|
JR 1:1 De woorden van Jeremia, de zoon van Chilkia,
uit het priestergeslacht te Anatot in het land van Benjamin; |
1 The words of Jeremiah the son of Hilkiah, of the priests that [were]
in Anathoth in the land of Benjamin: |
1 De woorden van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de priesteren, die
te Anathoth waren, in het land van Benjamin; |
|
JR 1:2 tot wie het woord des HEREN kwam ten tijde van Josia, de zoon
van Amon, de koning van Juda, in het dertiende jaar van diens regering, |
2 To whom the word of the LORD came in the days of Josiah the son of
Amon king of Judah, in the thirteenth year of his reign. |
2 Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josia,
zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering. |
|
JR 1:3 en verder ten tijde van Jojakim, de zoon van Josia, de koning
van Juda, tot aan het einde van het elfde jaar van Sedekia, de zoon van
Josia, de koning van Juda, tot de wegvoering van Jeruzalem in de vijfde
maand. |
3 It came also in the days of Jehoiakim the son of Josiah king of
Judah, unto the end of the eleventh year of Zedekiah the son of Josiah
king of Judah, unto the carrying away of Jerusalem captive in the fifth
month. |
3 Ook geschiedde het [tot] [hem] in de dagen van Jojakim, zoon van
Josia, koning van Juda, totdat voleind werd het elfde jaar van Zedekia,
zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd
weggevoerd in de vijfde maand. |
|
JR 1:4 Het woord des HEREN nu kwam tot mij: |
4 Then the word of the LORD came unto me, saying, |
4 Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende: |
|
JR 1:5 Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij
voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de
volkeren heb Ik u gesteld. |
5 Before I formed thee in the belly I knew thee; and before thou camest
forth out of the womb I sanctified thee, [and] I ordained thee a prophet
unto the nations. |
5 Eer Ik u in [moeders] buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit
de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een
profeet gesteld. |
|
JR 1:6 Doch ik zeide: Ach, Here HERE, zie, ik kan niet spreken, want ik
ben jong. |
6 Then said I, Ah, Lord GOD! behold, I cannot speak: for I [am] a
child. |
6 Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik
ben jong. |
|
JR 1:7 De HERE echter zeide tot mij: Zeg niet, ik ben jong, want tot
een ieder, tot wie Ik u zend, zult gij gaan, en alles wat Ik u gebied,
zult gij spreken. |
7 But the LORD said unto me, Say not, I [am] a child: for thou shalt go
to all that I shall send thee, and whatsoever I command thee thou shalt
speak. |
7 Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal,
waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal,
zult gij spreken. |
|
JR 1:8 Vrees niet voor hen, want Ik ben met u om u te bevrijden, luidt
het woord des HEREN. |
8 Be not afraid of their faces: for I [am] with thee to deliver thee,
saith the LORD. |
8 Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden,
spreekt de HEERE. |
|
JR 1:9 Toen strekte de HERE zijn hand uit en roerde mijn mond aan, en
de HERE zeide tot mij: Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond; |
9 Then the LORD put forth his hand, and touched my mouth. And the LORD
said unto me, Behold, I have put my words in thy mouth. |
9 En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE
zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. |
|
JR 1:10 merk op, Ik stel u heden over de volken en de koninkrijken om
uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te
bouwen en te planten. |
10 See, I have this day set thee over the nations and over the
kingdoms, to root out, and to pull down, and to destroy, and to throw
down, to build, and to plant. |
10 Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken,
om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; [ook]
om te bouwen en te planten. |
|
JR 1:11 En het woord des HEREN kwam tot mij: Wat ziet gij, Jeremia?
Toen zeide ik: Ik zie een amandeltwijg. |
11 Moreover the word of the LORD came unto me, saying, Jeremiah, what
seest thou? And I said, I see a rod of an almond tree. |
11 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij,
Jeremia? En ik zeide: Ik zie een amandelroede. |
|
JR 1:12 Daarop zeide de HERE tot mij: Gij hebt goed gezien, want Ik
waak over mijn woord om dat te doen. |
12 Then said the LORD unto me, Thou hast well seen: for I will hasten
my word to perform it. |
12 En de HEERE zeide tot mij: Gij hebt wel gezien; want Ik zal wakker
zijn over Mijn woord, om dat te doen. |
|
JR 1:13 En het woord des HEREN kwam andermaal tot mij: Wat ziet gij?
Toen zeide ik: Ik zie een kokende pot, verschijnende van de noordzijde. |
13 And the word of the LORD came unto me the second time, saying, What
seest thou? And I said, I see a seething pot; and the face thereof [is]
toward the north. |
13 En des HEEREN woord geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende:
Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel
tegen het noorden is. |
|
JR 1:14 Daarop zeide de HERE tot mij: Uit het Noorden zal het onheil
losbreken over alle inwoners van het land; |
14 Then the LORD said unto me, Out of the north an evil shall break
forth upon all the inhabitants of the land. |
14 En de HEERE zeide tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen
over alle inwoners des lands. |
|
JR 1:15 want zie, Ik roep alle geslachten der koninkrijken van het
Noorden, luidt het woord des HEREN, en zij zullen komen en zetten elk zijn
troonzetel in de poorten van Jeruzalem en tegen al zijn muren rondom en
tegen al de steden van Juda; |
15 For, lo, I will call all the families of the kingdoms of the north,
saith the LORD; and they shall come, and they shall set every one his
throne at the entering of the gates of Jerusalem, and against all the
walls thereof round about, and against all the cities of Judah. |
15 Want zie, Ik roep alle geslachten der koninkrijken van het noorden,
spreekt de HEERE; en zij zullen komen, en zetten een iegelijk zijn troon
[voor] de deur der poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom,
en tegen alle steden van Juda. |
|
JR 1:16 dan zal Ik mijn oordelen over hen uitspreken om al hun
boosheid, dat zij Mij verlaten en voor andere goden offers ontstoken
hebben, en zich hebben nedergebogen voor de voortbrengselen hunner handen. |
16 And I will utter my judgments against them touching all their
wickedness, who have forsaken me, and have burned incense unto other gods,
and worshipped the works of their own hands. |
16 En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid;
dat zij Mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen
hebben voor de werken hunner handen. |
|
JR 1:17 Gij dan, gord uw lendenen, maak u op en spreek tot hen al wat
Ik u gebieden zal; verschrik niet voor hen, opdat Ik u niet voor hen doe
verschrikken. |
17 Thou therefore gird up thy loins, and arise, and speak unto them all
that I command thee: be not dismayed at their faces, lest I confound thee
before them. |
17 Gij dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles,
wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u
voor hun aangezicht niet versla. |
|
JR 1:18 En Ik, zie Ik zelf stel u heden tot een versterkte stad, een
ijzeren zuil en een koperen muur tegen het gehele land, tegen de koningen
van Juda, zijn vorsten, zijn priesters en het volk des lands; |
18 For, behold, I have made thee this day a defenced city, and an iron
pillar, and brasen walls against the whole land, against the kings of
Judah, against the princes thereof, against the priests thereof, and
against the people of the land. |
18 Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren
pilaar, en tot koperen muren tegen het ganse land; tegen de koningen van
Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesteren, en tegen het volk van het
land. |
|
JR 1:19 al zullen zij tegen u strijden, zij zullen u niet overmogen,
want Ik ben met u, luidt het woord des HEREN, om u te bevrijden. |
19 And they shall fight against thee; but they shall not prevail
against thee; for I [am] with thee, saith the LORD, to deliver thee. |
19 En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik
ben met u, spreekt de HEERE, om u uit te helpen. |
|
JR 2:1 Het woord des HEREN nu kwam tot mij: |
1 Moreover the word of the LORD came to me, saying, |
1 En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: |
|
JR 2:2 Ga, predik ten aanhoren van Jeruzalem: Zo zegt de HERE: Ik
gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen gij
Mij gevolgd waart in de woestijn, in onbezaaid land; |
2 Go and cry in the ears of Jerusalem, saying, Thus saith the LORD; I
remember thee, the kindness of thy youth, the love of thine espousals,
when thou wentest after me in the wilderness, in a land [that was] not
sown. |
2 Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik
gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij
Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land. |
|
JR 2:3 Israël was de HERE geheiligd, de eersteling zijner opbrengst;
allen die daarvan wilden eten, zouden schuld op zich laden, onheil zou
over hen komen, luidt het woord des HEREN. |
3 Israel [was] holiness unto the LORD, [and] the firstfruits of his
increase: all that devour him shall offend; evil shall come upon them,
saith the LORD. |
3 Israel was den HEERE een heiligheid, de eerstelingen Zijner inkomste;
allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over,
spreekt de HEERE. |
|
JR 2:4 Hoort het woord des HEREN, o huis van Jakob en alle geslachten
van het huis Israëls! |
4 Hear ye the word of the LORD, O house of Jacob, and all the families
of the house of Israel: |
4 Hoort des HEEREN woord, gij huis van Jakob, en alle geslachten van
het huis Israels! |
|
JR 2:5 Zo zegt de HERE: Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij
gevonden, dat zij zich ver van Mij verwijderd hebben, en het nietige zijn
achternagelopen, zodat zij teniet zijn geworden; |
5 Thus saith the LORD, What iniquity have your fathers found in me,
that they are gone far from me, and have walked after vanity, and are
become vain? |
5 Zo zegt de HEERE: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden,
dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en
zij zijn ijdel geworden? |
|
JR 2:6 en dat zij niet zeiden: Waar is de HERE, die ons uit het land
Egypte heeft gevoerd, die ons heeft geleid door de woestijn, een land van
steppen en kuilen, een land van droogte en diepe duisternis, een land,
waar niemand door trekt en geen mens woont? |
6 Neither said they, Where [is] the LORD that brought us up out of the
land of Egypt, that led us through the wilderness, through a land of
deserts and of pits, through a land of drought, and of the shadow of
death, through a land that no man passed through, and where no man dwelt? |
6 En zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland,
Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in
een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand
doorging, en waar geen mens woonde? |
|
JR 2:7 Ik bracht u toch in een vruchtbaar land om de vrucht en het
goede daarvan te eten; doch toen gij daar waart gekomen, hebt gij mijn
land verontreinigd en mijn erfdeel tot een gruwel gemaakt. |
7 And I brought you into a plentiful country, to eat the fruit thereof
and the goodness thereof; but when ye entered, ye defiled my land, and
made mine heritage an abomination. |
7 En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en
het goede er van te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij
Mijn land, en steldet Mijn erfenis tot een gruwel. |
|
JR 2:8 De priesters zeiden niet: Waar is de HERE; en zij die zich met
de wet bezighouden, wilden Mij niet kennen; de herders werden van Mij
afvallig; de profeten profeteerden door Baäl en liepen hen die geen baat
brengen, achterna. |
8 The priests said not, Where [is] the LORD? and they that handle the
law knew me not: the pastors also transgressed against me, and the
prophets prophesied by Baal, and walked after [things that] do not profit. |
8 De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE? en die de wet handelden,
kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten
profeteerden door Baal, en wandelden [naar] [dingen], [die] geen nut doen. |
|
JR 2:9 Daarom zal Ik nog met u een rechtsgeding voeren, luidt het woord
des HEREN, ja, met uw kindskinderen zal Ik een rechtsgeding voeren. |
9 Wherefore I will yet plead with you, saith the LORD, and with your
children's children will I plead. |
9 Daarom zal Ik nog met ulieden twisten, spreekt de HEERE; ja, met uw
kindskinderen zal Ik twisten. |
|
JR 2:10 Want steekt maar eens over naar de kustlanden der Kittiërs en
ziet, zendt boden naar Kedar en geeft nauwlettend acht, ja, ziet, of iets
dergelijks geschied is; |
10 For pass over the isles of Chittim, and see; and send unto Kedar,
and consider diligently, and see if there be such a thing. |
10 Want, gaat over in de eilanden der Chitteers, en ziet toe, en zendt
[naar] Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij? |
|
JR 2:11 heeft ooit een volk goden verruild? - en dat zijn toch geen
goden! - maar mijn volk heeft zijn Eer verruild voor wat geen baat brengt. |
11 Hath a nation changed [their] gods, which [are] yet no gods? but my
people have changed their glory for [that which] doth not profit. |
11 Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden
zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in [hetgeen] geen nut
doet. |
|
JR 2:12 Ontzet u daarover, o hemelen, huivert en weest ten diepste
ontroerd, luidt het woord des HEREN, |
12 Be astonished, O ye heavens, at this, and be horribly afraid, be ye
very desolate, saith the LORD. |
12 Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer
woest, spreekt de HEERE. |
|
JR 2:13 want mijn volk heeft twee boze daden bedreven: Mij, de bron van
levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen,
gebroken bakken, die geen water houden. |
13 For my people have committed two evils; they have forsaken me the
fountain of living waters, [and] hewed them out cisterns, broken cisterns,
that can hold no water. |
13 Want Mijn volk heeft twee boosheden begaan; Mij, den Springader des
levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen,
gebroken bakken, die geen water houden. |
|
JR 2:14 Is Israël een slaaf? Is hij een onvrij geborene? Waarom is hij
dan tot een prooi geworden, |
14 [Is] Israel a servant? [is] he a homeborn [slave]? why is he
spoiled? |
14 Is dan Israel een knecht, of is hij een ingeborene des huizes?
Waarom is hij [dan] ten roof geworden? |
|
JR 2:15 waarover jonge leeuwen brullen, hun stem doen klinken? Ja, zij
hebben zijn land tot een woestenij gemaakt, zijn steden zijn verbrand,
zodat zij zonder inwoners zijn. |
15 The young lions roared upon him, [and] yelled, and they made his
land waste: his cities are burned without inhabitant. |
15 De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem
verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn
verbrand, dat er niemand in woont. |
|
JR 2:16 Zelfs scheren de lieden van Nof en Tachpanches u de schedel
kaal. |
16 Also the children of Noph and Tahapanes have broken the crown of thy
head. |
16 Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes den schedel afgeweid. |
|
JR 2:17 Berokkent u dit niet uw afval van de HERE, uw God, ten tijde
dat Hij u op de weg leidde? |
17 Hast thou not procured this unto thyself, in that thou hast forsaken
the LORD thy God, when he led thee by the way? |
17 Doet gij dit niet zelven, [doordien] gij den HEERE, uw God, verlaat,
ten tijde als Hij u op den weg leidt? |
|
JR 2:18 Nu dan, wat hebt gij naar Egypte te gaan om het water van de
Nijl te drinken? Of wat hebt gij naar Assyrië te gaan om het water van de
Eufraat te drinken? |
18 And now what hast thou to do in the way of Egypt, to drink the
waters of Sihor? or what hast thou to do in the way of Assyria, to drink
the waters of the river? |
18 En nu, wat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren
van Sihor te drinken? En wat hebt gij te doen met den weg van Assur, om de
wateren der rivier te drinken? |
|
JR 2:19 Laat uw boosheid u tuchtigen en uw afdwaling u kastijden; weet
en zie, dat het boos en bitter is, dat gij de HERE uw God hebt verlaten,
en dat er geen vrees voor Mij bij u is, luidt het woord van de Here, de
HERE der heerscharen. |
19 Thine own wickedness shall correct thee, and thy backslidings shall
reprove thee: know therefore and see that [it is] an evil [thing] and
bitter, that thou hast forsaken the LORD thy God, and that my fear [is]
not in thee, saith the Lord GOD of hosts. |
19 Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen;
weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij den HEERE, uw God,
verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de HEERE der
heirscharen. |
|
JR 2:20 Want van ouds hebt gij uw juk verbroken, uw banden verscheurd,
en gezegd: Ik wil niet dienstbaar zijn. Want op elke hoge heuvel en onder
elke groene boom legt gij u in ontucht neder. |
20 For of old time I have broken thy yoke, [and] burst thy bands; and
thou saidst, I will not transgress; when upon every high hill and under
every green tree thou wanderest, playing the harlot. |
20 Als Ik van ouds uw juk verbroken, [en] uw banden verscheurd had, zo
zeidet gij: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder allen
groenen boom loopt gij om, hoererende. |
|
JR 2:21 Ik echter had u geplant als een edele druif, een volkomen
zuiver zaad; doch hoe zijt gij Mij veranderd in wilde ranken van een
vreemde wingerd! |
21 Yet I had planted thee a noble vine, wholly a right seed: how then
art thou turned into the degenerate plant of a strange vine unto me? |
21 Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad;
hoe zijt gij Mij dan veranderd [in] verbasterde ranken van een vreemden
wijnstok? |
|
JR 2:22 Ja, al zoudt gij u wassen met loog en veel zeep gebruiken, dan
blijft toch uw ongerechtigheid als een onuitwisbare vlek voor mijn oog,
luidt het woord van de Here HERE. |
22 For though thou wash thee with nitre, and take thee much soap, [yet]
thine iniquity is marked before me, saith the Lord GOD. |
22 Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is
[toch] uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere
HEERE. |
|
JR 2:23 Hoe kunt gij zeggen: Ik heb mij niet verontreinigd, ik ben de
Baäls niet achternagelopen? Zie uw weg in het dal, weet wat gij gedaan
hebt, gij snelle, heen en weer lopende kemelin, |
23 How canst thou say, I am not polluted, I have not gone after Baalim?
see thy way in the valley, know what thou hast done: [thou art] a swift
dromedary traversing her ways; |
23 Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baals niet
nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat gij gedaan hebt, gij lichte,
snelle kemelin, die haar wegen verdraait! |
|
JR 2:24 gij wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar felle
lust de wind opsnuift; haar bronst, wie zal die keren? Niemand die haar
zoekt, behoeft zich te vermoeien, in haar maand zal hij haar wel vinden. |
24 A wild ass used to the wilderness, [that] snuffeth up the wind at
her pleasure; in her occasion who can turn her away? all they that seek
her will not weary themselves; in her month they shall find her. |
24 Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer
ziel schept zij den wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar
zoeken, zullen niet moede worden, in haar maand zullen zij haar vinden. |
|
JR 2:25 Behoed uw voet voor ontschoeiing en uw keel voor dorst; maar
gij zegt: Het baat niet, neen, want ik heb vreemden lief, hen zal ik
achternalopen. |
25 Withhold thy foot from being unshod, and thy throat from thirst: but
thou saidst, There is no hope: no; for I have loved strangers, and after
them will I go. |
25 Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar gij
zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal
ik nawandelen! |
|
JR 2:26 Gelijk een dief te schande wordt, als hij wordt betrapt, zo
wordt het huis van Israël te schande: zij, hun koningen, hun vorsten, hun
priesters en hun profeten, |
26 As the thief is ashamed when he is found, so is the house of Israel
ashamed; they, their kings, their princes, and their priests, and their
prophets, |
26 Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, alzo
zijn die van het huis Israels beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten,
en hun priesters, en hun profeten; |
|
JR 2:27 die tot een stuk hout zeggen: Gij zijt mijn vader, en tot een
steen: Gij hebt mij gebaard. Want zij keren Mij de nek toe en niet het
aangezicht; maar ten tijde van hun rampspoed zeggen zij: Sta op en verlos
ons! |
27 Saying to a stock, Thou [art] my father; and to a stone, Thou hast
brought me forth: for they have turned [their] back unto me, and not
[their] face: but in the time of their trouble they will say, Arise, and
save us. |
27 Die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij
hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij den nek toe, en niet het
aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons. |
|
JR 2:28 Waar zijn dan uw goden die gij u gemaakt hebt? Laten die
opstaan, of zij u kunnen verlossen ten tijde van uw rampspoed; want even
talrijk als uw steden zijn uw goden geworden, o Juda! |
28 But where [are] thy gods that thou hast made thee? let them arise,
if they can save thee in the time of thy trouble: for [according to] the
number of thy cities are thy gods, O Judah. |
28 Waar zijn dan uw goden, die gij u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of
zij u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want [naar] het getal uwer
steden zijn uw goden, o Juda! |
|
JR 2:29 Waarom wilt gij tegen Mij twisten? Gij allen zijt van Mij
afvallig geworden, luidt het woord des HEREN. |
29 Wherefore will ye plead with me? ye all have transgressed against
me, saith the LORD. |
29 Waarom twist gij tegen Mij? Gij hebt allen tegen Mij overtreden,
spreekt de HEERE. |
|
JR 2:30 Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen, zij wilden geen
tuchtiging aannemen; uw zwaard heeft uw profeten verslonden als een
verscheurende leeuw. |
30 In vain have I smitten your children; they received no correction:
your own sword hath devoured your prophets, like a destroying lion. |
30 Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet
aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdorven
leeuw. |
|
JR 2:31 O gij geslacht, verneem het woord des HEREN: Ben Ik voor
Israël een woestijn geworden of een land van dichte duisternis? Waarom
zegt dan mijn volk: Wij zijn weggelopen, wij zullen niet meer tot U komen? |
31 O generation, see ye the word of the LORD. Have I been a wilderness
unto Israel? a land of darkness? wherefore say my people, We are lords; we
will come no more unto thee? |
31 O geslacht, aanmerkt [toch] gijlieden des HEEREN woord! Ben Ik
Israel een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom
zegt [dan] Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen? |
|
JR 2:32 Zal een meisje haar tooi vergeten, een bruid haar gordel? Maar
mijn volk heeft Mij vergeten, talloze dagen. |
32 Can a maid forget her ornaments, [or] a bride her attire? yet my
people have forgotten me days without number. |
32 Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, [of] een bruid haar
bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal. |
|
JR 2:33 Wat wist gij goed uw weg te vinden om minnarijen te zoeken!
Daarom hebt gij ook uw wegen aan boosheden gewend. |
33 Why trimmest thou thy way to seek love? therefore hast thou also
taught the wicked ones thy ways. |
33 Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook
de booste [hoeren] uw wegen geleerd hebt. |
|
JR 2:34 Zelfs is in uw slippen het bloed gevonden van onschuldige
armen, die gij niet bij een inbraak hebt betrapt, |
34 Also in thy skirts is found the blood of the souls of the poor
innocents: I have not found it by secret search, but upon all these. |
34 Ja, het bloed van de zielen der onschuldige nooddruftigen is in uw
zomen gevonden; Ik heb dat niet met opgraven gevonden, maar aan alle die. |
|
JR 2:35 maar boven dit alles zegt gij nog: Neen, ik ben onschuldig;
inderdaad, zijn toorn heeft zich van mij gewend. Zie, Ik ga met u in het
gericht, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd. |
35 Yet thou sayest, Because I am innocent, surely his anger shall turn
from me. Behold, I will plead with thee, because thou sayest, I have not
sinned. |
35 Nog zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij
afgekeerd. Ziet, Ik zal met u rechten, omdat gij zegt: Ik heb niet
gezondigd. |
|
JR 2:36 Hoe vaak gaat gij uw weg veranderen! Ook met Egypte zult gij
beschaamd uitkomen, evenals gij beschaamd zijt uitgekomen met Assyrië; |
36 Why gaddest thou about so much to change thy way? thou also shalt be
ashamed of Egypt, as thou wast ashamed of Assyria. |
36 Wat reist gij veel uit, veranderende uw weg? Gij zult ook van Egypte
beschaamd worden, gelijk als gij van Assur beschaamd zijt. |
|
JR 2:37 ook vandaar zult gij weggaan met uw handen op uw hoofd, want de
HERE verwerpt hen op wie gij vertrouwt, en gij zult met hen uw doel niet
bereiken. |
37 Yea, thou shalt go forth from him, and thine hands upon thine head:
for the LORD hath rejected thy confidences, and thou shalt not prosper in
them. |
37 Gij zult ook van hier uitgaan met uw handen op uw hoofd; want de
HEERE heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat gij daarmede niet zult
gedijen. |
|
JR 3:1 [ Het woord des HEREN kwam tot mij]: Indien
een man zijn vrouw verstoot en zij gaat van hem weg en wordt de vrouw van
een andere man, zal hij dan nog tot haar terugkeren? Zal niet dat land ten
zeerste ontwijd worden? Doch gij hebt ontucht gepleegd met vele minnaars -
en dan tot Mij terugkeren? luidt het woord des HEREN. |
1 They say, If a man put away his wife, and she go from him, and become
another man's, shall he return unto her again? shall not that land be
greatly polluted? but thou hast played the harlot with many lovers; yet
return again to me, saith the LORD. |
1 Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en
wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve
land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt [met] veel boeleerders
gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE. |
|
JR 3:2 Hef uw ogen op naar de kale heuvels en zie, waar hebt gij u niet
laten misbruiken? Aan de wegen hebt gij op hen zitten wachten als een
Arabier in de woestijn, en gij hebt het land ontwijd door uw
ontuchtigheden en uw boosheid. |
2 Lift up thine eyes unto the high places, and see where thou hast not
been lien with. In the ways hast thou sat for them, as the Arabian in the
wilderness; and thou hast polluted the land with thy whoredoms and with
thy wickedness. |
2 Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet
beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de
woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw
boosheid. |
|
JR 3:3 Zo zijn dan de regenstromen ingehouden en is de late regen niet
gekomen; maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij verkiest u niet te
schamen. |
3 Therefore the showers have been withholden, and there hath been no
latter rain; and thou hadst a whore's forehead, thou refusedst to be
ashamed. |
3 Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen
geweest. Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te
worden. |
|
JR 3:4 Noemt gij Mij niet van nu af: mijn Vader, de vertrouwde mijner
jeugd zijt Gij! |
4 Wilt thou not from this time cry unto me, My father, thou [art] the
guide of my youth? |
4 Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de
leidsman mijner jeugd! |
|
JR 3:5 Zal Hij immer toornen, of voor altoos de wrok behouden? Zie, zo
spreekt gij, maar gij doet het kwade en maakt u daarin sterk. |
5 Will he reserve [his anger] for ever? will he keep [it] to the end?
Behold, thou hast spoken and done evil things as thou couldest. |
5 Zal Hij in eeuwigheid [den] [toorn] behouden? Zal Hij [dien] gestadig
bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand. |
|
JR 3:6 De HERE zeide tot mij ten tijde van koning Josia: Hebt gij
gezien, wat Afkerigheid, Israël, gedaan heeft? Zij placht heen te gaan op
elke hoge berg en onder elke groene boom om daar ontucht te plegen. |
6 The LORD said also unto me in the days of Josiah the king, Hast thou
seen [that] which backsliding Israel hath done? she is gone up upon every
high mountain and under every green tree, and there hath played the
harlot. |
6 Voorts zeide de HEERE tot mij, in de dagen van den koning Josia: Hebt
gij gezien, wat de afgekeerde Israel gedaan heeft? Zij ging henen op allen
hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar. |
|
JR 3:7 En Ik zeide, nadat zij dit alles gedaan had: Keer weder tot Mij;
maar zij keerde niet weder; en dit zag haar zuster, Trouweloze, Juda. |
7 And I said after she had done all these [things], Turn thou unto me.
But she returned not. And her treacherous sister Judah saw [it]. |
7 En Ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar
zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zuster Juda. |
|
JR 3:8 Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar
echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster,
Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens
ontucht pleegde; |
8 And I saw, when for all the causes whereby backsliding Israel
committed adultery I had put her away, and given her a bill of divorce;
yet her treacherous sister Judah feared not, but went and played the
harlot also. |
8 En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israel
overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven
had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen,
en hoereerde zelve ook. |
|
JR 3:9 en door haar lichtvaardig gepleegde ontucht ontwijdde zij het
land; ja, zij bedreef overspel met steen en met hout. |
9 And it came to pass through the lightness of her whoredom, that she
defiled the land, and committed adultery with stones and with stocks. |
9 Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het
land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout. |
|
JR 3:10 En boven dit alles bekeerde haar zuster, Trouweloze, Juda, zich
niet tot Mij met haar gehele hart, maar alleen in schijn, luidt het woord
des HEREN. |
10 And yet for all this her treacherous sister Judah hath not turned
unto me with her whole heart, but feignedly, saith the LORD. |
10 En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zuster Juda tot Mij
niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de HEERE. |
|
JR 3:11 En de HERE zeide tot mij: Afkerigheid, Israël, heeft zich
gerechtvaardigd boven Trouweloze, Juda. |
11 And the LORD said unto me, The backsliding Israel hath justified
herself more than treacherous Judah. |
11 Dies de HEERE tot mij zeide: De afgekeerde Israel heeft haar ziel
gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda. |
|
JR 3:12 Ga heen en roep deze woorden uit naar het Noorden en zeg: Keer
weder, Afkerigheid, Israël, luidt het woord des HEREN, Ik zal u niet
donker aanzien, want Ik ben genadig, luidt het woord des HEREN, Ik zal
niet altoos blijven toornen. |
12 Go and proclaim these words toward the north, and say, Return, thou
backsliding Israel, saith the LORD; [and] I will not cause mine anger to
fall upon you: for I [am] merciful, saith the LORD, [and] I will not keep
[anger] for ever. |
12 Gij henen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg:
Bekeer u, gij afgekeerde Israel! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op
ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik
zal [den] [toorn] niet in eeuwigheid behouden. |
|
JR 3:13 Alleen, erken uw ongerechtigheid, dat gij van de HERE, uw God,
zijt afgevallen en uw gangen gericht hebt naar de vreemden onder elke
groene boom, en naar mijn stem niet hebt gehoord, luidt het woord des
HEREN. |
13 Only acknowledge thine iniquity, that thou hast transgressed against
the LORD thy God, and hast scattered thy ways to the strangers under every
green tree, and ye have not obeyed my voice, saith the LORD. |
13 Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE, uw God, hebt
overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen
groenen boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt
de HEERE. |
|
JR 3:14 Keert weder, afkerige kinderen, luidt het woord des HEREN, want
Ik ben heer over u; Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een
geslacht, en u brengen te Sion, |
14 Turn, O backsliding children, saith the LORD; for I am married unto
you: and I will take you one of a city, and two of a family, and I will
bring you to Zion: |
14 Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u
getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een
geslacht, en zal u brengen te Sion. |
|
JR 3:15 en Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden
met kennis en verstand. |
15 And I will give you pastors according to mine heart, which shall
feed you with knowledge and understanding. |
15 En Ik zal ulieden herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden
[met] wetenschap en verstand. |
|
JR 3:16 Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land in
die dagen, luidt het woord des HEREN, dan zal men niet meer spreken over
de ark van het verbond des HEREN; zij zal niemand in de zin komen, men zal
aan haar niet meer denken en haar niet zoeken, en zij zal niet weder
gemaakt worden. |
16 And it shall come to pass, when ye be multiplied and increased in
the land, in those days, saith the LORD, they shall say no more, The ark
of the covenant of the LORD: neither shall it come to mind: neither shall
they remember it; neither shall they visit [it]; neither shall [that] be
done any more. |
16 En het zal geschieden, wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar
zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt de HEERE, zullen zij
niet meer zeggen: De ark des verbonds des HEEREN, ook zal zij in het hart
niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en [haar] niet
bezoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden. |
|
JR 3:17 Te dien tijde zal men Jeruzalem noemen de troon des HEREN, en
alle volken zullen zich daarheen verzamelen om de naam des HEREN te
Jeruzalem, en zij zullen niet meer wandelen naar de verstoktheid van hun
boos hart. |
17 At that time they shall call Jerusalem the throne of the LORD; and
all the nations shall be gathered unto it, to the name of the LORD, to
Jerusalem: neither shall they walk any more after the imagination of their
evil heart. |
17 Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen, des HEEREN troon; en al de
heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des HEEREN Naams wil, te
Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun
boos hart. |
|
JR 3:18 In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël
gaan, en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik
aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb. |
18 In those days the house of Judah shall walk with the house of
Israel, and they shall come together out of the land of the north to the
land that I have given for an inheritance unto your fathers. |
18 In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israel; en
zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat
Ik uw vaderen ten erve gegeven heb. |
|
JR 3:19 Ik had wel gezegd: Hoe zal Ik u onder de zonen rekenen en u een
uitgezocht land geven, de allersierlijkste erve der volkeren! En Ik had
gedacht, dat gij Mij zoudt noemen: Mijn Vader, en dat gij u van Mij niet
zoudt afkeren, |
19 But I said, How shall I put thee among the children, and give thee a
pleasant land, a goodly heritage of the hosts of nations? and I said, Thou
shalt call me, My father; and shalt not turn away from me. |
19 Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het
gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar
Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult van achter Mij
niet afkeren. |
|
JR 3:20 maar zoals een vrouw ontrouw wordt aan haar vriend, zo zijt gij
Mij ontrouw geworden, huis Israëls, luidt het woord des HEREN. |
20 Surely [as] a wife treacherously departeth from her husband, so have
ye dealt treacherously with me, O house of Israel, saith the LORD. |
20 Waarlijk, [gelijk] een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend,
alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis Israels!
spreekt de HEERE. |
|
JR 3:21 Hoor, op de kale heuvels klinkt wenend smeken van de kinderen
Israëls, omdat zij hun weg verkeerd gekozen hebben, de HERE, hun God,
hebben vergeten. |
21 A voice was heard upon the high places, weeping [and] supplications
of the children of Israel: for they have perverted their way, [and] they
have forgotten the LORD their God. |
21 Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween [en]
smekingen der kinderen Israels, omdat zij hun weg verkeerd, [en] den
HEERE, hun God, vergeten hebben. |
|
JR 3:22 "Keert weder, afkerige kinderen, Ik zal uw afdwalingen
genezen." "Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de
HERE, onze God. |
22 Return, ye backsliding children, [and] I will heal your
backslidings. Behold, we come unto thee; for thou [art] the LORD our God. |
22 Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen.
Zie, [hier] zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God! |
|
JR 3:23 Voorzeker, bedrog brachten de heuvelen, het gedruis op de
bergen; voorzeker, in de HERE, onze God, is Israëls heil! |
23 Truly in vain [is salvation hoped for] from the hills, [and from]
the multitude of mountains: truly in the LORD our God [is] the salvation
of Israel. |
23 Waarlijk, tevergeefs [verwacht] [men] [het] van de heuvelen [en] de
menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE, onzen God, is Israels heil! |
|
JR 3:24 Ja, schande heeft de arbeid onzer vaderen verslonden van onze
jeugd af, hun schapen en runderen, hun zonen en dochteren; |
24 For shame hath devoured the labour of our fathers from our youth;
their flocks and their herds, their sons and their daughters. |
24 Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze
jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochteren. |
|
JR 3:25 wij willen ons nederleggen in onze schande, en onze smaad moet
ons dekken, want wij hebben tegen de HERE, onze God, gezondigd, wij en
onze vaderen, van onze jeugd af tot deze dag toe, en wij hebben niet
gehoord naar de stem van de HERE onze God." |
25 We lie down in our shame, and our confusion covereth us: for we have
sinned against the LORD our God, we and our fathers, from our youth even
unto this day, and have not obeyed the voice of the LORD our God. |
25 Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij
hebben tegen den HEERE, onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van
onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem des HEEREN, onzes
Gods, niet gehoorzaam geweest. |
|
JR 4:1 Indien gij u bekeert, Israël, luidt het woord
des HEREN, dan moogt gij tot Mij wederkeren, en indien gij uw gruwelen
wegdoet uit mijn ogen, dan behoeft gij niet te vlieden; |
1 If thou wilt return, O Israel, saith the LORD, return unto me: and if
thou wilt put away thine abominations out of my sight, then shalt thou not
remove. |
1 Zo gij u bekeren zult, Israel! spreekt de HEERE, bekeer u tot Mij; en
zo gij uw verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo zwerft niet
om. |
|
JR 4:2 dan zult gij zweren: "zo waar de HERE leeft", in
waarheid, recht en gerechtigheid, en de volken zullen elkander in Hem de
zegen toebidden |
2 And thou shalt swear, The LORD liveth, in truth, in judgment, and in
righteousness; and the nations shall bless themselves in him, and in him
shall they glory. |
2 Maar zweer: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft! in waarheid, in
recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de heidenen in Hem zegenen, en
zich in Hem beroemen. |
|
JR 4:3 en in Hem zich beroemen. Want zo zegt de HERE tot de mannen van
Juda en tot Jeruzalem: Ontgint u nieuw land en zaait niet tussen de
doornen; |
3 For thus saith the LORD to the men of Judah and Jerusalem, Break up
your fallow ground, and sow not among thorns. |
3 Want zo zegt de HEERE tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem:
Braakt ulieden een braakland, en zaait niet onder de doornen. |
|
JR 4:4 besnijdt u voor de HERE en doet weg de voorhuid van uw hart, gij
mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem, opdat mijn gramschap niet
uitsla als een vuur en onuitblusbaar brande om de boosheid uwer
handelingen. |
4 Circumcise yourselves to the LORD, and take away the foreskins of
your heart, ye men of Judah and inhabitants of Jerusalem: lest my fury
come forth like fire, and burn that none can quench [it], because of the
evil of your doings. |
4 Besnijdt u den HEERE en doet weg de voorhuiden uwer harten, gij
mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijner grimmigheid niet
uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de
boosheid uwer handelingen. |
|
JR 4:5 Boodschapt in Juda, laat horen in Jeruzalem en zegt: Blaast de
bazuin in het land, roept luidkeels en zegt: Verzamelt u en laat ons in de
versterkte steden gaan! |
5 Declare ye in Judah, and publish in Jerusalem; and say, Blow ye the
trumpet in the land: cry, gather together, and say, Assemble yourselves,
and let us go into the defenced cities. |
5 Verkondigt in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja,
blaast de bazuin in het land; roept met volle [stem] en zegt: Verzamelt
ulieden, en laat ons ingaan in de vaste steden! |
|
JR 4:6 Steekt omhoog het signaal: naar Sion! Bergt u, blijft niet
staan! Want het onheil breng Ik uit het Noorden, een groot verderf; |
6 Set up the standard toward Zion: retire, stay not: for I will bring
evil from the north, and a great destruction. |
6 Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan!
want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk. |
|
JR 4:7 een leeuw is opgerezen uit zijn struikgewas, een verderver der
volken is opgebroken, uitgegaan uit zijn plaats, om uw land tot een
woestenij te maken; uw steden zullen verwoest worden, zodat er geen
inwoners zijn. |
7 The lion is come up from his thicket, and the destroyer of the
Gentiles is on his way; he is gone forth from his place to make thy land
desolate; [and] thy cities shall be laid waste, without an inhabitant. |
7 De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver der heidenen is
opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in
verwoestingen; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in wone. |
|
JR 4:8 Omgordt u hierom met rouwgewaad, weeklaagt en jammert, want de
brandende toorn des HEREN keert zich niet van ons af. |
8 For this gird you with sackcloth, lament and howl: for the fierce
anger of the LORD is not turned back from us. |
8 Hierom, gordt zakken aan, bedrijft misbaar en huilt; want de
hittigheid van des HEEREN toorn is niet van ons afgekeerd. |
|
JR 4:9 Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord des HEREN, dat
de koning en de vorsten het hart zal ontzinken, dat de priesters
verbijsterd zullen staan en de profeten zich zullen ontzetten, |
9 And it shall come to pass at that day, saith the LORD, [that] the
heart of the king shall perish, and the heart of the princes; and the
priests shall be astonished, and the prophets shall wonder. |
9 En het zal te dier tijd geschieden, spreekt de HEERE, [dat] het hart
des konings en het hart der vorsten vergaan zal; en de priesters zullen
zich ontzetten, en de profeten zich verwonderen. |
|
JR 4:10 en zeggen: Ach, Here HERE, waarlijk, Gij hebt dit volk en
Jeruzalem ten zeerste misleid door te zeggen: Gij zult vrede hebben; het
zwaard raakt immers tot aan het leven. |
10 Then said I, Ah, Lord GOD! surely thou hast greatly deceived this
people and Jerusalem, saying, Ye shall have peace; whereas the sword
reacheth unto the soul. |
10 Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! waarlijk, Gij hebt dit volk en
Jeruzalem grotelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben; daar
het zwaard tot aan de ziel raakt. |
|
JR 4:11 Te dien tijde zal van dit volk en van Jeruzalem gezegd worden:
Een gloeiende wind van de heuvels in de woestijn is op weg naar de dochter
mijns volks, niet om te wannen, niet om te zuiveren. |
11 At that time shall it be said to this people and to Jerusalem, A dry
wind of the high places in the wilderness toward the daughter of my
people, not to fan, nor to cleanse, |
11 Te dier tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een
dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van den weg der dochter
Mijns volks; niet om te wannen, noch om te zuiveren. |
|
JR 4:12 Een zeer hevige wind komt, in mijn dienst; nu ga Ik zelf
oordelen over hen uitspreken. |
12 [Even] a full wind from those [places] shall come unto me: now also
will I give sentence against them. |
12 Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook
oordelen tegen hen uitspreken. |
|
JR 4:13 Zie, als een wolkenmassa komt hij opzetten; als een stormwind
zijn zijn wagens, sneller dan arenden zijn paarden: wee ons, wij worden
vernield! |
13 Behold, he shall come up as clouds, and his chariots [shall be] as a
whirlwind: his horses are swifter than eagles. Woe unto us! for we are
spoiled. |
13 Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagenen zijn als een
wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan arenden; wee ons, want wij zijn
verwoest! |
|
JR 4:14 Reinig uw hart van boosheid, Jeruzalem, opdat gij behouden
wordt; hoelang zullen in uw binnenste uw zondige overleggingen verwijlen? |
14 O Jerusalem, wash thine heart from wickedness, that thou mayest be
saved. How long shall thy vain thoughts lodge within thee? |
14 Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat gij behouden wordt; hoe
lang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten
vernachten? |
|
JR 4:15 Want hoor, men boodschapt uit Dan en van het gebergte Efraïm
meldt men onheil. |
15 For a voice declareth from Dan, and publisheth affliction from mount
Ephraim. |
15 Want een stem verkondigt van Dan af, en doet ellende horen van het
gebergte van Efraim. |
|
JR 4:16 Bericht aan de volken, zie, meldt aan Jeruzalem: Belegeraars
komen uit een ver land en heffen tegen de steden van Juda hun krijgskreet
aan. |
16 Make ye mention to the nations; behold, publish against Jerusalem,
[that] watchers come from a far country, and give out their voice against
the cities of Judah. |
16 Vermeldt den volke, ziet, doet het horen tegen Jeruzalem; daar komen
hoeders uit verren lande; en zij verheffen hun stem tegen de steden van
Juda. |
|
JR 4:17 Als akkerhoeders omringen zij het van alle kanten, want het is
tegen Mij wederspannig geweest, luidt het woord des HEREN. |
17 As keepers of a field, are they against her round about; because she
hath been rebellious against me, saith the LORD. |
17 Als de wachters der velden zijn zij rondom tegen haar; omdat zij
tegen Mij wederspannig geweest is, spreekt de HEERE. |
|
JR 4:18 Uw handel en wandel heeft u dit berokkend, dat komt van uw
boosheid; voorwaar, bitter is het, ja, het raakt u in het hart. |
18 Thy way and thy doings have procured these [things] unto thee; this
[is] thy wickedness, because it is bitter, because it reacheth unto thine
heart. |
18 Uw weg en uw handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uw
boosheid, dat het [zo] bitter is, dat het tot aan uw hart raakt. |
|
JR 4:19 O mijn binnenste, mijn binnenste! Ik moet ineenkrimpen. O
wanden mijns harten! Mijn hart jaagt in mij, ik kan niet zwijgen; want
bazuingeschal hoor ik, strijdrumoer! |
19 My bowels, my bowels! I am pained at my very heart; my heart maketh
a noise in me; I cannot hold my peace, because thou hast heard, O my soul,
the sound of the trumpet, the alarm of war. |
19 O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns
harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want gij, mijn
ziel! hoort het geluid der bazuin [en] het krijgsgeschrei. |
|
JR 4:20 Slag na slag wordt gemeld, ja, het gehele land is verwoest;
onverhoeds zijn mijn tenten verwoest, in een oogwenk mijn tentkleden. |
20 Destruction upon destruction is cried; for the whole land is
spoiled: suddenly are my tents spoiled, [and] my curtains in a moment. |
20 Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het ganse land is
verstoord; haastelijk zijn mijn tenten verstoord, mijn gordijnen in een
ogenblik! |
|
JR 4:21 Hoelang moet ik het signaal zien, het bazuingeschal horen? |
21 How long shall I see the standard, [and] hear the sound of the
trumpet? |
21 Hoe lang zal ik de banier zien, het geluid der bazuin horen? |
|
JR 4:22 Want onverstandig is mijn volk, Mij kennen zij niet; dwaze
kinderen zijn het, en inzicht hebben zij niet; wijs zijn zij om kwaad te
doen, maar van goed doen weten zij niet. |
22 For my people [is] foolish, they have not known me; they [are]
sottish children, and they have none understanding: they [are] wise to do
evil, but to do good they have no knowledge. |
22 Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte
kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen,
maar goed te doen weten zij niet. |
|
JR 4:23 Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de
hemel, en zijn licht was er niet. |
23 I beheld the earth, and, lo, [it was] without form, and void; and
the heavens, and they [had] no light. |
23 Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en ledig; ook naar den
hemel, en zijn licht was er niet. |
|
JR 4:24 Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en alle heuvelen
schudden. |
24 I beheld the mountains, and, lo, they trembled, and all the hills
moved lightly. |
24 Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen
schudden. |
|
JR 4:25 Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte des
hemels was weggevlogen. |
25 I beheld, and, lo, [there was] no man, and all the birds of the
heavens were fled. |
25 Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogelen des hemels waren
weggevlogen. |
|
JR 4:26 Ik zag, en zie, de gaarde was woestijn, en al zijn steden waren
in puin gestort, voor de HERE, voor zijn brandende toorn. |
26 I beheld, and, lo, the fruitful place [was] a wilderness, and all
the cities thereof were broken down at the presence of the LORD, [and] by
his fierce anger. |
26 Ik zag, en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn
steden waren afgebroken, vanwege den HEERE, vanwege de hittigheid Zijns
toorns. |
|
JR 4:27 Want zo zegt de HERE: Een woestenij zal het ganse land worden,
al zal Ik niet voorgoed afrekenen; |
27 For thus hath the LORD said, The whole land shall be desolate; yet
will I not make a full end. |
27 Want zo zegt de HEERE: Dit ganse land zal een woestijn zijn (doch Ik
zal geen voleinding maken); |
|
JR 4:28 hierom zal de aarde treuren, en de hemel boven rouw dragen,
omdat Ik het gesproken en besloten heb, en er geen berouw van heb en er
niet van zal terugkomen. |
28 For this shall the earth mourn, and the heavens above be black:
because I have spoken [it], I have purposed [it], and will not repent,
neither will I turn back from it. |
28 Hierom zal de aarde treuren, en de hemel daarboven zwart zijn; omdat
Ik het heb gesproken, Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet rouwen,
en Ik zal Mij daarvan niet afkeren. |
|
JR 4:29 Voor het rumoer van ruiter en boogschutter is het gehele land
op de vlucht; zij zijn gegaan in de kreupelbossen en geklommen op de
rotsen; elke stad is verlaten, er is niemand meer, die erin woont. |
29 The whole city shall flee for the noise of the horsemen and bowmen;
they shall go into thickets, and climb up upon the rocks: every city
[shall be] forsaken, and not a man dwell therein. |
29 Van het geroep der ruiteren en boogschutters vluchten al de steden;
zij gaan in de wolken, en klimmen op de rotsen; al de steden zijn
verlaten, zodat niemand in dezelve woont. |
|
JR 4:30 Nu, gij verwoeste, wat doet gij, dat gij u kleedt in
scharlaken, u siert met gouden sieraad, uw ogen bijwerkt met zwart?
Tevergeefs maakt gij u mooi, de minnaars versmaden u, zij staan u naar het
leven. |
30 And [when] thou [art] spoiled, what wilt thou do? Though thou
clothest thyself with crimson, though thou deckest thee with ornaments of
gold, though thou rentest thy face with painting, in vain shalt thou make
thyself fair; [thy] lovers will despise thee, they will seek thy life. |
30 Wat zult gij dan doen, gij verwoeste? Al kleeddet gij u met
scharlaken, al versierdet gij u met gouden sieraad, al schuurdet gij uw
ogen met blanketsel, zo zoudt gij u [toch] tevergeefs oppronken; de boelen
versmaden u, zij zullen uw ziel zoeken. |
|
JR 4:31 Want ik hoor een kreet als van een, die in barensnood is,
benauwdheid als van een, die voor het eerst baart, de kreet der dochter
Sions; zij hijgt naar adem, breidt haar handen uit: Wee mij, want ik
bezwijk voor moordenaars! |
31 For I have heard a voice as of a woman in travail, [and] the anguish
as of her that bringeth forth her first child, the voice of the daughter
of Zion, [that] bewaileth herself, [that] spreadeth her hands, [saying],
Woe [is] me now! for my soul is wearied because of murderers. |
31 Want ik hoor een stem als van een [vrouw], die in arbeid is, een
benauwdheid als van een, die in des eersten kinds nood is, de stem van de
dochter Sions; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, [zeggende]: O, wee
mij nu, want mijn ziel is moede vanwege de doodslagers! |
|
JR 5:1 Zwerft rond in de straten van Jeruzalem, ziet
toch en speurt na, zoekt op zijn pleinen, of gij iemand vindt, of er een
is, die recht doet, die oprechtheid betracht, dan zal Ik haar vergeven. |
1 Run ye to and fro through the streets of Jerusalem, and see now, and
know, and seek in the broad places thereof, if ye can find a man, if there
be [any] that executeth judgment, that seeketh the truth; and I will
pardon it. |
1 Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en
zoekt op haar straten, of gij iemand vindt, of er een is, die recht doet,
die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn. |
|
JR 5:2 Al zeggen zij ook: Zo waar de HERE leeft, toch zweren zij vals. |
2 And though they say, The LORD liveth; surely they swear falsely. |
2 En of zij al zeggen: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft! zo
zweren zij toch valselijk. |
|
JR 5:3 HERE, zien uw ogen niet naar oprechtheid? Gij hebt hen geslagen,
zij voelden geen pijn; Gij hebt hen vernield, zij hebben geweigerd
tuchtiging aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan
een rots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. |
3 O LORD, [are] not thine eyes upon the truth? thou hast stricken them,
but they have not grieved; thou hast consumed them, [but] they have
refused to receive correction: they have made their faces harder than a
rock; they have refused to return. |
3 O HEERE! [zien] Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen geslagen,
maar zij hebben geen pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, [maar] zij
hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder
gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. |
|
JR 5:4 Maar, zeide ik, dit zijn slechts geringen, zij zijn onwetend,
omdat zij de weg des HEREN, het recht van hun God, niet kennen; |
4 Therefore I said, Surely these [are] poor; they are foolish: for they
know not the way of the LORD, [nor] the judgment of their God. |
4 Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk,
omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten. |
|
JR 5:5 ik wil gaan naar de groten en met hen spreken, want die kennen
de weg des HEREN, het recht van hun God. Die echter hadden altezamen het
juk verbroken, de banden verscheurd. |
5 I will get me unto the great men, and will speak unto them; for they
have known the way of the LORD, [and] the judgment of their God: but these
have altogether broken the yoke, [and] burst the bonds. |
5 Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten den weg
des HEEREN, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk
verbroken, [en] de banden verscheurd. |
|
JR 5:6 Daarom slaat hen een leeuw uit het woud terneer, een steppewolf
vernielt hen, een panter ligt op de loer bij hun steden, ieder die daaruit
gaat, wordt verscheurd. Want vele zijn hun zonden, geweldig hun
afdwalingen. |
6 Wherefore a lion out of the forest shall slay them, [and] a wolf of
the evenings shall spoil them, a leopard shall watch over their cities:
every one that goeth out thence shall be torn in pieces: because their
transgressions are many, [and] their backslidings are increased. |
6 Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf der
wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al
wie uit dezelve uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen
zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden. |
|
JR 5:7 Waarom zou Ik u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij en zweren bij
niet-goden. Toen Ik hen verzadigd had, pleegden zij echtbreuk, ja, in het
hoerenhuis zijn zij thuis. |
7 How shall I pardon thee for this? thy children have forsaken me, and
sworn by [them that are] no gods: when I had fed them to the full, they
then committed adultery, and assembled themselves by troops in the
harlots' houses. |
7 Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren
bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij
overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis. |
|
JR 5:8 Geile, rondzwervende hengsten zijn het, zij hinniken ieder naar
de vrouw van zijn naaste. |
8 They were [as] fed horses in the morning: every one neighed after his
neighbour's wife. |
8 [Als] welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren een
iegelijk naar zijns naasten huisvrouw. |
|
JR 5:9 Zou Ik hierover geen bezoeking doen, luidt het woord des HEREN,
of zou Ik aan een volk als dit Mij niet wreken? |
9 Shall I not visit for these [things]? saith the LORD: and shall not
my soul be avenged on such a nation as this? |
9 Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE. Of zou
Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? |
|
JR 5:10 Beklimt zijn wijnbergen en richt verwoesting aan, doch rekent
niet voorgoed af; verwijdert zijn ranken, want zij behoren de HERE niet
toe. |
10 Go ye up upon her walls, and destroy; but make not a full end: take
away her battlements; for they [are] not the LORD'S. |
10 Beklimt haar muren, en verderft ze (doch maakt geen voleinding);
doet haar spitsen weg, want zij zijn des HEEREN niet. |
|
JR 5:11 Want volslagen trouweloos handelen tegen Mij het huis van
Israël en het huis van Juda, luidt het woord des HEREN; |
11 For the house of Israel and the house of Judah have dealt very
treacherously against me, saith the LORD. |
11 Want het huis van Israel en het huis van Juda hebben gans
trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, spreekt de HEERE. |
|
JR 5:12 zij verloochenen de HERE en zeggen: Hij niet! en: Geen onheil
zal ons overkomen; zwaard noch honger zullen wij zien. |
12 They have belied the LORD, and said, [It is] not he; neither shall
evil come upon us; neither shall we see sword nor famine: |
12 Zij verloochenen den HEERE, en zeggen: Hij is het niet, en ons zal
geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien. |
|
JR 5:13 De profeten zullen tot wind worden; geen is er, die door hen
spreekt; zó verga het hun! |
13 And the prophets shall become wind, and the word [is] not in them:
thus shall it be done unto them. |
13 Ja, die profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij
hen; hun zelven zal zo geschieden. |
|
JR 5:14 Daarom, zo zegt de HERE, de God der heerscharen, omdat gij dit
woord spreekt: zie, Ik maak mijn woorden in uw mond tot vuur en dit volk
tot hout en het zal hen verteren. |
14 Wherefore thus saith the LORD God of hosts, Because ye speak this
word, behold, I will make my words in thy mouth fire, and this people
wood, and it shall devour them. |
14 Daarom zegt de HEERE, de God der heirscharen, alzo, omdat gijlieden
dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en
dit volk [tot] hout, en het zal hen verteren. |
|
JR 5:15 Zie, Ik breng over u een volk van verre, o huis Israëls, luidt
het woord des HEREN; een volk van eeuwen is het, een overoud volk, een
volk, waarvan gij de taal niet kent en de spraak niet kunt verstaan; |
15 Lo, I will bring a nation upon you from far, O house of Israel,
saith the LORD: it [is] a mighty nation, it [is] an ancient nation, a
nation whose language thou knowest not, neither understandest what they
say. |
15 Ziet, Ik zal over ulieden een volk van verre brengen, o huis
Israels! spreekt de HEERE; het is een sterk volk, het is een zeer oud
volk, een volk, welks spraak gij niet zult kennen, en niet horen, wat het
spreken zal. |
|
JR 5:16 zijn pijlkoker is als een geopend graf, allen zijn het helden. |
16 Their quiver [is] as an open sepulchre, they [are] all mighty men. |
16 Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn altemaal helden. |
|
JR 5:17 Verslinden zal het uw oogst en uw brood, verslinden zal het uw
zonen en uw dochters, verslinden zal het uw schapen en uw runderen,
verslinden zal het uw wijnstok en uw vijgeboom; vergruizelen zal het uw
versterkte steden, waarop gij uw vertrouwen stelt, door het zwaard. |
17 And they shall eat up thine harvest, and thy bread, [which] thy sons
and thy daughters should eat: they shall eat up thy flocks and thine
herds: they shall eat up thy vines and thy fig trees: they shall
impoverish thy fenced cities, wherein thou trustedst, with the sword. |
17 En het zal uw oogst en uw brood opeten, [dat] uw zonen en uw
dochteren zouden eten; het zal uw schapen en uw runderen opeten; het zal
uw wijnstok en uw vijgeboom opeten; uw vaste steden, op dewelke gij
vertrouwt, zal het arm maken, door het zwaard. |
|
JR 5:18 Doch, ook in die dagen, luidt het woord des HEREN, zal Ik niet
voorgoed met u afrekenen. |
18 Nevertheless in those days, saith the LORD, I will not make a full
end with you. |
18 Nochtans zal Ik ook in die dagen, spreekt de HEERE, geen voleinding
met ulieden maken. |
|
JR 5:19 En het zal geschieden, wanneer gij zegt: Waarvoor heeft de
HERE, onze God, ons dit alles aangedaan? zeg dan tot hen: Gelijk gij Mij
hebt verlaten om vreemde goden te dienen in uw land, zo zult gij vreemden
dienen in een land dat het uwe niet is. |
19 And it shall come to pass, when ye shall say, Wherefore doeth the
LORD our God all these [things] unto us? then shalt thou answer them, Like
as ye have forsaken me, and served strange gods in your land, so shall ye
serve strangers in a land [that is] not yours. |
19 En het zal geschieden, wanneer gij zult zeggen: Waarom heeft ons de
HEERE, onze God, al deze dingen gedaan? dat gij tot hen zeggen zult:
Gelijk als gijlieden Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land
gediend, alzo zult gij de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet
is. |
|
JR 5:20 Boodschapt dit onder het huis van Jakob en laat het horen in
Juda: |
20 Declare this in the house of Jacob, and publish it in Judah, saying, |
20 Verkondigt dit in het huis van Jakob, en laat het horen in Juda,
zeggende: |
|
JR 5:21 Hoort dit toch, gij dwaas en verstandeloos volk, dat ogen heeft
zonder te zien en oren zonder te horen: |
21 Hear now this, O foolish people, and without understanding; which
have eyes, and see not; which have ears, and hear not: |
21 Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar
zien niet, die oren hebben, maar horen niet. |
|
JR 5:22 Wilt gij Mij niet vrezen, luidt het woord des HEREN, of voor
Mij niet beven, die het zand gesteld heb tot grens voor de zee, een
altoosdurende beperking, die zij niet zal overschrijden; al rollen haar
golven, zij vermogen niets; al bruisen zij, zij overschrijden haar niet. |
22 Fear ye not me? saith the LORD: will ye not tremble at my presence,
which have placed the sand [for] the bound of the sea by a perpetual
decree, that it cannot pass it: and though the waves thereof toss
themselves, yet can they not prevail; though they roar, yet can they not
pass over it? |
22 Zult gijlieden Mij niet vrezen? spreekt de HEERE; zult gij voor Mijn
aangezicht niet beven? Die der zee het zand tot een paal gesteld heb, met
een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar
golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij
bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan. |
|
JR 5:23 Maar dit volk heeft een weerbarstig en weerspannig hart, zij
zijn afgeweken en heengegaan, |
23 But this people hath a revolting and a rebellious heart; they are
revolted and gone. |
23 Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart; zij zijn
afgevallen en heengegaan; |
|
JR 5:24 zij hebben niet bij zichzelf gezegd: Laat ons toch de HERE,
onze God, vrezen, die regen geeft, de vroege en late regen, op zijn tijd,
die de vaste oogstweken ons bewaart. |
24 Neither say they in their heart, Let us now fear the LORD our God,
that giveth rain, both the former and the latter, in his season: he
reserveth unto us the appointed weeks of the harvest. |
24 En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu den HEERE, onzen God,
vrezen, Die den regen geeft, zo vroegen regen als spaden regen, op Zijn
tijd; [Die] ons de weken, de gezette tijden van den oogst, bewaart. |
|
JR 5:25 Uw ongerechtigheden weren deze dingen en uw zonden houden het
goede van u terug. |
25 Your iniquities have turned away these [things], and your sins have
withholden good [things] from you. |
25 Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat
goede van ulieden. |
|
JR 5:26 Want er worden onder mijn volk goddelozen gevonden; men loert,
zoals vogelvangers bukken; zij zetten een strik - mensen vangen zij! |
26 For among my people are found wicked [men]: they lay wait, as he
that setteth snares; they set a trap, they catch men. |
26 Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen
loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijken
strik, zij vangen de mensen. |
|
JR 5:27 Als een korf vol gevogelte, zo zijn hun huizen vol bedrog;
daarom zijn zij groot en rijk geworden, zij zijn vet en glanzend; |
27 As a cage is full of birds, so [are] their houses full of deceit:
therefore they are become great, and waxen rich. |
27 Gelijk een kouw vol is van gevogelte, alzo zijn hun huizen vol van
bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden. |
|
JR 5:28 zelfs gaan zij alle boosheid te buiten. Het pleit voeren zij
niet, het pleit van de wees, en zij hebben voorspoed; het recht der armen
richten zij niet. |
28 They are waxen fat, they shine: yea, they overpass the deeds of the
wicked: they judge not the cause, the cause of the fatherless, yet they
prosper; and the right of the needy do they not judge. |
28 Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te
boven; de rechtzaak richten zij niet, [zelfs] de rechtzaak des wezen,
nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der
nooddruftigen niet. |
|
JR 5:29 Zou Ik hierover geen bezoeking doen, luidt het woord des HEREN,
of zou Ik aan een volk als dit Mij niet wreken? |
29 Shall I not visit for these [things]? saith the LORD: shall not my
soul be avenged on such a nation as this? |
29 Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE; zou
Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? |
|
JR 5:30 Ontzettend en afschuwelijk is wat er voorvalt in het land; |
30 A wonderful and horrible thing is committed in the land; |
30 Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land. |
|
JR 5:31 de profeten profeteren vals en de priesters verschaffen zich
gewin nevens hen, en mijn volk heeft het gaarne zo. Maar wat zult gij
doen, als het op een einde loopt? |
31 The prophets prophesy falsely, and the priests bear rule by their
means; and my people love [to have it] so: and what will ye do in the end
thereof? |
31 De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun
handen; en Mijn volk heeft het gaarne alzo; maar wat zult gij ten einde
van dien maken? |
|
JR 6:1 Bergt u, gij Benjaminieten, uit Jeruzalem
vandaan. Blaast de bazuin in Tekoa, doet een rooksignaal opstijgen boven
Bet-Hakkerem! Want rampspoed doemt op uit het Noorden, een groot verderf. |
1 O ye children of Benjamin, gather yourselves to flee out of the midst
of Jerusalem, and blow the trumpet in Tekoa, and set up a sign of fire in
Bethhaccerem: for evil appeareth out of the north, and great destruction. |
1 Vlucht met hopen, gij kinderen van Benjamin! uit het midden van
Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te
Beth-Cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote
breuk. |
|
JR 6:2 Die bekoorlijke, die verwende verdelg Ik, de dochter Sions! |
2 I have likened the daughter of Zion to a comely and delicate [woman]. |
2 Ik heb [wel] de dochter Sions bij een schone en wellustige [vrouw]
vergeleken. |
|
JR 6:3 Tegen haar trekken op herders met hun kudden, zij slaan rondom
tegen haar tenten op, zij weiden af, ieder zover hij reiken kan. |
3 The shepherds with their flocks shall come unto her; they shall pitch
[their] tents against her round about; they shall feed every one in his
place. |
3 [Maar] er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen
tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een iegelijk zijn ruimte
afweiden. |
|
JR 6:4 "Heiligt de oorlog tegen haar; komt aan, laat ons oprukken
op de middag! Wee ons, want de dag verstrijkt, de avondschaduwen worden
langer; |
4 Prepare ye war against her; arise, and let us go up at noon. Woe unto
us! for the day goeth away, for the shadows of the evening are stretched
out. |
4 Heiligt den krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op
den middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de
avondschaduwen neigen zich. |
|
JR 6:5 komt aan, laat ons dan oprukken in de nacht en laat ons haar
paleizen verwoesten!" |
5 Arise, and let us go by night, and let us destroy her palaces. |
5 Maakt u op, en laat ons optrekken in den nacht, en haar paleizen
verderven! |
|
JR 6:6 Want zo zegt de HERE der heerscharen: Velt haar geboomte en
werpt tegen Jeruzalem een wal op; dit is de stad die een en al leugen is,
in wier midden afpersing tiert. |
6 For thus hath the LORD of hosts said, Hew ye down trees, and cast a
mount against Jerusalem: this [is] the city to be visited; she [is] wholly
oppression in the midst of her. |
6 Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Houwt bomen af, en werpt een
wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die bezocht zal worden; in het
midden van haar is enkel verdrukking. |
|
JR 6:7 Gelijk een bak zijn water fris houdt, zo houdt zij haar boosheid
fris; van geweld en onderdrukking wordt in haar gehoord, voor mijn oog
zijn voortdurend wonden en slagen. |
7 As a fountain casteth out her waters, so she casteth out her
wickedness: violence and spoil is heard in her; before me continually [is]
grief and wounds. |
7 Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid
op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is
steeds voor Mijn aangezicht. |
|
JR 6:8 Laat u tuchtigen, Jeruzalem, opdat Ik Mij niet van u losrukke,
opdat Ik u niet make tot een woestenij, een onbewoond land! |
8 Be thou instructed, O Jerusalem, lest my soul depart from thee; lest
I make thee desolate, a land not inhabited. |
8 Laat u tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken
worde, opdat Ik u niet stelle [tot] een woestheid, [tot] een onbewoond
land. |
|
JR 6:9 Zo zegt de HERE der heerscharen: Lees, lees het overblijfsel van
Israël als een wijnstok na; keer uw hand als een wijngaardenier tot de
ranken! |
9 Thus saith the LORD of hosts, They shall throughly glean the remnant
of Israel as a vine: turn back thine hand as a grapegatherer into the
baskets. |
9 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Zij zullen Israels overblijfsel
vlijtiglijk nalezen, gelijk een wijnstok; breng uw hand weder, gelijk een
wijnlezer, aan de korven. |
|
JR 6:10 Tot wie moet ik spreken en betuigen, dat zij horen? Zie, hun
oor is onbesneden, zodat zij niet kunnen luisteren; zie, het woord des
HEREN is hun tot een smaad, zij hebben daarin geen behagen. |
10 To whom shall I speak, and give warning, that they may hear? behold,
their ear [is] uncircumcised, and they cannot hearken: behold, the word of
the LORD is unto them a reproach; they have no delight in it. |
10 Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hun oor
is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord des
HEEREN is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe. |
|
JR 6:11 Zo ben ik dan vol van de grimmigheid des HEREN, ik heb mij
afgemat om haar in te houden. Giet haar uit over het kind op de straat en
over de kring der jongelingen tezamen! Want ook de man met de vrouw zal
gevangengenomen worden, de grijsaard met de oude van dagen; |
11 Therefore I am full of the fury of the LORD; I am weary with holding
in: I will pour it out upon the children abroad, and upon the assembly of
young men together: for even the husband with the wife shall be taken, the
aged with [him that is] full of days. |
11 Daarom ben ik vol van des HEEREN grimmigheid, ik ben moede geworden
van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderkens op de straat, en
over de vergadering der jongelingen te zamen; want zelfs de man met de
vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien, die vol is van dagen. |
|
JR 6:12 en hun huizen zullen overgaan aan anderen, akkers en vrouwen
tezamen, want Ik zal mijn hand uitstrekken tegen de inwoners van het land,
luidt het woord des HEREN. |
12 And their houses shall be turned unto others, [with their] fields
and wives together: for I will stretch out my hand upon the inhabitants of
the land, saith the LORD. |
12 En hun huizen zullen omgewend worden tot anderen, met te zamen de
akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners
dezes lands, spreekt de HEERE. |
|
JR 6:13 Want van klein tot groot zijn zij er allen op uit zich te
bevoordelen; allen, van profeet tot priester, plegen zij bedrog. |
13 For from the least of them even unto the greatest of them every one
[is] given to covetousness; and from the prophet even unto the priest
every one dealeth falsely. |
13 Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van
hen gierigheid, en van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een
ieder van hen valsheid. |
|
JR 6:14 Zij trachten de breuk van mijn volk op het lichtst te genezen
door te zeggen: Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is. |
14 They have healed also the hurt [of the daughter] of my people
slightly, saying, Peace, peace; when [there is] no peace. |
14 En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste,
zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. |
|
JR 6:15 Zij worden te schande, omdat zij gruwel bedreven hebben; toch
schamen zij zich in het minst niet, toch weten zij niet van blozen. Daarom
zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde dat Ik aan hen bezoeking
doe, zullen zij struikelen, zegt de HERE. |
15 Were they ashamed when they had committed abomination? nay, they
were not at all ashamed, neither could they blush: therefore they shall
fall among them that fall: at the time [that] I visit them they shall be
cast down, saith the LORD. |
15 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij
schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken;
daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken
zal, zullen zij struikelen, zegt de HEERE. |
|
JR 6:16 Zo zegt de HERE: Gaat staan aan de wegen, en ziet en vraagt
naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat gij die gaat en rust
vindt voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij willen die niet gaan. |
16 Thus saith the LORD, Stand ye in the ways, and see, and ask for the
old paths, where [is] the good way, and walk therein, and ye shall find
rest for your souls. But they said, We will not walk [therein]. |
16 Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de
oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij
rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen [daarin] niet
wandelen. |
|
JR 6:17 Ook heb Ik wachters over u gesteld: Luistert naar het geklank
der bazuin; maar zij zeggen: Wij willen niet luisteren. |
17 Also I set watchmen over you, [saying], Hearken to the sound of the
trumpet. But they said, We will not hearken. |
17 Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, [zeggende]: Luistert naar
het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. |
|
JR 6:18 Daarom hoort, o volkeren, en weet, o vergadering, wat in hen
is. |
18 Therefore hear, ye nations, and know, O congregation, what [is]
among them. |
18 Daarom hoort, gij heidenen! en verneem, o gij vergadering! wat onder
hen is. |
|
JR 6:19 Hoor, gij aarde, zie, Ik breng onheil over dit volk, de vrucht
van hun eigen overleggingen, want zij luisteren niet naar mijn woorden, en
mijn wet verwerpen zij. |
19 Hear, O earth: behold, I will bring evil upon this people, [even]
the fruit of their thoughts, because they have not hearkened unto my
words, nor to my law, but rejected it. |
19 Hoor toe, gij aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de
vrucht hunner gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet
verwerpen zij. |
|
JR 6:20 Waarom zou dan voor Mij wierook uit Seba komen en kalmoes uit
een ver land? Uw brandoffers geven Mij geen welgevallen en uw slachtoffers
zijn Mij niet aangenaam. |
20 To what purpose cometh there to me incense from Sheba, and the sweet
cane from a far country? your burnt offerings [are] not acceptable, nor
your sacrifices sweet unto me. |
20 Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste
kalmus uit verren lande? Uw brandofferen zijn [Mij] niet behagelijk, en uw
slachtofferen zijn Mij niet zoet. |
|
JR 6:21 Daarom, zo zegt de HERE: Zie, Ik leg dit volk struikelblokken
in de weg, waarover zij zullen struikelen, vaders en zonen tezamen; de ene
nabuur zal met de andere omkomen. |
21 Therefore thus saith the LORD, Behold, I will lay stumblingblocks
before this people, and the fathers and the sons together shall fall upon
them; the neighbour and his friend shall perish. |
21 Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal dit volk allerlei aanstoot
stellen; en daaraan zullen zich stoten te zamen vaders en kinderen, de
nabuur en zijn metgezel, en zullen omkomen. |
|
JR 6:22 Zo zegt de HERE: Zie, er komt een volk uit het Noorderland, een
grote natie maakt zich op van het uiterste der aarde. |
22 Thus saith the LORD, Behold, a people cometh from the north country,
and a great nation shall be raised from the sides of the earth. |
22 Zo zegt de HEERE: Ziet, er komt een volk uit het land van het
noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden der aarde. |
|
JR 6:23 Boog en spies omklemmen zij; meedogenloos is het en zonder
erbarmen. Hun rumoer bruist als de zee en zij rijden op paarden; het is
toegerust als een man voor de strijd, tegen u, dochter Sions! |
23 They shall lay hold on bow and spear; they [are] cruel, and have no
mercy; their voice roareth like the sea; and they ride upon horses, set in
array as men for war against thee, O daughter of Zion. |
23 Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed [volk], en zij
zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op
paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen
u, o dochter van Sion! |
|
JR 6:24 Wij hebben het gerucht ervan gehoord, onze handen zijn
verslapt; benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende. |
24 We have heard the fame thereof: our hands wax feeble: anguish hath
taken hold of us, [and] pain, as of a woman in travail. |
24 Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden;
benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende [vrouw]. |
|
JR 6:25 Ga niet uit op het veld en begeef u niet op de weg, want het
zwaard van de vijand is er, schrik van rondom! |
25 Go not forth into the field, nor walk by the way; for the sword of
the enemy [and] fear [is] on every side. |
25 Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op den weg; want des vijands
zwaard is er, schrik van rondom! |
|
JR 6:26 Dochter mijns volks, gord u een rouwkleed om en wentel u in as.
Bedrijf rouw als over een enig kind, een bittere weeklacht; want
onverhoeds komt de verwoester over ons. |
26 O daughter of my people, gird [thee] with sackcloth, and wallow
thyself in ashes: make thee mourning, [as for] an only son, most bitter
lamentation: for the spoiler shall suddenly come upon us. |
26 O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak
u rouw eens enigen [zoons], een zeer bitter misbaar; want de verstoorder
zal ons snellijk overkomen. |
|
JR 6:27 Tot een toetser heb Ik u onder mijn volk gezet, een
keurmeester, opdat gij hun weg zoudt kennen en toetsen. |
27 I have set thee [for] a tower [and] a fortress among my people, that
thou mayest know and try their way. |
27 Ik heb u onder Mijn volk gesteld, [tot] een wachttoren, [tot] een
vesting; opdat gij hun weg zoudt weten en proeven. |
|
JR 6:28 Allen zijn zij door en door weerbarstig, rondgaande met
kwaadsprekerij; koper en ijzer, verdorven zijn zij, allemaal. |
28 They [are] all grievous revolters, walking with slanders: [they are]
brass and iron; they [are] all corrupters. |
28 Zij zijn allen de afvalligsten der afvalligen, wandelende [in]
achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn altemaal verdervers. |
|
JR 6:29 De blaasbalg zucht, wat gereed uit het vuur komt, is lood;
tevergeefs smelt men almaar door, de bozen zijn niet af te scheiden. |
29 The bellows are burned, the lead is consumed of the fire; the
founder melteth in vain: for the wicked are not plucked away. |
29 De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te
vergeefs heeft [de] [smelter] zo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de bozen
niet afgetrokken zijn. |
|
JR 6:30 Verworpen zilver noemt men hen, want de HERE heeft hen
verworpen. |
30 Reprobate silver shall [men] call them, because the LORD hath
rejected them. |
30 Men noemt ze een verworpen zilver; want de HEERE heeft hen
verworpen. |
|
JR 7:1 Het woord, dat van de HERE tot Jeremia kwam: |
1 The word that came to Jeremiah from the LORD, saying, |
1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende: |
|
JR 7:2 Ga staan in de poort van het huis des HEREN, predik daar dit
woord en zeg: Hoort het woord des HEREN, o gans Juda, gij die door deze
poorten binnenkomt om u neder te buigen voor de HERE; |
2 Stand in the gate of the LORD'S house, and proclaim there this word,
and say, Hear the word of the LORD, all [ye of] Judah, that enter in at
these gates to worship the LORD. |
2 Sta in de poort van des HEEREN huis, en roep aldaar dit woord uit, en
zeg: Hoort des HEEREN woord, o gans Juda! gij, die door deze poorten
ingaat, om den HEERE aan te bidden. |
|
JR 7:3 zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Betert uw
handel en wandel, dan wil Ik u op deze plaats laten wonen. |
3 Thus saith the LORD of hosts, the God of Israel, Amend your ways and
your doings, and I will cause you to dwell in this place. |
3 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Maakt uw wegen en
uw handelingen goed, zo zal Ik ulieden doen wonen in deze plaats. |
|
JR 7:4 Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des HEREN
tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit! |
4 Trust ye not in lying words, saying, The temple of the LORD, The
temple of the LORD, The temple of the LORD, [are] these. |
4 Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des
HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze! |
|
JR 7:5 Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij
werkelijk onder elkander recht doet, |
5 For if ye throughly amend your ways and your doings; if ye throughly
execute judgment between a man and his neighbour; |
5 Maar indien gij uw wegen en uw handelingen waarlijk zult goed maken;
indien gij waarlijk zult recht doen tussen den man en tussen zijn naaste; |
|
JR 7:6 vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed
vergiet op deze plaats en andere goden niet achternaloopt, u tot onheil, |
6 [If] ye oppress not the stranger, the fatherless, and the widow, and
shed not innocent blood in this place, neither walk after other gods to
your hurt: |
6 De vreemdeling, wees en weduwe niet zult verdrukken, en geen
onschuldig bloed in deze plaats vergieten; en andere goden niet zult
nawandelen, ulieden ten kwade; |
|
JR 7:7 dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen
gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. |
7 Then will I cause you to dwell in this place, in the land that I gave
to your fathers, for ever and ever. |
7 Zo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat Ik uw vaderen gegeven
heb, doen wonen van eeuw tot eeuw. |
|
JR 7:8 Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder
bate. |
8 Behold, ye trust in lying words, that cannot profit. |
8 Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen. |
|
JR 7:9 Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de Baäl
offers ontsteken en andere goden achternalopen, die gij niet gekend hebt - |
9 Will ye steal, murder, and commit adultery, and swear falsely, and
burn incense unto Baal, and walk after other gods whom ye know not; |
9 Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk
zweren, en Baal roken, en andere goden nawandelen, die gij niet kent? |
|
JR 7:10 en komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit huis,
waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde
al deze gruwelen te bedrijven? |
10 And come and stand before me in this house, which is called by my
name, and say, We are delivered to do all these abominations? |
10 En [dan] komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar
Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te
doen? |
|
JR 7:11 Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een
rovershol? En Ik - zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord
des HEREN. |
11 Is this house, which is called by my name, become a den of robbers
in your eyes? Behold, even I have seen [it], saith the LORD. |
11 Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een
spelonk der moordenaren? Ziet, Ik heb [het] ook gezien, spreekt de HEERE. |
|
JR 7:12 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het
eerst mijn naam deed wonen, en ziet wat Ik daarmede gedaan heb om de
boosheid van mijn volk Israël. |
12 But go ye now unto my place which [was] in Shiloh, where I set my
name at the first, and see what I did to it for the wickedness of my
people Israel. |
12 Want gaat nu henen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn
Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb
vanwege de boosheid van Mijn volk Israel. |
|
JR 7:13 Nu dan, omdat gij al deze dingen gedaan hebt, luidt het woord
des HEREN, terwijl Ik tot u gesproken heb vroeg en laat, zonder dat gij
gehoor gegeven hebt, en Ik u geroepen heb, zonder dat gij hebt geantwoord, |
13 And now, because ye have done all these works, saith the LORD, and I
spake unto you, rising up early and speaking, but ye heard not; and I
called you, but ye answered not; |
13 En nu, omdat gijlieden al deze werken doet, spreekt de HEERE, en Ik
tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord
hebt, en Ik u geroepen, maar gij niet geantwoord hebt; |
|
JR 7:14 daarom zal Ik met het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen,
waarop gij uw vertrouwen stelt, en met de plaats die Ik aan u en uw
vaderen gegeven heb, doen gelijk Ik met Silo gedaan heb, |
14 Therefore will I do unto [this] house, which is called by my name,
wherein ye trust, and unto the place which I gave to you and to your
fathers, as I have done to Shiloh. |
14 Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop gij
vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen,
gelijk als Ik aan Silo gedaan heb. |
|
JR 7:15 en Ik zal u van voor mijn aangezicht wegwerpen, gelijk Ik al uw
broederen, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb. |
15 And I will cast you out of my sight, as I have cast out all your
brethren, [even] the whole seed of Ephraim. |
15 En Ik zal ulieden van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik al uw
broederen, het ganse zaad van Efraim, weggeworpen heb. |
|
JR 7:16 Gij nu, bid niet voor dit volk; zend voor hen geen smeking op
en geen gebed, en dring niet bij Mij aan, want Ik hoor naar u niet. |
16 Therefore pray not thou for this people, neither lift up cry nor
prayer for them, neither make intercession to me: for I will not hear
thee. |
16 Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed
voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen. |
|
JR 7:17 Ziet gij niet wat zij doen in de steden van Juda en op de
straten van Jeruzalem? |
17 Seest thou not what they do in the cities of Judah and in the
streets of Jerusalem? |
17 Ziet gij niet, wat zij doen in de steden van Juda, en op de straten
van Jeruzalem? |
|
JR 7:18 De kinderen rapen hout, de vaders steken vuur aan en de vrouwen
kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin des hemels en zij
brengen plengoffers aan andere goden teneinde Mij te krenken. |
18 The children gather wood, and the fathers kindle the fire, and the
women knead [their] dough, to make cakes to the queen of heaven, and to
pour out drink offerings unto other gods, that they may provoke me to
anger. |
18 De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de
vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth des
hemels, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te
doen. |
|
JR 7:19 Ben Ik het, die zij krenken? luidt het woord des HEREN. Doen
zij het zichzelf niet, tot beschaming van hun aangezicht? |
19 Do they provoke me to anger? saith the LORD: [do they] not [provoke]
themselves to the confusion of their own faces? |
19 Doen zij Mij verdriet aan? spreekt de HEERE. [Doen] [zij] [het]
zichzelven niet aan, tot beschaming huns aangezichts? |
|
JR 7:20 Daarom, zo zegt de Here HERE: Zie, mijn grimmige toorn giet
zich uit te dezer plaatse over mens en dier, over het geboomte des velds
en de vrucht van de bodem, en brandt zonder geblust te worden. |
20 Therefore thus saith the Lord GOD; Behold, mine anger and my fury
shall be poured out upon this place, upon man, and upon beast, and upon
the trees of the field, and upon the fruit of the ground; and it shall
burn, and shall not be quenched. |
20 Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn toorn en Mijn
grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over
de beesten, en over het geboomte des velds, en over de vrucht des
aardrijks; en zal branden, en niet uitgeblust worden. |
|
JR 7:21 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Voegt uw
brandoffers bij uw slachtoffers en eet vlees; |
21 Thus saith the LORD of hosts, the God of Israel; Put your burnt
offerings unto your sacrifices, and eat flesh. |
21 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Doet uw
brandofferen tot uw slachtofferen, en eet vlees. |
|
JR 7:22 want Ik heb tot uw vaderen, toen Ik hen uit het land Egypte
leidde, niet gesproken noch hun een gebod gegeven ter zake van brandoffer
en slachtoffer, |
22 For I spake not unto your fathers, nor commanded them in the day
that I brought them out of the land of Egypt, concerning burnt offerings
or sacrifices: |
22 Want Ik heb met uw vaderen, ten dage als Ik hen uit Egypteland
uitvoerde, niet gesproken, noch hun geboden van zaken des brandoffers of
slachtoffers. |
|
JR 7:23 maar dit gebod heb Ik hun gegeven: Hoort naar mijn stem, dan
zal Ik u tot een God en zult gij Mij tot een volk zijn, en wandelt op de
ganse weg die Ik u gebied, opdat het u welga. |
23 But this thing commanded I them, saying, Obey my voice, and I will
be your God, and ye shall be my people: and walk ye in all the ways that I
have commanded you, that it may be well unto you. |
23 Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende: Hoort naar Mijn stem,
zo zal Ik u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn; en
wandelt in al den weg, dien Ik u gebieden zal, opdat het u welga. |
|
JR 7:24 Doch zij hoorden niet, noch neigden hun oor, maar zij wandelden
naar de verstokte overleggingen van hun boos hart en keerden zich
achterwaarts en niet voorwaarts, |
24 But they hearkened not, nor inclined their ear, but walked in the
counsels [and] in the imagination of their evil heart, and went backward,
and not forward. |
24 Doch zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld
in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn
achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts. |
|
JR 7:25 van de dag af dat uw vaderen uit het land Egypte gingen tot op
deze dag. Ook zond Ik tot u al mijn knechten, de profeten, dagelijks,
vroeg en laat, |
25 Since the day that your fathers came forth out of the land of Egypt
unto this day I have even sent unto you all my servants the prophets,
daily rising up early and sending [them]: |
25 Van dien dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op
dezen dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten,
dagelijks vroeg op zijnde en zendende. |
|
JR 7:26 doch zij hoorden naar Mij niet noch neigden hun oor, maar
betoonden zich hardnekkiger dan hun vaderen. |
26 Yet they hearkened not unto me, nor inclined their ear, but hardened
their neck: they did worse than their fathers. |
26 Doch zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar
zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders. |
|
JR 7:27 Ook nu gij tot hen al deze woorden spreekt, horen zij niet naar
u, en nu gij tot hen roept, antwoorden zij u niet; |
27 Therefore thou shalt speak all these words unto them; but they will
not hearken to thee: thou shalt also call unto them; but they will not
answer thee. |
27 Ook zult gij al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u
niet horen; gij zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet
antwoorden. |
|
JR 7:28 zeg dus van hen: Dit is het volk dat niet hoort naar de stem
van de HERE, zijn God, en dat geen tuchtiging aanneemt; de oprechtheid is
verdwenen en teloorgegaan uit hun mond. |
28 But thou shalt say unto them, This [is] a nation that obeyeth not
the voice of the LORD their God, nor receiveth correction: truth is
perished, and is cut off from their mouth. |
28 Daarom zeg tot hen: Dit is het volk, dat naar de stem des HEEREN,
zijns Gods, niet hoort, en de tucht niet aanneemt; de waarheid is
ondergegaan, en uitgeroeid van hun mond. |
|
JR 7:29 Scheer uw hoofdhaar af en werp het weg, hef op de kale heuvels
een klaaglied aan: de HERE heeft verworpen en prijsgegeven het geslacht
waarop zijn verbolgenheid rust. |
29 Cut off thine hair, [O Jerusalem], and cast [it] away, and take up a
lamentation on high places; for the LORD hath rejected and forsaken the
generation of his wrath. |
29 Scheer uw hoofdhaar af, [o] [Jeruzalem]! en werp het weg, en verhef
een weeklacht op de hoge plaatsen; want de HEERE heeft het geslacht Zijner
verbolgenheid verworpen en verlaten. |
|
JR 7:30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan wat kwaad is in mijn
ogen, luidt het woord des HEREN; zij hebben hun gruwelen geplaatst in het
huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, |
30 For the children of Judah have done evil in my sight, saith the
LORD: they have set their abominations in the house which is called by my
name, to pollute it. |
30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan, dat kwaad is in Mijn ogen,
spreekt de HEERE; zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat
naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen. |
|
JR 7:31 en zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die zich in het dal
Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden,
hetgeen Ik niet geboden heb en wat in mijn hart niet is opgekomen. |
31 And they have built the high places of Tophet, which [is] in the
valley of the son of Hinnom, to burn their sons and their daughters in the
fire; which I commanded [them] not, neither came it into my heart. |
31 En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal des
zoons van Hinnom is, om hun zonen en hun dochteren met vuur te verbranden;
hetwelk Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. |
|
JR 7:32 Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat niet
meer gezegd zal worden: Tofet en dal Ben-Hinnom, maar: Moorddal; en men
zal in Tofet begraven bij gebrek aan plaats, |
32 Therefore, behold, the days come, saith the LORD, that it shall no
more be called Tophet, nor the valley of the son of Hinnom, but the valley
of slaughter: for they shall bury in Tophet, till there be no place. |
32 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat het niet meer zal
geheten worden Tofeth, noch dal des zoons van Hinnom, maar moorddal; en
zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn. |
|
JR 7:33 ja, de lijken van dit volk zullen het gevogelte des hemels en
het gedierte der aarde tot voedsel strekken, zonder dat iemand ze
verjaagt. |
33 And the carcases of this people shall be meat for the fowls of the
heaven, and for the beasts of the earth; and none shall fray [them] away. |
33 En de dode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en
het gedierte der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken. |
|
JR 7:34 En Ik zal in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem
doen verstommen de stem der vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem
van de bruidegom en de stem der bruid, want het land zal een verwoesting
zijn. |
34 Then will I cause to cease from the cities of Judah, and from the
streets of Jerusalem, the voice of mirth, and the voice of gladness, the
voice of the bridegroom, and the voice of the bride: for the land shall be
desolate. |
34 En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem
doen ophouden de stem der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem des
bruidegoms en de stem der bruid; want het land zal tot een verwoesting
worden. |
|
JR 8:1 Te dien tijde, luidt het woord des HEREN, zal
men de beenderen van de koningen en de beenderen van de vorsten van Juda,
de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de
beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen, |
1 At that time, saith the LORD, they shall bring out the bones of the
kings of Judah, and the bones of his princes, and the bones of the
priests, and the bones of the prophets, and the bones of the inhabitants
of Jerusalem, out of their graves: |
1 Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen der
koningen van Juda, en de beenderen hunner vorsten, en de beenderen der
priesteren, en de beenderen der profeten, en de beenderen der inwoners van
Jeruzalem, uit hun graven uithalen. |
|
JR 8:2 en ze uitspreiden voor de zon en de maan en het gehele heer des
hemels, die zij hebben liefgehad en gediend, die zij achternagelopen zijn
en gezocht hebben en waarvoor zij zich hebben neergebogen; zij zullen niet
bijeengezameld noch begraven worden, tot mest op de akker zullen zij zijn. |
2 And they shall spread them before the sun, and the moon, and all the
host of heaven, whom they have loved, and whom they have served, and after
whom they have walked, and whom they have sought, and whom they have
worshipped: they shall not be gathered, nor be buried; they shall be for
dung upon the face of the earth. |
2 En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor
het ganse heir des hemels, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die
zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor dewelke zij zich
nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot
mest op den aardbodem zullen zij zijn. |
|
JR 8:3 En de dood zal boven het leven verkozen worden door het ganse
overblijfsel, door hen die van dit boos geslacht zullen overblijven in
alle plaatsen waarheen Ik hen zal verdreven hebben, luidt het woord van de
HERE der heerscharen. |
3 And death shall be chosen rather than life by all the residue of them
that remain of this evil family, which remain in all the places whither I
have driven them, saith the LORD of hosts. |
3 En de dood zal voor het leven verkoren worden, bij het ganse
overblijfsel der overgeblevenen uit dit boze geslacht, in al de plaatsen
der overgeblevenen, waar Ik hen henengedreven zal hebben, spreekt de HEERE
der heirscharen. |
|
JR 8:4 Gij nu zult tot hen zeggen: Zo zegt de HERE: Zal men vallen en
niet weder opstaan, of zich afkeren en niet weder omkeren? |
4 Moreover thou shalt say unto them, Thus saith the LORD; Shall they
fall, and not arise? shall he turn away, and not return? |
4 Zeg wijders tot hen: Zo zegt de HEERE: Zal men vallen, en niet weder
opstaan? Zal men afkeren, en niet wederkeren? |
|
JR 8:5 Waarom is dan dit volk: de Afkerige, en Jeruzalem: Bestendige
Afkerigheid? Zij houden vast aan bedriegerij, zij weigeren zich te
bekeren. |
5 Why [then] is this people of Jerusalem slidden back by a perpetual
backsliding? they hold fast deceit, they refuse to return. |
5 Waarom keert [dan] dit volk te Jeruzalem af [met] een altoosdurende
afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keren. |
|
JR 8:6 Ik heb toegeluisterd en gehoord: zij spreken wat niet recht is,
niemand heeft berouw over zijn boosheid, dat hij zou zeggen: Wat heb ik
gedaan? Dravende keren allen zich af, gelijk een paard dat zich stort in
de strijd. |
6 I hearkened and heard, [but] they spake not aright: no man repented
him of his wickedness, saying, What have I done? every one turned to his
course, as the horse rusheth into the battle. |
6 Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is
niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan?
Een ieder keert zich om in zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in den
strijd. |
|
JR 8:7 Zelfs de ooievaar aan de hemel kent zijn vaste tijden en
tortelduif en zwaluw nemen de tijd van hun komst in acht, maar mijn volk
kent het recht des HEREN niet. |
7 Yea, the stork in the heaven knoweth her appointed times; and the
turtle and the crane and the swallow observe the time of their coming; but
my people know not the judgment of the LORD. |
7 Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een
tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar
Mijn volk weet het recht des HEEREN niet. |
|
JR 8:8 Hoe durft gij zeggen: Wij zijn wijs en de wet des HEREN is bij
ons? Voorwaar, zie, bedrieglijk heeft de leugenpen der schrijvers die
vervaardigd! |
8 How do ye say, We [are] wise, and the law of the LORD [is] with us?
Lo, certainly in vain made he [it]; the pen of the scribes [is] in vain. |
8 Hoe zegt gij dan: Wij zijn wijs en de wet des HEEREN is bij ons!
Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de valse pen der schriftgeleerden. |
|
JR 8:9 Te schande worden de wijzen, verslagen en verstrikt! Zie, het
woord des HEREN hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan
hebben? |
9 The wise [men] are ashamed, they are dismayed and taken: lo, they
have rejected the word of the LORD; and what wisdom [is] in them? |
9 De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben
des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben? |
|
JR 8:10 Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan
veroveraars. Want van klein tot groot zijn allen er op uit zich te
bevoordelen; allen, van profeet tot priester, plegen zij bedrog. |
10 Therefore will I give their wives unto others, [and] their fields to
them that shall inherit [them]: for every one from the least even unto the
greatest is given to covetousness, from the prophet even unto the priest
every one dealeth falsely. |
10 Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan [andere]
bezitters; want van den kleinste aan tot den grootste toe pleegt een ieder
van hen gierigheid; van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een
ieder van hen valsheid. |
|
JR 8:11 Zij trachten de breuk van de dochter mijns volks op het lichtst
te genezen door te zeggen: Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is. |
11 For they have healed the hurt of the daughter of my people slightly,
saying, Peace, peace; when [there is] no peace. |
11 En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste,
zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. |
|
JR 8:12 Zij worden te schande, omdat zij gruwel bedreven hebben; toch
schamen zij zich in het minst niet, en van blozen weten zij niet; daarom
zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde van hun bezoeking zullen
zij struikelen, zegt de HERE. |
12 Were they ashamed when they had committed abomination? nay, they
were not at all ashamed, neither could they blush: therefore shall they
fall among them that fall: in the time of their visitation they shall be
cast down, saith the LORD. |
12 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij
schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden;
daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde hunner bezoeking
zullen zij struikelen, zegt de HEERE. |
|
JR 8:13 Ik wil hun oogst inzamelen, luidt het woord des HEREN; er zijn
geen druiven aan de wijnstok en geen vijgen aan de vijgeboom, ja, het loof
verwelkt; en hetgeen Ik hun had gegeven, dat ontgaat hun. |
13 I will surely consume them, saith the LORD: [there shall be] no
grapes on the vine, nor figs on the fig tree, and the leaf shall fade; and
[the things that] I have given them shall pass away from them. |
13 Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de HEERE; er zijn geen
druiven aan den wijnstok, en geen vijgen aan den vijgeboom, ja, het blad
is afgevallen; en [de] [geboden], [die] Ik hun gegeven heb, die overtreden
zij. |
|
JR 8:14 Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u en laat ons naar de
versterkte steden gaan en daar omkomen. Want de HERE, onze God, doet ons
omkomen en drenkt ons met gifsap, omdat wij tegen de HERE gezondigd
hebben. |
14 Why do we sit still? assemble yourselves, and let us enter into the
defenced cities, and let us be silent there: for the LORD our God hath put
us to silence, and given us water of gall to drink, because we have sinned
against the LORD. |
14 Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de
vaste steden, en aldaar stilzwijgen; immers heeft ons de HEERE, onze God,
doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen den
HEERE gezondigd hebben. |
|
JR 8:15 Hoop op vrede, maar er is niets goeds; op een tijd van
genezing, maar zie, verschrikking! |
15 We looked for peace, but no good [came; and] for a time of health,
and behold trouble! |
15 Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van
genezing, maar ziet, er is verschrikking. |
|
JR 8:16 Van Dan uit is te horen het snuiven zijner paarden; door het
geluid van het hinniken zijner rossen beeft het gehele land; zij komen,
zij verslinden het land met al wat erop staat, de stad met wie erin wonen. |
16 The snorting of his horses was heard from Dan: the whole land
trembled at the sound of the neighing of his strong ones; for they are
come, and have devoured the land, and all that is in it; the city, and
those that dwell therein. |
16 Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord; het ganse land
beeft van het geluid der briesingen zijner sterken; en zij komen
daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin
wonen. |
|
JR 8:17 Want zie, Ik zend onder u giftige slangen, waartegen geen
bezwering baat; die zullen u bijten, luidt het woord des HEREN. |
17 For, behold, I will send serpents, cockatrices, among you, which
[will] not [be] charmed, and they shall bite you, saith the LORD. |
17 Want ziet, Ik zend slangen, basilisken onder ulieden, tegen dewelke
geen bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de HEERE. |
|
JR 8:18 Niet te lenigen is mijn kommer, mijn hart is zo ziek! |
18 [When] I would comfort myself against sorrow, my heart [is] faint in
me. |
18 Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij. |
|
JR 8:19 Hoor! hulpgeroep van de dochter mijns volks uit het land, wijd
en zijd: Is de HERE niet in Sion, of is haar Koning niet in haar? - Waarom
hebben zij Mij gekrenkt met hun beelden, met nietigheden uit den vreemde?
– |
19 Behold the voice of the cry of the daughter of my people because of
them that dwell in a far country: [Is] not the LORD in Zion? [is] not her
king in her? Why have they provoked me to anger with their graven images,
[and] with strange vanities? |
19 Ziet, de stem van het geschrei der dochteren mijns volks is uit zeer
verren lande: Is dan de HEERE niet te Sion, is haar koning niet bij haar?
Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden, met ijdelheden
der vreemden? |
|
JR 8:20 Voorbij is de oogst, ten einde de zomer, en wij zijn niet
verlost! |
20 The harvest is past, the summer is ended, and we are not saved. |
20 De oogst is voorbijgaande, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet
verlost. |
|
JR 8:21 Om de breuk van de dochter mijns volks ben ik gebroken, ik ga
in rouw, ontzetting heeft mij aangegrepen. |
21 For the hurt of the daughter of my people am I hurt; I am black;
astonishment hath taken hold on me. |
21 Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochter mijns volks; ik ga in
het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen. |
|
JR 8:22 Is er geen balsem in Gilead, of is daar geen heelmeester? Want
waarom is de wond van de dochter mijns volks niet geheeld? |
22 [Is there] no balm in Gilead; [is there] no physician there? why
then is not the health of the daughter of my people recovered? |
22 Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester aldaar? Want
waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen? |
|
JR 9:1 Ach, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een
bron van tranen, dat ik dag en nacht kon bewenen de verslagenen van de
dochter mijns volks! |
1 Oh that my head were waters, and mine eyes a fountain of tears, that
I might weep day and night for the slain of the daughter of my people! |
1 Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van
tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns
volks. |
|
JR 9:2 Ach, dat ik in de woestijn een nachtverblijf voor reizigers
wist, dat ik mijn volk kon verlaten en van hen weggaan; want allen zijn
zij echtbrekers, een troep trouwelozen; |
2 Oh that I had in the wilderness a lodging place of wayfaring men;
that I might leave my people, and go from them! for they [be] all
adulterers, an assembly of treacherous men. |
2 Och, dat ik in de woestijn een herberg der wandelaars had, zo zou ik
mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers,
een trouweloze hoop. |
|
JR 9:3 zij spannen hun tong als hun leugenboog en niet naar billijkheid
oefenen zij de macht in het land, want van het ene kwaad gaan zij over op
het andere, en Mij willen zij niet kennen, luidt het woord des HEREN. |
3 And they bend their tongues [like] their bow [for] lies: but they are
not valiant for the truth upon the earth; for they proceed from evil to
evil, and they know not me, saith the LORD. |
3 En zij spannen hun tong [als] hun boog [tot] leugen; zij worden
geweldig in het land, doch niet tot waarheid; want zij gaan voort van
boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt de HEERE. |
|
JR 9:4 Neemt u in acht, een ieder voor zijn naaste, en stelt op niet
één broeder uw vertrouwen, want iedere broeder is een aartsbedrieger, en
iedere vriend gaat rond met kwaadsprekerij. |
4 Take ye heed every one of his neighbour, and trust ye not in any
brother: for every brother will utterly supplant, and every neighbour will
walk with slanders. |
4 Wacht u, een iegelijk van zijn vriend, en vertrouwt niet op enigen
broeder; want elk broeder doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt
[in] achterklap. |
|
JR 9:5 De een leidt de ander om de tuin en waarheid spreken zij niet;
zij hebben hun tong gewend aan leugen spreken, met draaierij matten zij
zich af. |
5 And they will deceive every one his neighbour, and will not speak the
truth: they have taught their tongue to speak lies, [and] weary themselves
to commit iniquity. |
5 En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken
de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moede
met verkeerdelijk te handelen. |
|
JR 9:6 Hier woont onderdrukking op onderdrukking, bedrog op bedrog; zij
weigeren Mij te kennen, luidt het woord des HEREN. |
6 Thine habitation [is] in the midst of deceit; through deceit they
refuse to know me, saith the LORD. |
6 Uw woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij
te kennen, spreekt de HEERE. |
|
JR 9:7 Daarom, zo zegt de HERE der heerscharen: Zie, Ik smelt en toets
hen, want hoe moet Ik doen ten aanzien van de dochter mijns volks? |
7 Therefore thus saith the LORD of hosts, Behold, I will melt them, and
try them; for how shall I do for the daughter of my people? |
7 Daarom zegt de HEERE der heirscharen alzo: Ziet, Ik zal hen smelten
en zal hen beproeven; want hoe zou Ik [anders] doen ten aanzien der
dochter Mijns volks? |
|
JR 9:8 Een moordende pijl is hun tong, die bedrog spreekt; met zijn
mond spreekt men van vrede met zijn naaste, doch in zijn binnenste legt
men zijn hinderlaag. |
8 Their tongue [is as] an arrow shot out; it speaketh deceit: [one]
speaketh peaceably to his neighbour with his mouth, but in heart he layeth
his wait. |
8 Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met
zijn naaste [van] vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij
lagen. |
|
JR 9:9 Zou Ik hierover aan hen geen bezoeking doen, luidt het woord des
HEREN, of zou Ik aan een volk als dit Mij niet wreken? |
9 Shall I not visit them for these [things]? saith the LORD: shall not
my soul be avenged on such a nation as this? |
9 Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt de HEERE; zou Mijn
ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? |
|
JR 9:10 Over de bergen wil Ik een wenende treurzang aanheffen, en over
de dreven der steppe een klaaglied; want zij zijn doods geworden, omdat
niemand erdoor trekt en men er het blaten van de kudde niet hoort; zowel
het gevogelte des hemels als het vee zijn geweken, weggegaan. |
10 For the mountains will I take up a weeping and wailing, and for the
habitations of the wilderness a lamentation, because they are burned up,
so that none can pass through [them]; neither can [men] hear the voice of
the cattle; both the fowl of the heavens and the beast are fled; they are
gone. |
10 Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een
klaaglied over de herdershutten der woestijn; want zij zijn afgebrand, dat
er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogelen des
hemels aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan! |
|
JR 9:11 Ja, Ik zal Jeruzalem maken tot steenhopen, een schuilplaats
voor jakhalzen, en Ik zal de steden van Juda maken tot een woestenij,
zonder inwoners. |
11 And I will make Jerusalem heaps, [and] a den of dragons; and I will
make the cities of Judah desolate, without an inhabitant. |
11 En Ik zal Jeruzalem stellen tot [steen] hopen, [tot] een woning der
draken; en de steden van Juda zal Ik stellen [tot] een verwoesting, zonder
inwoner. |
|
JR 9:12 Wie is de wijze man, die dit begrijpt, hij, tot wie de mond des
HEREN gesproken heeft, dat hij het kan verkondigen? Waarom is het land te
gronde gegaan, doods geworden als de woestijn, waar niemand doorheen
trekt? |
12 Who [is] the wise man, that may understand this? and [who is he] to
whom the mouth of the LORD hath spoken, that he may declare it, for what
the land perisheth [and] is burned up like a wilderness, that none passeth
through? |
12 Wie is de wijze man, die dit versta? En tot wien heeft de mond des
HEEREN gesproken, dat hij het verkondige, waarom het land vergaan [en]
afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat? |
|
JR 9:13 De HERE zegt: Omdat zij mijn wet verlaten hebben, die Ik hun
had voorgelegd, en niet aan mijn stem gehoor gegeven noch daarnaar
gewandeld hebben, |
13 And the LORD saith, Because they have forsaken my law which I set
before them, and have not obeyed my voice, neither walked therein; |
13 En de HEERE zeide: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht
gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch
daarnaar gewandeld hebben; |
|
JR 9:14 maar gewandeld hebben naar de verstoktheid van hun hart, achter
de Baäls aan, zoals hun vaderen hun hadden geleerd. |
14 But have walked after the imagination of their own heart, and after
Baalim, which their fathers taught them: |
14 Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de
Baals, hetwelk hun vaders hun geleerd hadden. |
|
JR 9:15 Daarom, zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël:
Zie, Ik spijzig hen met alsem, Ik drenk hen met gifsap; |
15 Therefore thus saith the LORD of hosts, the God of Israel; Behold, I
will feed them, [even] this people, with wormwood, and give them water of
gall to drink. |
15 Daarom zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, alzo: Ziet, Ik
zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater; |
|
JR 9:16 Ik verstrooi hen onder de volkeren die zij niet kennen, zij
noch hun vaderen, Ik zend hun het zwaard achterna, totdat Ik aan hen een
einde zal gemaakt hebben. |
16 I will scatter them also among the heathen, whom neither they nor
their fathers have known: and I will send a sword after them, till I have
consumed them. |
16 En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend
hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden,
totdat Ik hen verteerd zal hebben. |
|
JR 9:17 Zo zegt de HERE der heerscharen: Let op, roept de klaagvrouwen,
dat zij komen, zendt tot de wijze vrouwen, dat zij komen, |
17 Thus saith the LORD of hosts, Consider ye, and call for the mourning
women, that they may come; and send for cunning [women], that they may
come: |
17 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Merkt daarop, en roept
klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt henen naar de wijze [vrouwen], dat
zij komen. |
|
JR 9:18 dat zij zich spoeden om over ons een weeklacht aan te heffen,
zodat onze ogen van tranen vloeien en onze oogleden van water stromen. |
18 And let them make haste, and take up a wailing for us, that our eyes
may run down with tears, and our eyelids gush out with waters. |
18 En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van
tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten. |
|
JR 9:19 Want het geluid van een weeklacht wordt gehoord uit Sion: Hoe
zijn wij vernield! Wij zijn ten zeerste te schande geworden, omdat wij het
land moeten verlaten, omdat zij onze woningen omwerpen. |
19 For a voice of wailing is heard out of Zion, How are we spoiled! we
are greatly confounded, because we have forsaken the land, because our
dwellings have cast [us] out. |
19 Want er is een stem van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij
verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten,
omdat zij onze woningen hebben omgeworpen. |
|
JR 9:20 Hoort dan, gij vrouwen, het woord des HEREN, en laat uw oor in
zich opnemen het woord uit zijn mond, leert uw dochters de weeklacht en
elkander het klaaglied: |
20 Yet hear the word of the LORD, O ye women, and let your ear receive
the word of his mouth, and teach your daughters wailing, and every one her
neighbour lamentation. |
20 Hoort dan des HEEREN woord, gij vrouwen! en uw oor ontvange het
woord Zijns monds, en leert uw dochters weeklagen, en elke een haar
metgezellin klaagliederen. |
|
JR 9:21 De dood is geklommen in onze vensters, hij is gekomen in onze
paleizen, om uit te roeien het kind van de straat, de jongelingen van de
pleinen; |
21 For death is come up into our windows, [and] is entered into our
palaces, to cut off the children from without, [and] the young men from
the streets. |
21 Want de dood is geklommen in onze vensteren, hij is in onze paleizen
gekomen, om de kinderkens uit te roeien van de wijken, de jongelingen van
de straten. |
|
JR 9:22 - Spreek, zo luidt het woord des HEREN - zodat vallen de lijken
der mensen als mest op het veld en als een garve achter de maaier, die
niemand opzamelt. |
22 Speak, Thus saith the LORD, Even the carcases of men shall fall as
dung upon the open field, and as the handful after the harvestman, and
none shall gather [them]. |
22 Spreek: Zo spreekt de HEERE: Ja, een dood lichaam des mensen zal
liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter den maaier, die
niemand opzamelt. |
|
JR 9:23 Zo zegt de HERE: De wijze roeme niet op zijn wijsheid, en de
sterke roeme niet op zijn kracht, de rijke roeme niet op zijn rijkdom, |
23 Thus saith the LORD, Let not the wise [man] glory in his wisdom,
neither let the mighty [man] glory in his might, let not the rich [man]
glory in his riches: |
23 Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en
de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet
in zijn rijkdom; |
|
JR 9:24 maar wie roemen wil, roeme hierin, dat hij verstand heeft en
Mij kent, dat Ik de HERE ben, die goedertierenheid, recht en gerechtigheid
op aarde doe; want daarin heb Ik behagen, luidt het woord des HEREN. |
24 But let him that glorieth glory in this, that he understandeth and
knoweth me, that I [am] the LORD which exercise lovingkindness, judgment,
and righteousness, in the earth: for in these [things] I delight, saith
the LORD. |
24 Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij
kent, dat Ik de HEERE ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op
de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt de HEERE. |
|
JR 9:25 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik
bezoeking zal doen over alle besnedenen die toch de voorhuid hebben; |
25 Behold, the days come, saith the LORD, that I will punish all [them
which are] circumcised with the uncircumcised; |
25 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking zal doen
over alle besnedenen, met degenen, die de voorhuid hebben; |
|
JR 9:26 over Egypte en Juda, Edom en de Ammonieten, Moab en allen, die
zich het haar rondom wegscheren, die in de woestijn wonen; want alle
volkeren zijn onbesneden, maar het gehele huis van Israël bestaat uit
onbesnedenen van hart. |
26 Egypt, and Judah, and Edom, and the children of Ammon, and Moab, and
all [that are] in the utmost corners, that dwell in the wilderness: for
all [these] nations [are] uncircumcised, and all the house of Israel [are]
uncircumcised in the heart. |
26 Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons,
en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de
woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het ganse
huis Israels heeft de voorhuid des harten. |
|
JR 10:1 Hoort het woord, dat de HERE tot u spreekt,
huis van Israël! |
1 Hear ye the word which the LORD speaketh unto you, O house of Israel: |
1 Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels! |
|
JR 10:2 Zó zegt de HERE: Gewent u niet aan de weg der volken en
schrikt niet voor de tekenen aan de hemel, omdat de volken daarvoor
schrikken. |
2 Thus saith the LORD, Learn not the way of the heathen, and be not
dismayed at the signs of heaven; for the heathen are dismayed at them. |
2 Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet
voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve
ontzetten. |
|
JR 10:3 Want de handelwijze der volken, die is nietigheid: want als een
stuk hout heeft men het uit het woud gehakt, - arbeid van werkmanshanden
met de bijl - |
3 For the customs of the people [are] vain: for [one] cutteth a tree
out of the forest, the work of the hands of the workman, with the axe. |
3 Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat
men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met
de bijl. |
|
JR 10:4 met zilver en goud siert men het op, met spijkers en hamers
maakt men het vast, zodat het niet waggelt. |
4 They deck it with silver and with gold; they fasten it with nails and
with hammers, that it move not. |
4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen
en met hameren, opdat het niet waggele. |
|
JR 10:5 Als een vogelverschrikker in een komkommerveld zijn zij, zij
spreken niet, zij moeten beslist gedragen worden, want zij kunnen geen
stap doen. Vreest voor hen niet, want zij doen geen kwaad, maar ook
goeddoen is er bij hen niet. |
5 They [are] upright as the palm tree, but speak not: they must needs
be borne, because they cannot go. Be not afraid of them; for they cannot
do evil, neither also [is it] in them to do good. |
5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet
spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest
niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen
bij hen. |
|
JR 10:6 Niemand is U gelijk, HERE! groot zijt Gij en groot is uw naam
in kracht! |
6 Forasmuch as [there is] none like unto thee, O LORD; thou [art]
great, and thy name [is] great in might. |
6 Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw
Naam in mogendheid. |
|
JR 10:7 Wie zou U niet vrezen, o Koning der volkeren? Want U komt het
toe, want onder al de wijzen der volken en onder al hun koningen is
niemand U gelijk! |
7 Who would not fear thee, O King of nations? for to thee doth it
appertain: forasmuch as among all the wise [men] of the nations, and in
all their kingdoms, [there is] none like unto thee. |
7 Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe;
omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk,
niemand U gelijk is. |
|
JR 10:8 Ja, met hen allen worden zij dom en dwaas, nietswaardige
vermaning, hout is het. |
8 But they are altogether brutish and foolish: the stock [is] a
doctrine of vanities. |
8 In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een
onderwijs der ijdelheden. |
|
JR 10:9 Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz, het
is het werk van de vakman en van de handen van de goudsmid, blauwpurper en
roodpurper is hun gewaad; het werk van deskundigen zijn zij geheel en al. |
9 Silver spread into plates is brought from Tarshish, and gold from
Uphaz, the work of the workman, and of the hands of the founder: blue and
purple [is] their clothing: they [are] all the work of cunning [men]. |
9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, [tot]
[een] werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en
purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen. |
|
JR 10:10 Doch de HERE is de waarachtige God, Hij is de levende God en
een eeuwig Koning; voor zijn toorn beeft de aarde en de volken kunnen zijn
gramschap niet verdragen. - |
10 But the LORD [is] the true God, he [is] the living God, and an
everlasting king: at his wrath the earth shall tremble, and the nations
shall not be able to abide his indignation. |
10 Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een
eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen
kunnen Zijn gramschap niet verdragen. |
|
JR 10:11 Zo zult gij tot hen zeggen: De goden, die de hemel en de aarde
niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder de hemel. - |
11 Thus shall ye say unto them, The gods that have not made the heavens
and the earth, [even] they shall perish from the earth, and from under
these heavens. |
11 (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de
aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen
hemel.) |
|
JR 10:12 Hij maakt de aarde door zijn kracht, Hij bereidt de wereld toe
door zijn wijsheid en breidt de hemel uit door zijn verstand. |
12 He hath made the earth by his power, he hath established the world
by his wisdom, and hath stretched out the heavens by his discretion. |
12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid
heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand. |
|
JR 10:13 Als Hij zijn stem doet horen, is er een geruis van water aan
de hemel en doet Hij dampen opstijgen van het einde der aarde; bliksemen
maakt Hij bij de regen, en wind doet hij voortkomen uit zijn
voorraadkamers. |
13 When he uttereth his voice, [there is] a multitude of waters in the
heavens, and he causeth the vapours to ascend from the ends of the earth;
he maketh lightnings with rain, and bringeth forth the wind out of his
treasures. |
13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den
hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt
de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn
schatkameren. |
|
JR 10:14 Verstomd staat ieder mens, zonder kennis; beschaamd staat
iedere goudsmid om het beeld, want leugen is zijn gietsel en er is geen
geest in hen; |
14 Every man is brutish in [his] knowledge: every founder is confounded
by the graven image: for his molten image [is] falsehood, and [there is]
no breath in them. |
14 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap
heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn
gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen. |
|
JR 10:15 nietigheid zijn zij, een bespottelijk maaksel; als aan hen
bezoeking gedaan wordt, gaan zij teniet. |
15 They [are] vanity, [and] the work of errors: in the time of their
visitation they shall perish. |
15 Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner
bezoeking zullen zij vergaan. |
|
JR 10:16 Maar Jakobs deel is niet als deze; Hij is de Formeerder van
alles, en Israël is de stam zijner erfenis: HERE der heerscharen is zijn
naam! |
16 The portion of Jacob [is] not like them: for he [is] the former of
all [things]; and Israel [is] the rod of his inheritance: The LORD of
hosts [is] his name. |
16 Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles,
en Israel is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam. |
|
JR 10:17 Raap van de aarde uw pak op, gij die in de belegering toeft. |
17 Gather up thy wares out of the land, O inhabitant of the fortress. |
17 Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting! |
|
JR 10:18 Want zo zegt de HERE: Zie, Ik slinger de inwoners van het land
ditmaal weg en Ik breng hen in benauwdheid, opdat zij vinden. |
18 For thus saith the LORD, Behold, I will sling out the inhabitants of
the land at this once, and will distress them, that they may find [it so]. |
18 Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal
wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden. |
|
JR 10:19 Wee mij om mijn breuk! Pijnlijk is mijn wonde. Ja, ik zeg:
Waarlijk, dit is een lijden, dat ik zal moeten dragen. |
19 Woe is me for my hurt! my wound is grievous: but I said, Truly this
[is] a grief, and I must bear it. |
19 O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had
gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal! |
|
JR 10:20 Mijn tent is vernield en al mijn koorden zijn losgerukt; mijn
kinderen zijn van mij weggegaan en zijn er niet; geen is er meer, die mijn
tent spant, mijn tentkleden opricht. |
20 My tabernacle is spoiled, and all my cords are broken: my children
are gone forth of me, and they [are] not: [there is] none to stretch forth
my tent any more, and to set up my curtains. |
20 Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn
kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer,
die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht. |
|
JR 10:21 Want verdwaasd zijn de herders, de HERE zoeken zij niet;
daarom hebben zij geen verstand en is heel hun kudde verstrooid. |
21 For the pastors are become brutish, and have not sought the LORD:
therefore they shall not prosper, and all their flocks shall be scattered. |
21 Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet
gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse
weide is verstrooid. |
|
JR 10:22 Hoor een gerucht! Zie, het komt! Een groot geraas uit het
Noorderland, om de steden van Juda te maken tot een woestenij, een
verblijfplaats van jakhalzen. |
22 Behold, the noise of the bruit is come, and a great commotion out of
the north country, to make the cities of Judah desolate, [and] a den of
dragons. |
22 Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land
van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een
verwoesting, een woning der draken. |
|
JR 10:23 Ik weet, o HERE, dat het niet aan de mens staat zijn weg te
kiezen, noch aan een man om te gaan en zijn schreden te richten. |
23 O LORD, I know that the way of man [is] not in himself: [it is] not
in man that walketh to direct his steps. |
23 Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij
een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte. |
|
JR 10:24 Tuchtig mij, HERE, doch naar recht; niet in uw toorn, opdat
Gij mij niet te gering maakt. |
24 O LORD, correct me, but with judgment; not in thine anger, lest thou
bring me to nothing. |
24 Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij
niet te niet maakt. |
|
JR 10:25 Stort uw gramschap uit over de volken die U niet kennen, over
de geslachten die uw naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob
verslonden, ja, verslonden en verteerd, en zij hebben zijn dreve tot een
woestenij gemaakt. |
25 Pour out thy fury upon the heathen that know thee not, and upon the
families that call not on thy name: for they have eaten up Jacob, and
devoured him, and consumed him, and have made his habitation desolate. |
25 Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en
over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob
opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning
verwoest. |
|
JR 11:1 Het woord, dat van de HERE tot Jeremia kwam: |
1 The word that came to Jeremiah from the LORD, saying, |
1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende: |
|
JR 11:2 Hoor de woorden van dit verbond en spreek tot de mannen van
Juda en de inwoners van Jeruzalem en zeg tot hen: |
2 Hear ye the words of this covenant, and speak unto the men of Judah,
and to the inhabitants of Jerusalem; |
2 Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen
van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
|
JR 11:3 Zo zegt de HERE, de God van Israël: Vervloekt zij de man die
niet hoort naar de woorden van dit verbond, |
3 And say thou unto them, Thus saith the LORD God of Israel; Cursed
[be] the man that obeyeth not the words of this covenant, |
3 Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Vervloekt zij de
man, die niet hoort de woorden deze verbonds. |
|
JR 11:4 dat Ik aan uw vaderen geboden heb ten dage dat Ik hen uit het
land Egypte, de ijzeroven, leidde met de woorden: Hoort naar mijn stem en
doet naar alles wat Ik u gebied, dan zult gij Mij tot een volk en zal Ik u
tot een God zijn, |
4 Which I commanded your fathers in the day [that] I brought them forth
out of the land of Egypt, from the iron furnace, saying, Obey my voice,
and do them, according to all which I command you: so shall ye be my
people, and I will be your God: |
4 Dat Ik uw vaderen geboden heb, ten dage als Ik hen uit Egypteland,
uit den ijzeroven, uitvoerde, zeggende: Zijt Mijner stem gehoorzaam, en
doet dezelve, naar alles wat Ik ulieden gebiede; zo zult gij Mij tot een
volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn; |
|
JR 11:5 opdat Ik de eed bevestige, die Ik aan uw vaderen gezworen heb,
dat Ik hun een land, vloeiende van melk en honig, zou geven, gelijk zij
heden hebben. Toen antwoordde ik en zeide: Amen, HERE. |
5 That I may perform the oath which I have sworn unto your fathers, to
give them a land flowing with milk and honey, as [it is] this day. Then
answered I, and said, So be it, O LORD. |
5 Opdat Ik den eed bevestige, dien Ik uw vaderen gezworen heb, hun te
geven een land, vloeiende van melk en honig, als het is te dezen dage.
Toen antwoordde ik en zeide: Amen, o HEERE! |
|
JR 11:6 Daarop zeide de HERE tot mij: Predik al deze woorden in de
steden van Juda en op de straten van Jeruzalem en zeg: Hoort de woorden
van dit verbond en doet ze. |
6 Then the LORD said unto me, Proclaim all these words in the cities of
Judah, and in the streets of Jerusalem, saying, Hear ye the words of this
covenant, and do them. |
6 En de HEERE zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van
Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes
verbonds, en doet dezelve. |
|
JR 11:7 Want nadrukkelijk heb Ik uw vaderen betuigd ten dage dat Ik hen
uit het land Egypte voerde tot op deze dag, vroeg en laat: Hoort naar mijn
stem. |
7 For I earnestly protested unto your fathers in the day [that] I
brought them up out of the land of Egypt, [even] unto this day, rising
early and protesting, saying, Obey my voice. |
7 Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, ten dage als Ik hen uit
Egypteland opvoerde, tot op dezen dag, vroeg op zijnde en betuigende,
zeggende: Hoort naar Mijn stem! |
|
JR 11:8 Maar zij hoorden niet, noch neigden hun oor, doch zij wandelden
allen in de verstoktheid van hun boos hart: dus bracht Ik over hen al de
woorden van dit verbond, dat Ik geboden had te houden, maar dat zij niet
hebben gehouden. |
8 Yet they obeyed not, nor inclined their ear, but walked every one in
the imagination of their evil heart: therefore I will bring upon them all
the words of this covenant, which I commanded [them] to do; but they did
[them] not. |
8 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben
gewandeld, een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos hart;
daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden dezes verbonds, dat Ik
geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben. |
|
JR 11:9 Verder zeide de HERE tot mij: Er wordt een samenzwering
gevonden onder de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. |
9 And the LORD said unto me, A conspiracy is found among the men of
Judah, and among the inhabitants of Jerusalem. |
9 Voorts zeide de HEERE tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder
de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem. |
|
JR 11:10 Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun
voorvaderen, die weigerden naar mijn woorden te horen, en zij zijn andere
goden achternagelopen om die te dienen; het huis van Israël en het huis
van Juda hebben het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten had,
verbroken. |
10 They are turned back to the iniquities of their forefathers, which
refused to hear my words; and they went after other gods to serve them:
the house of Israel and the house of Judah have broken my covenant which I
made with their fathers. |
10 Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen,
die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden
nagewandeld, om die te dienen; het huis Israels en het huis van Juda
hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb. |
|
JR 11:11 Daarom, zo zegt de HERE: Zie, Ik breng over hen rampspoed,
waaraan zij niet zullen kunnen ontkomen; als zij dan tot Mij schreeuwen,
zal Ik naar hen niet horen. |
11 Therefore thus saith the LORD, Behold, I will bring evil upon them,
which they shall not be able to escape; and though they shall cry unto me,
I will not hearken unto them. |
11 Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen,
uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen
roepen, zal Ik naar hen niet horen. |
|
JR 11:12 Laten de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem gaan
schreeuwen tot de goden voor welke zij offers ontstoken hebben; doch
redding zullen die hun niet brengen ten tijde van hun rampspoed. |
12 Then shall the cities of Judah and inhabitants of Jerusalem go, and
cry unto the gods unto whom they offer incense: but they shall not save
them at all in the time of their trouble. |
12 Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem
henengaan, en roepen tot de goden, dien zij gerookt hebben; maar zij
zullen hen gans niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads. |
|
JR 11:13 Want even talrijk als uw steden zijn uw goden, o Juda; even
talrijk als de straten van Jeruzalem de altaren die gij voor de schandgod
hebt opgericht, altaren om voor de Baäl offers te ontsteken. |
13 For [according to] the number of thy cities were thy gods, O Judah;
and [according to] the number of the streets of Jerusalem have ye set up
altars to [that] shameful thing, [even] altars to burn incense unto Baal. |
13 Want [naar] het getal uwer steden zijn uw goden geweest, o Juda! en
[naar] het getal der straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld
voor die schaamte, altaren om den Baal te roken. |
|
JR 11:14 Gij nu, bid niet voor dit volk; zend voor hen geen smeking op
en geen gebed, want Ik luister niet, wanneer zij tot Mij zullen roepen om
hun rampspoed. |
14 Therefore pray not thou for this people, neither lift up a cry or
prayer for them: for I will not hear [them] in the time that they cry unto
me for their trouble. |
14 Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed
voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot
Mij zullen roepen. |
|
JR 11:15 Wat heeft mijn geliefde in mijn huis te maken? Haar aanslag te
volvoeren? Zouden vele dingen, zou heilig vlees uw rampspoed aan u doen
voorbijgaan? Dan zoudt gij juichen! |
15 What hath my beloved to do in mine house, [seeing] she hath wrought
lewdness with many, and the holy flesh is passed from thee? when thou
doest evil, then thou rejoicest. |
15 Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis [te] [doen], dewijl zij die
schandelijke daad [met] velen doet, en het heilige vlees van u geweken is?
Wanneer gij kwaad [doet], dan springt gij op van vreugde. |
|
JR 11:16 Een groene olijf, schoon van prachtige vrucht, heeft de HERE u
genoemd; onder geluid van groot gedruis heeft een vuur zijn loof
aangestoken en zijn zijn takken verbrand. |
16 The LORD called thy name, A green olive tree, fair, [and] of goodly
fruit: with the noise of a great tumult he hath kindled fire upon it, and
the branches of it are broken. |
16 De HEERE had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van
liefelijke vruchten; [maar] [nu] heeft Hij met een geluid van een groot
geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijn takken zullen verbroken
worden. |
|
JR 11:17 Ja, de HERE der heerscharen, die u heeft geplant, heeft u met
rampspoed bedreigd wegens het kwaad, dat het huis van Israël en het huis
van Juda bedreven hebben, om Mij te krenken door voor de Baäl offers te
ontsteken. |
17 For the LORD of hosts, that planted thee, hath pronounced evil
against thee, for the evil of the house of Israel and of the house of
Judah, which they have done against themselves to provoke me to anger in
offering incense unto Baal. |
17 Want de HEERE der heirscharen, Die u heeft geplant, heeft een kwaad
over u uitgesproken; om der boosheid wil van het huis Israels en van het
huis van Juda, die zij onder zich bedrijven, om Mij te vertoornen, rokende
den Baal. |
|
JR 11:18 De HERE nu heeft het mij doen weten en zo bemerkte ik het:
toen hebt Gij mij hun daden laten zien! |
18 And the LORD hath given me knowledge [of it], and I know [it]: then
thou shewedst me their doings. |
18 De HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen
hebt Gij mij hun handelingen doen zien. |
|
JR 11:19 Ik zelf was als een argeloos lam, dat ter slachting geleid
wordt, en ik wist niet, dat zij zulke plannen tegen mij smeedden:
"Laat ons de boom met zijn vrucht verderven, laat ons hem uit het
land der levenden uitroeien, opdat aan zijn naam niet meer gedacht
worde!" |
19 But I [was] like a lamb [or] an ox [that] is brought to the
slaughter; and I knew not that they had devised devices against me,
[saying], Let us destroy the tree with the fruit thereof, and let us cut
him off from the land of the living, that his name may be no more
remembered. |
19 En ik was als een lam, [als] een os, die geleid wordt om te
slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten,
[zeggende]: Laat ons den boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem
uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht
worde. |
|
JR 11:20 Maar, HERE der heerscharen, rechtvaardige Rechter, die nieren
en hart toetst, ik zal uw wraak aan hen zien, want op U heb ik mijn
rechtszaak gewenteld! |
20 But, O LORD of hosts, that judgest righteously, that triest the
reins and the heart, let me see thy vengeance on them: for unto thee have
I revealed my cause. |
20 Maar, o HEERE der heirscharen, Gij rechtvaardige Rechter, Die de
nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb
ik mijn twistzaak ontdekt. |
|
JR 11:21 Daarom zegt de HERE aldus van de mannen van Anatot, die u naar
het leven staan en zeggen: Profeteer niet in de naam des HEREN, of gij
sterft door onze hand - |
21 Therefore thus saith the LORD of the men of Anathoth, that seek thy
life, saying, Prophesy not in the name of the LORD, that thou die not by
our hand: |
21 Daarom, zo zegt de HEERE van de mannen van Anathoth, die uw ziel
zoeken, zeggende: Profeteer niet in den Naam des HEEREN, opdat gij van
onze handen niet sterft. |
|
JR 11:22 daarom zegt de HERE der heerscharen aldus: Zie, Ik zal
bezoeking over hen doen; de jonge mannen zullen sterven door het zwaard,
hun zonen en dochters zullen sterven door de honger, |
22 Therefore thus saith the LORD of hosts, Behold, I will punish them:
the young men shall die by the sword; their sons and their daughters shall
die by famine: |
22 Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal bezoeking
over hen doen: de jongelingen zullen door het zwaard sterven, hun zonen en
hun dochteren zullen van honger sterven. |
|
JR 11:23 niemand van hen zal overblijven; want Ik zal onheil brengen
over de mannen van Anatot in het jaar van hun bezoeking. |
23 And there shall be no remnant of them: for I will bring evil upon
the men of Anathoth, [even] the year of their visitation. |
23 En zij zullen geen overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad
brengen over de mannen van Anathoth, [in] het jaar hunner bezoeking. |
|
JR 12:1 Het recht hebt Gij aan uw zijde, HERE, als
ik met U zou twisten; toch wil ik over rechtszaken met U spreken: Waarom
is de weg der goddelozen voorspoedig, en zijn zonder zorg allen die zich
trouweloos gedragen? |
1 Righteous [art] thou, O LORD, when I plead with thee: yet let me talk
with thee of [thy] judgments: Wherefore doth the way of the wicked
prosper? [wherefore] are all they happy that deal very treacherously? |
1 Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten;
ik zal nochtans [van] [Uw] oordelen met U spreken; waarom is der
goddelozen weg voorspoedig, [waarom] hebben zij rust, allen, die
trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven? |
|
JR 12:2 Gij hebt hen geplant, ook hebben zij wortel geschoten; zij
wassen, ook zetten zij vrucht. Nabij zijt Gij in hun mond, maar ver van
hun binnenste. |
2 Thou hast planted them, yea, they have taken root: they grow, yea,
they bring forth fruit: thou [art] near in their mouth, and far from their
reins. |
2 Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook
dragen zij vrucht; Gij zijt [wel] nabij in hun mond, maar verre van hun
nieren. |
|
JR 12:3 Gij, o HERE, kent mij toch, Gij ziet mij en toetst mijn
gezindheid jegens U. Ruk hen weg als slachtschapen en wijd hen voor de dag
der slachting. |
3 But thou, O LORD, knowest me: thou hast seen me, and tried mine heart
toward thee: pull them out like sheep for the slaughter, and prepare them
for the day of slaughter. |
3 Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, [dat]
[het] met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den
dag der doding. |
|
JR 12:4 Hoelang moet het land kwijnen en het gewas van het gehele veld
verdorren? Om de boosheid van hen die er wonen, is vee en gevogelte
verdwenen, want zij zeggen: Hij zal ons einde niet zien. |
4 How long shall the land mourn, and the herbs of every field wither,
for the wickedness of them that dwell therein? the beasts are consumed,
and the birds; because they said, He shall not see our last end. |
4 Hoe lang zal het land treuren, en het kruid des gansen velds
verdorren? Vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de
beesten en het gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet. |
|
JR 12:5 Als gij met voetgangers loopt, maken zij u moede; hoe zult gij
dan een wedloop beginnen met paarden? In een vredig land voelt gij u niet
veilig; hoe zult gij het dan maken in de pronk van de Jordaan? |
5 If thou hast run with the footmen, and they have wearied thee, then
how canst thou contend with horses? and [if] in the land of peace,
[wherein] thou trustedst, [they wearied thee], then how wilt thou do in
the swelling of Jordan? |
5 Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moede; hoe zult gij
u dan mengen met de paarden? Zo gij [alleenlijk] vertrouwt in een land van
vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan? |
|
JR 12:6 Want zelfs uw broeders en het huis uws vaders, zelfs zij zijn
trouweloos jegens u, zelfs zij roepen u luidkeels na; vertrouw hen niet,
wanneer zij vriendelijk tot u spreken. |
6 For even thy brethren, and the house of thy father, even they have
dealt treacherously with thee; yea, they have called a multitude after
thee: believe them not, though they speak fair words unto thee. |
6 Want ook uw broeders en uws vaders huis, ook diezelve handelen
trouwelooslijk tegen u; ook diezelve roepen u met volle [stem] achterna;
geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken. |
|
JR 12:7 Ik heb mijn huis verlaten, mijn erfdeel verworpen; Ik heb mijn
zielsgeliefde gegeven in de greep van haar vijanden. |
7 I have forsaken mine house, I have left mine heritage; I have given
the dearly beloved of my soul into the hand of her enemies. |
7 Ik heb Mijn huis verlaten, Ik heb Mijn erfenis laten varen; Ik heb de
beminde Mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven. |
|
JR 12:8 Mijn erfdeel was Mij geworden als een leeuw in het woud, het
had tegen Mij gebruld; daarom ben Ik het gaan haten. |
8 Mine heritage is unto me as a lion in the forest; it crieth out
against me: therefore have I hated it. |
8 Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft
haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat. |
|
JR 12:9 Een bontgevederde vogel was Mij mijn erfdeel; de roofvogels
komen er van alle kanten op af. Gaat heen, verzamelt al het gedierte des
velds, doet het komen om te eten! |
9 Mine heritage [is] unto me [as] a speckled bird, the birds round
about [are] against her; come ye, assemble all the beasts of the field,
come to devour. |
9 Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogelen zijn rondom
tegen haar; komt aan, verzamelt, al gij gedierte des velds, komt om te
eten! |
|
JR 12:10 Vele herders hebben mijn wijngaard verwoest, mijn akker
vertrapt, mijn kostelijke akker gemaakt tot een woeste steppe, |
10 Many pastors have destroyed my vineyard, they have trodden my
portion under foot, they have made my pleasant portion a desolate
wilderness. |
10 Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker
vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste
wildernis. |
|
JR 12:11 zij hebben hem tot een woestenij gemaakt; treurig, verwoest
ligt hij vóór Mij, verwoest is het gehele land; niemand echter neemt het
ter harte. |
11 They have made it desolate, [and being] desolate it mourneth unto
me; the whole land is made desolate, because no man layeth [it] to heart. |
11 Men heeft hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij
tot Mij; het ganse land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter
harte neemt. |
|
JR 12:12 Op alle kale heuvels in de woestijn zijn verwoesters gekomen,
want het zwaard des HEREN verslindt van het ene einde van het land tot het
andere, niemand heeft vrede. |
12 The spoilers are come upon all high places through the wilderness:
for the sword of the LORD shall devour from the [one] end of the land even
to the [other] end of the land: no flesh shall have peace. |
12 Op alle hoge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen, want
het zwaard des HEEREN verteert van het [ene] einde des lands tot aan het
[andere] einde des lands; er is geen vrede voor enig vlees. |
|
JR 12:13 Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid, zij hebben
zich afgetobd zonder enige bate. Ja, staat beschaamd over de opbrengst die
gij hebt verkregen ten gevolge van de brandende toorn des HEREN. |
13 They have sown wheat, but shall reap thorns: they have put
themselves to pain, [but] shall not profit: and they shall be ashamed of
your revenues because of the fierce anger of the LORD. |
13 Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich
gepijnigd, [maar] niet gevorderd; wordt alzo beschaamd vanwege ulieder
inkomsten, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN. |
|
JR 12:14 Zo zegt de HERE: Aangaande al de boze naburen, die losslaan op
het erfdeel, dat Ik aan mijn volk, aan Israël, ten erfdeel gegeven heb:
zie, Ik ruk hen weg van hun bodem, en het huis van Juda ruk Ik weg uit hun
midden. |
14 Thus saith the LORD against all mine evil neighbours, that touch the
inheritance which I have caused my people Israel to inherit; Behold, I
will pluck them out of their land, and pluck out the house of Judah from
among them. |
14 Alzo zegt de HEERE: Aangaande al Mijn boze naburen, die Mijn erfenis
aanroeren, dewelke Ik Mijn volke Israel erfelijk gegeven heb; ziet, Ik zal
hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hunlieder
midden uitrukken. |
|
JR 12:15 Maar nadat Ik hen heb weggerukt, zal Ik Mij weder over hen
erbarmen en hen terugbrengen, een ieder naar zijn erfdeel en een ieder
naar zijn land, |
15 And it shall come to pass, after that I have plucked them out I will
return, and have compassion on them, and will bring them again, every man
to his heritage, and every man to his land. |
15 En het zal geschieden, nadat Ik hen zal uitgerukt hebben, zo zal Ik
wederkeren, en Mij hunner ontfermen; en Ik zal hen wederbrengen, een
iegelijk tot zijn erfenis, en een iegelijk tot zijn land. |
|
JR 12:16 en als zij zich dan geheel gewennen aan de wegen van mijn
volk, zodat zij zweren bij mijn naam: Zo waar de HERE leeft!, gelijk zij
mijn volk eraan gewend hebben te zweren bij de Baäl, dan zullen zij te
midden van mijn volk gebouwd worden. |
16 And it shall come to pass, if they will diligently learn the ways of
my people, to swear by my name, The LORD liveth; as they taught my people
to swear by Baal; then shall they be built in the midst of my people. |
16 En het zal geschieden, indien zij de wegen Mijns volks vlijtiglijk
zullen leren, zwerende bij Mijn Naam: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE
leeft! gelijk als zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baal, zo
zullen zij in het midden Mijns volks gebouwd worden. |
|
JR 12:17 Maar als zij geen gehoor geven, dan zal Ik dat volk geheel en
al uitrukken en verdelgen, luidt het woord des HEREN. |
17 But if they will not obey, I will utterly pluck up and destroy that
nation, saith the LORD. |
17 Maar indien zij niet zullen horen, zo zal Ik diezelve natie ten
enenmale uitrukken en verdoen, spreekt de HEERE. |
|
JR 13:1 De HERE zeide tot mij aldus: Ga heen, koop u
een linnen gordel en doe die om uw middel, maar laat hem niet in water
komen. |
1 Thus saith the LORD unto me, Go and get thee a linen girdle, and put
it upon thy loins, and put it not in water. |
1 Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen, en koop u een linnen
gordel, en doe dien aan uw lenden, maar breng hem niet in het water. |
|
JR 13:2 En ik kocht de gordel naar het woord des HEREN en deed hem om
mijn middel. |
2 So I got a girdle according to the word of the LORD, and put [it] on
my loins. |
2 En ik kocht een gordel naar het woord des HEEREN, en ik deed dien aan
mijn lenden. |
|
JR 13:3 Toen kwam het woord des HEREN andermaal tot mij: |
3 And the word of the LORD came unto me the second time, saying, |
3 Toen geschiedde des HEEREN woord ten tweeden male tot mij, zeggende: |
|
JR 13:4 Neem de gordel die gij gekocht hebt, die gij om uw middel
draagt, en maak u op, ga naar Perat en verberg hem daar in een rotsspleet. |
4 Take the girdle that thou hast got, which [is] upon thy loins, and
arise, go to Euphrates, and hide it there in a hole of the rock. |
4 Neem den gordel, dien gij gekocht hebt, die aan uw lenden is, en maak
u op, [en] ga henen naar den Frath, en versteek dien aldaar in de klove
ener steenrots. |
|
JR 13:5 Dus ging ik heen en verborg hem in Perat, gelijk de HERE mij
geboden had. |
5 So I went, and hid it by Euphrates, as the LORD commanded me. |
5 Zo ging ik henen, en verstak dien bij den Frath, gelijk als de HEERE
mij geboden had. |
|
JR 13:6 Nu gebeurde het vele dagen later, dat de HERE tot mij zeide:
Maak u op, ga naar Perat en haal vandaar de gordel die Ik u geboden had
daar te verbergen. |
6 And it came to pass after many days, that the LORD said unto me,
Arise, go to Euphrates, and take the girdle from thence, which I commanded
thee to hide there. |
6 Het geschiedde nu ten einde van vele dagen, dat de HEERE tot mij
zeide: Maak u op, ga henen naar den Frath, en neem den gordel van daar,
dien Ik u geboden heb aldaar te versteken. |
|
JR 13:7 Toen ging ik naar Perat en zag rond en haalde de gordel van de
plaats waar ik hem verborgen had, en zie, de gordel was bedorven, hij
deugde nergens toe. |
7 Then I went to Euphrates, and digged, and took the girdle from the
place where I had hid it: and, behold, the girdle was marred, it was
profitable for nothing. |
7 Zo ging ik naar den Frath, en groef, en nam den gordel van de plaats,
alwaar ik dien verstoken had; en ziet, de gordel was verdorven en deugde
nergens toe. |
|
JR 13:8 Toen kwam het woord des HEREN tot mij: |
8 Then the word of the LORD came unto me, saying, |
8 Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: |
|
JR 13:9 Zo zegt de HERE: evenzo zal Ik verderven de glorie van Juda en
van Jeruzalem, die groot is. |
9 Thus saith the LORD, After this manner will I mar the pride of Judah,
and the great pride of Jerusalem. |
9 Zo zegt de HEERE: Alzo zal Ik verderven de hovaardij van Juda, en die
grote hovaardij van Jeruzalem. |
|
JR 13:10 Dit boze volk, dat weigert naar mijn woorden te horen, dat in
verstoktheid van hart wandelt, zodat zij andere goden zijn nagelopen om
die te dienen en zich daarvoor neder te buigen, dat zal worden gelijk deze
gordel, die nergens toe deugt. |
10 This evil people, which refuse to hear my words, which walk in the
imagination of their heart, and walk after other gods, to serve them, and
to worship them, shall even be as this girdle, which is good for nothing. |
10 Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het
goeddunken zijns harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te
dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze
gordel, die nergens toe deugt. |
|
JR 13:11 Want zoals de gordel kleeft aan het middel van een man, zo had
Ik het gehele huis van Israël en het gehele huis van Juda aan Mij doen
kleven, luidt het woord des HEREN, om Mij te zijn tot een volk, tot een
roem, een lof en een sieraad; maar zij hebben geen gehoor gegeven. |
11 For as the girdle cleaveth to the loins of a man, so have I caused
to cleave unto me the whole house of Israel and the whole house of Judah,
saith the LORD; that they might be unto me for a people, and for a name,
and for a praise, and for a glory: but they would not hear. |
11 Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden eens mans, alzo heb
Ik het ganse huis Israels en het ganse huis van Juda aan Mij doen kleven,
spreekt de HEERE, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot
lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord. |
|
JR 13:12 Spreek ook dit woord tot hen: Zo zegt de HERE, de God van
Israël: Alle kruiken zullen met wijn gevuld worden. Als zij tot u zeggen:
Weten wij niet heel wel, dat alle kruiken met wijn gevuld zullen worden? |
12 Therefore thou shalt speak unto them this word; Thus saith the LORD
God of Israel, Every bottle shall be filled with wine: and they shall say
unto thee, Do we not certainly know that every bottle shall be filled with
wine? |
12 Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Alle
flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten
wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden? |
|
JR 13:13 zeg dan tot hen: Zo zegt de HERE: Zie, Ik vul alle inwoners
van dit land, zowel de koningen, die op de troon van David zitten, als de
priesters, de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, met dronkenschap, |
13 Then shalt thou say unto them, Thus saith the LORD, Behold, I will
fill all the inhabitants of this land, even the kings that sit upon
David's throne, and the priests, and the prophets, and all the inhabitants
of Jerusalem, with drunkenness. |
13 Maar gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal alle
inwoners deze lands, zelfs de koningen, die op Davids troon zitten, en de
priesters, en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met
dronkenschap. |
|
JR 13:14 en Ik zal hen tegen elkander aan stukken slaan, vaders en
zonen tezamen, luidt het woord des HEREN; Ik zal geen deernis hebben, noch
sparen, noch Mij erbarmen, dat Ik hen niet zou verderven. |
14 And I will dash them one against another, even the fathers and the
sons together, saith the LORD: I will not pity, nor spare, nor have mercy,
but destroy them. |
14 En Ik zal hen in stukken slaan, den een tegen den ander, zo de
vaders als de kinderen te zamen, spreekt de HEERE; Ik zal niet verschonen
noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven. |
|
JR 13:15 Hoort en leent het oor, verheft u niet, want de HERE spreekt. |
15 Hear ye, and give ear; be not proud: for the LORD hath spoken. |
15 Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het
gesproken. |
|
JR 13:16 Bewijst de HERE uw God, eer, voordat Hij het donker doet
worden, voordat uw voeten zich stoten aan de bergen in de schemering, en
gij op licht hoopt, maar Hij dat tot diepe duisternis maakt, in donkerheid
verandert. |
16 Give glory to the LORD your God, before he cause darkness, and
before your feet stumble upon the dark mountains, and, while ye look for
light, he turn it into the shadow of death, [and] make [it] gross
darkness. |
16 Geeft eer den HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer
uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht,
en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid
zette. |
|
JR 13:17 Maar indien gij er niet naar horen wilt, zal mijn ziel in het
verborgene moeten wenen om de trots en mijn oog bitter schreien, ja van
tranen vloeien, omdat de kudde des HEREN is weggevoerd. |
17 But if ye will not hear it, my soul shall weep in secret places for
[your] pride; and mine eye shall weep sore, and run down with tears,
because the LORD'S flock is carried away captive. |
17 Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in
verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk
tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des HEEREN kudde gevankelijk is
weggevoerd. |
|
JR 13:18 Zeg tot de koning en tot de gebiedster: Zet u op de laagste
plaats, want uw sierlijke kroon is u van het hoofd gevallen. |
18 Say unto the king and to the queen, Humble yourselves, sit down: for
your principalities shall come down, [even] the crown of your glory. |
18 Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder;
want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald. |
|
JR 13:19 De steden van het Zuiden zijn gesloten en niemand doet open;
ontvolkt is Juda geheel en al, volkomen ontvolkt. |
19 The cities of the south shall be shut up, and none shall open
[them]: Judah shall be carried away captive all of it, it shall be wholly
carried away captive. |
19 De steden van het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze
opent; het ganse Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd. |
|
JR 13:20 Sla uw ogen op en zie wie daar komen uit het Noorden; waar is
de kudde, u gegeven, uw prachtig kleinvee? |
20 Lift up your eyes, and behold them that come from the north: where
[is] the flock [that] was given thee, thy beautiful flock? |
20 Hef uw ogen op, en zie, die daar van het noorden komen! waar is de
kudde, die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid? |
|
JR 13:21 Wat zult gij zeggen, als Hij over u tot een hoofd stelt hen,
die gij aan u hadt gewend als minnaars? Zullen u dan geen weeën
aangrijpen gelijk een barende vrouw? |
21 What wilt thou say when he shall punish thee? for thou hast taught
them [to be] captains, [and] as chief over thee: shall not sorrows take
thee, as a woman in travail? |
21 Wat zult gij zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar gij
hem geleerd hebt [tot] vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de
smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw? |
|
JR 13:22 En als gij bij uzelf zegt: Waarom treft mij dit! - om de
grootte uwer ongerechtigheid zijn uw slippen opgetild, uw hielen ontbloot. |
22 And if thou say in thine heart, Wherefore come these things upon me?
For the greatness of thine iniquity are thy skirts discovered, [and] thy
heels made bare. |
22 Wanneer gij dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen
bejegend? Om de veelheid uwer ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, [en]
uw hielen hebben geweld geleden. |
|
JR 13:23 Kan een Ethiopiër zijn huid veranderen, of een panter zijn
vlekken? Dan zoudt gij ook in staat zijn goed te doen, gij, die gewend
zijt kwaad te doen. |
23 Can the Ethiopian change his skin, or the leopard his spots? [then]
may ye also do good, that are accustomed to do evil. |
23 Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn
vlekken? [Zo] zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad
te doen. |
|
JR 13:24 Ja, Ik zal hen verstrooien als kaf, wegstuivend in de
woestijnwind. |
24 Therefore will I scatter them as the stubble that passeth away by
the wind of the wilderness. |
24 Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door
een wind der woestijn. |
|
JR 13:25 Dat is uw lot, het deel door Mij u toegemeten, luidt het woord
des HEREN, daar gij Mij hebt vergeten en op de leugen uw betrouwen
gesteld. |
25 This [is] thy lot, the portion of thy measures from me, saith the
LORD; because thou hast forgotten me, and trusted in falsehood. |
25 Dit zal uw lot, het deel uwer maten zijn van Mij, spreekt de HEERE;
gij, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt. |
|
JR 13:26 Ja, Ik zelf zal uw slippen omhoog tillen tot aan uw
aangezicht, zodat uw schande wordt gezien: |
26 Therefore will I discover thy skirts upon thy face, that thy shame
may appear. |
26 Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande
zal gezien worden. |
|
JR 13:27 uw echtbreuk en uw gehinnik, uw schandelijke ontucht. Op de
heuvels in het veld heb Ik uw gruwelen gezien; wee u, Jeruzalem, hoelang
zal het nog duren, eer gij rein wordt? |
27 I have seen thine adulteries, and thy neighings, the lewdness of thy
whoredom, [and] thine abominations on the hills in the fields. Woe unto
thee, O Jerusalem! wilt thou not be made clean? when [shall it] once [be]? |
27 Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op
heuvelen, in het veld; Ik heb uw verfoeiselen gezien; wee u, Jeruzalem!
zult gij niet rein worden? Hoe lang nog na dezen? |
|
JR 14:1 Hetgeen als woord des HEREN tot Jeremia kwam
met betrekking tot de grote droogte. |
1 The word of the LORD that came to Jeremiah concerning the dearth. |
1 Het woord des HEEREN, dat tot Jeremia geschied is, over de zaken der
grote droogte. |
|
JR 14:2 Juda treurt en zijn poorten zijn ineengezonken, zij liggen in
rouw ter aarde; het gejammer van Jeruzalem stijgt omhoog. |
2 Judah mourneth, and the gates thereof languish; they are black unto
the ground; and the cry of Jerusalem is gone up. |
2 Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart
gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op. |
|
JR 14:3 Hun aanzienlijken zenden hun geringen om water: zij komen bij
de bakken, zij vinden geen water, zij keren terug met ledige kruiken; zij
worden beschaamd en te schande en bedekken hun hoofd. |
3 And their nobles have sent their little ones to the waters: they came
to the pits, [and] found no water; they returned with their vessels empty;
they were ashamed and confounded, and covered their heads. |
3 En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot
de grachten, zij vinden geen water, zij komen [met] hun vaten ledig weder;
zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd. |
|
JR 14:4 Ter wille van de akker zijn zij terneergeslagen, omdat er geen
regen op de aarde is geweest; beschaamd zijn de akkerlieden, zij bedekken
hun hoofd. |
4 Because the ground is chapt, for there was no rain in the earth, the
plowmen were ashamed, they covered their heads. |
4 Omdat het aardrijk gescheurd is, dewijl er geen regen op de aarde is;
de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd. |
|
JR 14:5 Want zelfs de hinde in het veld verlaat het jong dat zij wierp,
omdat er geen groen is; |
5 Yea, the hind also calved in the field, and forsook [it], because
there was no grass. |
5 Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten [die],
omdat er geen jong gras is. |
|
JR 14:6 en de wilde ezels staan op de kale heuvels te happen naar lucht
gelijk de jakhalzen, hun ogen smachten, omdat er geen kruid groeit. |
6 And the wild asses did stand in the high places, they snuffed up the
wind like dragons; their eyes did fail, because [there was] no grass. |
6 En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen den wind
gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is. |
|
JR 14:7 Al getuigen onze ongerechtigheden tegen ons, HERE, doe het om
uws naams wil. Want vele zijn onze afdwalingen, tegen U hebben wij
gezondigd. |
7 O LORD, though our iniquities testify against us, do thou [it] for
thy name's sake: for our backslidings are many; we have sinned against
thee. |
7 Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE! doe [het]
om Uws Naams wil; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen
U gezondigd. |
|
JR 14:8 Hope Israëls, zijn Helper in tijd van nood, waarom zoudt Gij
zijn als een vreemdeling in het land, als een reiziger die slechts zijn
intrek neemt om te overnachten? |
8 O the hope of Israel, the saviour thereof in time of trouble, why
shouldest thou be as a stranger in the land, and as a wayfaring man [that]
turneth aside to tarry for a night? |
8 O Israels Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom
zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, [die]
[slechts] inkeert om te vernachten? |
|
JR 14:9 Waarom zoudt Gij zijn als een verbijsterd man, als een strijder
die niet kan helpen? Gij zijt toch in ons midden, HERE, uw naam is over
ons uitgeroepen, laat ons niet aan ons lot over! |
9 Why shouldest thou be as a man astonied, as a mighty man [that]
cannot save? yet thou, O LORD, [art] in the midst of us, and we are called
by thy name; leave us not. |
9 Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held, [die] niet
kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o HEERE! en wij zijn
naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet. |
|
JR 14:10 Zo zegt de HERE van dit volk: Zij hebben zo gaarne willen
omzwerven, zij hebben hun voeten niet gespaard. Daarom heeft de HERE geen
behagen in hen, nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken en hun zonden
bezoeken. |
10 Thus saith the LORD unto this people, Thus have they loved to
wander, they have not refrained their feet, therefore the LORD doth not
accept them; he will now remember their iniquity, and visit their sins. |
10 Alzo zegt de HEERE van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven,
zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft de HEERE geen
welgevallen aan hen, nu zal Hij hunner ongerechtigheden gedenken, en hun
zonden bezoeken. |
|
JR 14:11 En de HERE zeide tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede; |
11 Then said the LORD unto me, Pray not for this people for [their]
good. |
11 Wijders zeide de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede. |
|
JR 14:12 al vasten zij, Ik hoor niet naar hun geroep, en al brengen zij
brandoffer en spijsoffer, Ik heb in hen geen behagen, maar door het
zwaard, de honger en de pest maak Ik een einde aan hen. |
12 When they fast, I will not hear their cry; and when they offer burnt
offering and an oblation, I will not accept them: but I will consume them
by the sword, and by the famine, and by the pestilence. |
12 Ofschoon zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en
ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen
welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door den honger, en door de
pestilentie zal Ik hen verteren. |
|
JR 14:13 Toen zeide ik: Ach, Here HERE: zie, de profeten zeggen tot
hen: Gij zult geen zwaard zien en geen honger zal u treffen, maar een
ongestoorde vrede zal Ik u geven te dezer plaatse. |
13 Then said I, Ah, Lord GOD! behold, the prophets say unto them, Ye
shall not see the sword, neither shall ye have famine; but I will give you
assured peace in this place. |
13 Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, die profeten zeggen hun: Gij
zult geen zwaard zien, en gij zult geen honger hebben; maar Ik zal u een
gewissen vrede geven in deze plaats. |
|
JR 14:14 Maar de HERE zeide tot mij: Leugenachtig profeteren de
profeten in mijn naam, Ik heb hen niet gezonden, hun geen opdracht
gegeven, en niet tot hen gesproken; een leugengezicht, ijdele waarzeggerij
en bedriegerij van hun eigen hart profeteren zij u. |
14 Then the LORD said unto me, The prophets prophesy lies in my name: I
sent them not, neither have I commanded them, neither spake unto them:
they prophesy unto you a false vision and divination, and a thing of
nought, and the deceit of their heart. |
14 En de HEERE zeide tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn
Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen
gesproken; zij profeteren ulieden een vals gezicht, en waarzegging, en
nietigheid, en bedriegerij huns harten. |
|
JR 14:15 Daarom, zo zegt de HERE van de profeten die in mijn naam
profeteren, zonder dat Ik hen gezonden heb, en die zeggen: Zwaard noch
honger zal in dit land zijn - door het zwaard en de honger zullen die
profeten aan hun eind komen. |
15 Therefore thus saith the LORD concerning the prophets that prophesy
in my name, and I sent them not, yet they say, Sword and famine shall not
be in this land; By sword and famine shall those prophets be consumed. |
15 Daarom zegt de HEERE alzo: Aangaande de profeten, die in Mijn Naam
profeteren, daar Ik hen niet gezonden heb, en zij [dan] [nog] zeggen: Er
zal geen zwaard noch honger in dit land zijn; diezelve profeten zullen
door het zwaard en door den honger verteerd worden. |
|
JR 14:16 En het volk, waarvoor zij profeteren, zal op de straten van
Jeruzalem ten gevolge van de honger en het zwaard terneergeworpen liggen,
zonder dat hen iemand begraaft, zij, hun vrouwen, hun zonen en hun
dochters. Zo zal Ik hun boosheid over hen uitgieten. |
16 And the people to whom they prophesy shall be cast out in the
streets of Jerusalem because of the famine and the sword; and they shall
have none to bury them, them, their wives, nor their sons, nor their
daughters: for I will pour their wickedness upon them. |
16 En het volk, tot hetwelk zij profeteren, zullen op de straten van
Jeruzalem weggeworpen zijn vanwege den honger en het zwaard; en er zal
niemand zijn, die hen begrave, hen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun
dochteren; alzo zal Ik hun boosheid over hen uitstorten. |
|
JR 14:17 Spreek dus dit woord tot hen: Mijn ogen moeten van tranen
vloeien nacht en dag zonder tot rust te komen, want met een grote breuk is
de jonkvrouw, de dochter mijns volks, gebroken, met een zeer zware slag. |
17 Therefore thou shalt say this word unto them; Let mine eyes run down
with tears night and day, and let them not cease: for the virgin daughter
of my people is broken with a great breach, with a very grievous blow. |
17 Daarom zult gij dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van
tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw der
dochter Mijns volks is gebroken [met] een grote breuk, een plage, die zeer
smartelijk is. |
|
JR 14:18 Als ik uitga in het veld, ziedaar, de gevelden door het
zwaard; als ik kom in de stad, ziedaar, van honger verkwijnenden! Ja,
zelfs profeet en priester zwerven rond in het land en weten geen raad. |
18 If I go forth into the field, then behold the slain with the sword!
and if I enter into the city, then behold them that are sick with famine!
yea, both the prophet and the priest go about into a land that they know
not. |
18 Zo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard, en
zo ik in de stad komen, ziet daar de kranken van honger! Ja, zowel de
profeten als de priesters lopen om in het land, en weten niet. |
|
JR 14:19 Hebt Gij Juda dan geheel en al verworpen? Heeft uw ziel een
afkeer van Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, zodat er voor ons geen
genezing is? Hoop op vrede, maar er is niets goeds; op een tijd van
genezing, maar zie, verschrikking! |
19 Hast thou utterly rejected Judah? hath thy soul lothed Zion? why
hast thou smitten us, and [there is] no healing for us? we looked for
peace, and [there is] no good; and for the time of healing, and behold
trouble! |
19 Hebt Gij dan Juda ganselijk verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan
Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is? Men
wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing,
maar ziet, daar is verschrikking. |
|
JR 14:20 Wij kennen, HERE, onze goddeloosheid, de ongerechtigheid onzer
vaderen, dat wij tegen U gezondigd hebben. |
20 We acknowledge, O LORD, our wickedness, [and] the iniquity of our
fathers: for we have sinned against thee. |
20 HEERE! wij kennen onze goddeloosheid, [en] onzer vaderen
ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd. |
|
JR 14:21 Verwerp niet om uws naams wil, onteer niet uw heerlijke troon!
Gedenk; verbreek niet uw verbond met ons! |
21 Do not abhor [us], for thy name's sake, do not disgrace the throne
of thy glory: remember, break not thy covenant with us. |
21 Versmaad [ons] niet, om Uws Naams wil; werp den troon Uwer
heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons. |
|
JR 14:22 Zijn er onder de nietigheden der volken, die het laten
regenen? Of kan de hemel regenstromen geven? Zijt Gij dat niet, HERE, onze
God? Zo zullen wij op U hopen, want Gij doet dit alles. |
22 Are there [any] among the vanities of the Gentiles that can cause
rain? or can the heavens give showers? [art] not thou he, O LORD our God?
therefore we will wait upon thee: for thou hast made all these [things]. |
22 Zijn er onder de ijdelheden der heidenen, die doen regenen, of kan
de hemel druppelen geven? Zijt Gij die niet, o HEERE, onze God? Daarom
zullen wij op U wachten, want Gij doet al die dingen. |
|
JR 15:1 Maar de HERE zeide tot mij: Al stond Mozes
met Samuël vóór Mij, dan zou mijn ziel zich toch niet tot dit volk
neigen: weg met hen, uit mijn ogen, laat hen heengaan! |
1 Then said the LORD unto me, Though Moses and Samuel stood before me,
[yet] my mind [could] not [be] toward this people: cast [them] out of my
sight, and let them go forth. |
1 Maar de HEERE zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuel voor Mijn
aangezicht, zo zou [toch] Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg
van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan. |
|
JR 15:2 En als zij tot u zeggen: Waar moeten wij heengaan?, zeg dan tot
hen: Zo zegt de HERE: wie bestemd is ten dode, ten dode; wie bestemd is
ten zwaarde, ten zwaarde; wie bestemd is ten honger, ten honger; en wie
bestemd is ter gevangenschap, ter gevangenschap. |
2 And it shall come to pass, if they say unto thee, Whither shall we go
forth? then thou shalt tell them, Thus saith the LORD; Such as [are] for
death, to death; and such as [are] for the sword, to the sword; and such
as [are] for the famine, to the famine; and such as [are] for the
captivity, to the captivity. |
2 En het zal geschieden, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen
zullen wij uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zo zegt de HEERE: Wie ten
dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot den honger,
ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis! |
|
JR 15:3 Ja, Ik zal over hen vierderlei bezoeking brengen, luidt het
woord des HEREN: het zwaard om te doden, de honden om weg te slepen, het
gevogelte des hemels en het gedierte der aarde om te verslinden en te
verscheuren; |
3 And I will appoint over them four kinds, saith the LORD: the sword to
slay, and the dogs to tear, and the fowls of the heaven, and the beasts of
the earth, to devour and destroy. |
3 Want Ik zal bezoeking over hen doen [met] vier geslachten, spreekt de
HEERE: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met
het gevogelte des hemels, en met het gedierte der aarde, om op te eten en
te verderven. |
|
JR 15:4 en Ik zal hen maken tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken
der aarde, ter wille van Manasse, de zoon van Jechizkia, de koning van
Juda, om hetgeen hij gedaan heeft in Jeruzalem. |
4 And I will cause them to be removed into all kingdoms of the earth,
because of Manasseh the son of Hezekiah king of Judah, for [that] which he
did in Jerusalem. |
4 En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken der
aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om hetgeen hij
te Jeruzalem gedaan heeft. |
|
JR 15:5 Want wie zal medelijden met u hebben, Jeruzalem, wie zal u
beklagen? Wie zal van de weg afslaan om naar uw welstand te vragen? |
5 For who shall have pity upon thee, O Jerusalem? or who shall bemoan
thee? or who shall go aside to ask how thou doest? |
5 Want wie zou u verschonen, o Jeruzalem? of wie zou medelijden met u
hebben, of wie zou aftreden, om u naar vrede te vragen? |
|
JR 15:6 Gij hebt Mij verworpen, luidt het woord des HEREN, gij zijt
achterwaarts gegaan; dus strek Ik mijn hand tegen u uit en verdelg u: Ik
ben het berouwen moe. |
6 Thou hast forsaken me, saith the LORD, thou art gone backward:
therefore will I stretch out my hand against thee, and destroy thee; I am
weary with repenting. |
6 Gij hebt Mij verlaten, spreekt de HEERE; gij zijt achterwaarts
gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben
des berouwens moede geworden. |
|
JR 15:7 Ja, Ik wan hen met een wan in de poorten des lands; kinderloos,
teniet maak Ik mijn volk. Van hun wegen zijn zij niet teruggekeerd. |
7 And I will fan them with a fan in the gates of the land; I will
bereave [them] of children, I will destroy my people, [since] they return
not from their ways. |
7 En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten des lands; Ik heb
Mijn volk van kinderen beroofd [en] verdaan; zij zijn van hun wegen niet
wedergekeerd. |
|
JR 15:8 Talrijker worden Mij zijn weduwen dan het zand der zeeën; Ik
breng hun, over moeder en jongeling, een verwoester op de middag, Ik doe
onverhoeds op hen vallen angst en verschrikkingen. |
8 Their widows are increased to me above the sand of the seas: I have
brought upon them against the mother of the young men a spoiler at
noonday: I have caused [him] to fall upon it suddenly, and terrors upon
the city. |
8 Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand der zeeen; Ik heb hun
over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op den middag; Ik
heb [hem] haastelijk hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen. |
|
JR 15:9 Zij, die er zeven baarde, bezwijmt, zij valt in onmacht; haar
zon is ondergegaan, terwijl het nog dag was, zij is beschaamd en in haar
verwachtingen bedrogen. Ja, wat van hen nog rest, zal Ik aan het zwaard
overgeven, voor het oog van hun vijanden, luidt het woord des HEREN. |
9 She that hath borne seven languisheth: she hath given up the ghost;
her sun is gone down while [it was] yet day: she hath been ashamed and
confounded: and the residue of them will I deliver to the sword before
their enemies, saith the LORD. |
9 Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel
uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is
beschaamd en schaamrood geworden; en hunlieder overblijfsel zal Ik aan het
zwaard overgeven, voor het aangezicht hunner vijanden, spreekt de HEERE. |
|
JR 15:10 Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van
twist en gekrakeel voor het gehele land! Ik heb niet te leen gegeven en
men heeft mij niet te leen gegeven, toch vervloeken mij allen. |
10 Woe is me, my mother, that thou hast borne me a man of strife and a
man of contention to the whole earth! I have neither lent on usury, nor
men have lent to me on usury; [yet] every one of them doth curse me. |
10 Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist,
en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb [hun] niet op woeker
gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, [nog] vloekt mij een
ieder van hen. |
|
JR 15:11 De HERE zeide: Indien Ik u niet bevrijd ten goede! Indien Ik
ten tijde van rampspoed en benauwdheid de vijand niet tot u doe smeken! |
11 The LORD said, Verily it shall be well with thy remnant; verily I
will cause the enemy to entreat thee [well] in the time of evil and in the
time of affliction. |
11 De HEERE zeide: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn; zo Ik
niet, in de tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand
voor u tussenkome! |
|
JR 15:12 Zal ijzer breken? ijzer uit het noorden, en koper? |
12 Shall iron break the northern iron and the steel? |
12 Zal ook [enig] ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken? |
|
JR 15:13 Uw vermogen en uw schatten zal Ik ten buit geven, zonder
prijs, en dat om al uw zonden, ja, in uw gehele gebied, |
13 Thy substance and thy treasures will I give to the spoil without
price, and [that] for all thy sins, even in all thy borders. |
13 Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs;
en dat om al uw zonden, en in al uw landpalen. |
|
JR 15:14 en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land dat gij niet
kent, want een vuur is ontstoken in mijn toorn, dat over u zal branden. |
14 And I will make [thee] to pass with thine enemies into a land
[which] thou knowest not: for a fire is kindled in mine anger, [which]
shall burn upon you. |
14 En Ik zal [u] overvoeren met uw vijanden, in een land, [dat] gij
niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u
branden. |
|
JR 15:15 Gij weet het, HERE, gedenk mijner, sla acht op mij en neem
voor mij wraak op mijn vervolgers! Neem, door uw lankmoedigheid, mij niet
weg; weet, dat ik om Uwentwil smaad draag. |
15 O LORD, thou knowest: remember me, and visit me, and revenge me of
my persecutors; take me not away in thy longsuffering: know that for thy
sake I have suffered rebuke. |
15 O HEERE! Gij weet [het], gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij
van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid [over] [hen];
weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage. |
|
JR 15:16 Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, uw woord was
mij tot vreugde en blijdschap mijns harten; want uw naam is over mij
uitgeroepen, HERE, God der heerscharen. |
16 Thy words were found, and I did eat them; and thy word was unto me
the joy and rejoicing of mine heart: for I am called by thy name, O LORD
God of hosts. |
16 [Als] Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord
is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben
naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen! |
|
JR 15:17 Ik heb niet gezeten in een kring van lachers, om uitgelaten te
zijn; door uw hand was ik eenzaam neergezeten, want Gij hadt mij met
gramschap vervuld. |
17 I sat not in the assembly of the mockers, nor rejoiced; I sat alone
because of thy hand: for thou hast filled me with indignation. |
17 Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde
opgesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij
[met] gramschap vervuld. |
|
JR 15:18 Waarom is mijn pijn altoosdurend en mijn wond ongeneeslijk, en
wil zij zich niet laten helen? Gij zijt mij waarlijk als een uitdrogende
beek, water waarop geen staat valt te maken. |
18 Why is my pain perpetual, and my wound incurable, [which] refuseth
to be healed? wilt thou be altogether unto me as a liar, [and as] waters
[that] fail? |
18 Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij
weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een
leugenachtige, [als] wateren, [die] niet bestendig zijn? |
|
JR 15:19 Daarom, zo zegt de HERE: Indien gij terugkeert, zal Ik u doen
terugkeren; dan zult gij vóór Mij staan; en indien gij uitspreekt wat
waarde heeft, zonder vermetele taal, zult gij als mijn mond zijn. Laten
zij zich tot u keren, maar gij zult u tot hen niet keren. |
19 Therefore thus saith the LORD, If thou return, then will I bring
thee again, [and] thou shalt stand before me: and if thou take forth the
precious from the vile, thou shalt be as my mouth: let them return unto
thee; but return not thou unto them. |
19 Daarom zegt de HEERE alzo: Zo gij zult wederkeren, zo zal Ik u doen
wederkeren; gij zult voor Mijn aangezicht staan; en zo gij het kostelijke
van het snode uittrekt, zult gij als Mijn mond zijn; laat hen tot u
wederkeren, maar gij zult tot hen niet wederkeren. |
|
JR 15:20 Dan zal Ik u voor dit volk maken tot een koperen, onneembare
muur, en zij zullen tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben
met u om u te helpen en te bevrijden, luidt het woord des HEREN. |
20 And I will make thee unto this people a fenced brasen wall: and they
shall fight against thee, but they shall not prevail against thee: for I
[am] with thee to save thee and to deliver thee, saith the LORD. |
20 Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur;
zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u,
om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de HEERE. |
|
JR 15:21 Ja, Ik zal u bevrijden uit de hand der bozen, u verlossen uit
de vuist der geweldenaars. |
21 And I will deliver thee out of the hand of the wicked, and I will
redeem thee out of the hand of the terrible. |
21 Ja, Ik zal u rukken uit de hand der bozen, en Ik zal u verlossen uit
de handpalm der tirannen. |
|
JR 16:1 Ook kwam het woord des HEREN tot mij: |
1 The word of the LORD came also unto me, saying, |
1 En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: |
|
JR 16:2 Gij zult u geen vrouw nemen en gij zult geen zonen of dochters
hebben te dezer plaatse; |
2 Thou shalt not take thee a wife, neither shalt thou have sons or
daughters in this place. |
2 Gij zult u geen vrouw nemen, en gij zult geen zonen noch dochteren
hebben in deze plaats. |
|
JR 16:3 want zo zegt de HERE van de zonen en de dochters, die te dezer
plaatse geboren worden, en van hun moeders die hen baren, en van hun
vaders die hen verwekken, in dit land: |
3 For thus saith the LORD concerning the sons and concerning the
daughters that are born in this place, and concerning their mothers that
bare them, and concerning their fathers that begat them in this land; |
3 Want zo zegt de HEERE van de zonen en van de dochteren, die in deze
plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun
vaders, die ze gewinnen in dit land: |
|
JR 16:4 Aan dodelijke ziekten zullen zij sterven, zij zullen niet
beklaagd noch begraven worden, tot mest op de akker zullen zij zijn; of
door het zwaard en de honger zullen zij aan hun eind komen, en hun lijken
zullen tot voedsel zijn voor het gevogelte des hemels en het gedierte der
aarde. |
4 They shall die of grievous deaths; they shall not be lamented;
neither shall they be buried; [but] they shall be as dung upon the face of
the earth: and they shall be consumed by the sword, and by famine; and
their carcases shall be meat for the fowls of heaven, and for the beasts
of the earth. |
4 Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch
begraven worden, zij zullen tot mest op den aardbodem zijn, en zij zullen
door het zwaard en door den honger verteerd worden, en hun dode lichamen
zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn. |
|
JR 16:5 Want zo zegt de HERE: Gij moogt geen klaaghuis binnentreden,
gij moogt niet gaan om rouwbeklag te doen en hun geen deelneming betonen,
want Ik neem van dit volk mijn vrede weg, luidt het woord des HEREN, de
genade en het erbarmen! |
5 For thus saith the LORD, Enter not into the house of mourning,
neither go to lament nor bemoan them: for I have taken away my peace from
this people, saith the LORD, [even] lovingkindness and mercies. |
5 Want zo zegt de HEERE: Ga niet in het huis desgenen, die een
rouwmaaltijd houdt, en ga niet henen om te rouwklagen, en heb geen
medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt de HEERE) weggenomen
Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden; |
|
JR 16:6 Groten en kleinen zullen in dit land sterven zonder begraven te
worden, men zal hen niet beklagen en niemand zal zich om hen insnijdingen
maken of zich kaal scheren; |
6 Both the great and the small shall die in this land: they shall not
be buried, neither shall [men] lament for them, nor cut themselves, nor
make themselves bald for them: |
6 Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet
begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden,
noch kaal maken om hunnentwil. |
|
JR 16:7 men zal geen brood breken ten rouw om iemand te troosten over
een dode, men zal hun ook geen troostbeker te drinken geven om iemands
vader of moeder. |
7 Neither shall [men] tear [themselves] for them in mourning, to
comfort them for the dead; neither shall [men] give them the cup of
consolation to drink for their father or for their mother. |
7 Ook zal men hun niets uitdelen over den rouw, om iemand te troosten
over een dode; noch hun te drinken geven uit den troostbeker, over iemands
vader of over iemands moeder. |
|
JR 16:8 Gij moogt ook geen huis van feestgelag binnentreden om bij hen
te zitten en te eten en te drinken; |
8 Thou shalt not also go into the house of feasting, to sit with them
to eat and to drink. |
8 Ga ook niet in een huis des maaltijds, om bij hen te zitten, om te
eten en te drinken. |
|
JR 16:9 want zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Zie,
Ik doe in deze plaats voor uw ogen en in uw dagen verstommen de stem der
vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem
der bruid! |
9 For thus saith the LORD of hosts, the God of Israel; Behold, I will
cause to cease out of this place in your eyes, and in your days, the voice
of mirth, and the voice of gladness, the voice of the bridegroom, and the
voice of the bride. |
9 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal
van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de
stem der vreugde en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de
stem der bruid. |
|
JR 16:10 Wanneer gij nu aan dit volk al deze woorden verkondigt, en zij
tot u zeggen: Waarom heeft de HERE al dit groot onheil over ons
uitgesproken, wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde, waarmede
wij tegen de HERE, onze God, gezondigd hebben - |
10 And it shall come to pass, when thou shalt shew this people all
these words, and they shall say unto thee, Wherefore hath the LORD
pronounced all this great evil against us? or what [is] our iniquity? or
what [is] our sin that we have committed against the LORD our God? |
10 En het zal geschieden, als gij dit volk al deze woorden zult
aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt de HEERE al dit grote kwaad
over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen
den HEERE, onzen God, gezondigd hebben? |
|
JR 16:11 dan zult gij tot hen zeggen: Omdat uw vaderen Mij hebben
verlaten, luidt het woord des HEREN, en andere goden zijn achternagelopen
en die hebben gediend en zich voor die hebben nedergebogen, en Mij hebben
verlaten en mijn wet niet hebben gehouden, |
11 Then shalt thou say unto them, Because your fathers have forsaken
me, saith the LORD, and have walked after other gods, and have served
them, and have worshipped them, and have forsaken me, and have not kept my
law; |
11 Dat gij tot hen zult zeggen: Omdat uw vaders Mij verlaten hebben,
spreekt de HEERE, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en
zich voor die nedergebogen; maar Mij verlaten, en Mijn wet niet gehouden
hebben; |
|
JR 16:12 en omdat gij nog erger hebt gedaan dan uw vaderen, doordat
ieder van u wandelt naar de verstoktheid van zijn boos hart in plaats van
naar Mij te horen, |
12 And ye have done worse than your fathers; for, behold, ye walk every
one after the imagination of his evil heart, that they may not hearken
unto me: |
12 En gijlieden erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, gijlieden
wandelt, een iegelijk naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij
niet te horen. |
|
JR 16:13 daarom zal Ik u wegslingeren uit dit land naar een land dat
gij niet hebt gekend, gij noch uw vaderen, en daar zult gij andere goden
dienen dag en nacht, doordat Ik u geen genade zal bewijzen. |
13 Therefore will I cast you out of this land into a land that ye know
not, [neither] ye nor your fathers; and there shall ye serve other gods
day and night; where I will not shew you favour. |
13 Daarom zal Ik ulieden uit dit land werpen, in een land, dat gij niet
gekend hebt, gij noch uw vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen,
dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven. |
|
JR 16:14 Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat
niet meer zal gezegd worden: Zo waar de HERE leeft, die de Israëlieten
uit het land Egypte heeft gebracht, |
14 Therefore, behold, the days come, saith the LORD, that it shall no
more be said, The LORD liveth, that brought up the children of Israel out
of the land of Egypt; |
14 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat er niet meer zal
gezegd worden: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft, Die de kinderen
Israels uit Egypteland heeft opgevoerd! |
|
JR 16:15 maar veeleer: Zo waar de HERE leeft, die de Israëlieten heeft
doen optrekken uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen
verdreven had; ja, Ik zal hen terugbrengen in het land dat Ik aan hun
vaderen gegeven had. |
15 But, The LORD liveth, that brought up the children of Israel from
the land of the north, and from all the lands whither he had driven them:
and I will bring them again into their land that I gave unto their
fathers. |
15 Maar: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft, Die de kinderen
Israels heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen
waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land,
dat Ik hun vaderen gegeven heb. |
|
JR 16:16 Zie, Ik ontbied vele vissers, luidt het woord des HEREN, die
hen zullen opvissen, en daarna zal Ik vele jagers ontbieden, die hen
zullen opjagen van elke berg en elke heuvel, en uit de rotskloven; |
16 Behold, I will send for many fishers, saith the LORD, and they shall
fish them; and after will I send for many hunters, and they shall hunt
them from every mountain, and from every hill, and out of the holes of the
rocks. |
16 Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt de HEERE, die zullen
hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen,
van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven der
steenrotsen. |
|
JR 16:17 want mijn ogen zijn op al hun wegen, deze zijn voor Mij niet
verborgen, en hun ongerechtigheid is voor mijn ogen niet bedekt. |
17 For mine eyes [are] upon all their ways: they are not hid from my
face, neither is their iniquity hid from mine eyes. |
17 Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht
niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen. |
|
JR 16:18 Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel
vergelden, omdat zij mijn land hebben ontwijd met het aas van hun gruwelen
en afschuwelijkheden, waarmede zij mijn erfdeel hebben vervuld. |
18 And first I will recompense their iniquity and their sin double;
because they have defiled my land, they have filled mine inheritance with
the carcases of their detestable and abominable things. |
18 Dies zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden,
omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode
lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld. |
|
JR 16:19 HERE, mijn sterkte en mijn burcht, mijn toevlucht ten dage der
benauwdheid, tot U zullen volken komen van de einden der aarde en zeggen:
Enkel leugen hebben onze vaderen bezeten, nietigheid, waaronder niet
één, die baat kon brengen. |
19 O LORD, my strength, and my fortress, and my refuge in the day of
affliction, the Gentiles shall come unto thee from the ends of the earth,
and shall say, Surely our fathers have inherited lies, vanity, and
[things] wherein [there is] no profit.
|
19 O HEERE! Gij zijt mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht
ten dage der benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden der
aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, [en]
ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed. |
|
JR 16:20 Zou een mens zich goden maken? Maar dat zijn geen goden! |
20 Shall a man make gods unto himself, and they [are] no gods? |
20 Zal een mens zich goden maken? Zij zijn toch geen goden. |
|
JR 16:21 Daarom zie, Ik laat hen ditmaal gewaarworden, Ik laat hen
gewaarworden mijn hand en mijn kracht, en zij zullen weten, dat mijn naam
is: HERE. |
21 Therefore, behold, I will this once cause them to know, I will cause
them to know mine hand and my might; and they shall know that my name [is]
The LORD. |
21 Daarom, ziet, Ik zal hun bekend maken op ditmaal; Ik zal hun bekend
maken Mijn hand en Mijn macht; en zij zullen weten, dat Mijn Naam is
HEERE. |
|
JR 17:1 De zonde van Juda staat geschreven met
ijzeren stift, gegrift met diamanten spits in de tafel van hun hart en in
de hoornen van hun altaren, |
1 The sin of Judah [is] written with a pen of iron, [and] with the
point of a diamond: [it is] graven upon the table of their heart, and upon
the horns of your altars; |
1 De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt
eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen
uwer altaren; |
|
JR 17:2 als een gedenkteken tegen hen in hun gewijde palen onder elke
groene boom en op de hoge heuvels, |
2 Whilst their children remember their altars and their groves by the
green trees upon the high hills. |
2 Gelijk hun kinderen hunner altaren gedenken, en hunner bossen, bij
het groen geboomte, op de hoge heuvelen. |
|
JR 17:3 de bergen in het veld. Uw vermogen, al uw schatten zal Ik ten
buit geven zonder prijs, om de zonde in uw gehele gebied, |
3 O my mountain in the field, I will give thy substance [and] all thy
treasures to the spoil, [and] thy high places for sin, throughout all thy
borders. |
3 Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen [en] al uw schatten ten
roof geven, [mitsgaders] uw hoogten, om de zonde in al uw landpalen. |
|
JR 17:4 en gij zult uw hand moeten losmaken van het erfdeel dat Ik u
gegeven had, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land dat gij niet
kent, want gij hebt een vuur ontstoken in mijn toorn, dat aldoor zal
branden. |
4 And thou, even thyself, shalt discontinue from thine heritage that I
gave thee; and I will cause thee to serve thine enemies in the land which
thou knowest not: for ye have kindled a fire in mine anger, [which] shall
burn for ever. |
4 Alzo zult gij aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u
gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat gij niet
kent; want gijlieden hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in
eeuwigheid zal het branden. |
|
JR 17:5 Zo zegt de HERE: Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt
en vlees tot zijn arm stelt, wiens hart van de HERE wijkt; |
5 Thus saith the LORD; Cursed [be] the man that trusteth in man, and
maketh flesh his arm, and whose heart departeth from the LORD. |
5 Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en
vlees [tot] zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt! |
|
JR 17:6 hij toch zal zijn als een kale struik in de steppe, die het
niet merkt, als er iets goeds komt, maar staat in dorre oorden in de
woestijn, een ziltachtig, onbewoond land. |
6 For he shall be like the heath in the desert, and shall not see when
good cometh; but shall inhabit the parched places in the wilderness, [in]
a salt land and not inhabited. |
6 Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt,
wanneer het goede komt; maar blijft [in] dorre plaatsen in de woestijn,
[in] zout en onbewoond land. |
|
JR 17:7 Gezegend is de man die op de HERE vertrouwt, wiens betrouwen de
HERE is; |
7 Blessed [is] the man that trusteth in the LORD, and whose hope the
LORD is. |
7 Gezegend [daarentegen] is de man, die op den HEERE vertrouwt, en
wiens vertrouwen de HEERE is! |
|
JR 17:8 hij toch zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn
wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt,
maar welks loof groen blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft
en niet nalaat vrucht te dragen. |
8 For he shall be as a tree planted by the waters, and [that] spreadeth
out her roots by the river, and shall not see when heat cometh, but her
leaf shall be green; and shall not be careful in the year of drought,
neither shall cease from yielding fruit. |
8 Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn
wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een
hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt
hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. |
|
JR 17:9 Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie
kan het kennen? |
9 The heart [is] deceitful above all [things], and desperately wicked:
who can know it? |
9 Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie
zal het kennen? |
|
JR 17:10 Ik, de HERE, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om
aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden. |
10 I the LORD search the heart, [I] try the reins, even to give every
man according to his ways, [and] according to the fruit of his doings. |
10 Ik, de HEERE, doorgrond het hart, [en] proef de nieren; en dat, om
een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen. |
|
JR 17:11 Een veldhoen, dat eieren uitbroedt, die het niet gelegd heeft,
zó is wie zich rijkdom verwerft, maar op onrechtmatige wijze; op de helft
zijner dagen zal hij die moeten achterlaten, en bij zijn einde zal hij een
dwaas zijn. |
11 [As] the partridge sitteth [on eggs], and hatcheth [them] not; [so]
he that getteth riches, and not by right, shall leave them in the midst of
his days, and at his end shall be a fool. |
11 [Gelijk] een veldhoen [eieren] vergadert, maar broedt ze niet uit,
[alzo] is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft
zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas
zijn. |
|
JR 17:12 Troon der heerlijkheid, van ouds verheven, plaats van ons
heiligdom, |
12 A glorious high throne from the beginning [is] the place of our
sanctuary. |
12 Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de
plaats onzes heiligdoms. |
|
JR 17:13 hope Israëls, HERE, allen die U verlaten, zullen beschaamd
worden; wie afwijken, zullen in de aarde geschreven worden, omdat zij de
bron van levend water, de HERE, verlieten. |
13 O LORD, the hope of Israel, all that forsake thee shall be ashamed,
[and] they that depart from me shall be written in the earth, because they
have forsaken the LORD, the fountain of living waters. |
13 O HEERE, Israels Verwachting! allen, die U verlaten, zullen
beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven
worden; want zij verlaten den HEERE, den Springader des levenden waters. |
|
JR 17:14 Genees mij, HERE, dan zal ik genezen zijn; help mij, dan zal
ik geholpen zijn, want Gij zijt mijn lof. |
14 Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be
saved: for thou [art] my praise. |
14 Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik
behouden worden; want Gij zijt mijn Lof. |
|
JR 17:15 Zie, zij zeggen tot mij: Waar blijft het woord des HEREN? Laat
het toch komen! |
15 Behold, they say unto me, Where [is] the word of the LORD? let it
come now. |
15 Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu
komen! |
|
JR 17:16 Ik echter heb bij U niet op rampspoed aangedrongen, de
onheilsdag heb ik niet begeerd, Gij weet het, wat van mijn lippen uitging,
was U bekend. |
16 As for me, I have not hastened from [being] a pastor to follow thee:
neither have I desired the woeful day; thou knowest: that which came out
of my lips was [right] before thee. |
16 Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U
[betaamde]; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet [het];
wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest. |
|
JR 17:17 Word mij niet tot verschrikking, Gij zijt mijn toevlucht ten
dage van rampspoed. |
17 Be not a terror unto me: thou [art] my hope in the day of evil. |
17 Wees Gij mij niet tot een verschrikking; Gij zijt mijn Toevlucht ten
dage des kwaads. |
|
JR 17:18 Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat ik niet
beschaamd worden; laten zij verschrikt worden, maar laat ik niet
verschrikt worden. Breng over hen de dag van rampspoed, verbreek hen met
een dubbele verbreking! |
18 Let them be confounded that persecute me, but let not me be
confounded: let them be dismayed, but let not me be dismayed: bring upon
them the day of evil, and destroy them with double destruction. |
18 Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd
worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden;
breng over hen den dag des kwaads, en verbreek hen met een dubbele
verbreking. |
|
JR 17:19 De HERE zeide tot mij aldus: Ga staan in de poort van de
kinderen des volks, waardoor de koningen van Juda ingaan en uitgaan, en in
al de poorten van Jeruzalem, en zeg tot hen: |
19 Thus said the LORD unto me; Go and stand in the gate of the children
of the people, whereby the kings of Judah come in, and by the which they
go out, and in all the gates of Jerusalem; |
19 Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van
de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door
dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem; |
|
JR 17:20 Hoort het woord des HEREN, gij koningen van Juda en geheel
Juda en al gij inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten binnenkomt; |
20 And say unto them, Hear ye the word of the LORD, ye kings of Judah,
and all Judah, and all the inhabitants of Jerusalem, that enter in by
these gates: |
20 En zeg tot hen: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda, en
gans Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat! |
|
JR 17:21 zo zegt de HERE: Hoedt u ervoor, om uws levens wil, dat gij op
de sabbatdag geen last draagt en door de poorten van Jeruzalem
binnenbrengt. |
21 Thus saith the LORD; Take heed to yourselves, and bear no burden on
the sabbath day, nor bring [it] in by the gates of Jerusalem; |
21 Zo zegt de HEERE: Wacht u op uw zielen, en draagt geen last op den
sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem. |
|
JR 17:22 Ook zult gij op de sabbatdag geen last naar buiten brengen uit
uw huizen of enigerlei werk doen; gij zult de sabbatdag heiligen, gelijk
Ik aan uw vaderen geboden heb. |
22 Neither carry forth a burden out of your houses on the sabbath day,
neither do ye any work, but hallow ye the sabbath day, as I commanded your
fathers. |
22 Ook zult gijlieden geen last uitvoeren uit uw huizen op den
sabbatdag, noch enig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen,
gelijk als Ik uw vaderen geboden heb. |
|
JR 17:23 Doch zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar zij
hebben hun nek verhard in plaats van gehoor te geven en zich te laten
gezeggen. |
23 But they obeyed not, neither inclined their ear, but made their neck
stiff, that they might not hear, nor receive instruction. |
23 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben
hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen. |
|
JR 17:24 Indien gij echter wèl naar Mij hoort, luidt het woord des
HEREN, en op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad
binnenbrengt, maar de sabbatdag heiligt, door daarop generlei werk te
doen, |
24 And it shall come to pass, if ye diligently hearken unto me, saith
the LORD, to bring in no burden through the gates of this city on the
sabbath day, but hallow the sabbath day, to do no work therein; |
24 Het zal dan geschieden, indien gij vlijtiglijk naar Mij zult horen,
spreekt de HEERE, dat gij geen last door de poorten dezer stad op den
sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt, dat gij geen werk daarop
doet; |
|
JR 17:25 dan zullen door de poorten van deze stad koningen en vorsten,
die op de troon van David zitten, binnenkomen, rijdende op wagens en op
paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van
Jeruzalem, en zal deze stad blijven bestaan voor immer. |
25 Then shall there enter into the gates of this city kings and princes
sitting upon the throne of David, riding in chariots and on horses, they,
and their princes, the men of Judah, and the inhabitants of Jerusalem: and
this city shall remain for ever. |
25 Zo zullen door de poorten dezer stad ingaan koningen en vorsten,
zittende op den troon van David, rijdende op wagenen en op paarden, zij en
hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad
zal bewoond worden in eeuwigheid. |
|
JR 17:26 Dan zal men komen uit de steden van Juda en de omstreken van
Jeruzalem, uit het land van Benjamin en uit de Laagte, van het Gebergte en
uit het Zuiderland, en brengen brandoffer, slachtoffer, spijsoffer en
wierook, en ook brengen lofoffer in het huis des HEREN. |
26 And they shall come from the cities of Judah, and from the places
about Jerusalem, and from the land of Benjamin, and from the plain, and
from the mountains, and from the south, bringing burnt offerings, and
sacrifices, and meat offerings, and incense, and bringing sacrifices of
praise, unto the house of the LORD. |
26 En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen
rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van
het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer,
en spijsoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, ten huize des HEEREN. |
|
JR 17:27 Maar indien gij niet naar Mij hoort om de sabbatdag te
heiligen en op de sabbatdag geen last te dragen en binnen te komen door de
poorten van Jeruzalem, dan zal Ik een vuur ontsteken in zijn poorten, dat
de paleizen van Jeruzalem zal verteren zonder te worden geblust. |
27 But if ye will not hearken unto me to hallow the sabbath day, and
not to bear a burden, even entering in at the gates of Jerusalem on the
sabbath day; then will I kindle a fire in the gates thereof, and it shall
devour the palaces of Jerusalem, and it shall not be quenched. |
27 Maar indien gij naar Mij niet zult horen, om den sabbatdag te
heiligen, en om geen last te dragen als gij op den sabbatdag door de
poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten
aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden
uitgeblust. |
|
JR 18:1 Het woord, dat van de HERE tot Jeremia kwam: |
1 The word which came to Jeremiah from the LORD, saying, |
1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende: |
|
JR 18:2 Maak u op, daal af naar het huis van de pottenbakker, en daar
zal Ik u mijn woorden doen horen. |
2 Arise, and go down to the potter's house, and there I will cause thee
to hear my words. |
2 Maak u op, en ga af [in] het huis des pottenbakkers, en aldaar zal Ik
u Mijn woorden doen horen. |
|
JR 18:3 Toen daalde ik af naar het huis van de pottenbakker, en zie,
hij was juist bezig een werkstuk te maken op de schijf. |
3 Then I went down to the potter's house, and, behold, he wrought a
work on the wheels. |
3 Zo ging ik af [in] het huis des pottenbakkers; en ziet, hij maakte
een werk op de schijven. |
|
JR 18:4 Mislukte de pot die hij bezig was te maken, zoals dat gaat met
leem in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een
andere pot, zoals het de pottenbakker goed dacht te maken. |
4 And the vessel that he made of clay was marred in the hand of the
potter: so he made it again another vessel, as seemed good to the potter
to make [it]. |
4 En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand des
pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het
recht was in de ogen des pottenbakkers te maken. |
|
JR 18:5 Toen kwam het woord des HEREN tot mij: |
5 Then the word of the LORD came to me, saying, |
5 Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: |
|
JR 18:6 Zal Ik niet met u kunnen doen zoals deze pottenbakker, o huis
Israëls? luidt het woord des HEREN. Zie, als leem in de hand van de
pottenbakker, zo zijt gij in mijn hand, huis Israëls! |
6 O house of Israel, cannot I do with you as this potter? saith the
LORD. Behold, as the clay [is] in the potter's hand, so [are] ye in mine
hand, O house of Israel. |
6 Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis
Israels? spreekt de HEERE; ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers,
alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israels! |
|
JR 18:7 Het ene ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de
uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen; |
7 [At what] instant I shall speak concerning a nation, and concerning a
kingdom, to pluck up, and to pull down, and to destroy [it]; |
7 [In] een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een
koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen; |
|
JR 18:8 maar bekeert zich dit volk waarover Ik een uitspraak deed, van
zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht
aan te doen. |
8 If that nation, against whom I have pronounced, turn from their evil,
I will repent of the evil that I thought to do unto them. |
8 Maar [indien] datzelve volk, over hetwelk Ik [zulks] gesproken heb,
zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad,
dat Ik hetzelve gedacht te doen. |
|
JR 18:9 Het andere ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de
uitspraak, dat Ik het zal bouwen en planten; |
9 And [at what] instant I shall speak concerning a nation, and
concerning a kingdom, to build and to plant [it]; |
9 Ook zal Ik [in] een ogenblik spreken over een volk en over een
koninkrijk, dat Ik het zal bouwen en planten; |
|
JR 18:10 maar, doet het wat kwaad is in mijn ogen door niet naar mijn
stem te horen, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmede Ik had
gezegd hun te zullen weldoen. |
10 If it do evil in my sight, that it obey not my voice, then I will
repent of the good, wherewith I said I would benefit them. |
10 Maar [indien] het doet, dat kwaad is in Mijn ogen, dat het naar Mijn
stem niet hoort, zo zal Ik berouw hebben over het goede, [met] hetwelk Ik
gezegd had hetzelve te zullen weldoen. |
|
JR 18:11 Nu dan, zeg toch tot de mannen van Juda en de inwoners van
Jeruzalem: Zo zegt de HERE: zie, Ik bereid rampspoed over u en beraam
tegen u een plan; bekeert u toch een ieder van zijn boze weg en betert uw
handel en wandel. |
11 Now therefore go to, speak to the men of Judah, and to the
inhabitants of Jerusalem, saying, Thus saith the LORD; Behold, I frame
evil against you, and devise a device against you: return ye now every one
from his evil way, and make your ways and your doings good. |
11 Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van
Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen
ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte; [zo] bekeert u nu, een
iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed. |
|
JR 18:12 Doch zij zeggen: Het baat niet, want wij zullen onze eigen
gedachten volgen en een ieder naar de verstoktheid van zijn boos hart
handelen. |
12 And they said, There is no hope: but we will walk after our own
devices, and we will every one do the imagination of his evil heart. |
12 Doch zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze
gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iegelijk het goeddunken van
zijn boos hart. |
|
JR 18:13 Daarom, zo zegt de HERE: Vraagt toch onder de volken, wie zó
iets heeft gehoord; iets zeer afschuwelijks heeft de jonkvrouw Israëls
bedreven. |
13 Therefore thus saith the LORD; Ask ye now among the heathen, who
hath heard such things: the virgin of Israel hath done a very horrible
thing. |
13 Daarom, zo zegt de HEERE: Vraagt nu onder de heidenen; wie heeft
alzulks gehoord? De jonkvrouw Israels doet een zeer afschuwelijke zaak. |
|
JR 18:14 Wijkt ooit van de rotsen der berghellingen de Libanonsneeuw,
of drogen ooit de koude, neerstromende wateren van de plasregen? |
14 Will [a man] leave the snow of Lebanon [which cometh] from the rock
of the field? [or] shall the cold flowing waters that come from another
place be forsaken? |
14 Zal men ook om een rotssteen des velds verlaten de sneeuw van
Libanon? Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden? |
|
JR 18:15 Nochtans heeft mijn volk Mij vergeten; voor wat onwezenlijk
is, ontsteken zij offers; zo zijn zij gestruikeld op hun wegen, de oude
paden, door te gaan op de paden van een ongebaande weg, |
15 Because my people hath forgotten me, they have burned incense to
vanity, and they have caused them to stumble in their ways [from] the
ancient paths, to walk in paths, [in] a way not cast up; |
15 Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken der ijdelheid; want
zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, [op] de oude paden, opdat zij
mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is; |
|
JR 18:16 zodat zij hun land tot een ontzetting maken, tot een voorwerp
van aanfluiting voor altoos; ieder die daar doortrekt, zal zich ontzetten
en zijn hoofd schudden. |
16 To make their land desolate, [and] a perpetual hissing; every one
that passeth thereby shall be astonished, and wag his head. |
16 Om hun land te stellen tot een ontzetting, [tot] eeuwige
aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn
hoofd schudden. |
|
JR 18:17 Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor de vijand; de
nek zal Ik hun tonen, niet het aangezicht, ten dage van hun nood. |
17 I will scatter them as with an east wind before the enemy; I will
shew them the back, and not the face, in the day of their calamity. |
17 Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor het aangezicht des
vijands; Ik zal hun den nek en niet het aangezicht laten zien, ten dage
huns verderfs. |
|
JR 18:18 Toen zeiden zij: Komt, laat ons plannen tegen Jeremia beramen,
want nooit ontbreekt een aanwijzing aan de priester, raad aan de wijze,
een woord aan de profeet! Komt, laat ons hem treffen door middel van de
tong en laten wij niet luisteren naar één van zijn woorden. |
18 Then said they, Come, and let us devise devices against Jeremiah;
for the law shall not perish from the priest, nor counsel from the wise,
nor the word from the prophet. Come, and let us smite him with the tongue,
and let us not give heed to any of his words. |
18 Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken;
want de wet zal niet vergaan van den priester, noch de raad van den wijze,
noch het woord van den profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de
tong, en laat ons niet luisteren naar enige zijner woorden! |
|
JR 18:19 Luister, HERE, naar mij en hoor wat mijn bestrijders zeggen. |
19 Give heed to me, O LORD, and hearken to the voice of them that
contend with me. |
19 HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters. |
|
JR 18:20 Zal goed met kwaad vergolden worden? Want zij hebben mij een
kuil gegraven. Gedenk, hoe ik vóór U gestaan heb om te hunnen gunste te
spreken, om uw gramschap van hen af te keren. |
20 Shall evil be recompensed for good? for they have digged a pit for
my soul. Remember that I stood before thee to speak good for them, [and]
to turn away thy wrath from them. |
20 Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel
een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed
voor hen te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden. |
|
JR 18:21 Geef daarom hun kinderen aan de honger prijs, lever hen over
aan de macht van het zwaard, zodat hun vrouwen van kinderen beroofd en
weduwen worden, hun mannen slachtoffers van de dood, hun jongelingen
geslagen door het zwaard in de strijd. |
21 Therefore deliver up their children to the famine, and pour out
their [blood] by the force of the sword; and let their wives be bereaved
of their children, and [be] widows; and let their men be put to death;
[let] their young men [be] slain by the sword in battle. |
21 Daarom, geef hun zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door
het geweld des zwaards, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en
weduwen worden, en laat hun mannen door den dood omgebracht, [en] hun
jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd. |
|
JR 18:22 Laat geschreeuw worden gehoord uit hun huizen, als Gij
plotseling vijandelijke scharen hen doet overvallen. Want zij hebben een
kuil gegraven om mij te vangen en strikken verborgen voor mijn voeten; |
22 Let a cry be heard from their houses, when thou shalt bring a troop
suddenly upon them: for they have digged a pit to take me, and hid snares
for my feet. |
22 Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij
haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven
hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten. |
|
JR 18:23 doch Gij, HERE, kent heel hun moordplan tegen mij; doe geen
verzoening over hun ongerechtigheid, delg hun zonde voor uw oog niet uit;
ja, laat hen struikelen voor uw aangezicht, wil ten tijde van uw toorn
tegen hen handelen. |
23 Yet, LORD, thou knowest all their counsel against me to slay [me]:
forgive not their iniquity, neither blot out their sin from thy sight, but
let them be overthrown before thee; deal [thus] with them in the time of
thine anger. |
23 Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen
verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor
Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel
[alzo] met hen, ten tijde Uws toorns. |
|
JR 19:1 De HERE zeide aldus: Ga heen, koop u een
pottenbakkerskruik, en ga met enige van de oudsten des volks en van de
oudsten der priesters, |
1 Thus saith the LORD, Go and get a potter's earthen bottle, and [take]
of the ancients of the people, and of the ancients of the priests; |
1 Zo zegt de HEERE: Ga henen en koop een pottenbakkerskruik, en [neem]
[tot] [u] van de oudsten des volks, en van de oudsten der priesteren. |
|
JR 19:2 uit naar het dal Ben-Hinnom, dat vóór de Schervenpoort ligt,
en roep daar de woorden uit, die Ik tot u zal spreken, |
2 And go forth unto the valley of the son of Hinnom, which [is] by the
entry of the east gate, and proclaim there the words that I shall tell
thee, |
2 En ga uit naar het dal des zoons van Hinnom, dat voor de deur der
Zonnepoort is, en roep aldaar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal; |
|
JR 19:3 en zeg: Hoort het woord des HEREN, gij koningen van Juda en gij
inwoners van Jeruzalem. Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van
Israël: zie, Ik breng rampspoed over deze plaats, waardoor ieder die
ervan hoort, de oren tuiten zullen, |
3 And say, Hear ye the word of the LORD, O kings of Judah, and
inhabitants of Jerusalem; Thus saith the LORD of hosts, the God of Israel;
Behold, I will bring evil upon this place, the which whosoever heareth,
his ears shall tingle. |
3 En zeg: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda en inwoners van
Jeruzalem! Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik
zal een kwaad brengen over deze plaats, [van] hetwelk een ieder, die het
hoort, zijn oren klinken zullen; |
|
JR 19:4 omdat zij Mij verlaten, deze plaats ontwijd, en daar voor
andere goden die zij niet gekend hebben, offers hebben ontstoken, zij, hun
vaderen en de koningen van Juda; en zij deze plaats met het bloed van
onschuldigen hebben vervuld, |
4 Because they have forsaken me, and have estranged this place, and
have burned incense in it unto other gods, whom neither they nor their
fathers have known, nor the kings of Judah, and have filled this place
with the blood of innocents; |
4 Omdat zij Mij verlaten, en deze plaats vervreemd, en andere goden
daarin gerookt hebben die zij niet gekend hebben, zij, noch hun vaderen,
noch de koningen van Juda; en hebben deze plaats vervuld met bloed der
onschuldigen. |
|
JR 19:5 en zij de hoogten van de Baäl gebouwd hebben om hun kinderen
als brandoffers voor de Baäl met vuur te verbranden, iets wat Ik niet
geboden noch uitgesproken heb en wat Mij niet in de zin is gekomen. |
5 They have built also the high places of Baal, to burn their sons with
fire [for] burnt offerings unto Baal, which I commanded not, nor spake
[it], neither came [it] into my mind: |
5 Want zij hebben de hoogten van Baal gebouwd, om hun zonen met vuur te
verbranden, aan Baal [tot] brandofferen; hetwelk Ik niet geboden, noch
gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen? |
|
JR 19:6 Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat deze
plaats niet meer zal genoemd worden Tofet en dal Ben-Hinnom, maar
Moorddal. |
6 Therefore, behold, the days come, saith the LORD, that this place
shall no more be called Tophet, nor The valley of the son of Hinnom, but
The valley of slaughter. |
6 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet
meer zal genoemd worden het Tofeth, of dat des zoons van Hinnom, maar
Moorddal. |
|
JR 19:7 Uitgieten zal Ik te dezer plaatse wat Juda en Jeruzalem
beraadslaagd hebben; Ik zal hen voor hun vijanden doen vallen door het
zwaard en door de hand van wie hen naar het leven staan, ja, Ik zal hun
lijken aan het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot voedsel
geven, |
7 And I will make void the counsel of Judah and Jerusalem in this
place; and I will cause them to fall by the sword before their enemies,
and by the hands of them that seek their lives: and their carcases will I
give to be meat for the fowls of the heaven, and for the beasts of the
earth. |
7 Want Ik zal den raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen,
en zal hen voor het aangezicht hunner vijanden doen vallen door het
zwaard, en door de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en Ik zal hun dode
lichamen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze
geven. |
|
JR 19:8 en Ik zal deze stad maken tot een voorwerp van ontzetting en
tot een aanfluiting; ieder die erlangs gaat, zal zich ontzetten en fluiten
om al haar slagen. |
8 And I will make this city desolate, and an hissing; every one that
passeth thereby shall be astonished and hiss because of all the plagues
thereof. |
8 En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting;
al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar
plagen. |
|
JR 19:9 Ook zal Ik hen het vlees van hun zonen en hun dochters doen
eten, zij zullen elkanders vlees eten in de benardheid en benauwdheid,
waarmede hen hun vijanden en wie hen naar het leven staan, benauwen
zullen. |
9 And I will cause them to eat the flesh of their sons and the flesh of
their daughters, and they shall eat every one the flesh of his friend in
the siege and straitness, wherewith their enemies, and they that seek
their lives, shall straiten them. |
9 En Ik zal hunlieden het vlees hunner zonen en het vlees hunner
dochteren doen eten, en zij zullen eten, een iegelijk het vlees zijns
naasten, in de belegering en in de benauwing, waarmede hen hun vijanden,
en die hun ziel zoeken, benauwen zullen. |
|
JR 19:10 Breek dan de kruik ten aanschouwen van de mannen die met u
zijn gegaan, aan stukken en zeg tot hen: |
10 Then shalt thou break the bottle in the sight of the men that go
with thee, |
10 Dan zult gij de kruik verbreken voor de ogen der mannen, die met u
gegaan zijn; |
|
JR 19:11 Zo zegt de HERE der heerscharen: zo zal Ik dit volk en deze
stad aan stukken breken, gelijk men pottenbakkersgerei aan stukken breekt,
dat niet weder heel gemaakt kan worden; en in Tofet zal men begraven,
omdat er geen plaats ter begrafenis is. |
11 And shalt say unto them, Thus saith the LORD of hosts; Even so will
I break this people and this city, as [one] breaketh a potter's vessel,
that cannot be made whole again: and they shall bury [them] in Tophet,
till [there be] no place to bury. |
11 En gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Alzo
zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een
pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheeld kan worden; en zij
zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen [andere] plaats zal zijn om
te begraven. |
|
JR 19:12 Zo zal Ik met deze plaats doen, luidt het woord des HEREN, en
met haar inwoners, en dat om deze stad te maken als Tofet; |
12 Thus will I do unto this place, saith the LORD, and to the
inhabitants thereof, and [even] make this city as Tophet: |
12 Zo zal Ik deze plaats doen, spreekt de HEERE, en haar inwoners; en
dat om deze stad te stellen als een Tofeth. |
|
JR 19:13 ja, de huizen van Jeruzalem en van de koningen van Juda zullen
als de plaats van Tofet zijn, onrein; al de huizen op welker daken men
offers heeft ontstoken voor het gehele heer des hemels en plengoffers
heeft geplengd voor andere goden. |
13 And the houses of Jerusalem, and the houses of the kings of Judah,
shall be defiled as the place of Tophet, because of all the houses upon
whose roofs they have burned incense unto all the host of heaven, and have
poured out drink offerings unto other gods. |
13 En de huizen van Jeruzalem en de huizen der koningen van Juda
zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen,
op welker daken zij aan al het heir des hemels gerookt en aan vreemde
goden drankofferen geofferd hebben. |
|
JR 19:14 Toen Jeremia van Tofet kwam, waarheen hem de HERE had gezonden
om te profeteren, ging hij staan in de voorhof van het huis des HEREN en
zeide tot het gehele volk: |
14 Then came Jeremiah from Tophet, whither the LORD had sent him to
prophesy; and he stood in the court of the LORD'S house; and said to all
the people, |
14 Toen nu Jeremia van Tofeth kwam, waarhenen hem de HEERE gezonden
had, om te profeteren, stond hij in het voorhof van des HEEREN huis, en
zeide tot al het volk: |
|
JR 19:15 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: zie, Ik
breng over deze stad en al haar steden al de rampspoed die Ik tegen haar
heb uitgesproken, omdat zij hun nek hebben verhard om niet naar mijn
woorden te horen. |
15 Thus saith the LORD of hosts, the God of Israel; Behold, I will
bring upon this city and upon all her towns all the evil that I have
pronounced against it, because they have hardened their necks, that they
might not hear my words. |
15 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal over
deze stad, en over al haar steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar
gesproken heb; omdat zij hun nek verhard hebben, om Mijn woorden niet te
horen. |
|
JR 20:1 En Paschur, de zoon van Immer, de priester,
die hoofdopziener was in het huis des HEREN, hoorde JR deze woorden
profeteren; |
1 Now Pashur the son of Immer the priest, who [was] also chief governor
in the house of the LORD, heard that Jeremiah prophesied these things. |
1 Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde
voorganger in het huis des HEEREN), Jeremia hoorde, diezelve woorden
profeterende, |
|
JR 20:2 daarom sloeg Paschur de profeet Jeremia en sloot hem in het
blok in de bovenste Benjaminpoort aan het huis des HEREN. |
2 Then Pashur smote Jeremiah the prophet, and put him in the stocks
that [were] in the high gate of Benjamin, which [was] by the house of the
LORD. |
2 Zo sloeg Pashur den profeet Jeremia, en hij stelde hem in de
gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis
des HEEREN is. |
|
JR 20:3 Doch toen Paschur Jeremia de volgende morgen uit het blok liet,
zeide Jeremia tot hem: Niet Paschur noemt de HERE uw naam, maar
Schrik-van-rondom. |
3 And it came to pass on the morrow, that Pashur brought forth Jeremiah
out of the stocks. Then said Jeremiah unto him, The LORD hath not called
thy name Pashur, but Magormissabib. |
3 Maar het geschiedde des anderen daags, dat Pashur Jeremia uit de
gevangenis voortbracht; toen zeide Jeremia tot hem: De HEERE noemt uw naam
niet Pashur, maar Magor-missabib. |
|
JR 20:4 Want zo zegt de HERE: Zie, Ik maak u tot een schrik voor uzelf
en voor al uw vrienden; zij zullen door het zwaard van hun vijanden
vallen, dat uw ogen het zien, en geheel Juda zal Ik overgeven in de macht
van de koning van Babel; hij zal hen wegvoeren naar Babel, hen slaan met
het zwaard; |
4 For thus saith the LORD, Behold, I will make thee a terror to
thyself, and to all thy friends: and they shall fall by the sword of their
enemies, and thine eyes shall behold [it]: and I will give all Judah into
the hand of the king of Babylon, and he shall carry them captive into
Babylon, and shall slay them with the sword. |
4 Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelven en
voor al uw liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard hunner vijanden,
dat het uw ogen aanzien; en Ik zal gans Juda geven in de hand des konings
van Babel, die hen naar Babel gevankelijk zal wegvoeren, en slaan hen met
het zwaard. |
|
JR 20:5 heel het bezit van deze stad, al haar have en al haar waardevol
bezit, met al de schatten der koningen van Juda, zal Ik geven in de macht
van hun vijanden, die ze zullen buitmaken en medenemen en brengen naar
Babel. |
5 Moreover I will deliver all the strength of this city, and all the
labours thereof, and all the precious things thereof, and all the
treasures of the kings of Judah will I give into the hand of their
enemies, which shall spoil them, and take them, and carry them to Babylon. |
5 Ook zal Ik geven al het vermogen dezer stad, en al haar arbeid, en al
haar kostelijkheid, en alle schatten der koningen van Juda, Ik zal ze
geven in de hand hunner vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en
zullen ze brengen naar Babel. |
|
JR 20:6 En gij, Paschur, en al uw huisgenoten, zult in gevangenschap
gaan; gij zult in Babel komen, daar sterven en daar begraven worden, gij
en al uw vrienden, voor wie gij vals hebt geprofeteerd. |
6 And thou, Pashur, and all that dwell in thine house shall go into
captivity: and thou shalt come to Babylon, and there thou shalt die, and
shalt be buried there, thou, and all thy friends, to whom thou hast
prophesied lies. |
6 En gij, Pashur, en alle inwoners van uw huis! gijlieden zult gaan in
de gevangenis; en gij zult te Babel komen, en aldaar sterven, en aldaar
begraven worden, gij en al uw vrienden, denwelken gij valselijk
geprofeteerd hebt. |
|
JR 20:7 Gij hebt mij overreed, HERE, en ik heb mij laten overreden; Gij
zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht. Ik ben tot een bespotting
geworden de ganse dag, allen honen zij mij. |
7 O LORD, thou hast deceived me, and I was deceived: thou art stronger
than I, and hast prevailed: I am in derision daily, every one mocketh me. |
7 HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt
mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben den gansen dag tot een
belachen, een ieder van hen bespot mij. |
|
JR 20:8 Want telkens wanneer ik spreek, moet ik het uitschreeuwen, van
geweld en onderdrukking roepen; want het woord des HEREN is mij geworden
tot smaad en spot de ganse dag. |
8 For since I spake, I cried out, I cried violence and spoil; because
the word of the LORD was made a reproach unto me, and a derision, daily. |
8 Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring;
omdat mij des HEEREN woord den gansen dag tot smaad en tot schimp is. |
|
JR 20:9 Maar zeide ik: Ik wil aan Hem niet denken en in zijn naam niet
meer spreken, dan werd het in mijn hart als brandend vuur, opgesloten in
mijn gebeente; wel matte ik mij af om het in te houden, maar ik kon het
niet. |
9 Then I said, I will not make mention of him, nor speak any more in
his name. But [his word] was in mine heart as a burning fire shut up in my
bones, and I was weary with forbearing, and I could not [stay]. |
9 Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam
spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in
mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet. |
|
JR 20:10 Want ik heb gehoord het gemompel van velen - schrik van
rondom! -: Brengt iets aan, opdat wij hem aanbrengen. Alle lieden met wie
ik bevriend ben, loeren op mijn val: wellicht zal hij zich laten
verlokken, zodat wij hem overmogen en wraak op hem kunnen nemen. |
10 For I heard the defaming of many, fear on every side. Report, [say
they], and we will report it. All my familiars watched for my halting,
[saying], Peradventure he will be enticed, and we shall prevail against
him, and we shall take our revenge on him. |
10 Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib,
[zeggende]: Geef [ons] te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al
mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; [zij] [zeggen]: Misschien
zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van
hem nemen. |
|
JR 20:11 Maar de HERE is met mij als een geweldig held; daarom zullen
mijn vervolgers struikelen en niets vermogen; zij staan ten diepste
beschaamd, omdat zij hun doel niet bereiken, een eeuwige, onvergetelijke
smaad. |
11 But the LORD [is] with me as a mighty terrible one: therefore my
persecutors shall stumble, and they shall not prevail: they shall be
greatly ashamed; for they shall not prosper: [their] everlasting confusion
shall never be forgotten. |
11 Maar de HEERE is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen
mijn vervolgers struikelen, en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd
geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben; het zal een
eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden. |
|
JR 20:12 Ja, de HERE der heerscharen is een rechtvaardige toetser, die
nieren en hart doorziet; ik zal uw wraak op hen zien, want op U heb ik
mijn rechtszaak gewenteld. |
12 But, O LORD of hosts, that triest the righteous, [and] seest the
reins and the heart, let me see thy vengeance on them: for unto thee have
I opened my cause. |
12 Gij dan, o HEERE der heirscharen, Die den rechtvaardige proeft, Die
de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U
mijn twistzaak ontdekt. |
|
JR 20:13 Zingt de HERE, looft de HERE, want Hij bevrijdt het leven van
de arme uit de macht der boosdoeners. |
13 Sing unto the LORD, praise ye the LORD: for he hath delivered the
soul of the poor from the hand of evildoers. |
13 Zingt den HEERE, prijst den HEERE; want Hij heeft de ziel des
nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost. |
|
JR 20:14 Vervloekt zij de dag waarop ik geboren ben; de dag waarop mijn
moeder mij baarde, zij niet gezegend. |
14 Cursed [be] the day wherein I was born: let not the day wherein my
mother bare me be blessed. |
14 Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken
mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend! |
|
JR 20:15 Vervloekt zij de man die mijn vader de blijde boodschap
bracht: U is een jongen geboren, waarmede hij hem zozeer verblijdde; |
15 Cursed [be] the man who brought tidings to my father, saying, A man
child is born unto thee; making him very glad. |
15 Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U
is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks! |
|
JR 20:16 die man zij als de steden die de HERE onderstboven heeft
gekeerd, zonder dat het Hem berouwde; hij hore des morgens geschreeuw en
des middags krijgsrumoer, |
16 And let that man be as the cities which the LORD overthrew, and
repented not: and let him hear the cry in the morning, and the shouting at
noontide; |
16 Ja, dezelve man zij, als de steden, die de HEERE heeft omgekeerd, en
het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in den morgenstond een geroep, en
op den middagtijd een geschrei. |
|
JR 20:17 omdat Hij mij niet deed sterven in de moederschoot, zodat mijn
moeder mijn graf ware geworden en haar schoot voor immer zwanger gebleven. |
17 Because he slew me not from the womb; or that my mother might have
been my grave, and her womb [to be] always great [with me]. |
17 Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder
mijn graf geweest is, of haar baarmoeder [als] [van] [een], die eeuwiglijk
zwanger is! |
|
JR 20:18 Waarom toch ben ik uit de moederschoot voortgekomen om moeite
en kommer te aanschouwen en opdat mijn dagen in schande ten einde spoeden? |
18 Wherefore came I forth out of the womb to see labour and sorrow,
that my days should be consumed with shame? |
18 Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en
droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan? |
|
JR 21:1 Het woord, dat van de HERE tot Jeremia kwam,
toen koning Sedekia Paschur, de zoon van Malkia, en de priester Sefanja,
de zoon van Maäseja, tot hem had gezonden met de boodschap: |
1 The word which came unto Jeremiah from the LORD, when king Zedekiah
sent unto him Pashur the son of Melchiah, and Zephaniah the son of
Maaseiah the priest, saying, |
1 Het woord, dat van den HEERE geschied is tot Jeremia, als koning
Zekekia tot hem zond Pashur, den zoon van Malchia, en Zefanja, den zoon
van Maaseja, den priester, zeggende: |
|
JR 21:2 Vraag toch de HERE voor ons, want Nebukadressar, de koning van
Babel, voert strijd tegen ons; misschien zal de HERE met ons doen naar al
zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt. |
2 Enquire, I pray thee, of the LORD for us; for Nebuchadrezzar king of
Babylon maketh war against us; if so be that the LORD will deal with us
according to all his wondrous works, that he may go up from us. |
2 Vraag toch den HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van
Babel, strijdt tegen ons; misschien zal de HEERE met ons doen naar al Zijn
wonderen, dat hij van ons optrekke. |
|
JR 21:3 Toen zeide Jeremia tot hen: Zo zult gij tot Sedekia zeggen: |
3 Then said Jeremiah unto them, Thus shall ye say to Zedekiah: |
3 Toen zeide Jeremia tot hen: Zo zult gijlieden tot Zedekia zeggen: |
|
JR 21:4 Zo zegt de HERE, de God van Israël: zie, Ik keer in uw hand
het oorlogstuig om, waarmede gij buiten de muur strijd voert tegen de
koning van Babel en de Chaldeeën die u belegeren, en Ik zal het binnen
deze stad bijeenzamelen; |
4 Thus saith the LORD God of Israel; Behold, I will turn back the
weapons of war that [are] in your hands, wherewith ye fight against the
king of Babylon, and [against] the Chaldeans, which besiege you without
the walls, and I will assemble them into the midst of this city. |
4 Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ziet, Ik zal de krijgswapenen
omwenden, die in ulieder hand zijn, met dewelke gij strijdt tegen den
koning van Babel en tegen de Chaldeen, die u belegeren, van buiten aan den
muur; en Ik zal ze verzamelen in het midden van deze stad. |
|
JR 21:5 Ik zal tegen u strijd voeren met uitgestrekte hand en sterke
arm, in toorn, gramschap en grote verbolgenheid, |
5 And I myself will fight against you with an outstretched hand and
with a strong arm, even in anger, and in fury, and in great wrath. |
5 En Ik Zelf zal tegen ulieden strijden, met een uitgestrekte hand en
met een sterken arm, ja, met toorn, en met grimmigheid, en met grote
verbolgenheid. |
|
JR 21:6 en Ik zal de inwoners van deze stad slaan, zowel mens als dier:
aan een hevige pest zullen zij sterven. |
6 And I will smite the inhabitants of this city, both man and beast:
they shall die of a great pestilence. |
6 En Ik zal de inwoners dezer stad slaan, zowel de mensen als de
beesten; door een grote pestilentie zullen zij sterven. |
|
JR 21:7 En daarna, luidt het woord des HEREN, zal Ik Sedekia, de koning
van Juda, zijn dienaren en het volk, ja, wie in deze stad van de pest, het
zwaard en de honger zullen zijn overgebleven, overgeven in de macht van
Nebukadressar, de koning van Babel, ja, in de macht van hun vijanden en
van wie hen naar het leven staan; die zal hen slaan met de scherpte des
zwaards zonder hen te sparen, zonder mededogen of erbarmen. |
7 And afterward, saith the LORD, I will deliver Zedekiah king of Judah,
and his servants, and the people, and such as are left in this city from
the pestilence, from the sword, and from the famine, into the hand of
Nebuchadrezzar king of Babylon, and into the hand of their enemies, and
into the hand of those that seek their life: and he shall smite them with
the edge of the sword; he shall not spare them, neither have pity, nor
have mercy. |
7 En daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, den koning van Juda, en
zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn, van de
pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van
Nebukadrezar, den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden, en in
de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte
des zwaards; hij zal ze niet sparen, noch verschonen, noch zich ontfermen. |
|
JR 21:8 En tot dit volk zult gij zeggen: Zo zegt de HERE: Zie, Ik stel
u de weg des levens en de weg des doods voor: |
8 And unto this people thou shalt say, Thus saith the LORD; Behold, I
set before you the way of life, and the way of death. |
8 En tot dit volk zult gij zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik stel voor
ulieder aangezicht den weg des levens en den weg des doods. |
|
JR 21:9 wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, de honger of de
pest sterven, maar wie er uitgaat en naar de Chaldeeën die u belegeren,
overloopt, zal leven en zijn leven zal hem ten buit zijn, |
9 He that abideth in this city shall die by the sword, and by the
famine, and by the pestilence: but he that goeth out, and falleth to the
Chaldeans that besiege you, he shall live, and his life shall be unto him
for a prey. |
|