|
LK 1:1 Aangezien velen getracht hebben een verhaal op
te stellen over de zaken, die onder ons hun beslag hebben gekregen, |
1 Forasmuch as many have taken in hand to set forth in order a
declaration of those things which are most surely believed among us, |
1 Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een
verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben; |
|
LK 1:2 gelijk ons hebben overgeleverd degenen, die van het begin aan
ooggetuigen en dienaren van het woord geweest zijn, |
2 Even as they delivered them unto us, which from the beginning were
eyewitnesses, and ministers of the word; |
2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven
aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn; |
|
LK 1:3 ben ook ik tot het besluit gekomen, na alles van meet aan
nauwkeurig te hebben nagegaan, dit in geregelde orde voor u te boek te
stellen, hoogedele Teofilus, |
3 It seemed good to me also, having had perfect understanding of all
things from the very first, to write unto thee in order, most excellent
Theophilus, |
3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan
naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke
Theofilus! |
|
LK 1:4 opdat gij de betrouwbaarheid zoudt erkennen der zaken, waarvan
gij onderricht zijt. |
4 That thou mightest know the certainty of those things, wherein thou
hast been instructed. |
4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij
onderwezen zijt. |
|
LK 1:5 Er was in de dagen van Herodes, de koning van Judea, een
priester, genaamd Zacharias, behorende tot de afdeling van Abia, en zijn
vrouw was uit de dochters van Aäron en haar naam was Elisabet. |
5 There was in the days of Herod, the king of Judaea, a certain priest
named Zacharias, of the course of Abia: and his wife [was] of the
daughters of Aaron, and her name [was] Elisabeth. |
5 In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker
priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was
uit de dochteren van Aaron, en haar naam Elizabet. |
|
LK 1:6 Zij waren beiden rechtvaardig voor God en leefden naar alle
geboden en eisen des Heren, onberispelijk. |
6 And they were both righteous before God, walking in all the
commandments and ordinances of the Lord blameless. |
6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de
geboden en rechten des Heeren, onberispelijk. |
|
LK 1:7 En zij waren kinderloos, omdat Elisabet onvruchtbaar was, en zij
waren beiden op hoge leeftijd gekomen. |
7 And they had no child, because that Elisabeth was barren, and they
both were [now] well stricken in years. |
7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij
beiden verre op hun dagen gekomen waren. |
|
LK 1:8 En het geschiedde, toen hij de priesterdienst voor God
verrichtte in de beurt zijner afdeling, |
8 And it came to pass, that while he executed the priest's office
before God in the order of his course, |
8 En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God,
in de beurt zijner dagorde. |
|
LK 1:9 dat hij door het lot werd aangewezen, volgens de regel van de
priesterdienst, om de tempel des Heren binnen te gaan en het reukoffer te
brengen. |
9 According to the custom of the priest's office, his lot was to burn
incense when he went into the temple of the Lord. |
9 Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was
gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen. |
|
LK 1:10 En de gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van
het reukoffer. |
10 And the whole multitude of the people were praying without at the
time of incense. |
10 En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des
reukoffers. |
|
LK 1:11 En hem verscheen een engel des Heren, staande ter rechterzijde
van het reukofferaltaar. |
11 And there appeared unto him an angel of the Lord standing on the
right side of the altar of incense. |
11 En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter
[zijde] van het altaar des reukoffers. |
|
LK 1:12 En Zacharias ontroerde bij dat gezicht, en vrees beving hem. |
12 And when Zacharias saw [him], he was troubled, and fear fell upon
him. |
12 En Zacharias, [hem] ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem
gevallen. |
|
LK 1:13 Maar de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias,
want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren en gij
zult hem de naam Johannes geven. |
13 But the angel said unto him, Fear not, Zacharias: for thy prayer is
heard; and thy wife Elisabeth shall bear thee a son, and thou shalt call
his name John. |
13 Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is
verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam
heten Johannes. |
|
LK 1:14 En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich
over zijn geboorte verblijden. |
14 And thou shalt have joy and gladness; and many shall rejoice at his
birth. |
14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over
zijn geboorte verblijden. |
|
LK 1:15 Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank
zal hij niet drinken en met de heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds
van de schoot zijner moeder aan, |
15 For he shall be great in the sight of the Lord, and shall drink
neither wine nor strong drink; and he shall be filled with the Holy Ghost,
even from his mother's womb. |
15 Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken
drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden,
ook van zijner moeders lijf aan. |
|
LK 1:16 en velen der kinderen Israëls zal hij bekeren tot de Here, hun
God. |
16 And many of the children of Israel shall he turn to the Lord their
God. |
16 En hij zal velen der kinderen Israels bekeren tot den Heere, hun
God. |
|
LK 1:17 En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de
kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de
ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here
een weltoegerust volk te bereiden. |
17 And he shall go before him in the spirit and power of Elias, to turn
the hearts of the fathers to the children, and the disobedient to the
wisdom of the just; to make ready a people prepared for the Lord. |
17 En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias,
om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen
tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een
toegerust volk. |
|
LK 1:18 En Zacharias zeide tot de engel: Waaraan zal ik dit weten? Want
ik ben een oud man en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen. |
18 And Zacharias said unto the angel, Whereby shall I know this? for I
am an old man, and my wife well stricken in years. |
18 En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik
ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen. |
|
LK 1:19 En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die
voor Gods aangezicht sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u
deze blijmare te verkondigen. |
19 And the angel answering said unto him, I am Gabriel, that stand in
the presence of God; and am sent to speak unto thee, and to shew thee
these glad tidings. |
19 En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor
God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te
verkondigen. |
|
LK 1:20 En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag
toe, dat deze dingen geschieden, omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt,
die op hun tijd in vervulling zullen gaan. |
20 And, behold, thou shalt be dumb, and not able to speak, until the
day that these things shall be performed, because thou believest not my
words, which shall be fulfilled in their season. |
20 En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag,
dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden
niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd. |
|
LK 1:21 En het volk stond op Zacharias te wachten en zij verwonderden
zich, dat hij zo lang in de tempel vertoefde. |
21 And the people waited for Zacharias, and marvelled that he tarried
so long in the temple. |
21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat
hij zo lang vertoefde in den tempel. |
|
LK 1:22 Toen hij dan naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken en
zij begrepen, dat hij in de tempel een gezicht gezien had. En hij wenkte
hun toe en bleef stom. |
22 And when he came out, he could not speak unto them: and they
perceived that he had seen a vision in the temple: for he beckoned unto
them, and remained speechless. |
22 En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden,
dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en
bleef stom. |
|
LK 1:23 En het geschiedde, toen de dagen van zijn dienst vervuld waren,
dat hij vertrok naar zijn huis. |
23 And it came to pass, that, as soon as the days of his ministration
were accomplished, he departed to his own house. |
23 En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat
hij naar zijn huis ging. |
|
LK 1:24 Na die dagen werd Elisabet, zijn vrouw, zwanger, en zij verborg
zich vijf maanden, want, zeide zij: |
24 And after those days his wife Elisabeth conceived, and hid herself
five months, saying, |
24 En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg
zich vijf maanden, zeggende: |
|
LK 1:25 Aldus heeft de Here aan mij gedaan in de dagen, waarin Hij op
mij nederzag om mijn smaad onder de mensen weg te nemen. |
25 Thus hath the Lord dealt with me in the days wherein he looked on
[me], to take away my reproach among men. |
25 Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij [mij]
aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen. |
|
LK 1:26 In de zesde maand nu werd de engel Gabriël van God gezonden
naar een stad in Galilea, genaamd Nazaret, |
26 And in the sixth month the angel Gabriel was sent from God unto a
city of Galilee, named Nazareth, |
26 En in de zesde maand werd de engel Gabriel van God gezonden naar een
stad in Galilea, genaamd Nazareth; |
|
LK 1:27 tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, genaamd Jozef,
uit het huis van David, en de naam der maagd was Maria. |
27 To a virgin espoused to a man whose name was Joseph, of the house of
David; and the virgin's name [was] Mary. |
27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was
Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria. |
|
LK 1:28 En toen hij bij haar binnengekomen was, zeide hij: Wees
gegroet, gij begenadigde, de Here is met u. |
28 And the angel came in unto her, and said, Hail, [thou that art]
highly favoured, the Lord [is] with thee: blessed [art] thou among women. |
28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij
begenadigde; de Heere [is] met u; gij [zijt] gezegend onder de vrouwen. |
|
LK 1:29 Zij ontroerde bij dat woord en overlegde, welke de betekenis
van die groet mocht zijn. |
29 And when she saw [him], she was troubled at his saying, and cast in
her mind what manner of salutation this should be. |
29 En als zij [hem] zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en
overlegde, hoedanig deze groetenis mocht zijn. |
|
LK 1:30 En de engel zeide tot haar: Wees niet bevreesd, Maria; want gij
hebt genade gevonden bij God. |
30 And the angel said unto her, Fear not, Mary: for thou hast found
favour with God. |
30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade
bij God gevonden. |
|
LK 1:31 En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult
Hem de naam Jezus geven. |
31 And, behold, thou shalt conceive in thy womb, and bring forth a son,
and shalt call his name JESUS. |
31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn
naam heten JEZUS. |
|
LK 1:32 Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden,
en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, |
32 He shall be great, and shall be called the Son of the Highest: and
the Lord God shall give unto him the throne of his father David: |
32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en
God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. |
|
LK 1:33 en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in
eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen. |
33 And he shall reign over the house of Jacob for ever; and of his
kingdom there shall be no end. |
33 En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en
Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn. |
|
LK 1:34 En Maria zeide tot de engel: Hoe zal dat geschieden, daar ik
geen omgang met een man heb? |
34 Then said Mary unto the angel, How shall this be, seeing I know not
a man? |
34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man
bekenne? |
|
LK 1:35 En de engel antwoordde en zeide tot haar: De heilige Geest zal
over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom
zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden. |
35 And the angel answered and said unto her, The Holy Ghost shall come
upon thee, and the power of the Highest shall overshadow thee: therefore
also that holy thing which shall be born of thee shall be called the Son
of God. |
35 En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over
u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook,
dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. |
|
LK 1:36 En zie, Elisabet, uw verwante, is eveneens zwanger van een zoon
in haar ouderdom en dit is reeds de zesde maand voor haar, die
onvruchtbaar heette. |
36 And, behold, thy cousin Elisabeth, she hath also conceived a son in
her old age: and this is the sixth month with her, who was called barren. |
36 En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in
haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de
zesde. |
|
LK 1:37 Want geen woord, dat van God komt, zal krachteloos wezen. |
37 For with God nothing shall be impossible. |
37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. |
|
LK 1:38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede
naar uw woord. En de engel ging van haar heen. |
38 And Mary said, Behold the handmaid of the Lord; be it unto me
according to thy word. And the angel departed from her. |
38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar
uw woord. En de engel ging weg van haar. |
|
LK 1:39 Maria dan maakte zich op in die dagen en reisde met spoed naar
het bergland, naar een stad van Juda. |
39 And Mary arose in those days, and went into the hill country with
haste, into a city of Juda; |
39 En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar
het gebergte, in een stad van Juda; |
|
LK 1:40 En zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabet. |
40 And entered into the house of Zacharias, and saluted Elisabeth. |
40 En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet. |
|
LK 1:41 En toen Elisabet de groet van Maria hoorde, geschiedde het, dat
het kind opsprong in haar schoot, en Elisabet werd vervuld met de heilige
Geest. |
41 And it came to pass, that, when Elisabeth heard the salutation of
Mary, the babe leaped in her womb; and Elisabeth was filled with the Holy
Ghost: |
41 En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo
sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den
Heiligen Geest; |
|
LK 1:42 En zij riep uit met luider stem en sprak: Gezegend zijt gij
onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. |
42 And she spake out with a loud voice, and said, Blessed [art] thou
among women, and blessed [is] the fruit of thy womb. |
42 En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend [zijt] gij onder
de vrouwen, en gezegend [is] de vrucht uws buiks! |
|
LK 1:43 En waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder mijns Heren tot
mij komt? |
43 And whence [is] this to me, that the mother of my Lord should come
to me? |
43 En van waar [komt] mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? |
|
LK 1:44 Want zie, toen het geluid van uw groet in mijn oren klonk,
sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. |
44 For, lo, as soon as the voice of thy salutation sounded in mine
ears, the babe leaped in my womb for joy. |
44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo
sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik. |
|
LK 1:45 En zalig is zij, die geloofd heeft, want wat vanwege de Here
tot haar gezegd is, zal volbracht worden. |
45 And blessed [is] she that believed: for there shall be a performance
of those things which were told her from the Lord. |
45 En zalig is [zij], die geloofd heeft; want de dingen, die haar van
den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden. |
|
LK 1:46 En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot de Here, |
46 And Mary said, My soul doth magnify the Lord, |
46 En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere; |
|
LK 1:47 en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland, |
47 And my spirit hath rejoiced in God my Saviour. |
47 En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker; |
|
LK 1:48 omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat zijner dienstmaagd.
Want zie, van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten, |
48 For he hath regarded the low estate of his handmaiden: for, behold,
from henceforth all generations shall call me blessed. |
48 Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie,
van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten. |
|
LK 1:49 omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. En heilig
is zijn naam, |
49 For he that is mighty hath done to me great things; and holy [is]
his name. |
49 Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en
heilig [is] Zijn Naam. |
|
LK 1:50 en zijn barmhartigheid van geslacht tot geslacht voor wie Hem
vrezen. |
50 And his mercy [is] on them that fear him from generation to
generation. |
50 En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen,
die Hem vrezen. |
|
LK 1:51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijn arm, en Hij heeft
hoogmoedigen in de overlegging huns harten verstrooid; |
51 He hath shewed strength with his arm; he hath scattered the proud in
the imagination of their hearts. |
51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft
verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten. |
|
LK 1:52 Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen
verhoogd, |
52 He hath put down the mighty from [their] seats, and exalted them of
low degree. |
52 Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft
Hij verhoogd. |
|
LK 1:53 hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij
ledig weggezonden. |
53 He hath filled the hungry with good things; and the rich he hath
sent empty away. |
53 Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig
weggezonden. |
|
LK 1:54 Hij heeft Zich Israël, zijn knecht, aangetrokken, om te
gedenken aan barmhartigheid, - |
54 He hath holpen his servant Israel, in remembrance of [his] mercy; |
54 Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware
der barmhartigheid. |
|
LK 1:55 gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen - voor Abraham en
zijn nageslacht in eeuwigheid. |
55 As he spake to our fathers, to Abraham, and to his seed for ever. |
55 (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, [namelijk] tot
Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid. |
|
LK 1:56 En Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar en keerde terug
naar haar huis. |
56 And Mary abode with her about three months, and returned to her own
house. |
56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot
haar huis. |
|
LK 1:57 Toen voor Elisabet de tijd vervuld was, dat zij baren zou,
bracht zij een zoon ter wereld. |
57 Now Elisabeth's full time came that she should be delivered; and she
brought forth a son. |
57 En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij
baarde een zoon. |
|
LK 1:58 En haar buren en nabestaanden hoorden, dat de Here zijn
barmhartigheid aan haar had grootgemaakt, en zij verheugden zich met haar. |
58 And her neighbours and her cousins heard how the Lord had shewed
great mercy upon her; and they rejoiced with her. |
58 En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heere Zijn
barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar
verblijd. |
|
LK 1:59 En het geschiedde, toen de achtste dag was aangebroken, dat zij
kwamen om het kind te besnijden, en zij wilden het naar de naam van zijn
vader Zacharias noemen. |
59 And it came to pass, that on the eighth day they came to circumcise
the child; and they called him Zacharias, after the name of his father. |
59 En het geschiedde, dat zij op den achtsten dag kwamen, om het
kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias, naar den naam zijns
vaders. |
|
LK 1:60 Doch zijn moeder antwoordde en zeide: Neen, hij moet Johannes
genoemd worden. |
60 And his mother answered and said, Not [so]; but he shall be called
John. |
60 En zijn moeder antwoordde en zeide: Niet [alzo], maar hij zal
Johannes heten. |
|
LK 1:61 En zij zeiden tot haar: Er is toch niemand in uw familie, die
die naam draagt. |
61 And they said unto her, There is none of thy kindred that is called
by this name. |
61 En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw maagschap, die met dien
naam genaamd wordt. |
|
LK 1:62 En zij beduidden zijn vader, dat hij beslissen zou, hoe hij het
kind genoemd wilde hebben. |
62 And they made signs to his father, how he would have him called. |
62 En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou
worden. |
|
LK 1:63 En hij vroeg om een schrijftafeltje en schreef deze woorden:
Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. |
63 And he asked for a writing table, and wrote, saying, His name is
John. And they marvelled all. |
63 En als hij een schrijftafeltje geeist had, schreef hij, zeggende:
Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. |
|
LK 1:64 En terstond werd zijn mond geopend en zijn tong (losgemaakt),
en hij sprak, God lovende. |
64 And his mouth was opened immediately, and his tongue [loosed], and
he spake, and praised God. |
64 En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong [losgemaakt]; en
hij sprak, God lovende. |
|
LK 1:65 En over allen, die in hun nabijheid woonden, kwam vrees, en in
het gehele bergland van Judea werden al deze dingen besproken. |
65 And fear came on all that dwelt round about them: and all these
sayings were noised abroad throughout all the hill country of Judaea. |
65 En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het
gehele gebergte van Judea werd veel gesproken van al deze dingen. |
|
LK 1:66 En allen die het hoorden, namen het ter harte en zeiden: Wat
zal er van dit kind worden? Want de hand des Heren was met hem. |
66 And all they that heard [them] laid [them] up in their hearts,
saying, What manner of child shall this be! And the hand of the Lord was
with him. |
66 En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal
toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem. |
|
LK 1:67 En zijn vader Zacharias werd vervuld met de heilige Geest en
profeteerde, zeggende: |
67 And his father Zacharias was filled with the Holy Ghost, and
prophesied, saying, |
67 En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en
profeteerde, zeggende: |
|
LK 1:68 Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft
omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht, |
68 Blessed [be] the Lord God of Israel; for he hath visited and
redeemed his people, |
68 Geloofd [zij] de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht, en
verlossing te weeg gebracht Zijn volke; |
|
LK 1:69 en heeft ons een hoorn des heils opgericht, in het huis van
David, zijn knecht, |
69 And hath raised up an horn of salvation for us in the house of his
servant David; |
69 En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van
David, Zijn knecht; |
|
LK 1:70 - gelijk Hij gesproken heeft door de mond zijner heilige
profeten van oudsher - |
70 As he spake by the mouth of his holy prophets, which have been since
the world began: |
70 Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten,
die van het begin der wereld [geweest zijn]; |
|
LK 1:71 om ons te redden van onze vijanden en uit de hand van allen,
die ons haten, |
71 That we should be saved from our enemies, and from the hand of all
that hate us; |
71 [Namelijk] een verlossing van onze vijanden, en van de hand al
dergenen, die ons haten; |
|
LK 1:72 om barmhartigheid te betonen aan onze vaderen en zijn heilig
verbond te gedenken, |
72 To perform the mercy [promised] to our fathers, and to remember his
holy covenant; |
72 Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware
aan Zijn heilig verbond; |
|
LK 1:73 de eed, die Hij zwoer aan Abraham, onze vader, |
73 The oath which he sware to our father Abraham, |
73 [En] aan den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, om
ons te geven, |
|
LK 1:74 dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden
verlost, |
74 That he would grant unto us, that we being delivered out of the hand
of our enemies might serve him without fear, |
74 Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen
zouden zonder vreze. |
|
LK 1:75 Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn
aangezicht, al onze dagen. |
75 In holiness and righteousness before him, all the days of our life. |
75 In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens. |
|
LK 1:76 En gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten; want
gij zult uitgaan voor het aangezicht des Heren, om zijn wegen te bereiden, |
76 And thou, child, shalt be called the prophet of the Highest: for
thou shalt go before the face of the Lord to prepare his ways; |
76 En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden;
want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te
bereiden; |
|
LK 1:77 om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving
hunner zonden, |
77 To give knowledge of salvation unto his people by the remission of
their sins, |
77 Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner
zonden. |
|
LK 1:78 door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de
Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien, |
78 Through the tender mercy of our God; whereby the dayspring from on
high hath visited us, |
78 Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met
welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; |
|
LK 1:79 om hen te beschijnen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw
des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes. |
79 To give light to them that sit in darkness and [in] the shadow of
death, to guide our feet into the way of peace. |
79 Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en
schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes. |
|
LK 1:80 Het kind nu groeide op en werd gesterkt door de Geest. En hij
vertoefde in de woestijnen tot op de dag, dat hij zich aan Israël
vertoonde. |
80 And the child grew, and waxed strong in spirit, and was in the
deserts till the day of his shewing unto Israel. |
80 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de
woestijnen, tot den dag zijner vertoning aan Israel. |
|
LK 2:1 En het geschiedde in die dagen, dat er een
bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden
ingeschreven. |
1 And it came to pass in those days, that there went out a decree from
Caesar Augustus, that all the world should be taxed. |
1 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van
den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden. |
|
LK 2:2 Deze inschrijving had voor het eerst plaats, toen Quirinius het
bewind over Syrië voerde. |
2 ([And] this taxing was first made when Cyrenius was governor of
Syria.) |
2 Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrie
stadhouder was. |
|
LK 2:3 En zij gingen allen op reis om zich te laten inschrijven, ieder
naar zijn eigen stad. |
3 And all went to be taxed, every one into his own city. |
3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn
eigen stad. |
|
LK 2:4 Ook Jozef trok op van Galilea, uit de stad Nazaret, naar Judea,
naar de stad van David, die Betlehem heet, omdat hij uit het huis en het
geslacht van David was, |
4 And Joseph also went up from Galilee, out of the city of Nazareth,
into Judaea, unto the city of David, which is called Bethlehem; (because
he was of the house and lineage of David:) |
4 En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea,
tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis
en geslacht van David was); |
|
LK 2:5 om zich te laten inschrijven met Maria, zijn ondertrouwde vrouw,
welke zwanger was. |
5 To be taxed with Mary his espoused wife, being great with child. |
5 Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke
bevrucht was. |
|
LK 2:6 En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld
werden, dat zij baren zou, |
6 And so it was, that, while they were there, the days were
accomplished that she should be delivered. |
6 En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden,
dat zij baren zoude. |
|
LK 2:7 en zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken
en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg. |
7 And she brought forth her firstborn son, and wrapped him in swaddling
clothes, and laid him in a manger; because there was no room for them in
the inn. |
7 En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde
Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de
herberg. |
|
LK 2:8 En er waren herders in diezelfde landstreek, die zich ophielden
in het veld en des nachts de wacht hielden over hun kudde. |
8 And there were in the same country shepherds abiding in the field,
keeping watch over their flock by night. |
8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het
veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. |
|
LK 2:9 En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid
des Heren omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze. |
9 And, lo, the angel of the Lord came upon them, and the glory of the
Lord shone round about them: and they were sore afraid. |
9 En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des
Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. |
|
LK 2:10 En de engel zeide tot hen: Weest niet bevreesd, want zie, ik
verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: |
10 And the angel said unto them, Fear not: for, behold, I bring you
good tidings of great joy, which shall be to all people. |
10 En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u
grote blijdschap, die al den volke wezen zal; |
|
LK 2:11 U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in
de stad van David. |
11 For unto you is born this day in the city of David a Saviour, which
is Christ the Lord. |
11 [Namelijk] dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus,
de Heere, in de stad Davids. |
|
LK 2:12 En dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken
gewikkeld en liggende in een kribbe. |
12 And this [shall be] a sign unto you; Ye shall find the babe wrapped
in swaddling clothes, lying in a manger. |
12 En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken
gewonden, en liggende in de kribbe. |
|
LK 2:13 En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht,
die God loofde, zeggende: |
13 And suddenly there was with the angel a multitude of the heavenly
host praising God, and saying, |
13 En van stonde aan was [er] met den engel een menigte des hemelsen
heirlegers, prijzende God en zeggende: |
|
LK 2:14 Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des
welbehagens. |
14 Glory to God in the highest, and on earth peace, good will toward
men. |
14 Ere [zij] God in de hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in de
mensen een welbehagen. |
|
LK 2:15 En het geschiedde, toen de engelen van hen heengevaren waren
naar de hemel, dat de herders tot elkander spraken: Laten wij dan naar
Betlehem gaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is
bekendgemaakt. |
15 And it came to pass, as the angels were gone away from them into
heaven, the shepherds said one to another, Let us now go even unto
Bethlehem, and see this thing which is come to pass, which the Lord hath
made known unto us. |
15 En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de
hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar
Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de
Heere ons heeft verkondigd. |
|
LK 2:16 En zij gingen haastig en vonden Maria en Jozef, en het kind
liggende in de kribbe. |
16 And they came with haste, and found Mary, and Joseph, and the babe
lying in a manger. |
16 En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken
liggende in de kribbe. |
|
LK 2:17 En toen zij het gezien hadden, maakten zij bekend hetgeen tot
hen gesproken was over dit kind. |
17 And when they had seen [it], they made known abroad the saying which
was told them concerning this child. |
17 En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat
hun van dit Kindeken gezegd was. |
|
LK 2:18 En allen, die ervan hoorden, verbaasden zich over hetgeen door
de herders tot hen gezegd werd. |
18 And all they that heard [it] wondered at those things which were
told them by the shepherds. |
18 En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd
werd van de herders. |
|
LK 2:19 Doch Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar
hart. |
19 But Mary kept all these things, and pondered [them] in her heart. |
19 Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende [die]
in haar hart. |
|
LK 2:20 En de herders keerden terug, God lovende en prijzende om alles
wat zij hadden gehoord en gezien, gelijk het hun gezegd was. |
20 And the shepherds returned, glorifying and praising God for all the
things that they had heard and seen, as it was told unto them. |
20 En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over
alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. |
|
LK 2:21 En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten
besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was,
eer Hij in de moederschoot was ontvangen. |
21 And when eight days were accomplished for the circumcising of the
child, his name was called JESUS, which was so named of the angel before
he was conceived in the womb. |
21 En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou,
zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij
in het lichaam ontvangen was. |
|
LK 2:22 En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld
waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, |
22 And when the days of her purification according to the law of Moses
were accomplished, they brought him to Jerusalem, to present [him] to the
Lord; |
22 En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van
Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij [Hem] den Heere
voorstelden; |
|
LK 2:23 gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het
eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here, |
23 (As it is written in the law of the Lord, Every male that openeth
the womb shall be called holy to the Lord;) |
23 (Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat
de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden.) |
|
LK 2:24 en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de wet des
Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven. |
24 And to offer a sacrifice according to that which is said in the law
of the Lord, A pair of turtledoves, or two young pigeons. |
24 En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren
gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven. |
|
LK 2:25 En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en
deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van
Israël, en de heilige Geest was op hem. |
25 And, behold, there was a man in Jerusalem, whose name [was] Simeon;
and the same man [was] just and devout, waiting for the consolation of
Israel: and the Holy Ghost was upon him. |
25 En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en
deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting
Israels, en de Heilige Geest was op hem. |
|
LK 2:26 En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat
hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. |
26 And it was revealed unto him by the Holy Ghost, that he should not
see death, before he had seen the Lord's Christ. |
26 En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest,
dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou
zien. |
|
LK 2:27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het
kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte
der wet, |
27 And he came by the Spirit into the temple: and when the parents
brought in the child Jesus, to do for him after the custom of the law, |
27 En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het
Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen; |
|
LK 2:28 nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zeide: |
28 Then took he him up in his arms, and blessed God, and said, |
28 Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide: |
|
LK 2:29 Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw
woord, |
29 Lord, now lettest thou thy servant depart in peace, according to thy
word: |
29 Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; |
|
LK 2:30 want mijn ogen hebben uw heil gezien, |
30 For mine eyes have seen thy salvation, |
30 Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, |
|
LK 2:31 dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: |
31 Which thou hast prepared before the face of all people; |
31 Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken; |
|
LK 2:32 licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw
volk Israël. |
32 A light to lighten the Gentiles, and the glory of thy people Israel. |
32 Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw
volk Israel. |
|
LK 2:33 En zijn vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen
van Hem gezegd werd. |
33 And Joseph and his mother marvelled at those things which were
spoken of him. |
33 En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem
gezegd werd. |
|
LK 2:34 En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: Zie,
deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een
teken, dat weersproken wordt |
34 And Simeon blessed them, and said unto Mary his mother, Behold, this
[child] is set for the fall and rising again of many in Israel; and for a
sign which shall be spoken against; |
34 En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie,
Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een
teken, dat wedersproken zal worden. |
|
LK 2:35 - en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan -, opdat de
overleggingen uit vele harten openbaar worden. |
35 (Yea, a sword shall pierce through thy own soul also,) that the
thoughts of many hearts may be revealed. |
35 (En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten
uit vele harten geopenbaard worden. |
|
LK 2:36 Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit
de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na
haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, |
36 And there was one Anna, a prophetess, the daughter of Phanuel, of
the tribe of Aser: she was of a great age, and had lived with an husband
seven years from her virginity; |
36 En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit den stam
van Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met [haar] man zeven
jaren had geleefd van haar maagdom af. |
|
LK 2:37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij
diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. |
37 And she [was] a widow of about fourscore and four years, which
departed not from the temple, but served [God] with fastings and prayers
night and day. |
37 En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke
niet week uit den tempel, met vasten en bidden, [God] dienende nacht en
dag. |
|
LK 2:38 En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde
mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing
verwachtten. |
38 And she coming in that instant gave thanks likewise unto the Lord,
and spake of him to all them that looked for redemption in Jerusalem. |
38 En deze, te dierzelfder ure daarbij komende, heeft insgelijks den
Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem
verwachtten. |
|
LK 2:39 En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des
Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazaret. |
39 And when they had performed all things according to the law of the
Lord, they returned into Galilee, to their own city Nazareth. |
39 En als zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren [te
doen] was, keerden zij weder naar Galilea, tot hun stad Nazareth. |
|
LK 2:40 Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met
wijsheid, en de genade Gods was op Hem. |
40 And the child grew, and waxed strong in spirit, filled with wisdom:
and the grace of God was upon him. |
40 En het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld
met wijsheid; en de genade Gods was over Hem. |
|
LK 2:41 En zijn ouders reisden elk jaar naar Jeruzalem, op het
Paasfeest. |
41 Now his parents went to Jerusalem every year at the feast of the
passover. |
41 En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van
pascha. |
|
LK 2:42 En toen Hij twaalf jaar was geworden en zij, zoals dit bij het
feest gebruikelijk was, optrokken, |
42 And when he was twelve years old, they went up to Jerusalem after
the custom of the feast. |
42 En toen Hij twaalf jaren [oud] geworden was, en zij naar Jeruzalem
opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag; |
|
LK 2:43 en de feestdagen voleindigd hadden, bleef het kind Jezus bij
hun terugreis te Jeruzalem achter, en zijn ouders bemerkten het niet. |
43 And when they had fulfilled the days, as they returned, the child
Jesus tarried behind in Jerusalem; and Joseph and his mother knew not [of
it]. |
43 En de dagen [aldaar] voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef
het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet. |
|
LK 2:44 Daar zij vermoedden, dat Hij bij het reisgezelschap was, gingen
zij één dagreis ver en zochten Hem onder de verwanten en bekenden. |
44 But they, supposing him to have been in the company, went a day's
journey; and they sought him among [their] kinsfolk and acquaintance. |
44 Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij
een dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden. |
|
LK 2:45 En toen zij Hem niet vonden, keerden zij terug naar Jeruzalem,
Hem zoekende. |
45 And when they found him not, they turned back again to Jerusalem,
seeking him. |
45 En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, Hem
zoekende. |
|
LK 2:46 En het geschiedde na drie dagen, dat zij Hem vonden in de
tempel, waar Hij zat te midden der leraren, terwijl Hij naar hen hoorde en
hun vragen stelde. |
46 And it came to pass, that after three days they found him in the
temple, sitting in the midst of the doctors, both hearing them, and asking
them questions. |
46 En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel,
zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende. |
|
LK 2:47 Allen nu, die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en
zijn antwoorden. |
47 And all that heard him were astonished at his understanding and
answers. |
47 En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en
antwoorden. |
|
LK 2:48 En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld en zijn moeder
zeide tot Hem: Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en
ik zoeken U met smart! |
48 And when they saw him, they were amazed: and his mother said unto
him, Son, why hast thou thus dealt with us? behold, thy father and I have
sought thee sorrowing. |
48 En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem:
Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met
angst gezocht. |
|
LK 2:49 En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij naar Mij gezocht? Wist
gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders? |
49 And he said unto them, How is it that ye sought me? wist ye not that
I must be about my Father's business? |
49 En Hij zeide tot hen: Wat [is het], dat gij Mij gezocht hebt? Wist
gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? |
|
LK 2:50 En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak. |
50 And they understood not the saying which he spake unto them. |
50 En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak. |
|
LK 2:51 En Hij ging met hen terug en kwam te Nazaret en was hun
onderdanig. En zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart. |
51 And he went down with them, and came to Nazareth, and was subject
unto them: but his mother kept all these sayings in her heart. |
51 En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig.
En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart. |
|
LK 2:52 En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en
mensen. |
52 And Jesus increased in wisdom and stature, and in favour with God
and man. |
52 En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en
de mensen. |
|
LK 3:1 In het vijftiende jaar van de regering van
keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder over Judea was, en
Herodes viervorst over Galilea, en zijn broeder Filippus viervorst over
Iturea en het land Trachonitis, en Lysanias viervorst over Abilene, |
1 Now in the fifteenth year of the reign of Tiberius Caesar, Pontius
Pilate being governor of Judaea, and Herod being tetrarch of Galilee, and
his brother Philip tetrarch of Ituraea and of the region of Trachonitis,
and Lysanias the tetrarch of Abilene, |
1 En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tiberius, als
Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over
Galilea, en Filippus, zijn broeder, een viervorst over Iturea en over het
land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene; |
|
LK 3:2 onder de hogepriesters Annas en Kajafas, kwam het woord Gods tot
Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn. |
2 Annas and Caiaphas being the high priests, the word of God came unto
John the son of Zacharias in the wilderness. |
2 Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord Gods
tot Johannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn. |
|
LK 3:3 En hij kwam in de gehele Jordaanstreek en predikte de doop der
bekering tot vergeving van zonden, |
3 And he came into all the country about Jordan, preaching the baptism
of repentance for the remission of sins; |
3 En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den
doop der bekering tot vergeving der zonden. |
|
LK 3:4 gelijk geschreven staat in het boek der woorden van de profeet
Jesaja: De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des
Heren, maakt recht zijn paden. |
4 As it is written in the book of the words of Esaias the prophet,
saying, The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye the way of
the Lord, make his paths straight. |
4 Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja, den profeet,
zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des
Heeren, maakt Zijn paden recht! |
|
LK 3:5 Alle kloof zal gevuld worden en alle berg en heuvel zal geslecht
worden, en de krommingen zullen recht en de oneffen wegen vlak worden, |
5 Every valley shall be filled, and every mountain and hill shall be
brought low; and the crooked shall be made straight, and the rough ways
[shall be] made smooth; |
5 Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd
worden, en de kromme [wegen] zullen tot een rechten [weg] worden, en de
oneffen tot effen wegen. |
|
LK 3:6 en alle vlees zal het heil Gods zien. |
6 And all flesh shall see the salvation of God. |
6 En alle vlees zal de zaligheid Gods zien. |
|
LK 3:7 Hij sprak dan tot de scharen, die uitliepen om zich door hem te
laten dopen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende
toorn te ontgaan? |
7 Then said he to the multitude that came forth to be baptized of him,
O generation of vipers, who hath warned you to flee from the wrath to
come? |
7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te
worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den
toekomenden toorn? |
|
LK 3:8 Brengt dan vruchten voort, die aan de bekering beantwoorden. En
gaat niet bij uzelf zeggen: Wij hebben Abraham tot vader; want ik zeg u,
dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. |
8 Bring forth therefore fruits worthy of repentance, and begin not to
say within yourselves, We have Abraham to [our] father: for I say unto
you, That God is able of these stones to raise up children unto Abraham. |
8 Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te
zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat
God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. |
|
LK 3:9 Ook ligt reeds de bijl aan de wortel der bomen. Iedere boom dan,
die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur
geworpen. |
9 And now also the axe is laid unto the root of the trees: every tree
therefore which bringeth not forth good fruit is hewn down, and cast into
the fire. |
9 En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan,
die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur
geworpen. |
|
LK 3:10 En de scharen vroegen hem, zeggende: Wat moeten wij dan doen? |
10 And the people asked him, saying, What shall we do then? |
10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? |
|
LK 3:11 Hij antwoordde en zeide: Wie een dubbel stel klederen heeft,
dele mede aan wie er geen heeft, en wie spijzen heeft, doe evenzo. |
11 He answereth and saith unto them, He that hath two coats, let him
impart to him that hath none; and he that hath meat, let him do likewise. |
11 En hij, antwoordende, zeide tot hen: Die twee rokken heeft, dele hem
mede, die geen heeft; en die spijze heeft, doe desgelijks. |
|
LK 3:12 Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen en zij zeiden
tot hem: Meester, wat moeten wij doen? |
12 Then came also publicans to be baptized, and said unto him, Master,
what shall we do? |
12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem:
Meester! wat zullen wij doen? |
|
LK 3:13 Hij zeide tot hen: Vordert niet meer dan u voorgeschreven is. |
13 And he said unto them, Exact no more than that which is appointed
you. |
13 En hij zeide tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is. |
|
LK 3:14 En ook die in krijgsdienst waren, vroegen hem, zeggende: En wat
moeten wij doen? En hij zeide tot hen: Plundert niemand uit en perst niets
af en weest tevreden met uw soldij. |
14 And the soldiers likewise demanded of him, saying, And what shall we
do? And he said unto them, Do violence to no man, neither accuse [any]
falsely; and be content with your wages. |
14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen
wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt
niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen. |
|
LK 3:15 Toen nu het volk in afwachting was en allen in hun hart
overlegden over Johannes, of hij misschien de Christus was, |
15 And as the people were in expectation, and all men mused in their
hearts of John, whether he were the Christ, or not; |
15 En als het volk verwachtte, en allen in hun harten overleiden van
Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware; |
|
LK 3:16 antwoordde Johannes en zeide tot allen: Ik doop u met water,
doch Hij komt, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben
los te maken; die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. |
16 John answered, saying unto [them] all, I indeed baptize you with
water; but one mightier than I cometh, the latchet of whose shoes I am not
worthy to unloose: he shall baptize you with the Holy Ghost and with fire: |
16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water;
maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem
van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en
met vuur; |
|
LK 3:17 De wan is in zijn hand om zijn dorsvloer geheel te zuiveren en
het graan in zijn schuur bijeen te brengen, maar het kaf zal Hij
verbranden met onuitblusbaar vuur. |
17 Whose fan [is] in his hand, and he will throughly purge his floor,
and will gather the wheat into his garner; but the chaff he will burn with
fire unquenchable. |
17 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren,
en de tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met
onuitblusselijk vuur verbranden. |
|
LK 3:18 Met nog vele andere vermaningen bracht hij aan het volk het
evangelie. |
18 And many other things in his exhortation preached he unto the
people. |
18 Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den
volke het Evangelie. |
|
LK 3:19 Toen echter de viervorst Herodes door hem bestraft werd om
Herodias, de vrouw van zijn broeder, en om alle wandaden, die Herodes
bedreven had, |
19 But Herod the tetrarch, being reproved by him for Herodias his
brother Philip's wife, and for all the evils which Herod had done, |
19 Maar als Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias’
wil, de vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze [stukken], die
Herodes deed, |
|
LK 3:20 heeft hij dit nog bij al het andere gevoegd, dat hij Johannes
in de gevangenis sloot. |
20 Added yet this above all, that he shut up John in prison. |
20 Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij
Johannes in de gevangenis gesloten heeft. |
|
LK 3:21 En het geschiedde, terwijl al het volk gedoopt werd, dat, toen
ook Jezus gedoopt werd en in gebed was, de hemel zich opende, |
21 Now when all the people were baptized, it came to pass, that Jesus
also being baptized, and praying, the heaven was opened, |
21 En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus [ook]
gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd; |
|
LK 3:22 en de heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif op
Hem nederdaalde, en dat er een stem kwam uit de hemel: Gij zijt mijn Zoon,
de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen. |
22 And the Holy Ghost descended in a bodily shape like a dove upon him,
and a voice came from heaven, which said, Thou art my beloved Son; in thee
I am well pleased. |
22 En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke
gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit den hemel,
zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen! |
|
LK 3:23 En Hij, Jezus, was, toen Hij optrad, ongeveer dertig jaar, een
zoon, naar men meende, van Jozef, de zoon van Eli, |
23 And Jesus himself began to be about thirty years of age, being (as
was supposed) the son of Joseph, which was [the son] of Heli, |
23 En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren [oud] te wezen, zijnde
(alzo men meende) de zoon van Jozef, den [zoon] van Heli, |
|
LK 3:24 de zoon van Mattat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de
zoon van Jannai, de zoon van Jozef, |
24 Which was [the son] of Matthat, which was [the son] of Levi, which
was [the son] of Melchi, which was [the son] of Janna, which was [the son]
of Joseph, |
24 Den [zoon] van Matthat, den [zoon] van Levi, den [zoon] van Melchi,
den [zoon] van Janna, den [zoon] van Jozef, |
|
LK 3:25 de zoon van Mattatias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de
zoon van Hesli, de zoon van Naggai, |
25 Which was [the son] of Mattathias, which was [the son] of Amos,
which was [the son] of Naum, which was [the son] of Esli, which was [the
son] of Nagge, |
25 Den [zoon] van Mattathias, den [zoon] van Amos, den [zoon] van Naum,
den [zoon] van Esli, den [zoon] van Naggai, |
|
LK 3:26 de zoon van Maät, de zoon van Mattatias, de zoon van Semeïn,
de zoon van Josek, de zoon van Joda, |
26 Which was [the son] of Maath, which was [the son] of Mattathias,
which was [the son] of Semei, which was [the son] of Joseph, which was
[the son] of Juda, |
26 Den [zoon] van Maath, den [zoon] van Mattathias, den [zoon] van
Semei, den [zoon] van Jozef, den [zoon] van Juda, |
|
LK 3:27 de zoon van Joanan, de zoon van Resa, de zoon van Zerubbabel,
de zoon van Sealtiël, de zoon van Neri, |
27 Which was [the son] of Joanna, which was [the son] of Rhesa, which
was [the son] of Zorobabel, which was [the son] of Salathiel, which was
[the son] of Neri, |
27 Den [zoon] van Johannes, den [zoon] van Rhesa, den [zoon] van
Zorobabel, den [zoon] van Salathiel, den [zoon] van Neri, |
|
LK 3:28 de zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de
zoon van Elmadan, de zoon van Er, |
28 Which was [the son] of Melchi, which was [the son] of Addi, which
was [the son] of Cosam, which was [the son] of Elmodam, which was [the
son] of Er, |
28 Den [zoon] van Melchi, den [zoon] van Addi, den [zoon] van Kosam,
den [zoon] van Elmodam, den [zoon] van Er, |
|
LK 3:29 de zoon van Jozua, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de
zoon van Mattat, de zoon van Levi, |
29 Which was [the son] of Jose, which was [the son] of Eliezer, which
was [the son] of Jorim, which was [the son] of Matthat, which was [the
son] of Levi, |
29 Den [zoon] van Joses, den [zoon] van Eliezer, den [zoon] van Jorim,
den [zoon] van Matthat, den [zoon] van Levi, |
|
LK 3:30 de zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de
zoon van Jonan, de zoon van Eljakim, |
30 Which was [the son] of Simeon, which was [the son] of Juda, which
was [the son] of Joseph, which was [the son] of Jonan, which was [the son]
of Eliakim, |
30 Den [zoon] van Simeon, den [zoon] van Juda, den [zoon] van Jozef,
den [zoon] van Jonan, den [zoon] van Eljakim, |
|
LK 3:31 de zoon van Melea, de zoon van Menna, de zoon van Mattatta, de
zoon van Natan, de zoon van David, |
31 Which was [the son] of Melea, which was [the son] of Menan, which
was [the son] of Mattatha, which was [the son] of Nathan, which was [the
son] of David, |
31 Den [zoon] van Meleas, den [zoon] van Mainan, den [zoon] van
Mattatha, den [zoon] van Nathan, den [zoon] van David, |
|
LK 3:32 de zoon van Isaï, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon
van Salma, de zoon van Nachson, |
32 Which was [the son] of Jesse, which was [the son] of Obed, which was
[the son] of Booz, which was [the son] of Salmon, which was [the son] of
Naasson, |
32 Den [zoon] van Jesse, den [zoon] van Obed, den [zoon] van Booz, den
[zoon] van Salmon, den [zoon] van Nahasson, |
|
LK 3:33 de zoon van Amminadab, de zoon van Admin, de zoon van Arni, de
zoon van Chesron, de zoon van Peres, de zoon van Juda, |
33 Which was [the son] of Aminadab, which was [the son] of Aram, which
was [the son] of Esrom, which was [the son] of Phares, which was [the son]
of Juda, |
33 Den [zoon] van Aminadab, den [zoon] van Aram, den [zoon] van Esrom,
den [zoon] van Fares, den [zoon] van Juda, |
|
LK 3:34 de zoon van Jakob, de zoon van Isaak, de zoon van Abraham, de
zoon van Terach, de zoon van Nachor, |
34 Which was [the son] of Jacob, which was [the son] of Isaac, which
was [the son] of Abraham, which was [the son] of Thara, which was [the
son] of Nachor, |
34 Den [zoon] van Jakob, den [zoon] van Izak, den [zoon] van Abraham,
den [zoon] van Thara, den [zoon] van Nachor, |
|
LK 3:35 de zoon van Serug, de zoon van Reü, de zoon van Peleg, de zoon
van Eber, de zoon van Selach, |
35 Which was [the son] of Saruch, which was [the son] of Ragau, which
was [the son] of Phalec, which was [the son] of Heber, which was [the son]
of Sala, |
35 Den [zoon] van Saruch, den [zoon] van Ragau, den [zoon] van Falek,
den [zoon] van Heber, den [zoon] van Sala, |
|
LK 3:36 de zoon van Kenan, de zoon van Arpaksad, de zoon van Sem, de
zoon van Noach, de zoon van Lamech, |
36 Which was [the son] of Cainan, which was [the son] of Arphaxad,
which was [the son] of Sem, which was [the son] of Noe, which was [the
son] of Lamech, |
36 Den [zoon] van Kainan, den [zoon] van Arfaxad, den [zoon] van Sem,
den [zoon] van Noe, den [zoon] van Lamech, |
|
LK 3:37 de zoon van Metuselach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered,
de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan, |
37 Which was [the son] of Mathusala, which was [the son] of Enoch,
which was [the son] of Jared, which was [the son] of Maleleel, which was
[the son] of Cainan, |
37 Den [zoon] van Mathusala, den [zoon] van Enoch, den [zoon] van
Jared, den [zoon] van Malaleel, den [zoon] van Kainan, |
|
LK 3:38 de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon
van God. |
38 Which was [the son] of Enos, which was [the son] of Seth, which was
[the son] of Adam, which was [the son] of God. |
38 Den [zoon] van Enos, den [zoon] van Seth, den [zoon] van Adam, den
[zoon] van God. |
|
LK 4:1 Jezus nu, vol van de heilige Geest, keerde
terug van de Jordaan en werd door de Geest geleid in de woestijn, |
1 And Jesus being full of the Holy Ghost returned from Jordan, and was
led by the Spirit into the wilderness, |
1 En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en
werd door den Geest geleid in de woestijn; |
|
LK 4:2 waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel. En Hij at
niets in die dagen en toen zij voorbij waren, kreeg Hij honger. |
2 Being forty days tempted of the devil. And in those days he did eat
nothing: and when they were ended, he afterward hungered. |
2 En werd veertig dagen verzocht van den duivel; en at gans niet in die
dagen, en als dezelve geeindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste. |
|
LK 4:3 En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan
tot deze steen, dat hij brood worde. |
3 And the devil said unto him, If thou be the Son of God, command this
stone that it be made bread. |
3 En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen
steen, dat hij brood worde. |
|
LK 4:4 En Jezus antwoordde hem: Er staat geschreven: Niet alleen van
brood zal de mens leven. |
4 And Jesus answered him, saying, It is written, That man shall not
live by bread alone, but by every word of God. |
4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij
brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods. |
|
LK 4:5 En hij voerde Hem op een hoogte en toonde Hem al de koninkrijken
der wereld in een ogenblik tijds. |
5 And the devil, taking him up into an high mountain, shewed unto him
all the kingdoms of the world in a moment of time. |
5 En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al
de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds. |
|
LK 4:6 En de duivel zeide tot Hem: U zal ik al deze macht geven en hun
heerlijkheid, want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil. |
6 And the devil said unto him, All this power will I give thee, and the
glory of them: for that is delivered unto me; and to whomsoever I will I
give it. |
6 En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de
heerlijkheid derzelver [koninkrijken] geven; want zij is mij overgegeven,
en ik geef ze, wien ik ook wil; |
|
LK 4:7 Indien Gij mij dan aanbidt, zal zij geheel van U zijn. |
7 If thou therefore wilt worship me, all shall be thine. |
7 Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn. |
|
LK 4:8 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Er staat geschreven: Gij
zult de Here, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen. |
8 And Jesus answered and said unto him, Get thee behind me, Satan: for
it is written, Thou shalt worship the Lord thy God, and him only shalt
thou serve. |
8 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er
is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen
dienen. |
|
LK 4:9 En hij leidde Hem naar Jeruzalem en stelde Hem op de rand van
het dak des tempels en hij zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp
Uzelf dan vanhier naar beneden; |
9 And he brought him to Jerusalem, and set him on a pinnacle of the
temple, and said unto him, If thou be the Son of God, cast thyself down
from hence: |
9 En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne des
tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp Uzelven van
hier nederwaarts; |
|
LK 4:10 want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij opdracht
geven aangaande u om u te behoeden, |
10 For it is written, He shall give his angels charge over thee, to
keep thee: |
10 Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat
zij U bewaren zullen; |
|
LK 4:11 en: Op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet
aan een steen stoot. |
11 And in [their] hands they shall bear thee up, lest at any time thou
dash thy foot against a stone. |
11 En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te
eniger tijd aan een steen stoot. |
|
LK 4:12 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Er is gezegd: Gij zult de
Here, uw God, niet verzoeken. |
12 And Jesus answering said unto him, It is said, Thou shalt not tempt
the Lord thy God. |
12 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Er is gezegd: Gij zult den
Heere, uw God, niet verzoeken. |
|
LK 4:13 En toen de duivel alle verzoeking ten einde had gebracht, week
hij van Hem tot een bestemde tijd. |
13 And when the devil had ended all the temptation, he departed from
him for a season. |
13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem
voor een tijd. |
|
LK 4:14 En Jezus keerde in de kracht des Geestes terug naar Galilea. En
de roep over Hem ging uit door de gehele streek. |
14 And Jesus returned in the power of the Spirit into Galilee: and
there went out a fame of him through all the region round about. |
14 En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galilea;
en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land. |
|
LK 4:15 En Hij leerde in hun synagogen en werd door allen geprezen. |
15 And he taught in their synagogues, being glorified of all. |
15 En Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen geprezen. |
|
LK 4:16 En hij kwam te Nazaret, waar Hij opgevoed was, en Hij ging
volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor
te lezen. |
16 And he came to Nazareth, where he had been brought up: and, as his
custom was, he went into the synagogue on the sabbath day, and stood up
for to read. |
16 En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn
gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen. |
|
LK 4:17 En Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en
toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: |
17 And there was delivered unto him the book of the prophet Esaias. And
when he had opened the book, he found the place where it was written, |
17 En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het
boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was; |
|
LK 4:18 De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd
heeft, om aan armen het evangelie te brengen; |
18 The Spirit of the Lord [is] upon me, because he hath anointed me to
preach the gospel to the poor; |
18 De Geest des Heeren [is] op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij
heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, |
| |
he hath sent me to heal the brokenhearted, |
om te genezen, die gebroken zijn van hart; |
|
LK 4:19 en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te
verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in
vrijheid, |
to preach deliverance to the captives, and recovering of sight to the
blind, to set at liberty them that are bruised, |
19 Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht,
om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; |
|
om te verkondigen het aangename jaar des Heren. |
19 To preach the acceptable year of the Lord. |
om te prediken het aangename jaar des Heeren. |
|
LK 4:20 Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de dienaar terug en ging
zitten. |
20 And he closed the book, and he gave [it] again to the minister, and
sat down. |
20 En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat
Hij neder; |
|
LK 4:21 En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. |
And the eyes of all them that were in the synagogue were fastened on
him. |
en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen. |
|
En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit schriftwoord voor uw oren
vervuld. |
21 And he began to say unto them, This day is this scripture fulfilled
in your ears. |
21 En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren
vervuld. |
|
LK 4:22 En allen betuigden hun instemming met Hem en verwonderden zich
over de woorden van genade, die van zijn lippen kwamen en zij zeiden: Is
dit niet de zoon van Jozef? |
22 And all bare him witness, and wondered at the gracious words which
proceeded out of his mouth. And they said, Is not this Joseph's son? |
22 En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de
aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet
de Zoon van Jozef? |
|
LK 4:23 En Hij zeide tot hen: Gij zult ongetwijfeld deze spreuk tot Mij
zeggen: Geneesheer, genees Uzelf! Doe alle dingen, waarvan wij gehoord
hebben, dat zij te Kafarnaüm geschied zijn, ook hier, in uw vaderstad. |
23 And he said unto them, Ye will surely say unto me this proverb,
Physician, heal thyself: whatsoever we have heard done in Capernaum, do
also here in thy country. |
23 En Hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot Mij dit
spreekwoord zeggen: Medicijnmeester, genees Uzelven; al wat wij gehoord
hebben, dat in Kapernaum geschied is, doe [dat] ook hier in Uw vaderland. |
|
LK 4:24 Doch Hij zeide: Voorwaar, Ik zeg u, geen profeet is aangenaam
in zijn vaderstad. |
24 And he said, Verily I say unto you, No prophet is accepted in his
own country. |
24 En Hij zeide: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in
zijn vaderland. |
|
LK 4:25 Doch Ik zeg u naar waarheid, er waren vele weduwen in de dagen
van Elia in Israël, toen de hemel drie jaren en zes maanden lang gesloten
bleef en er grote hongersnood was over het gehele land, |
25 But I tell you of a truth, many widows were in Israel in the days of
Elias, when the heaven was shut up three years and six months, when great
famine was throughout all the land; |
25 Maar Ik zeg u in der waarheid: Er waren vele weduwen in Israel in de
dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was,
zodat er grote hongersnood werd over het gehele land. |
|
LK 4:26 en tot geen van haar werd Elia gezonden, doch wel naar Sarepta,
bij Sidon, tot een vrouw, die weduwe was. |
26 But unto none of them was Elias sent, save unto Sarepta, [a city] of
Sidon, unto a woman [that was] a widow. |
26 En tot geen van haar werd Elias gezonden, dan naar Sarepta Sidonis,
tot een vrouw, [die] weduwe [was]. |
|
LK 4:27 En er waren vele melaatsen in Israël ten tijde van de profeet
Elisa, en geen van hen werd gereinigd, doch wel Naäman de Syriër. |
27 And many lepers were in Israel in the time of Eliseus the prophet;
and none of them was cleansed, saving Naaman the Syrian. |
27 En er waren vele melaatsen in Israel, ten tijde van den profeet
Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naaman, de Syrier. |
|
LK 4:28 En allen in de synagoge werden met toorn vervuld, toen zij dit
hoorden. |
28 And all they in the synagogue, when they heard these things, were
filled with wrath, |
28 En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit
hoorden. |
|
LK 4:29 Zij stonden op en wierpen Hem de stad uit en voerden Hem tot
aan de rand van de berg, waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de
steilte te storten. |
29 And rose up, and thrust him out of the city, and led him unto the
brow of the hill whereon their city was built, that they might cast him
down headlong. |
29 En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op
den top des bergs, op denwelken hun stad gebouwd was, om Hem van de
steilte af te werpen. |
|
LK 4:30 Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok. |
30 But he passing through the midst of them went his way, |
30 Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg. |
|
LK 4:31 En hij daalde af naar Kafarnaüm, een stad in Galilea, en Hij
leerde hen geregeld op de sabbat. |
31 And came down to Capernaum, a city of Galilee, and taught them on
the sabbath days. |
31 En Hij kwam af te Kapernaum, een stad van Galilea, en leerde hen op
de sabbatdagen. |
|
LK 4:32 En zij stonden versteld over zijn leer, want zijn woord was met
gezag. |
32 And they were astonished at his doctrine: for his word was with
power. |
32 En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met
macht. |
|
LK 4:33 En in de synagoge was iemand met een boze, onreine geest |
33 And in the synagogue there was a man, which had a spirit of an
unclean devil, |
33 En in de synagoge was een mens, hebbende een geest eens onreinen
duivels; |
|
LK 4:34 en hij schreeuwde met luider stem: |
and cried out with a loud voice, |
en hij riep uit met grote stemme, |
|
Ha, wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazaret? Zijt Gij gekomen
om ons te verdelgen? Ik weet wel, wie Gij zijt: de heilige Gods. |
34 Saying, Let [us] alone; what have we to do with thee, [thou] Jesus
of Nazareth? art thou come to destroy us? I know thee who thou art; the
Holy One of God. |
34 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U [te doen], Gij Jezus
Nazarener? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt,
[namelijk] de Heilige Gods. |
|
LK 4:35 En Jezus bestrafte hem en zeide: Zwijg stil en vaar uit van
hem. En de boze geest wierp hem in het midden neer en voer van hem uit
zonder hem enig kwaad te doen. |
35 And Jesus rebuked him, saying, Hold thy peace, and come out of him.
And when the devil had thrown him in the midst, he came out of him, and
hurt him not. |
35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga van hem uit. En
de duivel, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder
hem iets te beschadigen. |
|
LK 4:36 En er kwam verbazing over allen en zij spraken erover tot
elkander en zeiden: Wat voor spreken is dit? Want Hij legt met gezag en
macht aan de onreine geesten zijn bevelen op en zij varen uit. |
36 And they were all amazed, and spake among themselves, saying, What a
word [is] this! for with authority and power he commandeth the unclean
spirits, and they come out. |
36 En er kwam een verbaasdheid over allen; en zij spraken samen tot
elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den
onreinen geesten gebiedt, en zij varen uit? |
|
LK 4:37 En er ging een roep van Hem uit naar alle plaatsen in de
omtrek. |
37 And the fame of him went out into every place of the country round
about. |
37 En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden
lands. |
|
LK 4:38 Daarna stond Hij op en ging van de synagoge naar het huis van
Simon. De schoonmoeder van Simon nu was bevangen door zware koorts en zij
riepen zijn hulp voor haar in. |
38 And he arose out of the synagogue, and entered into Simon's house.
And Simon's wife's mother was taken with a great fever; and they besought
him for her. |
38 En [Jezus], opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van
Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij
baden Hem voor haar. |
|
LK 4:39 En hij ging aan het hoofdeinde staan en bestrafte de koorts en
deze verliet haar. Onmiddellijk stond zij op en diende hen. |
39 And he stood over her, and rebuked the fever; and it left her: and
immediately she arose and ministered unto them. |
39 En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en [de koorts]
verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden. |
|
LK 4:40 Toen de zon onderging, brachten allen, die zieken hadden,
lijdende aan allerlei kwalen, dezen tot Hem. Hij legde ieder van hen
afzonderlijk de handen op en genas hen. |
40 Now when the sun was setting, all they that had any sick with divers
diseases brought them unto him; and he laid his hands on every one of
them, and healed them. |
40 En als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met
verscheidenen ziekten [bevangen], die tot Hem, en Hij legde een iegelijk
van hen de handen op, en genas dezelve. |
|
LK 4:41 Van velen voeren ook boze geesten uit, roepende en zeggende:
Gij zijt de Zoon van God. En Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te
spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was. |
41 And devils also came out of many, crying out, and saying, Thou art
Christ the Son of God. And he rebuking [them] suffered them not to speak:
for they knew that he was Christ. |
41 En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij
zijt de Christus, de Zone Gods! En [hen] bestraffende, liet Hij die niet
spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was. |
|
LK 4:42 En toen het dag geworden was, vertrok Hij en ging naar een
eenzame plaats. En de scharen zochten Hem en kwamen tot Hem en trachtten
Hem tegen te houden, opdat Hij niet van hen zou heengaan. |
42 And when it was day, he departed and went into a desert place: and
the people sought him, and came unto him, and stayed him, that he should
not depart from them. |
42 En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar een woeste plaats;
en de scharen zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat
Hij van hen niet zou weggaan. |
|
LK 4:43 Maar Hij sprak tot hen: Ook aan de andere steden moet Ik het
evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben Ik
uitgezonden. |
43 And he said unto them, I must preach the kingdom of God to other
cities also: for therefore am I sent. |
43 Maar Hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van
het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden. |
|
LK 4:44 En Hij predikte in de synagogen van Judea. |
44 And he preached in the synagogues of Galilee. |
44 En Hij predikte in de synagogen van Galilea. |
|
LK 5:1 En het geschiedde, toen de schare op Hem
aandrong en naar het woord Gods hoorde, dat Hij zelf aan de oever van het
meer Gennesaret stond, |
1 And it came to pass, that, as the people pressed upon him to hear the
word of God, he stood by the lake of Gennesaret, |
1 En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods
te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth. |
|
en Hij zag twee schepen aan de oever liggen. |
2 And saw two ships standing by the lake: |
2 En Hij zag twee schepen aan [den oever] van het meer liggende, |
|
LK 5:2 De vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten. |
but the fishermen were gone out of them, and were washing [their] nets. |
en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten. |
|
LK 5:3 Hij ging in één van de schepen, dat van Simon, en vroeg hem de
zee in te gaan, niet ver van de oever. En Hij zette Zich neder en leerde
de scharen van het schip uit. |
3 And he entered into one of the ships, which was Simon's, and prayed
him that he would thrust out a little from the land. And he sat down, and
taught the people out of the ship. |
3 En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad
hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij
de scharen uit het schip. |
|
LK 5:4 Toen Hij opgehouden had met spreken, zeide Hij tot Simon: Ga
naar diep water en zet uw netten uit om te vissen. |
4 Now when he had left speaking, he said unto Simon, Launch out into
the deep, and let down your nets for a draught. |
4 En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de
diepte, en werp uw netten uit om te vangen. |
|
LK 5:5 En Simon antwoordde en zeide: Meester, de gehele nacht door
hebben wij hard gewerkt en niets gevangen, maar op uw woord zal ik de
netten uitzetten. |
5 And Simon answering said unto him, Master, we have toiled all the
night, and have taken nothing: nevertheless at thy word I will let down
the net. |
5 En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen
nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net
uitwerpen. |
|
LK 5:6 En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een grote menigte
vissen binnen, en hun netten dreigden te scheuren. |
6 And when they had this done, they inclosed a great multitude of
fishes: and their net brake. |
6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen,
en hun net scheurde. |
|
LK 5:7 En zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij hen
zouden komen helpen. En dezen kwamen en zij vulden beide schepen, tot
zinkens toe. |
7 And they beckoned unto [their] partners, which were in the other
ship, that they should come and help them. And they came, and filled both
the ships, so that they began to sink. |
7 En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren, dat
zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen,
zodat zij bijna zonken. |
|
LK 5:8 Toen Simon Petrus dit zag, viel hij neder aan de knieën van
Jezus en zeide: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here. |
8 When Simon Peter saw [it], he fell down at Jesus' knees, saying,
Depart from me; for I am a sinful man, O Lord. |
8 En Simon Petrus, [dat] ziende, viel neder aan de knieen van Jezus,
zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens. |
|
LK 5:9 Want verbazing had hem en allen, die bij hem waren, aangegrepen
over de vangst der vissen, welke zij gevangen hadden; |
9 For he was astonished, and all that were with him, at the draught of
the fishes which they had taken: |
9 Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over
de vangst der vissen, die zij gevangen hadden; |
|
LK 5:10 evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die
metgezellen van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Wees niet bevreesd,
van nu aan zult gij mensen vangen. |
10 And so [was] also James, and John, the sons of Zebedee, which were
partners with Simon. And Jesus said unto Simon, Fear not; from henceforth
thou shalt catch men. |
10 En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die
medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu
aan zult gij mensen vangen. |
|
LK 5:11 En zij trokken de schepen op het land en lieten alles achter en
volgden Hem. |
11 And when they had brought their ships to land, they forsook all, and
followed him. |
11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles,
en volgden Hem. |
|
LK 5:12 En het geschiedde, toen Hij in een van de steden was, zie, daar
was een man, vol melaatsheid. Toen hij Jezus zag, wierp hij zich op zijn
aangezicht en smeekte Hem, zeggende: Here, indien Gij wilt, kunt Gij mij
reinigen. |
12 And it came to pass, when he was in a certain city, behold a man
full of leprosy: who seeing Jesus fell on [his] face, and besought him,
saying, Lord, if thou wilt, thou canst make me clean. |
12 En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er [was]
een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en
bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. |
|
LK 5:13 En Hij strekte de hand uit, raakte hem aan en zeide: Ik wil
het, word rein. En terstond verliet hem de melaatsheid. |
13 And he put forth [his] hand, and touched him, saying, I will: be
thou clean. And immediately the leprosy departed from him. |
13 En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zeide: Ik wil,
word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem. |
|
LK 5:14 En Hij gebood hem het aan niemand te zeggen, maar (zeide Hij)
ga heen, toon u aan de priester en breng het offer voor uw reiniging,
gelijk Mozes voorgeschreven heeft, hun tot een getuigenis. |
14 And he charged him to tell no man: but go, and shew thyself to the
priest, and offer for thy cleansing, according as Moses commanded, for a
testimony unto them. |
14 En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen,
[zeide Hij], vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging,
gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. |
|
LK 5:15 Maar het gerucht over Hem ging steeds verder rond en vele
scharen stroomden samen om te horen en zich te laten genezen van hun
ziekten. |
15 But so much the more went there a fame abroad of him: and great
multitudes came together to hear, and to be healed by him of their
infirmities. |
15 Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen
samen om [Hem] te horen, en door Hem genezen te worden van hun krankheden. |
|
LK 5:16 Doch Hij trok Zich terug in de eenzame plaatsen om te bidden. |
16 And he withdrew himself into the wilderness, and prayed. |
16 Maar Hij vertrok in de woestijnen, en bad [aldaar]. |
|
LK 5:17 En het geschiedde op een dier dagen, terwijl Hij bezig was te
leren, dat er ook Farizeeën en wetgeleerden zaten, die gekomen waren uit
alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem. En er was kracht des
Heren, zodat Hij kon genezen. |
17 And it came to pass on a certain day, as he was teaching, that there
were Pharisees and doctors of the law sitting by, which were come out of
every town of Galilee, and Judaea, and Jerusalem: and the power of the
Lord was [present] to heal them. |
17 En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en [er] zaten
Farizeen en leraars der wet, die van alle vlekken van Galilea, en Judea,
en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was [er] om hen te
genezen. |
|
LK 5:18 En zie, daar kwamen (enige) mannen met een verlamde op een bed,
en zij trachtten hem binnen te dragen en [hem] vóór Hem te leggen. |
18 And, behold, men brought in a bed a man which was taken with a
palsy: and they sought [means] to bring him in, and to lay [him] before
him. |
18 En ziet, [enige] mannen brachten op een bed een mens, die geraakt
was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen. |
|
LK 5:19 En toen zij geen gelegenheid vonden om hem binnen te dragen,
vanwege de schare, gingen zij het dak op en lieten hem met zijn bed door
de tegels in het midden neder, vlak vóór Jezus. |
19 And when they could not find by what [way] they might bring him in
because of the multitude, they went upon the housetop, and let him down
through the tiling with [his] couch into the midst before Jesus. |
19 En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, overmits de
schare, zo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder
met het beddeken, in het midden, voor Jezus. |
|
LK 5:20 En hun geloof ziende, zeide Hij: Mens, uw zonden zijn u
vergeven. |
20 And when he saw their faith, he said unto him, Man, thy sins are
forgiven thee. |
20 En Hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u
vergeven. |
|
LK 5:21 En de schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen
en zeiden: Wie is deze, die (zulke) godslasterlijke dingen zegt? Wie kan
zonden vergeven dan God alleen? |
21 And the scribes and the Pharisees began to reason, saying, Who is
this which speaketh blasphemies? Who can forgive sins, but God alone? |
21 En de Schriftgeleerden en de Farizeen begonnen te overdenken,
zeggende: Wie is Deze, Die [gods] lastering spreekt? Wie kan de zonden
vergeven, dan God alleen? |
|
LK 5:22 Doch Jezus doorzag hun overleggingen en antwoordde en zeide tot
hen: Wat overlegt gij in uw harten? |
22 But when Jesus perceived their thoughts, he answering said unto
them, What reason ye in your hearts? |
22 Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot
hen: Wat overdenkt gij in uw harten? |
|
LK 5:23 Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of
te zeggen: Sta op en wandel? |
23 Whether is easier, to say, Thy sins be forgiven thee; or to say,
Rise up and walk? |
23 Wat is lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen:
Sta op en wandel? |
|
LK 5:24 Maar, opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft
op aarde zonden te vergeven - zeide Hij tot de verlamde: Tot u zeg Ik, sta
op, neem uw bed op en ga naar uw huis. |
24 But that ye may know that the Son of man hath power upon earth to
forgive sins, (he said unto the sick of the palsy,) I say unto thee,
Arise, and take up thy couch, and go into thine house. |
24 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de
aarde, de zonde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta
op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis. |
|
LK 5:25 En onmiddellijk stond hij voor hun ogen op, nam hetgeen, waar
hij op gelegen had, mede en ging naar zijn huis, God verheerlijkende. |
25 And immediately he rose up before them, and took up that whereon he
lay, and departed to his own house, glorifying God. |
25 En hij, terstond voor Hem opstaande, [en] opgenomen hebbende
hetgeen, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God
verheerlijkende. |
|
LK 5:26 En ontzetting beving allen en zij verheerlijkten God, en werden
met vrees vervuld, zeggende: Wij hebben heden ongelooflijke dingen gezien. |
26 And they were all amazed, and they glorified God, and were filled
with fear, saying, We have seen strange things to day. |
26 En ontzetting heeft [hen] allen bevangen, en zij verheerlijkten God,
en werden vervuld met vreze, zeggende: Wij hebben heden ongelofelijke
dingen gezien. |
|
LK 5:27 En daarna vertrok Hij en zag een tollenaar, Levi genaamd, bij
zijn tolhuis zitten en Hij zeide tot hem: Volg Mij. |
27 And after these things he went forth, and saw a publican, named
Levi, sitting at the receipt of custom: and he said unto him, Follow me. |
27 En na dezen ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi,
zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. |
|
LK 5:28 En hij liet alles achter, stond op en volgde Hem. |
28 And he left all, rose up, and followed him. |
28 En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem. |
|
LK 5:29 En Levi richtte een grote maaltijd voor Hem aan in zijn huis,
en er was een grote menigte tollenaars en anderen, die met hen aan tafel
waren. |
29 And Levi made him a great feast in his own house: and there was a
great company of publicans and of others that sat down with them. |
29 En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan, in zijn huis; en [er]
was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten. |
|
LK 5:30 En de Farizeeën en hun schriftgeleerden morden tegen zijn
discipelen en zeiden: Waarom eet en drinkt gij met de tollenaars en
zondaars? |
30 But their scribes and Pharisees murmured against his disciples,
saying, Why do ye eat and drink with publicans and sinners? |
30 En hun Schriftgeleerden en de Farizeen murmureerden tegen Zijn
discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren? |
|
LK 5:31 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Zij, die gezond zijn,
hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. |
31 And Jesus answering said unto them, They that are whole need not a
physician; but they that are sick. |
31 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den
medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. |
|
LK 5:32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars,
tot bekering. |
32 I came not to call the righteous, but sinners to repentance. |
32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot
bekering. |
|
LK 5:33 Doch zij zeiden tot Hem: De discipelen van Johannes vasten
dikwijls en doen hun gebeden, en zo ook die der Farizeeën, maar die van U
eten en drinken. |
33 And they said unto him, Why do the disciples of John fast often, and
make prayers, and likewise [the disciples] of the Pharisees; but thine eat
and drink? |
33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes
dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook [de discipelen] der Farizeen,
maar de Uwe eten en drinken? |
|
LK 5:34 Jezus zeide tot hen: Kunt gij soms de bruiloftsgasten laten
vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? |
34 And he said unto them, Can ye make the children of the bridechamber
fast, while the bridegroom is with them? |
34 Doch Hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de
Bruidegom bij hen is, doen vasten? |
|
LK 5:35 Doch er zullen (andere) dagen komen, en wanneer de bruidegom
van hen weggenomen is, dan zullen zij vasten, in die dagen. |
35 But the days will come, when the bridegroom shall be taken away from
them, and then shall they fast in those days. |
35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal
weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen. |
|
LK 5:36 Hij sprak ook een gelijkenis tot hen: Niemand scheurt een lap
van een nieuw kledingstuk af om die op een oud kledingstuk te zetten.
Anders zal hij niet alleen het nieuwe scheuren, maar de lap van het nieuwe
zal ook niet passen bij het oude. |
36 And he spake also a parable unto them; No man putteth a piece of a
new garment upon an old; if otherwise, then both the new maketh a rent,
and the piece that was [taken] out of the new agreeth not with the old. |
36 En Hij zeide ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een
nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe [het oude],
en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen. |
|
LK 5:37 En niemand doet jonge wijn in oude zakken; anders zal de jonge
wijn de zakken scheuren en weglopen en de zakken gaan verloren; |
37 And no man putteth new wine into old bottles; else the new wine will
burst the bottles, and be spilled, and the bottles shall perish. |
37 En niemand doet nieuwen wijn in oude [leder] zakken; anders zo zal
de nieuwe wijn de [leder] zakken doen bersten, en de [wijn] zal uitgestort
worden, en de [leder] zakken zullen verderven. |
|
LK 5:38 maar jonge wijn moet men in nieuwe zakken doen. |
38 But new wine must be put into new bottles; and both are preserved. |
38 Maar nieuwen wijn moet men in nieuwe [leder] zakken doen, en zij
worden beide te zamen behouden. |
|
LK 5:39 En niemand, die oude gedronken heeft, wil jonge, want hij zegt:
De oude is voortreffelijk. |
39 No man also having drunk old [wine] straightway desireth new: for he
saith, The old is better. |
39 En niemand, die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij
zegt: De oude is beter. |
|
LK 6:1 Het geschiedde op een sabbat, dat Hij door
korenvelden ging en zijn discipelen plukten aren en aten die, ze stuk
wrijvende met hun handen. |
1 And it came to pass on the second sabbath after the first, that he
went through the corn fields; and his disciples plucked the ears of corn,
and did eat, rubbing [them] in [their] hands. |
1 En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het
gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, [die]
wrijvende met de handen. |
|
LK 6:2 Maar sommige van de Farizeeën zeiden: Waarom doet gij wat op
sabbat niet mag? |
2 And certain of the Pharisees said unto them, Why do ye that which is
not lawful to do on the sabbath days? |
2 En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet
geoorloofd is te doen op de sabbatten? |
|
LK 6:3 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hebt gij dan ook dit niet
gelezen, wat David gedaan heeft, toen hij en die met hem waren honger
kregen? |
3 And Jesus answering them said, Have ye not read so much as this, what
David did, when himself was an hungred, and they which were with him; |
3 En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen,
hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren? |
|
LK 6:4 Hoe hij het huis Gods binnengegaan is en de toonbroden heeft
genomen en ervan gegeten heeft en gegeven aan die met hem waren, waarvan
niemand mag eten dan alleen de priesters? |
4 How he went into the house of God, and did take and eat the
shewbread, and gave also to them that were with him; which it is not
lawful to eat but for the priests alone? |
4 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en
gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn
geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren. |
|
LK 6:5 En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is heer over de sabbat. |
5 And he said unto them, That the Son of man is Lord also of the
sabbath. |
5 En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den
sabbat. |
|
LK 6:6 Op een andere sabbat geschiedde het, dat Hij in de synagoge ging
en leerde. En daar was iemand, wiens rechterhand verschrompeld was. |
6 And it came to pass also on another sabbath, that he entered into the
synagogue and taught: and there was a man whose right hand was withered. |
6 En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge
ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. |
|
LK 6:7 De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem, of Hij op de
sabbat genas, om een aanklacht tegen Hem te vinden. |
7 And the scribes and Pharisees watched him, whether he would heal on
the sabbath day; that they might find an accusation against him. |
7 En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den
sabbat genezen zou; opdat zij [enige] beschuldiging tegen Hem mochten
vinden. |
|
LK 6:8 Maar Hij kende hun overleggingen en zeide tot de man, wiens hand
verschrompeld was: Sta op en ga in het midden staan. Hij stond op en ging
staan. |
8 But he knew their thoughts, and said to the man which had the
withered hand, Rise up, and stand forth in the midst. And he arose and
stood forth. |
8 Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre
hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond
[overeind]. |
|
LK 6:9 En Jezus sprak tot hen: Ik leg u de vraag voor, of het
geoorloofd is op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te
redden of verloren te doen gaan. |
9 Then said Jesus unto them, I will ask you one thing; Is it lawful on
the sabbath days to do good, or to do evil? to save life, or to destroy
[it]? |
9 Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de
sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te
verderven? |
|
LK 6:10 Toen zag Hij hen allen rondom Zich aan en zeide tot hem: Strek
uw hand uit. Hij deed het en zijn hand werd weder gezond. |
10 And looking round about upon them all, he said unto the man, Stretch
forth thy hand. And he did so: and his hand was restored whole as the
other. |
10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens:
Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond
gelijk de andere. |
|
LK 6:11 En zij raakten volkomen hun verstand kwijt en spraken er met
elkander over, wat zij Jezus doen zouden. |
11 And they were filled with madness; and communed one with another
what they might do to Jesus. |
11 En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met
elkander, wat zij Jezus doen zouden. |
|
LK 6:12 En het geschiedde in die dagen, dat Hij naar het gebergte ging
om te bidden, en Hij bracht de nacht door in het gebed tot God. |
12 And it came to pass in those days, that he went out into a mountain
to pray, and continued all night in prayer to God. |
12 En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te
bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God. |
|
LK 6:13 En toen het dag geworden was, riep Hij zijn discipelen tot Zich
en koos er twaalf uit, die Hij ook apostelen noemde: |
13 And when it was day, he called [unto him] his disciples: and of them
he chose twelve, whom also he named apostles; |
13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en
verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: |
|
LK 6:14 Simon, die Hij ook Petrus noemde, en Andreas, zijn broeder, en
Jakobus en Johannes, en Filippus en Bartolomeüs, |
14 Simon, (whom he also named Peter,) and Andrew his brother, James and
John, Philip and Bartholomew, |
14 [Namelijk] Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn
broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus; |
|
LK 6:15 en Matteüs en Tomas, [en] Jakobus, de zoon van Alfeüs, en
Simon, bijgenaamd de Zeloot, |
15 Matthew and Thomas, James the [son] of Alphaeus, and Simon called
Zelotes, |
15 Mattheus en Thomas, Jakobus, den [zoon] van Alfeus, en Simon genaamd
Zelotes; |
|
en Judas, de zoon van Jakobus, |
16 And Judas [the brother] of James, |
16 Judas, [den broeder] van Jakobus, |
|
LK 6:16 en Judas Iskariot, die de verrader geworden is. |
and Judas Iscariot, which also was the traitor. |
en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. |
|
LK 6:17 En Hij daalde met hen af en bleef staan op een vlakke plaats en
(daar) was een grote schare van zijn discipelen en een grote menigte van
volk uit het gehele Joodse land en Jeruzalem en van Tyrus en Sidon aan de
zee, |
17 And he came down with them, and stood in the plain, and the company
of his disciples, and a great multitude of people out of all Judaea and
Jerusalem, and from the sea coast of Tyre and Sidon, |
17 En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en [met
Hem] de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van
geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon; |
|
LK 6:18 die gekomen waren om Hem te horen en genezen te worden van hun
ziekten; |
which came to hear him, and to be healed of their diseases; |
18 Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te
worden, |
|
en die gekweld werden door onreine geesten werden genezen. |
18 And they that were vexed with unclean spirits: and they were healed. |
en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen. |
|
LK 6:19 En de gehele schare trachtte Hem aan te raken, omdat er kracht
van Hem uitging en Hij allen genas. |
19 And the whole multitude sought to touch him: for there went virtue
out of him, and healed [them] all. |
19 En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem
uit, en Hij genas ze allen. |
|
LK 6:20 En Hij hief zijn ogen op naar zijn discipelen en zeide: Zalig,
gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods. |
20 And he lifted up his eyes on his disciples, and said, Blessed [be
ye] poor: for yours is the kingdom of God. |
20 En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt
gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods. |
|
LK 6:21 Zalig, gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden.
Zalig, gij, die nu weent, want gij zult lachen. |
21 Blessed [are ye] that hunger now: for ye shall be filled. Blessed
[are ye] that weep now: for ye shall laugh. |
21 Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden.
Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen. |
|
LK 6:22 Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten en wanneer zij u
uitstoten, en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon
des mensen. |
22 Blessed are ye, when men shall hate you, and when they shall
separate you [from their company], and shall reproach [you], and cast out
your name as evil, for the Son of man's sake. |
22 Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u
afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des
mensen wil. |
|
LK 6:23 Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie,
uw loon is groot in de hemel; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen
met de profeten gehandeld. |
23 Rejoice ye in that day, and leap for joy: for, behold, your reward
[is] great in heaven: for in the like manner did their fathers unto the
prophets. |
23 Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is
groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten. |
|
LK 6:24 Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw vertroosting reeds. |
24 But woe unto you that are rich! for ye have received your
consolation. |
24 Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg. |
|
LK 6:25 Wee u, die nu overvloed hebt, want gij zult hongeren. Wee u,
die nu lacht, want gij zult smart hebben en wenen. |
25 Woe unto you that are full! for ye shall hunger. Woe unto you that
laugh now! for ye shall mourn and weep. |
25 Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu
lacht, want gij zult treuren en wenen. |
|
LK 6:26 Wee u, wanneer alle mensen wèl van u spreken; immers, op
dezelfde wijze hebben hun vaderen met de valse profeten gehandeld. |
26 Woe unto you, when all men shall speak well of you! for so did their
fathers to the false prophets. |
26 Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden
desgelijks den valsen profeten. |
|
LK 6:27 Maar tot u, die Mij hoort, zeg ik: Hebt uw vijanden lief, doet
wel degenen, die u haten; |
27 But I say unto you which hear, Love your enemies, do good to them
which hate you, |
27 Maar Ik zeg ulieden, die [dit] hoort: Hebt uw vijanden lief; doet
wel dengenen, die u haten. |
|
LK 6:28 zegent wie u vervloeken; bidt voor wie u smadelijk behandelen. |
28 Bless them that curse you, and pray for them which despitefully use
you. |
28 Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld
doen. |
|
LK 6:29 Slaat iemand u op uw wang, keer hem ook de andere toe, neemt
iemand u uw mantel af, laat hem ook het hemd nemen. |
29 And unto him that smiteth thee on the [one] cheek offer also the
other; and him that taketh away thy cloke forbid not [to take thy] coat
also. |
29 Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene,
die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet [te nemen]. |
|
LK 6:30 Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe,
vraag het niet terug. |
30 Give to every man that asketh of thee; and of him that taketh away
thy goods ask [them] not again. |
30 Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het
uwe neemt, eist niet weder. |
|
LK 6:31 En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo. |
31 And as ye would that men should do to you, do ye also to them
likewise. |
31 En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook
desgelijks. |
|
LK 6:32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat hebt gij vóór?
Immers, ook de zondaars hebben lief, die hen liefhebben. |
32 For if ye love them which love you, what thank have ye? for sinners
also love those that love them. |
32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want
ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben. |
|
LK 6:33 Want indien gij goed doet aan wie u goed doen, wat hebt gij
vóór? Ook de zondaars doen dat. |
33 And if ye do good to them which do good to you, what thank have ye?
for sinners also do even the same. |
33 En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt
gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde. |
|
LK 6:34 En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te
ontvangen, wat hebt gij vóór? Ook zondaars lenen aan zondaars om
evenveel terug te ontvangen. |
34 And if ye lend [to them] of whom ye hope to receive, what thank have
ye? for sinners also lend to sinners, to receive as much again. |
34 En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te
ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren,
opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen. |
|
LK 6:35 Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder
op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van
de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen. |
35 But love ye your enemies, and do good, and lend, hoping for nothing
again; and your reward shall be great, and ye shall be the children of the
Highest: for he is kind unto the unthankful and [to] the evil. |
35 Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets
weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des
Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen. |
|
LK 6:36 Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. |
36 Be ye therefore merciful, as your Father also is merciful. |
36 Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. |
|
LK 6:37 En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En
veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult
losgelaten worden. |
37 Judge not, and ye shall not be judged: condemn not, and ye shall not
be condemned: forgive, and ye shall be forgiven: |
37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet,
en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden. |
|
LK 6:38 Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde,
overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede
gij meet, zal u wedergemeten worden. |
38 Give, and it shall be given unto you; good measure, pressed down,
and shaken together, and running over, shall men give into your bosom. For
with the same measure that ye mete withal it shall be measured to you
again. |
38 Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en
geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met
dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden weder gemeten worden. |
|
LK 6:39 Hij sprak ook een gelijkenis tot hen: Kan een blinde een blinde
geleiden? Zullen zij niet beiden in een put vallen? |
39 And he spake a parable unto them, Can the blind lead the blind?
shall they not both fall into the ditch? |
39 En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een
blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? |
|
LK 6:40 Een discipel staat niet boven zijn meester, maar al wie
volleerd is, zal zijn als zijn meester. |
40 The disciple is not above his master: but every one that is perfect
shall be as his master. |
40 De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt
[discipel] zal zijn gelijk zijn meester. |
|
LK 6:41 Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de
balk in uw eigen oog bemerkt gij niet? |
41 And why beholdest thou the mote that is in thy brother's eye, but
perceivest not the beam that is in thine own eye? |
41 En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den
balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet? |
|
LK 6:42 Hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de
splinter, die in uw oog is, wegdoen, terwijl gij de balk, die in uw eigen
oog is, niet ziet? Huichelaar, doe eerst de balk weg uit uw oog en dan
zult gij scherp kunnen zien om de splinter in het oog van uw broeder weg
te doen. |
42 Either how canst thou say to thy brother, Brother, let me pull out
the mote that is in thine eye, when thou thyself beholdest not the beam
that is in thine own eye? Thou hypocrite, cast out first the beam out of
thine own eye, and then shalt thou see clearly to pull out the mote that
is in thy brother's eye. |
42 Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den
splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog
is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult
gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is. |
|
LK 6:43 Immers, er is geen goede boom, die slechte vrucht voortbrengt,
noch ook een slechte boom, die goede vrucht voortbrengt. |
43 For a good tree bringeth not forth corrupt fruit; neither doth a
corrupt tree bring forth good fruit. |
43 Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen
kwade boom, die goede vrucht voortbrengt; |
|
LK 6:44 Want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend. Want van
dorens leest men geen vijgen, en van een braamstruik oogst men geen druif. |
44 For every tree is known by his own fruit. For of thorns men do not
gather figs, nor of a bramble bush gather they grapes. |
44 Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest
geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen. |
|
LK 6:45 Een goed mens brengt uit de goede schat zijns harten het goede
voort en een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort. Want
waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond. |
45 A good man out of the good treasure of his heart bringeth forth that
which is good; and an evil man out of the evil treasure of his heart
bringeth forth that which is evil: for of the abundance of the heart his
mouth speaketh. |
45 De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns
harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns
harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond. |
|
LK 6:46 Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? |
46 And why call ye me, Lord, Lord, and do not the things which I say? |
46 En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg? |
|
LK 6:47 Een ieder, die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet,
Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is. |
47 Whosoever cometh to me, and heareth my sayings, and doeth them, I
will shew you to whom he is like: |
47 Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve
doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is. |
|
LK 6:48 Hij is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep
gegraven en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed
kwam en de stroom tegen dat huis aansloeg, kon hij het niet aan het
wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. |
48 He is like a man which built an house, and digged deep, and laid the
foundation on a rock: and when the flood arose, the stream beat vehemently
upon that house, and could not shake it: for it was founded upon a rock. |
48 Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte,
en leide het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo
sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het
was op de steenrots gegrond. |
|
LK 6:49 Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een
huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan
sloeg, stortte het terstond in en het huis werd één grote bouwval. |
49 But he that heareth, and doeth not, is like a man that without a
foundation built an house upon the earth; against which the stream did
beat vehemently, and immediately it fell; and the ruin of that house was
great. |
49 Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens,
die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de
waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis
was groot. |
|
LK 7:1 Nadat Hij al zijn woorden ten aanhoren van het
volk voleindigd had, ging Hij Kafarnaüm binnen. |
1 Now when he had ended all his sayings in the audience of the people,
he entered into Capernaum. |
1 Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks,
ging Hij in te Kapernaum. |
|
LK 7:2 Een slaaf nu van een hoofdman, die deze op hoge prijs stelde,
was ernstig ongesteld en lag op sterven. |
2 And a certain centurion's servant, who was dear unto him, was sick,
and ready to die. |
2 En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer
waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven. |
|
LK 7:3 Toen hij van Jezus hoorde, zond hij enige oudsten der Joden tot
Hem met het verzoek te komen en zijn slaaf in het leven te behouden. |
3 And when he heard of Jesus, he sent unto him the elders of the Jews,
beseeching him that he would come and heal his servant. |
3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen der
Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond
maken. |
|
LK 7:4 Zij kwamen dan tot Jezus en drongen zeer bij Hem aan, want,
zeiden zij, hij is waard, dat Gij dit voor hem doet; |
4 And when they came to Jesus, they besought him instantly, saying,
That he was worthy for whom he should do this: |
4 Dezen nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstelijk, zeggende:
Hij is waardig, dat Gij hem dat doet; |
|
LK 7:5 want hij heeft ons volk lief en onze synagoge heeft hij gebouwd. |
5 For he loveth our nation, and he hath built us a synagogue. |
5 Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd. |
|
LK 7:6 En Jezus ging met hen mede. Toen Hij niet ver meer van het huis
was, zond de hoofdman vrienden om tot Hem te zeggen: Here, doe geen
moeite, want ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt; |
6 Then Jesus went with them. And when he was now not far from the
house, the centurion sent friends to him, saying unto him, Lord, trouble
not thyself: for I am not worthy that thou shouldest enter under my roof: |
6 En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was,
zond de hoofdman over honderd tot Hem [enige] vrienden, en zeide tot Hem:
Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn
dak zoudt inkomen. |
|
LK 7:7 daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht tot U te komen,
maar spreek (slechts) een woord en mijn knecht moet herstellen. |
7 Wherefore neither thought I myself worthy to come unto thee: but say
in a word, and my servant shall be healed. |
7 Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht, om tot U te komen;
maar zeg [het] met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. |
|
LK 7:8 Want ik neem zelf een ondergeschikte plaats in met soldaten
onder mij, en ik zeg tot de een: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een
ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het. |
8 For I also am a man set under authority, having under me soldiers,
and I say unto one, Go, and he goeth; and to another, Come, and he cometh;
and to my servant, Do this, and he doeth [it]. |
8 Want ik ben ook een mens, onder de macht [van anderen] gesteld,
hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat;
en tot den anderen: Kom en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en
hij doet [het]. |
|
LK 7:9 Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem, en Zich
kerende tot de schare, die Hem volgde, sprak Hij: Ik zeg u, zelfs in
Israël heb Ik een zó groot geloof niet gevonden! |
9 When Jesus heard these things, he marvelled at him, and turned him
about, and said unto the people that followed him, I say unto you, I have
not found so great faith, no, not in Israel. |
9 En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende,
zeide tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot een
geloof zelfs in Israel niet gevonden. |
|
LK 7:10 En toen zij, die gezonden waren, terugkwamen in het huis,
vonden zij de slaaf gezond. |
10 And they that were sent, returning to the house, found the servant
whole that had been sick. |
10 En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den
kranken dienstknecht gezond. |
|
LK 7:11 En het geschiedde kort daarna, dat Hij reisde naar een stad,
genaamd Naïn. En zijn discipelen reisden met Hem, en een grote schare. |
11 And it came to pass the day after, that he went into a city called
Nain; and many of his disciples went with him, and much people. |
11 En het geschiedde op den volgenden [dag], dat Hij ging naar een
stad, genaamd Nain, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een
grote schare. |
|
LK 7:12 Toen Hij dicht bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode
werd uitgedragen, de enige zoon zijner moeder, die weduwe was, en veel
volk uit de stad was bij haar. |
12 Now when he came nigh to the gate of the city, behold, there was a
dead man carried out, the only son of his mother, and she was a widow: and
much people of the city was with her. |
12 En als Hij de poort der stad genaakte, zie daar, een dode werd
uitgedragen, [die] een eniggeboren zoon zijner moeder [was], en zij [was]
weduwe en een grote schare van de stad [was] met haar. |
|
LK 7:13 En toen de Here haar zag, werd Hij met ontferming over haar
bewogen en Hij zeide tot haar: Ween niet. |
13 And when the Lord saw her, he had compassion on her, and said unto
her, Weep not. |
13 En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar
bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. |
|
LK 7:14 En naderbij gekomen raakte Hij de baar aan - de dragers stonden
stil - en zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op! |
14 And he came and touched the bier: and they that bare [him] stood
still. And he said, Young man, I say unto thee, Arise. |
14 En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil)
en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op! |
|
LK 7:15 En de dode ging overeind zitten en begon te spreken, en Hij gaf
hem aan zijn moeder. |
15 And he that was dead sat up, and began to speak. And he delivered
him to his mother. |
15 En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan
zijn moeder. |
|
LK 7:16 En vrees beving hen allen en zij verheerlijkten God, zeggende:
Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft naar zijn volk
omgezien. |
16 And there came a fear on all: and they glorified God, saying, That a
great prophet is risen up among us; and, That God hath visited his people. |
16 En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een
groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht. |
|
LK 7:17 En dit gerucht over Hem verbreidde zich in het ganse Joodse
land en in de gehele omtrek. |
17 And this rumour of him went forth throughout all Judaea, and
throughout all the region round about. |
17 En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het
omliggende land. |
|
LK 7:18 En de discipelen van Johannes boodschapten hem al deze dingen. |
18 And the disciples of John shewed him of all these things. |
18 En de discipelen van Johannes boodschapten hem van al deze dingen. |
|
LK 7:19 En Johannes riep een tweetal van zijn discipelen tot zich en
zond hen naar de Here om te zeggen: Zijt Gij het, die komen zou, of hebben
wij een ander te verwachten? |
19 And John calling [unto him] two of his disciples sent [them] to
Jesus, saying, Art thou he that should come? or look we for another? |
19 En Johannes, zekere twee van zijn discipelen tot zich geroepen
hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of
verwachten wij een anderen? |
|
LK 7:20 Toen de mannen bij Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de
Doper heeft ons tot U gezonden, om te zeggen: Zijt Gij het, die komen zou,
of hebben wij een ander te verwachten? |
20 When the men were come unto him, they said, John Baptist hath sent
us unto thee, saying, Art thou he that should come? or look we for
another? |
20 En als de mannen tot Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de
Doper heeft ons tot U afgezonden, zeggende: Zijt Gij, Die komen zou, of
verwachten wij een anderen? |
|
LK 7:21 Op dat ogenblik genas Hij velen van ziekten en plagen en boze
geesten en aan vele blinden schonk Hij het gezicht. |
21 And in that same hour he cured many of [their] infirmities and
plagues, and of evil spirits; and unto many [that were] blind he gave
sight. |
21 En in dezelfde ure genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en boze
geesten; en velen blinden gaf Hij het gezicht. |
|
LK 7:22 En Hij antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt
Johannes wat gij gezien en gehoord hebt: Blinden worden ziende, lammen
wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden
opgewekt, armen ontvangen het evangelie; |
22 Then Jesus answering said unto them, Go your way, and tell John what
things ye have seen and heard; how that the blind see, the lame walk, the
lepers are cleansed, the deaf hear, the dead are raised, to the poor the
gospel is preached. |
22 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Gaat heen, en boodschapt
Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, [namelijk] dat
de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd
worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, den armen het Evangelie
verkondigd wordt. |
|
LK 7:23 en zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt. |
23 And blessed is [he], whosoever shall not be offended in me. |
23 En zalig is hij, die aan Mij niet zal geergerd worden. |
|
LK 7:24 Toen de boden van Johannes vertrokken waren, begon Hij tot de
scharen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij in de woestijn gaan
aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen? |
24 And when the messengers of John were departed, he began to speak
unto the people concerning John, What went ye out into the wilderness for
to see? A reed shaken with the wind? |
24 Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de
scharen van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te
aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? |
|
LK 7:25 Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in weelderige klederen
gekleed? Zie, die schitterend gekleed gaan en overdadig leven, zijn in de
paleizen. |
25 But what went ye out for to see? A man clothed in soft raiment?
Behold, they which are gorgeously apparelled, and live delicately, are in
kings' courts. |
25 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen
bekleed? Ziet, die in heerlijke kleding en wellust zijn, die zijn in de
koninklijke hoven. |
|
LK 7:26 Maar wat zijt gij gaan zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, zelfs
meer dan een profeet. |
26 But what went ye out for to see? A prophet? Yea, I say unto you, and
much more than a prophet. |
26 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook
veel meer dan een profeet. |
|
LK 7:27 Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode
voor uw aangezicht uit, die uw weg voor u heen bereiden zal. |
27 This is [he], of whom it is written, Behold, I send my messenger
before thy face, which shall prepare thy way before thee. |
27 Deze is het, van welken geschreven is: Ziet, Ik zende Mijn engel
voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. |
|
LK 7:28 Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is niemand
groter dan Johannes, maar de kleinste in het Koninkrijk Gods is groter dan
hij. |
28 For I say unto you, Among those that are born of women there is not
a greater prophet than John the Baptist: but he that is least in the
kingdom of God is greater than he. |
28 Want Ik zeg ulieden: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand
meerder profeet, dan Johannes de Doper; maar de minste in het Koninkrijk
Gods is meerder dan hij. |
|
LK 7:29 En toen al het volk dit hoorde, en ook de tollenaars, hebben
zij God gerechtvaardigd, daar zij met de doop van Johannes gedoopt waren. |
29 And all the people that heard [him], and the publicans, justified
God, being baptized with the baptism of John. |
29 En al het volk, [Hem] horende, en de tollenaars, die met den doop
van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God. |
|
LK 7:30 Maar de Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen voor zichzelf
de raad Gods, daar zij niet door hem gedoopt waren. |
30 But the Pharisees and lawyers rejected the counsel of God against
themselves, being not baptized of him. |
30 Maar de Farizeen en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen
zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. |
|
LK 7:31 Waarmede zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken en
waaraan zijn zij gelijk? |
31 And the Lord said, Whereunto then shall I liken the men of this
generation? and to what are they like? |
31 En de Heere zeide: Bij wien zal Ik dan de mensen van dit geslacht
vergelijken, en wien zijn zij gelijk? |
|
LK 7:32 Zij zijn gelijk aan kinderen, die op de markt zitten en
elkander toeroepen het bekende: Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en
gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt niet
geweend. |
32 They are like unto children sitting in the marketplace, and calling
one to another, and saying, We have piped unto you, and ye have not
danced; we have mourned to you, and ye have not wept. |
32 Zij zijn gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, en elkander
toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet
gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend. |
|
LK 7:33 Want Johannes de Doper is gekomen, geen brood etende of wijn
drinkende, en gij zegt: Hij heeft een boze geest! |
33 For John the Baptist came neither eating bread nor drinking wine;
and ye say, He hath a devil. |
33 Want Johannes de Doper is gekomen, noch brood etende, noch wijn
drinkende; en gij zegt: Hij heeft den duivel. |
|
LK 7:34 De Zoon des mensen is gekomen, wèl etende en drinkende, en gij
zegt: Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van
tollenaars en zondaars! |
34 The Son of man is come eating and drinking; and ye say, Behold a
gluttonous man, and a winebibber, a friend of publicans and sinners! |
34 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt:
Ziet daar, een Mens, [Die] een vraat en wijnzuiper [is], een Vriend van
tollenaren en zondaren. |
|
LK 7:35 En de wijsheid is gerechtvaardigd door al haar kinderen. |
35 But wisdom is justified of all her children. |
35 Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al haar kinderen. |
|
LK 7:36 Een der Farizeeën nodigde Hem om bij hem te komen eten; en Hij
kwam in het huis van de Farizeeër en ging aanliggen. |
36 And one of the Pharisees desired him that he would eat with him. And
he went into the Pharisee's house, and sat down to meat. |
36 En een der Farizeen bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde
in des Farizeers huis, zat Hij aan. |
|
LK 7:37 En zie een vrouw, die in de stad als zondares bekend stond,
bemerkte, dat Hij aan tafel was in het huis van de Farizeeër. En zij
bracht een albasten kruik met mirre, |
37 And, behold, a woman in the city, which was a sinner, when she knew
that [Jesus] sat at meat in the Pharisee's house, brought an alabaster box
of ointment, |
37 En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande,
dat Hij in des Farizeers huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf. |
|
LK 7:38 en zij ging wenende achter Hem staan, bij zijn voeten, en begon
met haar tranen zijn voeten nat te maken en droogde ze af met haar
hoofdhaar, en kuste zijn voeten en zalfde ze met de mirre. |
38 And stood at his feet behind [him] weeping, and began to wash his
feet with tears, and did wipe [them] with the hairs of her head, and
kissed his feet, and anointed [them] with the ointment. |
38 En staande achter aan Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten
nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd,
en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf. |
|
LK 7:39 Toen de Farizeeër, die Hem genodigd had, dat zag, zeide hij
bij zichzelf: Indien deze [de] profeet was, zou Hij wel weten, wie en wat
deze vrouw is, die Hem aanraakt: dat zij een zondares is. |
39 Now when the Pharisee which had bidden him saw [it], he spake within
himself, saying, This man, if he were a prophet, would have known who and
what manner of woman [this is] that toucheth him: for she is a sinner. |
39 En de Farizeer, die Hem genood had, [zulks] ziende, sprak bij
zichzelven, zeggende: Deze, indien Hij een profeet ware, zou wel weten,
wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een
zondares. |
|
LK 7:40 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Simon, Ik heb u iets te
zeggen. Hij zeide: Meester, zeg het. |
40 And Jesus answering said unto him, Simon, I have somewhat to say
unto thee. And he saith, Master, say on. |
40 En Jezus antwoordende, zeide tot hem: Simon! Ik heb u wat te zeggen.
En hij sprak: Meester! zeg het. |
|
LK 7:41 Een schuldeiser had twee schuldenaars. De een was hem
vijfhonderd schellingen schuldig, de ander vijftig. |
41 There was a certain creditor which had two debtors: the one owed
five hundred pence, and the other fifty. |
41 [Jezus zeide]: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de een
was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig; |
|
LK 7:42 Toen zij niet konden betalen, schonk hij het hun beiden. Wie
van hen zal hem dan het meest liefhebben? |
42 And when they had nothing to pay, he frankly forgave them both. Tell
me therefore, which of them will love him most? |
42 En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden
kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben? |
|
LK 7:43 Simon antwoordde en zeide: Ik onderstel, hij, aan wie hij het
meeste geschonken heeft. Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geoordeeld. |
43 Simon answered and said, I suppose that [he], to whom he forgave
most. And he said unto him, Thou hast rightly judged. |
43 En Simon, antwoordende, zeide: Ik acht, dat hij het [is], dien hij
het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht
geoordeeld. |
|
LK 7:44 En Zich naar de vrouw wendende, zeide Hij tot Simon: Ziet gij
deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt gij Mij
niet gegeven, maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met
haar haren afgedroogd. |
44 And he turned to the woman, and said unto Simon, Seest thou this
woman? I entered into thine house, thou gavest me no water for my feet:
but she hath washed my feet with tears, and wiped [them] with the hairs of
her head. |
44 En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze
vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot Mijn voeten
gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het
haar van haar hoofd afgedroogd. |
|
LK 7:45 Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik
binnengekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen. |
45 Thou gavest me no kiss: but this woman since the time I came in hath
not ceased to kiss my feet. |
45 Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is,
heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen. |
|
LK 7:46 Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met
mirre mijn voeten gezalfd. |
46 My head with oil thou didst not anoint: but this woman hath anointed
my feet with ointment. |
46 Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn
voeten met zalf gezalfd. |
|
LK 7:47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij
vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die
betoont weinig liefde. |
47 Wherefore I say unto thee, Her sins, which are many, are forgiven;
for she loved much: but to whom little is forgiven, [the same] loveth
little. |
47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn [haar] vergeven, die vele waren;
want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft
weinig lief. |
|
LK 7:48 En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. |
48 And he said unto her, Thy sins are forgiven. |
48 En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn [u] vergeven. |
|
LK 7:49 En die met Hem aan tafel waren, begonnen bij zichzelf te
zeggen: Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft? |
49 And they that sat at meat with him began to say within themselves,
Who is this that forgiveth sins also? |
49 En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is
Deze, Die ook de zonden vergeeft? |
|
LK 7:50 En Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga heen
in vrede! |
50 And he said to the woman, Thy faith hath saved thee; go in peace. |
50 Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in
vrede. |
|
LK 8:1 En het geschiedde kort daarna, dat Hij van
stad tot stad en van dorp tot dorp trok, verkondigende het evangelie van
het Koninkrijk Gods, en de twaalven met Hem, |
1 And it came to pass afterward, that he went throughout every city and
village, preaching and shewing the glad tidings of the kingdom of God: and
the twelve [were] with him, |
1 En het geschiedde daarna, dat Hij reisde van de ene stad en vlek tot
de andere, predikende en verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk
Gods; en de twaalven [waren] met Hem; |
|
LK 8:2 en enige vrouwen, die genezen waren van boze geesten en van
ziekten: Maria, met de bijnaam: van Magdala, van wie zeven boze geesten
uitgegaan waren, |
2 And certain women, which had been healed of evil spirits and
infirmities, Mary called Magdalene, out of whom went seven devils, |
2 En sommige vrouwen, die van boze geesten en krankheden genezen waren,
[namelijk] Maria, genaamd Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan
waren; |
|
LK 8:3 en Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en
Susanna en vele andere, die hen dienden met hetgeen zij bezaten. |
3 And Joanna the wife of Chuza Herod's steward, and Susanna, and many
others, which ministered unto him of their substance. |
3 En Johanna, de huisvrouw van Chusas, den rentmeester van Herodes, en
Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen. |
|
LK 8:4 Toen er nu veel volk samenstroomde en uit elke stad mensen tot
Hem kwamen, sprak Hij door een gelijkenis: |
4 And when much people were gathered together, and were come to him out
of every city, he spake by a parable: |
4 Als nu een grote schare bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot
Hem kwamen, zo zeide Hij door gelijkenis: |
|
LK 8:5 Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. En bij het zaaien
viel een deel langs de weg en het werd vertrapt en de vogelen des hemels
aten het op. |
5 A sower went out to sow his seed: and as he sowed, some fell by the
way side; and it was trodden down, and the fowls of the air devoured it. |
5 Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel
het ene bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat
op. |
|
LK 8:6 En een ander deel viel op de rotsbodem, en toen het opkwam,
verdorde het, omdat het geen vochtigheid had. |
6 And some fell upon a rock; and as soon as it was sprung up, it
withered away, because it lacked moisture. |
6 En het andere viel op een steenrots, en opgewassen zijnde, is het
verdord, omdat het geen vochtigheid had. |
|
LK 8:7 En een ander deel viel midden tussen de dorens, en de dorens
kwamen tegelijk op en verstikten het. |
7 And some fell among thorns; and the thorns sprang up with it, and
choked it. |
7 En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede
opwassende, verstikten hetzelve. |
|
LK 8:8 Een ander deel viel in goede aarde, en toen dat opgekomen was,
bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren
heeft om te horen, die hore. |
8 And other fell on good ground, and sprang up, and bare fruit an
hundredfold. And when he had said these things, he cried, He that hath
ears to hear, let him hear. |
8 En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht
het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft,
om te horen, die hore. |
|
LK 8:9 Zijn discipelen vroegen Hem, wat de bedoeling van deze
gelijkenis was. |
9 And his disciples asked him, saying, What might this parable be? |
9 En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis
wezen? |
|
LK 8:10 En Hij zeide: U is het gegeven de geheimenissen van het
Koninkrijk Gods te kennen, maar aan de anderen (worden zij gepredikt) in
gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen. |
10 And he said, Unto you it is given to know the mysteries of the
kingdom of God: but to others in parables; that seeing they might not see,
and hearing they might not understand. |
10 En Hij zeide: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk
Gods te verstaan; maar tot de anderen [spreek Ik] in gelijkenissen, opdat
zij ziende niet zien, en horende niet verstaan. |
|
LK 8:11 Dit is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods. |
11 Now the parable is this: The seed is the word of God. |
11 Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord Gods. |
|
LK 8:12 Die langs de weg, zijn zij, die het gehoord hebben; daarna komt
de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden
geloven en behouden worden. |
12 Those by the way side are they that hear; then cometh the devil, and
taketh away the word out of their hearts, lest they should believe and be
saved. |
12 En die bij den weg [bezaaid worden], zijn dezen, die horen; daarna
komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden
geloven, en zalig worden. |
|
LK 8:13 Die op de rotsbodem, zijn zij, die het woord, zodra zij het
horen, met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven
voor een tijd en in een tijd van beproeving worden zij afvallig. |
13 They on the rock [are they], which, when they hear, receive the word
with joy; and these have no root, which for a while believe, and in time
of temptation fall away. |
13 En die op de steenrots [bezaaid worden], zijn dezen, die, wanneer
zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en dezen hebben
geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in den tijd der verzoeking
wijken zij af. |
|
LK 8:14 Wat in de dorens viel, dat zijn zij, die het gehoord hebben; en
gaandeweg worden zij door zorgen en rijkdom en lusten des levens verstikt
en zij brengen het niet tot vrucht. |
14 And that which fell among thorns are they, which, when they have
heard, go forth, and are choked with cares and riches and pleasures of
[this] life, and bring no fruit to perfection. |
14 En dat in de doornen valt, zijn dezen, die gehoord hebben, en
heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en
wellusten des levens, en voldragen geen [vrucht]. |
|
LK 8:15 Dat in goede aarde, dat zijn zij, die met een goed en vroom
hart het woord gehoord hebbende, dat vasthouden en vrucht dragen in
volharding. |
15 But that on the good ground are they, which in an honest and good
heart, having heard the word, keep [it], and bring forth fruit with
patience. |
15 En dat in de goede aarde [valt], zijn dezen, die, het Woord gehoord
hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in
volstandigheid vruchten voortbrengen. |
|
LK 8:16 Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet
haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard, opdat wie
binnentreden het licht mogen zien. |
16 No man, when he hath lighted a candle, covereth it with a vessel, or
putteth [it] under a bed; but setteth [it] on a candlestick, that they
which enter in may see the light. |
16 En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of
zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die
inkomen, het licht zien mogen. |
|
LK 8:17 Want er is niets verborgen, dat niet aan het licht zal komen,
en niets geheim, dat niet zal bekend worden en aan het licht komen. |
17 For nothing is secret, that shall not be made manifest; neither [any
thing] hid, that shall not be known and come abroad. |
17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch
heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen. |
|
LK 8:18 Ziet dan toe, hoe gij hoort. Want wie heeft, hem zal gegeven
worden, en wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal hem ontnomen
worden. |
18 Take heed therefore how ye hear: for whosoever hath, to him shall be
given; and whosoever hath not, from him shall be taken even that which he
seemeth to have. |
18 Ziet dan, hoe gij hoort; want zo wie heeft, dien zal gegeven worden;
en zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hem genomen
worden. |
|
LK 8:19 Zijn moeder en broeders kwamen tot Hem en zij konden Hem niet
bereiken vanwege de schare. |
19 Then came to him [his] mother and his brethren, and could not come
at him for the press. |
19 En Zijn moeder en [Zijn] broeders kwamen tot Hem, en konden bij Hem
niet komen, vanwege de schare. |
|
LK 8:20 Men boodschapte Hem: Uw moeder en uw broeders staan buiten en
willen U zien. |
20 And it was told him [by certain] which said, Thy mother and thy
brethren stand without, desiring to see thee. |
20 En Hem werd geboodschapt [van enigen], die zeiden: Uw moeder en Uw
broeders staan daar buiten, begerende U te zien. |
|
LK 8:21 Hij antwoordde echter en zeide tot hen: Mijn moeder en mijn
broeders zijn dezen, die het woord Gods horen en doen. |
21 And he answered and said unto them, My mother and my brethren are
these which hear the word of God, and do it. |
21 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Mijn moeder en Mijn broeders
zijn dezen, die Gods Woord horen, en datzelve doen. |
|
LK 8:22 En het geschiedde op een van die dagen, dat Hij in een schip
ging met zijn discipelen, en Hij zeide tot hen: Laten wij oversteken naar
de overkant van het meer; en zij staken van wal. |
22 Now it came to pass on a certain day, that he went into a ship with
his disciples: and he said unto them, Let us go over unto the other side
of the lake. And they launched forth. |
22 En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging,
en Zijn discipelen [met Hem]; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan
de andere zijde van het meer. En zij staken af. |
|
LK 8:23 En terwijl zij varende waren, viel Hij in slaap. En er sloeg
een stormvlaag neder op het meer en zij kregen water in en verkeerden in
nood. |
23 But as they sailed he fell asleep: and there came down a storm of
wind on the lake; and they were filled [with water], and were in jeopardy. |
23 En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind
op het meer, en zij werden vol [waters], en waren in nood. |
|
LK 8:24 Toen kwamen zij en maakten Hem wakker en zeiden: Meester,
Meester, wij vergaan! En Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en de
wilde wateren. En zij kwamen tot rust en het werd stil. |
24 And they came to him, and awoke him, saying, Master, master, we
perish. Then he arose, and rebuked the wind and the raging of the water:
and they ceased, and there was a calm. |
24 En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester,
wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte den wind en de
watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte. |
|
LK 8:25 En Hij zeide tot hen: Waar was uw geloof? En zij werden
bevreesd en zeiden met verbazing tot elkander: Wie is toch deze, dat Hij
ook aan de winden en aan het water bevelen geeft en zij Hem gehoorzaam
zijn? |
25 And he said unto them, Where is your faith? And they being afraid
wondered, saying one to another, What manner of man is this! for he
commandeth even the winds and water, and they obey him. |
25 En Hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde,
verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie is toch Deze, dat Hij ook de
winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam? |
|
LK 8:26 En zij voeren naar het land der Gerasenen, dat tegenover
Galilea ligt. |
26 And they arrived at the country of the Gadarenes, which is over
against Galilee. |
26 En zij voeren voort naar het land der Gadarenen, hetwelk is
tegenover Galilea. |
|
LK 8:27 Toen Hij aan land gegaan was, kwam Hem een man uit de stad
tegemoet, die door boze geesten bezeten was, en sinds lang had hij geen
mantel meer aan en woonde niet in een huis, maar in de graven. |
27 And when he went forth to land, there met him out of the city a
certain man, which had devils long time, and ware no clothes, neither
abode in [any] house, but in the tombs. |
27 En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man
uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en
was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. |
|
LK 8:28 Toen hij nu Jezus zag, stiet hij een kreet uit en hij viel aan
zijn voeten en sprak met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken,
Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek U, dat Gij mij niet pijnigt. |
28 When he saw Jesus, he cried out, and fell down before him, and with
a loud voice said, What have I to do with thee, Jesus, [thou] Son of God
most high? I beseech thee, torment me not. |
28 En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neder, en
zeide met een grote stem: Wat heb ik met U [te doen], Jezus, Gij Zone
Gods, des Allerhoogsten, ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt! |
|
LK 8:29 Want Hij gaf de onreine geest bevel van de man uit te varen.
Want menigmaal had de geest hem met geweld medegesleurd, en om hem te
bewaken werd hij met ketenen en voetboeien geboeid, maar hij brak de
boeien stuk en werd door de geest naar eenzame streken gedreven. |
29 (For he had commanded the unclean spirit to come out of the man. For
oftentimes it had caught him: and he was kept bound with chains and in
fetters; and he brake the bands, and was driven of the devil into the
wilderness.) |
29 Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou
uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met
ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de
banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. |
|
LK 8:30 En Jezus vroeg hem: Wat is uw naam? Hij zeide: Legioen; want
vele geesten waren in hem gevaren. |
30 And Jesus asked him, saying, What is thy name? And he said, Legion:
because many devils were entered into him. |
30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide:
Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren. |
|
LK 8:31 En zij smeekten Hem, dat Hij hun niet gelasten zou in de
afgrond te varen. |
31 And they besought him that he would not command them to go out into
the deep. |
31 En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen
te varen. |
|
LK 8:32 Nu werd op de berg een talrijke kudde zwijnen gehoed; en zij
smeekten Hem, dat Hij hun zou toestaan daarin te varen. En Hij stond het
hun toe. |
32 And there was there an herd of many swine feeding on the mountain:
and they besought him that he would suffer them to enter into them. And he
suffered them. |
32 En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij
baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het
hun toe. |
|
LK 8:33 En de geesten voeren uit die mens en voeren in de zwijnen en de
kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk. |
33 Then went the devils out of the man, and entered into the swine: and
the herd ran violently down a steep place into the lake, and were choked. |
33 En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de
kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde. |
|
LK 8:34 Toen de hoeders zagen wat er gebeurd was, namen zij de vlucht
en berichtten het in de stad en op het land. |
34 When they that fed [them] saw what was done, they fled, and went and
told [it] in the city and in the country. |
34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en
heengaande boodschapten het in de stad, en op het land. |
|
LK 8:35 En de mensen liepen uit om te zien wat gebeurd was, en zij
kwamen bij Jezus en vonden de mens, van wie de boze geesten uitgevaren
waren, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand,
en zij werden bevreesd. |
35 Then they went out to see what was done; and came to Jesus, and
found the man, out of whom the devils were departed, sitting at the feet
of Jesus, clothed, and in his right mind: and they were afraid. |
35 En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot
Jezus, en vonden den mens, van welken de duivelen uitgevaren waren,
zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij
werden bevreesd. |
|
LK 8:36 En zij, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene
genezen was. |
36 They also which saw [it] told them by what means he that was
possessed of the devils was healed. |
36 En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was
verlost geworden. |
|
LK 8:37 En de gehele bevolking van de streek der Gerasenen vroeg Hem,
of Hij van hen wilde weggaan, want zij waren door grote vrees bevangen. En
Hij ging in het schip en keerde terug. |
37 Then the whole multitude of the country of the Gadarenes round about
besought him to depart from them; for they were taken with great fear: and
he went up into the ship, and returned back again. |
37 En de gehele menigte van het omliggende land der Gadarenen baden
Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vreze bevangen. En
Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom. |
|
LK 8:38 En de man, van wie de boze geesten uitgevaren waren, verzocht
Hem bij Hem te mogen blijven. Maar Hij liet hem heengaan en zeide: |
38 Now the man out of whom the devils were departed besought him that
he might be with him: but Jesus sent him away, saying, |
38 En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij
mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende: |
|
LK 8:39 Keer terug naar uw huis en verhaal al wat God u gedaan heeft.
En hij ging de gehele stad door verkondigen al wat Jezus hem gedaan had. |
39 Return to thine own house, and shew how great things God hath done
unto thee. And he went his way, and published throughout the whole city
how great things Jesus had done unto him. |
39 Keer weder naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan
heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote
dingen Jezus hem gedaan had. |
|
LK 8:40 Toen Jezus terugkeerde, wachtte de schare Hem op, want zij
zagen allen naar Hem uit. |
40 And it came to pass, that, when Jesus was returned, the people
[gladly] received him: for they were all waiting for him. |
40 En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving;
want zij waren allen Hem verwachtende. |
|
LK 8:41 En zie, er kwam een man, genaamd Jaïrus, en deze was een
overste der synagoge. En hij viel neder aan de voeten van Jezus en smeekte
Hem naar zijn huis te komen, |
41 And, behold, there came a man named Jairus, and he was a ruler of
the synagogue: and he fell down at Jesus' feet, and besought him that he
would come into his house: |
41 En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jairus, en hij was een
overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat
Hij in zijn huis wilde komen. |
|
LK 8:42 omdat zijn enige dochter, die ongeveer twaalf jaar oud was, op
sterven lag. Terwijl Hij erheen ging, drongen de scharen op Hem aan. |
42 For he had one only daughter, about twelve years of age, and she lay
a dying. But as he went the people thronged him. |
42 Want hij had een enige dochter, van omtrent twaalf jaren, en deze
lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen. |
|
LK 8:43 En een vrouw, die sinds twaalf jaren aan bloedvloeiing leed en
door niemand kon genezen worden, |
43 And a woman having an issue of blood twelve years, which had spent
all her living upon physicians, neither could be healed of any, |
43 En een vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had,
welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van
niemand had kunnen genezen worden, |
|
LK 8:44 kwam van achteren tot Hem en raakte de kwast van zijn kleed
aan, en terstond hield haar vloeiing op. |
44 Came behind [him], and touched the border of his garment: and
immediately her issue of blood stanched. |
44 Van achteren tot Hem komende, raakte den zoom Zijns kleeds aan; en
terstond stelpte de vloed haars bloeds. |
|
LK 8:45 En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En
terwijl allen het ontkenden, zeide Petrus: Meester, de scharen drukken en
verdringen U. |
45 And Jesus said, Who touched me? When all denied, Peter and they that
were with him said, Master, the multitude throng thee and press [thee],
and sayest thou, Who touched me? |
45 En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het
allen ontkenden, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen
drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt
heeft? |
|
LK 8:46 Maar Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb
kracht van Mij voelen uitgaan. |
46 And Jesus said, Somebody hath touched me: for I perceive that virtue
is gone out of me. |
46 En Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat
kracht van Mij uitgegaan is. |
|
LK 8:47 Toen de vrouw zag, dat zij niet onopgemerkt bleef, kwam zij
bevende nader, viel voor Hem neer en verhaalde Hem, voor al het volk, om
welke reden zij Hem aangeraakt had en dat zij terstond beter was geworden. |
47 And when the woman saw that she was not hid, she came trembling, and
falling down before him, she declared unto him before all the people for
what cause she had touched him, and how she was healed immediately. |
47 De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en
voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak
zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. |
|
LK 8:48 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden, ga
heen in vrede. |
48 And he said unto her, Daughter, be of good comfort: thy faith hath
made thee whole; go in peace. |
48 En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u
behouden; ga heen in vrede. |
|
LK 8:49 Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van de overste der
synagoge met de boodschap: Uw dochter is gestorven, val de Meester niet
meer lastig! |
49 While he yet spake, there cometh one from the ruler of the
synagogue's [house], saying to him, Thy daughter is dead; trouble not the
Master. |
49 Als Hij nog sprak, kwam er een van [het huis] des oversten der
synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; zijt den Meester niet
moeilijk. |
|
LK 8:50 Maar Jezus hoorde het en antwoordde hem: Wees niet bevreesd,
geloof alleen, en zij zal behouden worden. |
50 But when Jesus heard [it], he answered him, saying, Fear not:
believe only, and she shall be made whole. |
50 Maar Jezus, [dat] horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet,
geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden. |
|
LK 8:51 Toen Hij aan het huis gekomen was, stond Hij niemand toe met
Hem naar binnen te gaan dan Petrus, Johannes en Jakobus en de vader van
het kind en de moeder. |
51 And when he came into the house, he suffered no man to go in, save
Peter, and James, and John, and the father and the mother of the maiden. |
51 En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus,
en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds. |
|
LK 8:52 Allen nu weenden en weeklaagden over haar. Doch Hij sprak:
Weent niet; zij is niet gestorven, maar zij slaapt. |
52 And all wept, and bewailed her: but he said, Weep not; she is not
dead, but sleepeth. |
52 En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij
zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt. |
|
LK 8:53 En zij lachten Hem uit, omdat zij wisten, dat zij gestorven
was. |
53 And they laughed him to scorn, knowing that she was dead. |
53 En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was. |
|
LK 8:54 Maar Hij vatte haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op! |
54 And he put them all out, and took her by the hand, and called,
saying, Maid, arise. |
54 Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep,
zeggende: Kind, sta op! |
|
LK 8:55 En haar geest keerde terug en zij stond dadelijk op en Hij
beval, dat men haar te eten zou geven. |
55 And her spirit came again, and she arose straightway: and he
commanded to give her meat. |
55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en Hij
gebood, dat men haar te eten geven zoude. |
|
LK 8:56 En haar ouders stonden versteld, maar Hij verbood hun tot
iemand te spreken over hetgeen geschied was. |
56 And her parents were astonished: but he charged them that they
should tell no man what was done. |
56 En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand
zouden zeggen hetgeen geschied was. |
|
LK 9:1 Toen riep Hij de twaalven samen en gaf hun
macht en gezag over alle boze geesten en om ziekten te genezen. |
1 Then he called his twelve disciples together, and gave them power and
authority over all devils, and to cure diseases. |
1 En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht
en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen. |
|
LK 9:2 En Hij zond hen uit om het Koninkrijk Gods te verkondigen en
genezingen te doen, |
2 And he sent them to preach the kingdom of God, and to heal the sick. |
2 En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk Gods, en de
kranken gezond te maken. |
|
LK 9:3 en Hij zeide tot hen: Neemt niets mede voor onderweg, geen staf
of reiszak, geen brood of zilvergeld, en hebt ook niet twee hemden bij u. |
3 And he said unto them, Take nothing for [your] journey, neither
staves, nor scrip, neither bread, neither money; neither have two coats
apiece. |
3 En Hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch
male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. |
|
LK 9:4 En komt gij ergens in een huis, blijft daar en reist vandaar
verder. |
4 And whatsoever house ye enter into, there abide, and thence depart. |
4 En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar
uit. |
|
LK 9:5 En zijn er, die u niet willen ontvangen, gaat dan weg uit die
stad en schudt het stof af van uw voeten tot een getuigenis tegen hen. |
5 And whosoever will not receive you, when ye go out of that city,
shake off the very dust from your feet for a testimony against them. |
5 En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook
het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen. |
|
LK 9:6 Zij gingen heen en trokken de dorpen langs, overal het evangelie
predikende en genezingen doende. |
6 And they departed, and went through the towns, preaching the gospel,
and healing every where. |
6 En zij, uitgaande, doorgingen al de vlekken, verkondigende het
Evangelie, en genezende [de zieken] overal. |
|
LK 9:7 Herodes, de viervorst, hoorde alles wat er gebeurd was en wist
niet wat ervan te denken, omdat door sommigen gezegd werd, dat Johannes
uit de doden was opgewekt, |
7 Now Herod the tetrarch heard of all that was done by him: and he was
perplexed, because that it was said of some, that John was risen from the
dead; |
7 En Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem
geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat
Johannes van de doden was opgestaan; |
|
LK 9:8 door sommigen, dat Elia verschenen was, door anderen, dat een
der oude profeten was opgestaan. |
8 And of some, that Elias had appeared; and of others, that one of the
old prophets was risen again. |
8 En van sommigen, dat Elias verschenen was; en [van] anderen, dat een
profeet van de ouden was opgestaan. |
|
LK 9:9 Maar Herodes zeide: Johannes heb ik zelf laten onthoofden. Wie
zou deze zijn, van wie ik zulke dingen hoor? En hij trachtte Hem te zien
te krijgen. |
9 And Herod said, John have I beheaded: but who is this, of whom I hear
such things? And he desired to see him. |
9 En Herodes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van
Welken ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien. |
|
LK 9:10 En toen de apostelen teruggekeerd waren, verhaalden zij Hem
alles, wat zij verricht hadden. En Hij nam hen mede en trok Zich, met hen
alleen, terug naar een stad, genaamd Betsaïda. |
10 And the apostles, when they were returned, told him all that they
had done. And he took them, and went aside privately into a desert place
belonging to the city called Bethsaida. |
10 En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij
gedaan hadden. En Hij nam hen mede en vertrok alleen in een woeste plaats
der stad, genaamd Bethsaida. |
|
LK 9:11 Doch de scharen bemerkten het en volgden Hem. En Hij ontving
hen en sprak tot hen over het Koninkrijk Gods, en die genezing van node
hadden, maakte Hij gezond. |
11 And the people, when they knew [it], followed him: and he received
them, and spake unto them of the kingdom of God, and healed them that had
need of healing. |
11 En de scharen, [dat] verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en
sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van node hadden,
maakte Hij gezond. |
|
LK 9:12 En de dag begon te dalen; en de twaalven kwamen bij Hem en
zeiden tot Hem: Zend de schare weg, opdat zij naar de dorpen en hoeven in
de omtrek gaan om onderdak en spijs te vinden, want wij zijn hier in een
eenzame plaats. |
12 And when the day began to wear away, then came the twelve, and said
unto him, Send the multitude away, that they may go into the towns and
country round about, and lodge, and get victuals: for we are here in a
desert place. |
12 En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden
tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende
vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij
zijn hier in een woeste plaats. |
|
LK 9:13 Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. Zij zeiden: Wij
hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, of wij zouden moeten
heengaan om voor al dit volk voedsel te kopen. |
13 But he said unto them, Give ye them to eat. And they said, We have
no more but five loaves and two fishes; except we should go and buy meat
for all this people. |
13 Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij
hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij
heengaan en spijs kopen voor al dit volk; |
|
LK 9:14 Want er waren ongeveer vijfduizend man. En Hij zeide tot zijn
discipelen: Laat hen gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig. |
14 For they were about five thousand men. And he said to his disciples,
Make them sit down by fifties in a company. |
14 Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zeide tot Zijn
discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig. |
|
LK 9:15 En zij deden het en lieten hen allen nederzitten. |
15 And they did so, and made them all sit down. |
15 En zij deden alzo, en deden hen allen nederzitten. |
|
LK 9:16 Toen nam Hij de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op
naar de hemel, sprak de zegen uit en brak ze, en Hij gaf ze aan de
discipelen om ze aan de schare voor te zetten. |
16 Then he took the five loaves and the two fishes, and looking up to
heaven, he blessed them, and brake, and gave to the disciples to set
before the multitude. |
16 En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op
naar den hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen, om
der schare voor te leggen. |
|
LK 9:17 En zij aten en werden allen verzadigd en het overschot werd
door hen opgeraapt: twaalf manden met brokken. |
17 And they did eat, and were all filled: and there was taken up of
fragments that remained to them twelve baskets. |
17 En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, hetgeen
hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven. |
|
LK 9:18 En het geschiedde, terwijl Hij in het gebed alleen was, dat de
discipelen in zijn nabijheid waren en Hij vroeg hun en zeide: Wie zeggen
de scharen, dat Ik ben? |
18 And it came to pass, as he was alone praying, his disciples were
with him: and he asked them, saying, Whom say the people that I am? |
18 En het geschiedde, als Hij alleen was biddende, dat de discipelen
met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen, dat Ik
ben? |
|
LK 9:19 Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Doper, anderen: Elia,
weer anderen, dat een der oude profeten was opgestaan. |
19 They answering said, John the Baptist; but some [say], Elias; and
others [say], that one of the old prophets is risen again. |
19 En zij, antwoordende, zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elias;
en anderen: Dat enig profeet van de ouden opgestaan is. |
|
LK 9:20 Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Petrus
antwoordde en zeide: De Christus Gods. |
20 He said unto them, But whom say ye that I am? Peter answering said,
The Christ of God. |
20 En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij, dat Ik ben? En
Petrus, antwoordende, zeide: De Christus Gods. |
|
LK 9:21 En Hij vermaande hen nadrukkelijk en beval hun dit niemand te
zeggen. |
21 And he straitly charged them, and commanded [them] to tell no man
that thing; |
21 En Hij gebood hun scherpelijk en beval, dat zij dit niemand zeggen
zouden; |
|
LK 9:22 En Hij zeide: De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen
worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood
worden en ten derden dage worden opgewekt. |
22 Saying, The Son of man must suffer many things, and be rejected of
the elders and chief priests and scribes, and be slain, and be raised the
third day. |
22 Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden
van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en
ten derden dage opgewekt worden. |
|
LK 9:23 Hij zeide tot allen: Indien iemand achter Mij wil komen, die
verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij. |
23 And he said to [them] all, If any [man] will come after me, let him
deny himself, and take up his cross daily, and follow me. |
23 En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die
verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij. |
|
LK 9:24 Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het
verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die
zal het behouden. |
24 For whosoever will save his life shall lose it: but whosoever will
lose his life for my sake, the same shall save it. |
24 Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo
wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden. |
|
LK 9:25 Want wat baat het een mens, als hij de gehele wereld wint, maar
zichzelf verliest of zelf schade lijdt? |
25 For what is a man advantaged, if he gain the whole world, and lose
himself, or be cast away? |
25 Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen, en
zichzelven verliezen, of schade [zijns zelfs] lijden? |
|
LK 9:26 Want ieder, die zich voor Mij en voor mijn woorden zal schamen,
voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komt in zijn
heerlijkheid en die van de Vader en de heilige engelen. |
26 For whosoever shall be ashamed of me and of my words, of him shall
the Son of man be ashamed, when he shall come in his own glory, and [in
his] Father's, and of the holy angels. |
26 Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, diens
zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn
heerlijkheid, en [in de heerlijkheid] des Vaders, en der heilige engelen. |
|
LK 9:27 Ik zeg u in waarheid, er zijn sommigen onder degenen die hier
staan, welke voorzeker de dood niet zullen smaken, voordat zij het
Koninkrijk Gods gezien hebben. |
27 But I tell you of a truth, there be some standing here, which shall
not taste of death, till they see the kingdom of God. |
27 En Ik zeg u waarlijk: Er zijn sommigen dergenen, die hier staan, die
den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk Gods zullen gezien
hebben. |
|
LK 9:28 En het geschiedde ongeveer acht dagen na deze woorden, dat Hij
Petrus en Johannes en Jakobus medenam en de berg opging om te bidden. |
28 And it came to pass about an eight days after these sayings, he took
Peter and John and James, and went up into a mountain to pray. |
28 En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij
medenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op den berg, om te
bidden. |
|
LK 9:29 En het geschiedde, terwijl Hij in het gebed was, dat het
aanzien van zijn gelaat anders werd, en zijn kleding werd stralend wit. |
29 And as he prayed, the fashion of his countenance was altered, and
his raiment [was] white [and] glistering. |
29 En als Hij bad, werd de gedaante Zijns aangezichts veranderd, en
Zijn kleding wit [en] zeer blinkende. |
|
LK 9:30 En zie, twee mannen spraken met Hem, en wel Mozes en Elia. |
30 And, behold, there talked with him two men, which were Moses and
Elias: |
30 En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elias. |
|
LK 9:31 Dezen, in heerlijkheid verschenen, spraken over zijn uitgang,
die Hij te Jeruzalem zou volbrengen. |
31 Who appeared in glory, and spake of his decease which he should
accomplish at Jerusalem. |
31 Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, dien
Hij zoude volbrengen te Jeruzalem. |
|
LK 9:32 En Petrus en die met hem waren, werden door slaap overmand en,
toen zij ontwaakten, zagen zij zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die
bij Hem stonden. |
32 But Peter and they that were with him were heavy with sleep: and
when they were awake, they saw his glory, and the two men that stood with
him. |
32 Petrus nu, en die met hem [waren], waren met slaap bezwaard; en
ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij
Hem stonden. |
|
LK 9:33 En het geschiedde, toen dezen van Hem scheidden, dat Petrus tot
Jezus zeide: Meester, het is goed, dat wij hier zijn, laten wij drie
tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een; want hij
wist niet, wat hij zeide. |
33 And it came to pass, as they departed from him, Peter said unto
Jesus, Master, it is good for us to be here: and let us make three
tabernacles; one for thee, and one for Moses, and one for Elias: not
knowing what he said. |
33 En het geschiedde, als zij van Hem afscheidden, zo zeide Petrus tot
Jezus: Meester, het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie
tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elias een; niet
wetende, wat hij zeide. |
|
LK 9:34 En terwijl hij dit zeide, kwam er een wolk, en overschaduwde
hen. En zij werden bevreesd, toen die de wolk ingingen. |
34 While he thus spake, there came a cloud, and overshadowed them: and
they feared as they entered into the cloud. |
34 Als hij nu dit zeide, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij
werden bevreesd, als die in de wolk ingingen. |
|
LK 9:35 En er klonk een stem uit de wolk, die zeide: Deze is mijn Zoon,
de uitverkorene, hoort naar Hem. |
35 And there came a voice out of the cloud, saying, This is my beloved
Son: hear him. |
35 En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn
geliefde Zoon; hoort Hem! |
|
LK 9:36 En terwijl die stem klonk, bevond Jezus Zich alleen. En zij
zwegen en verhaalden in die dagen aan niemand iets van hetgeen zij gezien
hadden. |
36 And when the voice was past, Jesus was found alone. And they kept
[it] close, and told no man in those days any of those things which they
had seen. |
36 En als de stem geschiedde, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij
zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij
gezien hadden. |
|
LK 9:37 En het geschiedde, toen zij de volgende dag van de berg
afdaalden, dat een grote schare Hem tegemoet kwam. |
37 And it came to pass, that on the next day, when they were come down
from the hill, much people met him. |
37 En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den berg afkwamen,
dat Hem een grote schare in het gemoet kwam. |
|
LK 9:38 En zie, een man uit de schare riep, zeggende: Meester, ik smeek
U naar mijn zoon om te zien, want hij is mijn enige, |
38 And, behold, a man of the company cried out, saying, Master, I
beseech thee, look upon my son: for he is mine only child. |
38 En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid
U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene. |
|
LK 9:39 en zie, een geest grijpt hem en dan schreeuwt hij plotseling en
hij doet hem stuiptrekken, dat hem het schuim op de mond staat, en als hij
hem mishandelt, laat hij hem nauwelijks los. |
39 And, lo, a spirit taketh him, and he suddenly crieth out; and it
teareth him that he foameth again, and bruising him hardly departeth from
him. |
39 En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij
scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert
hem. |
|
LK 9:40 En ik heb uw discipelen gesmeekt hem uit te drijven en zij
hebben het niet gekund. |
40 And I besought thy disciples to cast him out; and they could not. |
40 En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en
zij hebben niet gekund. |
|
LK 9:41 Jezus antwoordde en zeide: O ongelovig en verkeerd geslacht,
hoelang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen? Breng uw zoon hier. |
41 And Jesus answering said, O faithless and perverse generation, how
long shall I be with you, and suffer you? Bring thy son hither. |
41 En Jezus, antwoordende, zeide: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe
lang zal Ik nog bij ulieden zijn, en ulieden verdragen? Breng uw zoon
hier. |
|
LK 9:42 En nog terwijl hij naderbij kwam, wierp de boze geest hem op de
grond en deed hem stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest en
Hij genas de knaap en gaf hem terug aan zijn vader. |
42 And as he was yet a coming, the devil threw him down, and tare
[him]. And Jesus rebuked the unclean spirit, and healed the child, and
delivered him again to his father. |
42 En nog, als hij [naar Hem] toekwam, scheurde hem de duivel, en
verscheurde [hem]; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het
kind gezond, en gaf hem zijn vader weder. |
|
LK 9:43 En allen stonden verslagen over de majesteit Gods. Toen allen
zich verwonderden over alles, wat Hij deed, zeide Hij tot zijn discipelen: |
43 And they were all amazed at the mighty power of God. But while they
wondered every one at all things which Jesus did, he said unto his
disciples, |
43 En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En als
zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zeide
Hij tot Zijn discipelen: |
|
LK 9:44 Legt gij deze woorden in uw oren, want de Zoon des mensen zal
overgeleverd worden in de handen der mensen. |
44 Let these sayings sink down into your ears: for the Son of man shall
be delivered into the hands of men. |
44 Legt gij deze woorden in uw oren: Want de Zoon des mensen zal
overgeleverd worden in der mensen handen. |
|
LK 9:45 Maar zij begrepen dit woord niet en het was voor hen verborgen,
zodat zij het niet verstonden. En zij durfden Hem niet naar dit woord
vragen. |
45 But they understood not this saying, and it was hid from them, that
they perceived it not: and they feared to ask him of that saying. |
45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen,
alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te
vragen. |
|
LK 9:46 Er kwam ook een overlegging bij hen op, wie van hen de meeste
was. |
46 Then there arose a reasoning among them, which of them should be
greatest. |
46 En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de
meeste ware. |
|
LK 9:47 Maar Jezus kende de overlegging van hun hart, en Hij nam een
kind en plaatste dat bij Zich, |
47 And Jesus, perceiving the thought of their heart, took a child, and
set him by him, |
47 Maar Jezus, ziende de overleggingen hunner harten, nam een kindeken,
en stelde dat bij Zich; |
|
LK 9:48 en Hij zeide tot hen: Een ieder, die dit kind ontvangt in mijn
naam, ontvangt Mij: en een ieder, die Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij
gezonden heeft. Want wie onder u allen de minste is, die is groot. |
48 And said unto them, Whosoever shall receive this child in my name
receiveth me: and whosoever shall receive me receiveth him that sent me:
for he that is least among you all, the same shall be great. |
48 En zeide tot hen: Zo wie dit kindeken ontvangen zal in Mijn Naam,
die ontvangt Mij; en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij
gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn. |
|
LK 9:49 Johannes antwoordde en zeide: Meester, wij hebben iemand in uw
naam boze geesten zien uitdrijven en wij wilden het hem beletten, omdat
hij niet met ons U volgt. |
49 And John answered and said, Master, we saw one casting out devils in
thy name; and we forbad him, because he followeth not with us. |
49 En Johannes antwoordde en zeide: Meester! wij hebben een gezien, die
in Uw Naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij
U met ons niet volgt. |
|
LK 9:50 Jezus zeide tot hem: Belet het niet, want wie niet tegen u is,
is vóór u. |
50 And Jesus said unto him, Forbid [him] not: for he that is not
against us is for us. |
50 En Jezus zeide tot hem: Verbied het niet; want wie tegen ons niet
is, die is voor ons. |
|
LK 9:51 En het geschiedde, toen de dagen van zijn opneming in
vervulling gingen, dat Hij zijn aangezicht richtte om naar Jeruzalem te
reizen, |
51 And it came to pass, when the time was come that he should be
received up, he stedfastly set his face to go to Jerusalem, |
51 En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld werden, zo
richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen. |
|
LK 9:52 en Hij zond boden voor Zich uit. En zij gingen heen en kwamen
in een dorp der Samaritanen om alles voor Hem gereed te maken. |
52 And sent messengers before his face: and they went, and entered into
a village of the Samaritans, to make ready for him. |
52 En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd
zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor Hem [herberg] te
bereiden. |
|
LK 9:53 En zij ontvingen Hem niet, omdat zijn aangezicht gericht was
naar Jeruzalem. |
53 And they did not receive him, because his face was as though he
would go to Jerusalem. |
53 En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was [als] reizende
naar Jeruzalem. |
|
LK 9:54 Toen de discipelen Jakobus en Johannes dit bemerkten, zeiden
zij: Here, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van de hemel zal nederdalen
om hen te verteren? |
54 And when his disciples James and John saw [this], they said, Lord,
wilt thou that we command fire to come down from heaven, and consume them,
even as Elias did? |
54 Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, [dat] zagen, zeiden
zij: Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en
dezen verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeft? |
|
LK 9:55 Doch Hij keerde Zich om en bestrafte hen. |
55 But he turned, and rebuked them, |
55 Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, |
| |
and said, Ye know not what manner of spirit ye are of. |
en zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt. |
| |
56 For the Son of man is not come to destroy men's lives, but to save
[them]. |
56 Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te
verderven, maar om te behouden. |
|
LK 9:56 En zij gingen naar een ander dorp. |
And they went to another village. |
En zij gingen naar een ander vlek. |
|
LK 9:57 En toen zij op weg waren, zeide iemand tot Hem: Ik zal U
volgen, waar Gij ook heengaat. |
57 And it came to pass, that, as they went in the way, a certain [man]
said unto him, Lord, I will follow thee whithersoever thou goest. |
57 En het geschiedde op den weg, als zij reisden, dat een tot Hem
zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. |
|
LK 9:58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen
des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd
neer te leggen. |
58 And Jesus said unto him, Foxes have holes, and birds of the air
[have] nests; but the Son of man hath not where to lay [his] head. |
58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des
hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd
nederlegge. |
|
LK 9:59 En Hij zeide tot een ander: Volg Mij. Maar deze zeide: Sta mij
toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven. |
59 And he said unto another, Follow me. But he said, Lord, suffer me
first to go and bury my father. |
59 En Hij zeide tot een anderen: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat
mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave. |
|
LK 9:60 Maar Hij zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; maar
ga gij heen en verkondig het Koninkrijk Gods. |
60 Jesus said unto him, Let the dead bury their dead: but go thou and
preach the kingdom of God. |
60 Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch
gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods. |
|
LK 9:61 En weer een ander zeide: Ik zal U volgen, Here, maar laat mij
eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten. |
61 And another also said, Lord, I will follow thee; but let me first go
bid them farewell, which are at home at my house. |
61 En ook een ander zeide: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst
toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn. |
|
LK 9:62 Maar Jezus zeide [tot hem]: Niemand, die de hand aan de ploeg
slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het
Koninkrijk Gods. |
62 And Jesus said unto him, No man, having put his hand to the plough,
and looking back, is fit for the kingdom of God. |
62 En Jezus zeide tot hem: Niemand, die zijn hand aan den ploeg slaat,
en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods. |
|
LK 10:1 Daarna wees de Here nog [tweeën]zeventig
aan en Hij zond hen twee aan twee voor Zich uit naar alle steden en
plaatsen, waar Hij zelf komen zou. |
1 After these things the Lord appointed other seventy also, and sent
them two and two before his face into every city and place, whither he
himself would come. |
1 En na dezen stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen
voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij
komen zou. |
|
LK 10:2 En Hij zeide tot hen: De oogst is wel groot, maar arbeiders
zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders
uitzende in zijn oogst. |
2 Therefore said he unto them, The harvest truly [is] great, but the
labourers [are] few: pray ye therefore the Lord of the harvest, that he
would send forth labourers into his harvest. |
2 Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn
weinige; daarom, bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn
oogst uitstote. |
|
LK 10:3 Gaat heen, zie, Ik zend u als lammeren midden onder wolven. |
3 Go your ways: behold, I send you forth as lambs among wolves. |
3 Gaat henen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden der wolven. |
|
LK 10:4 Draagt geen beurs of reiszak of sandalen, en groet niemand
onderweg. |
4 Carry neither purse, nor scrip, nor shoes: and salute no man by the
way. |
4 Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op den
weg. |
|
LK 10:5 Welk huis gij ook binnentreedt, zegt eerst: Vrede zij dezen
huize. |
5 And into whatsoever house ye enter, first say, Peace [be] to this
house. |
5 En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede [zij] dezen huize! |
|
LK 10:6 En indien daar een zoon des vredes is, dan zal uw vrede op hem
rusten, maar zo niet, dan zal hij tot u terugkeren. |
6 And if the son of peace be there, your peace shall rest upon it: if
not, it shall turn to you again. |
6 En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem
rusten; maar indien niet, zo zal [uw vrede] tot u wederkeren. |
|
LK 10:7 Blijft in dàt huis, eet en drinkt wat men u geeft, want de
arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere. |
7 And in the same house remain, eating and drinking such things as they
give: for the labourer is worthy of his hire. Go not from house to house. |
7 En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, hetgeen van hen
[voorgezet wordt]; want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over
van [het ene] huis in [het andere] huis. |
|
LK 10:8 En als gij in een stad komt, waar men u ontvangt, eet wat u
wordt voorgezet, |
8 And into whatsoever city ye enter, and they receive you, eat such
things as are set before you: |
8 En in wat stad gij zult ingaan, en zij u ontvangen, eet hetgeen
ulieden voorgezet wordt. |
|
LK 10:9 en geneest de zieken, die er zijn, en zegt tot hen: Het
Koninkrijk Gods is nabij u gekomen. |
9 And heal the sick that are therein, and say unto them, The kingdom of
God is come nigh unto you. |
9 En geneest de kranken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het
Koninkrijk Gods is nabij u gekomen. |
|
LK 10:10 Maar als gij in een stad komt, waar men u niet ontvangt, gaat
naar buiten op haar straten en zegt: |
10 But into whatsoever city ye enter, and they receive you not, go your
ways out into the streets of the same, and say, |
10 Maar in wat stad gij zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande
op haar straten, zo zegt: |
|
LK 10:11 Ook het stof van uw stad, dat aan onze voeten kleeft, wissen
wij af tegen u; doch weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabijgekomen is. |
11 Even the very dust of your city, which cleaveth on us, we do wipe
off against you: notwithstanding be ye sure of this, that the kingdom of
God is come nigh unto you. |
11 Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op
ulieden; nochtans zo weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is. |
|
LK 10:12 Ik zeg u, dat het voor Sodom in die dag draaglijker zal zijn
dan voor die stad. |
12 But I say unto you, that it shall be more tolerable in that day for
Sodom, than for that city. |
12 En Ik zeg u, dat het [dien van] Sodom verdragelijker wezen zal in
dien dag, dan dezelve stad. |
|
LK 10:13 Wee u, Chorazin, wee u, Betsaïda, want indien in Tyrus en
Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang
zouden zij, in zak en as gezeten, zich bekeerd hebben. |
13 Woe unto thee, Chorazin! woe unto thee, Bethsaida! for if the mighty
works had been done in Tyre and Sidon, which have been done in you, they
had a great while ago repented, sitting in sackcloth and ashes. |
13 Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaida, want zo in Tyrus en Sidon de
krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in
zak en as zittende, zich bekeerd hebben. |
|
LK 10:14 Doch het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in het
oordeel dan voor u. |
14 But it shall be more tolerable for Tyre and Sidon at the judgment,
than for you. |
14 Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan
ulieden. |
|
LK 10:15 En gij, Kafarnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot
het dodenrijk zult gij nederdalen. |
15 And thou, Capernaum, which art exalted to heaven, shalt be thrust
down to hell. |
15 En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot
de hel toe nedergestoten worden. |
|
LK 10:16 Wie naar u hoort, hoort naar Mij; en wie u verwerpt, verwerpt
Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, die Mij gezonden heeft. |
16 He that heareth you heareth me; and he that despiseth you despiseth
me; and he that despiseth me despiseth him that sent me. |
16 Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en
wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft. |
|
LK 10:17 En de [tweeën]zeventig zijn teruggekeerd met blijdschap en
zeiden: Here, ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in uw naam. |
17 And the seventy returned again with joy, saying, Lord, even the
devils are subject unto us through thy name. |
17 En de zeventigen zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere,
ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam. |
|
LK 10:18 En Hij zeide tot hen: Ik zag de satan als een bliksem uit de
hemel vallen. |
18 And he said unto them, I beheld Satan as lightning fall from heaven. |
18 En Hij zeide tot hen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den
hemel vallen. |
|
LK 10:19 Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te
treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig
kwaad doen. |
19 Behold, I give unto you power to tread on serpents and scorpions,
and over all the power of the enemy: and nothing shall by any means hurt
you. |
19 Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden,
en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen. |
|
LK 10:20 Evenwel, verheugt u niet hierover, dat de geesten zich aan u
onderwerpen, maar verheugt u, dat uw namen staan opgetekend in de hemelen. |
20 Notwithstanding in this rejoice not, that the spirits are subject
unto you; but rather rejoice, because your names are written in heaven. |
20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn;
maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. |
|
LK 10:21 Terzelfder tijd verblijdde Hij Zich door de heilige Geest en
zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen
voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens
geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. |
21 In that hour Jesus rejoiced in spirit, and said, I thank thee, O
Father, Lord of heaven and earth, that thou hast hid these things from the
wise and prudent, and hast revealed them unto babes: even so, Father; for
so it seemed good in thy sight. |
21 Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U,
Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen
en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens
geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. |
|
LK 10:22 Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand
weet, wie de Zoon is, dan de Vader, en wie de Vader is, dan de Zoon, en
wie de Zoon het wil openbaren. |
22 All things are delivered to me of my Father: and no man knoweth who
the Son is, but the Father; and who the Father is, but the Son, and [he]
to whom the Son will reveal [him]. |
22 Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet,
wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en dien het
de Zoon zal willen openbaren. |
|
LK 10:23 En Zich afzonderlijk tot de discipelen wendende, zeide Hij:
Zalig de ogen, die zien, wat gij ziet. |
23 And he turned him unto [his] disciples, and said privately, Blessed
[are] the eyes which see the things that ye see: |
23 En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij [tot hen] alleen:
Zalig zijn de ogen, die zien, hetgeen gij ziet. |
|
LK 10:24 Want Ik zeg u: Vele profeten en koningen hebben willen zien,
wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en horen, wat gij hoort, en
zij hebben het niet gehoord. |
24 For I tell you, that many prophets and kings have desired to see
those things which ye see, and have not seen [them]; and to hear those
things which ye hear, and have not heard [them]. |
24 Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien,
hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, hetgeen gij
hoort, en hebben het niet gehoord. |
|
LK 10:25 En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide:
Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? |
25 And, behold, a certain lawyer stood up, and tempted him, saying,
Master, what shall I do to inherit eternal life? |
25 En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en
zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven? |
|
LK 10:26 En Hij zeide tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Hoe
leest gij? |
26 He said unto him, What is written in the law? how readest thou? |
26 En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij? |
|
LK 10:27 Hij antwoordde en zeide: Gij zult de Here, uw God, liefhebben
uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met
geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf. |
27 And he answering said, Thou shalt love the Lord thy God with all thy
heart, and with all thy soul, and with all thy strength, and with all thy
mind; and thy neighbour as thyself. |
27 En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben,
uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit
geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven. |
|
LK 10:28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geantwoord; doe dat en
gij zult leven. |
28 And he said unto him, Thou hast answered right: this do, and thou
shalt live. |
28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij
zult leven. |
|
LK 10:29 Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus: En wie
is mijn naaste? |
29 But he, willing to justify himself, said unto Jesus, And who is my
neighbour? |
29 Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En
wie is mijn naaste? |
|
LK 10:30 Daarop hernam Jezus en zeide: Een zeker mens daalde af van
Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet
alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem
halfdood lieten liggen. |
30 And Jesus answering said, A certain [man] went down from Jerusalem
to Jericho, and fell among thieves, which stripped him of his raiment, and
wounded [him], and departed, leaving [him] half dead. |
30 En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem
naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en
daartoe [zware] slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten [hem] half
dood liggen. |
|
LK 10:31 Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag
hem, doch ging aan de overzijde voorbij. |
31 And by chance there came down a certain priest that way: and when he
saw him, he passed by on the other side. |
31 En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem
ziende, ging hij tegenover [hem] voorbij. |
|
LK 10:32 Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en
ging aan de overzijde voorbij. |
32 And likewise a Levite, when he was at the place, came and looked [on
him], and passed by on the other side. |
32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij,
en zag [hem], en ging tegenover [hem] voorbij. |
|
LK 10:33 Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid,
en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. |
33 But a certain Samaritan, as he journeyed, came where he was: and
when he saw him, he had compassion [on him], |
33 Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem
ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. |
|
LK 10:34 En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en
wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een
herberg en verzorgde hem. |
34 And went to [him], and bound up his wounds, pouring in oil and wine,
and set him on his own beast, and brought him to an inn, and took care of
him. |
34 En hij, tot [hem] gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie
en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en
verzorgde hem. |
|
LK 10:35 En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter
hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze
u vergoeden, op mijn terugreis. |
35 And on the morrow when he departed, he took out two pence, and gave
[them] to the host, and said unto him, Take care of him; and whatsoever
thou spendest more, when I come again, I will repay thee. |
35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en
gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij
meer [aan hem] ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik
wederkom. |
|
LK 10:36 Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste geweest is van de
man, die in handen der rovers was gevallen? |
36 Which now of these three, thinkest thou, was neighbour unto him that
fell among the thieves? |
36 Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen,
die onder de moordenaars gevallen was? |
|
LK 10:37 Hij zeide: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus
zeide tot hem: Ga heen, doe gij evenzo. |
37 And he said, He that shewed mercy on him. Then said Jesus unto him,
Go, and do thou likewise. |
37 En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan
Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks. |
|
LK 10:38 Terwijl zij op reis waren, kwam Hij in een zeker dorp. En een
vrouw, Marta geheten, ontving Hem in haar huis. |
38 Now it came to pass, as they went, that he entered into a certain
village: and a certain woman named Martha received him into her house. |
38 En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en een
zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis. |
|
LK 10:39 En deze had een zuster, genaamd Maria, die, aan de voeten des
Heren gezeten, naar zijn woord luisterde. |
39 And she had a sister called Mary, which also sat at Jesus' feet, and
heard his word. |
39 En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de
voeten van Jezus, Zijn woord hoorde. |
|
LK 10:40 Marta echter werd in beslag genomen door het vele bedienen. En
zij ging bij Hem staan en zeide: Here, trekt Gij het U niet aan, dat mijn
zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen. |
40 But Martha was cumbered about much serving, and came to him, and
said, Lord, dost thou not care that my sister hath left me to serve alone?
bid her therefore that she help me. |
40 Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daarbij komende,
zeide zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen
laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe. |
|
LK 10:41 Maar de Here antwoordde en zeide tot haar: Marta, Marta, gij
maakt u bezorgd en druk over vele dingen, |
41 And Jesus answered and said unto her, Martha, Martha, thou art
careful and troubled about many things: |
41 En Jezus, antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha, gij
bekommert en ontrust u over vele dingen; |
|
LK 10:42 maar weinige zijn nodig of slechts één; want Maria heeft het
goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen. |
42 But one thing is needful: and Mary hath chosen that good part, which
shall not be taken away from her. |
42 Maar een ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen,
hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. |
|
LK 11:1 En het geschiedde, terwijl Hij ergens in
gebed was, dat een van zijn discipelen, toen Hij ophield, tot Hem zeide:
Here, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft. |
1 And it came to pass, that, as he was praying in a certain place, when
he ceased, one of his disciples said unto him, Lord, teach us to pray, as
John also taught his disciples. |
1 En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als
Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons
bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft. |
|
LK 11:2 Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zegt: Vader, uw naam worde
geheiligd; uw Koninkrijk kome; |
2 And he said unto them, When ye pray, say, Our Father which art in
heaven, Hallowed be thy name. Thy kingdom come. |
2 En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in
de hemelen [zijt!] Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. |
| |
Thy will be done, as in heaven, so in earth. |
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, [alzo] ook op de aarde. |
|
LK 11:3 geef ons elke dag ons dagelijks brood; |
3 Give us day by day our daily bread. |
3 Geef ons elken dag ons dagelijks brood. |
|
LK 11:4 en vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven een
ieder, die ons iets schuldig is; en leid ons niet in verzoeking. |
4 And forgive us our sins; for we also forgive every one that is
indebted to us. And lead us not into temptation; but deliver us from evil. |
4 En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk,
die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van
den boze. |
|
LK 11:5 En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, die
midden in de nacht bij hem komt en tot hem zegt: Vriend, leen mij drie
broden, |
5 And he said unto them, Which of you shall have a friend, and shall go
unto him at midnight, and say unto him, Friend, lend me three loaves; |
5 En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal ter
middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden; |
|
LK 11:6 want een vriend van mij is op zijn reis bij mij aangekomen en
ik heb niets om hem voor te zetten; |
6 For a friend of mine in his journey is come to me, and I have nothing
to set before him? |
6 Overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet,
dat ik hem voorzette; |
|
LK 11:7 en dat dan hij, die binnen is, zou antwoorden en zeggen: Val
mij niet lastig, de deur is reeds gesloten en mijn kinderen en ik zijn
naar bed; ik kan niet opstaan om ze u te geven. |
7 And he from within shall answer and say, Trouble me not: the door is
now shut, and my children are with me in bed; I cannot rise and give thee. |
7 En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite
aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij in de
slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven. |
|
LK 11:8 Ik zeg u, zelfs al zou hij niet opstaan en ze geven, omdat hij
zijn vriend was, om zijn onbeschaamdheid zou hij opstaan en hem geven,
zoveel hij nodig heeft. |
8 I say unto you, Though he will not rise and give him, because he is
his friend, yet because of his importunity he will rise and give him as
many as he needeth. |
8 Ik zeg ulieden: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij
zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid wil, zal hij opstaan,
en hem geven zoveel als hij er behoeft. |
|
LK 11:9 En Ik zeg u: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult
vinden; klopt en u zal opengedaan worden. |
9 And I say unto you, Ask, and it shall be given you; seek, and ye
shall find; knock, and it shall be opened unto you. |
9 En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult
vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. |
|
LK 11:10 Want een ieder, die bidt, ontvangt en wie zoekt, vindt en wie
klopt, hem zal opengedaan worden. |
10 For every one that asketh receiveth; and he that seeketh findeth;
and to him that knocketh it shall be opened. |
10 Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt;
en die klopt, dien zal opengedaan worden. |
|
LK 11:11 Is er soms een vader onder u, die, als zijn zoon hem om een
vis vraagt, hem voor een vis een slang zal geven? |
11 If a son shall ask bread of any of you that is a father, will he
give him a stone? or if [he ask] a fish, will he for a fish give him a
serpent? |
11 En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen
geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven? |
|
LK 11:12 Of als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen zal geven? |
12 Or if he shall ask an egg, will he offer him a scorpion? |
12 Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen
geven? |
|
LK 11:13 Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te
geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de
heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden? |
13 If ye then, being evil, know how to give good gifts unto your
children: how much more shall [your] heavenly Father give the Holy Spirit
to them that ask him? |
13 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te
geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven
dengenen, die Hem bidden? |
|
LK 11:14 En Hij was bezig een boze geest uit te drijven en deze was
stom. En het geschiedde, toen de geest uitgevaren was, dat de stomme
sprak. En de scharen verwonderden zich. |
14 And he was casting out a devil, and it was dumb. And it came to
pass, when the devil was gone out, the dumb spake; and the people
wondered. |
14 En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als
de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden
zich. |
|
LK 11:15 Doch sommigen van hen zeiden: Door Beëlzebul, de overste der
boze geesten, drijft Hij de geesten uit. |
15 But some of them said, He casteth out devils through Beelzebub the
chief of the devils. |
15 Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door
Beelzebul, den overste der duivelen. |
|
LK 11:16 Anderen begeerden, om Hem te verzoeken, van Hem een teken uit
de hemel. |
16 And others, tempting [him], sought of him a sign from heaven. |
16 En anderen, [Hem] verzoekende, begeerden van Hem een teken uit den
hemel. |
|
LK 11:17 Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen: Ieder
koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en het ene
huis valt op het andere. |
17 But he, knowing their thoughts, said unto them, Every kingdom
divided against itself is brought to desolation; and a house [divided]
against a house falleth. |
17 Maar Hij, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder
koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis,
tegen zichzelf [verdeeld zijnde,] valt. |
|
LK 11:18 Indien ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn
koninkrijk kunnen standhouden? Want gij zegt, dat Ik door Beëlzebul de
boze geesten uitdrijf. |
18 If Satan also be divided against himself, how shall his kingdom
stand? because ye say that I cast out devils through Beelzebub. |
18 Indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn
rijk bestaan? Dewijl gij zegt, dat Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp. |
|
LK 11:19 Indien Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie
doen uw zonen het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn. |
19 And if I by Beelzebub cast out devils, by whom do your sons cast
[them] out? therefore shall they be your judges. |
19 En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze
uw zonen uit? Daarom zullen dezen uw rechters zijn. |
|
LK 11:20 Maar indien Ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf,
dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen. |
20 But if I with the finger of God cast out devils, no doubt the
kingdom of God is come upon you. |
20 Maar indien Ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan
het Koninkrijk Gods tot u gekomen. |
|
LK 11:21 Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt,
is zijn bezit in veiligheid. |
21 When a strong man armed keepeth his palace, his goods are in peace: |
21 Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is [al] wat hij
heeft in vrede. |
|
LK 11:22 Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en
hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en
verdeelt zijn buit. |
22 But when a stronger than he shall come upon him, and overcome him,
he taketh from him all his armour wherein he trusted, and divideth his
spoils. |
22 Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint,
die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn
roof uit. |
|
LK 11:23 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij en wie met Mij niet
bijeenbrengt, die verstrooit. |
23 He that is not with me is against me: and he that gathereth not with
me scattereth. |
23 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet
vergadert, die verstrooit. |
|
LK 11:24 Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij
door dorre plaatsen om rust te zoeken, en als hij die niet vindt, zegt
hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren. |
24 When the unclean spirit is gone out of a man, he walketh through dry
places, seeking rest; and finding none, he saith, I will return unto my
house whence I came out. |
24 Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij
door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal
wederkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben. |
|
LK 11:25 En als hij komt, vindt hij het geveegd en op orde. |
25 And when he cometh, he findeth [it] swept and garnished. |
25 En komende, vindt hij het [met bezemen] gekeerd en versierd. |
|
LK 11:26 Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer
dan hij zelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens
in het einde erger dan in het begin. |
26 Then goeth he, and taketh [to him] seven other spirits more wicked
than himself; and they enter in, and dwell there: and the last [state] of
that man is worse than the first. |
26 Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven anderen geesten, bozer
dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van
dien mens wordt erger dan het eerste. |
|
LK 11:27 En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw
uit de schare haar stem verhief en tot Hem zeide: Zalig de schoot, die U
heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen. |
27 And it came to pass, as he spake these things, a certain woman of
the company lifted up her voice, and said unto him, Blessed [is] the womb
that bare thee, and the paps which thou hast sucked. |
27 En het geschiedde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw,
de stem verheffende uit de schare, tot Hem zeide: Zalig is de buik, die U
gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen. |
|
LK 11:28 Maar Hij zeide: Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het
bewaren. |
28 But he said, Yea rather, blessed [are] they that hear the word of
God, and keep it. |
28 Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en
hetzelve bewaren. |
|
LK 11:29 Toen de scharen te hoop liepen, begon Hij te zeggen: Dit
geslacht is een boos geslacht. Het begeert een teken, maar het zal geen
teken ontvangen dan het teken van Jona. |
29 And when the people were gathered thick together, he began to say,
This is an evil generation: they seek a sign; and there shall no sign be
given it, but the sign of Jonas the prophet. |
29 En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit
is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelve zal geen teken
gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet. |
|
LK 11:30 Want gelijk Jona voor de Ninevieten ten teken geworden is, zo
zal ook de Zoon des mensen het zijn voor dit geslacht. |
30 For as Jonas was a sign unto the Ninevites, so shall also the Son of
man be to this generation. |
30 Want gelijk Jonas den Ninevieten een teken geweest is, alzo zal ook
de Zoon des mensen zijn dezen geslachte. |
|
LK 11:31 De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met de
mannen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij is gekomen van de
einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan
Salomo is hier. |
31 The queen of the south shall rise up in the judgment with the men of
this generation, and condemn them: for she came from the utmost parts of
the earth to hear the wisdom of Solomon; and, behold, a greater than
Solomon [is] here. |
31 De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen
van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden
der aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is
hier. |
|
LK 11:32 De mannen van Nineve zullen in het oordeel opstaan met dit
geslacht en het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking
van Jona, en zie, meer dan Jona is hier. |
32 The men of Nineve shall rise up in the judgment with this
generation, and shall condemn it: for they repented at the preaching of
Jonas; and, behold, a greater than Jonas [is] here. |
32 De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit
geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op
de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier! |
|
LK 11:33 Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder
de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien. |
33 No man, when he hath lighted a candle, putteth [it] in a secret
place, neither under a bushel, but on a candlestick, that they which come
in may see the light. |
33 En niemand, die een kaars ontsteekt, zet [die] in het verborgen,
noch onder een koornmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die
inkomen, het licht zien mogen. |
|
LK 11:34 De lamp van het lichaam is uw oog. Indien dan uw oog zuiver
is, is ook uw gehele lichaam verlicht, maar wanneer het slecht is, is ook
uw lichaam duister. |
34 The light of the body is the eye: therefore when thine eye is
single, thy whole body also is full of light; but when [thine eye] is
evil, thy body also [is] full of darkness. |
34 De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is,
zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw
[gehele] lichaam duister. |
|
LK 11:35 Zie dan toe, dat wat licht in u is niet duisternis zij. |
35 Take heed therefore that the light which is in thee be not darkness. |
35 Zie dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij. |
|
LK 11:36 Indien dan uw lichaam geheel verlicht en geen deel duister is,
zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp u met haar schijnsel
verlicht. |
36 If thy whole body therefore [be] full of light, having no part dark,
the whole shall be full of light, as when the bright shining of a candle
doth give thee light. |
36 Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel,
dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars
met het schijnsel u verlicht. |
|
LK 11:37 Terwijl Hij sprak, nodigde een Farizeeër Hem om bij hem te
komen eten. En Hij kwam binnen en ging aanliggen. |
37 And as he spake, a certain Pharisee besought him to dine with him:
and he went in, and sat down to meat. |
37 Als Hij nu [dit] sprak, bad Hem een zeker Farizeer, dat Hij bij hem
het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan. |
|
LK 11:38 De Farizeeër verwonderde zich, toen hij zag, dat Hij Zich
vóór het eten niet eerst wies. |
38 And when the Pharisee saw [it], he marvelled that he had not first
washed before dinner. |
38 En de Farizeer, [dat] ziende, verwonderde zich, dat Hij niet eerst,
voor het middagmaal, Zich gewassen had. |
|
LK 11:39 Maar de Here zeide tot hem: En gij dan, gij Farizeeën, de
buitenzijde van de beker en de schotel reinigt gij, maar van binnen zijt
gij vol roof en slechtheid. |
39 And the Lord said unto him, Now do ye Pharisees make clean the
outside of the cup and the platter; but your inward part is full of
ravening and wickedness. |
39 En de Heere zeide tot hem: Nu gij Farizeen, gij reinigt het
buitenste des drinkbekers en des schotels; maar het binnenste van u is vol
van roof en boosheid. |
|
LK 11:40 Onverstandigen, heeft Hij, die de buitenzijde gemaakt heeft,
ook niet de binnenzijde gemaakt? |
40 [Ye] fools, did not he that made that which is without make that
which is within also? |
40 Gij onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook
niet het binnenste gemaakt? |
|
LK 11:41 Doch geeft de inhoud als aalmoes en zie, alles is u rein. |
41 But rather give alms of such things as ye have; and, behold, all
things are clean unto you. |
41 Doch geeft tot aalmoes, hetgeen daarin is; en ziet, alles is u rein. |
|
LK 11:42 Maar wee u, Farizeeën, want gij geeft tienden van de munt en
de ruit en van alle kruiden, en gij gaat voorbij aan het oordeel en de
liefde Gods. Dit moest men doen en het andere niet nalaten. |
42 But woe unto you, Pharisees! for ye tithe mint and rue and all
manner of herbs, and pass over judgment and the love of God: these ought
ye to have done, and not to leave the other undone. |
42 Maar wee u, Farizeen, want gij vertient munte, en ruite, en alle
moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest
men doen, en het andere niet nalaten. |
|
LK 11:43 Wee u, Farizeeën, want gij zijt gesteld op de ereplaats in de
synagogen en op de begroetingen op de markten. |
43 Woe unto you, Pharisees! for ye love the uppermost seats in the
synagogues, and greetings in the markets. |
43 Wee u, Farizeen, want gij bemint het voorgestoelte in de synagogen,
en de begroetingen op de markten. |
|
LK 11:44 Wee u, want gij zijt als de onzichtbare graven: de mensen, die
er overheen lopen, weten het niet. |
44 Woe unto you, scribes and Pharisees, hypocrites! for ye are as
graves which appear not, and the men that walk over [them] are not aware
[of them]. |
44 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij
zijt gelijk de graven, die niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover
wandelen, weten het niet. |
|
LK 11:45 Een van de wetgeleerden antwoordde en zeide tot Hem: Meester,
door dit te zeggen, beledigt Gij ook òns. |
45 Then answered one of the lawyers, and said unto him, Master, thus
saying thou reproachest us also. |
45 En een van de wetgeleerden, antwoordende, zeide tot Hem: Meester!
als Gij deze dingen zegt, zo doet Gij ook ons smaadheid aan. |
|
LK 11:46 Maar Hij zeide: Wee ook u, wetgeleerden, want gij legt de
mensen ondraaglijke lasten op, en zelf raakt gij die lasten niet met één
uwer vingers aan. |
46 And he said, Woe unto you also, [ye] lawyers! for ye lade men with
burdens grievous to be borne, and ye yourselves touch not the burdens with
one of your fingers. |
46 Doch Hij zeide: Wee ook u, wetgeleerden! want gij belast de mensen
met lasten, zwaar om te dragen, en zelven raakt gij die lasten niet aan
met een van uw vingeren. |
|
LK 11:47 Wee u, want gij bouwt de grafsteden der profeten, maar uw
vaderen hebben hen gedood. |
47 Woe unto you! for ye build the sepulchres of the prophets, and your
fathers killed them. |
47 Wee u, want gij bouwt de graven der profeten, en uw vaders hebben
dezelve gedood. |
|
LK 11:48 Zo zijt gij dan getuigen, dat gij instemt met de daden uwer
vaderen, want zij hebben hen gedood en gij bouwt! |
48 Truly ye bear witness that ye allow the deeds of your fathers: for
they indeed killed them, and ye build their sepulchres. |
48 Zo getuigt gij dan, dat gij mede behagen hebt aan de werken uwer
vaderen; want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hun graven. |
|
LK 11:49 Daarom zegt ook de wijsheid Gods: Ik zal tot hen zenden
profeten en apostelen en van hen zullen zij sommigen doden en vervolgen, |
49 Therefore also said the wisdom of God, I will send them prophets and
apostles, and [some] of them they shall slay and persecute: |
49 Waarom ook de wijsheid Gods zegt: Ik zal profeten en apostelen tot
hen zenden, en van die zullen zij [sommigen] doden, en [sommigen] zullen
zij uitjagen; |
|
LK 11:50 opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de
profeten, dat vergoten is sinds de grondvesting der wereld, |
50 That the blood of all the prophets, which was shed from the
foundation of the world, may be required of this generation; |
50 Opdat van dit geslacht afgeeist worde het bloed van al de profeten,
dat vergoten is van de grondlegging der wereld af. |
|
LK 11:51 van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharias, die
omgebracht is tussen het altaar en het tempelhuis. Ja, Ik zeg u, het zal
afgeëist worden van dit geslacht. |
51 From the blood of Abel unto the blood of Zacharias, which perished
between the altar and the temple: verily I say unto you, It shall be
required of this generation. |
51 Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharia, die gedood is
tussen het altaar en het huis [Gods]; ja, zeg Ik u, het zal afgeeist
worden van dit geslacht! |
|
LK 11:52 Wee u, wetgeleerden, want gij hebt de sleutel der kennis
weggenomen; zelf zijt gij niet binnengegaan en hen, die trachtten binnen
te gaan, hebt gij tegengehouden. |
52 Woe unto you, lawyers! for ye have taken away the key of knowledge:
ye entered not in yourselves, and them that were entering in ye hindered. |
52 Wee u, gij wetgeleerden, want gij hebt den sleutel der kennis
weggenomen; gijzelven zijt niet ingegaan, en die ingingen, hebt gij
verhinderd. |
|
LK 11:53 En toen Hij van die plaats vertrok, begonnen de
schriftgeleerden en de Farizeeën Hem heftig aan te vallen en Hem uit te
vragen over vele dingen, |
53 And as he said these things unto them, the scribes and the Pharisees
began to urge [him] vehemently, and to provoke him to speak of many
things: |
53 En als Hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de Schriftgeleerden
en Farizeen hard aan te houden, en Hem van vele dingen te doen spreken; |
|
LK 11:54 Hem een |