Jozua

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24

NED. BIJBELGENOOTSCHAP 1951

KING JAMES VERSION 1611

STATENBIJBEL 1637

JZ 1:1 Het geschiedde na de dood van Mozes, de knecht des HEREN, dat de HERE tot Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, zeide:

1 Now after the death of Moses the servant of the LORD it came to pass, that the LORD spake unto Joshua the son of Nun, Moses' minister, saying,

1 Het geschiedde nu, na den dood van Mozes, den knecht des HEEREN, dat de HEERE tot Jozua, den zoon van Nun, den dienaar van Mozes, sprak, zeggende:

JZ 1:2 Mijn knecht Mozes is gestorven; welnu, maak u gereed, trek over de Jordaan hier, gij en dit gehele volk, naar het land, dat Ik hun, de Israëlieten, geven zal.

2 Moses my servant is dead; now therefore arise, go over this Jordan, thou, and all this people, unto the land which I do give to them, [even] to the children of Israel.

2 Mijn knecht Mozes is gestorven; zo maak u nu op, trek over deze Jordaan, gij en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, den kinderen Israels, geve.

JZ 1:3 Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden, zoals Ik tot Mozes gesproken heb.

3 Every place that the sole of your foot shall tread upon, that have I given unto you, as I said unto Moses.

3 Alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb.

JZ 1:4 Van de woestijn en de Libanon ginds tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, het gehele land der Hethieten, en tot aan de Grote Zee in het westen zal uw gebied zijn.

4 From the wilderness and this Lebanon even unto the great river, the river Euphrates, all the land of the Hittites, and unto the great sea toward the going down of the sun, shall be your coast.

4 Van de woestijn en dezen Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het ganse land der Hethieten, en tot aan de grote zee, [tegen] den ondergang der zon, zal ulieder landpale zijn.

JZ 1:5 Niemand zal voor u standhouden al de dagen van uw leven; zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven en u niet verlaten.

5 There shall not any man be able to stand before thee all the days of thy life: as I was with Moses, [so] I will be with thee: I will not fail thee, nor forsake thee.

5 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.

JZ 1:6 Wees sterk en moedig, want gij zult dit volk het land doen beërven, dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te zullen geven.

6 Be strong and of a good courage: for unto this people shalt thou divide for an inheritance the land, which I sware unto their fathers to give them.

6 Wees sterk en heb goeden moed! want gij zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaderen heb gezworen hun te geven.

JZ 1:7 Alleen, wees zeer sterk en moedig en handel nauwgezet overeenkomstig de gehele wet die mijn knecht Mozes u geboden heeft; wijk daarvan niet af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoedig zijt, overal waar gij gaat.

7 Only be thou strong and very courageous, that thou mayest observe to do according to all the law, which Moses my servant commanded thee: turn not from it [to] the right hand or [to] the left, that thou mayest prosper whithersoever thou goest.

7 Alleenlijk wees sterk en heb zeer goeden moed, dat gij waarneemt te doen naar de ganse wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter [hand] noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt alom, waar gij zult gaan;

JZ 1:8 Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschreven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn.

8 This book of the law shall not depart out of thy mouth; but thou shalt meditate therein day and night, that thou mayest observe to do according to all that is written therein: for then thou shalt make thy way prosperous, and then thou shalt have good success.

8 Dat het boek dezer wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen.

JZ 1:9 Heb Ik u niet geboden: wees sterk en moedig? Sidder niet en word niet verschrikt, want de HERE, uw God, is met u, overal waar gij gaat.

9 Have not I commanded thee? Be strong and of a good courage; be not afraid, neither be thou dismayed: for the LORD thy God [is] with thee whithersoever thou goest.

9 Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goeden moed, en verschrik niet, en ontzet u niet; want de HEERE, uw God, is met u alom, waar gij heengaat.

JZ 1:10 Toen beval Jozua de opzieners van het volk:

10 Then Joshua commanded the officers of the people, saying,

10 Toen gebood Jozua den ambtlieden des volks, zeggende:

JZ 1:11 Gaat midden door de legerplaats en beveelt het volk aldus: bereidt u teerkost, want binnen drie dagen zult gij de Jordaan hier overtrekken om bezit te gaan nemen van het land, dat de HERE, uw God, u tot een bezitting geven zal.

11 Pass through the host, and command the people, saying, Prepare you victuals; for within three days ye shall pass over this Jordan, to go in to possess the land, which the LORD your God giveth you to possess it.

11 Gaat door het midden des legers, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt teerkost voor ulieden; want binnen nog drie dagen zult gijlieden over deze Jordaan gaan, dat gij ingaat, om te erven het land, hetwelk de HEERE, uw God, ulieden geeft om te beerven.

JZ 1:12 Tot de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse zeide Jozua:

12 And to the Reubenites, and to the Gadites, and to half the tribe of Manasseh, spake Joshua, saying,

12 En Jozua sprak tot de Rubenieten en Gadieten, en den halven stam van Manasse, zeggende:

JZ 1:13 Gedenkt het woord dat Mozes, de knecht des HEREN, u geboden heeft: de HERE, uw God, schenkt u rust en geeft u dit land;

13 Remember the word which Moses the servant of the LORD commanded you, saying, The LORD your God hath given you rest, and hath given you this land.

13 Gedenkt aan het woord, hetwelk Mozes, de knecht des HEEREN, ulieden geboden heeft, zeggende: De HEERE, uw God, geeft ulieden rust, en Hij geeft u dit land;

JZ 1:14 uw vrouwen, uw kleine kinderen en uw vee mogen blijven in het land, dat Mozes u gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan, maar gij zult, ten strijde toegerust, aan de spits uwer broeders optrekken, alle dappere helden, en gij zult hen helpen,

14 Your wives, your little ones, and your cattle, shall remain in the land which Moses gave you on this side Jordan; but ye shall pass before your brethren armed, all the mighty men of valour, and help them;

14 Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes ulieden aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar gijlieden zult gewapend trekken, voor het aangezicht uwer broederen, alle strijdbare helden, en zult hen helpen;

JZ 1:15 totdat de HERE uw broeders rust geschonken heeft evenals u, en ook zij bezit genomen hebben van het land dat de HERE, uw God, hun geven zal. Dan moogt gij terugkeren naar uw eigen land en dat in bezit nemen, hetwelk Mozes, de knecht des HEREN, u gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan, in het oosten.

15 Until the LORD have given your brethren rest, as [he hath given] you, and they also have possessed the land which the LORD your God giveth them: then ye shall return unto the land of your possession, and enjoy it, which Moses the LORD'S servant gave you on this side Jordan toward the sunrising.

15 Totdat de HEERE uw broederen rust geve, als ulieden, en dat zij ook erfelijk bezitten het land, dat de HEERE, uw God, hun geeft; alsdan zult gijlieden wederkeren tot het land uwer erfenis, en zult het erfelijk bezitten, dat Mozes, de knecht des HEEREN, ulieden gegeven heeft, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon.

JZ 1:16 Daarop antwoordden zij Jozua: Al wat gij ons bevolen hebt, zullen wij doen en overal, waarheen gij ons zenden zult, zullen wij gaan;

16 And they answered Joshua, saying, All that thou commandest us we will do, and whithersoever thou sendest us, we will go.

16 Toen antwoordden zij Jozua, zeggende: Al wat gij ons geboden hebt, zullen wij doen, en alom, waar gij ons zenden zult, zullen wij gaan.

JZ 1:17 evenzeer als wij naar Mozes gehoord hebben, zullen wij naar u horen; moge maar de HERE, uw God, met u zijn, zoals Hij met Mozes geweest is.

17 According as we hearkened unto Moses in all things, so will we hearken unto thee: only the LORD thy God be with thee, as he was with Moses.

17 Gelijk wij in alles naar Mozes hebben gehoord, alzo zullen wij naar u horen; alleenlijk dat de HEERE, uw God, met u zij, gelijk als Hij met Mozes geweest is!

JZ 1:18 Ieder die uw bevel weerstreeft en niet hoort naar uw woorden, wat gij hem ook bevelen zult, zal ter dood gebracht worden. Alleen, wees sterk en moedig!

18 Whosoever [he be] that doth rebel against thy commandment, and will not hearken unto thy words in all that thou commandest him, he shall be put to death: only be strong and of a good courage.

18 Alle man, die uw mond wederspannig wezen zal, en uw woorden niet horen zal in alles, wat gij hem gebieden zult, die zal gedood worden, alleenlijk wees sterk en heb goeden moed!

JZ 2:1 Jozua, de zoon van Nun, zond van Sittim heimelijk twee verspieders uit met de opdracht: Gaat heen, neemt het land in ogenschouw en Jericho. Zij gingen dan en kwamen in het huis van een hoer, Rachab geheten, waar zij gingen slapen.

1 And Joshua the son of Nun sent out of Shittim two men to spy secretly, saying, Go view the land, even Jericho. And they went, and came into an harlot's house, named Rahab, and lodged there.

1 Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die heimelijk verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen ten huize van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.

JZ 2:2 Toen werd de koning van Jericho gemeld: Zie, er zijn hier hedennacht mannen gekomen van de Israëlieten om het land te verkennen.

2 And it was told the king of Jericho, saying, Behold, there came men in hither to night of the children of Israel to search out the country.

2 Toen werd den koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in dezen nacht zijn hier mannen gekomen van de kinderen Israels, om dit land te doorzoeken.

JZ 2:3 De koning van Jericho zond daarop een boodschap aan Rachab: Lever de mannen uit, die tot u zijn gekomen, die uw huis binnengegaan zijn, want zij zijn gekomen om het gehele land te verkennen.

3 And the king of Jericho sent unto Rahab, saying, Bring forth the men that are come to thee, which are entered into thine house: for they be come to search out all the country.

3 Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het ganse land te doorzoeken.

JZ 2:4 Maar de vrouw had de beide mannen genomen en hen verborgen, en zij zeide: Zeker, die mannen zijn tot mij gekomen, maar ik wist niet, vanwaar zij waren.

4 And the woman took the two men, and hid them, and said thus, There came men unto me, but I wist not whence they [were]:

4 Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij had hen verborgen; en zeide aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, van waar zij waren.

JZ 2:5 Toen de poort bij het invallen van de duisternis gesloten zou worden, zijn die mannen weggegaan; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn. Jaagt hen snel achterna, voorzeker zult gij hen inhalen.

5 And it came to pass [about the time] of shutting of the gate, when it was dark, that the men went out: whither the men went I wot not: pursue after them quickly; for ye shall overtake them.

5 En het geschiedde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaagt hen haastelijk na, want gij zult ze achterhalen.

JZ 2:6 Zij had hen echter op het dak doen klimmen en hen verborgen onder de vlasstengels, die zij uitgespreid had liggen op het dak.

6 But she had brought them up to the roof of the house, and hid them with the stalks of flax, which she had laid in order upon the roof.

6 Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstoken onder de vlasstoppelen, die van haar op het dak beschikt waren.

JZ 2:7 Die mannen nu jaagden hen achterna in de richting van de Jordaan naar de doorwaadbare plaatsen, en men sloot de poort, zodra de achtervolgers eruit gegaan waren.

7 And the men pursued after them the way to Jordan unto the fords: and as soon as they which pursued after them were gone out, they shut the gate.

7 Die mannen nu jaagden hen na op den weg van de Jordaan, tot aan de veren; en men sloot de poort toe, nadat zij uitgegaan waren, die hen najaagden.

JZ 2:8 Voordat zij echter gingen slapen, klom zij tot hen op het dak,

8 And before they were laid down, she came up unto them upon the roof;

8 Eer zij nu sliepen, zo klom zij tot hen op, op het dak.

JZ 2:9 en zeide tot de mannen: Ik weet dat de HERE u het land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is en dat alle inwoners van het land voor u sidderen.

9 And she said unto the men, I know that the LORD hath given you the land, and that your terror is fallen upon us, and that all the inhabitants of the land faint because of you.

9 En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat de HEERE u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners dezes lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn.

JZ 2:10 Want wij hebben gehoord, dat de HERE de wateren van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen gij uittoogt uit Egypte, en wat gij gedaan hebt aan de beide koningen der Amorieten aan de overzijde van de Jordaan, Sichon en Og, die gij met de ban geslagen hebt.

10 For we have heard how the LORD dried up the water of the Red sea for you, when ye came out of Egypt; and what ye did unto the two kings of the Amorites, that [were] on the other side Jordan, Sihon and Og, whom ye utterly destroyed.

10 Want wij hebben gehoord, dat de HEERE de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt.

JZ 2:11 Toen wij dat hoorden, versmolt ons hart en vanwege u bleef bij niemand meer enige moed over, want de HERE, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden.

11 And as soon as we had heard [these things], our hearts did melt, neither did there remain any more courage in any man, because of you: for the LORD your God, he [is] God in heaven above, and in earth beneath.

11 Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder tegenwoordigheid; want de HEERE, ulieder God, is een God boven in den hemel, en beneden op de aarde.

JZ 2:12 Nu dan, zweert mij toch bij de HERE, dat, aangezien ik u een weldaad bewezen heb, gij ook aan mijn familie een weldaad zult bewijzen; en geeft mij een betrouwbaar teken,

12 Now therefore, I pray you, swear unto me by the LORD, since I have shewed you kindness, that ye will also shew kindness unto my father's house, and give me a true token:

12 Nu dan, zweert mij toch bij den HEERE, dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis, en geeft mij een waarteken,

JZ 2:13 dat gij mijn vader en moeder, mijn broeders en zusters en al de hunnen in leven zult laten en ons van de dood redden zult.

13 And [that] ye will save alive my father, and my mother, and my brethren, and my sisters, and all that they have, and deliver our lives from death.

13 Dat gij mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broeders en mijn zusters, met alles, wat zij hebben; en dat gij onze zielen van den dood redden zult.

JZ 2:14 Toen zeiden de mannen tot haar: Wij staan met ons leven voor u borg, indien gij deze onze zaak niet ruchtbaar maakt; wanneer dan de HERE ons het land gegeven heeft, zullen wij u dankbaarheid en trouw bewijzen.

14 And the men answered her, Our life for yours, if ye utter not this our business. And it shall be, when the LORD hath given us the land, that we will deal kindly and truly with thee.

14 Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziel zij voor ulieden om te sterven, indien gijlieden deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan geschieden, wanneer de HEERE ons dit land geeft, zo zullen wij aan u weldadigheid en trouw bewijzen.

JZ 2:15 Daarop liet zij hen met een touw door het venster naar beneden, want haar huis was gelegen op de buitenzijde van de stadsmuur, zodat zij woonde op de muur,

15 Then she let them down by a cord through the window: for her house [was] upon the town wall, and she dwelt upon the wall.

15 Zij liet hen dan neder met een zeel door het venster; want haar huis was op den stadsmuur; en zij woonde op den muur.

JZ 2:16 en zij zeide tot hen: Gaat naar het gebergte, opdat de achtervolgers u niet aantreffen en houdt u daar drie dagen schuil, totdat de achtervolgers teruggekeerd zijn; daarna kunt gij uws weegs gaan.

16 And she said unto them, Get you to the mountain, lest the pursuers meet you; and hide yourselves there three days, until the pursuers be returned: and afterward may ye go your way.

16 En zij zeide tot hen: Gaat op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten, en verbergt u aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd zullen zijn; en gaat daarna uw weg.

JZ 2:17 De mannen zeiden tot haar: Wij zullen ontslagen zijn van deze eed aan u, die gij ons hebt doen zweren -

17 And the men said unto her, We [will be] blameless of this thine oath which thou hast made us swear.

17 Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen onschuldig zijn van dezen uw eed, dien gij ons hebt doen zweren;

JZ 2:18 zie, wanneer wij het land binnenkomen, moet gij dit koord van scharlakendraad binden aan het venster waardoor gij ons hebt neergelaten, en uw vader en uw moeder, uw broeders en de gehele familie bij u in huis bijeenbrengen.

18 Behold, [when] we come into the land, thou shalt bind this line of scarlet thread in the window which thou didst let us down by: and thou shalt bring thy father, and thy mother, and thy brethren, and all thy father's household, home unto thee.

18 Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult gij dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, door hetwelk gij ons zult nedergelaten hebben; en gij zult tot u in het huis vergaderen uw vader, en uw moeder, en uw broeders, en het ganse huisgezin uws vaders.

JZ 2:19 Ieder, die dan uit de deur van uw huis naar buiten gaat, diens bloed komt op zijn eigen hoofd, maar wij zijn onschuldig; al wie echter bij u in huis zal zijn, diens bloed komt op ons hoofd, indien men de hand aan hem slaat.

19 And it shall be, [that] whosoever shall go out of the doors of thy house into the street, his blood [shall be] upon his head, and we [will be] guiltless: and whosoever shall be with thee in the house, his blood [shall be] on our head, if [any] hand be upon him.

19 Zo zal het geschieden, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, indien een hand tegen hem zijn zal!

JZ 2:20 Indien gij echter deze onze zaak ruchtbaar maakt, dan zijn wij ontslagen van de eed aan u, die gij ons hebt doen zweren.

20 And if thou utter this our business, then we will be quit of thine oath which thou hast made us to swear.

20 Maar indien gij deze onze zaak te kennen zult geven, zo zullen wij onschuldig zijn van uw eed, dien gij ons hebt doen zweren.

JZ 2:21 Zij nu zeide: Zoals gij gezegd hebt, zo zal het zijn. Daarop liet zij hen gaan en zij gingen heen; en zij bond het scharlaken koord aan het venster.

21 And she said, According unto your words, so [be] it. And she sent them away, and they departed: and she bound the scarlet line in the window.

21 Zij nu zeide: Het zij alzo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster.

JZ 2:22 Zij nu gingen heen, kwamen in het gebergte en bleven daar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd waren. De vervolgers hadden overal langs de wegen gezocht zonder te vinden.

22 And they went, and came unto the mountain, and abode there three days, until the pursuers were returned: and the pursuers sought [them] throughout all the way, but found [them] not.

22 Zij dan gingen heen, en kwamen op het gebergte, en bleven aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd waren; want de vervolgers hadden hen op al den weg gezocht, maar niet gevonden.

JZ 2:23 Toen keerden de beide mannen terug, daalden van het gebergte af, staken over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun, en zij vertelden hem al hun wedervaren.

23 So the two men returned, and descended from the mountain, and passed over, and came to Joshua the son of Nun, and told him all [things] that befell them:

23 Alzo keerden die twee mannen weder, en gingen af van het gebergte, en voeren over, en kwamen tot Jozua, den zoon van Nun; en zij vertelden hem al wat hun wedervaren was.

JZ 2:24 Zij zeiden tot Jozua: De HERE heeft het gehele land in onze macht gegeven, ja zelfs sidderen voor ons alle inwoners van het land.

24 And they said unto Joshua, Truly the LORD hath delivered into our hands all the land; for even all the inhabitants of the country do faint because of us.

24 En zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, de HEERE heeft dat ganse land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners des lands voor onze aangezichten gesmolten.

JZ 3:1 Toen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de Israëlieten braken op van Sittim en kwamen tot aan de Jordaan, waar zij overnachtten, voordat zij overtrokken.

1 And Joshua rose early in the morning; and they removed from Shittim, and came to Jordan, he and all the children of Israel, and lodged there before they passed over.

1 Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen Israels; en zij vernachtten aldaar, eer zij overtrokken.

JZ 3:2 Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door

2 And it came to pass after three days, that the officers went through the host;

2 En het geschiedde, dat de ambtlieden, op het einde van drie dagen, door het midden des legers gingen;

JZ 3:3 en zij gaven het volk dit bevel: Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken.

3 And they commanded the people, saying, When ye see the ark of the covenant of the LORD your God, and the priests the Levites bearing it, then ye shall remove from your place, and go after it.

3 En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, ziet, en de Levietische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na;

JZ 3:4 Er zij echter tussen u en haar een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte; komt niet dicht bij haar; opdat gij de weg moogt weten, waarlangs gij gaan zult, want langs die weg zijt gij noch gisteren noch eergisteren getrokken.

4 Yet there shall be a space between you and it, about two thousand cubits by measure: come not near unto it, that ye may know the way by which ye must go: for ye have not passed [this] way heretofore.

4 Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren [en] eergisteren.

JZ 3:5 En Jozua zeide tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de HERE in uw midden wonderen doen.

5 And Joshua said unto the people, Sanctify yourselves: for to morrow the LORD will do wonders among you.

5 Jozua zeide ook tot het volk: Heiligt u! want morgen zal de HEERE wonderheden in het midden van ulieden doen.

JZ 3:6 Tot de priesters zeide Jozua: Neemt de ark des verbonds op en trekt over, vóór het volk uit. Toen namen zij de ark des verbonds op en gingen vóór het volk uit.

6 And Joshua spake unto the priests, saying, Take up the ark of the covenant, and pass over before the people. And they took up the ark of the covenant, and went before the people.

6 Desgelijks sprak Jozua tot de priesters, zeggende: Neemt de ark des verbonds op, en gaat door voor het aangezicht van dit volk. Zij dan namen de ark des verbonds op, en zij gingen voor het aangezicht des volks.

JZ 3:7 En de HERE zeide tot Jozua: Op deze dag zal Ik beginnen u groot te maken in de ogen van geheel Israël, opdat zij weten dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Mozes geweest ben.

7 And the LORD said unto Joshua, This day will I begin to magnify thee in the sight of all Israel, that they may know that, as I was with Moses, [so] I will be with thee.

7 Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Dezen dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van gans Israel, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben.

JZ 3:8 Beveel dan de priesters, die de ark des verbonds dragen: zodra gij gekomen zijt aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan.

8 And thou shalt command the priests that bear the ark of the covenant, saying, When ye are come to the brink of the water of Jordan, ye shall stand still in Jordan.

8 Gij dan zult den priesteren, die de ark des verbonds dragen, gebieden, zeggende: Wanneer gijlieden komt tot aan het uiterste van het water van de Jordaan, staat stil in de Jordaan.

JZ 3:9 Toen zeide Jozua tot de Israëlieten: Komt naderbij en hoort de woorden van de HERE, uw God.

9 And Joshua said unto the children of Israel, Come hither, and hear the words of the LORD your God.

9 Toen zeide Jozua tot de kinderen Israels: Nadert herwaarts, en hoort de woorden des HEEREN, uws Gods.

JZ 3:10 Voorts zeide Jozua: Hieraan zult gij weten, dat de levende God in uw midden is en dat Hij zeker de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten voor u uit verdrijven zal:

10 And Joshua said, Hereby ye shall know that the living God [is] among you, and [that] he will without fail drive out from before you the Canaanites, and the Hittites, and the Hivites, and the Perizzites, and the Girgashites, and the Amorites, and the Jebusites.

10 Verder zeide Jozua: Hieraan zult gijlieden bekennen, dat de levende God in het midden van u is, en dat Hij ganselijk voor uw aangezicht uitdrijven zal de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Hevieten, en de Ferezieten, en de Girgazieten, en de Amorieten en de Jebusieten.

JZ 3:11 ziet, de ark des verbonds van de HERE der ganse aarde trekt vóór u over, de Jordaan in.

11 Behold, the ark of the covenant of the Lord of all the earth passeth over before you into Jordan.

11 Ziet, de ark des verbonds van den Heere der ganse aarde gaat door voor ulieder aangezicht in de Jordaan.

JZ 3:12 Welnu, neemt u twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit elke stam één man.

12 Now therefore take you twelve men out of the tribes of Israel, out of every tribe a man.

12 Nu dan, neemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israels, uit iederen stam een man;

JZ 3:13 Zodra dan de voetzolen der priesters, die de ark van de HERE, de Here der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan rusten, zal het water van de Jordaan afgesneden worden; het water, dat van boven afkomt, zal als een dam blijven staan.

13 And it shall come to pass, as soon as the soles of the feet of the priests that bear the ark of the LORD, the Lord of all the earth, shall rest in the waters of Jordan, [that] the waters of Jordan shall be cut off [from] the waters that come down from above; and they shall stand upon an heap.

13 Want het zal geschieden, met dat de voetzolen der priesteren, die de ark van den HEERE, den Heere der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, [te] [weten] de wateren, die van boven afvlieten, en zij zullen op een hoop blijven staan.

JZ 3:14 Het geschiedde nu, toen het volk uit zijn tenten opbrak om de Jordaan over te trekken, - de priesters die de ark van het verbond droegen, bevonden zich aan de spits van het volk -

14 And it came to pass, when the people removed from their tents, to pass over Jordan, and the priests bearing the ark of the covenant before the people;

14 En het geschiedde, toen het volk vertrok uit zijn tenten, om over de Jordaan te gaan, zo droegen de priesters de ark des verbonds voor het aangezicht des volks.

JZ 3:15 dat, zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren - de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd -

15 And as they that bare the ark were come unto Jordan, and the feet of the priests that bare the ark were dipped in the brim of the water, (for Jordan overfloweth all his banks all the time of harvest,)

15 En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten der priesteren, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen des oogstes aan al haar oevers);

JZ 3:16 het water, dat van boven afkwam, bleef staan; het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam, de stad, die bezijden Saretan ligt, terwijl het water dat afvloeide naar de zee der Vlakte, de Zoutzee, volkomen werd afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.

16 That the waters which came down from above stood [and] rose up upon an heap very far from the city Adam, that [is] beside Zaretan: and those that came down toward the sea of the plain, [even] the salt sea, failed, [and] were cut off: and the people passed over right against Jericho.

16 Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan [ligt] en die naar de zee des vlakken velds, [te] [weten] de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.

JZ 3:17 Doch de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan, terwijl geheel Israël op het droge overtrok, totdat het ganse volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had.

17 And the priests that bare the ark of the covenant of the LORD stood firm on dry ground in the midst of Jordan, and all the Israelites passed over on dry ground, until all the people were passed clean over Jordan.

17 Maar de priesters, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, stonden steevast op het droge, in het midden van de Jordaan; en gans Israel ging over op het droge, totdat al het volk geeindigd had door de Jordaan te trekken.

JZ 4:1 Nadat het gehele volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had, zeide de HERE tot Jozua:

1 And it came to pass, when all the people were clean passed over Jordan, that the LORD spake unto Joshua, saying,

1 Het geschiedde nu, toen al het volk geeindigd had over de Jordaan te trekken, dat de HEERE tot Jozua sprak, zeggende:

JZ 4:2 Neemt u uit het volk twaalf mannen, uit elke stam één man, en beveelt hun:

2 Take you twelve men out of the people, out of every tribe a man,

2 Neemt gijlieden u twaalf mannen uit het volk, uit elken stam een man.

JZ 4:3 Neemt twaalf stenen op, hier midden uit de Jordaan, van de plaats waar de voeten der priesters onbeweeglijk staan, brengt ze met u naar de overzijde en legt ze in het kwartier, waar gij deze nacht zult doorbrengen.

3 And command ye them, saying, Take you hence out of the midst of Jordan, out of the place where the priests' feet stood firm, twelve stones, and ye shall carry them over with you, and leave them in the lodging place, where ye shall lodge this night.

3 En gebiedt hun, zeggende: Neemt voor ulieden op, van hier uit het midden van de Jordaan, uit de standplaats van de voeten der priesteren, en bereidt twaalf stenen, en brengt ze met ulieden over, en stelt ze in het nachtleger, waar gij dezen nacht zult vernachten.

JZ 4:4 Toen riep Jozua de twaalf mannen, die hij uit de Israëlieten had aangesteld, uit elke stam één man,

4 Then Joshua called the twelve men, whom he had prepared of the children of Israel, out of every tribe a man:

4 Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij had doen bestellen van de kinderen Israels, uit elken stam een man.

JZ 4:5 en Jozua zeide tot hen: Trekt over, vóór de ark van de HERE, uw God, naar het midden van de Jordaan, en heft u ieder één steen op de schouder, naar het getal van de stammen der Israëlieten,

5 And Joshua said unto them, Pass over before the ark of the LORD your God into the midst of Jordan, and take ye up every man of you a stone upon his shoulder, according unto the number of the tribes of the children of Israel:

5 En Jozua zeide tot hen: Gaat over voor de ark des HEEREN, uws Gods, midden in de Jordaan; en heft u een ieder een steen op zijn schouder, naar het getal der stammen van de kinderen Israels;

JZ 4:6 opdat dit een teken onder u zij. Wanneer uw kinderen later vragen: Wat hebben deze stenen voor u te betekenen?

6 That this may be a sign among you, [that] when your children ask [their fathers] in time to come, saying, What [mean] ye by these stones?

6 Opdat dit een teken zij onder ulieden; wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze stenen?

JZ 4:7 dan zult gij tot hen zeggen: Dat de wateren van de Jordaan afgesneden werden voor de ark van het verbond des HEREN; toen deze door de Jordaan trok, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; daarom zullen deze stenen voor de Israëlieten tot een gedenkteken zijn voor altoos.

7 Then ye shall answer them, That the waters of Jordan were cut off before the ark of the covenant of the LORD; when it passed over Jordan, the waters of Jordan were cut off: and these stones shall be for a memorial unto the children of Israel for ever.

7 Zo zult gij tot hen zeggen: Omdat de wateren van de Jordaan zijn afgesneden geweest voor de ark des verbonds des HEEREN; als zij toog door de Jordaan, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; zo zullen deze stenen den kinderen Israels ter gedachtenis zijn tot in eeuwigheid.

JZ 4:8 De Israëlieten nu deden, zoals Jozua bevolen had. Zij lichtten twaalf stenen midden uit de Jordaan, zoals de HERE tot Jozua gesproken had, naar het getal van de stammen der Israëlieten, en brachten ze met zich naar het nachtkwartier, waar zij ze neerlegden.

8 And the children of Israel did so as Joshua commanded, and took up twelve stones out of the midst of Jordan, as the LORD spake unto Joshua, according to the number of the tribes of the children of Israel, and carried them over with them unto the place where they lodged, and laid them down there.

8 De kinderen Israels nu deden alzo, gelijk als Jozua geboden had; en zij namen twaalf stenen op midden uit de Jordaan, gelijk als de HEERE tot Jozua gesproken had, naar het getal der stammen van de kinderen Israels; en zij brachten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze aldaar.

JZ 4:9 Ook richtte Jozua twaalf stenen op midden in de Jordaan, op de plaats, waar de voeten der priesters die de ark des verbonds droegen, hadden gestaan; en zij zijn daar tot op de huidige dag.

9 And Joshua set up twelve stones in the midst of Jordan, in the place where the feet of the priests which bare the ark of the covenant stood: and they are there unto this day.

9 Jozua richtte ook twaalf stenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten der priesteren, die de ark des verbonds droegen; en zij zijn daar tot op dezen dag.

JZ 4:10 De priesters nu, die de ark droegen, bleven midden in de Jordaan staan, totdat alles volbracht was, wat de HERE Jozua bevolen had tot het volk te spreken, naar alles wat Mozes Jozua geboden had; en het volk trok met haast over.

10 For the priests which bare the ark stood in the midst of Jordan, until every thing was finished that the LORD commanded Joshua to speak unto the people, according to all that Moses commanded Joshua: and the people hasted and passed over.

10 De priesters nu, die de ark droegen, stonden midden in de Jordaan, totdat alle ding volbracht was, hetwelk de HEERE Jozua geboden had het volk aan te zeggen, naar al wat Mozes Jozua geboden had. En het volk haastte, en het trok over.

JZ 4:11 Toen het gehele volk de overtocht volbracht had, trok de ark des HEREN over en de priesters, voor de ogen van het volk.

11 And it came to pass, when all the people were clean passed over, that the ark of the LORD passed over, and the priests, in the presence of the people.

11 En het geschiedde, als al het volk geeindigd had over te gaan, toen ging de ark des HEEREN over, en de priesters voor het aangezicht des volks.

JZ 4:12 Ook trokken de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse over, ten strijde toegerust, aan de spits der Israëlieten, zoals Mozes tot hen gesproken had,

12 And the children of Reuben, and the children of Gad, and half the tribe of Manasseh, passed over armed before the children of Israel, as Moses spake unto them:

12 En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, mitsgaders de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht der kinderen Israels, gelijk als Mozes tot hen gesproken had.

JZ 4:13 ongeveer veertigduizend tot de strijd gewapenden; voor het aangezicht des HEREN trokken zij over ten strijde, naar de vlakten van Jericho.

13 About forty thousand prepared for war passed over before the LORD unto battle, to the plains of Jericho.

13 Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht des HEEREN ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.

JZ 4:14 Te dien dage heeft de HERE Jozua groot gemaakt in de ogen van geheel Israël, zodat zij hem vreesden, zoals zij Mozes gevreesd hadden al de dagen van zijn leven.

14 On that day the LORD magnified Joshua in the sight of all Israel; and they feared him, as they feared Moses, all the days of his life.

14 Te dienzelven dage maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van het ganse Israel; en zij vreesden hem, gelijk als zij Mozes gevreesd hadden, al de dagen zijns levens.

JZ 4:15 En de HERE zeide tot Jozua:

15 And the LORD spake unto Joshua, saying,

15 De HEERE dan sprak tot Jozua, zeggende:

JZ 4:16 Beveel de priesters die de ark der getuigenis dragen, uit de Jordaan op te klimmen.

16 Command the priests that bear the ark of the testimony, that they come up out of Jordan.

16 Gebied den priesteren, die de ark der getuigenis dragen, dat zij uit de Jordaan opklimmen.

JZ 4:17 En Jozua beval de priesters: Klimt op uit de Jordaan.

17 Joshua therefore commanded the priests, saying, Come ye up out of Jordan.

17 Toen gebood Jozua den priesteren, zeggende: Klimt op uit de Jordaan.

JZ 4:18 Toen dan de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, uit het midden van de Jordaan opklommen, hadden de voetzolen der priesters zich nauwelijks losgemaakt en het droge betreden, of de wateren van de Jordaan keerden terug naar hun plaats en stroomden als tevoren langs zijn gehele oever.

18 And it came to pass, when the priests that bare the ark of the covenant of the LORD were come up out of the midst of Jordan, [and] the soles of the priests' feet were lifted up unto the dry land, that the waters of Jordan returned unto their place, and flowed over all his banks, as [they did] before.

18 En het geschiedde, toen de priesters, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, uit het midden van de Jordaan opgeklommen waren, [en] de voetzolen der priesteren afgetrokken waren tot op het droge; zo keerden de wateren van de Jordaan weder in hun plaats, en gingen als gisteren [en] eergisteren aan al haar oevers.

JZ 4:19 Het volk nu is uit de Jordaan opgeklommen op de tiende der eerste maand en zij legerden zich te Gilgal, aan de oostelijke grens van Jericho.

19 And the people came up out of Jordan on the tenth [day] of the first month, and encamped in Gilgal, in the east border of Jericho.

19 Het volk nu was den tiende der eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho.

JZ 4:20 Die twaalf stenen, welke men uit de Jordaan genomen had, richtte Jozua te Gilgal op.

20 And those twelve stones, which they took out of Jordan, did Joshua pitch in Gilgal.

20 En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.

JZ 4:21 En hij zeide tot de Israëlieten: Wanneer uw kinderen later hun vaders vragen: Wat betekenen deze stenen?

21 And he spake unto the children of Israel, saying, When your children shall ask their fathers in time to come, saying, What [mean] these stones?

21 En hij sprak tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaderen vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze stenen?

JZ 4:22 dan zult gij uw kinderen aldus inlichten: Op het droge is Israël hier door de Jordaan getrokken,

22 Then ye shall let your children know, saying, Israel came over this Jordan on dry land.

22 Zo zult gij het uw kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is Israel door deze Jordaan gegaan.

JZ 4:23 omdat de HERE, uw God, de wateren van de Jordaan voor u heeft doen opdrogen, totdat gij erdoor getrokken waart, zoals de HERE, uw God, gedaan heeft met de Schelfzee, die Hij voor ons heeft doen opdrogen, totdat wij erdoor getrokken waren,

23 For the LORD your God dried up the waters of Jordan from before you, until ye were passed over, as the LORD your God did to the Red sea, which he dried up from before us, until we were gone over:

23 Want de HEERE, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat gijlieden er waart doorgegaan; gelijk als de HEERE, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren;

JZ 4:24 opdat alle volken der aarde zouden weten, dat de hand des HEREN sterk is, en zij de HERE, uw God, al de dagen zouden vrezen.

24 That all the people of the earth might know the hand of the LORD, that it [is] mighty: that ye might fear the LORD your God for ever.

24 Opdat alle volken der aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gijlieden den HEERE, uw God, vrezet te allen dage.

JZ 5:1 Zodra al de koningen der Amorieten aan de westzijde van de Jordaan en al de koningen der Kanaänieten aan de zee hoorden, dat de HERE de wateren van de Jordaan voor het aangezicht der Israëlieten had doen opdrogen, totdat zij erdoor getrokken waren, versmolt hun hart en zij hadden geen moed meer vanwege de Israëlieten.

1 And it came to pass, when all the kings of the Amorites, which [were] on the side of Jordan westward, and all the kings of the Canaanites, which [were] by the sea, heard that the LORD had dried up the waters of Jordan from before the children of Israel, until we were passed over, that their heart melted, neither was there spirit in them any more, because of the children of Israel.

1 En het geschiedde, toen al de koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen der Kanaanieten, die aan de zee [waren], hoorden, dat de HEERE de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht der kinderen Israels, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht der kinderen Israels.

JZ 5:2 Te dien tijde zeide de HERE tot Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, ten tweeden male.

2 At that time the LORD said unto Joshua, Make thee sharp knives, and circumcise again the children of Israel the second time.

2 Te dier tijd sprak de HEERE tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd wederom de kinderen Israels ten tweeden maal.

JZ 5:3 Toen maakte Jozua zich stenen messen en hij besneed de Israëlieten op de Heuvel der voorhuiden.

3 And Joshua made him sharp knives, and circumcised the children of Israel at the hill of the foreskins.

3 Toen maakte zich Jozua stenen messen, en besneed de kinderen Israels op den heuvel der voorhuiden.

JZ 5:4 Dit nu was de reden, waarom Jozua hen besneed: al het volk van het mannelijk geslacht, dat uit Egypte getrokken was, alle krijgslieden waren in de woestijn onderweg gestorven, nadat zij uit Egypte getrokken waren.

4 And this [is] the cause why Joshua did circumcise: All the people that came out of Egypt, [that were] males, [even] all the men of war, died in the wilderness by the way, after they came out of Egypt.

4 Dit nu was de oorzaak, waarom hen Jozua besneed: al het volk, dat uit Egypte getogen was, de manspersonen, alle krijgslieden, waren gestorven in de woestijn, op den weg, nadat zij uit Egypte getogen waren.

JZ 5:5 Want al het volk dat uitgetrokken was, was besneden geweest, maar al het volk dat geboren was in de woestijn onderweg na de uittocht uit Egypte, had men niet besneden.

5 Now all the people that came out were circumcised: but all the people [that were] born in the wilderness by the way as they came forth out of Egypt, [them] they had not circumcised.

5 Want al het volk, dat er uittoog, was besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn op den weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.

JZ 5:6 Want veertig jaren zijn de Israëlieten door de woestijn getrokken, totdat het gehele volk omgekomen was, de krijgslieden, die uit Egypte getrokken waren, die naar de stem des HEREN niet gehoord hadden, aan wie de HERE gezworen had, dat Hij hun niet zou laten zien het land, waarvan de HERE hun vaderen gezworen had, dat Hij het ons geven zou, een land, overvloeiende van melk en honig.

6 For the children of Israel walked forty years in the wilderness, till all the people [that were] men of war, which came out of Egypt, were consumed, because they obeyed not the voice of the LORD: unto whom the LORD sware that he would not shew them the land, which the LORD sware unto their fathers that he would give us, a land that floweth with milk and honey.

6 Want de kinderen Israels wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het ganse volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren; die de stem des HEEREN niet gehoorzaam geweest waren, denwelken de HEERE gezworen had, dat Hij hun niet zoude laten zien het land, hetwelk de HEERE hun vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig.

JZ 5:7 Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld; dezen heeft Jozua besneden, want zij waren onbesneden, omdat men hen onderweg niet besneden had.

7 And their children, [whom] he raised up in their stead, them Joshua circumcised: for they were uncircumcised, because they had not circumcised them by the way.

7 Maar hun zonen heeft Hij aan hun plaats gesteld; die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden; want zij hadden hen op den weg niet besneden.

JZ 5:8 Toen het gehele volk zich tot de laatste man toe had laten besnijden, bleven zij waar zij waren in de legerplaats, totdat zij hersteld waren.

8 And it came to pass, when they had done circumcising all the people, that they abode in their places in the camp, till they were whole.

8 En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren.

JZ 5:9 En de HERE zeide tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld. Daarom noemt men die plaats Gilgal, tot op de huidige dag.

9 And the LORD said unto Joshua, This day have I rolled away the reproach of Egypt from off you. Wherefore the name of the place is called Gilgal unto this day.

9 Verder sprak de HEERE tot Jozua: Heden heb Ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld; daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag.

JZ 5:10 Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho;

10 And the children of Israel encamped in Gilgal, and kept the passover on the fourteenth day of the month at even in the plains of Jericho.

10 Terwijl de kinderen Israels te Gilgal gelegerd lagen, zo hielden zij het pascha op den veertienden dag derzelver maand, in den avond, op de vlakke velden van Jericho.

JZ 5:11 en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag.

11 And they did eat of the old corn of the land on the morrow after the passover, unleavened cakes, and parched [corn] in the selfsame day.

11 En zij aten van het overjarige koren des lands, des anderen daags van het pascha, ongezuurde broden en verzengde aren, even op dienzelven dag.

JZ 5:12 En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde.

12 And the manna ceased on the morrow after they had eaten of the old corn of the land; neither had the children of Israel manna any more; but they did eat of the fruit of the land of Canaan that year.

12 En het Manna hield op des anderen daags, nadat zij van des lands overjarige koren gegeten hadden; en de kinderen Israels hadden geen Manna meer, maar zij aten in hetzelve jaar van de inkomst des lands Kanaan.

JZ 5:13 Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg - zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders?

13 And it came to pass, when Joshua was by Jericho, that he lifted up his eyes and looked, and, behold, there stood a man over against him with his sword drawn in his hand: and Joshua went unto him, and said unto him, [Art] thou for us, or for our adversaries?

13 Voorts geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zeide tot Hem: Zijt Gij van ons, of van onze vijanden?

JZ 5:14 Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen?

14 And he said, Nay; but [as] captain of the host of the LORD am I now come. And Joshua fell on his face to the earth, and did worship, and said unto him, What saith my lord unto his servant?

14 En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zeide tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht?

JZ 5:15 En de vorst van het heer des HEREN zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed dit.

15 And the captain of the LORD'S host said unto Joshua, Loose thy shoe from off thy foot; for the place whereon thou standest [is] holy. And Joshua did so.

15 Toen zeide de Vorst van het heir des HEEREN tot Jozua: Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed alzo.

JZ 6:1 Intussen had Jericho de poort gesloten; het was volkomen gesloten voor de Israëlieten; niemand kon daar uit of in gaan.

1 Now Jericho was straitly shut up because of the children of Israel: none went out, and none came in.

1 (Jericho nu sloot [de] [poorten] toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de kinderen Israels; er ging niemand uit, en er ging niemand in.)

JZ 6:2 En de HERE sprak tot Jozua: Zie, Ik geef Jericho met zijn koning, de krachtige helden, in uw macht.

2 And the LORD said unto Joshua, See, I have given into thine hand Jericho, and the king thereof, [and] the mighty men of valour.

2 Toen zeide de HEERE tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning [en] strijdbare helden in uw hand gegeven.

JZ 6:3 Gij moet om de stad heen trekken, terwijl alle krijgslieden éénmaal om de stad heen gaan;

3 And ye shall compass the city, all [ye] men of war, [and] go round about the city once. Thus shalt thou do six days.

3 Gij dan allen, die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; alzo zult gij doen zes dagen lang.

JZ 6:4 zó moet gij zes dagen doen, terwijl zeven priesters zeven ramshorens voor de ark uit dragen. Maar op de zevende dag moet gij zevenmaal om de stad heen trekken en de priesters zullen op de horens blazen.

4 And seven priests shall bear before the ark seven trumpets of rams' horns: and the seventh day ye shall compass the city seven times, and the priests shall blow with the trumpets.

4 En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen.

JZ 6:5 Wanneer men op de ramshoorn de toon aanhoudt en gij het geluid van de hoorn verneemt, dan moet het gehele volk een luid gejuich aanheffen en de stadsmuur zal ineenstorten en het volk moet daarop klimmen, ieder recht voor zich uit.

5 And it shall come to pass, that when they make a long [blast] with the ram's horn, [and] when ye hear the sound of the trumpet, all the people shall shout with a great shout; and the wall of the city shall fall down flat, and the people shall ascend up every man straight before him.

5 En het zal geschieden, als men langzaam met den ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid der bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, een iegelijk tegenover zich.

JZ 6:6 Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters en zeide tot hen: Neemt de ark des verbonds op en laten zeven priesters zeven ramshorens dragen voor de ark des HEREN uit.

6 And Joshua the son of Nun called the priests, and said unto them, Take up the ark of the covenant, and let seven priests bear seven trumpets of rams' horns before the ark of the LORD.

6 Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zeide tot hen: Draagt de ark des verbonds, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark des HEEREN.

JZ 6:7 En tot het volk zeide hij: Trekt voort en gaat om de stad heen en laten de gewapenden vóór de ark des HEREN uit trekken.

7 And he said unto the people, Pass on, and compass the city, and let him that is armed pass on before the ark of the LORD.

7 En tot het volk zeide hij: Trekt door en gaat rondom deze stad; en wie toegerust is, die ga door voor de ark des HEEREN.

JZ 6:8 Zodra Jozua tot het volk gesproken had, trokken de zeven priesters, die de zeven ramshorens voor het aangezicht des HEREN droegen, voort en bliezen op de horens, terwijl de ark van het verbond des HEREN hen volgde.

8 And it came to pass, when Joshua had spoken unto the people, that the seven priests bearing the seven trumpets of rams' horns passed on before the LORD, and blew with the trumpets: and the ark of the covenant of the LORD followed them.

8 En het geschiedde, gelijk Jozua tot het volk gesproken had, zo gingen de zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinen, voor het aangezicht des HEEREN; zij trokken door en bliezen met de bazuinen; en de ark des verbonds des HEEREN volgde hen na;

JZ 6:9 En de gewapenden gingen voor de priesters uit, die de horens bliezen, en de achterhoede kwam achter de ark aan, terwijl er voortdurend op de hoorn geblazen werd.

9 And the armed men went before the priests that blew with the trumpets, and the rereward came after the ark, [the priests] going on, and blowing with the trumpets.

9 En wie toegerust was, ging voor het aangezicht der priesteren, die de bazuinen bliezen; en de achtertocht volgde de ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.

JZ 6:10 Jozua nu had het volk bevolen: Gij zult niet juichen en uw stem niet laten horen, ja, laat er geen woord uit uw mond uitgaan tot op de dag, dat ik u zeg: Juicht! - dan moet gij juichen.

10 And Joshua had commanded the people, saying, Ye shall not shout, nor make any noise with your voice, neither shall [any] word proceed out of your mouth, until the day I bid you shout; then shall ye shout.

10 Jozua nu had het volk geboden, zeggende: Gij zult niet juichen, ja, gij zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond uitgaan, tot op den dag, wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Juicht! dan zult gij juichen.

JZ 6:11 Dus trok de ark des HEREN om de stad, éénmaal rondgaande. Daarop kwamen zij in de legerplaats en overnachtten in de legerplaats.

11 So the ark of the LORD compassed the city, going about [it] once: and they came into the camp, and lodged in the camp.

11 En hij deed de ark des HEEREN rondom de stad gaan, omringende [dezelve] eenmaal; toen kwamen zij [weder] in het leger, en vernachtten in het leger.

JZ 6:12 En Jozua stond des morgens vroeg op en de priesters namen de ark des HEREN op.

12 And Joshua rose early in the morning, and the priests took up the ark of the LORD.

12 Daarna stond Jozua des morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark des HEEREN.

JZ 6:13 De zeven priesters nu, die de zeven ramshorens voor de ark des HEREN uit droegen, gingen heen en bliezen al gaande op de horens, en de gewapenden gingen voor hen uit en de achterhoede kwam achter de ark des HEREN aan, terwijl er voortdurend op de hoorn geblazen werd.

13 And seven priests bearing seven trumpets of rams' horns before the ark of the LORD went on continually, and blew with the trumpets: and the armed men went before them; but the rereward came after the ark of the LORD, [the priests] going on, and blowing with the trumpets.

13 En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark des HEEREN, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en de toegerusten gingen voor hun aangezichten, en de achtertocht volgde de ark des HEEREN na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.

JZ 6:14 Dus trokken zij op de tweede dag éénmaal om de stad heen en keerden terug in de legerplaats. Aldus deden zij zes dagen.

14 And the second day they compassed the city once, and returned into the camp: so they did six days.

14 Alzo gingen zij eenmaal rondom de stad op den tweeden dag; en zij keerden weder in het leger. Alzo deden zij zes dagen lang.

JZ 6:15 Op de zevende dag echter stonden zij vroeg op, zodra de dageraad gekomen was, en trokken op dezelfde wijze zevenmaal om de stad heen; alleen op die dag trokken zij zevenmaal om de stad heen.

15 And it came to pass on the seventh day, that they rose early about the dawning of the day, and compassed the city after the same manner seven times: only on that day they compassed the city seven times.

15 En het geschiedde op den zevenden dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het opgaan des dageraads, en zij gingen rondom de stad, naar dezelve wijze, zevenmaal; alleenlijk op dien dag gingen zij zevenmaal rondom de stad.

JZ 6:16 Toen de priesters bij de zevende maal op de horens bliezen, zeide Jozua tot het volk: Juicht, want de HERE heeft u de stad gegeven!

16 And it came to pass at the seventh time, when the priests blew with the trumpets, Joshua said unto the people, Shout; for the LORD hath given you the city.

16 En het geschiedde ten zevenden male, als de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juicht, want de HEERE heeft ulieden de stad gegeven!

JZ 6:17 Doch de stad en al wat erin is, zal door de ban de HERE gewijd zijn; alleen de hoer Rachab zal in leven blijven, zij en allen die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgezonden hadden, heeft verborgen.

17 And the city shall be accursed, [even] it, and all that [are] therein, to the LORD: only Rahab the harlot shall live, she and all that [are] with her in the house, because she hid the messengers that we sent.

17 Doch deze stad zal den HEERE verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft.

JZ 6:18 Gij echter, neemt u in acht voor het gebannene, opdat gij niet, terwijl gij met de ban slaat, van het gebannene neemt en de legerplaats van Israël onder de ban brengt en in het ongeluk stort.

18 And ye, in any wise keep [yourselves] from the accursed thing, lest ye make [yourselves] accursed, when ye take of the accursed thing, and make the camp of Israel a curse, and trouble it.

18 Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israel niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert.

JZ 6:19 Al het zilver en goud en de koperen en ijzeren voorwerpen zullen de HERE heilig zijn: het zal bij de schat des HEREN komen.

19 But all the silver, and gold, and vessels of brass and iron, [are] consecrated unto the LORD: they shall come into the treasury of the LORD.

19 Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen den HEERE heilig zijn; tot den schat des HEEREN zullen zij komen.

JZ 6:20 Het volk dan juichte, terwijl men op de horens blies; zodra het volk het geluid van de hoorn vernam, hief het een luid gejuich aan. En de muur stortte ineen, en het volk klom de stad binnen, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.

20 So the people shouted when [the priests] blew with the trumpets: and it came to pass, when the people heard the sound of the trumpet, and the people shouted with a great shout, that the wall fell down flat, so that the people went up into the city, every man straight before him, and they took the city.

20 Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid der bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in.

JZ 6:21 Toen sloegen zij alles wat in de stad was, met de ban, zowel man als vrouw, zowel jong als oud, tot runderen, schapen en ezels toe, met de scherpte des zwaards.

21 And they utterly destroyed all that [was] in the city, both man and woman, young and old, and ox, and sheep, and ass, with the edge of the sword.

21 En zij verbanden alles, wat in de stad was, van den man tot de vrouw toe, van het kind tot den oude, en tot den os, en het klein vee, en den ezel, door de scherpte des zwaards.

JZ 6:22 Maar tot de twee mannen die het land verspied hadden, zeide Jozua: Gaat het huis van de hoer binnen en brengt de vrouw en allen, die haar toebehoren, naar buiten, zoals gij haar gezworen hebt.

22 But Joshua had said unto the two men that had spied out the country, Go into the harlot's house, and bring out thence the woman, and all that she hath, as ye sware unto her.

22 Jozua nu zeide tot de twee mannen, de verspieders des lands: Gaat in het huis der vrouw, der hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, gelijk als gij haar gezworen hebt.

JZ 6:23 Toen gingen de jonge mannen, de verspieders, naar binnen en brachten Rachab naar buiten en haar vader, haar moeder, haar broeders en allen die haar toebehoorden - ja, haar gehele geslacht brachten zij naar buiten - en zij wezen haar een verblijf aan buiten de legerplaats van Israël.

23 And the young men that were spies went in, and brought out Rahab, and her father, and her mother, and her brethren, and all that she had; and they brought out all her kindred, and left them without the camp of Israel.

23 Toen gingen de jongelingen, de verspieders, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broeders, en al wat zij had; ook brachten zij uit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israel.

JZ 6:24 De stad echter en alles wat erin was, verbrandden zij met vuur; alleen het zilver, het goud en de koperen en ijzeren voorwerpen voegden zij bij de schat van het huis des HEREN.

24 And they burnt the city with fire, and all that [was] therein: only the silver, and the gold, and the vessels of brass and of iron, they put into the treasury of the house of the LORD.

24 De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleenlijk het zilver en goud, mitsgaders de koperen en ijzeren vaten, gaven zij tot den schat van het huis des HEEREN.

JZ 6:25 Zo heeft Jozua de hoer Rachab en haar familie en allen die haar toebehoorden, in leven gelaten, en zij heeft onder Israël gewoond tot op de huidige dag, omdat zij de boden verborgen had gehouden, die Jozua uitgezonden had om Jericho te verkennen.

25 And Joshua saved Rahab the harlot alive, and her father's household, and all that she had; and she dwelleth in Israel [even] unto this day; because she hid the messengers, which Joshua sent to spy out Jericho.

25 Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin haars vaders, en al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israel tot op dezen dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te verspieden.

JZ 6:26 Te dien tijde deed Jozua deze eed: Vervloekt voor het aangezicht des HEREN is de man, die zich opmaakt en deze stad Jericho herbouwt; ten koste van zijn eerstgeborene zal hij haar grondvesten, ten koste van zijn jongste haar poortdeuren inzetten.

26 And Joshua adjured [them] at that time, saying, Cursed [be] the man before the LORD, that riseth up and buildeth this city Jericho: he shall lay the foundation thereof in his firstborn, and in his youngest [son] shall he set up the gates of it.

26 En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht des HEEREN, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeborenen zoon, en haar poorten stelle op zijn jongsten zoon!

JZ 6:27 En de HERE was met Jozua en de mare van hem ging door het gehele land.

27 So the LORD was with Joshua; and his fame was [noised] throughout all the country.

27 Alzo was de HEERE met Jozua; en zijn gerucht liep door het ganse land.

JZ 7:1 De Israëlieten vergrepen zich evenwel aan het gebannene, doordat Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda, iets wegnam van het gebannene. Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen de Israëlieten.

1 But the children of Israel committed a trespass in the accursed thing: for Achan, the son of Carmi, the son of Zabdi, the son of Zerah, of the tribe of Judah, took of the accursed thing: and the anger of the LORD was kindled against the children of Israel.

1 Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israels.

JZ 7:2 Jozua nu zond mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, oostelijk van Betel, en zeide tot hen: Trekt op en verkent het land. Toen trokken die mannen op en verkenden Ai.

2 And Joshua sent men from Jericho to Ai, which [is] beside Bethaven, on the east side of Bethel, and spake unto them, saying, Go up and view the country. And the men went up and viewed Ai.

2 Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, aan het oosten van Beth-El, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.

JZ 7:3 Daarop kwamen zij tot Jozua terug en zeiden tot hem: Het gehele volk behoeft niet op te trekken, laten ongeveer twee- of drieduizend man optrekken om Ai te verslaan; vermoei niet het gehele volk door een tocht daarheen, want zij zijn daar weinig talrijk.

3 And they returned to Joshua, and said unto him, Let not all the people go up; but let about two or three thousand men go up and smite Ai; [and] make not all the people to labour thither; for they [are but] few.

3 Daarna keerden zij weder naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het ganse volk niet optrekke, dat er omtrent twee duizend mannen, of omtrent drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinige.

JZ 7:4 Zo trokken van het volk ongeveer drieduizend man daarheen; zij sloegen echter voor de mannen van Ai op de vlucht.

4 So there went up thither of the people about three thousand men: and they fled before the men of Ai.

4 Alzo trokken derwaarts op van het volk omtrent drie duizend man; dewelke vloden voor het aangezicht der mannen van Ai.

JZ 7:5 Want de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; zij vervolgden hen buiten de poort tot aan de steengroeven en versloegen hen op de helling. Toen versmolt het hart van het volk en het werd als water.

5 And the men of Ai smote of them about thirty and six men: for they chased them [from] before the gate [even] unto Shebarim, and smote them in the going down: wherefore the hearts of the people melted, and became as water.

5 En de mannen van Ai sloegen van dezelven omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen [van] voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart des volks, en het werd tot water.

JZ 7:6 En Jozua scheurde zijn klederen en wierp zich op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des HEREN tot aan de avond, hij en de oudsten van Israël, terwijl zij zich stof op het hoofd strooiden.

6 And Joshua rent his clothes, and fell to the earth upon his face before the ark of the LORD until the eventide, he and the elders of Israel, and put dust upon their heads.

6 Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israel; en zij wierpen stof op hun hoofd.

JZ 7:7 En Jozua zeide: Ach, Here HERE, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven!

7 And Joshua said, Alas, O Lord GOD, wherefore hast thou at all brought this people over Jordan, to deliver us into the hand of the Amorites, to destroy us? would to God we had been content, and dwelt on the other side Jordan!

7 En Jozua zeide: Ach, Heere HEERE! waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van de Jordaan!

JZ 7:8 Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd?

8 O Lord, what shall I say, when Israel turneth their backs before their enemies!

8 Och, HEERE! wat zal ik zeggen, nademaal dat Israel voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?

JZ 7:9 Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?

9 For the Canaanites and all the inhabitants of the land shall hear [of it], and shall environ us round, and cut off our name from the earth: and what wilt thou do unto thy great name?

9 Als het de Kanaanieten, en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?

JZ 7:10 Toen zeide de HERE tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht?

10 And the LORD said unto Joshua, Get thee up; wherefore liest thou thus upon thy face?

10 Toen zeide de HEERE tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht?

JZ 7:11 Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd.

11 Israel hath sinned, and they have also transgressed my covenant which I commanded them: for they have even taken of the accursed thing, and have also stolen, and dissembled also, and they have put [it] even among their own stuff.

11 Israel heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, hetwelk Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd.

JZ 7:12 Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt.

12 Therefore the children of Israel could not stand before their enemies, [but] turned [their] backs before their enemies, because they were accursed: neither will I be with you any more, except ye destroy the accursed from among you.

12 Daarom zullen de kinderen Israels niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zullen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keren; want zij zijn in den ban. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt.

JZ 7:13 Sta op, heilig het volk en zeg: Heiligt u tegen morgen, want, zo zegt de HERE, de God van Israël: er is een ban onder u, Israël, gij kunt geen stand houden voor uw vijanden, voordat gij de ban uit uw midden hebt verwijderd.

13 Up, sanctify the people, and say, Sanctify yourselves against to morrow: for thus saith the LORD God of Israel, [There is] an accursed thing in the midst of thee, O Israel: thou canst not stand before thine enemies, until ye take away the accursed thing from among you.

13 Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Er is een ban in het midden van u, Israel! gij zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uwer vijanden, totdat gij den ban wegdoet uit het midden van u.

JZ 7:14 In de ochtend zult gij volgens uw stammen aantreden, en de stam, die de HERE aanwijst, zal aantreden volgens de geslachten, en het geslacht, dat de HERE aanwijst, zal aantreden volgens de families, en de familie, die de HERE aanwijst, zal aantreden man voor man.

14 In the morning therefore ye shall be brought according to your tribes: and it shall be, [that] the tribe which the LORD taketh shall come according to the families [thereof]; and the family which the LORD shall take shall come by households; and the household which the LORD shall take shall come man by man.

14 Gij zult dan in den morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal geschieden, de stam, welken de HEERE geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man.

JZ 7:15 En wie aangewezen wordt als schuldig aan de ban, zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hem toebehoort, omdat hij het verbond des HEREN overtreden en een schandelijke dwaasheid in Israël gedaan heeft.

15 And it shall be, [that] he that is taken with the accursed thing shall be burnt with fire, he and all that he hath: because he hath transgressed the covenant of the LORD, and because he hath wrought folly in Israel.

15 En het zal geschieden, die geraakt zal worden met den ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond des HEEREN overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israel gedaan heeft.

JZ 7:16 Toen liet Jozua des morgens vroeg Israël volgens zijn stammen aantreden, en de stam Juda werd aangewezen.

16 So Joshua rose up early in the morning, and brought Israel by their tribes; and the tribe of Judah was taken:

16 Toen maakte zich Jozua des morgens vroeg op, en deed Israel aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt.

JZ 7:17 Toen hij de geslachten van Juda liet aantreden, wees Hij het geslacht der Zarchieten aan, en toen hij het geslacht der Zarchieten liet aantreden, man voor man, werd Zabdi aangewezen.

17 And he brought the family of Judah; and he took the family of the Zarhites: and he brought the family of the Zarhites man by man; and Zabdi was taken:

17 Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt;

JZ 7:18 Toen hij diens familie liet aantreden man voor man, werd Achan aangewezen, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach uit de stam Juda.

18 And he brought his household man by man; and Achan, the son of Carmi, the son of Zabdi, the son of Zerah, of the tribe of Judah, was taken.

18 Welks huisgezin als hij deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda.

JZ 7:19 En Jozua zeide tot Achan: Mijn zoon, geef toch eer aan de HERE, de God van Israël, en doe voor Hem belijdenis; vertel mij toch wat gij gedaan hebt, verberg het niet voor mij.

19 And Joshua said unto Achan, My son, give, I pray thee, glory to the LORD God of Israel, and make confession unto him; and tell me now what thou hast done; hide [it] not from me.

19 Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch den HEERE, den God van Israel, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet.

JZ 7:20 Daarop antwoordde Achan Jozua: Waarlijk, ik ben het, die gezondigd heeft tegen de HERE, de God van Israël, want zo en zo heb ik gehandeld:

20 And Achan answered Joshua, and said, Indeed I have sinned against the LORD God of Israel, and thus and thus have I done:

20 Achan nu antwoordde Jozua, en zeide: Voorwaar, ik heb tegen den HEERE, den God Israels, gezondigd, en heb alzo en alzo gedaan.

JZ 7:21 ik zag bij de buit een mantel van Sinear, een mooi stuk, en tweehonderd sikkelen zilver en een staaf goud van vijftig sikkelen gewicht, en uit begeerte ernaar heb ik ze weggenomen; zie, ze zijn in mijn tent in de grond verborgen, en wel het zilver onderaan.

21 When I saw among the spoils a goodly Babylonish garment, and two hundred shekels of silver, and a wedge of gold of fifty shekels weight, then I coveted them, and took them; and, behold, they [are] hid in the earth in the midst of my tent, and the silver under it.

21 Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder.

JZ 7:22 Toen zond Jozua boden, die zich naar de tent spoedden, en zie: het was in zijn tent verborgen, het zilver onderaan;

22 So Joshua sent messengers, and they ran unto the tent; and, behold, [it was] hid in his tent, and the silver under it.

22 Toen zond Jozua boden henen, die tot de tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder.

JZ 7:23 en zij haalden het uit de tent, brachten het bij Jozua en al de Israëlieten, en stortten het uit voor het aangezicht des HEREN.

23 And they took them out of the midst of the tent, and brought them unto Joshua, and unto all the children of Israel, and laid them out before the LORD.

23 Zij dan namen die dingen uit het midden der tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot al de kinderen Israels; en zij stortten ze uit voor het aangezicht des HEEREN.

JZ 7:24 Daarop nam Jozua, tezamen met geheel Israël, Achan, de zoon van Zerach, en het zilver, de mantel en de staaf goud, zijn zonen en dochters, zijn runderen, ezels en kleinvee, zijn tent en al wat hem toebehoorde, en zij voerden hen naar het dal Achor.

24 And Joshua, and all Israel with him, took Achan the son of Zerah, and the silver, and the garment, and the wedge of gold, and his sons, and his daughters, and his oxen, and his asses, and his sheep, and his tent, and all that he had: and they brought them unto the valley of Achor.

24 Toen nam Jozua, en gans Israel met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor.

JZ 7:25 En Jozua zeide: Zoals gij ons in het ongeluk hebt gestort, zal de HERE u op deze dag in het ongeluk storten. Toen stenigde heel Israël hem, en men verbrandde hen met vuur, en wierp stenen op hen.

25 And Joshua said, Why hast thou troubled us? the LORD shall trouble thee this day. And all Israel stoned him with stones, and burned them with fire, after they had stoned them with stones.

25 En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israel stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.

JZ 7:26 Daarna richtte men een grote steenhoop boven hem op, die er is tot op de huidige dag. Toen liet de HERE zijn brandende toorn varen. Daarom noemt men die plaats het dal Achor, tot op de huidige dag.

26 And they raised over him a great heap of stones unto this day. So the LORD turned from the fierceness of his anger. Wherefore the name of that place was called, The valley of Achor, unto this day.

26 En zij richtten over hem een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde Zich de HEERE van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe.

JZ 8:1 Hierop sprak de HERE tot Jozua: Vrees niet en wees niet verschrikt; neem al het krijgsvolk met u en maak u gereed, trek op naar Ai. Zie, Ik geef de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in uw macht,

1 And the LORD said unto Joshua, Fear not, neither be thou dismayed: take all the people of war with thee, and arise, go up to Ai: see, I have given into thy hand the king of Ai, and his people, and his city, and his land:

1 Toen zeide de HEERE tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.

JZ 8:2 en gij zult met Ai en zijn koning handelen zoals gij met Jericho en zijn koning gehandeld hebt; alleen moogt gij u meester maken van zijn buit en zijn vee. Leg mannen in hinderlaag aan de achterzijde van de stad.

2 And thou shalt do to Ai and her king as thou didst unto Jericho and her king: only the spoil thereof, and the cattle thereof, shall ye take for a prey unto yourselves: lay thee an ambush for the city behind it.

2 Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar roof en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelve.

JZ 8:3 Toen maakte Jozua zich gereed met al het krijgsvolk om op te trekken naar Ai. Dertigduizend man, dappere helden, koos Jozua uit, die hij des nachts uitzond met de opdracht:

3 So Joshua arose, and all the people of war, to go up against Ai: and Joshua chose out thirty thousand mighty men of valour, and sent them away by night.

3 Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit,

JZ 8:4 Ziet, gij zult u tegen de stad in hinderlaag leggen, aan de achterzijde der stad, gaat niet te ver van de stad af en houdt u allen gereed.

4 And he commanded them, saying, Behold, ye shall lie in wait against the city, [even] behind the city: go not very far from the city, but be ye all ready:

4 En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest gij allen bereid.

JZ 8:5 Ik zelf en al het volk dat bij mij is, wij zullen de stad naderen; wanneer zij dan uittrekken ons tegemoet, zoals de eerste maal, zullen wij voor hen vluchten;

5 And I, and all the people that [are] with me, will approach unto the city: and it shall come to pass, when they come out against us, as at the first, that we will flee before them,

5 Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vlieden.

JZ 8:6 dan zullen zij ons achterna trekken, zodat wij hen van de stad weglokken, want zij zullen denken: zij vluchten voor ons zoals de eerste maal. Als wij dan voor hen vluchten,

6 (For they will come out after us) till we have drawn them from the city; for they will say, They flee before us, as at the first: therefore we will flee before them.

6 Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezichten, gelijk als in het eerst; zo zullen wij vlieden voor hun aangezichten.

JZ 8:7 zult gij uit de hinderlaag opstaan en u van de stad meester maken, en de HERE, uw God, zal haar in uw macht geven.

7 Then ye shall rise up from the ambush, and seize upon the city: for the LORD your God will deliver it into your hand.

7 Dan zult gijlieden opstaan uit de achterlage, en gij zult de stad innemen; want de HEERE, uw God, zal ze in uw hand geven.

JZ 8:8 Zodra gij de stad hebt bezet, zult gij haar in brand steken; naar het woord des HEREN zult gij het doen; ziet, ik heb het u geboden.

8 And it shall be, when ye have taken the city, [that] ye shall set the city on fire: according to the commandment of the LORD shall ye do. See, I have commanded you.

8 En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des HEEREN zult gijlieden doen; ziet, ik heb het ulieden geboden.

JZ 8:9 Daarna zond Jozua hen uit en zij trokken naar de hinderlaag en bleven tussen Betel en Ai, ten westen van Ai. Maar Jozua bracht die nacht door onder het volk.

9 Joshua therefore sent them forth: and they went to lie in ambush, and abode between Bethel and Ai, on the west side of Ai: but Joshua lodged that night among the people.

9 Alzo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-El en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.

JZ 8:10 Vroeg in de morgen monsterde Jozua het volk en trok met de oudsten van Israël aan de spits van het volk naar Ai;

10 And Joshua rose up early in the morning, and numbered the people, and went up, he and the elders of Israel, before the people to Ai.

10 En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israel, voor het aangezicht des volks, naar Ai.

JZ 8:11 ook al het krijgsvolk dat bij hem was, trok op en zij naderden en kwamen tegenover de stad en legerden zich ten noorden van Ai, zodat het dal lag tussen hem en Ai.

11 And all the people, [even the people] of war that [were] with him, went up, and drew nigh, and came before the city, and pitched on the north side of Ai: now [there was] a valley between them and Ai.

11 Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai.

JZ 8:12 Hij nu had ongeveer vijfduizend man genomen en hen in hinderlaag gelegd tussen Betel en Ai, ten westen van de stad.

12 And he took about five thousand men, and set them to lie in ambush between Bethel and Ai, on the west side of the city.

12 Hij nam ook omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-El en tussen Ai, aan het westen der stad.

JZ 8:13 Aldus had men het volk opgesteld: het gehele leger, dat ten noorden van de stad was, en zijn achterhoede ten westen van de stad. Maar Jozua was die nacht midden door het dal gegaan.

13 And when they had set the people, [even] all the host that [was] on the north of the city, and their liers in wait on the west of the city, Joshua went that night into the midst of the valley.

13 En zij stelden het volk, het ganse leger, dat aan het noorden der stad was, en zijn lage was aan het westen der stad. En Jozua ging in denzelven nacht in het midden des dals.

JZ 8:14 Zodra de koning van Ai dit gezien had, trokken de mannen der stad des morgens vroeg haastig uit ten strijde, Israël tegemoet, hij en al zijn volk, naar de verzamelplaats tegenover de vlakte; want hij wist niet, dat hem een hinderlaag achter de stad gelegd was.

14 And it came to pass, when the king of Ai saw [it], that they hasted and rose up early, and the men of the city went out against Israel to battle, he and all his people, at a time appointed, before the plain; but he wist not that [there were] liers in ambush against him behind the city.

14 En het geschiedde, toen de koning van Ai [dat] zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit, Israel tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage legde van achter de stad.

JZ 8:15 Jozua en geheel Israël lieten zich door hen verslaan en vluchtten in de richting van de woestijn;

15 And Joshua and all Israel made as if they were beaten before them, and fled by the way of the wilderness.

15 Jozua dan, en gans Israel, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vloden door den weg der woestijn.

JZ 8:16 daarom werd al het volk, dat in de stad was, opgeroepen om hen te achtervolgen, en terwijl zij Jozua achtervolgden, werden zij van de stad afgesneden;

16 And all the people that [were] in Ai were called together to pursue after them: and they pursued after Joshua, and were drawn away from the city.

16 Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken.

JZ 8:17 er bleef niemand over in Ai en Betel, die niet uittrok, Israël achterna, en zij lieten de stad open achter, terwijl zij Israël achtervolgden.

17 And there was not a man left in Ai or Bethel, that went not out after Israel: and they left the city open, and pursued after Israel.

17 En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-El, die niet uittrokken, Israel na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israel achterna.

JZ 8:18 Toen zeide de HERE tot Jozua: Strek de spies die in uw hand is, uit naar Ai, want Ik geef het in uw macht. En Jozua strekte de spies die in zijn hand was, uit, naar de stad.

18 And the LORD said unto Joshua, Stretch out the spear that [is] in thy hand toward Ai; for I will give it into thine hand. And Joshua stretched out the spear that [he had] in his hand toward the city.

18 Toen sprak de HEERE tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan.

JZ 8:19 Toen stonden de mannen in aller ijl op uit de hinderlaag en snelden toe, zodra hij zijn hand uitstrekte, trokken de stad binnen, namen haar in en staken de stad ijlings met vuur in brand.

19 And the ambush arose quickly out of their place, and they ran as soon as he had stretched out his hand: and they entered into the city, and took it, and hasted and set the city on fire.

19 Toen rees de achterlage haastelijk op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad aan met vuur.

JZ 8:20 Toen de mannen van Ai zich omwendden en toezagen, zie, de rook van de stad steeg op ten hemel en zij hadden geen gelegenheid om her- of derwaarts te vluchten; immers het volk dat naar de woestijn gevlucht was, keerde zich om naar de vervolgers.

20 And when the men of Ai looked behind them, they saw, and, behold, the smoke of the city ascended up to heaven, and they had no power to flee this way or that way: and the people that fled to the wilderness turned back upon the pursuers.

20 Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook der stad ging op naar den hemel; en zij hadden geen ruimte, om herwaarts of derwaarts te vlieden; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die [hen] najoegen.

JZ 8:21 Zodra Jozua en geheel Israël zagen, dat de mannen van de hinderlaag de stad ingenomen hadden en dat de rook van de stad opsteeg, wendden zij zich om en sloegen de mannen van Ai.

21 And when Joshua and all Israel saw that the ambush had taken the city, and that the smoke of the city ascended, then they turned again, and slew the men of Ai.

21 En Jozua en gans Israel, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai.

JZ 8:22 Intussen trokken de anderen uit de stad hun tegemoet, zodat zij midden tussen de Israëlieten geraakten, dezen van hier en genen van daar; en zij sloegen hen, zonder dat men iemand van hen overliet, die ontsnapte of ontkwam.

22 And the other issued out of the city against them; so they were in the midst of Israel, some on this side, and some on that side: and they smote them, so that they let none of them remain or escape.

22 Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden der Israelieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam.

JZ 8:23 Doch de koning van Ai grepen zij levend en brachten hem tot Jozua.

23 And the king of Ai they took alive, and brought him to Joshua.

23 Doch den koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua.

JZ 8:24 Zodra Israël gereed was met alle inwoners van Ai te doden in het veld, in de woestijn, waar zij hen vervolgd hadden, en deze allen tot de laatste man door de scherpte des zwaards gevallen waren, keerde geheel Israël terug naar Ai en sloeg het met de scherpte des zwaards.

24 And it came to pass, when Israel had made an end of slaying all the inhabitants of Ai in the field, in the wilderness wherein they chased them, and when they were all fallen on the edge of the sword, until they were consumed, that all the Israelites returned unto Ai, and smote it with the edge of the sword.

24 En het geschiedde, toen de Israelieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans Israel naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards.

JZ 8:25 Allen die op die dag vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalfduizend, al de burgers van Ai.

25 And [so] it was, [that] all that fell that day, both of men and women, [were] twelve thousand, [even] all the men of Ai.

25 En het geschiedde, dat allen, die te dien dage vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen lieden van Ai.

JZ 8:26 En Jozua trok zijn hand, waarmee hij de spies uitgestrekt hield, niet in, voordat hij alle inwoners van Ai met de ban geslagen had.

26 For Joshua drew not his hand back, wherewith he stretched out the spear, until he had utterly destroyed all the inhabitants of Ai.

26 Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had.

JZ 8:27 Alleen van het vee en de buit der stad hebben de Israëlieten zich meester gemaakt naar het woord des HEREN , dat Hij Jozua geboden had.

27 Only the cattle and the spoil of that city Israel took for a prey unto themselves, according unto the word of the LORD which he commanded Joshua.

27 Alleenlijk roofden de Israelieten voor zichzelven het vee en den buit derzelver stad, naar het woord des HEEREN, dat Hij Jozua geboden had.

JZ 8:28 Jozua verbrandde Ai en maakte het tot een puinhoop voor altijd, een woestenij tot op de huidige dag.

28 And Joshua burnt Ai, and made it an heap for ever, [even] a desolation unto this day.

28 Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwigen hoop, ter verwoesting, tot op dezen dag.

JZ 8:29 De koning van Ai spietste hij op een paal tot aan de avondstond; tegen zonsondergang gebood Jozua, dat men zijn lijk van de paal zou afnemen en men wierp het neer bij de ingang van de stadspoort; daarna richtte men boven hem een grote steenhoop op, die er is tot op de huidige dag.

29 And the king of Ai he hanged on a tree until eventide: and as soon as the sun was down, Joshua commanded that they should take his carcase down from the tree, and cast it at the entering of the gate of the city, and raise thereon a great heap of stones, [that remaineth] unto this day.

29 En den koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan den avondstond; en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten daarop een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag.

JZ 8:30 Toen bouwde Jozua een altaar voor de HERE, de God van Israël, op de berg Ebal,

30 Then Joshua built an altar unto the LORD God of Israel in mount Ebal,

30 Toen bouwde Jozua een altaar den HEERE, den God van Israel, op den berg Ebal;

JZ 8:31 zoals Mozes, de knecht des HEREN, de Israëlieten geboden had, naar hetgeen geschreven stond in het boek der wet van Mozes; een altaar van onbehouwen stenen, die men met geen ijzer bewerkt had; zij brachten daarop brandoffers aan de HERE en slachtten vredeoffers.

31 As Moses the servant of the LORD commanded the children of Israel, as it is written in the book of the law of Moses, an altar of whole stones, over which no man hath lift up [any] iron: and they offered thereon burnt offerings unto the LORD, and sacrificed peace offerings.

31 Gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, den kinderen Israels geboden had, achtereenvolgens hetgeen geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van gehele stenen, over dewelke men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij den HEERE brandofferen; ook offerden zij dankofferen.

JZ 8:32 En dáár schreef hij op de stenen een afschrift van de wet van Mozes, hetwelk hij opschreef ten aanschouwen der Israëlieten.

32 And he wrote there upon the stones a copy of the law of Moses, which he wrote in the presence of the children of Israel.

32 Aldaar schreef hij ook op stenen een dubbel van de wet van Mozes, hetwelk hij geschreven heeft voor het aangezicht der kinderen Israels.

JZ 8:33 Geheel Israël nu, zijn oudsten, de opzieners en zijn rechters stonden aan weerszijden van de ark, tegenover de levitische priesters, die de ark des verbonds des HEREN droegen, zowel vreemdelingen als geboren Israëlieten, de ene helft tegenover de berg Gerizim en de andere helft tegenover de berg Ebal, zoals Mozes, de knecht des HEREN, vroeger geboden had, om het volk Israël te zegenen.

33 And all Israel, and their elders, and officers, and their judges, stood on this side the ark and on that side before the priests the Levites, which bare the ark of the covenant of the LORD, as well the stranger, as he that was born among them; half of them over against mount Gerizim, and half of them over against mount Ebal; as Moses the servant of the LORD had commanded before, that they should bless the people of Israel.

33 En gans Israel met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan gene zijde der ark, voor de Levietische priesteren, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover den berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, bevolen had; om het volk van Israel in het eerst te zegenen.

JZ 8:34 Daarna las hij al de woorden der wet voor, de zegen en de vloek, naar alles wat in het boek der wet geschreven stond.

34 And afterward he read all the words of the law, the blessings and cursings, according to all that is written in the book of the law.

34 En daarna las hij overluid al de woorden der wet, de zegening en den vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat.

JZ 8:35 Er was geen woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas aan de gehele gemeente van Israël en de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen, die met hen meegegaan waren.

35 There was not a word of all that Moses commanded, which Joshua read not before all the congregation of Israel, with the women, and the little ones, and the strangers that were conversant among them.

35 Daar was niet een woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de gehele gemeente van Israel, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en de vreemdelingen, die in het midden van hen wandelden.

JZ 9:1 Zodra al de koningen aan de westzijde van de Jordaan, op het Gebergte, in de Laagte en langs de ganse kust der Grote Zee tot tegenover de Libanon, de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten dit hoorden,

1 And it came to pass, when all the kings which [were] on this side Jordan, in the hills, and in the valleys, and in all the coasts of the great sea over against Lebanon, the Hittite, and the Amorite, the Canaanite, the Perizzite, the Hivite, and the Jebusite, heard [thereof];

1 En het geschiedde, toen [dit] hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens der grote zee, tegenover den Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;

JZ 9:2 sloten zij zich aaneen om eendrachtig Jozua en Israël te bestrijden.

2 That they gathered themselves together, to fight with Joshua and with Israel, with one accord.

2 Zo vergaderden zij zich samen, om tegen Jozua en tegen Israel te krijgen, eenmoediglijk.

JZ 9:3 Maar toen de inwoners van Gibeon gehoord hadden, wat Jozua met Jericho en Ai gedaan had,

3 And when the inhabitants of Gibeon heard what Joshua had done unto Jericho and to Ai,

3 Als de inwoners te Gibeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had,

JZ 9:4 gingen ook zij met list te werk: zij begaven zich als afgezanten op weg, namen versleten zakken voor hun ezels en versleten wijnzakken, gescheurd en weer dichtgebonden,

4 They did work wilily, and went and made as if they had been ambassadors, and took old sacks upon their asses, and wine bottles, old, and rent, and bound up;

4 Zo handelden zij ook arglistiglijk, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden lederen wijnzakken;

JZ 9:5 en versleten, opgelapte schoenen aan hun voeten en versleten kleren aan het lijf, terwijl al het brood van hun teerkost uitgedroogd was; het was een en al kruimels.

5 And old shoes and clouted upon their feet, and old garments upon them; and all the bread of their provision was dry [and] mouldy.

5 Ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude klederen aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog [en] beschimmeld.

JZ 9:6 Zo gingen zij tot Jozua, naar de legerplaats te Gilgal, en zeiden tot hem en tot de mannen van Israël: Wij zijn uit een ver land gekomen; sluit dan nu een verbond met ons.

6 And they went to Joshua unto the camp at Gilgal, and said unto him, and to the men of Israel, We be come from a far country: now therefore make ye a league with us.

6 En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israel: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.

JZ 9:7 Maar de mannen van Israël zeiden tot de Chiwwieten: Misschien woont gij in ons midden en hoe kunnen wij dan een verbond met u sluiten?

7 And the men of Israel said unto the Hivites, Peradventure ye dwell among us; and how shall we make a league with you?

7 Toen zeiden de mannen van Israel tot de Hevieten: Misschien woont gijlieden in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken?

JZ 9:8 Zij zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen vroeg Jozua hun: Wie zijt gij en vanwaar komt gij?

8 And they said unto Joshua, We [are] thy servants. And Joshua said unto them, Who [are] ye? and from whence come ye?

8 Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen zeide Jozua tot hen: Wie zijt gijlieden, en van waar komt gij?

JZ 9:9 Zij antwoordden hem: Uit een zeer ver land zijn uw knechten gekomen vanwege de naam van de HERE, uw God, want wij hebben de mare aangaande Hem gehoord: al wat Hij gedaan heeft in Egypte,

9 And they said unto him, From a very far country thy servants are come because of the name of the LORD thy God: for we have heard the fame of him, and all that he did in Egypt,

9 Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om den Naam des HEEREN, uws Gods; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft;

JZ 9:10 en al wat Hij gedaan heeft aan de beide koningen der Amorieten aan de overzijde van de Jordaan, Sichon de koning van Chesbon en Og de koning van Basan, die te Astarot woonde.

10 And all that he did to the two kings of the Amorites, that [were] beyond Jordan, to Sihon king of Heshbon, and to Og king of Bashan, which [was] at Ashtaroth.

10 En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan gene zijde van de Jordaan waren, Sihon, den koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, die te Astharoth [woonde].

JZ 9:11 Daarom zeiden onze oudsten en al de inwoners van ons land tot ons: Neemt teerkost voor de reis mee en gaat hun tegemoet en zegt tot hen: wij zijn uw knechten, sluit dan nu een verbond met ons.

11 Wherefore our elders and all the inhabitants of our country spake to us, saying, Take victuals with you for the journey, and go to meet them, and say unto them, We [are] your servants: therefore now make ye a league with us.

11 Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners onzes lands, zeggende: Neemt reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn ulieder knechten, zo maakt nu een verbond met ons.

JZ 9:12 Dit is ons brood: warm hebben wij het als teerkost uit onze huizen meegenomen op de dag, toen wij naar u op reis gingen, en nu, zie, het is droog en een en al kruimels.

12 This our bread we took hot [for] our provision out of our houses on the day we came forth to go unto you; but now, behold, it is dry, and it is mouldy:

12 Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, toen wij uittogen om tot ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld;

JZ 9:13 En dit zijn de wijnzakken, die nieuw waren, toen wij ze vulden, en zie, zij zijn gescheurd; en dit zijn onze kleren en onze schoenen, ze zijn versleten van de zeer lange tocht.

13 And these bottles of wine, which we filled, [were] new; and, behold, they be rent: and these our garments and our shoes are become old by reason of the very long journey.

13 En deze lederen wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze klederen, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis.

JZ 9:14 Hierop namen de mannen van hun teerkost, maar zij raadpleegden de HERE niet.

14 And the men took of their victuals, and asked not [counsel] at the mouth of the LORD.

14 Toen namen de mannen van hun reiskost; en zij vraagden het den mond des HEEREN niet.

JZ 9:15 En Jozua sloot vriendschap met hen en maakte een verbond met hen, dat hij hen in leven zou laten; en de hoofden der vergadering bezwoeren het hun.

15 And Joshua made peace with them, and made a league with them, to let them live: and the princes of the congregation sware unto them.

15 En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zoude; en de oversten der vergadering zwoeren hun.

JZ 9:16 Na verloop van drie dagen echter, nadat zij met hen het verbond gesloten hadden, hoorden zij, dat zij in hun nabijheid, ja, in hun midden woonden.

16 And it came to pass at the end of three days after they had made a league with them, that they heard that they [were] their neighbours, and [that] they dwelt among them.

16 En het geschiedde ten einde van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zo hoorden zij, dat zij hun naburen waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende.

JZ 9:17 De Israëlieten braken namelijk op en bereikten op de derde dag hun steden, te weten: Gibeon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim.

17 And the children of Israel journeyed, and came unto their cities on the third day. Now their cities [were] Gibeon, and Chephirah, and Beeroth, and Kirjathjearim.

17 Want toen de kinderen Israels voorttogen, zo kwamen zij ten derden dage aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira, en Beeroth, en Kirjath-Jearim.

JZ 9:18 De Israëlieten sloegen hen echter niet, omdat de hoofden der vergadering het hun bezworen hadden bij de HERE, de God van Israël. Toen morde de gehele vergadering tegen de hoofden.

18 And the children of Israel smote them not, because the princes of the congregation had sworn unto them by the LORD God of Israel. And all the congregation murmured against the princes.

18 En de kinderen Israels sloegen ze niet, omdat de oversten der vergadering hun gezworen hadden bij den HEERE, den God Israels; daarom murmureerde de ganse vergadering tegen de oversten.

JZ 9:19 Maar al de hoofden zeiden tot de gehele vergadering: Wij hebben hun gezworen bij de HERE, de God van Israël; daarom kunnen wij hen niet aantasten.

19 But all the princes said unto all the congregation, We have sworn unto them by the LORD God of Israel: now therefore we may not touch them.

19 Toen zeiden al de oversten tot de ganse vergadering: Wij hebben hun gezworen bij den HEERE, den God Israels; daarom kunnen wij hen niet aantasten.

JZ 9:20 Aldus zullen wij met hen doen: hen in leven laten, opdat geen toorn over ons kome vanwege de eed, die wij hun gezworen hebben.

20 This we will do to them; we will even let them live, lest wrath be upon us, because of the oath which we sware unto them.

20 Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn over ons zij, om des eeds wil, dien wij hun gezworen hebben.

JZ 9:21 En de hoofden zeiden tot hen: Laat hen in leven blijven. En zij werden houthakkers en waterputters voor de gehele vergadering, zoals de hoofden te hunnen opzichte bepaald hadden.

21 And the princes said unto them, Let them live; but let them be hewers of wood and drawers of water unto all the congregation; as the princes had promised them.

21 Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn der ganse vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben.

JZ 9:22 Daarna ontbood Jozua hen en sprak tot hen: Waarom hebt gij ons bedrogen door te zeggen: wij wonen zeer ver van u verwijderd, terwijl gij in ons midden woont?

22 And Joshua called for them, and he spake unto them, saying, Wherefore have ye beguiled us, saying, We [are] very far from you; when ye dwell among us?

22 En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van ulieden gezeten, daar gij in het midden van ons zijt wonende?

JZ 9:23 Daarom, vervloekt zijt gij en nimmer zult gij ophouden knechten te zijn, houthakkers en waterputters voor het huis van mijn God.

23 Now therefore ye [are] cursed, and there shall none of you be freed from being bondmen, and hewers of wood and drawers of water for the house of my God.

23 Nu dan, vervloekt zijt gijlieden! en onder ulieden zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters ten huize mijns Gods.

JZ 9:24 Zij gaven Jozua ten antwoord: Omdat aan uw knechten ten stelligste werd medegedeeld wat de HERE, uw God, zijn knecht Mozes geboden had, namelijk om het gehele land aan u te geven en al de inwoners van het land voor uw aangezicht te verdelgen, vreesden wij zeer voor u om onzes levens wil; daarom hebben wij dit gedaan.

24 And they answered Joshua, and said, Because it was certainly told thy servants, how that the LORD thy God commanded his servant Moses to give you all the land, and to destroy all the inhabitants of the land from before you, therefore we were sore afraid of our lives because of you, and have done this thing.

24 Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Dewijl het aan uw knechten zekerlijk was te kennen gegeven, dat de HEERE, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij ulieden al dit land geven, en al de inwoners des lands voor ulieder aangezicht verdelgen zoude, zo vreesden wij onzes levens zeer voor ulieder aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan.

JZ 9:25 Welnu, zie, wij zijn in uw macht; doe met ons, zoals goed en recht is in uw ogen om met ons te doen.

25 And now, behold, we [are] in thine hand: as it seemeth good and right unto thee to do unto us, do.

25 En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe, gelijk het goed en gelijk het recht is in uw ogen ons te doen.

JZ 9:26 En hij deed aldus met hen, en hij redde hen uit de hand der Israëlieten, zodat dezen hen niet doodden.

26 And so did he unto them, and delivered them out of the hand of the children of Israel, that they slew them not.

26 Zo deed hij hun alzo, en hij verloste hen van de hand der kinderen Israels, dat zij hen niet doodsloegen.

JZ 9:27 Jozua namelijk maakte hen te dien dage tot houthakkers en waterputters voor de vergadering en voor het altaar des HEREN, tot op de huidige dag, op de plaats die Hij verkiezen zou.

27 And Joshua made them that day hewers of wood and drawers of water for the congregation, and for the altar of the LORD, even unto this day, in the place which he should choose.

27 Alzo gaf Jozua hen over ten zelven dage tot houthouwers en waterputters der vergadering, en dat tot het altaar des HEEREN, tot dezen dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zoude.

JZ 10:1 Zodra Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde, dat Jozua Ai veroverd en met de ban geslagen had - evenals hij met Jericho en zijn koning gedaan had, zo had hij ook met Ai en zijn koning gedaan - en dat de inwoners van Gibeon met Israël vriendschap gesloten hadden en in hun midden waren,

1 Now it came to pass, when Adonizedek king of Jerusalem had heard how Joshua had taken Ai, and had utterly destroyed it; as he had done to Jericho and her king, so he had done to Ai and her king; and how the inhabitants of Gibeon had made peace with Israel, and were among them;

1 Het geschiedde nu, toen Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, [en] aan Ai en haar koning alzo gedaan had, gelijk als hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israel gemaakt hadden, en in derzelver midden waren;

JZ 10:2 toen werd men zeer bevreesd, want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden, ja, het was groter dan Ai, en al haar mannen waren helden.

2 That they feared greatly, because Gibeon [was] a great city, as one of the royal cities, and because it [was] greater than Ai, and all the men thereof [were] mighty.

2 Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk.

JZ 10:3 Daarom zond Adonisedek, de koning van Jeruzalem, aan Hoham, de koning van Hebron, aan Piram, de koning van Jarmut, aan Jafia, de koning van Lakis, en aan Debir, de koning van Eglon, deze boodschap:

3 Wherefore Adonizedek king of Jerusalem sent unto Hoham king of Hebron, and unto Piram king of Jarmuth, and unto Japhia king of Lachish, and unto Debir king of Eglon, saying,

3 Daarom zond Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-Am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:

JZ 10:4 Trekt op tot mij en helpt mij, opdat wij Gibeon slaan, omdat het vriendschap gesloten heeft met Jozua en de Israëlieten.

4 Come up unto me, and help me, that we may smite Gibeon: for it hath made peace with Joshua and with the children of Israel.

4 Komt op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de kinderen Israels.

JZ 10:5 Hierop verenigden zich de vijf koningen der Amorieten en trokken op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon, zij met al hun legers; zij belegerden Gibeon en streden ertegen.

5 Therefore the five kings of the Amorites, the king of Jerusalem, the king of Hebron, the king of Jarmuth, the king of Lachish, the king of Eglon, gathered themselves together, and went up, they and all their hosts, and encamped before Gibeon, and made war against it.

5 Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar.

JZ 10:6 Toen zonden de mannen van Gibeon tot Jozua, naar de legerplaats te Gilgal, deze boodschap: Trek uw hand niet van uw knechten af, ruk haastig tot ons op, verlos ons en help ons, want alle koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons verzameld.

6 And the men of Gibeon sent unto Joshua to the camp to Gilgal, saying, Slack not thy hand from thy servants; come up to us quickly, and save us, and help us: for all the kings of the Amorites that dwell in the mountains are gathered together against us.

6 De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastelijk tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons vergaderd.

JZ 10:7 Toen trok Jozua uit Gilgal op, hij en al het krijgsvolk met hem, allen dappere helden.

7 So Joshua ascended from Gilgal, he, and all the people of war with him, and all the mighty men of valour.

7 Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden.

JZ 10:8 En de HERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hen, want Ik geef hen in uw macht, niemand van hen zal voor u standhouden.

8 And the LORD said unto Joshua, Fear them not: for I have delivered them into thine hand; there shall not a man of them stand before thee.

8 Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan.

JZ 10:9 En Jozua overviel hen plotseling - de ganse nacht was hij, van Gilgal uit, opgetrokken -

9 Joshua therefore came unto them suddenly, [and] went up from Gilgal all night.

9 Alzo kwam Jozua snellijk tot hen; den gansen nacht over was hij van Gilgal opgetrokken.

JZ 10:10 en de HERE bracht hen voor het aangezicht van Israël in verwarring, zodat hij hun een grote nederlaag toebracht bij Gibeon, hen vervolgde in de richting van de bergpas van Bet-Choron en hen versloeg tot bij Azeka en Makkeda.

10 And the LORD discomfited them before Israel, and slew them with a great slaughter at Gibeon, and chased them along the way that goeth up to Bethhoron, and smote them to Azekah, and unto Makkedah.

10 En de HEERE verschrikte hen voor het aangezicht van Israel; en hij sloeg hen met een groten slag te Gibeon, en vervolgde hen op den weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.

JZ 10:11 Terwijl zij nu voor Israël vluchtten en zij juist op de helling van Bet-Choron waren, wierp de HERE uit de hemel grote stenen op hen, tot Azeka toe, zodat zij stierven; die door de hagelstenen stierven, waren talrijker dan die, welke de Israëlieten met het zwaard doodden.

11 And it came to pass, as they fled from before Israel, [and] were in the going down to Bethhoron, that the LORD cast down great stones from heaven upon them unto Azekah, and they died: [they were] more which died with hailstones than [they] whom the children of Israel slew with the sword.

11 Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israel vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-horon, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van den hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen Israels met het zwaard doodden.

JZ 10:12 Toen sprak Jozua tot de HERE ten dage, waarop de HERE de Amorieten aan de Israëlieten overleverde, en hij zeide in tegenwoordigheid van Israël: Zon, sta stil te Gibeon en gij, maan, in het dal van Ajjalon!

12 Then spake Joshua to the LORD in the day when the LORD delivered up the Amorites before the children of Israel, and he said in the sight of Israel, Sun, stand thou still upon Gibeon; and thou, Moon, in the valley of Ajalon.

12 Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen Israels overgaf, en zeide voor de ogen der Israelieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!

JZ 10:13 En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijand gewroken had. Is dit niet geschreven in het Boek des Oprechten? De zon nu bleef staan midden aan de hemel en haastte zich niet onder te gaan omstreeks een volle dag.

13 And the sun stood still, and the moon stayed, until the people had avenged themselves upon their enemies. [Is] not this written in the book of Jasher? So the sun stood still in the midst of heaven, and hasted not to go down about a whole day.

13 En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.

JZ 10:14 Een dag als deze is er noch vroeger, noch later ooit geweest, waarop de HERE zó iemands stem verhoorde, want de HERE streed voor Israël.

14 And there was no day like that before it or after it, that the LORD hearkened unto the voice of a man: for the LORD fought for Israel.

14 En er was geen dag aan dezen gelijk, voor hem noch na hem, dat de HEERE de stem eens mans [alzo] verhoorde; want de HEERE streed voor Israel.

JZ 10:15 Hierop keerde Jozua en geheel Israël met hem terug naar de legerplaats te Gilgal.

15 And Joshua returned, and all Israel with him, unto the camp to Gilgal.

15 Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.

JZ 10:16 Die vijf koningen echter vluchtten en verborgen zich in de spelonk bij Makkeda.

16 But these five kings fled, and hid themselves in a cave at Makkedah.

16 Maar die vijf koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkeda.

JZ 10:17 En aan Jozua werd gemeld: De vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de spelonk bij Makkeda.

17 And it was told Joshua, saying, The five kings are found hid in a cave at Makkedah.

17 En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de spelonk bij Makkeda.

JZ 10:18 Toen zeide Jozua: Wentelt grote stenen voor de ingang van de spelonk en zet er mannen bij om hen te bewaken.

18 And Joshua said, Roll great stones upon the mouth of the cave, and set men by it for to keep them:

18 Zo zeide Jozua: Wentelt grote stenen voor den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren.

JZ 10:19 Maar gij, blijft niet staan, jaagt uw vijanden na en slaat op hun achterhoede los; laat hun niet toe binnen hun steden te komen, want de HERE, uw God, geeft hen in uw macht.

19 And stay ye not, [but] pursue after your enemies, and smite the hindmost of them; suffer them not to enter into their cities: for the LORD your God hath delivered them into your hand.

19 Maar staat gijlieden niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in den staart; laat hen in hun steden niet komen; want de HEERE, uw God, heeft ze in uw hand gegeven.

JZ 10:20 Nadat nu Jozua en de Israëlieten hun een zeer grote nederlaag hadden toegebracht, zodat zij geheel vernietigd waren - hoewel er enigen van hen waren ontkomen en de versterkte steden hadden bereikt –

20 And it came to pass, when Joshua and the children of Israel had made an end of slaying them with a very great slaughter, till they were consumed, that the rest [which] remained of them entered into fenced cities.

20 En het geschiedde, toen Jozua en de kinderen Israels geeindigd hadden hen met een zeer groten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren;

JZ 10:21 keerde het gehele volk ongedeerd naar de legerplaats terug, tot Jozua te Makkeda; niemand had zijn tong tegen de Israëlieten durven roeren.

21 And all the people returned to the camp to Joshua at Makkedah in peace: none moved his tongue against any of the children of Israel.

21 Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de kinderen Israels geroerd.

JZ 10:22 Daarna zeide Jozua: Opent de ingang van de spelonk en brengt die vijf koningen uit de spelonk tot mij.

22 Then said Joshua, Open the mouth of the cave, and bring out those five kings unto me out of the cave.

22 Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die spelonk.

JZ 10:23 Men deed aldus en men bracht tot hem die vijf koningen uit de spelonk: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon.

23 And they did so, and brought forth those five kings unto him out of the cave, the king of Jerusalem, the king of Hebron, the king of Jarmuth, the king of Lachish, [and] the king of Eglon.

23 Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koning van Lachis, den koning van Eglon.

JZ 10:24 Zodra men die koningen tot Jozua gebracht had, riep Jozua alle mannen van Israël tot zich en zeide tot de aanvoerders der krijgslieden, die met hem getrokken waren: Treedt nader, zet uw voet op de nek dezer koningen. Zij kwamen naderbij en zetten hun de voet op de nek.

24 And it came to pass, when they brought out those kings unto Joshua, that Joshua called for all the men of Israel, and said unto the captains of the men of war which went with him, Come near, put your feet upon the necks of these kings. And they came near, and put their feet upon the necks of them.

24 En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israel, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uw voeten op de halzen dezer koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen.

JZ 10:25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en weest niet verslagen, weest sterk en moedig, want aldus zal de HERE doen aan al uw vijanden, tegen wie gij strijdt.

25 And Joshua said unto them, Fear not, nor be dismayed, be strong and of good courage: for thus shall the LORD do to all your enemies against whom ye fight.

25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet u niet, zijt sterk en hebt goeden moed; want alzo zal de HEERE aan al uw vijanden doen, tegen dewelke gijlieden strijdt.

JZ 10:26 Vervolgens sloeg Jozua hen, doodde hen en spietste hen op vijf palen, en zij bleven hangen op de palen tot de avond.

26 And afterward Joshua smote them, and slew them, and hanged them on five trees: and they were hanging upon the trees until the evening.

26 En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf houten; en zij hingen aan de houten tot den avond.

JZ 10:27 Maar tegen de tijd, dat de zon onderging, nam men hen, op bevel van Jozua, van de palen af, en men wierp hen in de spelonk, waar zij zich verborgen hadden; en men plaatste grote stenen voor de ingang van de spelonk, die er heden ten dage nog zijn.

27 And it came to pass at the time of the going down of the sun, [that] Joshua commanded, and they took them down off the trees, and cast them into the cave wherein they had been hid, and laid great stones in the cave's mouth, [which remain] until this very day.

27 En het geschiedde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de houten afname, en zij wierpen hen in de spelonk, alwaar zij verborgen geweest waren; en zij legden grote stenen voor den mond der spelonk, [die] [daar] [zijn] tot op dezen zelven dag.

JZ 10:28 Op die dag nam Jozua Makkeda in en hij sloeg het met de scherpte des zwaards, ook zijn koning; hij trof het en alle levende wezens, die daarin waren, met de ban, hij liet niemand ontkomen en deed met de koning van Makkeda, zoals hij met de koning van Jericho gedaan had.

28 And that day Joshua took Makkedah, and smote it with the edge of the sword, and the king thereof he utterly destroyed, them, and all the souls that [were] therein; he let none remain: and he did to the king of Makkedah as he did unto the king of Jericho.

28 Op denzelven dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij derzelver koning, henlieden en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkeda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.

JZ 10:29 Daarna trok Jozua verder, en geheel Israël met hem, van Makkeda naar Libna en hij streed tegen Libna.

29 Then Joshua passed from Makkedah, and all Israel with him, unto Libnah, and fought against Libnah:

29 Toen toog Jozua door, en gans Israel met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna.

JZ 10:30 En de HERE gaf ook dat in de macht van Israël, met zijn koning. En hij sloeg het en alle levende wezens, die daarin waren, met de scherpte des zwaards; hij liet niemand daarin ontkomen en deed met zijn koning, zoals hij met de koning van Jericho gedaan had.

30 And the LORD delivered it also, and the king thereof, into the hand of Israel; and he smote it with the edge of the sword, and all the souls that [were] therein; he let none remain in it; but did unto the king thereof as he did unto the king of Jericho.

30 En de HEERE gaf dezelve ook in de hand van Israel, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed derzelver koning, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.

JZ 10:31 Daarna trok Jozua verder, en geheel Israël met hem, van Libna naar Lakis; hij belegerde het en streed ertegen

31 And Joshua passed from Libnah, and all Israel with him, unto Lachish, and encamped against it, and fought against it:

31 Toen toog Jozua voort, en gans Israel met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar.

JZ 10:32 en de HERE gaf Lakis in de macht van Israël; men nam het in op de tweede dag en sloeg het met de scherpte des zwaards, alle levende wezens, die daarin waren, geheel zoals hij met Libna gedaan had.

32 And the LORD delivered Lachish into the hand of Israel, which took it on the second day, and smote it with the edge of the sword, and all the souls that [were] therein, according to all that he had done to Libnah.

32 En de HEERE gaf Lachis in de hand van Israel; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij aan Libna gedaan had.

JZ 10:33 Toen trok Horam, de koning van Gezer, op om Lakis te helpen, maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem niemand had overgelaten.

33 Then Horam king of Gezer came up to help Lachish; and Joshua smote him and his people, until he had left him none remaining.

33 Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet.

JZ 10:34 Daarna trok Jozua verder, en geheel Israël met hem, van Lakis naar Eglon; zij belegerden het en streden ertegen,

34 And from Lachish Joshua passed unto Eglon, and all Israel with him; and they encamped against it, and fought against it:

34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gans Israel met hem; en zij belegerden haar en krijgden tegen haar.

JZ 10:35 namen het in op dezelfde dag en sloegen het met de scherpte des zwaards; alle levende wezens, die daarin waren, troffen zij op die dag met de ban, geheel zoals men met Lakis gedaan had.

35 And they took it on that day, and smote it with the edge of the sword, and all the souls that [were] therein he utterly destroyed that day, according to all that he had done to Lachish.

35 En zij namen haar in ten zelven dage, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op denzelven dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had.

JZ 10:36 Daarna trok Jozua op, en geheel Israël met hem, van Eglon naar Hebron, en zij streden ertegen.

36 And Joshua went up from Eglon, and all Israel with him, unto Hebron; and they fought against it:

36 Daarna toog Jozua op, en gans Israel met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.

JZ 10:37 Zij namen het in en sloegen het met de scherpte des zwaards, ook zijn koning en al zijn steden en alle levende wezens, die daarin waren; men liet niemand ontkomen, geheel zoals men met Eglon gedaan had: men sloeg het en alle levende wezens, die daarin waren, met de ban.

37 And they took it, and smote it with the edge of the sword, and the king thereof, and all the cities thereof, and all the souls that [were] therein; he left none remaining, according to all that he had done to Eglon; but destroyed it utterly, and all the souls that [were] therein.

37 En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was.

JZ 10:38 Daarna wendde Jozua zich, en geheel Israël met hem, naar Debir en hij streed ertegen,

38 And Joshua returned, and all Israel with him, to Debir; and fought against it:

38 Toen keerde Jozua, en gans Israel met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar.

JZ 10:39 en hij nam het, met zijn koning, en al zijn steden en men sloeg hen met de scherpte des zwaards; alle levende wezens, die daarin waren, sloegen zij met de ban, men liet niemand ontkomen; evenals men met Hebron gedaan had, zo deed men met Debir en zijn koning, zoals men ook met Libna en zijn koning gedaan had.

39 And he took it, and the king thereof, and all the cities thereof; and they smote them with the edge of the sword, and utterly destroyed all the souls that [were] therein; he left none remaining: as he had done to Hebron, so he did to Debir, and to the king thereof; as he had done also to Libnah, and to her king.

39 En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;

JZ 10:40 Aldus sloeg Jozua het ganse land, het Gebergte, het Zuiderland, de Laagte en de hellingen, met al hun koningen; hij liet niemand ontkomen, maar hij sloeg al wat adem had met de ban, zoals de HERE, de God van Israël, geboden had.

40 So Joshua smote all the country of the hills, and of the south, and of the vale, and of the springs, and all their kings: he left none remaining, but utterly destroyed all that breathed, as the LORD God of Israel commanded.

40 Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israels, geboden had.

JZ 10:41 Jozua sloeg hen van Kades-Barnea tot Gaza, ook het ganse land van Gosen tot Gibeon.

41 And Joshua smote them from Kadeshbarnea even unto Gaza, and all the country of Goshen, even unto Gibeon.

41 En Jozua sloeg hen van Kades-Barnea en tot Gaza toe; ook het ganse land Gosen, en tot Gibeon toe.

JZ 10:42 Al deze koningen en hun land heeft Jozua op éénmaal overwonnen, want de HERE, de God van Israël, streed voor Israël.

42 And all these kings and their land did Joshua take at one time, because the LORD God of Israel fought for Israel.

42 En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal; want de HEERE, de God Israels, streed voor Israel.

JZ 10:43 Daarna keerde Jozua, en geheel Israël met hem, terug naar de legerplaats te Gilgal.

43 And Joshua returned, and all Israel with him, unto the camp to Gilgal.

43 Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.

JZ 11:1 Zodra nu Jabin, de koning van Hasor, dit hoorde, zond hij een boodschap aan Jobab, de koning van Madon, aan de koning van Simron en aan de koning van Aksaf,

1 And it came to pass, when Jabin king of Hazor had heard [those things], that he sent to Jobab king of Madon, and to the king of Shimron, and to the king of Achshaph,

1 Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,

JZ 11:2 alsmede aan de koningen, die in het noorden woonden op het Gebergte, in de Vlakte ten zuiden van Kinarot, in de Laagte en in de heuvelstreek van Dor in het westen,

2 And to the kings that [were] on the north of the mountains, and of the plains south of Chinneroth, and in the valley, and in the borders of Dor on the west,

2 En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;

JZ 11:3 de Kanaänieten in het oosten en in het westen, de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Jebusieten op het gebergte, en de Chiwwieten aan de voet van de Hermon, in de landstreek van Mispa.

3 [And to] the Canaanite on the east and on the west, and [to] the Amorite, and the Hittite, and the Perizzite, and the Jebusite in the mountains, and [to] the Hivite under Hermon in the land of Mizpeh.

3 Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.

JZ 11:4 Daarop trokken dezen uit en al hun legers met hen, veel volk, talrijk als het zand aan het strand der zee, met zeer veel paarden en strijdwagens.

4 And they went out, they and all their hosts with them, much people, even as the sand that [is] upon the sea shore in multitude, with horses and chariots very many.

4 Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens.

JZ 11:5 Al deze koningen sloten zich aaneen en kwamen zich gezamenlijk legeren bij de wateren van Merom, om tegen Israël te strijden.

5 And when all these kings were met together, they came and pitched together at the waters of Merom, to fight against Israel.

5 Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te krijgen.

JZ 11:6 Toen zeide de HERE tot Jozua: Wees niet bevreesd voor hen, want morgen om deze tijd zal Ik hen allen als verslagenen aan Israël overleveren; hun paarden zult gij de pezen doorsnijden en hun strijdwagens met vuur verbranden.

6 And the LORD said unto Joshua, Be not afraid because of them: for to morrow about this time will I deliver them up all slain before Israel: thou shalt hough their horses, and burn their chariots with fire.

6 En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden.

JZ 11:7 Toen kwam Jozua, en al het krijgsvolk met hem, plotseling op hen af bij de wateren van Merom, en zij overvielen hen.

7 So Joshua came, and all the people of war with him, against them by the waters of Merom suddenly; and they fell upon them.

7 En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.

JZ 11:8 En de HERE gaf hen in de macht van Israël; zij versloegen en achtervolgden hen tot aan Groot-Sidon en tot Misrefot-Maïm, en oostwaarts tot de vallei van Mispe. Zij versloegen hen, totdat zij niemand van hen hadden overgelaten.

8 And the LORD delivered them into the hand of Israel, who smote them, and chased them unto great Zidon, and unto Misrephothmaim, and unto the valley of Mizpeh eastward; and they smote them, until they left them none remaining.

8 En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.

JZ 11:9 En Jozua handelde met hen zoals de HERE hem gezegd had: hun paarden sneed hij de pezen door en hun wagens verbrandde hij met vuur.

9 And Joshua did unto them as the LORD bade him: he houghed their horses, and burnt their chariots with fire.

9 Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.

JZ 11:10 Terzelfder tijd keerde Jozua terug en nam Hasor in, en zijn koning sloeg hij met het zwaard; want Hasor was eertijds het voornaamste van al deze koninkrijken.

10 And Joshua at that time turned back, and took Hazor, and smote the king thereof with the sword: for Hazor beforetime was the head of all those kingdoms.

10 En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.

JZ 11:11 Zij versloegen alle levende wezens, die daarin waren, met de scherpte des zwaards, de ban voltrekkend; niets wat adem had, bleef over en Hasor verbrandde hij met vuur.

11 And they smote all the souls that [were] therein with the edge of the sword, utterly destroying [them]: there was not any left to breathe: and he burnt Hazor with fire.

11 En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.

JZ 11:12 Verder heeft Jozua alle steden van deze koningen, en al hun koningen, overwonnen en hen geslagen met de scherpte des zwaards; hij trof hen met de ban, zoals Mozes, de knecht des HEREN, geboden had.

12 And all the cities of those kings, and all the kings of them, did Joshua take, and smote them with the edge of the sword, [and] he utterly destroyed them, as Moses the servant of the LORD commanded.

12 En Jozua nam al de steden dezer koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN geboden had.

JZ 11:13 De steden echter, die op haar heuvels lagen, heeft Israël niet verbrand, met uitzondering alleen van Hasor, dat Jozua verbrand had.

13 But [as for] the cities that stood still in their strength, Israel burned none of them, save Hazor only; [that] did Joshua burn.

13 Alleenlijk verbrandden de Israelieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.

JZ 11:14 De gehele buit uit deze steden, benevens het vee, hebben de Israëlieten buitgemaakt; alle mensen echter hebben zij geslagen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgd hadden; zij lieten niets overblijven wat adem had.

14 And all the spoil of these cities, and the cattle, the children of Israel took for a prey unto themselves; but every man they smote with the edge of the sword, until they had destroyed them, neither left they any to breathe.

14 En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich; alleenlijk sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.

JZ 11:15 Zoals de HERE zijn knecht Mozes geboden had, zo had Mozes Jozua geboden en daarnaar heeft Jozua gehandeld: hij heeft niets nagelaten van al wat de HERE aan Mozes geboden had.

15 As the LORD commanded Moses his servant, so did Moses command Joshua, and so did Joshua; he left nothing undone of all that the LORD commanded Moses.

15 Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed er niet een woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had.

JZ 11:16 Aldus heeft Jozua dit gehele land veroverd, het gebergte, het gehele Zuiderland, het gehele land van Gosen, de Laagte, de Vlakte, en het Gebergte van Israël met zijn Laagte;

16 So Joshua took all that land, the hills, and all the south country, and all the land of Goshen, and the valley, and the plain, and the mountain of Israel, and the valley of the same;

16 Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte.

JZ 11:17 van het Kale Gebergte af, dat oploopt in de richting van Seïr, tot aan Baäl-Gad in de vallei van de Libanon, aan de voet van het Hermongebergte. Al hun koningen nam hij gevangen, en hij sloeg hen dood.

17 [Even] from the mount Halak, that goeth up to Seir, even unto Baalgad in the valley of Lebanon under mount Hermon: and all their kings he took, and smote them, and slew them.

17 Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.

JZ 11:18 Lange tijd heeft Jozua tegen al deze koningen gestreden.

18 Joshua made war a long time with all those kings.

18 Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen.

JZ 11:19 Er was geen enkele stad, die vriendschap sloot met de Israëlieten, behalve de Chiwwieten, die te Gibeon woonden. Alles namen zij gewapenderhand in.

19 There was not a city that made peace with the children of Israel, save the Hivites the inhabitants of Gibeon: all [other] they took in battle.

19 Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.

JZ 11:20 Immers, de HERE had het zó beschikt, dat zij met een verstokt hart de strijd met Israël aanbonden, opdat men hen, zonder genade, met de ban slaan en hen verdelgen zou, zoals de HERE Mozes geboden had.

20 For it was of the LORD to harden their hearts, that they should come against Israel in battle, that he might destroy them utterly, [and] that they might have no favour, but that he might destroy them, as the LORD commanded Moses.

20 Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

JZ 11:21 Te dien tijde kwam Jozua en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, uit Hebron, Debir en Anab, van het gehele gebergte van Juda en van het gehele gebergte van Israël. Hen en hun steden heeft Jozua met de ban geslagen.

21 And at that time came Joshua, and cut off the Anakims from the mountains, from Hebron, from Debir, from Anab, and from all the mountains of Judah, and from all the mountains of Israel: Joshua destroyed them utterly with their cities.

21 Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.

JZ 11:22 Er bleven geen Enakieten over in het land der Israëlieten; alleen te Gaza, te Gat en te Asdod zijn er overgebleven.

22 There was none of the Anakims left in the land of the children of Israel: only in Gaza, in Gath, and in Ashdod, there remained.

22 Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.

JZ 11:23 Toen nu Jozua het gehele land veroverd had overeenkomstig alles wat de HERE tot Mozes gesproken had, gaf Jozua het aan Israël ten erfdeel, volgens hun indeling in stammen. En het land rustte van de strijd.

23 So Joshua took the whole land, according to all that the LORD said unto Moses; and Joshua gave it for an inheritance unto Israel according to their divisions by their tribes. And the land rested from war.

23 Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.

JZ 12:1 Dit zijn de koningen des lands, die de Israëlieten verslagen hebben en wier land zij in bezit genomen hebben aan de overzijde van de Jordaan, in het oosten, van de beek Arnon tot het Hermongebergte benevens de gehele Vlakte oostwaarts:

1 Now these [are] the kings of the land, which the children of Israel smote, and possessed their land on the other side Jordan toward the rising of the sun, from the river Arnon unto mount Hermon, and all the plain on the east:

1 Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:

JZ 12:2 Sichon, de koning der Amorieten, die te Chesbon woonde, die heerste van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, aan de middenloop der beek, en over half Gilead tot aan de beek Jabbok, de grens der Ammonieten,

2 Sihon king of the Amorites, who dwelt in Heshbon, [and] ruled from Aroer, which [is] upon the bank of the river Arnon, and from the middle of the river, and from half Gilead, even unto the river Jabbok, [which is] the border of the children of Ammon;

2 Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroer af heerste, welke aan den oever der beek Arnon is, en [over] het midden der beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;

JZ 12:3 en over de Vlakte tot aan de oostzijde van het meer van Kinneret en tot aan de oostzijde van de zee der Vlakte, de Zoutzee, in de richting van Bet-Hajjesimot en zuidwaarts aan de voet van de hellingen van de Pisga.

3 And from the plain to the sea of Chinneroth on the east, and unto the sea of the plain, [even] the salt sea on the east, the way to Bethjeshimoth; and from the south, under Ashdothpisgah:

3 En [over] het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, tegen het oosten, op den weg naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga.

JZ 12:4 Verder het gebied van Og, de koning van Basan, een van de overgeblevenen der Refaïeten; deze woonde te Astarot en te Edreï,

4 And the coast of Og king of Bashan, [which was] of the remnant of the giants, that dwelt at Ashtaroth and at Edrei,

4 Daartoe de landpale van Og, den koning van Bazan, die van het overblijfsel der reuzen was, wonende te Astharoth en te Edrei.

JZ 12:5 en heerste over het Hermongebergte, Salka en geheel Basan tot aan het gebied der Gesurieten en der Maäkatieten, en over half Gilead, tot het gebied van Sichon, de koning van Chesbon.

5 And reigned in mount Hermon, and in Salcah, and in all Bashan, unto the border of the Geshurites and the Maachathites, and half Gilead, the border of Sihon king of Heshbon.

5 En heerste over den berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de landpale der Gezurieten, en der Maachathieten; en de helft van Gilead, de landpale van Sihon, den koning van Hesbon.

JZ 12:6 Mozes, de knecht des HEREN, en de Israëlieten hebben hen verslagen, en Mozes, de knecht des HEREN, heeft het tot een bezitting gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse.

6 Them did Moses the servant of the LORD and the children of Israel smite: and Moses the servant of the LORD gave it [for] a possession unto the Reubenites, and the Gadites, and the half tribe of Manasseh.

6 Mozes, de knecht des HEEREN, en de kinderen Israels sloegen hen, en Mozes, de knecht des HEEREN, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan den halven stam van Manasse, dat [land] tot een erfelijke bezitting.

JZ 12:7 Dit zijn de koningen des lands, die Jozua en de Israëlieten verslagen hebben aan de westzijde van de Jordaan, van Baäl-Gad in de vallei van de Libanon tot het Kale Gebergte, dat oploopt in de richting van Seïr, welker land Jozua aan de stammen Israëls tot een bezitting gaf, volgens hun afdelingen;

7 And these [are] the kings of the country which Joshua and the children of Israel smote on this side Jordan on the west, from Baalgad in the valley of Lebanon even unto the mount Halak, that goeth up to Seir; which Joshua gave unto the tribes of Israel [for] a possession according to their divisions;

7 Dit nu zijn de koningen des lands, die Jozua sloeg, en de kinderen Israels, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baal-Gad aan, in het dal van den Libanon, en tot aan den kalen berg, die naar Seir opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen Israels tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen.

JZ 12:8 op het gebergte, in de Laagte, in de Vlakte, op de hellingen, in de woestijn en in het Zuiderland: de Hethieten; de Amorieten en de Kanaänieten; de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten.

8 In the mountains, and in the valleys, and in the plains, and in the springs, and in the wilderness, and in the south country; the Hittites, the Amorites, and the Canaanites, the Perizzites, the Hivites, and the Jebusites:

8 Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.

JZ 12:9 De koning van Jericho: één; de koning van Ai bezijden Betel: één;

9 The king of Jericho, one; the king of Ai, which [is] beside Bethel, one;

9 De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;

JZ 12:10 de koning van Jeruzalem: één; de koning van Hebron: één;

10 The king of Jerusalem, one; the king of Hebron, one;

10 De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;

JZ 12:11 de koning van Jarmut: één; de koning van Lakis: één;

11 The king of Jarmuth, one; the king of Lachish, one;

11 De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;

JZ 12:12 de koning van Eglon: één; de koning van Gezer: één;

12 The king of Eglon, one; the king of Gezer, one;

12 De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;

JZ 12:13 de koning van Debir: één; de koning van Geder, één;

13 The king of Debir, one; the king of Geder, one;

13 De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;

JZ 12:14 de koning van Chorma: één; de koning van Arad: één;

14 The king of Hormah, one; the king of Arad, one;

14 De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;

JZ 12:15 de koning van Libna: één; de koning van Adullam: één;

15 The king of Libnah, one; the king of Adullam, one;

15 De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;

JZ 12:16 de koning van Makkeda: één; de koning van Betel: één;

16 The king of Makkedah, one; the king of Bethel, one;

16 De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;

JZ 12:17 de koning van Tappuach: één; de koning van Chefer: één;

17 The king of Tappuah, one; the king of Hepher, one;

17 De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;

JZ 12:18 de koning van Afek: één; de koning van Lasaron: één;

18 The king of Aphek, one; the king of Lasharon, one;

18 De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;

JZ 12:19 de koning van Madon: één; de koning van Hasor: één;

19 The king of Madon, one; the king of Hazor, one;

19 De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;

JZ 12:20 de koning van Simron-Meroön: één; de koning van Aksaf: één;

20 The king of Shimronmeron, one; the king of Achshaph, one;

20 De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;

JZ 12:21 de koning van Taänak: één; de koning van Megiddo: één;

21 The king of Taanach, one; the king of Megiddo, one;

21 De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;

JZ 12:22 de koning van Kedes: één; de koning van Jokneam bij de Karmel: één;

22 The king of Kedesh, one; the king of Jokneam of Carmel, one;

22 De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;

JZ 12:23 de koning van Dor bij de heuvelstreek van Dor: één; de koning van Gojim bij Gilgal: één;

23 The king of Dor in the coast of Dor, one; the king of the nations of Gilgal, one;

23 De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;

JZ 12:24 de koning van Tirsa: één; samen éénendertig koningen.

24 The king of Tirzah, one: all the kings thirty and one.

24 De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.

JZ 13:1 Toen Jozua oud en hoogbejaard was, zeide de HERE tot hem: Gij zijt oud en hoogbejaard, en er is nog zeer veel land overgebleven om in bezit te nemen.

1 Now Joshua was old [and] stricken in years; and the LORD said unto him, Thou art old [and] stricken in years, and there remaineth yet very much land to be possessed.

1 Jozua nu was oud, wel bedaagd; en de HEERE zeide tot hem: Gij zijt oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten.

JZ 13:2 Dit is het land, dat overgebleven is: alle landstreken der Filistijnen en het gehele land der Gesurieten,

2 This [is] the land that yet remaineth: all the borders of the Philistines, and all Geshuri,

2 Dit is het land, dat overgebleven is; al de grenzen der Filistijnen en het ganse Gesuri.

JZ 13:3 van de Sichor aan de oostzijde van Egypte af tot aan het gebied van Ekron noordwaarts; dit wordt tot het land der Kanaänieten gerekend; de vijf stadsvorsten der Filistijnen: die van Gaza, die van Asdod, die van Askelon, die van Gat en die van Ekron; en de Awwieten

3 From Sihor, which [is] before Egypt, even unto the borders of Ekron northward, [which] is counted to the Canaanite: five lords of the Philistines; the Gazathites, and the Ashdothites, the Eshkalonites, the Gittites, and the Ekronites; also the Avites:

3 Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat den Kanaanieten toegerekend wordt; vijf vorsten der Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.

JZ 13:4 in het zuiden, het gehele land der Kanaänieten en Meara, dat aan de Sidoniërs behoort, tot Afek toe, tot het gebied der Amorieten;

4 From the south, all the land of the Canaanites, and Mearah that [is] beside the Sidonians, unto Aphek, to the borders of the Amorites:

4 Van het zuiden, het ganse land der Kanaanieten, en Meara, die van de Sidoniers is, tot Afek toe, tot aan de landpale der Amorieten.

JZ 13:5 verder het land der Giblieten en de gehele Libanon in het oosten, van Baäl-Gad aan de voet van het gebergte Hermon tot de weg naar Hamat;

5 And the land of the Giblites, and all Lebanon, toward the sunrising, from Baalgad under mount Hermon unto the entering into Hamath.

5 Daartoe het land der Giblieten, en de ganse Libanon tegen den opgang der zon, van Baal-Gad, onder aan den berg Hermon, tot aan den ingang van Hamath.

JZ 13:6 alle bergbewoners, van de Libanon tot Misrefot-Maïm toe; alle Sidoniërs. Ik zal hen verdrijven voor de Israëlieten; wijs het bij voorbaat door het lot aan Israël ten erfdeel toe, zoals Ik u geboden heb.

6 All the inhabitants of the hill country from Lebanon unto Misrephothmaim, [and] all the Sidonians, them will I drive out from before the children of Israel: only divide thou it by lot unto the Israelites for an inheritance, as I have commanded thee.

6 Allen, die op het gebergte wonen van den Libanon aan tot Misrefoth-maim toe, al de Sidoniers; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht der kinderen Israels; alleenlijk maak, dat het Israel ten erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb.

JZ 13:7 Nu dan, verdeel dit land ten erfdeel onder de negen stammen en de halve stam Manasse.

7 Now therefore divide this land for an inheritance unto the nine tribes, and the half tribe of Manasseh,

7 En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan den halven stam van Manasse,

JZ 13:8 Tezamen met de (andere helft van de stam Manasse) hebben de Rubenieten en de Gadieten hun erfdeel ontvangen, dat Mozes hun gegeven had aan de overzijde van de Jordaan, in het oosten, zoals Mozes, de knecht des HEREN, het hun gegeven had:

8 With whom the Reubenites and the Gadites have received their inheritance, which Moses gave them, beyond Jordan eastward, [even] as Moses the servant of the LORD gave them;

8 Met denwelken de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; dewelke Mozes hunlieden gaf aan gene zijde van de Jordaan tegen het oosten, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, hun gegeven had:

JZ 13:9 van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, de stad, die aan de middenloop der beek ligt, en de gehele hoogvlakte, van Medeba tot Dibon;

9 From Aroer, that [is] upon the bank of the river Arnon, and the city that [is] in the midst of the river, and all the plain of Medeba unto Dibon;

9 Van Aroer aan, die aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe;

JZ 13:10 en alle steden van Sichon, de koning der Amorieten, die te Chesbon regeerde, tot aan het gebied der Ammonieten;

10 And all the cities of Sihon king of the Amorites, which reigned in Heshbon, unto the border of the children of Ammon;

10 En al de steden van Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale der kinderen Ammons;

JZ 13:11 verder Gilead en het gebied der Gesurieten en der Maäkatieten, benevens het gehele Hermongebergte en geheel Basan tot Salka toe,

11 And Gilead, and the border of the Geshurites and Maachathites, and all mount Hermon, and all Bashan unto Salcah;

11 En Gilead, en de landpale der Gezurieten, en der Maachathieten, en den gansen berg Hermon, en gans Bazan, tot Salcha toe;

JZ 13:12 het gehele koninkrijk van Og in Basan, die te Astarot en Edreï regeerde; deze was de laatst overgeblevene van de Refaïeten, die Mozes verslagen en verdreven had.

12 All the kingdom of Og in Bashan, which reigned in Ashtaroth and in Edrei, who remained of the remnant of the giants: for these did Moses smite, and cast them out.

12 Het ganse koninkrijk van Og, in Bazan, die geregeerd heeft te Astharoth, en te Edrei; deze is overig gebleven uit het overblijfsel der reuzen, dewelke Mozes heeft verslagen, en heeft ze verdreven.

JZ 13:13 Doch de Israëlieten hebben de Gesurieten en de Maäkatieten niet verdreven, zodat Gesur en Maäkat te midden van Israël zijn blijven wonen tot op de huidige dag.

13 Nevertheless the children of Israel expelled not the Geshurites, nor the Maachathites: but the Geshurites and the Maachathites dwell among the Israelites until this day.

13 Doch de kinderen Israels verdreven de Gezurieten en de Maachathieten niet; maar Gezur en Maachath woonden in het midden van Israel tot op dezen dag.

JZ 13:14 Slechts aan de stam der Levieten gaf Hij geen erfdeel: de vuuroffers van de HERE, de God van Israël, zijn hem ten erfdeel, zoals Hij hem beloofd had.

14 Only unto the tribe of Levi he gave none inheritance; the sacrifices of the LORD God of Israel made by fire [are] their inheritance, as he said unto them.

14 Alleenlijk gaf hij den stam Levi geen erfenis. De vuurofferen Gods, des HEEREN van Israel, zijn zijne erfenis, gelijk als Hij tot hem gesproken had.

JZ 13:15 Mozes had aan de stam der Rubenieten naar hun geslachten dit gegeven:

15 And Moses gave unto the tribe of the children of Reuben [inheritance] according to their families.

15 Alzo gaf Mozes aan den stam der kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen,

JZ 13:16 zij verkregen het gebied van Aroër af, dat aan de beek Arnon ligt, de stad, die aan de middenloop der beek ligt, en de gehele hoogvlakte bij Medeba;

16 And their coast was from Aroer, that [is] on the bank of the river Arnon, and the city that [is] in the midst of the river, and all the plain by Medeba;

16 Dat hun landpale was van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe:

JZ 13:17 Chesbon en al zijn steden, die op de hoogvlakte lagen: Dibon, Bamot-Baäl, Bet-Baäl-Meon,

17 Heshbon, and all her cities that [are] in the plain; Dibon, and Bamothbaal, and Bethbaalmeon,

17 Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baal, en Beth-Baal-meon,

JZ 13:18 Jasa, Kedemot, Mefaät,

18 And Jahazah, and Kedemoth, and Mephaath,

18 En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,

JZ 13:19 Kirjataïm, Sibma, Seret-Hassachar op de berg der vallei,

19 And Kirjathaim, and Sibmah, and Zarethshahar in the mount of the valley,

19 En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,

JZ 13:20 Bet-Peor, de hellingen van de Pisga, Bet-Hajjesimot,

20 And Bethpeor, and Ashdothpisgah, and Bethjeshimoth,

20 En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;

JZ 13:21 en voorts alle steden der hoogvlakte en het gehele rijk van Sichon, de koning der Amorieten, die te Chesbon regeerde; hem had Mozes verslagen tegelijk met de vorsten van Midjan: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, vazallen van Sichon, inwoners des lands.

21 And all the cities of the plain, and all the kingdom of Sihon king of the Amorites, which reigned in Heshbon, whom Moses smote with the princes of Midian, Evi, and Rekem, and Zur, and Hur, and Reba, [which were] dukes of Sihon, dwelling in the country.

21 En alle steden des vlakken lands, en het ganse koninkrijk van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon regeerde, denwelken Mozes geslagen heeft, mitsgaders de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners des lands.

JZ 13:22 Ook Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger, hadden de Israëlieten met het zwaard gedood, tegelijk met degenen, die zij versloegen.

22 Balaam also the son of Beor, the soothsayer, did the children of Israel slay with the sword among them that were slain by them.

22 Daartoe hebben de kinderen Israels met het zwaard gedood Bileam, den zoon van Beor, den voorzegger, nevens degenen, die van hen verslagen zijn.

JZ 13:23 Zo was de grens van de Rubenieten de Jordaan met het oeverland. Dit was het erfdeel der Rubenieten naar hun geslachten, de steden en haar dorpen.

23 And the border of the children of Reuben was Jordan, and the border [thereof]. This [was] the inheritance of the children of Reuben after their families, the cities and the villages thereof.

23 De landpale nu der kinderen van Ruben was de Jordaan, en [derzelver] landpale; dat is het erfdeel der kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.

JZ 13:24 Voorts had Mozes aan de stam Gad, aan de Gadieten naar hun geslachten dit gegeven:

24 And Moses gave [inheritance] unto the tribe of Gad, [even] unto the children of Gad according to their families.

24 En aan den stam van Gad, aan de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen, gaf Mozes,

JZ 13:25 zij verkregen het gebied van Jazer en alle steden van Gilead, benevens het halve land der Ammonieten tot aan Aroër, dat tegenover Rabba ligt,

25 And their coast was Jazer, and all the cities of Gilead, and half the land of the children of Ammon, unto Aroer that [is] before Rabbah;

25 Dat hun landpale was Jaezer, en al de steden van Gilead, en het halve land der kinderen Ammons, tot Aroer toe, die voor aan Rabba is;

JZ 13:26 namelijk van Chesbon af tot Ramat-Hammispe en Betonim toe, en van Machanaïm af tot aan het gebied van Lidbir;

26 And from Heshbon unto Ramathmizpeh, and Betonim; and from Mahanaim unto the border of Debir;

26 En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;

JZ 13:27 en in de vallei: Bet-Haram, Bet-Nimra, Sukkot en Safon, het overschot van het koninkrijk van Sichon, de koning van Chesbon; de Jordaan met het oeverland, tot aan het uiteinde van het meer van Kinneret, aan de overzijde van de Jordaan, in het oosten.

27 And in the valley, Betharam, and Bethnimrah, and Succoth, and Zaphon, the rest of the kingdom of Sihon king of Heshbon, Jordan and [his] border, [even] unto the edge of the sea of Chinnereth on the other side Jordan eastward.

27 En in het dal, Beth-haram, en Beth-nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, den koning te Hesbon, de Jordaan en [haar] landpale, tot aan het einde der zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.

JZ 13:28 Dit was het erfdeel der Gadieten naar hun geslachten, de steden en haar dorpen.

28 This [is] the inheritance of the children of Gad after their families, the cities, and their villages.

28 Dit is het erfdeel der kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen: de steden en haar dorpen.

JZ 13:29 Ook had Mozes aan de halve stam Manasse, bestemd voor de halve stam der Manassieten naar hun geslachten, dit gegeven:

29 And Moses gave [inheritance] unto the half tribe of Manasseh: and [this] was [the possession] of the half tribe of the children of Manasseh by their families.

29 Verder had Mozes aan den halven stam van Manasse [een] [erfenis] gegeven, die aan den halven stam der kinderen van Manasse bleef, naar hun huisgezinnen;

JZ 13:30 hun gebied strekte zich uit van Machanaïm af: geheel Basan, het gehele rijk van Og, de koning van Basan, en al de dorpen van Jaïr, die in Basan zijn, zestig nederzettingen;

30 And their coast was from Mahanaim, all Bashan, all the kingdom of Og king of Bashan, and all the towns of Jair, which [are] in Bashan, threescore cities:

30 Zodat hun landpale was van Mahanaim af, het ganse Bazan, het ganse koninkrijk van Og, den koning van Bazan, en al de vlekken van Jair, die in Bazan zijn, zestig steden.

JZ 13:31 verder waren half Gilead, Astarot en Edreï, de koningssteden van Og in Basan, voor de kinderen van Makir, de zoon van Manasse, en wel voor de helft der Makirieten naar hun geslachten.

31 And half Gilead, and Ashtaroth, and Edrei, cities of the kingdom of Og in Bashan, [were pertaining] unto the children of Machir the son of Manasseh, [even] to the one half of the children of Machir by their families.

31 En het halve Gilead, en Astharoth, en Edrei, steden des koninkrijks van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, [namelijk] de helft der kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.

JZ 13:32 Dit zijn de erfdelen, die Mozes toegewezen had in de velden van Moab, aan de oostzijde van de Jordaan bij Jericho.

32 These [are the countries] which Moses did distribute for inheritance in the plains of Moab, on the other side Jordan, by Jericho, eastward.

32 Dat is het, wat Mozes ten erve uitgedeeld had in de velden van Moab, op gene zijde der Jordaan van Jericho, tegen het oosten.

JZ 13:33 Maar aan de stam Levi gaf Mozes geen erfdeel: de HERE, de God van Israël, is zelf hun erfdeel, zoals Hij hun beloofd had.

33 But unto the tribe of Levi Moses gave not [any] inheritance: the LORD God of Israel [was] their inheritance, as he said unto them.

33 Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; de HEERE, de God Israels, is Zelf hunlieder Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft.

JZ 14:1 Dit nu zijn de erfdelen, die de Israëlieten in het land Kanaän ontvangen hebben, welke de priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen aan de Israëlieten ten erfdeel gegeven hebben,

1 And these [are the countries] which the children of Israel inherited in the land of Canaan, which Eleazar the priest, and Joshua the son of Nun, and the heads of the fathers of the tribes of the children of Israel, distributed for inheritance to them.

1 Dit is nu hetgeen de kinderen Israels geerfd hebben in het land Kanaan; hetwelk de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels, hun hebben doen erven;

JZ 14:2 eens ieders erfdeel door het lot, zoals de HERE door de dienst van Mozes geboden had betreffende de negen stammen en de halve stam.

2 By lot [was] their inheritance, as the LORD commanded by the hand of Moses, for the nine tribes, and [for] the half tribe.

2 Door het lot hunner erfenis, gelijk als de HEERE door den dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en den halven stam.

JZ 14:3 Want Mozes had aan twee stammen en een halve stam een erfdeel gegeven aan de overzijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij in hun midden geen erfdeel gegeven.

3 For Moses had given the inheritance of two tribes and an half tribe on the other side Jordan: but unto the Levites he gave none inheritance among them.

3 Want aan de twee stammen en den halven stam had Mozes een erfdeel gegeven op gene zijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven.

JZ 14:4 Verder vormden de Jozefieten twee stammen, Manasse en Efraïm. En men gaf aan de Levieten geen aandeel in het land, maar steden om te bewonen, met haar weidegronden voor hun vee en hun have.

4 For the children of Joseph were two tribes, Manasseh and Ephraim: therefore they gave no part unto the Levites in the land, save cities to dwell [in], with their suburbs for their cattle and for their substance.

4 Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraim; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting.

JZ 14:5 Zoals de HERE Mozes geboden had, zo hebben de Israëlieten gehandeld, toen zij het land verdeelden.

5 As the LORD commanded Moses, so the children of Israel did, and they divided the land.

5 Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israels, en zij deelden het land.

JZ 14:6 De Judeeërs nu naderden tot Jozua te Gilgal; en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, zeide tot hem: Gij kent het woord, dat de HERE tot Mozes, de man Gods, aangaande mij en u te Kades-Barnea gesproken heeft.

6 Then the children of Judah came unto Joshua in Gilgal: and Caleb the son of Jephunneh the Kenezite said unto him, Thou knowest the thing that the LORD said unto Moses the man of God concerning me and thee in Kadeshbarnea.

6 Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zeide tot hem: Gij weet het woord, dat de HEERE tot Mozes, den man Gods, gesproken heeft te Kades-Barnea, ter oorzake van mij, en ter oorzake van u.

JZ 14:7 Veertig jaar was ik oud, toen Mozes, de knecht des HEREN, mij van Kades-Barnea uitzond, om het land te verspieden; en ik bracht hem nauwgezet verslag uit.

7 Forty years old [was] I when Moses the servant of the LORD sent me from Kadeshbarnea to espy out the land; and I brought him word again as [it was] in mine heart.

7 Ik was veertig jaren oud, toen Mozes, de knecht des HEEREN, mij uitgezonden heeft van Kades-Barnea, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was.

JZ 14:8 Terwijl mijn broeders, die met mij opgetrokken waren, het hart van het volk deden versmelten, bleef ik volkomen trouw aan de HERE, mijn God.

8 Nevertheless my brethren that went up with me made the heart of the people melt: but I wholly followed the LORD my God.

8 Maar mijn broeders, die met mij opgegaan waren, deden het hart des volks smelten; doch ik volhardde den HEERE, mijn God, na te volgen.

JZ 14:9 Daarom heeft Mozes te dien dage gezworen: voorzeker zal het land, dat uw voet betreden heeft, voor altijd het erfdeel van u en uw zonen zijn, omdat gij volkomen trouw gebleven zijt aan de HERE, mijn God.

9 And Moses sware on that day, saying, Surely the land whereon thy feet have trodden shall be thine inheritance, and thy children's for ever, because thou hast wholly followed the LORD my God.

9 Toen zwoer Mozes te dien zelven dage, zeggende: Indien niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, dewijl gij volhard hebt den HEERE, mijn God, na te volgen.

JZ 14:10 Welnu, zie, de HERE heeft mij in het leven behouden, zoals Hij beloofd heeft. Het is nu vijfenveertig jaar, sedert de HERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, gedurende welke tijd Israël in de woestijn rondgetrokken heeft. Welnu, zie, ik ben heden vijfentachtig jaar oud;

10 And now, behold, the LORD hath kept me alive, as he said, these forty and five years, even since the LORD spake this word unto Moses, while [the children of] Israel wandered in the wilderness: and now, lo, I [am] this day fourscore and five years old.

10 En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat de HEERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israel in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud.

JZ 14:11 ik ben thans nog even sterk als toen Mozes mij uitzond; de kracht, die ik nu bezit is dezelfde als die ik toen had, kracht om te strijden en om uit en in te gaan.

11 As yet I [am as] strong this day as [I was] in the day that Moses sent me: as my strength [was] then, even so [is] my strength now, for war, both to go out, and to come in.

11 Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht, tot den oorlog, en om uit te gaan, en om in te gaan.

JZ 14:12 Geef mij daarom dit bergland, waarvan de HERE te dien dage gesproken heeft, want gij zelf hebt toen gehoord, dat daar Enakieten zijn met grote, versterkte steden; wellicht zal de HERE met mij zijn en zal ik hen verdrijven, zoals de HERE gesproken heeft.

12 Now therefore give me this mountain, whereof the LORD spake in that day; for thou heardest in that day how the Anakims [were] there, and [that] the cities [were] great [and] fenced: if so be the LORD [will be] with me, then I shall be able to drive them out, as the LORD said.

12 En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de HEERE te dien dage gesproken heeft; want gij hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten aldaar waren, en dat er grote vaste steden waren; of de HEERE met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als de HEERE gesproken heeft.

JZ 14:13 Toen zegende Jozua hem, en hij gaf aan Kaleb, de zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.

13 And Joshua blessed him, and gave unto Caleb the son of Jephunneh Hebron for an inheritance.

13 Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, den zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.

JZ 14:14 Daarom is Hebron het erfdeel van Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, tot op de huidige dag, omdat hij volkomen trouw gebleven is aan de HERE, de God van Israël.

14 Hebron therefore became the inheritance of Caleb the son of Jephunneh the Kenezite unto this day, because that he wholly followed the LORD God of Israel.

14 Daarom werd Hebron aan Kaleb, den zoon van Jefunne, den Keneziet, ten erfdeel tot op dezen dag; omdat hij volhard had den HEERE, den God Israels, na te volgen.

JZ 14:15 De naam van Hebron was eertijds Kirjat-Arba; deze Arba was onder de Enakieten de grootste man. En het land rustte van de strijd.

15 And the name of Hebron before [was] Kirjatharba; [which Arba was] a great man among the Anakims. And the land had rest from war.

15 De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van den krijg.

JZ 15:1 Het lot voor de stam der Judeeërs naar hun geslachten strekte zich uit tot aan het gebied van Edom, tot aan de woestijn Sin zuidwaarts, in het uiterste Zuiden.

1 [This] then was the lot of the tribe of the children of Judah by their families; [even] to the border of Edom the wilderness of Zin southward [was] the uttermost part of the south coast.

1 En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;

JZ 15:2 Hun zuidgrens liep van het einde van de Zoutzee af, van de zeeboezem, die zich in zuidelijke richting uitstrekt;

2 And their south border was from the shore of the salt sea, from the bay that looketh southward:

2 Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af, die tegen het zuiden ziet;

JZ 15:3 kwam dan uit zuidelijk van de Schorpioenenpas, liep vervolgens naar Sin en liep op tot zuidelijk van Kades-Barnea, liep dan langs Chesron, liep op naar Adar, liep op in een bocht naar Karka,

3 And it went out to the south side to Maalehacrabbim, and passed along to Zin, and ascended up on the south side unto Kadeshbarnea, and passed along to Hezron, and went up to Adar, and fetched a compass to Karkaa:

3 En zij gaat uit naar het zuiden tot den opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaa;

JZ 15:4 vervolgens naar Asmon, en kwam uit aan de Beek van Egypte, zodat de grens aan de zee eindigde. Dit zal voor u de zuidgrens zijn.

4 [From thence] it passed toward Azmon, and went out unto the river of Egypt; and the goings out of that coast were at the sea: this shall be your south coast.

4 En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpale zullen naar de zee zijn. Dit zal uw landpale tegen het zuiden zijn.

JZ 15:5 De oostgrens was de Zoutzee tot aan de uitmonding van de Jordaan. De grens aan de noordzijde begon bij de zeeboezem aan de uitmonding van de Jordaan:

5 And the east border [was] the salt sea, [even] unto the end of Jordan. And [their] border in the north quarter [was] from the bay of the sea at the uttermost part of Jordan:

5 De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van de Jordaan.

JZ 15:6 de grens liep op naar Bet-Chogla, liep noordelijk van Bet-Araba, en dan liep de grens op naar de rots van Bohan, de zoon van Ruben;

6 And the border went up to Bethhogla, and passed along by the north of Betharabah; and the border went up to the stone of Bohan the son of Reuben:

6 En deze landpale zal opgaan tot Beth-hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-araba; en deze landpale zal opgaan tot den steen van Bohan, den zoon van Ruben.

JZ 15:7 vervolgens steeg de grens op naar Debir vanuit de vallei van Achor, vanwaar zij zich noordwaarts wendde naar Gilgal tegenover de bergpas van Adummim, ten zuiden van de beek. Voorts liep de grens naar de wateren van En-Semes en eindigde bij En-Rogel.

7 And the border went up toward Debir from the valley of Achor, and so northward, looking toward Gilgal, that [is] before the going up to Adummim, which [is] on the south side of the river: and the border passed toward the waters of Enshemesh, and the goings out thereof were at Enrogel:

7 Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adummim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rogel.

JZ 15:8 Vervolgens liep de grens op naar het dal Ben-Hinnom, naar de zuidelijke berghelling van de Jebusieten, dat is van Jeruzalem; dan liep de grens op naar de top van de berg, die westelijk tegenover het dal Ben-Hinnom aan het noordelijke uiteinde van de vallei der Refaïeten ligt.

8 And the border went up by the valley of the son of Hinnom unto the south side of the Jebusite; the same [is] Jerusalem: and the border went up to the top of the mountain that [lieth] before the valley of Hinnom westward, which [is] at the end of the valley of the giants northward:

8 En deze landpale zal opgaan door het dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van den Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van het dal der Refaieten is, tegen het noorden.

JZ 15:9 Dan boog de grens van de top van de berg om naar de bron van Neftoach, kwam vervolgens uit bij de steden van het gebergte van Efron; voorts boog de grens om naar Baäla, dat is Kirjat-Jearim.

9 And the border was drawn from the top of the hill unto the fountain of the water of Nephtoah, and went out to the cities of mount Ephron; and the border was drawn to Baalah, which [is] Kirjathjearim:

9 Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baala; deze is Kirjath-Jearim.

JZ 15:10 Vervolgens liep de grens van Baäla westwaarts in een bocht naar het gebergte Seïr, dan noordwaarts naar de bergrug van Jearim, dat is Kesalon; dan daalde zij af naar Bet-Semes en liep naar Timna.

10 And the border compassed from Baalah westward unto mount Seir, and passed along unto the side of mount Jearim, which [is] Chesalon, on the north side, and went down to Bethshemesh, and passed on to Timnah:

10 Daarna zal deze landpale zich omkeren Baala tegen het westen, naar het gebergte Seir, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan.

JZ 15:11 Dan kwam de grens noordwaarts uit bij de bergrug van Ekron; de grens boog vervolgens om naar Sikkaron, liep naar de berg van Baäla, en kwam uit bij Jabneël, terwijl de grens bij de zee eindigde.

11 And the border went out unto the side of Ekron northward: and the border was drawn to Shicron, and passed along to mount Baalah, and went out unto Jabneel; and the goings out of the border were at the sea.

11 Verder zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron, noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Baala gaan, en uitgaan te Jabneel; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee.

JZ 15:12 De westgrens viel samen met de Grote Zee en de kust. Dit zijn, naar alle zijden, de grenzen van de Judeeërs naar hun geslachten.

12 And the west border [was] to the great sea, and the coast [thereof]. This [is] the coast of the children of Judah round about according to their families.

12 De landpale nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en [derzelver] landpale. Dit is de landpale der kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.

JZ 15:13 Aan Kaleb echter, de zoon van Jefunne, gaf hij een deel in het midden der Judeeërs, namelijk Kirjat-Arba, overeenkomstig het bevel des HEREN aan Jozua; Arba was de vader van Enak. Dit is Hebron.

13 And unto Caleb the son of Jephunneh he gave a part among the children of Judah, according to the commandment of the LORD to Joshua, [even] the city of Arba the father of Anak, which [city is] Hebron.

13 Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.

JZ 15:14 En Kaleb verdreef vandaar de drie Enakieten: Sesai, Achiman en Talmai, zonen van Enak.

14 And Caleb drove thence the three sons of Anak, Sheshai, and Ahiman, and Talmai, the children of Anak.

14 En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.

JZ 15:15 Vandaar trok hij op tegen de inwoners van Debir. De naam van Debir was tevoren Kirjat-Sefer.

15 And he went up thence to the inhabitants of Debir: and the name of Debir before [was] Kirjathsepher.

15 En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).

JZ 15:16 Toen zeide Kaleb: Wie Kirjat-Sefer slaat en het inneemt, die geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.

16 And Caleb said, He that smiteth Kirjathsepher, and taketh it, to him will I give Achsah my daughter to wife.

16 En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.

JZ 15:17 Otniël nu, de zoon van Kenaz, de broeder van Kaleb, nam het in; en hij gaf hem zijn dochter Aksa tot vrouw.

17 And Othniel the son of Kenaz, the brother of Caleb, took it: and he gave him Achsah his daughter to wife.

17 Othniel nu, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.

JZ 15:18 Bij haar aankomst haalde zij hem over om van haar vader bouwland te vragen. Daarop sprong zij van de ezel af, en Kaleb zeide tot haar: Wat hebt gij?

18 And it came to pass, as she came [unto him], that she moved him to ask of her father a field: and she lighted off [her] ass; and Caleb said unto her, What wouldest thou?

18 En het geschiedde, als zij [tot] [hem] kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?

JZ 15:19 Zij zeide: Geef mij toch een huwelijksgift; nu gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterbronnen. Toen gaf hij haar de hoog- en de laaggelegen bronnen.

19 Who answered, Give me a blessing; for thou hast given me a south land; give me also springs of water. And he gave her the upper springs, and the nether springs.

19 En zij zeide: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen.

JZ 15:20 Dit nu is het erfdeel van de stam der Judeeërs naar hun geslachten.

20 This [is] the inheritance of the tribe of the children of Judah according to their families.

20 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.

JZ 15:21 De verafgelegen steden van de stam der Judeeërs, bij de grens van Edom in het Zuiderland, waren: Kabseël, Eder, Jagur,

21 And the uttermost cities of the tribe of the children of Judah toward the coast of Edom southward were Kabzeel, and Eder, and Jagur,

21 De steden nu, van het uiterste van den stam der kinderen van Juda, tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeel, en Eder, en Jagur,

JZ 15:22 Kina, Dimona, Adada,

22 And Kinah, and Dimonah, and Adadah,

22 En Kina, en Dimona, en Adada,

JZ 15:23 Kedes, Hasor, Jitnan,

23 And Kedesh, and Hazor, and Ithnan,

23 En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

JZ 15:24 Zif, Telem, Bealot,

24 Ziph, and Telem, and Bealoth,

24 Zif, en Telem, en Bealoth,

JZ 15:25 Chasor-Chadatta en Keriot-Chesron, dat is Hasor;

25 And Hazor, Hadattah, and Kerioth, [and] Hezron, which [is] Hazor,

25 En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,

JZ 15:26 Amam, Sema, Molada,

26 Amam, and Shema, and Moladah,

26 Amam, en Sema, en Molada,

JZ 15:27 Chasar-Gadda, Chesmon, Bet-Pelet,

27 And Hazargaddah, and Heshmon, and Bethpalet,

27 En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,

JZ 15:28 Chasar-Sual, Berseba en zijn onderhorige plaatsen,

28 And Hazarshual, and Beersheba, and Bizjothjah,

28 En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,

JZ 15:29 Baäla, Ijjim, Esem,

29 Baalah, and Iim, and Azem,

29 Baala, en Ijim, en Azem,

JZ 15:30 Eltolad, Kesil, Chorma,

30 And Eltolad, and Chesil, and Hormah,

30 En Eltholad, en Chesil, en Horma,

JZ 15:31 Siklag, Madmanna, Sansanna,

31 And Ziklag, and Madmannah, and Sansannah,

31 En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,

JZ 15:32 Lebaot, Silchim, Aïn en Rimmon; in het geheel negenentwintig steden en haar dorpen.

32 And Lebaoth, and Shilhim, and Ain, and Rimmon: all the cities [are] twenty and nine, with their villages:

32 En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.

JZ 15:33 In de Laagte: Estaol, Sora, Asna,

33 [And] in the valley, Eshtaol, and Zoreah, and Ashnah,

33 In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,

JZ 15:34 Zanoach, En-Gannim, Tappuach, Enam,

34 And Zanoah, and Engannim, Tappuah, and Enam,

34 En Zanoah, en En-gannim, Tappuah, en Enam,

JZ 15:35 Jarmut, Adullam, Soko, Azeka,

35 Jarmuth, and Adullam, Socoh, and Azekah,

35 Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,

JZ 15:36 Saäraïm, Aditaïm, Gedera en Gederotaïm; veertien steden en haar dorpen.

36 And Sharaim, and Adithaim, and Gederah, and Gederothaim; fourteen cities with their villages:

36 En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.

JZ 15:37 Senan, Chadasa, Migdal-Gad,

37 Zenan, and Hadashah, and Migdalgad,

37 Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,

JZ 15:38 Dilan, Mispe, Jokteël,

38 And Dilean, and Mizpeh, and Joktheel,

38 En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,

JZ 15:39 Lakis, Boskat, Eglon,

39 Lachish, and Bozkath, and Eglon,

39 Lachis, en Bozkath, en Eglon,

JZ 15:40 Kabbon, Lachmas, Kitlis,

40 And Cabbon, and Lahmam, and Kithlish,

40 En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,

JZ 15:41 Gederot, Bet-Dagon, Naäma en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.

41 And Gederoth, Bethdagon, and Naamah, and Makkedah; sixteen cities with their villages:

41 En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.

JZ 15:42 Libna, Eter, Asan,

42 Libnah, and Ether, and Ashan,

42 Libna, en Ether, en Asan,

JZ 15:43 Jiftach, Asna, Nesib,

43 And Jiphtah, and Ashnah, and Nezib,

43 En Jiftah, en Asna, en Nezib,

JZ 15:44 Keïla, Akzib en Maresa, negen steden en haar dorpen.

44 And Keilah, and Achzib, and Mareshah; nine cities with their villages:

44 En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.

JZ 15:45 Ekron en zijn onderhorige plaatsen en dorpen.

45 Ekron, with her towns and her villages:

45 Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen.

JZ 15:46 Van Ekron af naar de zee alles, wat bezijden Asdod ligt, en zijn dorpen,

46 From Ekron even unto the sea, all that [lay] near Ashdod, with their villages:

46 Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen;

JZ 15:47 Asdod en zijn onderhorige plaatsen en dorpen, Gaza en zijn onderhorige plaatsen en dorpen, tot aan de Beek van Egypte, de Grote Zee en de kust.

47 Ashdod with her towns and her villages, Gaza with her towns and her villages, unto the river of Egypt, and the great sea, and the border [thereof]:

47 Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en [haar] landpale.

JZ 15:48 Verder op het Gebergte: Samir, Jattir, Soko,

48 And in the mountains, Shamir, and Jattir, and Socoh,

48 Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,

JZ 15:49 Danna, Kirjat-Sanna, dat is Debir;

49 And Dannah, and Kirjathsannah, which [is] Debir,

49 En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,

JZ 15:50 Anab, Estemo, Anim,

50 And Anab, and Eshtemoh, and Anim,

50 En Anab, en Estemo, en Anim,

JZ 15:51 Gosen, Cholon en Gilo; elf steden en haar dorpen;

51 And Goshen, and Holon, and Giloh; eleven cities with their villages:

51 En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.

JZ 15:52 Arab, Duma, Esan,

52 Arab, and Dumah, and Eshean,

52 Arab, en Duma, en Esan,

JZ 15:53 Janum, Bet-Tappuach, Afeka,

53 And Janum, and Bethtappuah, and Aphekah,

53 En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,

JZ 15:54 Chumta, Kirjat-Arba, dat is Hebron, en Sior; negen steden en haar dorpen.

54 And Humtah, and Kirjatharba, which [is] Hebron, and Zior; nine cities with their villages:

54 En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.

JZ 15:55 Maon, Karmel, Zif, Jutta,

55 Maon, Carmel, and Ziph, and Juttah,

55 Maon, Karmel, en Zif, en Juta,

JZ 15:56 Jizreël, Jokdeam, Zanoach,

56 And Jezreel, and Jokdeam, and Zanoah,

56 En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,

JZ 15:57 Kaïn, Gibea en Timna; tien steden en haar dorpen.

57 Cain, Gibeah, and Timnah; ten cities with their villages:

57 Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.

JZ 15:58 Chalchul, Bet-Sur, Gedor,

58 Halhul, Bethzur, and Gedor,

58 Halhul, Beth-Zur, en Gedor,

JZ 15:59 Maärat, Bet-Anot en Eltekon; zes steden en haar dorpen.

59 And Maarath, and Bethanoth, and Eltekon; six cities with their villages:

59 En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.

JZ 15:60 Kirjat-Baäl - dat is Kirjat-Jearim - en Rabba; twee steden en haar dorpen.

60 Kirjathbaal, which [is] Kirjathjearim, and Rabbah; two cities with their villages:

60 Kirjath-Baal, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.

JZ 15:61 In de woestijn: Bet-Araba, Middin, Sekaka,

61 In the wilderness, Betharabah, Middin, and Secacah,

61 In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,

JZ 15:62 Nibsan, Ir-Hammelach en Engedi; zes steden en haar dorpen.

62 And Nibshan, and the city of Salt, and Engedi; six cities with their villages.

62 En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.

JZ 15:63 De Judeeërs echter konden de Jebusieten, die in Jeruzalem woonden, niet verdrijven, zodat de Jebusieten bij de Judeeërs in Jeruzalem zijn blijven wonen tot op de huidige dag.

63 As for the Jebusites the inhabitants of Jerusalem, the children of Judah could not drive them out: but the Jebusites dwell with the children of Judah at Jerusalem unto this day.

63 Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot dezen dag toe.

JZ 16:1 Daarna kwam het lot voor de Jozefieten te voorschijn. (De grens liep) van de Jordaan bij Jericho, oostelijk van de wateren van Jericho, door de woestijn, die van Jericho oploopt in het gebergte naar Betel,

1 And the lot of the children of Joseph fell from Jordan by Jericho, unto the water of Jericho on the east, to the wilderness that goeth up from Jericho throughout mount Bethel,

1 Daarna kwam het lot der kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El;

JZ 16:2 en verder van Betel naar Luz; zij ging verder naar het gebied der Arkieten, naar Atarot;

2 And goeth out from Bethel to Luz, and passeth along unto the borders of Archi to Ataroth,

2 En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Ataroth toe;

JZ 16:3 en zij daalde westwaarts naar het gebied der Jaflieten, tot het gebied van Laag-Bet-Choron en verder tot Gezer, om bij de zee te eindigen.

3 And goeth down westward to the coast of Japhleti, unto the coast of Bethhoron the nether, and to Gezer: and the goings out thereof are at the sea.

3 En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee.

JZ 16:4 De kinderen van Jozef, Manasse en Efraïm, kregen als volgt hun erfdeel.

4 So the children of Joseph, Manasseh and Ephraim, took their inheritance.

4 Alzo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van Jozef, Manasse en Efraim.

JZ 16:5 Het gebied der Efraïmieten naar hun geslachten was als volgt: de oostelijke grens van hun erfdeel was Atrot-Addar tot Hoog-Bet-Choron.

5 And the border of the children of Ephraim according to their families was [thus]: even the border of their inheritance on the east side was Atarothaddar, unto Bethhoron the upper;

5 De landpale nu der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atroth-Addar tot aan het bovenste Beth-Horon.

JZ 16:6 Westwaarts liep de grens ten noorden van Mikmetat; dan boog de grens oostwaarts naar Taänat-Silo, en ging vandaar verder tot oostelijk van Janoach;

6 And the border went out toward the sea to Michmethah on the north side; and the border went about eastward unto Taanathshiloh, and passed by it on the east to Janohah;

6 En deze landpale gaat uit tegen het westen bij Michmetath, van het noorden, en deze landpale keert zich om tegen het oosten naar Thaanath-Silo, en gaat door dezelve van het oosten naar Janoah;

JZ 16:7 dan daalde zij van Janoach af naar Atarot en Naärat, raakte het gebied van Jericho en eindigde bij de Jordaan.

7 And it went down from Janohah to Ataroth, and to Naarath, and came to Jericho, and went out at Jordan.

7 En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.

JZ 16:8 Van Tappuach af liep de grens westwaarts naar de beek Kana, om te eindigen bij de zee. Dit was het erfdeel van de stam der Efraïmieten naar hun geslachten.

8 The border went out from Tappuah westward unto the river Kanah; and the goings out thereof were at the sea. This [is] the inheritance of the tribe of the children of Ephraim by their families.

8 Van Tappuah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen.

JZ 16:9 Verder de steden, die voor de Efraïmieten binnen het erfdeel der Manassieten waren afgezonderd, al die steden en haar dorpen.

9 And the separate cities for the children of Ephraim [were] among the inheritance of the children of Manasseh, all the cities with their villages.

9 En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraim, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen.

JZ 16:10 Maar de Kanaänieten, die te Gezer woonden, hebben zij niet verdreven, zodat de Kanaänieten in het midden van Efraïm zijn blijven wonen tot op de huidige dag. Doch zij waren gebracht tot slaafse herendienst.

10 And they drave not out the Canaanites that dwelt in Gezer: but the Canaanites dwell among the Ephraimites unto this day, and serve under tribute.

10 En zij verdreven de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; alzo woonden die Kanaanieten in het midden der Efraimieten tot op dezen dag; maar zij waren onder schatting dienende.

JZ 17:1 Verder was dit lot voor de stam Manasse, want hij was de eerstgeborene van Jozef. Aan Makir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead, waren reeds Gilead en Basan toegevallen, omdat hij een krijgshaftig man was.

1 There was also a lot for the tribe of Manasseh; for he [was] the firstborn of Joseph; [to wit], for Machir the firstborn of Manasseh, the father of Gilead: because he was a man of war, therefore he had Gilead and Bashan.

1 De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: [te] [weten] Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan.

JZ 17:2 Derhalve was het voor de overige zonen van Manasse, naar hun geslachten, namelijk voor de zonen van Abiëzer, van Chelek, van Asriël, van Sekem, van Chefer en van Semida; dit zijn de mannelijke nakomelingen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun geslachten.

2 There was also [a lot] for the rest of the children of Manasseh by their families; for the children of Abiezer, and for the children of Helek, and for the children of Asriel, and for the children of Shechem, and for the children of Hepher, and for the children of Shemida: these [were] the male children of Manasseh the son of Joseph by their families.

2 Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse [een] [lot], naar hun huisgezinnen; [te] [weten] de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriel, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.

JZ 17:3 Selofchad echter, de zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar alleen dochters. Dit zijn de namen zijner dochters: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.

3 But Zelophehad, the son of Hepher, the son of Gilead, the son of Machir, the son of Manasseh, had no sons, but daughters: and these [are] the names of his daughters, Mahlah, and Noah, Hoglah, Milcah, and Tirzah.

3 Zelafead nu, de zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.

JZ 17:4 Dezen verschenen voor de priester Eleazar, voor Jozua, de zoon van Nun, en voor de hoofden, en zeiden: De HERE heeft Mozes geboden ons een erfdeel te geven te midden van onze broeders. Daarom gaf men haar, overeenkomstig het bevel des HEREN, een erfdeel te midden van de broeders haars vaders.

4 And they came near before Eleazar the priest, and before Joshua the son of Nun, and before the princes, saying, The LORD commanded Moses to give us an inheritance among our brethren. Therefore according to the commandment of the LORD he gave them an inheritance among the brethren of their father.

4 Dezen dan traden toe voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht van Jozua, den zoon van Nun, en voor het aangezicht der oversten, zeggende: De HEERE heeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden onzer broederen. Daarom gaf hij haar, naar den mond des HEEREN, een erfdeel in het midden der broederen van haar vader.

JZ 17:5 Zo vielen aan Manasse tien delen toe, behalve het land Gilead en Basan aan de overzijde van de Jordaan,

5 And there fell ten portions to Manasseh, beside the land of Gilead and Bashan, which [were] on the other side Jordan;

5 En aan Manasse vielen tien snoeren toe, behalve het land Gilead en Bazan, dat op gene zijde van de Jordaan is.

JZ 17:6 want de dochters van Manasse hebben een erfdeel verkregen te midden van zijn zonen, terwijl het land Gilead aan de overige zonen van Manasse ten deel viel.

6 Because the daughters of Manasseh had an inheritance among his sons: and the rest of Manasseh's sons had the land of Gilead.

6 Want de dochteren van Manasse erfden een erfdeel in het midden zijner zonen; en het land Gilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse.

JZ 17:7 De grens van Manasse nu was van Aser naar Mikmetat, dat oostelijk van Sichem lag; dan liep de grens zuidwaarts naar de bewoners van En-Tappuach.

7 And the coast of Manasseh was from Asher to Michmethah, that [lieth] before Shechem; and the border went along on the right hand unto the inhabitants of Entappuah.

7 Zodat de landpale van Manasse was van Aser af tot Michmetath, die voor aan Sichem is; en deze landpale gaat ter rechterhand tot aan de inwoners van En-Tappuah.

JZ 17:8 Het land van Tappuach behoorde aan Manasse, maar Tappuach zelf, bij de grens van Manasse, behoorde aan de Efraïmieten.

8 [Now] Manasseh had the land of Tappuah: but Tappuah on the border of Manasseh [belonged] to the children of Ephraim;

8 Manasse had wel het land van Tappuah, maar Tappuah zelve, aan de landpale van Manasse, hadden de kinderen van Efraim.

JZ 17:9 Vervolgens daalde de grens af naar de beek Kana, zuidelijk van de beek. De steden aldaar behoorden bij Efraïm, ofschoon zij te midden van de steden van Manasse lagen. De grens van Manasse liep dan noordelijk van de beek en eindigde bij de zee.

9 And the coast descended unto the river Kanah, southward of the river: these cities of Ephraim [are] among the cities of Manasseh: the coast of Manasseh also [was] on the north side of the river, and the outgoings of it were at the sea:

9 Daarna komt de landpale af naar de beek Kana tegen het zuiden der beek. Deze steden zijn van Efraim in het midden der steden van Manasse; en de landpale van Manasse is aan het noorden der beek, en haar uitgangen zijn aan de zee.

JZ 17:10 Het zuidelijk gebied behoorde bij Efraïm en het noordelijke bij Manasse. Zijn grens was de zee; in het noorden raakten zij aan Aser, en in het oosten aan Issakar.

10 Southward [it was] Ephraim's, and northward [it was] Manasseh's, and the sea is his border; and they met together in Asher on the north, and in Issachar on the east.

10 Het was van Efraim tegen het zuiden, en tegen het noorden was het van Manasse, en de zee was zijn landpale; en aan het noorden stieten zij aan Aser, en aan het oosten aan Issaschar.

JZ 17:11 In Issakar en in Aser behoorden echter ook bij Manasse: Bet-Sean en zijn onderhorige plaatsen, Jibleam en zijn onderhorige plaatsen, de inwoners van Dor en van zijn onderhorige plaatsen, de inwoners van Endor en van zijn onderhorige plaatsen, de inwoners van Taänak en van zijn onderhorige plaatsen, en de inwoners van Megiddo en van zijn onderhorige plaatsen: de drie heuvelstreken.

11 And Manasseh had in Issachar and in Asher Bethshean and her towns, and Ibleam and her towns, and the inhabitants of Dor and her towns, and the inhabitants of Endor and her towns, and the inhabitants of Taanach and her towns, and the inhabitants of Megiddo and her towns, [even] three countries.

11 Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaanach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.

JZ 17:12 De Manassieten konden echter deze steden niet in bezit nemen, want de Kanaänieten slaagden erin in dat land te blijven wonen.

12 Yet the children of Manasseh could not drive out [the inhabitants of] those cities; but the Canaanites would dwell in that land.

12 En de kinderen van Manasse konden [de] [inwoners] [van] die steden niet verdrijven; want de Kanaanieten wilden in hetzelve land wonen.

JZ 17:13 Maar toen de Israëlieten machtig werden, brachten zij de Kanaänieten tot herendienst, doch zij verdreven hen niet geheel en al.

13 Yet it came to pass, when the children of Israel were waxen strong, that they put the Canaanites to tribute; but did not utterly drive them out.

13 En het geschiedde, als de kinderen Israels sterk werden, zo maakten zij de Kanaanieten cijnsbaar; maar zij verdreven hen niet ganselijk.

JZ 17:14 De Jozefieten echter spraken tot Jozua: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar één lot en één deel gegeven, terwijl ik toch een talrijk volk ben, aangezien de HERE mij tot dusverre gezegend heeft?

14 And the children of Joseph spake unto Joshua, saying, Why hast thou given me [but] one lot and one portion to inherit, seeing I [am] a great people, forasmuch as the LORD hath blessed me hitherto?

14 Toen spraken de kinderen van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar een lot en een snoer gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voor zoveel de HEERE mij dus verre gezegend heeft?

JZ 17:15 Toen zeide Jozua tot hen: Als gij een talrijk volk zijt, trekt dan naar het woudgebied en kapt u daar ruimte in het land der Perizzieten en Refaïeten, als het gebergte van Efraïm u te eng is.

15 And Joshua answered them, If thou [be] a great people, [then] get thee up to the wood [country], and cut down for thyself there in the land of the Perizzites and of the giants, if mount Ephraim be too narrow for thee.

15 Jozua nu zeide tot henlieden: Dewijl gij een groot volk zijt, zo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in het land der Ferezieten en der Refaieten, dewijl u het gebergte van Efraim te eng is.

JZ 17:16 Daarop zeiden de Jozefieten: Dat bergland zal voor ons niet toereikend zijn, en al de Kanaänieten, die in de vlakke streken wonen, hebben ijzeren wagens, zowel die van Bet-Sean en zijn onderhorige plaatsen als die van de vlakte van Jizreël.

16 And the children of Joseph said, The hill is not enough for us: and all the Canaanites that dwell in the land of the valley have chariots of iron, [both they] who [are] of Bethshean and her towns, and [they] who [are] of the valley of Jezreel.

16 Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaanieten, die in het land des dals wonen, bij die te Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en die in het dal van Jizreel zijn.

JZ 17:17 Toen zeide Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en Manasse: Gij zijt een talrijk volk en hebt grote kracht; gij zult niet één lot hebben,

17 And Joshua spake unto the house of Joseph, [even] to Ephraim and to Manasseh, saying, Thou [art] a great people, and hast great power: thou shalt not have one lot [only]:

17 Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraim en tot Manasse, zeggende: Gij zijt een groot volk, en gij hebt grote kracht, gij zult geen een lot hebben;

JZ 17:18 maar het bergland zal u ook toebehoren; en omdat het een woudgebied is, zult gij het kappen. Ook de uitlopers daarvan zullen u toebehoren, want gij zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens en al zijn zij sterk.

18 But the mountain shall be thine; for it [is] a wood, and thou shalt cut it down: and the outgoings of it shall be thine: for thou shalt drive out the Canaanites, though they have iron chariots, [and] though they [be] strong.

18 Maar het gebergte zal het uwe zijn; [en] dewijl het een woud is, zo houw het af, zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want gij zult de Kanaanieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk.

JZ 18:1 En de gehele gemeente der Israëlieten werd samengeroepen te Silo, waar zij de tent der samenkomst oprichtten, aangezien de streek onderworpen was en te hunner beschikking stond.

1 And the whole congregation of the children of Israel assembled together at Shiloh, and set up the tabernacle of the congregation there. And the land was subdued before them.

1 En de ganse vergadering van de kinderen Israels verzamelde zich te Silo, en zij richtten aldaar op de tent der samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.

JZ 18:2 Toen waren er onder de Israëlieten zeven stammen over, die hun erfdeel nog niet gekregen hadden.

2 And there remained among the children of Israel seven tribes, which had not yet received their inheritance.

2 En er bleven over onder de kinderen Israels, aan dewelken zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen.

JZ 18:3 Daarom zeide Jozua tot de Israëlieten: Hoelang zult gij traag blijven, om het land in bezit te nemen, dat de HERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?

3 And Joshua said unto the children of Israel, How long [are] ye slack to go to possess the land, which the LORD God of your fathers hath given you?

3 En Jozua zeide tot de kinderen Israels: Hoe lang houdt gij u zo slap, om voort te gaan, om het land te beerven, hetwelk de HEERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?

JZ 18:4 Wijst drie mannen uit elke stam aan; dan zal ik hen uitzenden, en zij zullen zich op weg begeven, het land doorkruisen, een beschrijving daarvan maken, naar gelang van ieders erfdeel, en daarna tot mij terugkeren.

4 Give out from among you three men for [each] tribe: and I will send them, and they shall rise, and go through the land, and describe it according to the inheritance of them; and they shall come [again] to me.

4 Geeft voor ulieden drie mannen van elken stam, dat ik ze heenzende, en zij zich opmaken, en het land doorwandelen, en beschrijven hetzelve naar hun erven, en [weder] tot mij komen.

JZ 18:5 Vervolgens zullen zij het onderling in zeven stukken verdelen. Juda zal in zijn gebied in het zuiden blijven en het huis van Jozef in zijn gebied in het noorden.

5 And they shall divide it into seven parts: Judah shall abide in their coast on the south, and the house of Joseph shall abide in their coasts on the north.

5 Zij nu zullen het delen in zeven delen; Juda zal blijven op zijn landpale van het zuiden, en het huis van Jozef zal blijven op zijn landpale van het noorden.

JZ 18:6 Gij zult een beschrijving van het land maken in zeven gedeelten en mij die hier brengen; dan zal ik hier het lot voor u werpen voor het aangezicht van de HERE, onze God.

6 Ye shall therefore describe the land [into] seven parts, and bring [the description] hither to me, that I may cast lots for you here before the LORD our God.

6 En gijlieden zult het land beschrijven in zeven delen, en tot mij herwaarts brengen, dat ik voor ulieden het lot hier werpe voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods.

JZ 18:7 De Levieten immers hebben geen deel in uw midden, omdat het priesterschap des HEREN hun erfdeel is, terwijl Gad, Ruben en de halve stam Manasse aan de overzijde van de Jordaan, in het oosten, het erfdeel gekregen hebben, dat Mozes, de knecht des HEREN, hun gegeven heeft.

7 But the Levites have no part among you; for the priesthood of the LORD [is] their inheritance: and Gad, and Reuben, and half the tribe of Manasseh, have received their inheritance beyond Jordan on the east, which Moses the servant of the LORD gave them.

7 Want de Levieten hebben geen deel in het midden van ulieden; maar het priesterdom des HEEREN is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, en de halve stam van Manasse, hebben hun erfdeel genomen op gene zijde van de Jordaan, oostwaarts, hetwelk hun Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft.

JZ 18:8 Toen maakten die mannen zich gereed en gingen heen, terwijl Jozua hun bij het vertrek gebood, een beschrijving van het land te maken, zeggende: Gaat heen, doorkruist het land, maakt een beschrijving daarvan en keert daarna weer tot mij terug; dan zal ik hier het lot voor u werpen voor het aangezicht des HEREN te Silo.

8 And the men arose, and went away: and Joshua charged them that went to describe the land, saying, Go and walk through the land, and describe it, and come again to me, that I may here cast lots for you before the LORD in Shiloh.

8 Toen maakten zich die mannen op, en gingen heen. En Jozua gebood hun, die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat, en doorwandelt het land, en beschrijft het; komt dan weder tot mij, zo zal ik ulieden hier het lot werpen, voor het aangezicht des HEEREN, te Silo.

JZ 18:9 De mannen nu gingen heen en trokken door het land; zij maakten daarvan een beschrijving, stad voor stad, in zeven gedeelten, en kwamen bij Jozua in de legerplaats te Silo.

9 And the men went and passed through the land, and described it by cities into seven parts in a book, and came [again] to Joshua to the host at Shiloh.

9 De mannen dan gingen heen, en togen het land door en beschreven het, naar de steden, in zeven delen, in een boek; en kwamen [weder] tot Jozua in het leger te Silo.

JZ 18:10 Toen wierp Jozua voor hen het lot te Silo, voor het aangezicht des HEREN, en Jozua deelde daar de Israëlieten het land toe, overeenkomstig hun afdelingen.

10 And Joshua cast lots for them in Shiloh before the LORD: and there Joshua divided the land unto the children of Israel according to their divisions.

10 Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht des HEEREN. En Jozua deelde aldaar den kinderen Israels het land, naar hun afdelingen.

JZ 18:11 Het lot van de stam der Benjaminieten kwam te voorschijn naar hun geslachten, en het gebied, hun door het lot toegewezen, lag tussen de Judeeërs en de Jozefieten.

11 And the lot of the tribe of the children of Benjamin came up according to their families: and the coast of their lot came forth between the children of Judah and the children of Joseph.

11 En het lot van den stam der kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef.

JZ 18:12 De noordgrens begon voor hen bij de Jordaan; vervolgens liep de grens op in de richting van de bergrug ten noorden van Jericho, en liep dan westwaarts het gebergte op, om te eindigen in de woestijn van Bet-Awen.

12 And their border on the north side was from Jordan; and the border went up to the side of Jericho on the north side, and went up through the mountains westward; and the goings out thereof were at the wilderness of Bethaven.

12 En hun landpale was naar den hoek noordwaarts van de Jordaan; en deze landpale gaat opwaarts aan de zijde van Jericho van het noorden, en gaat op door het gebergte westwaarts, en haar uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-Aven.

JZ 18:13 Vandaar liep de grens door naar Luz, zuidwaarts in de richting van de bergrug van Luz, dat is Betel; vervolgens liep de grens af naar Atrot-Addar op het gebergte zuidelijk van Laag-Bet-Choron.

13 And the border went over from thence toward Luz, to the side of Luz, which [is] Bethel, southward; and the border descended to Atarothadar, near the hill that [lieth] on the south side of the nether Bethhoron.

13 En van daar gaat de landpale door naar Luz, aan de zijde van Luz, welke is Beth-El, zuidwaarts; en deze landpale gaat af naar Atroth-Addar, aan den berg, die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-Horon is.

JZ 18:14 Daarna boog de grens af en maakte een zwenking in zuidwestelijke richting van het gebergte af, dat zuidoostelijk van Bet-Choron ligt, om te eindigen in de richting van Kirjat-Baäl, dat is Kirjat-Jearim, een stad van de Judeeërs. Dit was de westzijde.

14 And the border was drawn [thence], and compassed the corner of the sea southward, from the hill that [lieth] before Bethhoron southward; and the goings out thereof were at Kirjathbaal, which [is] Kirjathjearim, a city of the children of Judah: this [was] the west quarter.

14 En die landpale strekt en keert zich om, naar den westhoek zuidwaarts van den berg, die tegenover Beth-horon zuidwaarts is, en haar uitgangen zijn aan Kirjath-Baal (welke is Kirjath-Jearim), een stad der kinderen van Juda. Dit is de hoek ten westen.

JZ 18:15 De zuidzijde begon bij Kirjat-Jearim; daarna liep de grens westwaarts, vervolgens naar de bron van Neftoach.

15 And the south quarter [was] from the end of Kirjathjearim, and the border went out on the west, and went out to the well of waters of Nephtoah:

15 De hoek nu ten zuiden is aan het uiterste van Kirjath-Jearim; en deze landpale gaat uit ten westen, en zij komt uit aan de fontein der wateren van Neftoah.

JZ 18:16 Verder daalde de grens naar het uiteinde van het gebergte, dat oostelijk van het dal Ben-Hinnom ten noorden van de vallei der Refaïeten ligt; vervolgens daalde zij naar het dal Hinnom, zuidelijk langs de berghelling der Jebusieten, en daalde dan naar de bron Rogel.

16 And the border came down to the end of the mountain that [lieth] before the valley of the son of Hinnom, [and] which [is] in the valley of the giants on the north, and descended to the valley of Hinnom, to the side of Jebusi on the south, and descended to Enrogel,

16 En deze landpale gaat af tot aan het uiterste des bergs, die tegenover het dal van den zoon van Hinnom is, die in het dat der Refaiten is tegen het noorden; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde der Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein van Rogel;

JZ 18:17 Daarna boog zij af in noordelijke richting, kwam uit bij En-Semes en verder bij de steenkringen tegenover de bergpas van Adummim, daalde naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben,

17 And was drawn from the north, and went forth to Enshemesh, and went forth toward Geliloth, which [is] over against the going up of Adummim, and descended to the stone of Bohan the son of Reuben,

17 En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-semes; van daar gaat zij uit naar Geliloth, welke is tegenover den opgang naar Adummim, en zij gaat af aan den steen van Bohan, den zoon van Ruben;

JZ 18:18 ging in de richting van de berghelling tegenover Bet-Araba noordwaarts, en daalde dan naar de Vlakte.

18 And passed along toward the side over against Arabah northward, and went down unto Arabah:

18 En gaat door ter zijde tegenover Araba naar het noorden, en gaat af te Araba.

JZ 18:19 Vervolgens liep de grens door in de richting van de berghelling van Bet-Chogla noordwaarts, en het uiteinde van de grens was bij de noordelijke inham van de Zoutzee, aan de uitmonding van de Jordaan in het zuiden. Dit was de zuidgrens.

19 And the border passed along to the side of Bethhoglah northward: and the outgoings of the border were at the north bay of the salt sea at the south end of Jordan: this [was] the south coast.

19 Verder gaat deze landpale door aan de zijde van Beth-hogla noordwaarts, en de uitgangen van deze landpale zijn aan de tong der Zoutzee noordwaarts, aan het uiterste van de Jordaan zuidwaarts. Dit is de zuiderlandpale.

JZ 18:20 De Jordaan vormde zijn grens aan de oostzijde. Dit was het erfdeel van de Benjaminieten naar hun geslachten, met zijn grenzen rondom.

20 And Jordan was the border of it on the east side. This [was] the inheritance of the children of Benjamin, by the coasts thereof round about, according to their families.

20 De Jordaan nu bepaalt haar aan den hoek naar het oosten. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, in hun landpalen rondom, naar hun huisgezinnen.

JZ 18:21 De steden nu van de stam der Benjaminieten naar hun geslachten waren: Jericho, Bet-Chogla, Emek-Kesis,

21 Now the cities of the tribe of the children of Benjamin according to their families were Jericho, and Bethhoglah, and the valley of Keziz,

21 De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,

JZ 18:22 Bet-Araba, Semaraïm, Betel,

22 And Betharabah, and Zemaraim, and Bethel,

22 En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,

JZ 18:23 Awwim, Para, Ofra,

23 And Avim, and Parah, and Ophrah,

23 En Haavvim, en Para, en Ofra,

JZ 18:24 Kefar-Haämmoni, Ofni en Geba; twaalf steden en haar dorpen,

24 And Chepharhaammonai, and Ophni, and Gaba; twelve cities with their villages:

24 Chefar-haammonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.

JZ 18:25 Gibeon, Rama, Beërot,

25 Gibeon, and Ramah, and Beeroth,

25 Gibeon, en Rama, en Beeroth,

JZ 18:26 Mispa, Kefira, Mosa,

26 And Mizpeh, and Chephirah, and Mozah,

26 En Mizpa, en Chefira, en Moza,

JZ 18:27 Rekem, Jirpeël, Tarala,

27 And Rekem, and Irpeel, and Taralah,

27 En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,

JZ 18:28 Sela, Elef en Jebus, dat is Jeruzalem, Gibat en Kirjat; veertien steden en haar dorpen. Dit was het erfdeel van de Benjaminieten naar hun geslachten.

28 And Zelah, Eleph, and Jebusi, which [is] Jerusalem, Gibeath, [and] Kirjath; fourteen cities with their villages. This [is] the inheritance of the children of Benjamin according to their families.

28 En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden mitsgaders haar dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen.

JZ 19:1 Het tweede lot kwam te voorschijn voor Simeon, voor de stam der Simeonieten naar hun geslachten. Hun erfdeel lag midden in het erfdeel der Judeeërs.

1 And the second lot came forth to Simeon, [even] for the tribe of the children of Simeon according to their families: and their inheritance was within the inheritance of the children of Judah.

1 Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda.

JZ 19:2 Zij verkregen in hun erfdeel: Berseba, Seba, Molada,

2 And they had in their inheritance Beersheba, or Sheba, and Moladah,

2 En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,

JZ 19:3 Chasar-Sual, Bala, Esem,

3 And Hazarshual, and Balah, and Azem,

3 En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,

JZ 19:4 Eltolad, Betul, Chorma,

4 And Eltolad, and Bethul, and Hormah,

4 En Eltholad, en Bethul, en Horma,

JZ 19:5 Siklag, Bet-Hammarkabot, Chasar-Susa,

5 And Ziklag, and Bethmarcaboth, and Hazarsusah,

5 En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,

JZ 19:6 Bet-Lebaot en Saruchen; dertien steden en haar dorpen.

6 And Bethlebaoth, and Sharuhen; thirteen cities and their villages:

6 En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.

JZ 19:7 Aïn, Rimmon, Eter en Asan; vier steden en haar dorpen;

7 Ain, Remmon, and Ether, and Ashan; four cities and their villages:

7 Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;

JZ 19:8 ook alle dorpen, die rondom deze steden waren, tot aan Baälat-Beër, het Rama van het zuiden. Dit was het erfdeel van de stam der Simeonieten naar hun geslachten.

8 And all the villages that [were] round about these cities to Baalathbeer, Ramath of the south. This [is] the inheritance of the tribe of the children of Simeon according to their families.

8 En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baalath-Beer, [dat] [is] Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen.

JZ 19:9 Uit het deel der Judeeërs was het erfdeel der Simeonieten genomen. Omdat het deel der Judeeërs voor hen te groot was, kregen de Simeonieten een erfdeel in hun midden.

9 Out of the portion of the children of Judah [was] the inheritance of the children of Simeon: for the part of the children of Judah was too much for them: therefore the children of Simeon had their inheritance within the inheritance of them.

9 Het erfdeel der kinderen van Simeon is onder het snoer der kinderen van Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel.

JZ 19:10 Het derde lot kwam te voorschijn voor de Zebulonieten naar hun geslachten. De grens van hun erfdeel strekte zich uit tot Sarid.

10 And the third lot came up for the children of Zebulun according to their families: and the border of their inheritance was unto Sarid:

10 Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid.

JZ 19:11 Westwaarts liep hun grens op tot Marala, reikte tot aan Dabbeset, en naderde vervolgens de beek, tegenover Jokneam.

11 And their border went up toward the sea, and Maralah, and reached to Dabbasheth, and reached to the river that [is] before Jokneam;

11 En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.

JZ 19:12 Van Sarid uit liep zij in tegengestelde richting zuiver oostwaarts over het gebied van Kislot-Tabor, kwam uit bij Daberat en liep dan op naar Jafia;

12 And turned from Sarid eastward toward the sunrising unto the border of Chislothtabor, and then goeth out to Daberath, and goeth up to Japhia,

12 En zij wendt zich van Sarid oostwaarts tegen den opgang der zon, tot de landpale van Chisloth-Thabor, en zij komt uit te Dobrath, en gaat opwaarts naar Jafia.

JZ 19:13 vandaar ging zij zuiver oostwaarts naar Gat-Hachefer, naar Et-Kasin en kwam uit bij Rimmon, dat zich uitstrekt in de richting van Nea.

13 And from thence passeth on along on the east to Gittahhepher, to Ittahkazin, and goeth out to Remmonmethoar to Neah;

13 En van daar gaat zij oostwaarts door naar den opgang, naar Gath-Hefer, te Eth-Kazin, en zij komt uit te Rimmon-Methoar, hetwelk is Nea.

JZ 19:14 Vervolgens boog de grens daaromheen noordelijk van Channaton, om te eindigen in het dal van Jiftach-El.

14 And the border compasseth it on the north side to Hannathon: and the outgoings thereof are in the valley of Jiphthahel:

14 En deze landpale keert zich om tegen het noorden naar Hannathon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-El.

JZ 19:15 Voorts Kattat, Nahalal, Simron, Jidala en Betlechem; twaalf steden en haar dorpen.

15 And Kattath, and Nahallal, and Shimron, and Idalah, and Bethlehem: twelve cities with their villages.

15 En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.

JZ 19:16 Dit was het erfdeel van de Zebulonieten naar hun geslachten; deze steden en haar dorpen.

16 This [is] the inheritance of the children of Zebulun according to their families, these cities with their villages.

16 Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en haar dorpen.

JZ 19:17 Voor Issakar kwam het vierde lot te voorschijn voor de Issakarieten naar hun geslachten.

17 [And] the fourth lot came out to Issachar, for the children of Issachar according to their families.

17 Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen.

JZ 19:18 Hun gebied omvatte: Jizreël, Kesullot, Sunem,

18 And their border was toward Jezreel, and Chesulloth, and Shunem,

18 En hun landpale was Jizreela, en Chesulloth, en Sunem,

JZ 19:19 Chafaraïm, Sion, Anacharat,

19 And Hapharaim, and Shion, and Anaharath,

19 En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,

JZ 19:20 Rabbit, Kisjon, Ebes,

20 And Rabbith, and Kishion, and Abez,

20 En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,

JZ 19:21 Remet, En-Gannim, En-Chadda en Bet-Passes.

21 And Remeth, and Engannim, and Enhaddah, and Bethpazzez;

21 En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.

JZ 19:22 Vervolgens reikte de grens tot Tabor, Sachasima en Bet-Semes; en het einde van hun grens was de Jordaan; zestien steden en haar dorpen.

22 And the coast reacheth to Tabor, and Shahazimah, and Bethshemesh; and the outgoings of their border were at Jordan: sixteen cities with their villages.

22 En deze landpale reikt aan Thabor, en Sahazima, en Beth-Semes; en de uitgangen van hun landpale zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen.

JZ 19:23 Dit was het erfdeel van de stam der Issakarieten naar hun geslachten, deze steden en haar dorpen.

23 This [is] the inheritance of the tribe of the children of Issachar according to their families, the cities and their villages.

23 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.

JZ 19:24 Het vijfde lot kwam te voorschijn voor de stam der Aserieten naar hun geslachten.

24 And the fifth lot came out for the tribe of the children of Asher according to their families.

24 Toen ging het vijfde lot voor den stam der kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen.

JZ 19:25 Hun gebied omvatte: Chelkat, Chali, Beten, Aksaf,

25 And their border was Helkath, and Hali, and Beten, and Achshaph,

25 En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,

JZ 19:26 Allammelek, Amad en Misal; het reikte in het westen tot de Karmel en Sichor-Libnat.

26 And Alammelech, and Amad, and Misheal; and reacheth to Carmel westward, and to Shihorlibnath;

26 En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;

JZ 19:27 Vervolgens keerde (de grens) zich oostwaarts naar Bet-Dagon, reikte tot Zebulon en het dal van Jiftach-El in het noorden, Bet-Haëmek en Neïel, en kwam noordelijk bij Kabul uit.

27 And turneth toward the sunrising to Bethdagon, and reacheth to Zebulun, and to the valley of Jiphthahel toward the north side of Bethemek, and Neiel, and goeth out to Cabul on the left hand,

27 En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-El noordwaarts naar Beth-Emek, en Nehiel, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;

JZ 19:28 Voorts Ebron, Rechob, Chammon en Kana tot aan Groot-Sidon.

28 And Hebron, and Rehob, and Hammon, and Kanah, [even] unto great Zidon;

28 En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon.

JZ 19:29 Vervolgens wendde de grens zich naar Rama en tot aan de vesting Tyrus, keerde zich dan naar Chosa en eindigde aan de zee, van Chebel naar Akzib.

29 And [then] the coast turneth to Ramah, and to the strong city Tyre; and the coast turneth to Hosah; and the outgoings thereof are at the sea from the coast to Achzib:

29 En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer [strekkende] naar Achzib,

JZ 19:30 Voorts Umma, Afek en Rechob; tweeëntwintig steden en haar dorpen.

30 Ummah also, and Aphek, and Rehob: twenty and two cities with their villages.

30 En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.

JZ 19:31 Dit was het erfdeel van de stam der Aserieten naar hun geslachten, deze steden en haar dorpen.

31 This [is] the inheritance of the tribe of the children of Asher according to their families, these cities with their villages.

31 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.

JZ 19:32 Voor de Naftalieten kwam het zesde lot te voorschijn, voor de Naftalieten naar hun geslachten.

32 The sixth lot came out to the children of Naphtali, [even] for the children of Naphtali according to their families.

32 Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen.

JZ 19:33 Hun gebied strekte zich uit van Chelef, van de terebint te Saänannim, Adami-Nekeb en Jabneël af, tot aan Lakkum toe, en eindigde bij de Jordaan.

33 And their coast was from Heleph, from Allon to Zaanannim, and Adami, Nekeb, and Jabneel, unto Lakum; and the outgoings thereof were at Jordan:

33 En hun landpale is van Helef, van Allon tot Zaanannim, en Adami-Nekeb, en Jabneel, tot Lakkum; en haar uitgangen zijn aan de Jordaan.

JZ 19:34 Vervolgens wendde de grens zich westwaarts naar Aznot-Tabor, zette zich daar voort naar Chukok, reikte tot Zebulon in het zuiden, tot Aser in het westen en tot Juda aan de Jordaan, in het oosten.

34 And [then] the coast turneth westward to Aznothtabor, and goeth out from thence to Hukkok, and reacheth to Zebulun on the south side, and reacheth to Asher on the west side, and to Judah upon Jordan toward the sunrising.

34 En deze landpale wendt zich westwaarts naar Asnoth-Thabor, en van daar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon tegen het zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het westen, en aan Juda aan de Jordaan tegen den opgang der zon.

JZ 19:35 Vestingsteden waren: Siddim, Ser, Chammat, Rakkat, Kinneret,

35 And the fenced cities [are] Ziddim, Zer, and Hammath, Rakkath, and Chinnereth,

35 De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth,

JZ 19:36 Adama, Rama, Hasor,

36 And Adamah, and Ramah, and Hazor,

36 En Adama, en Rama, en Hazor,

JZ 19:37 Kedes, Edreï, En-Chasor,

37 And Kedesh, and Edrei, and Enhazor,

37 En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,

JZ 19:38 Jiron, Migdal-El, Chorem, Bet-Anat en Bet-Semes; negentien steden en haar dorpen.

38 And Iron, and Migdalel, Horem, and Bethanath, and Bethshemesh; nineteen cities with their villages.

38 En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.

JZ 19:39 Dit was het erfdeel van de stam der Naftalieten naar hun geslachten; deze steden en haar dorpen.

39 This [is] the inheritance of the tribe of the children of Naphtali according to their families, the cities and their villages.

39 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.

JZ 19:40 Voor de stam der Danieten naar hun geslachten kwam het zevende lot te voorschijn.

40 [And] the seventh lot came out for the tribe of the children of Dan according to their families.

40 Het zevende lot ging uit voor den stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen.

JZ 19:41 Het gebied van hun erfdeel omvatte Sora, Estaol, Ir-Semes,

41 And the coast of their inheritance was Zorah, and Eshtaol, and Irshemesh,

41 En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-Semes,

JZ 19:42 Saälabbin, Ajjalon, Jitla,

42 And Shaalabbin, and Ajalon, and Jethlah,

42 En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,

JZ 19:43 Elon, Timna, Ekron,

43 And Elon, and Thimnathah, and Ekron,

43 En Elon, en Timnatha, en Ekron,

JZ 19:44 Elteke, Gibbeton, Baälat,

44 And Eltekeh, and Gibbethon, and Baalath,

44 En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,

JZ 19:45 Jehud, Bene-Berak, Gat-Rimmon,

45 And Jehud, and Beneberak, and Gathrimmon,

45 En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,

JZ 19:46 Me-Hajjarkon en Rakkon, met het gebied tegenover Jafo.

46 And Mejarkon, and Rakkon, with the border before Japho.

46 En Me-Jarkon, en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo.

JZ 19:47 Daar het gebied der Danieten hun te klein geworden was, trokken de Danieten op en streden tegen Lesem. Zij veroverden het, sloegen het met de scherpte des zwaards en namen het in bezit. Toen vestigden zij zich daar en gaven aan Lesem de naam Dan, naar de naam van hun vader Dan.

47 And the coast of the children of Dan went out [too little] for them: therefore the children of Dan went up to fight against Leshem, and took it, and smote it with the edge of the sword, and possessed it, and dwelt therein, and called Leshem, Dan, after the name of Dan their father.

47 Doch de landpale der kinderen van Dan was hun klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem, Dan, naar den naam van hun vader Dan.

JZ 19:48 Dit was het erfdeel van de stam der Danieten naar hun geslachten; deze steden en haar dorpen.

48 This [is] the inheritance of the tribe of the children of Dan according to their families, these cities with their villages.

48 Dit is het erfdeel van de stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.

JZ 19:49 Toen de Israëlieten gereed waren met de verdeling van het land naar zijn gebieden, gaven zij aan Jozua, de zoon van Nun, een erfdeel in hun midden.

49 When they had made an end of dividing the land for inheritance by their coasts, the children of Israel gave an inheritance to Joshua the son of Nun among them:

49 Toen zij nu geeindigd hadden het land erfelijk te delen, naar zijn landpale, zo gaven de kinderen Israels aan Jozua, den zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen.

JZ 19:50 Naar het bevel des HEREN gaven zij hem de stad, die hij gevraagd had: Timnat-Serach op het gebergte van Efraïm. Hij bouwde de stad op en ging daar wonen.

50 According to the word of the LORD they gave him the city which he asked, [even] Timnathserah in mount Ephraim: and he built the city, and dwelt therein.

50 Naar den mond des HEEREN gaven zij hem die stad, welke hij begeerde, Thimnath-Serah, op het gebergte van Efraim; en hij bouwde die stad, en woonde in dezelve.

JZ 19:51 Dit zijn de erfdelen, welke de priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden aan de stammen der Israëlieten te Silo door het lot hebben toegewezen, voor het aangezicht des HEREN aan de ingang van de tent der samenkomst. Aldus beëindigden zij de verdeling van het land.

51 These [are] the inheritances, which Eleazar the priest, and Joshua the son of Nun, and the heads of the fathers of the tribes of the children of Israel, divided for an inheritance by lot in Shiloh before the LORD, at the door of the tabernacle of the congregation. So they made an end of dividing the country.

51 Dit zijn de erfdelen, welke Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen, door het lot aan de kinderen Israels erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst. Aldus maakten zij een einde van het uitdelen des lands.

JZ 20:1 De HERE sprak tot Jozua:

1 The LORD also spake unto Joshua, saying,

1 Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende:

JZ 20:2 Spreek tot de Israëlieten: Wijst de vrijsteden aan, waarover Ik tot u heb gesproken door de dienst van Mozes,