelijk rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich.

MK 9:9 En terwijl zij van de berg afdaalden, verbood Hij hun, dat zij iemand zouden vertellen, hetgeen zij gezien hadden, voordat de Zoon des mensen uit de doden zou zijn opgestaan.

9 And as they came down from the mountain, he charged them that they should tell no man what things they had seen, till the Son of man were risen from the dead.

9 En als zij van den berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn.

MK 9:10 En zij hielden dit woord vast en trachtten onder elkander te weten te komen, wat het was, uit de doden opstaan.

10 And they kept that saying with themselves, questioning one with another what the rising from the dead should mean.

10 En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander, wat het was, uit de doden opstaan.

MK 9:11 En zij vroegen Hem en zeiden: Waarom zeggen de schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen?

11 And they asked him, saying, Why say the scribes that Elias must first come?

11 En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elias eerst komen moet?

MK 9:12 Hij zeide tot hen: Elia komt wel eerst en herstelt alles; maar hoe staat er dan geschreven van de Zoon des mensen, dat Hij veel moet lijden, en dat Hij veracht zal worden?

12 And he answered and told them, Elias verily cometh first, and restoreth all things; and how it is written of the Son of man, that he must suffer many things, and be set at nought.

12 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles wederoprichten; en [het zal geschieden], gelijk geschreven is van den Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.

MK 9:13 Maar Ik zeg u: ook is Elia gekomen, en zij hebben met hem gedaan wat zij wilden, gelijk van hem geschreven staat.

13 But I say unto you, That Elias is indeed come, and they have done unto him whatsoever they listed, as it is written of him.

13 Maar Ik zeg u, dat ook Elias gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is.

MK 9:14 En toen zij bij de discipelen kwamen, zagen zij een grote schare om hen heen, en schriftgeleerden met hen aan het redetwisten.

14 And when he came to [his] disciples, he saw a great multitude about them, and the scribes questioning with them.

14 En als Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote schare rondom hen, en [enige] Schriftgeleerden met hen twistende.

MK 9:15 En terstond, toen de gehele schare Hem zag, waren zij zeer verbaasd, en zij liepen op Hem toe en begroetten Hem.

15 And straightway all the people, when they beheld him, were greatly amazed, and running to [him] saluted him.

15 En terstond de gehele schare Hem ziende, werd verbaasd, en toelopende groetten zij Hem.

MK 9:16 En Hij vroeg hun: Waarom zijt gij met hen aan het redetwisten?

16 And he asked the scribes, What question ye with them?

16 En Hij vraagde den Schriftgeleerden: Wat twist gij met dezen?

MK 9:17 En één uit de schare antwoordde Hem: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stomme geest heeft.

17 And one of the multitude answered and said, Master, I have brought unto thee my son, which hath a dumb spirit;

17 En een uit de schare, antwoordende, zeide: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft.

MK 9:18 En waar hij hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft. En ik heb uw discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitdrijven, en zij hebben het niet gekund.

18 And wheresoever he taketh him, he teareth him: and he foameth, and gnasheth with his teeth, and pineth away: and I spake to thy disciples that they should cast him out; and they could not.

18 En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en verdort; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.

MK 9:19 En Hij antwoordde hun en zeide: O, ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij.

19 He answereth him, and saith, O faithless generation, how long shall I be with you? how long shall I suffer you? bring him unto me.

19 En Hij antwoordden hem, en zeide: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij.

MK 9:20 En zij brachten hem tot Hem. En toen de geest Hem zag, deed hij hem terstond stuiptrekken en, op de grond gevallen, wentelde hij zich, al schuimende.

20 And they brought him unto him: and when he saw him, straightway the spirit tare him; and he fell on the ground, and wallowed foaming.

20 En zij brachten denzelven tot Hem; en als hij Hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende.

MK 9:21 En Hij vroeg zijn vader: Hoelang is het al, dat dit hem overkomt?

21 And he asked his father, How long is it ago since this came unto him?

21 En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is?

MK 9:22 Hij zeide: Van zijn kindsheid af;

And he said, Of a child.

En hij zeide: Van [zijn] kindsheid af.

en dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water gedreven om hem een ongeluk te doen krijgen. Maar als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!

22 And ofttimes it hath cast him into the fire, and into the waters, to destroy him: but if thou canst do any thing, have compassion on us, and help us.

22 En menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons.

MK 9:23 Jezus zeide tot hem: Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft.

23 Jesus said unto him, If thou canst believe, all things [are] possible to him that believeth.

23 En Jezus zeide tot hem: Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft.

MK 9:24 Terstond riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!

24 And straightway the father of the child cried out, and said with tears, Lord, I believe; help thou mine unbelief.

24 En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.

MK 9:25 En toen Jezus zag, dat de schare samenstroomde, bestrafte Hij de onreine geest en zeide tot hem: Gij, stomme en dove geest, Ik beveel u: ga van hem uit en kom niet meer in hem.

25 When Jesus saw that the people came running together, he rebuked the foul spirit, saying unto him, [Thou] dumb and deaf spirit, I charge thee, come out of him, and enter no more into him.

25 En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem.

MK 9:26 En hij ging uit onder geschreeuw en hevige stuiptrekkingen. En hij werd als een dode, zodat men algemeen zeide, dat hij gestorven was.

26 And [the spirit] cried, and rent him sore, and came out of him: and he was as one dead; insomuch that many said, He is dead.

26 En hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en [het kind] werd als dood, alzo dat velen zeiden, dat het gestorven was.

MK 9:27 Doch Jezus vatte zijn hand, richtte hem op, en hij stond op.

27 But Jesus took him by the hand, and lifted him up; and he arose.

27 En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op.

MK 9:28 En toen Hij een huis was binnengegaan, vroegen zijn discipelen Hem, terwijl zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?

28 And when he was come into the house, his disciples asked him privately, Why could not we cast him out?

28 En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?

MK 9:29 En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan door niets uitvaren, tenzij door gebed.

29 And he said unto them, This kind can come forth by nothing, but by prayer and fasting.

29 En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten.

MK 9:30 En zij gingen vandaar weg en reisden door Galilea. En Hij wilde niet, dat iemand het te weten kwam.

30 And they departed thence, and passed through Galilee; and he would not that any man should know [it].

30 En van daar weggaande, reisden zij door Galilea; en Hij wilde niet, dat het iemand wist.

MK 9:31 Want Hij onderwees zijn discipelen en zeide tot hen: De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der mensen en zij zullen Hem ter dood brengen en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan.

31 For he taught his disciples, and said unto them, The Son of man is delivered into the hands of men, and they shall kill him; and after that he is killed, he shall rise the third day.

31 Want Hij leerde Zijn discipelen, en zeide tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij ten derden dage wederopstaan.

MK 9:32 Doch zij begrepen dit woord niet en durfden Hem er niet naar te vragen.

32 But they understood not that saying, and were afraid to ask him.

32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen.

MK 9:33 En zij kwamen te Kafarnaüm. En toen Hij thuis gekomen was, vroeg Hij hun: Waarover waart gij onderweg in gesprek?

33 And he came to Capernaum: and being in the house he asked them, What was it that ye disputed among yourselves by the way?

33 En Hij kwam te Kapernaum, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg?

MK 9:34 En zij zwegen, want zij hadden onderweg met elkander erover gesproken, wie de meeste was.

34 But they held their peace: for by the way they had disputed among themselves, who [should be] the greatest.

34 Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste [zou zijn].

MK 9:35 En Hij ging zitten, riep de twaalven en zeide tot hen: Indien iemand de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar.

35 And he sat down, and called the twelve, and saith unto them, If any man desire to be first, [the same] shall be last of all, and servant of all.

35 En nedergezeten zijnde, riep Hij de twaalven, en zeide tot hen: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar.

MK 9:36 En Hij nam een kind en plaatste dat in hun midden, omarmde het en zeide tot hen:

36 And he took a child, and set him in the midst of them: and when he had taken him in his arms, he said unto them,

36 En nemende een kindeken, stelde Hij dat midden onder hen, en omving het met Zijn armen, en zeide tot hen:

MK 9:37 Wie één van zodanige kinderen ontvangt in mijn naam, die ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem, die Mij gezonden heeft.

37 Whosoever shall receive one of such children in my name, receiveth me: and whosoever shall receive me, receiveth not me, but him that sent me.

37 Zo wie een van zodanige kinderkens zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Dien, Die Mij gezonden heeft.

MK 9:38 Johannes zeide tot Hem: Meester, wij hebben iemand, die ons niet volgt, in uw naam boze geesten zien uitdrijven, en wij wilden het hem beletten, omdat hij ons niet volgde.

38 And John answered him, saying, Master, we saw one casting out devils in thy name, and he followeth not us: and we forbad him, because he followeth not us.

38 En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de duivelen uitwierp in Uw Naam, welke ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.

MK 9:39 Doch Jezus zeide: Belet het hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in mijn naam en kort daarna smadelijk van Mij zal kunnen spreken.

39 But Jesus said, Forbid him not: for there is no man which shall do a miracle in my name, that can lightly speak evil of me.

39 Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastelijk van Mij zal kunnen kwalijk spreken.

MK 9:40 Want wie niet tégen ons is, is vóór ons.

40 For he that is not against us is on our part.

40 Want wie tegen ons niet is, die is voor ons.

MK 9:41 Want wie u een beker water te drinken geeft, in de naam van Christus, omdat gij (discipelen) van Hem zijt, voorwaar, Ik zeg u, dat hem zijn loon voorzeker niet zal ontgaan.

41 For whosoever shall give you a cup of water to drink in my name, because ye belong to Christ, verily I say unto you, he shall not lose his reward.

41 Want zo wie ulieden een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat gij [discipelen] van Christus zijt, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.

MK 9:42 En wie één van deze kleinen, die geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in de zee was geworpen.

42 And whosoever shall offend one of [these] little ones that believe in me, it is better for him that a millstone were hanged about his neck, and he were cast into the sea.

42 En zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware.

MK 9:43 En indien uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af. Het is beter, dat gij verminkt ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee handen ter helle vaart, in het onuitblusbare vuur,

43 And if thy hand offend thee, cut it off: it is better for thee to enter into life maimed, than having two hands to go into hell, into the fire that never shall be quenched:

43 En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;

MK 9:44 [waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.]

44 Where their worm dieth not, and the fire is not quenched.

44 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.

MK 9:45 En indien uw voet u tot zonde zou verleiden, houw hem af.

Het is beter, dat gij kreupel ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee voeten in de hel geworpen wordt,

45 And if thy foot offend thee, cut it off: it is better for thee to enter halt into life, than having two feet to be cast into hell, into the fire that never shall be quenched:

45 En indien uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur;

MK 9:46 [waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust].

46 Where their worm dieth not, and the fire is not quenched.

46 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.

MK 9:47 En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt,

47 And if thine eye offend thee, pluck it out: it is better for thee to enter into the kingdom of God with one eye, than having two eyes to be cast into hell fire:

47 En indien uw oog u ergert, werpt het uit; het is u beter maar een oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden;

MK 9:48 waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.

48 Where their worm dieth not, and the fire is not quenched.

48 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.

MK 9:49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden.

49 For every one shall be salted with fire,

49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden,

 

and every sacrifice shall be salted with salt.

en iedere offerande zal met zout gezouten worden.

MK 9:50 Het zout is goed; indien het zout echter zoutloos wordt, waarmede zult gij het smaak geven? Hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkander.

50 Salt [is] good: but if the salt have lost his saltness, wherewith will ye season it? Have salt in yourselves, and have peace one with another.

50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.

MK 10:1 En Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Judea en het Overjordaanse, en weder kwamen de scharen bij Hem samen en weder leerde Hij hen, zoals Hij gewoon was.

1 And he arose from thence, and cometh into the coasts of Judaea by the farther side of Jordan: and the people resort unto him again; and, as he was wont, he taught them again.

1 En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom.

MK 10:2 En er kwamen Farizeeën tot Hem en vroegen Hem, om Hem te verzoeken: Is het een man geoorloofd zijn vrouw weg te zenden?

2 And the Pharisees came to him, and asked him, Is it lawful for a man to put away [his] wife? tempting him.

2 En de Farizeen, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, [zijn] vrouw te verlaten, Hem verzoekende.

MK 10:3 Hij antwoordde en zeide tot hen: Wat heeft Mozes u geboden?

3 And he answered and said unto them, What did Moses command you?

3 Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden?

MK 10:4 Zij zeiden: Mozes heeft toegestaan een scheidbrief te schrijven en haar (daarmede) weg te zenden.

4 And they said, Moses suffered to write a bill of divorcement, and to put [her] away.

4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en [haar] te verlaten.

MK 10:5 Jezus zeide tot hen: Met het oog op de hardheid uwer harten heeft hij u dat gebod geschreven.

5 And Jesus answered and said unto them, For the hardness of your heart he wrote you this precept.

5 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven.

MK 10:6 Maar van het begin der schepping heeft Hij hen als man en vrouw gemaakt;

6 But from the beginning of the creation God made them male and female.

6 Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.

MK 10:7 daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten, en die twee zullen tot één vlees zijn.

7 For this cause shall a man leave his father and mother, and cleave to his wife;

7 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;

MK 10:8 Zo zijn zij niet meer twee, maar één vlees.

8 And they twain shall be one flesh: so then they are no more twain, but one flesh.

8 En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees.

MK 10:9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.

9 What therefore God hath joined together, let not man put asunder.

9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.

MK 10:10 En thuis vroegen de discipelen Hem weder naar die zaak.

10 And in the house his disciples asked him again of the same [matter].

10 En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van hetzelve.

MK 10:11 En Hij zeide tot hen: Wie zijn vrouw wegzendt en een andere trouwt, pleegt echtbreuk ten opzichte van haar;

11 And he saith unto them, Whosoever shall put away his wife, and marry another, committeth adultery against her.

11 En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.

MK 10:12 en indien zij haar man verlaat en een ander trouwt, pleegt zij echtbreuk.

12 And if a woman shall put away her husband, and be married to another, she committeth adultery.

12 En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel.

MK 10:13 En zij brachten de kinderen tot Hem, opdat Hij ze zou aanraken; doch de discipelen bestraften hen.

13 And they brought young children to him, that he should touch them: and [his] disciples rebuked those that brought [them].

13 En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.

MK 10:14 Toen Jezus dat zag, nam Hij het zeer kwalijk en zeide tot hen: Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet; want voor zodanigen is het Koninkrijk Gods.

14 But when Jesus saw [it], he was much displeased, and said unto them, Suffer the little children to come unto me, and forbid them not: for of such is the kingdom of God.

14 Maar Jezus, [dat] ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.

MK 10:15 Voorwaar, Ik zeg u: Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan.

15 Verily I say unto you, Whosoever shall not receive the kingdom of God as a little child, he shall not enter therein.

15 Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.

MK 10:16 En Hij omarmde ze en hun de handen opleggende, zegende Hij ze.

16 And he took them up in his arms, put [his] hands upon them, and blessed them.

16 En Hij omving ze met Zijn armen, [en] de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.

MK 10:17 En toen Hij op weg ging, liep iemand op Hem toe, viel op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

17 And when he was gone forth into the way, there came one running, and kneeled to him, and asked him, Good Master, what shall I do that I may inherit eternal life?

17 En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieen vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve?

MK 10:18 En Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.

18 And Jesus said unto him, Why callest thou me good? [there is] none good but one, [that is], God.

18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, [namelijk] God.

MK 10:19 Gij kent de geboden: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, gij zult niet ontvreemden, eer uw vader en moeder.

19 Thou knowest the commandments, Do not commit adultery, Do not kill, Do not steal, Do not bear false witness, Defraud not, Honour thy father and mother.

19 Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder.

MK 10:20 Hij zeide tot Hem: Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af.

20 And he answered and said unto him, Master, all these have I observed from my youth.

20 Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.

MK 10:21 En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zeide tot hem: Eén ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben, en kom hier, volg Mij.

21 Then Jesus beholding him loved him, and said unto him, One thing thou lackest: go thy way, sell whatsoever thou hast, and give to the poor, and thou shalt have treasure in heaven: and come, take up the cross, and follow me.

21 En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij.

MK 10:22 Maar zijn gelaat betrok bij dat woord en hij ging bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.

22 And he was sad at that saying, and went away grieved: for he had great possessions.

22 Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.

MK 10:23 En Jezus, rondziende, zeide tot zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen zij, die geld hebben, het Koninkrijk Gods binnengaan.

23 And Jesus looked round about, and saith unto his disciples, How hardly shall they that have riches enter into the kingdom of God!

23 En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen!

MK 10:24 En zijn discipelen waren zeer verbaasd over zijn woorden, maar Jezus antwoordde weder en zeide tot hen: Kinderen, hoe moeilijk is het het Koninkrijk Gods binnen te gaan.

24 And the disciples were astonished at his words. But Jesus answereth again, and saith unto them, Children, how hard is it for them that trust in riches to enter into the kingdom of God!

24 En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!

MK 10:25 Het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog ener naald, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.

25 It is easier for a camel to go through the eye of a needle, than for a rich man to enter into the kingdom of God.

25 Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.

MK 10:26 En zij waren nog meer verslagen en zeiden tot elkander: Maar wie kan dan behouden worden?

26 And they were astonished out of measure, saying among themselves, Who then can be saved?

26 En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?

MK 10:27 Jezus zag hen aan en zeide: Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.

27 And Jesus looking upon them saith, With men [it is] impossible, but not with God: for with God all things are possible.

27 Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.

MK 10:28 Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd.

28 Then Peter began to say unto him, Lo, we have left all, and have followed thee.

28 En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.

MK 10:29 Jezus zeide: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het evangelie,

29 And Jesus answered and said, Verily I say unto you, There is no man that hath left house, or brethren, or sisters, or father, or mother, or wife, or children, or lands, for my sake, and the gospel's,

29 En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies [wil],

MK 10:30 of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.

30 But he shall receive an hundredfold now in this time, houses, and brethren, and sisters, and mothers, and children, and lands, with persecutions; and in the world to come eternal life.

30 Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.

MK 10:31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten.

31 But many [that are] first shall be last; and the last first.

31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en [velen], die de laatsten [zijn], de eersten.

MK 10:32 Zij waren onderweg, opgaande naar Jeruzalem, en Jezus ging vóór hen uit, en zij waren verbaasd en zij, die volgden, waren bevreesd. En wederom nam Hij de twaalven terzijde en begon tot hen te spreken over hetgeen over Hem zou komen:

32 And they were in the way going up to Jerusalem; and Jesus went before them: and they were amazed; and as they followed, they were afraid. And he took again the twelve, and began to tell them what things should happen unto him,

32 En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;

MK 10:33 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden en zij zullen Hem ter dood veroordelen. En zij zullen Hem overleveren aan de heidenen,

33 [Saying], Behold, we go up to Jerusalem; and the Son of man shall be delivered unto the chief priests, and unto the scribes; and they shall condemn him to death, and shall deliver him to the Gentiles:

33 [Zeggende:] Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren;

MK 10:34 en zij zullen Hem bespotten en Hem bespuwen en Hem geselen en doden, en na drie dagen zal Hij opstaan.

34 And they shall mock him, and shall scourge him, and shall spit upon him, and shall kill him: and the third day he shall rise again.

34 En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.

MK 10:35 En Jakobus en Johannes, de [twee] zonen van Zebedeüs, kwamen tot Hem en zeiden tot Hem: Meester, wij wilden wel dat Gij ons deedt, wat wij U zullen vragen.

35 And James and John, the sons of Zebedee, come unto him, saying, Master, we would that thou shouldest do for us whatsoever we shall desire.

35 En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zeggende: Meester! wij wilden [wel], dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen.

MK 10:36 Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?

36 And he said unto them, What would ye that I should do for you?

36 En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe?

MK 10:37 Zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij de één aan uw rechterzijde en de andere aan uw linkerzijde mogen zitten in uw heerlijkheid.

37 They said unto him, Grant unto us that we may sit, one on thy right hand, and the other on thy left hand, in thy glory.

37 En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter [hand], en de ander aan Uw linker [hand] in Uw heerlijkheid.

MK 10:38 Doch Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij vraagt. Kunt gij de beker drinken, die Ik drink, of met de doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt word?

38 But Jesus said unto them, Ye know not what ye ask: can ye drink of the cup that I drink of? and be baptized with the baptism that I am baptized with?

38 Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word?

MK 10:39 Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het. Jezus zeide tot hen: De beker, die Ik drink, zult gij drinken en met de doop, waarmede Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden,

39 And they said unto him, We can. And Jesus said unto them, Ye shall indeed drink of the cup that I drink of; and with the baptism that I am baptized withal shall ye be baptized:

39 En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word;

MK 10:40 maar het zitten aan mijn rechterzijde of linkerzijde, staat niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, voor wie het bereid is.

40 But to sit on my right hand and on my left hand is not mine to give; but [it shall be given to them] for whom it is prepared.

40 Maar het zitten tot Mijn rechter [hand] en tot Mijn linker [hand] staat bij Mij niet te geven; maar [het zal gegeven worden] dien het bereid is.

MK 10:41 En toen de tien dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes kwalijk te nemen.

41 And when the ten heard [it], they began to be much displeased with James and John.

41 En als de [andere] tien [dit] hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.

MK 10:42 En Jezus riep hen tot Zich en zeide tot hen: Gij weet, dat zij, die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren, en hun rijksgroten oefenen macht over hen.

42 But Jesus called them [to him], and saith unto them, Ye know that they which are accounted to rule over the Gentiles exercise lordship over them; and their great ones exercise authority upon them.

42 Maar Jezus, het tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen, en hun groten gebruiken macht over hen.

MK 10:43 Zó is het echter onder u niet.

43 But so shall it not be among you:

43 Doch alzo zal het onder u niet zijn;

MK 10:44 Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn;

but whosoever will be great among you, shall be your minister:

maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn.

en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn.

44 And whosoever of you will be the chiefest, shall be servant of all.

44 En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.

MK 10:45 Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.

45 For even the Son of man came not to be ministered unto, but to minister, and to give his life a ransom for many.

45 Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven [tot] een rantsoen voor velen.

MK 10:46 En zij kwamen te Jericho. En toen Hij met zijn discipelen en een talrijke schare uit Jericho vertrok, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, een blinde bedelaar, aan de weg.

46 And they came to Jericho: and as he went out of Jericho with his disciples and a great number of people, blind Bartimaeus, the son of Timaeus, sat by the highway side begging.

46 En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende.

MK 10:47 En toen hij hoorde, dat het Jezus van Nazaret was, begon hij te roepen en te zeggen: Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!

47 And when he heard that it was Jesus of Nazareth, he began to cry out, and say, Jesus, [thou] Son of David, have mercy on me.

47 En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.

MK 10:48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou. Doch hij riep des te meer: Zoon van David, heb medelijden met mij!

48 And many charged him that he should hold his peace: but he cried the more a great deal, [Thou] Son of David, have mercy on me.

48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner.

MK 10:49 En Jezus stond stil en zeide: Roept hem. En zij riepen de blinde en zeiden tot hem: Houd moed, sta op, Hij roept u.

49 And Jesus stood still, and commanded him to be called. And they call the blind man, saying unto him, Be of good comfort, rise; he calleth thee.

49 En Jezus, [stil] staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u.

MK 10:50 Toen wierp hij zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus.

50 And he, casting away his garment, rose, and came to Jesus.

50 En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.

MK 10:51 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? De blinde zeide tot Hem: Rabboeni, dat ik ziende worde!

51 And Jesus answered and said unto him, What wilt thou that I should do unto thee? The blind man said unto him, Lord, that I might receive my sight.

51 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden.

MK 10:52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende en volgde Hem op de weg.

52 And Jesus said unto him, Go thy way; thy faith hath made thee whole. And immediately he received his sight, and followed Jesus in the way.

52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.

MK 11:1 En toen zij dicht bij Jeruzalem kwamen, bij Betfage en Betanië aan de Olijfberg, zond Hij twee van zijn discipelen uit,

1 And when they came nigh to Jerusalem, unto Bethphage and Bethany, at the mount of Olives, he sendeth forth two of his disciples,

1 En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanie, aan den Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,

MK 11:2 en zeide tot hen: Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt, en terstond, als gij er binnenkomt, zult gij een veulen vastgebonden vinden, waarop nog nooit een mens heeft gezeten; maakt het los en brengt het hier.

2 And saith unto them, Go your way into the village over against you: and as soon as ye be entered into it, ye shall find a colt tied, whereon never man sat; loose him, and bring [him].

2 En zeide tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het.

MK 11:3 En indien iemand tot u zegt: Wat doet gij daar? zegt dan: De Here heeft het nodig en terstond zendt Hij het weder hierheen.

3 And if any man say unto you, Why do ye this? say ye that the Lord hath need of him; and straightway he will send him hither.

3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? Zo zegt, dat de Heere hetzelve van node heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden.

MK 11:4 En zij gingen heen en vonden een veulen vastgebonden bij de deur buiten aan de weg, en zij maakten het los.

4 And they went their way, and found the colt tied by the door without in a place where two ways met; and they loose him.

4 En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve.

MK 11:5 En sommigen van degenen, die daar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij daar, dat gij dat veulen losmaakt?

5 And certain of them that stood there said unto them, What do ye, loosing the colt?

5 En sommigen van degenen, die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt?

MK 11:6 Zij spraken tot hen, zoals Jezus gezegd had, en zij lieten hen begaan.

6 And they said unto them even as Jesus had commanded: and they let them go.

6 Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten hen gaan.

MK 11:7 En zij brachten het veulen tot Jezus en legden hun klederen daarop en Hij ging erop zitten.

7 And they brought the colt to Jesus, and cast their garments on him; and he sat upon him.

7 En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun klederen daarop; en Hij zat op hetzelve.

MK 11:8 En velen spreidden hun klederen op de weg en anderen groen, dat zij van het veld plukten.

8 And many spread their garments in the way: and others cut down branches off the trees, and strawed [them] in the way.

8 En velen spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op den weg.

MK 11:9 En die voorgingen en die volgden riepen:

9 And they that went before, and they that followed, cried, saying,

9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende:

MK 11:10 Hosanna! Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren;

Hosanna; Blessed [is] he that cometh in the name of the Lord:

Hosanna, gezegend [is] Hij, Die komt in den Naam des Heeren!

gezegend het komende rijk van onze vader David; Hosanna in de hoogste hemelen!

10 Blessed [be] the kingdom of our father David, that cometh in the name of the Lord: Hosanna in the highest.

10 Gezegend [zij] het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste [hemelen]!

MK 11:11 En Hij kwam te Jeruzalem in de tempel. En nadat Hij rondom alles overzien had, vertrok Hij, toen het reeds laat op de dag was, naar Betanië, met de twaalven.

11 And Jesus entered into Jerusalem, and into the temple: and when he had looked round about upon all things, and now the eventide was come, he went out unto Bethany with the twelve.

11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging Hij uit naar Bethanie met de twaalven.

MK 11:12 En de volgende dag, toen zij van Betanië kwamen, werd Hij hongerig.

12 And on the morrow, when they were come from Bethany, he was hungry:

12 En des anderen daags, als zij uit Bethanie gingen, hongerde Hem.

MK 11:13 En toen Hij van verre een vijgeboom zag, die bladeren had, ging Hij daarheen om te zien of Hij er ook iets aan vinden zou. En erbij gekomen, vond Hij er niets aan dan bladeren; want het was de tijd niet voor vijgen.

13 And seeing a fig tree afar off having leaves, he came, if haply he might find any thing thereon: and when he came to it, he found nothing but leaves; for the time of figs was not [yet].

13 En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij [om te zien], of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niets dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.

MK 11:14 En Hij antwoordde en zeide tot hem: Nooit ete meer iemand vrucht van u in eeuwigheid! En zijn discipelen hoorden het.

14 And Jesus answered and said unto it, No man eat fruit of thee hereafter for ever. And his disciples heard [it].

14 En Jezus, antwoordende, zeide tot denzelven: Niemand ete [enige] vrucht meer van u in der eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.

MK 11:15 En zij kwamen te Jeruzalem. En Hij ging de tempel binnen en begon hen, die in de tempel verkochten en kochten, uit te drijven en de tafels der wisselaars en de stoelen van hen, die de duiven verkochten, keerde Hij om,

15 And they come to Jerusalem: and Jesus went into the temple, and began to cast out them that sold and bought in the temple, and overthrew the tables of the moneychangers, and the seats of them that sold doves;

15 En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;

MK 11:16 en Hij liet niet toe, dat iemand enig voorwerp door de tempel droeg;

16 And would not suffer that any man should carry [any] vessel through the temple.

16 En liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg.

MK 11:17 en Hij leerde en sprak tot hen: Staat er niet geschreven, dat mijn huis een bedehuis zal heten voor alle volken?

17 And he taught, saying unto them, Is it not written, My house shall be called of all nations the house of prayer?

17 En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken?

MK 11:18 Maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt.

but ye have made it a den of thieves.

Maar gij hebt dat [tot] een kuil der moordenaren gemaakt.

En de overpriesters en de schriftgeleerden hoorden het en zochten, hoe zij Hem zouden kunnen ombrengen, want zij waren bevreesd voor Hem, omdat de gehele schare versteld stond over zijn leer.

18 And the scribes and chief priests heard [it], and sought how they might destroy him: for they feared him, because all the people was astonished at his doctrine.

18 En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden [dat], en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.

MK 11:19 En toen het laat werd, gingen zij de stad uit, naar buiten.

19 And when even was come, he went out of the city.

19 En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad.

MK 11:20 En toen zij des morgens vroeg langs de vijgeboom kwamen, zagen zij, dat hij van de wortel af verdord was.

20 And in the morning, as they passed by, they saw the fig tree dried up from the roots.

20 En des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortelen af.

MK 11:21 En Petrus herinnerde het zich en zeide tot Hem: Rabbi, zie de vijgeboom, die Gij vervloekt hebt, is verdord.

21 And Peter calling to remembrance saith unto him, Master, behold, the fig tree which thou cursedst is withered away.

21 En Petrus, [zulks] indachtig geworden zijnde, zeide tot Hem: Rabbi, zie, de vijgeboom, dien Gij vervloekt hebt, is verdord.

MK 11:22 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hebt geloof in God.

22 And Jesus answering saith unto them, Have faith in God.

22 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Hebt geloof op God.

MK 11:23 Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden.

23 For verily I say unto you, That whosoever shall say unto this mountain, Be thou removed, and be thou cast into the sea; and shall not doubt in his heart, but shall believe that those things which he saith shall come to pass; he shall have whatsoever he saith.

23 Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.

MK 11:24 Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden.

24 Therefore I say unto you, What things soever ye desire, when ye pray, believe that ye receive [them], and ye shall have [them].

24 Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.

MK 11:25 En wanneer gij staat te bidden, vergeeft wat gij tegen iemand mocht hebben, opdat ook uw Vader in de hemelen uw overtredingen vergeve.

25 And when ye stand praying, forgive, if ye have ought against any: that your Father also which is in heaven may forgive you your trespasses.

25 En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve.

MK 11:26 [Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven.]

26 But if ye do not forgive, neither will your Father which is in heaven forgive your trespasses.

26 Maar indien gij niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven.

MK 11:27 En zij kwamen weder te Jeruzalem. En terwijl Hij in de tempel wandelde, kwamen de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten tot Hem,

27 And they come again to Jerusalem: and as he was walking in the temple, there come to him the chief priests, and the scribes, and the elders,

27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als Hij in den tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.

MK 11:28 en zeiden tot Hem: Krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen? Of wie heeft U de bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?

28 And say unto him, By what authority doest thou these things? and who gave thee this authority to do these things?

28 En zeiden tot Hem: Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat Gij deze dingen doen zoudt?

MK 11:29 Jezus zeide tot hen: Ik zal u één vraag stellen; geeft Mij daarop antwoord, dan zal Ik u zeggen, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

29 And Jesus answered and said unto them, I will also ask of you one question, and answer me, and I will tell you by what authority I do these things.

29 Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe:

MK 11:30 De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen? Antwoordt Mij daarop.

30 The baptism of John, was [it] from heaven, or of men? answer me.

30 De doop van Johannes, was die uit den hemel, of uit de mensen? Antwoordt Mij.

MK 11:31 En zij overlegden onder elkander en zeiden: Indien wij zeggen: Uit de hemel, zal Hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?

31 And they reasoned with themselves, saying, If we shall say, From heaven; he will say, Why then did ye not believe him?

31 En zij overlegden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?

MK 11:32 Zeggen wij echter: Uit de mensen... Zij waren namelijk bevreesd voor de schare, want allen hielden Johannes inderdaad voor een profeet.

32 But if we shall say, Of men; they feared the people: for all [men] counted John, that he was a prophet indeed.

32 Maar indien wij zeggen: Uit de mensen; zo vrezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een profeet was.

MK 11:33 En zij antwoordden en zeiden tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus zeide tot hen: Dan zeg Ik u ook niet, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

33 And they answered and said unto Jesus, We cannot tell. And Jesus answering saith unto them, Neither do I tell you by what authority I do these things.

33 En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.

MK 12:1 En Hij begon tot hen in gelijkenissen te spreken. Een mens plantte een wijngaard en zette er een heg omheen en groef een wijnpersbak en bouwde een toren en hij verhuurde die aan pachters, en ging buitenslands.

1 And he began to speak unto them by parables. A [certain] man planted a vineyard, and set an hedge about [it], and digged [a place for] the winefat, and built a tower, and let it out to husbandmen, and went into a far country.

1 En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.

MK 12:2 En hij zond op zijn tijd een slaaf naar de pachters om van hen (zijn deel) der vruchten van de wijngaard in ontvangst te nemen.

2 And at the season he sent to the husbandmen a servant, that he might receive from the husbandmen of the fruit of the vineyard.

2 En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.

MK 12:3 En zij grepen hem, sloegen hem en zonden hem met lege handen weg.

3 And they caught [him], and beat him, and sent [him] away empty.

3 Maar zij namen en sloegen hem, en zonden [hem] ledig heen.

MK 12:4 En weder zond hij tot hen een andere slaaf en die sloegen zij op het hoofd en behandelden zij smadelijk.

4 And again he sent unto them another servant; and at him they cast stones, and wounded [him] in the head, and sent [him] away shamefully handled.

4 En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden [hem] henen, schandelijk behandeld zijnde.

MK 12:5 En hij zond een andere en die doodden zij, en nog vele anderen, die zij òf sloegen òf doodden.

5 And again he sent another; and him they killed, and many others; beating some, and killing some.

5 En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, [waarvan] zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.

MK 12:6 Toen had hij nog één over, zijn geliefde zoon. En ten laatste zond hij deze tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien.

6 Having yet therefore one son, his wellbeloved, he sent him also last unto them, saying, They will reverence my son.

6 Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.

MK 12:7 Maar die pachters zeiden tot elkander: Dit is de erfgenaam; komt, laten wij hem doden en de erfenis zal aan ons komen.

7 But those husbandmen said among themselves, This is the heir; come, let us kill him, and the inheritance shall be ours.

7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.

MK 12:8 En zij grepen en doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard.

8 And they took him, and killed [him], and cast [him] out of the vineyard.

8 En zij namen en doodden hem, en wierpen [hem] uit, buiten den wijngaard.

MK 12:9 Wat zal de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen en de pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.

9 What shall therefore the lord of the vineyard do? he will come and destroy the husbandmen, and will give the vineyard unto others.

9 Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.

MK 12:10 Hebt gij ook dit schriftwoord niet gelezen: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden;

10 And have ye not read this scripture; The stone which the builders rejected is become the head of the corner:

10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;

MK 12:11 van de Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.

11 This was the Lord's doing, and it is marvellous in our eyes?

11 Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.

MK 12:12 En zij trachtten Hem te grijpen, maar zij vreesden de schare; want zij begrepen, dat Hij met het oog op hen die gelijkenis gesproken had. En zij lieten Hem verder ongemoeid en gingen weg.

12 And they sought to lay hold on him, but feared the people: for they knew that he had spoken the parable against them: and they left him, and went their way.

12 En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.

MK 12:13 En zij zonden tot Hem enige van de Farizeeën en van de Herodianen om Hem in een strikvraag te vangen.

13 And they send unto him certain of the Pharisees and of the Herodians, to catch him in [his] words.

13 En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in [Zijn] rede vangen zouden.

MK 12:14 En zij kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en dat Gij U aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar Gij leert de weg Gods in waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Zullen wij betalen of niet betalen?

14 And when they were come, they say unto him, Master, we know that thou art true, and carest for no man: for thou regardest not the person of men, but teachest the way of God in truth: Is it lawful to give tribute to Caesar, or not?

14 Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?

MK 12:15 Maar Hij, wetende, dat zij huichelden, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een schelling, en laat Ik die zien.

15 Shall we give, or shall we not give?

But he, knowing their hypocrisy, said unto them, Why tempt ye me? bring me a penny, that I may see [it].

15 En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik [hem] zie.

MK 12:16 En zij brachten er een. En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit? Zij zeiden tot Hem: Van de keizer.

16 And they brought [it]. And he saith unto them, Whose [is] this image and superscription? And they said unto him, Caesar's.

16 En zij brachten [een]. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers.

MK 12:17 Jezus zeide tot hen: Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. En zij verwonderden zich zeer over Hem.

17 And Jesus answering said unto them, Render to Caesar the things that are Caesar's, and to God the things that are God's. And they marvelled at him.

17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.

MK 12:18 En er kwamen Sadduceeën tot Hem, die beweren, dat er geen opstanding is, en zij ondervroegen Hem en zeiden:

18 Then come unto him the Sadducees, which say there is no resurrection; and they asked him, saying,

18 En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:

MK 12:19 Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven, indien iemands broeder sterft en een vrouw nalaat, doch geen kind achterlaat, dat dan zijn broeder de vrouw moet nemen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken.

19 Master, Moses wrote unto us, If a man's brother die, and leave [his] wife [behind him], and leave no children, that his brother should take his wife, and raise up seed unto his brother.

19 Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.

MK 12:20 Nu waren er zeven broeders. En de eerste nam een vrouw en liet bij zijn sterven geen nakomelingschap achter.

20 Now there were seven brethren: and the first took a wife, and dying left no seed.

20 Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.

MK 12:21 En de tweede nam haar en stierf zonder nakomelingschap na te laten. En de derde evenzo.

21 And the second took her, and died, neither left he any seed: and the third likewise.

21 De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks.

MK 12:22 En geen van die zeven liet nakomelingschap achter. Het laatst van allen stierf ook de vrouw.

22 And the seven had her, and left no seed: last of all the woman died also.

22 En [al] de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.

MK 12:23 In de opstanding, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad.

23 In the resurrection therefore, when they shall rise, whose wife shall she be of them? for the seven had her to wife.

23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.

MK 12:24 Jezus sprak tot hen: Dwaalt gij niet daarom, dat gij de Schriften niet kent noch de kracht Gods?

24 And Jesus answering said unto them, Do ye not therefore err, because ye know not the scriptures, neither the power of God?

24 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?

MK 12:25 Want wanneer zij uit de doden opstaan, huwen zij niet, en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemelen.

25 For when they shall rise from the dead, they neither marry, nor are given in marriage; but are as the angels which are in heaven.

25 Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen [zijn].

MK 12:26 Wat nu de doden betreft, dat zij opgewekt worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, bij de braamstruik, hoe God tot hem sprak, zeggende: Ik ben de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob?

26 And as touching the dead, that they rise: have ye not read in the book of Moses, how in the bush God spake unto him, saying, I [am] the God of Abraham, and the God of Isaac, and the God of Jacob?

26 Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?

MK 12:27 Hij is niet een God van doden, maar van levenden. Gij dwaalt wel zeer.

27 He is not the God of the dead, but the God of the living: ye therefore do greatly err.

27 God is niet een [God] der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.

MK 12:28 En een der schriftgeleerden, tot Hem komende, hoorde, dat zij met elkander redetwistten, en overtuigd, dat Hij hun goed geantwoord had, vroeg hij Hem: Welk gebod is het eerste van alle?

28 And one of the scribes came, and having heard them reasoning together, and perceiving that he had answered them well, asked him, Which is the first commandment of all?

28 En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, [en] wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen?

MK 12:29 Jezus antwoordde:

29 And Jesus answered him,

29 En Jezus antwoordde hem:

MK 12:30 Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één,

The first of all the commandments [is], Hear, O Israel; The Lord our God is one Lord:

Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere.

en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht.

30 And thou shalt love the Lord thy God with all thy heart, and with all thy soul, and with all thy mind, and with all thy strength:

30 En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht.

 

this [is] the first commandment.

Dit is het eerste gebod.

MK 12:31 Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet.

31 And the second [is] like, [namely] this, Thou shalt love thy neighbour as thyself. There is none other commandment greater than these.

31 En het tweede [aan dit] gelijk, [is] dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.

MK 12:32 En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt Gij gezegd, dat Hij één is en dat er geen ander is dan Hij.

32 And the scribe said unto him, Well, Master, thou hast said the truth: for there is one God; and there is none other but he:

32 En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;

MK 12:33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.

33 And to love him with all the heart, and with all the understanding, and with all the soul, and with all the strength, and to love [his] neighbour as himself, is more than all whole burnt offerings and sacrifices.

33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.

MK 12:34 En Jezus, ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer iets vragen.

34 And when Jesus saw that he answered discreetly, he said unto him, Thou art not far from the kingdom of God. And no man after that durst ask him [any question].

34 En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.

MK 12:35 En Jezus antwoordde bij zijn onderwijs in de tempel en zeide: Hoe zeggen de schriftgeleerden, dat de Christus een zoon van David is?

35 And Jesus answered and said, while he taught in the temple, How say the scribes that Christ is the Son of David?

35 En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?

MK 12:36 David zelf heeft door de heilige Geest gezegd: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb.

36 For David himself said by the Holy Ghost, The LORD said to my Lord, Sit thou on my right hand, till I make thine enemies thy footstool.

36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter [hand], totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.

MK 12:37a David zelf noemt Hem Here, en hoe kan Hij dan zijn zoon zijn? En het merendeel van de schare hoorde Hem gaarne.

37 David therefore himself calleth him Lord; and whence is he [then] his son? And the common people heard him gladly.

37 David dan zelf noemt Hem [zijn] Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.

MK 12:38 En Hij zeide in zijn onderwijs: Wacht u voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het wandelen in lange gewaden en op begroetingen op de markten,

38 And he said unto them in his doctrine, Beware of the scribes, which love to go in long clothing, and [love] salutations in the marketplaces,

38 En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;

MK 12:39 en op erezetels in de synagogen en eerste plaatsen bij de maaltijden,

39 And the chief seats in the synagogues, and the uppermost rooms at feasts:

39 En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;

MK 12:40 die de huizen der weduwen opeten en voor de schijn lange gebeden uitspreken: dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.

40 Which devour widows' houses, and for a pretence make long prayers: these shall receive greater damnation.

40 Welke de huizen der weduwen opeten, en [dat] onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.

MK 12:41 En Hij ging tegenover de offerkist zitten en zag met aandacht, hoe de schare kopergeld wierp in de offerkist. En vele rijken wierpen er veel in.

41 And Jesus sat over against the treasury, and beheld how the people cast money into the treasury: and many that were rich cast in much.

41 En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel [daarin].

MK 12:42 En er kwam een arme weduwe, die er twee koperstukjes in wierp, dat is een duit.

42 And there came a certain poor widow, and she threw in two mites, which make a farthing.

42 En er kwam een arme weduwe, die twee kleine [penningen daarin] wierp, hetwelk is een oort.

MK 12:43 En Hij riep zijn discipelen en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft het meeste in de offerkist geworpen van allen, die er iets in geworpen hebben.

43 And he called [unto him] his disciples, and saith unto them, Verily I say unto you, That this poor widow hath cast more in, than all they which have cast into the treasury:

43 En [Jezus], Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.

MK 12:44 Want allen hebben erin geworpen van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede erin geworpen, al wat zij had, haar ganse levensonderhoud.

44 For all [they] did cast in of their abundance; but she of her want did cast in all that she had, [even] all her living.

44 Want zij allen hebben van hun overvloed [daarin] geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, [daarin] geworpen, haar ganse leeftocht.

MK 13:1 En toen Hij uit de tempel ging, zeide een van zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, welke stenen en welke gebouwen!

1 And as he went out of the temple, one of his disciples saith unto him, Master, see what manner of stones and what buildings [are here]!

1 En als Hij uit den tempel ging, zeide een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!

MK 13:2 En Jezus zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken.

2 And Jesus answering said unto him, Seest thou these great buildings? there shall not be left one stone upon another, that shall not be thrown down.

2 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal niet [een] steen op den [anderen] steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

MK 13:3 En toen Hij op de helling van de Olijfberg gezeten was, tegenover de tempel, vroegen Petrus en Jakobus en Johannes en Andreas Hem afzonderlijk:

3 And as he sat upon the mount of Olives over against the temple, Peter and James and John and Andrew asked him privately,

3 En als Hij gezeten was op den Olijfberg, tegen de tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas, alleen:

MK 13:4 Zeg ons, wanneer zal dat geschieden en wat is het teken, wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan?

4 Tell us, when shall these things be? and what [shall be] the sign when all these things shall be fulfilled?

4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden?

MK 13:5 Jezus begon tot hen te zeggen: Ziet toe, dat niemand u verleide.

5 And Jesus answering them began to say, Take heed lest any [man] deceive you:

5 En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide.

MK 13:6 Velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en zij zullen velen verleiden.

6 For many shall come in my name, saying, I am [Christ]; and shall deceive many.

6 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben [de Christus]; en zullen velen verleiden.

MK 13:7 Doch wanneer gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, weest dan niet verontrust. Dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet.

7 And when ye shall hear of wars and rumours of wars, be ye not troubled: for [such things] must needs be; but the end [shall] not [be] yet.

7 En wanneer gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet verschrikt; want [dit] moet geschieden; maar nog is het einde niet.

MK 13:8 Want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk. Er zullen nu hier, dan daar, aardbevingen zijn en er zullen hongersnoden wezen. Dat is het begin der weeën.

8 For nation shall rise against nation, and kingdom against kingdom: and there shall be earthquakes in divers places, and there shall be famines and troubles: these [are] the beginnings of sorrows.

8 Want het [ene] volk zal tegen het [andere] volk opstaan, en het [ene] koninkrijk tegen het [andere] koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnoden wezen, en beroerten. Deze dingen zijn [maar] beginselen der smarten.

MK 13:9 Doch gij, ziet toe op uzelf. Zij zullen u overleveren aan gerechtshoven, en in synagogen zult gij gegeseld worden en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen.

9 But take heed to yourselves: for they shall deliver you up to councils; and in the synagogues ye shall be beaten: and ye shall be brought before rulers and kings for my sake, for a testimony against them.

9 Maar ziet gij voor uzelven toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; gij zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis.

MK 13:10 En aan alle volken moet eerst het evangelie gepredikt worden.

10 And the gospel must first be published among all nations.

10 En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken.

MK 13:11 En wanneer zij u wegvoeren om u over te leveren, weest dan niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen moet, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de heilige Geest.

11 But when they shall lead [you], and deliver you up, take no thought beforehand what ye shall speak, neither do ye premeditate: but whatsoever shall be given you in that hour, that speak ye: for it is not ye that speak, but the Holy Ghost.

11 Doch wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat gij spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.

MK 13:12 En een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind; en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen.

12 Now the brother shall betray the brother to death, and the father the son; and children shall rise up against [their] parents, and shall cause them to be put to death.

12 En de [ene] broeder zal den [anderen] overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.

MK 13:13 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

13 And ye shall be hated of all [men] for my name's sake: but he that shall endure unto the end, the same shall be saved.

13 En gij zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

MK 13:14 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting ziet staan, waar hij niet behoort - die het leest, geve er acht op - laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

14 But when ye shall see the abomination of desolation, spoken of by Daniel the prophet, standing where it ought not, (let him that readeth understand,) then let them that be in Judaea flee to the mountains:

14 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Daniel gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vlieden op de bergen.

MK 13:15 Wie op het dak is, ga niet naar beneden en ga niet naar binnen om iets uit zijn huis mede te nemen,

15 And let him that is on the housetop not go down into the house, neither enter [therein], to take any thing out of his house:

15 En die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen.

MK 13:16 en wie in het veld is, kere niet terug om zijn kleed mede te nemen.

16 And let him that is in the field not turn back again for to take up his garment.

16 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn kleed te nemen.

MK 13:17 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen!

17 But woe to them that are with child, and to them that give suck in those days!

17 Maar wee den bevruchten en den zogenden [vrouwen] in die dagen!

MK 13:18 Bidt, dat het niet in de winter valle.

18 And pray ye that your flight be not in the winter.

18 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters.

MK 13:19 Want die dagen zullen zulk een verdrukking brengen als er niet geweest is van het begin der schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook nooit meer wezen zal.

19 For [in] those days shall be affliction, such as was not from the beginning of the creation which God created unto this time, neither shall be.

19 Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.

MK 13:20 En indien de Here die dagen niet had ingekort, zou geen vlees behouden worden, doch ter wille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort.

20 And except that the Lord had shortened those days, no flesh should be saved: but for the elect's sake, whom he hath chosen, he hath shortened the days.

20 En indien de Heere de dagen niet verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort.

MK 13:21 Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, zie, Hij is daar, gelooft het niet.

21 And then if any man shall say to you, Lo, here [is] Christ; or, lo, [he is] there; believe [him] not:

21 En alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.

MK 13:22 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om, ware het mogelijk, de uitverkorenen te verleiden.

22 For false Christs and false prophets shall rise, and shall shew signs and wonders, to seduce, if [it were] possible, even the elect.

22 Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.

MK 13:23 Doch gij, ziet toe: Ik heb het u alles voorzegd.

23 But take ye heed: behold, I have foretold you all things.

23 Maar gijlieden ziet toe; ziet, Ik heb u alles voorzegd!

MK 13:24 Maar in die dagen, na de verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven.

24 But in those days, after that tribulation, the sun shall be darkened, and the moon shall not give her light,

24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.

MK 13:25 En de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen.

25 And the stars of heaven shall fall, and the powers that are in heaven shall be shaken.

25 En de sterren des hemels zulen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen [zijn], zullen bewogen worden.

MK 13:26 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid.

26 And then shall they see the Son of man coming in the clouds with great power and glory.

26 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

MK 13:27 En dan zal Hij zijn engelen uitzenden en zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels.

27 And then shall he send his angels, and shall gather together his elect from the four winds, from the uttermost part of the earth to the uttermost part of heaven.

27 En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.

MK 13:28 Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is.

28 Now learn a parable of the fig tree; When her branch is yet tender, and putteth forth leaves, ye know that summer is near:

28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.

MK 13:29 Zo moet gij ook, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het nabij is, voor de deur.

29 So ye in like manner, when ye shall see these things come to pass, know that it is nigh, [even] at the doors.

29 Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat [het] nabij, voor de deur is.

MK 13:30 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt.

30 Verily I say unto you, that this generation shall not pass, till all these things be done.

30 Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.

MK 13:31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.

31 Heaven and earth shall pass away: but my words shall not pass away.

31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.

MK 13:32 Maar van die dag of van die ure weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de Vader.

32 But of that day and [that] hour knoweth no man, no, not the angels which are in heaven, neither the Son, but the Father.

32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.

MK 13:33 Ziet toe, blijft waakzaam. Want gij weet niet, wanneer het de tijd is.

33 Take ye heed, watch and pray: for ye know not when the time is.

33 Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is.

MK 13:34 Gelijk een mens, die buitenslands ging, zijn huis overliet en aan zijn slaven volmacht gaf, aan ieder zijn werk, en de deurwachter opdroeg te waken.

34 [For the Son of man is] as a man taking a far journey, who left his house, and gave authority to his servants, and to every man his work, and commanded the porter to watch.

34 Gelijk een mens, buitenslands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood, dat hij zou waken;

MK 13:35 Waakt dan, want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, laat in de avond of te middernacht, bij het hanegekraai of des morgens vroeg,

35 Watch ye therefore: for ye know not when the master of the house cometh, at even, or at midnight, or at the cockcrowing, or in the morning:

35 Zo waakt dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, [des avonds] laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond);

MK 13:36 opdat hij niet, als hij plotseling komt, u slapende vinde.

36 Lest coming suddenly he find you sleeping.

36 Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.

MK 13:37 Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: Waakt!

37 And what I say unto you I say unto all, Watch.

37 En hetgeen Ik u zeg, [dat] zeg Ik allen: Waakt.

MK 14:1 Nu was het na twee dagen Pascha en het feest der ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem door list in handen zouden krijgen en doden.

1 After two days was [the feast of] the passover, and of unleavened bread: and the chief priests and the scribes sought how they might take him by craft, and put [him] to death.

1 En het pascha, en [het feest] der ongehevelde [broden] was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.

MK 14:2 Want zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen opschudding kome onder het volk.

2 But they said, Not on the feast [day], lest there be an uproar of the people.

2 Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde.

MK 14:3 En toen Hij te Betanië was in het huis van Simon de melaatse, kwam, terwijl Hij aan tafel aanlag, een vrouw met een albasten kruik vol echte, kostbare nardusmirre; en zij brak de albasten kruik en goot (de mirre) over zijn hoofd.

3 And being in Bethany in the house of Simon the leper, as he sat at meat, there came a woman having an alabaster box of ointment of spikenard very precious; and she brake the box, and poured [it] on his head.

3 En als Hij te Bethanie was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan [tafel] zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.

MK 14:4 En sommigen spraken verontwaardigd tot elkander: Waartoe dient die verkwisting der mirre?

4 And there were some that had indignation within themselves, and said, Why was this waste of the ointment made?

4 En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied?

MK 14:5 Want deze mirre had voor meer dan driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. En zij waren zeer verstoord tegen haar.

5 For it might have been sold for more than three hundred pence, and have been given to the poor. And they murmured against her.

5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en [die] den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar.

MK 14:6 Maar Jezus zeide: Laat haar begaan; waarom valt gij haar lastig? Zij heeft een goede daad aan Mij verricht.

6 And Jesus said, Let her alone; why trouble ye her? she hath wrought a good work on me.

6 Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.

MK 14:7 De armen hebt gij immers altijd bij u en gij kunt hun weldoen, wanneer gij maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd.

7 For ye have the poor with you always, and whensoever ye will ye may do them good: but me ye have not always.

7 Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.

MK 14:8 Zij heeft gedaan, wat zij kon; van tevoren heeft zij mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.

8 She hath done what she could: she is come aforehand to anoint my body to the burying.

8 Zij heeft gedaan, hetgeen zij kon; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, [tot een voorbereiding] ter begrafenis.

MK 14:9 Voorwaar, Ik zeg u, overal waar het evangelie verkondigd zal worden, over de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft.

9 Verily I say unto you, Wheresoever this gospel shall be preached throughout the whole world, [this] also that she hath done shall be spoken of for a memorial of her.

9 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, [daar] zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.

MK 14:10 En Judas Iskariot, die een van de twaalven was, ging heen naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren.

10 And Judas Iscariot, one of the twelve, went unto the chief priests, to betray him unto them.

10 En Judas Iskariot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.

MK 14:11 Toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden hem geld te geven. En hij zocht, hoe hij Hem bij een goede gelegenheid kon overleveren.

11 And when they heard [it], they were glad, and promised to give him money. And he sought how he might conveniently betray him.

11 En zij, [dat] horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou.

MK 14:12 En op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, waarop men gewoon was het Pascha te slachten, zeiden zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan en toebereidselen maken, opdat Gij het Pascha kunt eten?

12 And the first day of unleavened bread, when they killed the passover, his disciples said unto him, Where wilt thou that we go and prepare that thou mayest eat the passover?

12 En op den eersten dag der ongehevelde [broden], wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het pascha eet?

MK 14:13 En Hij zond twee van zijn discipelen uit en zeide tot hen: Gaat naar de stad en er zal u een man tegenkomen, die een kruik water draagt; volgt hem,

13 And he sendeth forth two of his disciples, and saith unto them, Go ye into the city, and there shall meet you a man bearing a pitcher of water: follow him.

13 En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt dien;

MK 14:14 en zegt tot de heer van het huis, waar hij binnengaat: De meester zegt: Waar is voor Mij het vertrek, waar Ik met mijn discipelen het Pascha kan eten?

14 And wheresoever he shall go in, say ye to the goodman of the house, The Master saith, Where is the guestchamber, where I shall eat the passover with my disciples?

14 En zo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?

MK 14:15 En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, van al het nodige voorzien. Maakt het daar voor ons gereed.

15 And he will shew you a large upper room furnished [and] prepared: there make ready for us.

15 En hij zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust [en] gereed; bereidt het ons aldaar.

MK 14:16 En de discipelen gingen heen en kwamen in de stad en vonden het, zoals Hij hun gezegd had en zij maakten het Pascha gereed.

16 And his disciples went forth, and came into the city, and found as he had said unto them: and they made ready the passover.

16 En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.

MK 14:17 En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.

17 And in the evening he cometh with the twelve.

17 En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.

MK 14:18 En terwijl zij aanlagen en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal; een die met Mij eet.

18 And as they sat and did eat, Jesus said, Verily I say unto you, One of you which eateth with me shall betray me.

18 En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden.

MK 14:19 Zij begonnen bedroefd te worden en één voor één tot Hem te zeggen: Ik toch niet?

19 And they began to be sorrowful, and to say unto him one by one, [Is] it I? and another [said, Is] it I?

19 En zij begonnen bedroefd te worden, en de een na de ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?

MK 14:20 En Hij zeide tot hen: Eén van de twaalven, die met Mij in de [ene] schotel indoopt.

20 And he answered and said unto them, [It is] one of the twelve, that dippeth with me in the dish.

20 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: [Het is] een uit de twaalven, die met Mij in de schotel indoopt.

MK 14:21 Want de Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed, als hij niet geboren was.

21 The Son of man indeed goeth, as it is written of him: but woe to that man by whom the Son of man is betrayed! good were it for that man if he had never been born.

21 De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens niet geboren ware geweest.

MK 14:22 En terwijl zij aten, nam Hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.

22 And as they did eat, Jesus took bread, and blessed, and brake [it], and gave to them, and said, Take, eat: this is my body.

22 En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.

MK 14:23 En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit, en gaf hun die en zij dronken allen daaruit.

23 And he took the cup, and when he had given thanks, he gave [it] to them: and they all drank of it.

23 En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun [dien]; en zij dronken allen uit denzelven.

MK 14:24 En Hij zeide tot hen: Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt.

24 And he said unto them, This is my blood of the new testament, which is shed for many.

24 En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het [bloed] des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.

MK 14:25 Voorwaar, Ik zeg u, Ik zal voorzeker niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar nieuw zal drinken, in het Koninkrijk Gods.

25 Verily I say unto you, I will drink no more of the fruit of the vine, until that day that I drink it new in the kingdom of God.

25 Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.

MK 14:26 En na de lofzang gezongen te hebben, vertrokken zij naar de Olijfberg.

26 And when they had sung an hymn, they went out into the mount of Olives.

26 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

MK 14:27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult allen aanstoot aan Mij nemen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.

27 And Jesus saith unto them, All ye shall be offended because of me this night: for it is written, I will smite the shepherd, and the sheep shall be scattered.

27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan Mij geergerd worden; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.

MK 14:28 Maar nadat Ik zal opgewekt zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

28 But after that I am risen, I will go before you into Galilee.

28 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

MK 14:29 En Petrus zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik zeker niet!

29 But Peter said unto him, Although all shall be offended, yet [will] not I.

29 En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen geergerd werden, zo zal ik toch niet [geergerd worden].

MK 14:30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden, in deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen.

30 And Jesus saith unto him, Verily I say unto thee, That this day, [even] in this night, before the cock crow twice, thou shalt deny me thrice.

30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.

MK 14:31 Hij zeide steeds heftiger: Al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen. Evenzo spraken zij ook allen.

31 But he spake the more vehemently, If I should die with thee, I will not deny thee in any wise. Likewise also said they all.

31 Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen.

MK 14:32 En zij gingen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot zijn discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik bid.

32 And they came to a place which was named Gethsemane: and he saith to his disciples, Sit ye here, while I shall pray.

32 En zij kwamen in een plaats, welker naam was Gethsemane, en Hij zeide tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben.

MK 14:33 En Hij nam Petrus en Jakobus en Johannes mede. En Hij begon zeer ontsteld en beangst te worden,

33 And he taketh with him Peter and James and John, and began to be sore amazed, and to be very heavy;

33 En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden;

MK 14:34 en Hij zeide tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt.

34 And saith unto them, My soul is exceeding sorrowful unto death: tarry ye here, and watch.

34 En zeide tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier, en waakt.

MK 14:35 En Hij ging een weinig verder, en Hij wierp Zich ter aarde en bad, dat, indien het mogelijk ware, die