|
HS 1:1 Het woord des HEREN, dat tot Hosea, de zoon
van Beëri, kwam, in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia,
koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning
van Israël. |
1 The word of the LORD that came unto Hosea, the son of Beeri, in the
days of Uzziah, Jotham, Ahaz, [and] Hezekiah, kings of Judah, and in the
days of Jeroboam the son of Joash, king of Israel. |
1 Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea, den zoon van Beeri,
in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de
dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israel. |
|
HS 1:2 Het begin van het spreken des HEREN door Hosea. De HERE zeide
tot Hosea: Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een
ontuchtige geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van
de HERE af. |
2 The beginning of the word of the LORD by Hosea. And the LORD said to
Hosea, Go, take unto thee a wife of whoredoms and children of whoredoms:
for the land hath committed great whoredom, [departing] from the LORD. |
2 Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zeide tot
Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der
hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE. |
|
HS 1:3 Toen ging hij heen en huwde Gomer, de dochter van Diblaïm, en
zij werd zwanger en baarde hem een zoon. |
3 So he went and took Gomer the daughter of Diblaim; which conceived,
and bare him a son. |
3 Zo ging hij henen, en nam Gomer, een dochter van Diblaim; en zij
ontving; en baarde hem een zoon. |
|
HS 1:4 De HERE zeide tot hem: Noem hem Jizreël, want het zal niet lang
meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreël bezoeken aan Jehu's huis,
en een einde maken aan het koninkrijk van het huis Israëls. |
4 And the LORD said unto him, Call his name Jezreel; for yet a little
[while], and I will avenge the blood of Jezreel upon the house of Jehu,
and will cause to cease the kingdom of the house of Israel. |
4 En de HEERE zeide tot hem: Noem zijn naam Jizreel, want nog een
weinig [tijds], zo zal Ik de bloedschulden van Jizreel bezoeken over het
huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israel doen
ophouden. |
|
HS 1:5 Te dien dage zal het geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken
zal in het dal van Jizreël. |
5 And it shall come to pass at that day, that I will break the bow of
Israel in the valley of Jezreel. |
5 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israels boog verbreken
zal, in het dal van Jizreel. |
|
HS 1:6 Zij werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot
hem: Noem haar Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer over het
huis Israëls ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou. |
6 And she conceived again, and bare a daughter. And [God] said unto
him, Call her name Loruhamah: for I will no more have mercy upon the house
of Israel; but I will utterly take them away. |
6 En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem:
Noem haar naam Lo-Ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen
over het huis Israels, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren. |
|
HS 1:7 Doch over het huis van Juda zal Ik mij ontfermen, en hen
verlossen als de HERE, hun God. Maar Ik zal hen niet verlossen door boog
of zwaard of oorlogstuig, door paarden of door ruiters. |
7 But I will have mercy upon the house of Judah, and will save them by
the LORD their God, and will not save them by bow, nor by sword, nor by
battle, by horses, nor by horsemen. |
7 Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen
door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door
zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. |
|
HS 1:8 Nadat zij Lo-Ruchama gespeend had, werd zij zwanger en baarde
een zoon. |
8 Now when she had weaned Loruhamah, she conceived, and bare a son. |
8 Als zij nu Lo-Ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. |
|
HS 1:9 Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet
en Ik zal de uwe niet zijn. |
9 Then said [God], Call his name Loammi: for ye [are] not my people,
and I will not be your [God]. |
9 En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk
niet, zo zal Ik [ook] de uwe niet zijn. |
|
HS 1:10 Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het
zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot
hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet - zullen zij genoemd worden
kinderen van de levende God. |
10 Yet the number of the children of Israel shall be as the sand of the
sea, which cannot be measured nor numbered; and it shall come to pass,
[that] in the place where it was said unto them, Ye [are] not my people,
[there] it shall be said unto them, [Ye are] the sons of the living God. |
10 Nochtans zal het getal der kinderen Israels zijn als het zand der
zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden, dat
ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet;
tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. |
|
HS 1:11 Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich
bijeenscharen, één hoofd over zich stellen, en optrekken uit het land;
want groot zal de dag van Jizreël zijn. |
11 Then shall the children of Judah and the children of Israel be
gathered together, and appoint themselves one head, and they shall come up
out of the land: for great [shall be] the day of Jezreel. |
11 En de kinderen van Juda, en de kinderen Israels zullen
samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land
optrekken; want de dag van Jizreel zal groot zijn. |
|
HS 1:12 Zegt tot uw broeders: Ammi, en tot uw zusters: Ruchama. |
1 Say ye unto your brethren, Ammi; and to your sisters, Ruhamah. |
12 Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Ruchama. |
|
HS 2:1 Klaagt uw moeder aan, klaagt haar aan, want
zij is mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet. Laat zij haar ontucht van
haar gelaat verwijderen en haar overspel van haar boezem, |
2 Plead with your mother, plead: for she [is] not my wife, neither [am]
I her husband: let her therefore put away her whoredoms out of her sight,
and her adulteries from between her breasts; |
1 Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en
Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en
haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen. |
|
HS 2:2 anders zal Ik haar naakt uitkleden en haar laten staan als ten
dage toen zij geboren werd, haar maken als een woestijn, haar doen worden
als een dor land, en haar doen sterven van dorst; |
3 Lest I strip her naked, and set her as in the day that she was born,
and make her as a wilderness, and set her like a dry land, and slay her
with thirst. |
2 Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als ten dage, toen zij
geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land,
en dode ze door dorst; |
|
HS 2:3 en over haar kinderen zal Ik Mij niet ontfermen, omdat zij uit
ontucht geboren zijn. |
4 And I will not have mercy upon her children; for they [be] the
children of whoredoms. |
3 En Mij harer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der
hoererijen zijn. |
|
HS 2:4 Want hun moeder heeft ontucht bedreven; zij, die van hen zwanger
geweest is, heeft schandelijk gehandeld. Want zij zeide: Ik wil achter
mijn minnaars aan gaan, die mij mijn brood en water, mijn wol en vlas,
mijn olie en drank geven. |
5 For their mother hath played the harlot: she that conceived them hath
done shamefully: for she said, I will go after my lovers, that give [me]
my bread and my water, my wool and my flax, mine oil and my drink. |
4 Want hunlieder moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft,
handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die [mij]
mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank
geven. |
|
HS 2:5 Daarom, zie, Ik ga uw weg met doornen versperren, Ik ga tegen
haar een muur oprichten, zodat zij haar paden niet vinden kan. |
6 Therefore, behold, I will hedge up thy way with thorns, and make a
wall, that she shall not find her paths. |
5 Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een
heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden. |
|
HS 2:6 Dan zal zij haar minnaars nalopen, maar hen niet bereiken; hen
zoeken, maar niet vinden. Dan zal zij zeggen: ik wil heengaan en
terugkeren tot mijn eerste man, want toen had ik het beter dan nu. |
7 And she shall follow after her lovers, but she shall not overtake
them; and she shall seek them, but shall not find [them]: then shall she
say, I will go and return to my first husband; for then [was it] better
with me than now. |
6 En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij
zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en
keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu. |
|
HS 2:7 Zij echter beseft niet, dat Ik het ben, die haar het koren, de
most en de olie heb gegeven, die haar het zilver rijkelijk geschonken heb
en het goud, dat zij voor de Baäl gebruikt hebben. |
8 For she did not know that I gave her corn, and wine, and oil, and
multiplied her silver and gold, [which] they prepared for Baal. |
7 Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie
gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, [dat] zij tot
den Baal gebruikt hebben. |
|
HS 2:8 Daarom zal Ik mijn koren weer wegnemen in de oogsttijd, en mijn
most in zijn seizoen, en wegrukken mijn wol en mijn vlas, die haar
naaktheid moeten bedekken. |
9 Therefore will I return, and take away my corn in the time thereof,
and my wine in the season thereof, and will recover my wool and my flax
[given] to cover her nakedness. |
8 Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en
Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn
vlas, [dienende] om haar naaktheid te bedekken. |
|
HS 2:9 Nu dan, Ik wil haar schaamte ontbloten voor de ogen van haar
minnaars en niemand zal haar uit mijn hand redden. |
10 And now will I discover her lewdness in the sight of her lovers, and
none shall deliver her out of mine hand. |
9 En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen harer boelen; en
niemand zal haar uit Mijn hand verlossen. |
|
HS 2:10 Ik zal doen ophouden al haar vreugde, haar feest, haar
nieuwemaansdag en haar sabbat, ja, al haar hoogtijden. |
11 I will also cause all her mirth to cease, her feast days, her new
moons, and her sabbaths, and all her solemn feasts. |
10 En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar
nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden. |
|
HS 2:11 Dan zal Ik haar wijnstok en haar vijgeboom verwoesten, waarvan
zij zeide: Die zijn het loon, dat mijn minnaars mij gaven. Ik zal ze maken
tot een woud, en het gedierte des velds zal ze afvreten. |
12 And I will destroy her vines and her fig trees, whereof she hath
said, These [are] my rewards that my lovers have given me: and I will make
them a forest, and the beasts of the field shall eat them. |
11 En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij
zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben;
maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze
vreten. |
|
HS 2:12 Zo zal Ik over haar bezoeken de dagen, waarop zij voor de
Baäls het offer ontstak, zich tooide met ring en halssieraad en achter
haar minnaars aan ging, maar Mij vergat, luidt het woord des HEREN. |
13 And I will visit upon her the days of Baalim, wherein she burned
incense to them, and she decked herself with her earrings and her jewels,
and she went after her lovers, and forgat me, saith the LORD. |
12 En Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baals, waarin zij dien
gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar
halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt
de HEERE. |
|
HS 2:13 Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn,
en spreken tot haar hart. |
14 Therefore, behold, I will allure her, and bring her into the
wilderness, and speak comfortably unto her. |
13 Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn;
en Ik zal naar haar hart spreken. |
|
HS 2:14 Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven, en het dal Achor
maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van
haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte. |
15 And I will give her her vineyards from thence, and the valley of
Achor for a door of hope: and she shall sing there, as in the days of her
youth, and as in the day when she came up out of the land of Egypt. |
14 En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor,
tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer
jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland. |
|
HS 2:15 En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des HEREN,
dat gij Mij noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Baäl. |
16 And it shall be at that day, saith the LORD, [that] thou shalt call
me Ishi; and shalt call me no more Baali. |
15 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat gij [Mij]
noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baal! |
|
HS 2:16 Ja, Ik zal de namen der Baäls verwijderen uit haar mond; hun
naam zal niet meer genoemd worden. |
17 For I will take away the names of Baalim out of her mouth, and they
shall no more be remembered by their name. |
16 En Ik zal de namen der Baals van haar mond wegdoen; zij zullen niet
meer bij hun namen gedacht worden. |
|
HS 2:17 Te dien dage zal Ik voor hen een verbond sluiten met het
gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der
aarde. Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken, en
hen veilig doen wonen. |
18 And in that day will I make a covenant for them with the beasts of
the field, and with the fowls of heaven, and [with] the creeping things of
the ground: and I will break the bow and the sword and the battle out of
the earth, and will make them to lie down safely. |
17 En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild
gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend
gedierte des aardbodems; en Ik zal den boog, en het zwaard, en den krijg
van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen. |
|
HS 2:18 Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot
bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en
ontferming; |
19 And I will betroth thee unto me for ever; yea, I will betroth thee
unto me in righteousness, and in judgment, and in lovingkindness, and in
mercies. |
18 En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij
ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in
barmhartigheden. |
|
HS 2:19 Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de HERE
kennen. |
20 I will even betroth thee unto me in faithfulness: and thou shalt
know the LORD. |
19 En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE
kennen. |
|
HS 2:20 Het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, luidt het
woord des HEREN: Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren, |
21 And it shall come to pass in that day, I will hear, saith the LORD,
I will hear the heavens, and they shall hear the earth; |
20 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de
HEERE; Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren. |
|
HS 2:21 en de aarde zal het koren, de most en de olie verhoren, en die
zullen Jizreël verhoren. |
22 And the earth shall hear the corn, and the wine, and the oil; and
they shall hear Jezreel. |
21 En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie;
en die zullen Jizreel verhoren. |
|
HS 2:22 Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land, en Mij ontfermen
over Lo-Ruchama, en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal
zeggen: Mijn God! |
23 And I will sow her unto me in the earth; and I will have mercy upon
her that had not obtained mercy; and I will say to [them which were] not
my people, Thou [art] my people; and they shall say, [Thou art] my God. |
22 En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over
Lo-Ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal
zeggen: O, mijn God! |
|
HS 3:1 De HERE zeide tot mij: Ga weder heen, bemin
een vrouw, die zich door een ander laat beminnen en overspelig is, gelijk
de HERE de Israëlieten bemint, die zich tot andere goden wenden en
minnaars zijn van druivenkoeken. |
1 Then said the LORD unto me, Go yet, love a woman beloved of [her]
friend, yet an adulteress, according to the love of the LORD toward the
children of Israel, who look to other gods, and love flagons of wine. |
1 En de HEERE zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die,
bemind zijnde van [haar] vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE
de kinderen Israels bemint, maar zij zien om, naar andere goden, en
beminnen de flessen der druiven. |
|
HS 3:2 Toen kocht ik haar voor vijftien zilverstukken en anderhalve
homer gerst. |
2 So I bought her to me for fifteen [pieces] of silver, and [for] an
homer of barley, and an half homer of barley: |
2 En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en
een halven homer gerst. |
|
HS 3:3 En ik zeide tot haar: Vele dagen zult gij blijven zitten; gij
zult geen ontucht bedrijven, geen man toebehoren; en ook ik zal tot u niet
komen. |
3 And I said unto her, Thou shalt abide for me many days; thou shalt
not play the harlot, and thou shalt not be for [another] man: so [will] I
also [be] for thee. |
3 En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij
zult niet hoereren, noch een [anderen] man geworden), en ik ook na u. |
|
HS 3:4 Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder
koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod
of terafim. |
4 For the children of Israel shall abide many days without a king, and
without a prince, and without a sacrifice, and without an image, and
without an ephod, and [without] teraphim: |
4 Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten, zonder
koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en
zonder efod en terafim. |
|
HS 3:5 Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God,
zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn
heil - in de dagen der toekomst. |
5 Afterward shall the children of Israel return, and seek the LORD
their God, and David their king; and shall fear the LORD and his goodness
in the latter days. |
5 Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeren, en zoeken den HEERE,
hun God, en David, hun koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE
en tot Zijn |
|
HS 4:1 Hoort het woord des HEREN, gij Israëlieten,
want de HERE heeft een rechtsgeding met de bewoners van het land, omdat er
geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land. |
1 Hear the word of the LORD, ye children of Israel: for the LORD hath a
controversy with the inhabitants of the land, because [there is] no truth,
nor mercy, nor knowledge of God in the land. |
1 Hoort des HEEREN woord, gij kinderen Israels! want de HEERE heeft een
twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw, en geen
weldadigheid, en geen kennis van God in het land is; |
|
HS 4:2 Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken! Men pleegt
geweld, bloedbad volgt op bloedbad. |
2 By swearing, and lying, and killing, and stealing, and committing
adultery, they break out, and blood toucheth blood. |
2 [Maar] vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen;
zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden. |
|
HS 4:3 Daarom treurt het land, en al wat erin woont verkwijnt, zowel
het gedierte des velds als het gevogelte des hemels; ja, zelfs de vissen
der zee komen om. |
3 Therefore shall the land mourn, and every one that dwelleth therein
shall languish, with the beasts of the field, and with the fowls of
heaven; yea, the fishes of the sea also shall be taken away. |
3 Daarom zal het land treuren, en een iegelijk, die daarin woont,
kwelen, met het gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels; ja,
ook de vissen der zee zullen weggeraapt worden. |
|
HS 4:4 Laat maar niemand een aanklacht inbrengen en laat maar niemand
een terechtwijzing uiten, aangezien mijn aanklacht u geldt, o priester! |
4 Yet let no man strive, nor reprove another: for thy people [are] as
they that strive with the priest. |
4 Doch niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die
met den priester twisten. |
|
HS 4:5 Gij zult struikelen bij dag, en met u zal ook de profeet
struikelen bij nacht, en verdelgen zal Ik uw moeder. |
5 Therefore shalt thou fall in the day, and the prophet also shall fall
with thee in the night, and I will destroy thy mother. |
5 Daarom zult gij vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen
bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien. |
|
HS 4:6 Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij
de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor
Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw
zonen vergeten. |
6 My people are destroyed for lack of knowledge: because thou hast
rejected knowledge, I will also reject thee, that thou shalt be no priest
to me: seeing thou hast forgotten the law of thy God, I will also forget
thy children. |
6 Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de
kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het
priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt,
zal Ik ook uw kinderen vergeten. |
|
HS 4:7 Hoe talrijker zij werden, des te meer zondigden zij tegen Mij.
Hun eer zal Ik in schande verkeren. |
7 As they were increased, so they sinned against me: [therefore] will I
change their glory into shame. |
7 Gelijk zij meerder geworden zijn, alzo hebben zij tegen Mij
gezondigd; Ik zal hunlieder eer in schande veranderen. |
|
HS 4:8 Van de zonde van mijn volk eten zij, en op zijn ongerechtigheid
zetten zij hun zinnen. |
8 They eat up the sin of my people, and they set their heart on their
iniquity. |
8 Zij eten de zonde Mijns volks, en verlangen, een ieder met zijn ziel,
naar hun ongerechtigheid. |
|
HS 4:9 En het wordt: zo priester zo volk. Daarom zal Ik zijn wandel aan
hem bezoeken en zijn handel hem vergelden. |
9 And there shall be, like people, like priest: and I will punish them
for their ways, and reward them their doings. |
9 Daarom, gelijk het volk, alzo zal de priester zijn; en Ik zal zijn
wegen over hem bezoeken, en zijn handelingen hem vergelden. |
|
HS 4:10 Dan zullen zij eten, maar niet verzadigd worden; zij zullen
ontucht bedrijven, maar niet talrijk worden; want zij hebben nagelaten de
HERE te vereren. |
10 For they shall eat, and not have enough: they shall commit whoredom,
and shall not increase: because they have left off to take heed to the
LORD. |
10 En zij zullen eten, maar niet zat worden, zullen hoereren, maar niet
uitbreken [in] [menigte]; want zij hebben nagelaten den HEERE in acht te
nemen. |
|
HS 4:11 Ontucht, wijn en most nemen het verstand weg. |
11 Whoredom and wine and new wine take away the heart. |
11 Hoererij, en wijn, en most neemt het hart weg. |
|
HS 4:12 Mijn volk raadpleegt zijn hout, en zijn staf moet het
voorlichten. Want een geest van ontucht doet hen dwalen, zodat zij zich in
ontucht aan hun God onttrekken. |
12 My people ask counsel at their stocks, and their staff declareth
unto them: for the spirit of whoredoms hath caused [them] to err, and they
have gone a whoring from under their God. |
12 Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken;
want de geest der hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God
weghoereren. |
|
HS 4:13 Op de toppen der bergen slachten zij offers en op de heuvelen
ontsteken zij die, onder eik, populier en terebint, omdat de schaduw ervan
aangenaam is. Daarom bedrijven uw dochters ontucht en plegen uw
schoondochters overspel. |
13 They sacrifice upon the tops of the mountains, and burn incense upon
the hills, under oaks and poplars and elms, because the shadow thereof
[is] good: therefore your daughters shall commit whoredom, and your
spouses shall commit adultery. |
13 Op de hoogten der bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij,
onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat derzelver schaduw goed is;
daarom hoereren uw dochteren, en uw bruiden bedrijven overspel. |
|
HS 4:14 Ik zal aan uw dochters de ontucht niet bezoeken, die zij
bedrijven, noch aan uw schoondochters het overspel dat zij plegen. Want
zij zelf zonderen zich af met hoeren, en brengen offers met aan ontucht
gewijden. Zo komt het volk dat geen inzicht heeft, ten val. |
14 I will not punish your daughters when they commit whoredom, nor your
spouses when they commit adultery: for themselves are separated with
whores, and they sacrifice with harlots: therefore the people [that] doth
not understand shall fall. |
14 Ik zal over uw dochteren geen bezoeking doen, omdat zij hoereren, en
over uw bruiden, omdat zij overspel doen; want zij zelven scheiden zich af
met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren; het volk dan, [dat] geen
verstand heeft zal omgekeerd worden. |
|
HS 4:15 Indien gij, o Israël, al ontucht bedrijft, laat dan toch Juda
geen schuld op zich laden! Komt dus niet naar Gilgal, en gaat niet naar
Bet-Awen, en zweert er niet: zo waar de HERE leeft! |
15 Though thou, Israel, play the harlot, [yet] let not Judah offend;
and come not ye unto Gilgal, neither go ye up to Bethaven, nor swear, The
LORD liveth. |
15 Zo gij, o Israel! wilt hoereren, dat [immers] Juda niet schuldig
worde; komt gij toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-Aven, en
zweert niet: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft. |
|
HS 4:16 Want Israël is weerspannig als een weerspannige koe. Nu zou de
HERE hen weiden als een schaap in het ruime veld!? |
16 For Israel slideth back as a backsliding heifer: now the LORD will
feed them as a lamb in a large place. |
16 Want Israel is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen de HEERE
weiden, als een lam in de ruimte. |
|
HS 4:17 Verknocht aan beelden is Efraïm. |
17 Ephraim [is] joined to idols: let him alone. |
17 Efraim is vergezeld met de afgoden; laat hem varen. |
|
HS 4:18 Laat hem geworden! Is hun roes geweken, dan bedrijven zij
schaamteloos ontucht. Vurig minnen hun schilden schande. |
18 Their drink is sour: they have committed whoredom continually: her
rulers [with] shame do love, Give ye. |
18 Hunlieder zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; hun
schilden (het is een schande!) beminnen [het] [woord]: Geeft. |
|
HS 4:19 Een wind heeft hen met zijn vleugels omsloten, en zij zullen
beschaamd uitkomen met hun offers. |
19 The wind hath bound her up in her wings, and they shall be ashamed
because of their sacrifices. |
19 Een wind heeft hen gebonden in zijn vleugelen, en zij zullen
beschaamd worden vanwege hun offeranden. |
|
HS 5:1 Hoort dit, gij priesters, en merk op, gij huis
Israëls, en neig het oor, gij huis des konings! Want u gaat het gericht
aan, omdat gij een strik zijt geworden voor Mispa, en een uitgespannen net
op de Tabor. |
1 Hear ye this, O priests; and hearken, ye house of Israel; and give ye
ear, O house of the king; for judgment [is] toward you, because ye have
been a snare on Mizpah, and a net spread upon Tabor. |
1 Hoort dit, gij priesters! en merkt op, gij huis Israels! en neemt ter
oren, gij huis des konings! want ulieden [gaat] dit oordeel aan, omdat gij
een strik zijt geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor. |
|
HS 5:2 De afvalligen hebben een diepe valkuil gemaakt; terwijl Ik door
hen allen ben terzijde geschoven. |
2 And the revolters are profound to make slaughter, though I [have
been] a rebuker of them all. |
2 En die afwijken, verdiepen zich [om] te slachten; maar Ik zal hun
allen een tuchtmeester zijn. |
|
HS 5:3 Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen. Waarlijk,
nu hebt gij, o Efraïm, ontucht bedreven; Israël heeft zich
verontreinigd. |
3 I know Ephraim, and Israel is not hid from me: for now, O Ephraim,
thou committest whoredom, [and] Israel is defiled. |
3 Ik ken Efraim, en Israel is voor Mij niet verborgen; dat gij, o
Efraim! nu hoereert, [en] Israel verontreinigd is. |
|
HS 5:4 Hun daden gedogen niet, dat zij zich bekeren tot hun God. Want
een geest van ontucht woont in hen, en de HERE kennen zij niet. |
4 They will not frame their doings to turn unto their God: for the
spirit of whoredoms [is] in the midst of them, and they have not known the
LORD. |
4 Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren;
want de geest der hoererijen is in het midden van hen, en den HEERE kennen
zij niet. |
|
HS 5:5 De hoogmoed van Israël getuigt openlijk tegen hem. Israël en
Efraïm zullen struikelen door hun ongerechtigheid. Ook Juda struikelt met
hen. |
5 And the pride of Israel doth testify to his face: therefore shall
Israel and Ephraim fall in their iniquity; Judah also shall fall with
them. |
5 Dies zal Israel hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israel en
Efraim zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen
vallen. |
|
HS 5:6 Hun kleinvee en hun runderen zullen zij brengen om de HERE te
zoeken, maar zij zullen Hem niet vinden: Hij onttrekt Zich aan hen! |
6 They shall go with their flocks and with their herds to seek the
LORD; but they shall not find [him]; he hath withdrawn himself from them. |
6 Met hun schapen, en met hun runderen zullen zij [dan] gaan, om den
HEERE te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft Zich van hen onttrokken. |
|
HS 5:7 Tegen de HERE hebben zij trouweloos gehandeld, want zij hebben
bastaardkinderen verwekt. Nu kan (elke) nieuwe maan hen verteren met hun
bezittingen. |
7 They have dealt treacherously against the LORD: for they have
begotten strange children: now shall a month devour them with their
portions. |
7 Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den HEERE; want zij hebben
vreemde kinderen gewonnen; nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun
delen. |
|
HS 5:8 Blaast de bazuin in Gibea, de trompet in Rama! Maakt alarm in
Bet-Awen! Achter u, Benjamin! |
8 Blow ye the cornet in Gibeah, [and] the trumpet in Ramah: cry aloud
[at] Bethaven, after thee, O Benjamin. |
8 Blaast de bazuin te Gibea, de trompet te Rama; roept luide [te]
Beth-Aven; achter u, Benjamin! |
|
HS 5:9 Tot een woestenij zal Efraïm worden ten dage des oordeels. Over
de stammen Israëls maak Ik bekend wat vast besloten is. |
9 Ephraim shall be desolate in the day of rebuke: among the tribes of
Israel have I made known that which shall surely be. |
9 Efraim zal tot verwoesting worden, ten dage der straf; onder de
stammen Israels heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is. |
|
HS 5:10 De vorsten van Juda zijn als zij die de grenzen verleggen. Op
hen zal Ik mijn verbolgenheid uitgieten als water. |
10 The princes of Judah were like them that remove the bound:
[therefore] I will pour out my wrath upon them like water. |
10 De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die de landpalen
verrukken; Ik zal Mijn verbolgenheid, als water, over hen uitgieten. |
|
HS 5:11 Verdrukt is Efraïm, verpletterd door het recht, omdat hij
heeft verkozen het ijdele te volgen. |
11 Ephraim [is] oppressed [and] broken in judgment, because he
willingly walked after the commandment. |
11 Efraim is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft
[zo] gewild; hij heeft gewandeld naar het gebod. |
|
HS 5:12 Daarom ben Ik voor Efraïm als een mot, en als een beeneter
voor het huis van Juda. |
12 Therefore [will] I [be] unto Ephraim as a moth, and to the house of
Judah as rottenness. |
12 Daarom zal Ik Efraim zijn als een mot, en den huize van Juda als een
verrotting. |
|
HS 5:13 Toen Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, ging
Efraïm naar Assur en zond boden naar koning Strijdlust. Deze echter kan u
geen genezing schenken, en zal het gezwel van u niet wegnemen. |
13 When Ephraim saw his sickness, and Judah [saw] his wound, then went
Ephraim to the Assyrian, and sent to king Jareb: yet could he not heal
you, nor cure you of your wound. |
13 Als Efraim zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim
tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet
kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen. |
|
HS 5:14 Want Ik ben als een leeuw voor Efraïm, en als een jonge leeuw
voor het huis van Juda. Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; |
14 For I [will be] unto Ephraim as a lion, and as a young lion to the
house of Judah: I, [even] I, will tear and go away; |
14 Want Ik zal Efraim zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda
als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; |
|
HS 5:15 Ik zal wegnemen, zonder dat iemand redden kan. |
I will take away, and none shall rescue [him]. |
Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. |
|
Ik zal heengaan, Ik wil wederkeren naar mijn plaats, totdat zij zich
schuldig gevoelen en mijn aangezicht zoeken; wanneer het hun bang te moede
is, zullen zij verlangend naar Mij uitzien. |
15 I will go [and] return to my place, till they acknowledge their
offence, and seek my face: in their affliction they will seek me early. |
15 Ik zal hehengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij
zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal
zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. |
|
HS 6:1 Komt, laat ons wederkeren tot de HERE! Want
Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons
verbinden. |
1 Come, and let us return unto the LORD: for he hath torn, and he will
heal us; he hath smitten, and he will bind us up. |
1 Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd,
en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden. |
|
HS 6:2 Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij
ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht. |
2 After two days will he revive us: in the third day he will raise us
up, and we shall live in his sight. |
2 Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons
doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. |
|
HS 6:3 Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo
zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen,
als de late regen, die het land besproeit. |
3 Then shall we know, [if] we follow on to know the LORD: his going
forth is prepared as the morning; and he shall come unto us as the rain,
as the latter [and] former rain unto the earth. |
3 Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den HEERE te kennen;
Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een
regen, als de spade regen [en] vroege regen des lands. |
|
HS 6:4 Wat zal Ik u aandoen, o Efraïm? Wat zal Ik u aandoen, o Juda?
Immers uw liefde is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte
vergaat. |
4 O Ephraim, what shall I do unto thee? O Judah, what shall I do unto
thee? for your goodness [is] as a morning cloud, and as the early dew it
goeth away. |
4 Wat zal Ik u doen, o Efraim! wat zal Ik u doen, o Juda! dewijl uw
weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die
henengaat. |
|
HS 6:5 Daarom heb Ik er door de profeten op ingehouwen, heb Ik hen
gedood door de woorden mijns monds. De oordelen over u waren een
doorbrekend licht. |
5 Therefore have I hewed [them] by the prophets; I have slain them by
the words of my mouth: and thy judgments [are as] the light [that] goeth
forth. |
5 Daarom heb Ik hen behouwen door de profeten; Ik heb ze gedood door de
redenen Mijns monds; en uw oordelen zullen voortkomen [aan] het licht. |
|
HS 6:6 Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis
van God en niet in brandoffers. |
6 For I desired mercy, and not sacrifice; and the knowledge of God more
than burnt offerings. |
6 Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de
kennis Gods, meer dan tot brandofferen. |
|
HS 6:7 Maar zij hebben als Adam het verbond overtreden; daar hebben zij
Mij trouweloos bejegend. |
7 But they like men have transgressed the covenant: there have they
dealt treacherously against me. |
7 Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij
trouwelooslijk tegen Mij gehandeld. |
|
HS 6:8 Gilead is een stad van misdadigers, vol bloedsporen. |
8 Gilead [is] a city of them that work iniquity, [and is] polluted with
blood. |
8 Gilead is een stad van werkers der ongerechtigheid; zij is betreden
van bloed. |
|
HS 6:9 Gelijk een troep bandieten ligt een priesterschare op de loer;
zij moorden op de weg naar Sichem. Waarlijk, wandaden bedrijven zij. |
9 And as troops of robbers wait for a man, [so] the company of priests
murder in the way by consent: for they commit lewdness. |
9 Gelijk de benden der straatschenders op iemand wachten, [alzo] is het
gezelschap der priesteren; zij moorden [op] den weg naar Sichem, waarlijk,
zij doen schandelijke daden. |
|
HS 6:10 In het huis Israëls heb Ik afschuwelijke dingen gezien: daar
is Efraïms ontucht; Israël heeft zich verontreinigd. |
10 I have seen an horrible thing in the house of Israel: there [is] the
whoredom of Ephraim, Israel is defiled. |
10 Ik zie een afschuwelijke zaak in het huis Israels; aldaar is Efraims
hoererij, Israel is verontreinigd. |
|
HS 6:11 Ook voor u, Juda, is een oogst weggelegd, wanneer Ik in het lot
van mijn volk een keer brengen zal. |
11 Also, O Judah, he hath set an harvest for thee, when I returned the
captivity of my people. |
11 Ook heeft hij u, o Juda! een oogst gezet, als Ik de gevangenen Mijns
volks wederbracht. |
|
HS 7:1 Zodra Ik Israël genees, worden Efraïms
ongerechtigheid en de boosheden van Samaria onthuld. Want zij plegen
bedrog: de dief dringt binnen, de bende plundert buiten. |
1 When I would have healed Israel, then the iniquity of Ephraim was
discovered, and the wickedness of Samaria: for they commit falsehood; and
the thief cometh in, [and] the troop of robbers spoileth without. |
1 Terwijl Ik Israel genees, zo wordt Efraims ongerechtigheid ontdekt,
mitsgaders de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief
gaat er in, de bende der straatschenders stroopt daar buiten. |
|
HS 7:2 En zij denken er niet aan, dat Ik al hun kwaad in gedachten
houd. Nu omringen hen hun daden; zij zijn vóór mijn aangezicht. |
2 And they consider not in their hearts [that] I remember all their
wickedness: now their own doings have beset them about; they are before my
face. |
2 En zij zeggen niet in hun hart, [dat] Ik al hunner boosheid gedachtig
ben; nu omsingelen hen hun handelingen, zij zijn voor Mijn aangezicht. |
|
HS 7:3 Met hun boosheid verheugen zij de koning en met hun leugens de
vorsten. |
3 They make the king glad with their wickedness, and the princes with
their lies. |
3 Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun
leugenen. |
|
HS 7:4 Zij allen zijn overspelig, zij zijn te vergelijken met een oven,
die blijft branden, ook al is de bakker opgehouden met stoken, omdat hij
het deeg kneedt, totdat het doorzuurd is. |
4 They [are] all adulterers, as an oven heated by the baker, [who]
ceaseth from raising after he hath kneaded the dough, until it be
leavened. |
4 Zij bedrijven al te zamen overspel, zij zijn gelijk een bakoven, die
heet gemaakt is van den bakker; [die] ophoudt van wakker te zijn, nadat
hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorgezuurd zij. |
|
HS 7:5 Op de feestdag van onze koning maken zij de vorsten ziek van
verhitting door wijn. Hij wisselt handslag met gewetenloze lieden. |
5 In the day of our king the princes have made [him] sick with bottles
of wine; he stretched out his hand with scorners. |
5 Het is de dag onzes konings; de vorsten maken [hem] krank [door]
verhitting van den wijn; hij strekt zijn hand voort met de spotters. |
|
HS 7:6 Maar zij stoken hun hart als een oven met hun arglist; al slaapt
bij hen de bakker de ganse nacht, des morgens brandt (de oven) als een
vlammend vuur; |
6 For they have made ready their heart like an oven, whiles they lie in
wait: their baker sleepeth all the night; in the morning it burneth as a
flaming fire. |
6 Want zij voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun lagen;
hunlieder bakker slaapt den gansen nacht; ‘s morgens brandt hij als een
vlammend vuur. |
|
HS 7:7 zij allen gloeien als een oven. Zij verteren hun regeerders, al
hun koningen zijn gevallen. Niemand onder hen roept tot Mij. |
7 They are all hot as an oven, and have devoured their judges; all
their kings are fallen: [there is] none among them that calleth unto me. |
7 Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun
rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij
roept. |
|
HS 7:8 Efraïm vermengt zich met de volken. Efraïm is een koek die
niet gekeerd is. |
8 Ephraim, he hath mixed himself among the people; Ephraim is a cake
not turned. |
8 Efraim, die verwart zich met de volken; Efraim is een koek, die niet
is omgekeerd; |
|
HS 7:9 Vreemden hebben zijn kracht verteerd, maar hij beseft het niet.
Zelfs ligt grijsheid over hem gesprenkeld, maar hij beseft het niet. |
9 Strangers have devoured his strength, and he knoweth [it] not: yea,
gray hairs are here and there upon him, yet he knoweth not. |
9 Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de
grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet. |
|
HS 7:10 En de hoogmoed van Israël getuigt openlijk tegen hem. Doch zij
hebben zich niet bekeerd tot de HERE, hun God, en hebben Hem trots dit
alles niet gezocht. |
10 And the pride of Israel testifieth to his face: and they do not
return to the LORD their God, nor seek him for all this. |
10 Dies zal de hovaardij van Israel in zijn aangezicht getuigen; dewijl
zij zich niet bekeren tot den HEERE, hun God, noch Hem zoeken in alle
deze. |
|
HS 7:11 Efraïm is geworden als een onnozele duif, zonder verstand.
Egypte roepen zij te hulp, naar Assur trekken zij. |
11 Ephraim also is like a silly dove without heart: they call to Egypt,
they go to Assyria. |
11 Want Efraim is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte
aan, zij gaan henen tot Assur. |
|
HS 7:12 Zodra zij gaan, span Ik mijn net over hen uit. Als het
gevogelte des hemels haal Ik hen neer. Zodra hun zwerm rumoerig wordt,
neem Ik ze gevangen. |
12 When they shall go, I will spread my net upon them; I will bring
them down as the fowls of the heaven; I will chastise them, as their
congregation hath heard. |
12 Wanneer zij zullen henengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden,
Ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen. Ik zal ze tuchtigen,
gelijk gehoord is in hun vergadering. |
|
HS 7:13 Wee over hen, omdat zij van Mij zijn weggevlogen! Verwoesting
over hen, omdat zij van Mij zijn afgevallen! Hoewel Ik hen verloste,
hebben zij tegen Mij leugens gesproken. |
13 Woe unto them! for they have fled from me: destruction unto them!
because they have transgressed against me: though I have redeemed them,
yet they have spoken lies against me. |
13 Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen,
want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij
spreken leugenen tegen Mij. |
|
HS 7:14 En zij roepen niet tot Mij met hun hart, wanneer zij jammeren
op hun leger. Om koren en most kerven zij zich; zij zijn weerspannig tegen
Mij. |
14 And they have not cried unto me with their heart, when they howled
upon their beds: they assemble themselves for corn and wine, [and] they
rebel against me. |
14 Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun
legers; om koren en most verzamelen zij zich, [maar] zij wederstreven
tegen Mij. |
|
HS 7:15 Ofschoon Ik hen onderricht en hun armen sterk, bedenken zij
telkens kwaad tegen Mij. |
15 Though I have bound [and] strengthened their arms, yet do they
imagine mischief against me. |
15 Ik heb hen wel getuchtigd, [en] hunlieder armen gesterkt; maar zij
denken kwaad tegen Mij. |
|
HS 7:16 Zij keren zich, maar niet naar omhoog; zij zijn geworden als
een bedrieglijke boog. Door het zwaard zullen hun vorsten vallen wegens de
heftigheid hunner tong. Daarover spot men met hen in het land Egypte. |
16 They return, [but] not to the most High: they are like a deceitful
bow: their princes shall fall by the sword for the rage of their tongue:
this [shall be] their derision in the land of Egypt. |
16 Zij keren zich, [maar] niet [tot] den Allerhoogste, zij zijn als een
bedrieglijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de
gramschap hunner tong; dat is hunlieder bespotting in Egypteland. |
|
HS 8:1 De bazuin aan uw mond! Als een arend (komt
het) tegen het huis des HEREN! Omdat zij mijn verbond hebben overtreden en
tegen mijn wet gerebelleerd. |
1 [Set] the trumpet to thy mouth. [He shall come] as an eagle against
the house of the LORD, because they have transgressed my covenant, and
trespassed against my law. |
1 De bazuin aan uw mond; [hij] [komt] als een arend tegen het huis des
HEEREN; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet
afvallig geworden. |
|
HS 8:2 Tot Mij roepen zij: Mijn God! Wij, Israël, kennen U! |
2 Israel shall cry unto me, My God, we know thee. |
2 [Dan] zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israel, kennen U. |
|
HS 8:3 Doch Israël verfoeit het goede - de vijand achtervolgt hem. |
3 Israel hath cast off [the thing that is] good: the enemy shall pursue
him. |
3 Israel heeft het goede verstoten; de vijand zal hem vervolgen. |
|
HS 8:4 Zij hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om; vorsten,
zonder dat Ik ervan wist. Van hun zilver en hun goud hebben zij zich
afgodsbeelden gemaakt tot hun verderf. |
4 They have set up kings, but not by me: they have made princes, and I
knew [it] not: of their silver and their gold have they made them idols,
that they may be cut off. |
4 Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten
gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben
zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden. |
|
HS 8:5 Verfoeilijk is uw kalf, o Samaria! - Mijn toorn is tegen hen
ontbrand. Hoelang nog zal hun reiniging onmogelijk zijn? - |
5 Thy calf, O Samaria, hath cast [thee] off; mine anger is kindled
against them: how long [will it be] ere they attain to innocency? |
5 Uw kalf, o Samaria! heeft [u] verstoten; Mijn toorn is tegen hen
ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen? |
|
HS 8:6 Voorwaar, ook dit is uit Israël, het is het maaksel van een
werkmeester, een god is het niet. Voorwaar, tot splinters zal dat kalf van
Samaria worden. |
6 For from Israel [was] it also: the workman made it; therefore it [is]
not God: but the calf of Samaria shall be broken in pieces. |
6 Want dat is ook uit Israel; een werkmeester heeft het gemaakt, en het
is geen God, maar het zal [tot] stukken worden, het kalf van Samaria. |
|
HS 8:7 Want wind zaaien zij en storm oogsten zij: tot rijpheid komt het
koren niet, het is een gewas dat geen meel voortbrengt; en brengt het al
iets voort, dan verslinden het vreemden. |
7 For they have sown the wind, and they shall reap the whirlwind: it
hath no stalk: the bud shall yield no meal: if so be it yield, the
strangers shall swallow it up. |
7 Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het
zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of
het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden. |
|
HS 8:8 Israël is verslonden. Nu zijn zij onder de volken geworden als
een voorwerp waar niemand behagen in schept, |
8 Israel is swallowed up: now shall they be among the Gentiles as a
vessel wherein [is] no pleasure. |
8 Israel is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden, gelijk
een vat, waar men geen lust toe heeft. |
|
HS 8:9 omdat zij naar Assur getogen zijn. Een wilde ezel houdt zich
afgezonderd, maar Efraïm reikt minnegeschenken uit. |
9 For they are gone up to Assyria, a wild ass alone by himself: Ephraim
hath hired lovers. |
9 Want zij zijn opgetogen [naar] Assur, een woudezel, die alleen voor
zichzelven is; die van Efraim hebben boelen om hoerenloon gehuurd. |
|
HS 8:10 Zelfs al zouden zij die onder de volken ontvangen, Ik zal hen
nu vergaderen; zij hebben weinig te hopen van de uitspraak van de koning
der vorsten. |
10 Yea, though they have hired among the nations, now will I gather
them, and they shall sorrow a little for the burden of the king of
princes. |
10 Dewijl zij [dan] onder de heidenen [boelen] om hoerenloon gehuurd
hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig
begonnen, vanwege den last van den koning der vorsten. |
|
HS 8:11 Voorwaar, vele altaren heeft Efraïm gesticht om te zondigen;
de altaren hebben hun gediend om te zondigen. |
11 Because Ephraim hath made many altars to sin, altars shall be unto
him to sin. |
11 Omdat Efraim de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn
hem de altaren geworden tot zondigen. |
|
HS 8:12 Al schrijf Ik hun tienduizendvoudig mijn wetten voor, toch
worden deze geacht als die van een vreemde. |
12 I have written to him the great things of my law, [but] they were
counted as a strange thing. |
12 Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Mijner wet voor; [maar] die
zijn geacht als wat vreemds. |
|
HS 8:13 Offergaven brengen zij, vlees, en zij eten het. De HERE heeft
in hen geen behagen; nu gedenkt Hij hun verkeerdheid en straft hun zonden:
zij zullen terugkeren naar Egypte. |
13 They sacrifice flesh [for] the sacrifices of mine offerings, and eat
[it; but] the LORD accepteth them not; now will he remember their
iniquity, and visit their sins: they shall return to Egypt. |
13 Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten
het, [maar] de HEERE heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hunner
ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weder in
Egypte keren. |
|
HS 8:14 Ja, Israël heeft zijn Maker vergeten, en heeft paleizen
gebouwd, terwijl Juda talrijke versterkte steden maakte. Doch Ik zal een
vuur in zijn steden werpen; dat zal haar burchten verteren. |
14 For Israel hath forgotten his Maker, and buildeth temples; and Judah
hath multiplied fenced cities: but I will send a fire upon his cities, and
it shall devour the palaces thereof. |
14 Want Israel heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda
heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn
steden, dat zal haar paleizen verteren. |
|
HS 9:1 Verheug u niet, Israël, tot jubelens toe, als
de volkeren, want gij zijt overspelig van uw God afgeweken, gij hebt het
loon der ontucht liefgehad op alle dorsvloeren van het koren. |
1 Rejoice not, O Israel, for joy, as [other] people: for thou hast gone
a whoring from thy God, thou hast loved a reward upon every cornfloor. |
1 Verblijd u niet, o Israel! tot opspringens toe, gelijk de volken;
want gij hoereert van uw God af; gij hebt hoerenloon lief, op alle
dorsvloeren des korens. |
|
HS 9:2 Dorsvloer noch perskuip zal hen voeden, de most zal hen
teleurstellen. |
2 The floor and the winepress shall not feed them, and the new wine
shall fail in her. |
2 De [dors] vloer en de wijnkuip zal henlieden niet voeden; en de most
zal hun liegen. |
|
HS 9:3 Zij zullen in het land des HEREN niet blijven, maar Efraïm zal
naar Egypte terugkeren, en in Assur zullen zij het onreine eten. |
3 They shall not dwell in the LORD'S land; but Ephraim shall return to
Egypt, and they shall eat unclean [things] in Assyria. |
3 Zij zullen in des HEEREN land niet blijven; maar Efraim zal weder tot
Egypte keren, en zij zullen in Assyrie het onreine eten. |
|
HS 9:4 Zij zullen voor de HERE geen wijn plengen en hun slachtoffers
zullen Hem niet aangenaam zijn; zij zijn voor hen als treurbrood; allen
die het eten, verontreinigen zich, want hun brood dient voor hen zelf; het
zal in het huis des HEREN niet komen. |
4 They shall not offer wine [offerings] to the LORD, neither shall they
be pleasing unto him: their sacrifices [shall be] unto them as the bread
of mourners; all that eat thereof shall be polluted: for their bread for
their soul shall not come into the house of the LORD. |
4 Zij zullen den HEERE geen drankofferen doen van wijn, ook zouden zij
Hem niet zoet zijn, hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen,
die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun
ziel zijn, het zal in des HEEREN huis niet komen. |
|
HS 9:5 Wat zult gij doen op een hoogtijdag en op een feestdag des
HEREN? |
5 What will ye do in the solemn day, and in the day of the feast of the
LORD? |
5 Wat zult gijlieden [dan] doen op een gezetten hoogtijdsdag, en op een
feestdag des HEEREN? |
|
HS 9:6 Want zie, al zijn zij aan de verwoesting ontkomen, Egypte zal
hen verzamelen, Mof hen begraven. Onkruid zal hun zilveren kostbaarheden
overwoekeren, dorens zullen in hun tenten opschieten. |
6 For, lo, they are gone because of destruction: Egypt shall gather
them up, Memphis shall bury them: the pleasant [places] for their silver,
nettles shall possess them: thorns [shall be] in their tabernacles. |
6 Want ziet, zij gaan daarhenen vanwege de verstoring; Egypte zal ze
verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver,
netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn. |
|
HS 9:7 Gekomen zijn de dagen der bezoeking, gekomen de dagen der
vergelding. Israël zal het ervaren. Dwaas is de profeet, waanzinnig de
man des geestes, wegens de grootte uwer ongerechtigheid en omdat er grote
vijandschap is. |
7 The days of visitation are come, the days of recompence are come;
Israel shall know [it]: the prophet [is] a fool, the spiritual man [is]
mad, for the multitude of thine iniquity, and the great hatred. |
7 De dagen der bezoeking zijn gekomen, de dagen der vergelding zijn
gekomen; die van Israel zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas,
de man des geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de
haat ook groot. |
|
HS 9:8 De wachter over Efraïm bij mijn God, de profeet - een strik van
een vogelvanger is op al zijn wegen, vijandschap in het huis van zijn God. |
8 The watchman of Ephraim [was] with my God: [but] the prophet [is] a
snare of a fowler in all his ways, [and] hatred in the house of his God. |
8 De wachter van Efraim is met mijn God, [maar] de profeet is een
vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods. |
|
HS 9:9 Zij hebben diep verdorven gehandeld, als in de dagen van Gibea:
Hij zal hun ongerechtigheid gedachtig zijn, hun zonden bezoeken. |
9 They have deeply corrupted [themselves], as in the days of Gibeah:
[therefore] he will remember their iniquity, he will visit their sins. |
9 Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea; Hij
zal hunner ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken. |
|
HS 9:10 Als druiven in de woestijn vond Ik Israël; als vroege vijgen,
als eerste opbrengst aan de vijgeboom, zag Ik uw vaderen. Zij echter
gingen naar Baäl-Peor en wijdden zich aan de schandgod; daardoor werden
zij even gruwelijk als het voorwerp van hun liefde. |
10 I found Israel like grapes in the wilderness; I saw your fathers as
the firstripe in the fig tree at her first time: [but] they went to
Baalpeor, and separated themselves unto [that] shame; and [their]
abominations were according as they loved. |
10 Ik vond Israel als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de
eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; [maar] zij gingen in
[tot] Baal-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans
verfoeilijk naar hun boelerij. |
|
HS 9:11 Efraïms heerlijkheid zal wegvliegen als het gevogelte: geen
geboorte, geen moederschoot, en geen ontvangenis meer. |
11 [As for] Ephraim, their glory shall fly away like a bird, from the
birth, and from the womb, and from the conception. |
11 Aangaande Efraim, hunlieder heerlijkheid zal wegvlieden als een
vogel; van de geboorte, en van [moeders] buik, en van de ontvangenis af. |
|
HS 9:12 Ja, al brengen zij zonen groot, Ik zal hen kinderloos maken,
zodat er geen mens meer zijn zal. Ja, ook wee hun, wanneer Ik van hen
wijk. |
12 Though they bring up their children, yet will I bereave them, [that
there shall] not [be] a man [left]: yea, woe also to them when I depart
from them! |
12 Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch
van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun,
als Ik van hen zal geweken zijn! |
|
HS 9:13 Efraïm, zoals Ik het gezien had, was een Tyrus, geplant in een
landouw; maar nu moet Efraïm zijn zonen uitleveren aan de moordenaar. |
13 Ephraim, as I saw Tyrus, [is] planted in a pleasant place: but
Ephraim shall bring forth his children to the murderer. |
13 Efraim is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een
liefelijke woonplaats; maar Efraim zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot
den doodslager. |
|
HS 9:14 Geef hun, HERE, wat Gij maar wilt: geef hun een kinderloze
schoot en verdroogde borsten. |
14 Give them, O LORD: what wilt thou give? give them a miscarrying womb
and dry breasts. |
14 Geef hun, HEERE! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende
baarmoeder, en uitdrogende borsten. |
|
HS 9:15 Al hun boosheid is in Gilgal, daar heb Ik ze dan ook gehaat;
wegens hun boze handelingen zal Ik ze uit mijn huis verdrijven. Ik zal ze
niet meer liefhebben: al hun vorsten zijn opstandelingen. |
15 All their wickedness [is] in Gilgal: for there I hated them: for the
wickedness of their doings I will drive them out of mine house, I will
love them no more: all their princes [are] revolters. |
15 Al hun boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, om de
boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit Mijn huis uitdrijven, Ik zal
ze voortaan niet meer liefhebben; al hun vorsten zijn afvalligen. |
|
HS 9:16 Efraïm is geslagen, hun wortel is verdord; vrucht zullen zij
niet zetten. Wanneer zij nog kinderen zouden voortbrengen, zal Ik de
lievelingen van hun schoot doden. - |
16 Ephraim is smitten, their root is dried up, they shall bear no
fruit: yea, though they bring forth, yet will I slay [even] the beloved
[fruit] of their womb. |
16 Efraim is geslagen, hunlieder wortel is verdord, zij zullen geen
vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de
gewenste [vruchten] van hun buik doden. |
|
HS 9:17 Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij naar Hem niet geluisterd
hebben; en zij zullen dolende zijn onder de volken. |
17 My God will cast them away, because they did not hearken unto him:
and they shall be wanderers among the nations. |
17 Mijn God zal ze verwerpen, omdat zij naar Hem niet horen; en zij
zullen omzwervende zijn onder de heidenen. |
|
HS 10:1 Israël is een welige wijnstok, die zijn
vruchten voortbrengt; naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer
altaren; naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde
stenen. |
1 Israel [is] an empty vine, he bringeth forth fruit unto himself:
according to the multitude of his fruit he hath increased the altars;
according to the goodness of his land they have made goodly images. |
1 Israel is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt [weder] vrucht voor
zich; [maar] naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren
vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte
beelden goed gemaakt. |
|
HS 10:2 Bedrieglijk was hun hart, nu zullen zij hun schuld boeten: Hij
zal hun altaren verwoesten, hun gewijde stenen vernielen. |
2 Their heart is divided; now shall they be found faulty: he shall
break down their altars, he shall spoil their images. |
2 Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal
hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren. |
|
HS 10:3 Nu zeggen zij wel: Wij hebben geen koning - maar, wanneer wij
de HERE niet vrezen, wat zou dan de koning voor ons kunnen doen? |
3 For now they shall say, We have no king, because we feared not the
LORD; what then should a king do to us? |
3 Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben
den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen? |
|
HS 10:4 Zij spreken holle woorden: zweren valse eden, sluiten maar
verbonden. En het gericht schiet op als een gifplant in de voren van de
akker. |
4 They have spoken words, swearing falsely in making a covenant: thus
judgment springeth up as hemlock in the furrows of the field. |
4 Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende [in] [het] verbond
maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren
der velden. |
|
HS 10:5 Om dat kalf van Bet-Awen zijn de inwoners van Samaria bezorgd;
ja, daarover treurt het volk, daarover maken de afgodspriesters misbaar,
omdat de heerlijkheid daarvan is geweken. |
5 The inhabitants of Samaria shall fear because of the calves of
Bethaven: for the people thereof shall mourn over it, and the priests
thereof [that] rejoiced on it, for the glory thereof, because it is
departed from it. |
5 De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van
Beth-Aven; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijn
Chemarim (die zich over hetzelve verheugden), over zijn heerlijkheid,
omdat zij van hetzelve is weggevaren. |
|
HS 10:6 Ja, het wordt zelf naar Assur gebracht als een geschenk voor
koning Strijdlust. Schande zal Efraïm op zich laden, en Israël zal
beschaamd uitkomen met zijn overleggingen. |
6 It shall be also carried unto Assyria [for] a present to king Jareb:
Ephraim shall receive shame, and Israel shall be ashamed of his own
counsel. |
6 Ja, datzelve zal naar Assur gevoerd worden, [tot] een geschenk voor
den koning Jareb; Efraim zal schaamte behalen, en Israel zal beschaamd
worden vanwege zijn raadslag. |
|
HS 10:7 Verdelgd wordt Samaria; zijn koning wordt als een spaander op
het watervlak. |
7 [As for] Samaria, her king is cut off as the foam upon the water. |
7 De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water. |
|
HS 10:8 En verwoest worden de hoogten van Awen, Israëls zonde. Doornen
en distelen zullen hun altaren overwoekeren. En zij zullen zeggen tot de
bergen: Bedekt ons, en tot de heuvelen: Valt op ons! |
8 The high places also of Aven, the sin of Israel, shall be destroyed:
the thorn and the thistle shall come up on their altars; and they shall
say to the mountains, Cover us; and to the hills, Fall on us. |
8 En de hoogten van Aven, Israels zonde, zullen verdelgd worden;
doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen
zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! |
|
HS 10:9 Sinds de dagen van Gibea hebt gij gezondigd, Israël. Daarbij
zijn zij blijven staan; zou hen te Gibea de strijd tegen de goddelozen
niet bereiken, |
9 O Israel, thou hast sinned from the days of Gibeah: there they stood:
the battle in Gibeah against the children of iniquity did not overtake
them. |
9 Sinds de dagen van Gibea, hebt gij gezondigd, o Israel; daar zijn zij
staande gebleven; de strijd te Gibea, tegen de kinderen der verkeerdheid,
zal ze niet aangrijpen. |
|
HS 10:10 naar mijn begeren? Ja, Ik zal hen tuchtigen, en volken zullen
tegen hen verzameld worden, terwijl zij getuchtigd zullen worden om hun
beide zonden. |
10 [It is] in my desire that I should chastise them; and the people
shall be gathered against them, when they shall bind themselves in their
two furrows. |
10 Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen
henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren. |
|
HS 10:11 Efraïm was een afgerichte jonge koe, die gewillig dorste; Ik
heb haar schone hals gespaard. Ik ga Efraïm inspannen, Juda zal ploegen,
Jakob eggen. |
11 And Ephraim [is as] an heifer [that is] taught, [and] loveth to
tread out [the corn]; but I passed over upon her fair neck: I will make
Ephraim to ride; Judah shall plow, [and] Jacob shall break his clods. |
11 Dewijl Efraim een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over
de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraim berijden, Juda zal
ploegen, Jakob zal voor zich eggen. |
|
HS 10:12 Zaait in gerechtigheid, oogst in liefde, ontgint u nieuw land.
Dan is het tijd om de HERE te vragen, totdat Hij komt en voor u
gerechtigheid laat regenen. |
12 Sow to yourselves in righteousness, reap in mercy; break up your
fallow ground: for [it is] time to seek the LORD, till he come and rain
righteousness upon you. |
12 Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een
braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en
over u de gerechtigheid regene. |
|
HS 10:13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, misdaad geoogst; de vrucht
van leugen hebt gij gegeten, omdat gij hebt vertrouwd op uw eigen weg, op
uw vele helden. |
13 Ye have plowed wickedness, ye have reaped iniquity; ye have eaten
the fruit of lies: because thou didst trust in thy way, in the multitude
of thy mighty men. |
13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, [en] de
vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de
veelheid uwer helden. |
|
HS 10:14 Daarom zal krijgsrumoer zich tegen uw volk verheffen, en al uw
vestingen zullen worden verwoest, gelijk Salman Bet-Arbel verwoestte, ten
dage van de strijd, toen moeder en kinderen werden verpletterd. |
14 Therefore shall a tumult arise among thy people, and all thy
fortresses shall be spoiled, as Shalman spoiled Betharbel in the day of
battle: the mother was dashed in pieces upon [her] children. |
14 Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw
vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten
dage des krijgs; de moeder werd er verpletterd met de zonen. |
|
HS 10:15 Zulks heeft Betel u aangedaan, vanwege uw diepe verdorvenheid.
In de morgenstond wordt de koning van Israël voorgoed verdelgd. |
15 So shall Bethel do unto you because of your great wickedness: in a
morning shall the king of Israel utterly be cut off. |
15 Alzo heeft Beth-El ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer
boosheid; Israels koning is in den dageraad ten enenmale uitgeroeid. |
|
HS 11:1 Toen Israël een kind was, heb Ik het
liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. |
1 When Israel [was] a child, then I loved him, and called my son out of
Egypt. |
1 Als Israel een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn
zoon uit Egypte uitgeroepen. |
|
HS 11:2 Hoe meer men hen riep, des te meer dwaalden zij weg: aan de
Baäls offerden zij en aan de gesneden beelden brachten zij reukoffers. |
2 [As] they called them, so they went from them: they sacrificed unto
Baalim, and burned incense to graven images. |
2 [Maar] [gelijk] zij henlieden riepen, alzo gingen zij van hun
aangezicht weg; zij offerden den Baals, en rookten den gesnedenen beelden. |
|
HS 11:3 En Ik leerde Efraïm lopen; Ik nam hen op mijn armen, maar zij
erkenden niet, dat Ik hen genas. |
3 I taught Ephraim also to go, taking them by their arms; but they knew
not that I healed them. |
3 Ik nochtans leerde Efraim gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij
bekenden niet, dat Ik ze genas. |
|
HS 11:4 Met mensenbanden trok ik hen, met koorden der liefde; Ik was
hun als degenen die het juk van hun kinnebak hieven. Ik neigde Mij tot
hem, gaf hem te eten. |
4 I drew them with cords of a man, with bands of love: and I was to
them as they that take off the yoke on their jaws, and I laid meat unto
them. |
4 Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun, als
degenen, die het juk [van] op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem
voeder toe. |
|
HS 11:5 Zal hij niet naar het land Egypte terugkeren? Ja, Assur zal
zijn koning zijn, omdat zij geweigerd hebben zich te bekeren. |
5 He shall not return into the land of Egypt, but the Assyrian shall be
his king, because they refused to return. |
5 Hij zal in Egypteland niet wederkeren; maar Assur, die zal zijn
koning zijn; omdat zij zich weigerden te bekeren. |
|
HS 11:6 Het zwaard zal zijn steden treffen en zijn grendels vernietigen
en verteren, wegens hun overleggingen. |
6 And the sword shall abide on his cities, and shall consume his
branches, and devour [them], because of their own counsels. |
6 En het zwaard zal in zijn steden blijven, en zijn grendelen verteren,
en opeten, vanwege hun beraadslagingen. |
|
HS 11:7 Ja, mijn volk volhardt in het afdwalen van Mij. - En al roepen
zij tot Hem omhoog, Hij zal hen geenszins opheffen. |
7 And my people are bent to backsliding from me: though they called
them to the most High, none at all would exalt [him]. |
7 Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het
wel tot den Allerhoogste, [maar] niet een verhoogt [Hem]. |
|
HS 11:8 Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël? Hoe
zou Ik u prijsgeven als Adma, u maken als Seboïm? Mijn hart keert zich om
in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt. |
8 How shall I give thee up, Ephraim? [how] shall I deliver thee,
Israel? how shall I make thee as Admah? [how] shall I set thee as Zeboim?
mine heart is turned within me, my repentings are kindled together. |
8 Hoe zou Ik u overgeven, o Efraim? u overleveren, o Israel? Hoe zou Ik
u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al
Mijn berouw is te zamen ontstoken. |
|
HS 11:9 Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal
Efraïm niet verder verderven. Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw
midden, en Ik zal niet komen in toorngloed. |
9 I will not execute the fierceness of mine anger, I will not return to
destroy Ephraim: for I [am] God, and not man; the Holy One in the midst of
thee: and I will not enter into the city. |
9 Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet
wederkeren om Efraim te verderven; want Ik ben God en geen mens, de
Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen. |
|
HS 11:10 Zij zullen achter de HERE aan gaan, als een leeuw zal Hij
brullen. Wanneer Hij brult, dan zullen zonen uit het westen bevend komen. |
10 They shall walk after the LORD: he shall roar like a lion: when he
shall roar, then the children shall tremble from the west. |
10 Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een
leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al
bevende aankomen. |
|
HS 11:11 Zij zullen bevend komen als een vogel uit Egypte, als een duif
uit het land Assur, en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, luidt het
woord des HEREN. |
11 They shall tremble as a bird out of Egypt, and as a dove out of the
land of Assyria: and I will place them in their houses, saith the LORD. |
11 Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een
duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen,
spreekt de HEERE. |
|
HS 12:1 Met leugen heeft Efraïm Mij omringd, met
bedrog het huis Israëls - terwijl Juda zich voortdurend bandeloos
gedraagt tegenover God en tegenover de Hoogheilige, die getrouw is. |
12 Ephraim compasseth me about with lies, and the house of Israel with
deceit: but Judah yet ruleth with God, and is faithful with the saints. |
1 Die van Efraim hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis Israels
met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw. |
|
HS 12:2 Efraïm weidt wind, en jaagt de gehele dag de oostenwind na,
het vermeerdert leugen en verwoesting. Zij sluiten een verbond met Assur,
en er wordt olie naar Egypte gebracht. |
1 Ephraim feedeth on wind, and followeth after the east wind: he daily
increaseth lies and desolation; and they do make a covenant with the
Assyrians, and oil is carried into Egypt. |
2 Efraim weidt zich met wind, en jaagt den oostenwind na; den gansen
dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met
Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd. |
|
HS 12:3 De HERE heeft een rechtsgeding met Juda; Hij gaat Jakob
straffen voor zijn wandel, naar zijn daden zal Hij hem vergelden. |
2 The LORD hath also a controversy with Judah, and will punish Jacob
according to his ways; according to his doings will he recompense him. |
3 Ook heeft de HEERE een twist met Juda, en Hij zal bezoeking doen over
Jakob naar zijn wegen, naar zijn handelingen zal Hij hem vergelden. |
|
HS 12:4 In de moederschoot bedroog hij zijn broeder, en in zijn
mannelijke kracht streed hij met God. |
3 He took his brother by the heel in the womb, and by his strength he
had power with God: |
4 In [moeders] buik hield hij zijn broeder bij de verzenen; en in zijn
kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God. |
|
HS 12:5 Hij streed tegen een engel en overwon. Hij weende en smeekte
Hem om genade. Te Betel vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons, |
4 Yea, he had power over the angel, and prevailed: he wept, and made
supplication unto him: he found him [in] Bethel, and there he spake with
us; |
5 Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen den Engel, en overmocht [Hem];
hij weende en smeekte Hem. Te Beth-El vond hij Hem, en aldaar sprak Hij
met ons; |
|
HS 12:6 namelijk de HERE, de God der heerscharen, wiens naam HERE is. |
5 Even the LORD God of hosts; the LORD [is] his memorial. |
6 Namelijk, de HEERE, de God der heirscharen; HEERE is Zijn gedenknaam. |
|
HS 12:7 Gij dan, keer tot uw God terug, bewaar liefde en recht en wacht
bestendig op uw God. |
6 Therefore turn thou to thy God: keep mercy and judgment, and wait on
thy God continually. |
7 Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht
geduriglijk op uw God. |
|
HS 12:8 Kanaän - in zijn hand is een bedrieglijke weegschaal, afpersen
is zijn lust. |
7 [He is] a merchant, the balances of deceit [are] in his hand: he
loveth to oppress. |
8 In des koopmans hand is een bedriegelijke weegschaal, hij bemint te
verdrukken; |
|
HS 12:9 Maar Efraïm zegt: Waarlijk, ik ben rijk geworden, ik heb mij
rijkdom verworven; in al mijn vermogen vindt men bij mij geen
ongerechtigheid die zonde zou zijn. |
8 And Ephraim said, Yet I am become rich, I have found me out
substance: [in] all my labours they shall find none iniquity in me that
[were] sin. |
9 Nog zegt Efraim: Evenwel ben ik rijk geworden, ik heb mij groot goed
verkregen; [in] al mijn arbeid zullen zij mij geen ongerechtigheid vinden,
die zonde zij. |
|
HS 12:10 Maar Ik ben de HERE, uw God, van het land Egypte af. Ik zal u
weer doen wonen in tenten als in de dagen der samenkomst. |
9 And I [that am] the LORD thy God from the land of Egypt will yet make
thee to dwell in tabernacles, as in the days of the solemn feast. |
10 Maar Ik ben de HEERE, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in
tenten doen wonen, als in de dagen der samenkomst; |
|
HS 12:11 En Ik zal tot de profeten spreken en Ik zal veel gezichten
geven, en door de dienst van profeten zal Ik in gelijkenissen spreken. |
10 I have also spoken by the prophets, and I have multiplied visions,
and used similitudes, by the ministry of the prophets. |
11 En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal het gezicht
vermenigvuldigen; en door den dienst der profeten zal Ik gelijkenissen
voorstellen. |
|
HS 12:12 Was Gilead boosheid, zij zijn tot louter niets geworden; heeft
men in Gilgal stieren geofferd, ook hun altaren zullen als steenhopen
worden in de voren van het veld. |
11 [Is there] iniquity [in] Gilead? surely they are vanity: they
sacrifice bullocks in Gilgal; yea, their altars [are] as heaps in the
furrows of the fields. |
12 Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te
Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als [steen] hopen op de
voren der velden. |
|
HS 12:13 Jakob vluchtte naar het veld van Aram, en Israël diende om
een vrouw en om een vrouw was hij veehoeder. |
12 And Jacob fled into the country of Syria, and Israel served for a
wife, and for a wife he kept [sheep]. |
13 Jakob vlood toch [naar] het veld van Syrie, en Israel diende om een
vrouw, en hoedde om een vrouw. |
|
HS 12:14 Door een profeet heeft de HERE Israël uit Egypte gevoerd, en
door een profeet werd het gehoed. |
13 And by a prophet the LORD brought Israel out of Egypt, and by a
prophet was he preserved. |
14 Maar de HEERE voerde Israel op uit Egypte door een profeet, en door
een profeet werd hij gehoed. |
|
HS 12:15 Bitter krenkend heeft Efraïm gehandeld, maar zijn HERE zal
zijn bloedschuld op hem doen neerkomen, en hem zijn smaad vergelden. |
14 Ephraim provoked [him] to anger most bitterly: therefore shall he
leave his blood upon him, and his reproach shall his Lord return unto him. |
15 Efraim [daarentegen] heeft [Hen] zeer bitterlijk vertoornd; daarom
zal Hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heere zal hem zijn smaad
vergelden. |
|
HS 13:1 Zodra Efraïm sprak, was er schrik, hij was
verheven in Israël; maar hij maakte zich schuldig door de Baäl, en
stierf weg. |
1 When Ephraim spake trembling, he exalted himself in Israel; but when
he offended in Baal, he died. |
1 Als Efraim sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israel;
maar hij is schuldig geworden aan den Baal en is gestorven. |
|
HS 13:2 Ook nu gaan zij voort met zondigen en maken zich gegoten
beelden van hun zilver, afgodsbeelden, naar eigen inzicht, alles het werk
van metaalbewerkers. Men zegt van hen: De mensen die offeren, kussen
kalveren. |
2 And now they sin more and more, and have made them molten images of
their silver, [and] idols according to their own understanding, all of it
the work of the craftsmen: they say of them, Let the men that sacrifice
kiss the calves. |
2 En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun
zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die altemaal
smedenwerk zijn; waarvan zij [nochtans] zeggen: De mensen, die offeren,
zullen de kalveren kussen. |
|
HS 13:3 Daarom zullen zij worden als een morgenwolk, als dauw die in de
vroegte vergaat, als kaf dat van de dorsvloer wegstuift, en als rook uit
het venster. |
3 Therefore they shall be as the morning cloud, and as the early dew
that passeth away, as the chaff [that] is driven with the whirlwind out of
the floor, and as the smoke out of the chimney. |
3 Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende
dauw, die henengaat; als kaf van den dorsvloer, en als rook uit den
schoorsteen wordt weggestormd. |
|
HS 13:4 Maar Ik ben de HERE, uw God, van het land Egypte af; een God
nevens Mij kent gij niet en een verlosser buiten Mij is er niet. |
4 Yet I [am] the LORD thy God from the land of Egypt, and thou shalt
know no god but me: for [there is] no saviour beside me. |
4 Ik ben toch de HEERE, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt gij
geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik. |
|
HS 13:5 Ik heb u in de woestijn gekend, in een verschroeid land. |
5 I did know thee in the wilderness, in the land of great drought. |
5 Ik heb u gekend in de woestijn, in een zeer heet land. |
|
HS 13:6 Toen zij weidden, werden zij verzadigd; toen zij verzadigd
waren, verhief zich hun hart; daarom vergaten zij Mij. |
6 According to their pasture, so were they filled; they were filled,
and their heart was exalted; therefore have they forgotten me. |
6 Daarna zijn zij, naardat hunlieder weide was, zat geworden; als zij
zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij
vergeten. |
|
HS 13:7 Zo ben Ik hun als een leeuw geworden, loer ik als een panter op
de weg. |
7 Therefore I will be unto them as a lion: as a leopard by the way will
I observe [them]: |
7 Dies werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op
den weg. |
|
HS 13:8 Ik val hen aan als een van jongen beroofde berin, Ik rijt hun
borstkas open, en verslind ze dan als een leeuwin; het gedierte des velds
verscheurt hen. |
8 I will meet them as a bear [that is] bereaved [of her whelps], and
will rend the caul of their heart, and there will I devour them like a
lion: the wild beast shall tear them. |
8 Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde
het slot huns harten; en Ik verslond ze aldaar als een oude leeuw; het
wild gedierte des velds verscheurde hen. |
|
HS 13:9 Het is uw verderf, Israël, dat gij u keert tegen Mij, uw
helper. |
9 O Israel, thou hast destroyed thyself; but in me [is] thine help. |
9 Het heeft u bedorven, o Israel! want in Mij is uw hulp. |
|
HS 13:10 Waar is toch uw koning, dat hij u zou verlossen in al uw
steden, en waar zijn uw regeerders - gij die zeidet: Geef mij een koning
en vorsten! |
10 I will be thy king: where [is any other] that may save thee in all
thy cities? and thy judges of whom thou saidst, Give me a king and
princes? |
10 Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw
richters, waar gij van zeidet: Geef mij een koning en vorsten? |
|
HS 13:11 Ik geef u een koning in mijn toorn, en Ik neem hem weg in mijn
verbolgenheid. |
11 I gave thee a king in mine anger, and took [him] away in my wrath. |
11 Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam [hem] weg in Mijn
verbolgenheid. |
|
HS 13:12 Welbewaard is Efraïms ongerechtigheid, weggeborgen zijn
zonde. |
12 The iniquity of Ephraim [is] bound up; his sin [is] hid. |
12 Efraims ongerechtigheid is samengebonden, zijn zonde is opgelegd. |
|
HS 13:13 Barensweeën gaan hem vooraf: maar het is een onverstandig
kind; wanneer de tijd daar is, komt het niet ter wereld. |
13 The sorrows of a travailing woman shall come upon him: he [is] an
unwise son; for he should not stay long in [the place of] the breaking
forth of children. |
13 Smarten ener barende [vrouw] zullen hem aankomen; hij is een onwijs
kind; want [anders] zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan. |
|
HS 13:14 Zou Ik hen uit de macht van het dodenrijk bevrijden, van de
dood loskopen? Dood, waar zijn uw pestziekten, dodenrijk, waar is uw
verderf? Mijn oog kent geen medelijden. |
14 I will ransom them from the power of the grave; I will redeem them
from death: O death, I will be thy plagues; O grave, I will be thy
destruction: repentance shall be hid from mine eyes. |
14 [Doch] Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze
vrijmaken van den dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? hel! waar is uw
verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn, |
|
HS 13:15 Ook wanneer hij tussen broeders zou opbloeien, zou toch de
oostenwind, de wind des HEREN, opstekend uit de woestijn, komen, zodat
zijn bron zou opdrogen en zijn wel droog zou worden; die zal de voorraad
van alle kostbaarheden plunderen. |
15 Though he be fruitful among [his] brethren, an east wind shall come,
the wind of the LORD shall come up from the wilderness, and his spring
shall become dry, and his fountain shall be dried up: he shall spoil the
treasure of all pleasant vessels. |
15 Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; [doch] er zal
een oostenwind komen, een wind des HEEREN, opkomende uit de woestijn; en
zijn springader zal uitdrogen, diezelve zal den schat van alle gewenste
huisraad roven. |
|
HS 14:1 Samaria moet boeten, omdat het weerspannig
is geweest tegen zijn God. Door het zwaard zullen zij vallen, hun kleine
kinderen zullen worden verpletterd, hun zwangere vrouwen zullen worden
opengereten. |
16 Samaria shall become desolate; for she hath rebelled against her
God: they shall fall by the sword: their infants shall be dashed in
pieces, and their women with child shall be ripped up. |
1 Samaria zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haar
God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderkens zullen verpletterd,
en hun zwangere [vrouwen] zullen opengesneden worden. |
|
HS 14:2 Bekeer u, Israël, tot de HERE, uw God, want door uw
ongerechtigheid zijt gij gestruikeld. |
1 O Israel, return unto the LORD thy God; for thou hast fallen by thine
iniquity. |
2 Bekeer u, o Israel! tot den HEERE, uw God, toe; want gij zijt
gevallen om uw ongerechtigheid. |
|
HS 14:3 Komt met woorden van schuldbelijdenis, bekeert u tot de HERE,
zegt tot Hem: Vergeef de ongerechtigheid geheel en al, en wees genadig;
wij bieden als offerstieren de belijdenis onzer lippen. |
2 Take with you words, and turn to the LORD: say unto him, Take away
all iniquity, and receive [us] graciously: so will we render the calves of
our lips. |
3 Neem [deze] woorden met u, en bekeer u tot den HEERE; zeg tot Hem:
Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de
varren onzer lippen. |
|
HS 14:4 Assur zal ons niet verlossen, op paarden zullen wij niet
rijden. En wij zullen niet meer zeggen tot het werk onzer handen: Onze
God! Want van U verkrijgt de wees barmhartigheid. |
3 Asshur shall not save us; we will not ride upon horses: neither will
we say any more to the work of our hands, [Ye are] our gods: for in thee
the fatherless findeth mercy. |
4 Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en
tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. Immers zal
een wees bij U ontfermd worden. |
|
HS 14:5 Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig
liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af. |
4 I will heal their backsliding, I will love them freely: for mine
anger is turned away from him. |
5 Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk
liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd. |
|
HS 14:6 Ik zal zijn als de dauw voor Israël, hij zal bloeien als een
lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. |
5 I will be as the dew unto Israel: he shall grow as the lily, and cast
forth his roots as Lebanon. |
6 Ik zal Israel zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij
zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon. |
|
HS 14:7 Zijn loten zullen uitlopen; zijn pracht zal zijn als die van
een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon. |
6 His branches shall spread, and his beauty shall be as the olive tree,
and his smell as Lebanon. |
7 Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn
als des olijfbooms, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. |
|
HS 14:8 Zij die in zijn schaduw wonen, zullen weer koren verbouwen. Ja,
zij zullen bloeien als een wijnstok, beroemd als de wijn van de Libanon. |
7 They that dwell under his shadow shall return; they shall revive [as]
the corn, and grow as the vine: the scent thereof [shall be] as the wine
of Lebanon. |
8 Zij zullen wederkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten
leven voortbrengen [als] koren, en bloeien als de wijnstok; zijn
gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon. |
|
HS 14:9 Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te doen? - Ik verhoor
hem en zie hem aan. - Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw
vrucht te danken. |
8 Ephraim [shall say], What have I to do any more with idols? I have
heard [him], and observed him: I [am] like a green fir tree. From me is
thy fruit found. |
9 Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb [hem]
verhoord, en zal op hem zien; Ik zal [hem] zijn als een groenende
denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. |
|
HS 14:10 Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is,
erkenne ze. Want de wegen des HEREN zijn recht: rechtvaardigen wandelen
daarop, maar overtreders struikelen er. |
9 Who [is] wise, and he shall understand these [things]? prudent, and
he shall know them? for the ways of the LORD [are] right, and the just
shall walk in them: but the transgressors shall fall therein. |
10 Wie is wijs? die versta deze dingen; [wie] is verstandig? die
bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen
daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. |