|
HB 1:1 Nadat God eertijds vele malen en op vele
wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, |
1 God, who at sundry times and in divers manners spake in time past
unto the fathers by the prophets, |
1 God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen
gesproken hebbende door de profeten, |
|
heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, |
2 Hath in these last days spoken unto us by [his] Son, |
heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon; |
|
HB 1:2 die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie
Hij ook de wereld geschapen heeft. |
whom he hath appointed heir of all things, by whom also he made the
worlds; |
2 Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij
ook de wereld gemaakt heeft; |
|
HB 1:3 Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn
wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de
reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de
rechterhand van de majesteit in den hoge, |
3 Who being the brightness of [his] glory, and the express image of his
person, and upholding all things by the word of his power, when he had by
himself purged our sins, sat down on the right hand of the Majesty on
high; |
3 Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel [Zijner] heerlijkheid, en het
uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het
woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door
Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter [hand] der
Majesteit in de hoogste [hemelen]; |
|
HB 1:4 zóveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender
naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft. |
4 Being made so much better than the angels, as he hath by inheritance
obtained a more excellent name than they. |
4 Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam
boven hen geerfd heeft. |
|
HB 1:5 Immers, tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Mijn Zoon
zijt gij; Ik heb U heden verwekt? En wederom: Ik zal Hem tot Vader zijn,
en Hij zal Mij tot Zoon zijn. |
5 For unto which of the angels said he at any time, Thou art my Son,
this day have I begotten thee? And again, I will be to him a Father, and
he shall be to me a Son? |
5 Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn
Zoon, heden heb ik u gegenereerd? En wederom: Ik zal Hem tot een Vader
zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn? |
|
HB 1:6 En wanneer Hij wederom de eerstgeborene in de wereld brengt,
spreekt Hij: En Hem moeten alle engelen Gods huldigen. |
6 And again, when he bringeth in the firstbegotten into the world, he
saith, And let all the angels of God worship him. |
6 En als Hij wederom de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij:
En dat alle engelen Gods Hem aanbidden. |
|
HB 1:7 En van de engelen zegt Hij: Die zijn engelen maakt tot winden en
zijn dienaars tot een vuurvlam; |
7 And of the angels he saith, Who maketh his angels spirits, and his
ministers a flame of fire. |
7 En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en
Zijn dienaars een vlam des vuurs. |
|
HB 1:8 maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de
scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap. |
8 But unto the Son [he saith], Thy throne, O God, [is] for ever and
ever: a sceptre of righteousness [is] the sceptre of thy kingdom. |
8 Maar tot den Zoon [zegt Hij:] Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid;
de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter. |
|
HB 1:9 Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij
gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw
deelgenoten. |
9 Thou hast loved righteousness, and hated iniquity; therefore God,
[even] thy God, hath anointed thee with the oil of gladness above thy
fellows. |
9 Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat;
daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uw
medegenoten. |
|
HB 1:10 En: Gij, Here, hebt in den beginne de aarde gegrondvest, en de
hemelen zijn het werk uwer handen; |
10 And, Thou, Lord, in the beginning hast laid the foundation of the
earth; and the heavens are the works of thine hands: |
10 En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen
zijn werken Uwer handen; |
|
HB 1:11 die zullen vergaan, maar Gij blijft; en zij zullen alle als een
kleed verslijten, |
11 They shall perish; but thou remainest; and they all shall wax old as
doth a garment; |
11 Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle
als een kleed verouden; |
|
HB 1:12 en als een mantel zult Gij ze oprollen, als een kleed zullen
zij ook verwisseld worden; maar Gij zijt dezelfde en uw jaren zullen niet
ophouden. |
12 And as a vesture shalt thou fold them up, and they shall be changed:
but thou art the same, and thy years shall not fail. |
12 En als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd
worden; maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden. |
|
HB 1:13 En tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan mijn
rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw
voeten? |
13 But to which of the angels said he at any time, Sit on my right
hand, until I make thine enemies thy footstool? |
13 En tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn
rechter [hand], totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank
Uwer voeten? |
|
HB 1:14 Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden
ten dienste van hen, die het heil zullen beërven? |
14 Are they not all ministering spirits, sent forth to minister for
them who shall be heirs of salvation? |
14 Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden
worden, om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen? |
|
HB 2:1 Daarom moeten wij te meer aandacht schenken
aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven. |
1 Therefore we ought to give the more earnest heed to the things which
we have heard, lest at any time we should let [them] slip. |
1 Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen [van ons] gehoord
is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien. |
|
HB 2:2 Want indien het woord, door bemiddeling van engelen gesproken,
van kracht is gebleken, en elke overtreding en ongehoorzaamheid
rechtmatige vergelding heeft ontvangen, |
2 For if the word spoken by angels was stedfast, and every
transgression and disobedience received a just recompence of reward; |
2 Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en
alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen
heeft; |
|
HB 2:3 hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met
zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die
het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd, |
3 How shall we escape, if we neglect so great salvation; which at the
first began to be spoken by the Lord, and was confirmed unto us by them
that heard [him]; |
3 Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht
nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan
ons bevestigd is geworden van degenen, die [Hem] gehoord hebben; |
|
HB 2:4 terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en
wonderen en velerlei krachten en door de heilige Geest toe te delen naar
zijn wil. |
4 God also bearing [them] witness, both with signs and wonders, and
with divers miracles, and gifts of the Holy Ghost, according to his own
will? |
4 God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei
krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil. |
|
HB 2:5 Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan
wij spreken, onderworpen. |
5 For unto the angels hath he not put in subjection the world to come,
whereof we speak. |
5 Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld,
van welke wij spreken. |
|
HB 2:6 Maar, iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat
Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet? |
6 But one in a certain place testified, saying, What is man, that thou
art mindful of him? or the son of man, that thou visitest him? |
6 Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij
zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt! |
|
HB 2:7 Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met
heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, |
7 Thou madest him a little lower than the angels; thou crownedst him
with glory and honour, and didst set him over the works of thy hands: |
7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met
heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de
werken Uwer handen; |
|
HB 2:8 alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij
dit: alle dingen [hem] onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem
niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle
dingen onderworpen zijn; |
8 Thou hast put all things in subjection under his feet. For in that he
put all in subjection under him, he left nothing [that is] not put under
him. But now we see not yet all things put under him. |
8 Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat
Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem
niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen
onderworpen zijn; |
|
HB 2:9 maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen
gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods
voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond. |
9 But we see Jesus, who was made a little lower than the angels for the
suffering of death, crowned with glory and honour; that he by the grace of
God should taste death for every man. |
9 Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig
minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat
Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou. |
|
HB 2:10 Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan,
dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner
behoudenis door lijden heen zou volmaken. |
10 For it became him, for whom [are] all things, and by whom [are] all
things, in bringing many sons unto glory, to make the captain of their
salvation perfect through sufferings. |
10 Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken
alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den
oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen. |
|
HB 2:11 Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen
uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen, |
11 For both he that sanctifieth and they who are sanctified [are] all
of one: for which cause he is not ashamed to call them brethren, |
11 Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen
uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen. |
|
HB 2:12 en Hij zegt: Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in
het midden der gemeente zal ik U lofzingen; |
12 Saying, I will declare thy name unto my brethren, in the midst of
the church will I sing praise unto thee. |
12 Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden
der Gemeente zal Ik U lofzingen. |
|
HB 2:13 en wederom: |
13 And again, |
13 En wederom: |
|
Ik zal op Hem vertrouwen, en wederom: |
I will put my trust in him. And again, |
Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: |
|
Ziehier ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft. |
Behold I and the children which God hath given me. |
Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft. |
|
HB 2:14 Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook
Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem,
die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, |
14 Forasmuch then as the children are partakers of flesh and blood, he
also himself likewise took part of the same; that through death he might
destroy him that had the power of death, that is, the devil; |
14 Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is
Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood
te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den
duivel; |
|
HB 2:15 en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door
angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren. |
15 And deliver them who through fear of death were all their lifetime
subject to bondage. |
15 En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al [hun]
leven, der dienstbaarheid onderworpen waren. |
|
HB 2:16 Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt
Zich over het nageslacht van Abraham. |
16 For verily he took not on [him the nature of] angels; but he took on
[him] the seed of Abraham. |
16 Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het
zaad Abrahams aan. |
|
HB 2:17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk
worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij
God, om de zonden van het volk te verzoenen. |
17 Wherefore in all things it behoved him to be made like unto [his]
brethren, that he might be a merciful and faithful high priest in things
[pertaining] to God, to make reconciliation for the sins of the people. |
17 Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een
barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God
[te doen waren], om de zonden des volks te verzoenen. |
|
HB 2:18 Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij
hun, die verzocht worden, te hulp komen. |
18 For in that he himself hath suffered being tempted, he is able to
succour them that are tempted. |
18 Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij
dengenen, die verzocht worden, te hulp komen. |
|
HB 3:1 Daarom, heilige broeders, deelgenoten der
hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer
belijdenis, Jezus, |
1 Wherefore, holy brethren, partakers of the heavenly calling, consider
the Apostle and High Priest of our profession, Christ Jesus; |
1 Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt,
aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus; |
|
HB 3:2 die getrouw is jegens Hem, die Hem heeft aangesteld, evenals ook
Mozes getrouw was in [geheel] zijn huis. |
2 Who was faithful to him that appointed him, as also Moses [was
faithful] in all his house. |
2 Die getrouw is Dengene, Die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in
geheel zijn huis was. |
|
HB 3:3 Want Hij is zoveel groter heerlijkheid dan Mozes waardig
gekeurd, als de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis. |
3 For this [man] was counted worthy of more glory than Moses, inasmuch
as he who hath builded the house hath more honour than the house. |
3 Want Deze is zoveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes,
als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis. |
|
HB 3:4 Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar de bouwmeester van
alles is God. |
4 For every house is builded by some [man]; but he that built all
things [is] God. |
4 Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd; maar Die dit alles
gebouwd heeft, is God. |
|
HB 3:5 Nu was Mozes wel getrouw in geheel zijn huis als dienaar om te
getuigen van hetgeen gesproken zou worden, |
5 And Moses verily [was] faithful in all his house, as a servant, for a
testimony of those things which were to be spoken after; |
5 En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar,
tot getuiging der dingen, die [daarna] gesproken zouden worden; |
|
HB 3:6 maar Christus als Zoon over zijn huis. Zijn huis zijn wij,
indien wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, [tot het einde
onverwrikt] vasthouden. |
6 But Christ as a son over his own house; whose house are we, if we
hold fast the confidence and the rejoicing of the hope firm unto the end. |
6 Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn,
indien wij maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop tot het einde toe
vast behouden. |
|
HB 3:7 Daarom, gelijk de heilige Geest zegt: Heden, indien gij zijn
stem hoort, |
7 Wherefore (as the Holy Ghost saith, To day if ye will hear his voice, |
7 Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem
hoort, |
|
HB 3:8 verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering, ten dage van
de verzoeking in de woestijn, |
8 Harden not your hearts, as in the provocation, in the day of
temptation in the wilderness: |
8 Zo verhardt uw harten niet, gelijk [het geschied is] in de
verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn; |
|
HB 3:9 waar uw vaders Mij verzochten door Mij op de proef te stellen,
hoewel zij mijn werken zagen, veertig jaren lang; |
9 When your fathers tempted me, proved me, and saw my works forty
years. |
9 Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en
hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang. |
|
HB 3:10 daarom heb Ik een afkeer gekregen van dit geslacht en Ik heb
gezegd: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben mijn wegen niet
gekend, |
10 Wherefore I was grieved with that generation, and said, They do
alway err in [their] heart; and they have not known my ways. |
10 Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen
zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. |
|
HB 3:11 zodat Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn
rust ingaan! |
11 So I sware in my wrath, They shall not enter into my rest.) |
11 Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn; Indien zij in Mijn rust zullen
ingaan! |
|
HB 3:12 Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig
hart zij, door af te vallen van de levende God, |
12 Take heed, brethren, lest there be in any of you an evil heart of
unbelief, in departing from the living God. |
12 Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een
boos, ongelovig hart, om af te wijken van den levenden God; |
|
HB 3:13 maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden
kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der
zonde; |
13 But exhort one another daily, while it is called To day; lest any of
you be hardened through the deceitfulness of sin. |
13 Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd
wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde. |
|
HB 3:14 want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin
van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden. |
14 For we are made partakers of Christ, if we hold the beginning of our
confidence stedfast unto the end; |
14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het
beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vast behouden; |
|
HB 3:15 Als er gezegd wordt: Heden, indien gij zijn stem hoort,
verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering. |
15 While it is said, To day if ye will hear his voice, harden not your
hearts, as in the provocation. |
15 Terwijl er gezegd wordt: Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo
verhardt uw harten niet, gelijk in de verbittering [geschied is]. |
|
HB 3:16 Wie waren het dan, die, hoewel zij (de stem) gehoord hadden,
(God) verbitterden? Waren dat niet allen, die onder Mozes uit Egypte waren
uitgegaan? |
16 For some, when they had heard, did provoke: howbeit not all that
came out of Egypt by Moses. |
16 Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben [Hem] verbitterd,
doch niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. |
|
HB 3:17 En van wie heeft Hij een afkeer gehad, veertig jaren lang? Was
het niet van hen, die gezondigd hadden en wier lijken in de woestijn
lagen? |
17 But with whom was he grieved forty years? [was it] not with them
that had sinned, whose carcases fell in the wilderness? |
17 Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet
over degenen, die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de
woestijn? |
|
HB 3:18 Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot zijn rust niet zouden
ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren? |
18 And to whom sware he that they should not enter into his rest, but
to them that believed not? |
18 En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden
ingaan, anders dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren? |
|
HB 3:19 Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof. |
19 So we see that they could not enter in because of unbelief. |
19 En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege [hun]
ongeloof. |
|
HB 4:1 Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat
niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan
bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. |
1 Let us therefore fear, lest, a promise being left [us] of entering
into his rest, any of you should seem to come short of it. |
1 Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn
rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te
zijn. |
|
HB 4:2 Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het
woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof
gepaard ging bij hen, die het hoorden. |
2 For unto us was the gospel preached, as well as unto them: but the
word preached did not profit them, not being mixed with faith in them that
heard [it]. |
2 Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het
woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet
gemengd was in degenen, die het gehoord hebben. |
|
HB 4:3 Want wij gaan tot [de] rust in, wij, die tot geloof gekomen
zijn, zoals Hij gesproken heeft: gelijk Ik gezworen heb in mijn toorn:
Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan, en toch waren zijn werken van de
grondlegging der wereld af gereed. |
3 For we which have believed do enter into rest, as he said, As I have
sworn in my wrath, if they shall enter into my rest: although the works
were finished from the foundation of the world. |
3 Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd
heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Indien zij zullen ingaan in
Mijn rust! hoewel [Zijn] werken van de grondlegging der wereld af al
volbracht waren. |
|
HB 4:4 Want Hij heeft ergens van de zevende dag aldus gesproken: En God
rustte op de zevende dag van al zijn werken; |
4 For he spake in a certain place of the seventh [day] on this wise,
And God did rest the seventh day from all his works. |
4 Want Hij heeft ergens van den zevenden [dag] aldus gesproken: En God
heeft op den zevenden dag van al Zijn werken gerust. |
|
HB 4:5 en hier wederom: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan. |
5 And in this [place] again, If they shall enter into my rest. |
5 En in deze [plaats] wederom: Indien zij in Mijn rust zullen ingaan! |
|
HB 4:6 Aangezien nog te wachten is, dat sommigen tot die rust zullen
ingaan, en zij, die het evangelie eerst ontvangen hebben, niet ingegaan
zijn wegens hun ongehoorzaamheid, |
6 Seeing therefore it remaineth that some must enter therein, and they
to whom it was first preached entered not in because of unbelief: |
6 Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve [rust] ingaan, en degenen,
dien het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de
ongehoorzaamheid, |
|
HB 4:7 stelt Hij wederom een dag vast, heden, als Hij door David na zo
lange tijd spreekt, zoals boven gezegd werd: Heden, indien gij zijn stem
hoort, verhardt uw harten niet. |
7 Again, he limiteth a certain day, saying in David, To day, after so
long a time; as it is said, To day if ye will hear his voice, harden not
your hearts. |
7 Zo bepaalt Hij wederom een zekeren dag, [namelijk] heden, door David
zeggende, zo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): Heden, indien
gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet. |
|
HB 4:8 Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij niet
(meer) over een andere, latere dag gesproken hebben. |
8 For if Jesus had given them rest, then would he not afterward have
spoken of another day. |
8 Want indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna
niet gesproken van een anderen dag. |
|
HB 4:9 Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. |
9 There remaineth therefore a rest to the people of God. |
9 Er blijft dan een rust over voor het volk Gods. |
|
HB 4:10 Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust
gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne. |
10 For he that is entered into his rest, he also hath ceased from his
own works, as God [did] from his. |
10 Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken
gerust, gelijk God van de Zijne. |
|
HB 4:11 Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan,
opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te
volgen. |
11 Let us labour therefore to enter into that rest, lest any man fall
after the same example of unbelief. |
11 Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet
iemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle. |
|
HB 4:12 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig
tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt
ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en
gedachten des harten; |
12 For the word of God [is] quick, and powerful, and sharper than any
twoedged sword, piercing even to the dividing asunder of soul and spirit,
and of the joints and marrow, and [is] a discerner of the thoughts and
intents of the heart. |
12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan
enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des
geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der
gedachten en der overleggingen des harten. |
|
HB 4:13 en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen
open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af
te leggen. |
13 Neither is there any creature that is not manifest in his sight: but
all things [are] naked and opened unto the eyes of him with whom we have
to do. |
13 En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn
naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben. |
|
HB 4:14 Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is
doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis
vasthouden. |
14 Seeing then that we have a great high priest, that is passed into
the heavens, Jesus the Son of God, let us hold fast [our] profession. |
14 Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen
doorgegaan is, [namelijk] Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze
belijdenis vasthouden. |
|
HB 4:15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met
onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is
verzocht geweest, doch zonder te zondigen. |
15 For we have not an high priest which cannot be touched with the
feeling of our infirmities; but was in all points tempted like as [we are,
yet] without sin. |
15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben
met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht
geweest, [doch] zonder zonde. |
|
HB 4:16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der
genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te
verkrijgen te gelegener tijd. |
16 Let us therefore come boldly unto the throne of grace, that we may
obtain mercy, and find grace to help in time of need. |
16 Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade,
opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen
te worden ter bekwamer tijd. |
|
HB 5:1 Want elke hogepriester, die uit de mensen
genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven en offers te
brengen voor de zonden. |
1 For every high priest taken from among men is ordained for men in
things [pertaining] to God, that he may offer both gifts and sacrifices
for sins: |
1 Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de
mensen in de zaken, die bij God [te doen zijn], opdat hij offere gaven en
slachtofferen voor de zonden; |
|
HB 5:2 Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en dwalenden,
daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is, |
2 Who can have compassion on the ignorant, and on them that are out of
the way; for that he himself also is compassed with infirmity. |
2 Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden,
overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is; |
|
HB 5:3 die hem verplicht evenzeer als voor het volk, voor zichzelf
offers voor de zonden te brengen. |
3 And by reason hereof he ought, as for the people, so also for
himself, to offer for sins. |
3 En om derzelver [zwakheid] wil moet hij gelijk voor het volk, alzo
ook voor zichzelven, offeren voor de zonden. |
|
HB 5:4 En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt
ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron. |
4 And no man taketh this honour unto himself, but he that is called of
God, as [was] Aaron. |
4 En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen
wordt, gelijkerwijs als Aaron. |
|
HB 5:5 Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend
hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij;
Ik heb U heden verwekt; |
5 So also Christ glorified not himself to be made an high priest; but
he that said unto him, Thou art my Son, to day have I begotten thee. |
5 Alzo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester
te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb
Ik U gegenereerd. |
|
HB 5:6 zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in
eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek. |
6 As he saith also in another [place], Thou [art] a priest for ever
after the order of Melchisedec. |
6 Gelijk Hij ook in een andere [plaats] zegt: Gij zijt Priester in der
eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. |
|
HB 5:7 Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen
onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon
redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, |
7 Who in the days of his flesh, when he had offered up prayers and
supplications with strong crying and tears unto him that was able to save
him from death, and was heard in that he feared; |
7 Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die
Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd
hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze. |
|
HB 5:8 en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid
geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, |
8 Though he were a Son, yet learned he obedience by the things which he
suffered; |
8 Hoewel Hij de Zoon was, [nochtans] gehoorzaamheid geleerd heeft, uit
hetgeen Hij heeft geleden. |
|
HB 5:9 en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem
gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, |
9 And being made perfect, he became the author of eternal salvation
unto all them that obey him; |
9 En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een
oorzaak der eeuwige zaligheid geworden; |
|
HB 5:10 door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van
Melchisedek. |
10 Called of God an high priest after the order of Melchisedec. |
10 En is van God genaamd een Hogepriester, naar de ordening van
Melchizedek. |
|
HB 5:11 Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te
leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen. |
11 Of whom we have many things to say, and hard to be uttered, seeing
ye are dull of hearing. |
11 Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te
zeggen, dewijl gij traag om te horen geworden zijt. |
|
HB 5:12 Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te
zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de
uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs. |
12 For when for the time ye ought to be teachers, ye have need that one
teach you again which [be] the first principles of the oracles of God; and
are become such as have need of milk, and not of strong meat. |
12 Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt
wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der
woorden Gods; en gij zijt geworden, [als] die melk van node hebben, en
niet vaste spijze. |
|
HB 5:13 Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de
rechte prediking: hij is nog een zuigeling. |
13 For every one that useth milk [is] unskilful in the word of
righteousness: for he is a babe. |
13 Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in
het woord der gerechtigheid; want hij is een kind. |
|
HB 5:14 Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het
gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad. |
14 But strong meat belongeth to them that are of full age, [even] those
who by reason of use have their senses exercised to discern both good and
evil. |
14 Maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de
zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. |
|
HB 6:1 Laten wij daarom het eerste onderwijs
aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder
opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof
in God, |
1 Therefore leaving the principles of the doctrine of Christ, let us go
on unto perfection; not laying again the foundation of repentance from
dead works, and of faith toward God, |
1 Daarom, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de
volmaaktheid voortvaren; niet wederom leggende het fondament van de
bekering van dode werken, en van het geloof in God, |
|
HB 6:2 van een leer van dopen en van oplegging der handen, van
opstanding der doden en van een eeuwig oordeel; |
2 Of the doctrine of baptisms, and of laying on of hands, and of
resurrection of the dead, and of eternal judgment. |
2 Van de leer der dopen, en van de oplegging der handen, en van de
opstanding der doden, en van het eeuwig oordeel. |
|
HB 6:3 en dat zullen wij doen, indien God het vergunt. |
3 And this will we do, if God permit. |
3 En dit zullen wij [ook] doen, indien het God toelaat. |
|
HB 6:4 Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest,
van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de heilige
Geest, |
4 For [it is] impossible for those who were once enlightened, and have
tasted of the heavenly gift, and were made partakers of the Holy Ghost, |
4 Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en
de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig
geworden zijn, |
|
HB 6:5 en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw
gesmaakt hebben, |
5 And have tasted the good word of God, and the powers of the world to
come, |
5 En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der
toekomende eeuw, |
|
HB 6:6 en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te
brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot
een bespotting maken. |
6 If they shall fall away, to renew them again unto repentance; seeing
they crucify to themselves the Son of God afresh, and put [him] to an open
shame. |
6 En afvallig worden, [die, zeg ik,] wederom te vernieuwen tot
bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en
openlijk te schande maken. |
|
HB 6:7 Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt
en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt
wordt, ontvangt zegen van God; |
7 For the earth which drinketh in the rain that cometh oft upon it, and
bringeth forth herbs meet for them by whom it is dressed, receiveth
blessing from God: |
7 Want de aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en
bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt,
die ontvangt zegen van God; |
|
HB 6:8 doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en
niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding. |
8 But that which beareth thorns and briers [is] rejected, and [is] nigh
unto cursing; whose end [is] to be burned. |
8 Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de
vervloeking, welker einde is tot verbranding. |
|
HB 6:9 Maar wat u betreft, geliefden, ook al spreken wij zo, wij zijn
overtuigd van iets beters, waaraan uw heil hangt. |
9 But, beloved, we are persuaded better things of you, and things that
accompany salvation, though we thus speak. |
9 Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de
zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken. |
|
HB 6:10 Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten
en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke
gij de heiligen bewezen hebt en nog bewijst. |
10 For God [is] not unrighteous to forget your work and labour of love,
which ye have shewed toward his name, in that ye have ministered to the
saints, and do minister. |
10 Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en den
arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen
gediend hebt en [nog] dient. |
|
HB 6:11 Maar het is onze begeerte, dat ieder uwer dezelfde ijver blijve
betonen tot de verwezenlijking der hoop tot het einde toe, |
11 And we desire that every one of you do shew the same diligence to
the full assurance of hope unto the end: |
11 Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid
bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe; |
|
HB 6:12 opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen,
die door geloof en geduld de beloften beërven. |
12 That ye be not slothful, but followers of them who through faith and
patience inherit the promises. |
12 Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door
geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beerven. |
|
HB 6:13 Want toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij, omdat
Hij bij niemand hoger kon zweren, bij Zichzelf, |
13 For when God made promise to Abraham, because he could swear by no
greater, he sware by himself, |
13 Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand,
die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, |
|
HB 6:14 zeggende: Voorzeker zal Ik u zegenen en zekerlijk u
vermeerderen. |
14 Saying, Surely blessing I will bless thee, and multiplying I will
multiply thee. |
14 Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en
vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. |
|
HB 6:15 En zó, door geduld te oefenen, heeft deze het beloofde
verkregen. |
15 And so, after he had patiently endured, he obtained the promise. |
15 En alzo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte
verkregen. |
|
HB 6:16 Want mensen zweren bij wie hoger is, en de eed dient hun tot
bekrachtiging, als einde van alle tegenspraak. |
16 For men verily swear by the greater: and an oath for confirmation
[is] to them an end of all strife. |
16 Want de mensen zweren wel bij den meerdere [dan zij zijn], en de eed
tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken; |
|
HB 6:17 Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de
erfgenamen der belofte het onveranderlijke van zijn raad wilde doen
blijken, Zich onder ede verbonden, |
17 Wherein God, willing more abundantly to shew unto the heirs of
promise the immutability of his counsel, confirmed [it] by an oath: |
17 Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger
bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is
gekomen; |
|
HB 6:18 opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk
is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toevlucht genomen hebben,
een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons
ligt. |
18 That by two immutable things, in which [it was] impossible for God
to lie, we might have a strong consolation, who have fled for refuge to
lay hold upon the hope set before us: |
18 Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk
is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, [wij namelijk,]
die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden; |
|
HB 6:19 Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is,
en dat reikt tot binnen het voorhangsel, |
19 Which [hope] we have as an anchor of the soul, both sure and
stedfast, and which entereth into that within the veil; |
19 Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is,
en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; |
|
HB 6:20 waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de
ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid. |
20 Whither the forerunner is for us entered, [even] Jesus, made an high
priest for ever after the order of Melchisedec. |
20 Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, [namelijk] Jezus, naar de
ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der
eeuwigheid. |
|
HB 7:1 Want deze Melchisedek, koning van Salem,
priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het
verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende, |
1 For this Melchisedec, king of Salem, priest of the most high God, who
met Abraham returning from the slaughter of the kings, and blessed him; |
1 Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester des
Allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het
slaan der koningen, en hem zegende; |
|
HB 7:2 aan wie ook Abraham een tiende van alles gegeven heeft, is
vooreerst, volgens de uitlegging (van zijn naam): koning der
gerechtigheid, vervolgens ook: koning van Salem, dat is: koning des
vredes; |
2 To whom also Abraham gave a tenth part of all; first being by
interpretation King of righteousness, and after that also King of Salem,
which is, King of peace; |
2 Aan welken ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst
overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning
van Salem, hetwelk is een koning des vredes; |
|
HB 7:3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder
begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God
gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos. |
3 Without father, without mother, without descent, having neither
beginning of days, nor end of life; but made like unto the Son of God;
abideth a priest continually. |
3 Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel
der dagen, noch einde des levens hebbende; maar den Zoon van God gelijk
geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid. |
|
HB 7:4 Merkt dan op, hoe groot deze is, aan wie de aartsvader Abraham
een tiende gegeven heeft van het beste van de buit. |
4 Now consider how great this man [was], unto whom even the patriarch
Abraham gave the tenth of the spoils. |
4 Aanmerkt nu, hoe groot deze geweest zij, aan denwelken ook Abraham,
de patriarch, tienden gegeven heeft uit den buit. |
|
HB 7:5 Nu hebben zij, die uit de zonen van Levi het priesterambt
verkrijgen, volgens de wet wel de opdracht tienden te heffen van het volk,
dat is, van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van Abraham zijn
voortgekomen; |
5 And verily they that are of the sons of Levi, who receive the office
of the priesthood, have a commandment to take tithes of the people
according to the law, that is, of their brethren, though they come out of
the loins of Abraham: |
5 En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, hebben wel
bevel om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is, van hun
broederen, hoewel die uit de lenden van Abraham voortgekomen zijn. |
|
HB 7:6 maar hij, die zich niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft van
Abraham tienden genomen en een zegen gegeven aan de drager der beloften. |
6 But he whose descent is not counted from them received tithes of
Abraham, and blessed him that had the promises. |
6 Maar hij, die zijn geslachtsrekening uit hen niet heeft, die heeft
van Abraham tienden genomen, en hem, die de beloftenissen had, heeft hij
gezegend. |
|
HB 7:7 Nu is het onwedersprekelijk, dat het mindere door het meerdere
wordt gezegend. |
7 And without all contradiction the less is blessed of the better. |
7 Nu, zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van
hetgeen meerder is. |
|
HB 7:8 En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch dáár
iemand, van wie wordt getuigd, dat hij leeft. |
8 And here men that die receive tithes; but there he [receiveth them],
of whom it is witnessed that he liveth. |
8 En hier nemen wel tienden de mensen, die sterven, maar aldaar [neemt
ze] die, van welken getuigd wordt, dat hij leeft. |
|
HB 7:9 Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door
Abraham aan het tiendrecht (van een ander) onderworpen, |
9 And as I may so say, Levi also, who receiveth tithes, payed tithes in
Abraham. |
9 En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham
tienden gegeven; |
|
HB 7:10 want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen
Melchisedek deze tegemoet kwam. |
10 For he was yet in the loins of his father, when Melchisedec met him. |
10 Want hij was nog in de lenden des vaders, als hem Melchizedek
tegemoet ging. |
|
HB 7:11 Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht
had, immers, daaronder heeft het volk de wet ontvangen - waarom was het
dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchisedek
opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aäron is? |
11 If therefore perfection were by the Levitical priesthood, (for under
it the people received the law,) what further need [was there] that
another priest should rise after the order of Melchisedec, and not be
called after the order of Aaron? |
11 Indien dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap
ware (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was
het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou
opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aaron? |
|
HB 7:12 Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk
ook een verandering van wet. |
12 For the priesthood being changed, there is made of necessity a
change also of the law. |
12 Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook
noodzakelijk verandering der wet. |
|
HB 7:13 Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een
andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: |
13 For he of whom these things are spoken pertaineth to another tribe,
of which no man gave attendance at the altar. |
13 Want Hij, op Wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen
stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft. |
|
HB 7:14 het is immers duidelijk, dat onze Here uit Juda is gesproten,
ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept
heeft. |
14 For [it is] evident that our Lord sprang out of Juda; of which tribe
Moses spake nothing concerning priesthood. |
14 Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op
welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap. |
|
HB 7:15 En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van
Melchisedek een andere priester opstaat, |
15 And it is yet far more evident: for that after the similitude of
Melchisedec there ariseth another priest, |
15 En [dit] is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van
Melchizedek een ander priester opstaat: |
|
HB 7:16 die dit niet geworden is krachtens een wet met een voorschrift
betreffende vleselijke (afkomst), maar krachtens een onvernietigbaar
leven. |
16 Who is made, not after the law of a carnal commandment, but after
the power of an endless life. |
16 Die [dit] niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar
naar de kracht des onvergankelijken levens. |
|
HB 7:17 Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid
naar de ordening van Melchisedek. |
17 For he testifieth, Thou [art] a priest for ever after the order of
Melchisedec. |
17 Want Hij getuigt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de
ordening van Melchizedek. |
|
HB 7:18 Want een vroeger voorschrift wordt wel afgeschaft, als het
zonder kracht en nut is, |
18 For there is verily a disannulling of the commandment going before
for the weakness and unprofitableness thereof. |
18 Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs
zwakheids en onprofijtelijkheids wil; |
|
HB 7:19 - immers de wet heeft in geen enkel opzicht het volmaakte
gebracht - maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot
God komen. |
19 For the law made nothing perfect, but the bringing in of a better
hope [did]; by the which we draw nigh unto God. |
19 Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een
betere hoop, door welke wij tot God genaken. |
|
HB 7:20 En in zoverre het niet zonder een plechtige eed plaats had -
want genen zijn zonder eed priester geworden, |
20 And inasmuch as not without an oath [he was made priest]: |
20 En voor zoveel het niet zonder eedzwering [is geschied], (want genen
zijn wel zonder eedzwering priesters geworden; |
|
HB 7:21 maar déze met een eed bij monde van Hem, die tot Hem sprak: De
Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in
eeuwigheid - |
21 (For those priests were made without an oath;
but this with an oath by him that said unto him, The Lord sware and
will not repent, Thou [art] a priest for ever after the order of
Melchisedec:) |
21 Maar Deze met eedzwering, door Dien, Die tot Hem gezegd heeft: De
Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in
der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek). |
|
HB 7:22 in zoverre is Jezus ook van een beter verbond borg geworden. |
22 By so much was Jesus made a surety of a better testament. |
22 Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden. |
|
HB 7:23 En zíj zijn in groter getale priester geworden, omdat zij door
de dood verhinderd werden het te blijven, |
23 And they truly were many priests, because they were not suffered to
continue by reason of death: |
23 En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood
verhinderd werden altijd te blijven; |
|
HB 7:24 doch Híj heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een
priesterschap, dat op geen ander kan overgaan. |
24 But this [man], because he continueth ever, hath an unchangeable
priesthood. |
24 Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een
onvergankelijk Priesterschap. |
|
HB 7:25 Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God
gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. |
25 Wherefore he is able also to save them to the uttermost that come
unto God by him, seeing he ever liveth to make intercession for them. |
25 Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem
tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. |
|
HB 7:26 Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig,
zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen
verheven; |
26 For such an high priest became us, [who is] holy, harmless,
undefiled, separate from sinners, and made higher than the heavens; |
26 Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel,
onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden; |
|
HB 7:27 die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers
voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk,
want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten
offer bracht. |
27 Who needeth not daily, as those high priests, to offer up sacrifice,
first for his own sins, and then for the people's: for this he did once,
when he offered up himself. |
27 Dien het niet allen dag nodig was, gelijk den hogepriesters, eerst
voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, [voor de
zonden] des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven
opgeofferd heeft. |
|
HB 7:28 Want de wet stelt als hogepriester mensen, die met zwakheid
behept zijn, maar het plechtige woord van de eed, die ná de wet kwam,
stelt de Zoon, die in eeuwigheid volmaakt is. |
28 For the law maketh men high priests which have infirmity; but the
word of the oath, which was since the law, [maketh] the Son, who is
consecrated for evermore. |
28 Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben;
maar het woord der eedzwering, die na de wet is [gevolgd, stelt] den Zoon,
Die in der eeuwigheid geheiligd is. |
|
HB 8:1 De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij
zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon
der majesteit in de hemelen, |
1 Now of the things which we have spoken [this is] the sum: We have
such an high priest, who is set on the right hand of the throne of the
Majesty in the heavens; |
1 De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, [dat] wij hebben
zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechter [hand] van den troon
der Majesteit in de hemelen: |
|
HB 8:2 de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel,
die de Here opgericht heeft, en niet een mens. |
2 A minister of the sanctuary, and of the true tabernacle, which the
Lord pitched, and not man. |
2 Een Bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels, welken de
Heere heeft opgericht, en geen mens. |
|
HB 8:3 Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te
brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te
offeren. |
3 For every high priest is ordained to offer gifts and sacrifices:
wherefore [it is] of necessity that this man have somewhat also to offer. |
3 Want een iegelijk hogepriester wordt gesteld, om gaven en
slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat
had, dat Hij zou offeren. |
|
HB 8:4 Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester
wezen, daar er (hier reeds) zijn om volgens de wet de gaven te offeren. |
4 For if he were on earth, he should not be a priest, seeing that there
are priests that offer gifts according to the law: |
4 Want indien Hij op aarde ware, zo zou Hij zelfs geen Priester zijn,
dewijl er priesters zijn, die naar de wet gaven offeren; |
|
HB 8:5 Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw
van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de
tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt
naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg. |
5 Who serve unto the example and shadow of heavenly things, as Moses
was admonished of God when he was about to make the tabernacle: for, See,
saith he, [that] thou make all things according to the pattern shewed to
thee in the mount. |
5 Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen, gelijk
Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den tabernakel
volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de
afbeelding, die u op den berg getoond is. |
|
HB 8:6 Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als
Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op
betere beloften berust. |
6 But now hath he obtained a more excellent ministry, by how much also
he is the mediator of a better covenant, which was established upon better
promises. |
6 En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook
eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen
bevestigd is. |
|
HB 8:7 Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen
plaats gezocht zijn voor een tweede. |
7 For if that first [covenant] had been faultless, then should no place
have been sought for the second. |
7 Want indien dat eerste [verbond] onberispelijk geweest ware, zo zou
voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest. |
|
HB 8:8 Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt
de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond
tot stand zal brengen, |
8 For finding fault with them, he saith, Behold, the days come, saith
the Lord, when I will make a new covenant with the house of Israel and
with the house of Judah: |
8 Want [hen] berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen,
spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israels, en over het huis van
Juda een nieuw verbond oprichten; |
|
HB 8:9 niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage,
dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij
hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen
bekommerd, spreekt de Here. |
9 Not according to the covenant that I made with their fathers in the
day when I took them by the hand to lead them out of the land of Egypt;
because they continued not in my covenant, and I regarded them not, saith
the Lord. |
9 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage,
als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn
in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de
Heere. |
|
HB 8:10 Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het
huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun
verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot
een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. |
10 For this [is] the covenant that I will make with the house of Israel
after those days, saith the Lord; I will put my laws into their mind, and
write them in their hearts: and I will be to them a God, and they shall be
to me a people: |
10 Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israels maken zal na
die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in
hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij
zullen Mij tot een volk zijn. |
|
HB 8:11 En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een
ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij
kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen. |
11 And they shall not teach every man his neighbour, and every man his
brother, saying, Know the Lord: for all shall know me, from the least to
the greatest. |
11 En zij zullen niet leren, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk
zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van
den kleine onder hen tot den grote onder hen. |
|
HB 8:12 Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden, en hun
zonden zal Ik niet meer gedenken. |
12 For I will be merciful to their unrighteousness, and their sins and
their iniquities will I remember no more. |
12 Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun
overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken. |
|
HB 8:13 Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het
eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver
van verdwijning. |
13 In that he saith, A new [covenant], he hath made the first old. Now
that which decayeth and waxeth old [is] ready to vanish away. |
13 Als Hij zegt: Een nieuw [verbond], zo heeft Hij het eerste oud
gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning. |
|
HB 9:1 Nu had ook wel het eerste (verbond) bepalingen
voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. |
1 Then verily the first [covenant] had also ordinances of divine
service, and a worldly sanctuary. |
1 Zo had dan wel ook het eerste [verbond] rechten van de [gods] dienst,
en het wereldlijk heiligdom. |
|
HB 9:2 Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar
en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; |
2 For there was a tabernacle made; the first, wherein [was] the
candlestick, and the table, and the shewbread; which is called the
sanctuary. |
2 Want de tabernakel was toebereid, [namelijk] de eerste, in welken was
de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het
heilige; |
|
HB 9:3 en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het
heilige der heiligen, |
3 And after the second veil, the tabernacle which is called the Holiest
of all; |
3 Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het
heilige der heiligen; |
|
HB 9:4 met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, rondom
met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna,
de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds; |
4 Which had the golden censer, and the ark of the covenant overlaid
round about with gold, wherein [was] the golden pot that had manna, and
Aaron's rod that budded, and the tables of the covenant; |
4 Hebbende een gouden wierookvat, en de ark des verbonds, alom met goud
overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf
van Aaron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds. |
|
HB 9:5 daarboven waren de cherubs der heerlijkheid, die het
verzoendeksel overschaduwden; hierover kunnen wij nu niet in
bijzonderheden treden. |
5 And over it the cherubims of glory shadowing the mercyseat; of which
we cannot now speak particularly. |
5 En boven over deze [ark] waren de cherubijnen der heerlijkheid, die
het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk
niet zullen zeggen. |
|
HB 9:6 Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het
vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, |
6 Now when these things were thus ordained, the priests went always
into the first tabernacle, accomplishing the service [of God]. |
6 Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in
den eersten tabernakel, te allen tijde, om de [gods] diensten te
volbrengen; |
|
HB 9:7 maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar,
niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door
het volk in onwetendheid bedreven. |
7 But into the second [went] the high priest alone once every year, not
without blood, which he offered for himself, and [for] the errors of the
people: |
7 Maar in den tweeden [tabernakel ging] alleen de hogepriester, eenmaal
des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en
[voor] des volks misdaden. |
|
HB 9:8 Daarmede gaf de heilige Geest te kennen, dat de weg naar het
heiligdom nog niet openlag, zolang de eerste tent nog bestond. |
8 The Holy Ghost this signifying, that the way into the holiest of all
was not yet made manifest, while as the first tabernacle was yet standing: |
8 [Waarmede] de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms
nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had; |
|
HB 9:9 Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre
gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die (God
daarmede) dient, voor zijn besef te volmaken, |
9 Which [was] a figure for the time then present, in which were offered
both gifts and sacrifices, that could not make him that did the service
perfect, as pertaining to the conscience; |
9 Welke was een afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken
gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst
pleegde, niet konden heiligen naar het geweten; |
|
HB 9:10 daar zij met hun spijzen en dranken en onderscheiden wassingen
slechts bepalingen voor het vlees zijn, opgelegd tot de tijd van het
herstel. |
10 [Which stood] only in meats and drinks, and divers washings, and
carnal ordinances, imposed [on them] until the time of reformation. |
10 [Bestaande] alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen
en rechtvaardigmakingen des vleses, tot op den tijd der verbetering
opgelegd. |
|
HB 9:11 Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die
gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met
handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, |
11 But Christ being come an high priest of good things to come, by a
greater and more perfect tabernacle, not made with hands, that is to say,
not of this building; |
11 Maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, gekomen
zijnde, is door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen
gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, |
|
HB 9:12 en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn
eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij
een eeuwige verlossing verwierf. |
12 Neither by the blood of goats and calves, but by his own blood he
entered in once into the holy place, having obtained eternal redemption
[for us]. |
12 Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen
bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing
teweeggebracht hebbende. |
|
HB 9:13 Want als (reeds) het bloed van bokken en stieren en de
besprenging met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt,
zodat zij naar het vlees gereinigd worden, |
13 For if the blood of bulls and of goats, and the ashes of an heifer
sprinkling the unclean, sanctifieth to the purifying of the flesh: |
13 Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe,
besprengende de onreinen, [hen] heiligt tot de reinigheid des vleses; |
|
HB 9:14 hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige
Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons
bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? |
14 How much more shall the blood of Christ, who through the eternal
Spirit offered himself without spot to God, purge your conscience from
dead works to serve the living God? |
14 Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen
Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen
van dode werken, om den levende God te dienen? |
|
HB 9:15 En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu
Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het
eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen
zouden. |
15 And for this cause he is the mediator of the new testament, that by
means of death, for the redemption of the transgressions [that were] under
the first testament, they which are called might receive the promise of
eternal inheritance. |
15 En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood
[daartussen] gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder
het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der
eeuwige erve ontvangen zouden. |
|
HB 9:16 Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van
de erflater melding gemaakt worden; |
16 For where a testament [is], there must also of necessity be the
death of the testator. |
16 Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des
testamentmakers [tussen] kome; |
|
HB 9:17 een testament toch wordt alleen van kracht, indien er iemand
gestorven is, daar het nog geen gevolg heeft, zolang de erflater leeft. |
17 For a testament [is] of force after men are dead: otherwise it is of
no strength at all while the testator liveth. |
17 Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht
heeft, wanneer de testamentmaker leeft. |
|
HB 9:18 Daarom is ook het eerste (verbond) niet zonder bloed ingewijd. |
18 Whereupon neither the first [testament] was dedicated without blood. |
18 Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd. |
|
HB 9:19 Want nadat door Mozes elk gebod volgens de wet aan al het volk
was medegedeeld, nam hij het bloed der kalveren en der bokken met water,
scharlaken wol en hysop en besprengde het boek zelf en al het volk, |
19 For when Moses had spoken every precept to all the people according
to the law, he took the blood of calves and of goats, with water, and
scarlet wool, and hyssop, and sprinkled both the book, and all the people, |
19 Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk
uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water,
en purperen wol, en hysop, besprengde beide het boek zelf, en al het volk, |
|
HB 9:20 zeggende: Dit is het bloed van het verbond, dat God u heeft
voorgeschreven. |
20 Saying, This [is] the blood of the testament which God hath enjoined
unto you. |
20 Zeggende: Dit is het bloed des testaments, hetwelk God aan ulieden
heeft geboden. |
|
HB 9:21 En ook de tabernakel en al het gereedschap voor de eredienst
besprengde hij evenzo met bloed. |
21 Moreover he sprinkled with blood both the tabernacle, and all the
vessels of the ministry. |
21 En hij besprengde desgelijks ook den tabernakel, en al de vaten van
den dienst met het bloed. |
|
HB 9:22 En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en
zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. |
22 And almost all things are by the law purged with blood; and without
shedding of blood is no remission. |
22 En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en
zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. |
|
HB 9:23 Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de
hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere
offeranden dan deze. |
23 [It was] therefore necessary that the patterns of things in the
heavens should be purified with these; but the heavenly things themselves
with better sacrifices than these. |
23 Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen der dingen, die
in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse
dingen zelve door betere offeranden dan deze. |
|
HB 9:24 Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen
gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons
ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen; |
24 For Christ is not entered into the holy places made with hands,
[which are] the figures of the true; but into heaven itself, now to appear
in the presence of God for us: |
24 Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen
gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel
zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; |
|
HB 9:25 ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de
hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom
gaat, |
25 Nor yet that he should offer himself often, as the high priest
entereth into the holy place every year with blood of others; |
25 Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de
hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; |
|
HB 9:26 want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging
der wereld; maar thans is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen,
verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen. |
26 For then must he often have suffered since the foundation of the
world: but now once in the end of the world hath he appeared to put away
sin by the sacrifice of himself. |
26 (Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der
wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard,
om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande. |
|
HB 9:27 En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en
daarna het oordeel, |
27 And as it is appointed unto men once to die, but after this the
judgment: |
27 En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het
oordeel; |
|
HB 9:28 zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om
veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd
worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten. |
28 So Christ was once offered to bear the sins of many; and unto them
that look for him shall he appear the second time without sin unto
salvation. |
28 Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te
nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die
Hem verwachten tot zaligheid. |
|
HB 10:1 Want daar de wet slechts een schaduw heeft
der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer
in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht
worden, degenen, die toetreden, te volmaken. |
1 For the law having a shadow of good things to come, [and] not the
very image of the things, can never with those sacrifices which they
offered year by year continually make the comers thereunto perfect. |
1 Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het
beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren
geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan. |
|
HB 10:2 Immers, zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn,
doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn,
generlei besef van zonden meer hadden? |
2 For then would they not have ceased to be offered? because that the
worshippers once purged should have had no more conscience of sins. |
2 Anderszins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat
degenen, die den dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der
zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde; |
|
HB 10:3 Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in
gedachtenis gebracht; |
3 But in those [sacrifices there is] a remembrance again [made] of sins
every year. |
3 Maar [nu geschiedt] in dezelve alle jaren weder gedachtenis der
zonden. |
|
HB 10:4 want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken
zonden zou wegnemen. |
4 For [it is] not possible that the blood of bulls and of goats should
take away sins. |
4 Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden
wegneme. |
|
HB 10:5 Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en
offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; |
5 Wherefore when he cometh into the world, he saith, Sacrifice and
offering thou wouldest not, but a body hast thou prepared me: |
5 Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt
Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid; |
|
HB 10:6 in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. |
6 In burnt offerings and [sacrifices] for sin thou hast had no
pleasure. |
6 Brandofferen en [offer] voor de zonde hebben U niet behaagd. |
|
HB 10:7 Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik - in de boekrol staat van Mij
geschreven - om uw wil, o God, te doen. |
7 Then said I, Lo, I come (in the volume of the book it is written of
me,) to do thy will, O God. |
7 Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij
geschreven), om Uw wil te doen, o God! |
|
HB 10:8 In de aanhef zegt Hij: Slachtoffers en offergaven, brandoffers
en zondoffers, hebt Gij niet gewild, noch daarin een welbehagen gehad,
hoewel zij naar de wet gebracht worden. |
8 Above when he said, Sacrifice and offering and burnt offerings and
[offering] for sin thou wouldest not, neither hadst pleasure [therein];
which are offered by the law; |
8 Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offerande, en
brandoffers, en [offer] voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U
behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden); |
|
HB 10:9 (Doch) daarna heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik om uw wil te
doen. Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. |
9 Then said he, Lo, I come to do thy will, O God. He taketh away the
first, that he may establish the second. |
9 Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het
eerste weg, om het tweede te stellen. |
|
HB 10:10 Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het
offer van het lichaam van Jezus Christus. |
10 By the which will we are sanctified through the offering of the body
of Jesus Christ once [for all]. |
10 In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van
Jezus Christus, eenmaal [geschied]. |
|
HB 10:11 Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens
dezelfde offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen; |
11 And every priest standeth daily ministering and offering oftentimes
the same sacrifices, which can never take away sins: |
11 En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde
slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen
wegnemen; |
|
HB 10:12 deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben
gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, |
12 But this man, after he had offered one sacrifice for sins for ever,
sat down on the right hand of God; |
12 Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in
eeuwigheid gezeten aan de rechter [hand] Gods; |
|
HB 10:13 voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot
een voetbank voor zijn voeten. |
13 From henceforth expecting till his enemies be made his footstool. |
13 Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een
voetbank Zijner voeten. |
|
HB 10:14 Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt,
die geheiligd worden. |
14 For by one offering he hath perfected for ever them that are
sanctified. |
14 Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die
geheiligd worden. |
|
HB 10:15 En ook de heilige Geest geeft ons daarvan getuigenis, |
15 [Whereof] the Holy Ghost also is a witness to us: for after that he
had said before, |
15 En de Heilige Geest getuigt het ons ook; |
|
HB 10:16 want nadat Hij gezegd had: Dit is het verbond, waarmede Ik Mij
aan hen verbinden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal mijn wetten in
hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven, |
16 This [is] the covenant that I will make with them after those days,
saith the Lord, I will put my laws into their hearts, and in their minds
will I write them; |
16 Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met
hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun
harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden; |
|
HB 10:17 en hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken. |
17 And their sins and iniquities will I remember no more. |
17 En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer
gedenken. |
|
HB 10:18 Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen
zondoffer meer (nodig). |
18 Now where remission of these [is, there is] no more offering for
sin. |
18 Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de
zonde. |
|
HB 10:19 Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te
gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, |
19 Having therefore, brethren, boldness to enter into the holiest by
the blood of Jesus, |
19 Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in
het heiligdom door het bloed van Jezus, |
|
HB 10:20 langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft,
door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, |
20 By a new and living way, which he hath consecrated for us, through
the veil, that is to say, his flesh; |
20 Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door
het voorhangsel, dat is, [door] Zijn vlees; |
|
HB 10:21 en wij een grote priester over het huis Gods hebben, |
21 And [having] an high priest over the house of God; |
21 En [dewijl wij hebben] een groten Priester over het huis Gods; |
|
HB 10:22 laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle
verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is
van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. |
22 Let us draw near with a true heart in full assurance of faith,
having our hearts sprinkled from an evil conscience, and our bodies washed
with pure water. |
22 Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid
des geloofs, [onze] harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het
lichaam gewassen zijnde met rein water. |
|
HB 10:23 Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar
vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. |
23 Let us hold fast the profession of [our] faith without wavering;
(for he [is] faithful that promised;) |
23 Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop [vast] houden; (want
Die het beloofd heeft, is getrouw); |
|
HB 10:24 En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot
liefde en goede werken. |
24 And let us consider one another to provoke unto love and to good
works: |
24 En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en
der goede werken; |
|
HB 10:25 Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals
sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer,
naarmate gij de dag ziet naderen. |
25 Not forsaking the assembling of ourselves together, as the manner of
some [is]; but exhorting [one another]: and so much the more, as ye see
the day approaching. |
25 En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk
sommigen de gewoonte hebben, maar [elkander] vermanen; en [dat] zoveel te
meer, als gij ziet, dat de dag nadert. |
|
HB 10:26 Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis
der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, |
26 For if we sin wilfully after that we have received the knowledge of
the truth, there remaineth no more sacrifice for sins, |
26 Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid
ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; |
|
HB 10:27 maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van
een vuur, dat de wederspannigen zal verteren. |
27 But a certain fearful looking for of judgment and fiery indignation,
which shall devour the adversaries. |
27 Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs,
dat de tegenstanders zal verslinden. |
|
HB 10:28 Indien iemand de wet van Mozes terzijde heeft gesteld, wordt
hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen. |
28 He that despised Moses' law died without mercy under two or three
witnesses: |
28 Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder
barmhartigheid, onder twee of drie getuigen; |
|
HB 10:29 Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal híj verdienen, die de
Zoon van God met voeten heeft getreden, het bloed des verbonds, waardoor
hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft? |
29 Of how much sorer punishment, suppose ye, shall he be thought
worthy, who hath trodden under foot the Son of God, and hath counted the
blood of the covenant, wherewith he was sanctified, an unholy thing, and
hath done despite unto the Spirit of grace? |
29 Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden,
die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein
geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade
smaadheid heeft aangedaan? |
|
HB 10:30 Want wij weten, wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik
zal het vergelden! En wederom: De Here zal zijn volk oordelen. |
30 For we know him that hath said, Vengeance [belongeth] unto me, I
will recompense, saith the Lord. And again, The Lord shall judge his
people. |
30 Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het
vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen. |
|
HB 10:31 Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God! |
31 [It is] a fearful thing to fall into the hands of the living God. |
31 Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods. |
|
HB 10:32 Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te
zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt, |
32 But call to remembrance the former days, in which, after ye were
illuminated, ye endured a great fight of afflictions; |
32 Doch gedenkt de vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt
geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen. |
|
HB 10:33 hetzij zelf een schouwspel van smaad en verdrukking, hetzij
deelnemende aan het lot van hen, die in zulk een toestand verkeerden. |
33 Partly, whilst ye were made a gazingstock both by reproaches and
afflictions; and partly, whilst ye became companions of them that were so
used. |
33 Ten dele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel
geworden zijt; en ten dele, als gij gemeenschap gehad hebt met degenen,
die alzo behandeld werden. |
|
HB 10:34 Want gij hebt met de gevangenen mede geleden en de roof van uw
bezit blijmoedig aanvaard, want gij wist, dat gijzelf een beter en
blijvend bezit hebt. |
34 For ye had compassion of me in my bonds, and took joyfully the
spoiling of your goods, knowing in yourselves that ye have in heaven a
better and an enduring substance. |
34 Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving
uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven
een beter en blijvend goed in de hemelen. |
|
HB 10:35 Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime
vergelding heeft te wachten. |
35 Cast not away therefore your confidence, which hath great recompence
of reward. |
35 Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des
loons heeft. |
|
HB 10:36 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te
verkrijgen hetgeen beloofd is. |
36 For ye have need of patience, that, after ye have done the will of
God, ye might receive the promise. |
36 Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God
gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen; |
|
HB 10:37 Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn
en niet op Zich laten wachten, |
37 For yet a little while, and he that shall come will come, and will
not tarry. |
37 Want: Nog een zeer weinig [tijds en] Hij, Die te komen staat, zal
komen, en niet vertoeven. |
|
HB 10:38 en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij
nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen. |
38 Now the just shall live by faith: but if [any man] draw back, my
soul shall have no pleasure in him. |
38 Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo [iemand] zich
onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen. |
|
HB 10:39 Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten
verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt. |
39 But we are not of them who draw back unto perdition; but of them
that believe to the saving of the soul. |
39 Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve,
maar van degenen, die geloven tot behouding der ziel. |
|
HB 11:1 Het geloof nu is de zekerheid der dingen,
die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. |
1 Now faith is the substance of things hoped for, the evidence of
things not seen. |
1 Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, [en] een
bewijs der zaken, die men niet ziet. |
|
HB 11:2 Want door dit (geloof) is aan de ouden een getuigenis gegeven. |
2 For by it the elders obtained a good report. |
2 Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. |
|
HB 11:3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods
tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het
waarneembare. |
3 Through faith we understand that the worlds were framed by the word
of God, so that things which are seen were not made of things which do
appear. |
3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is
toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit
dingen, die gezien worden. |
|
HB 11:4 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan
Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God
getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij
gestorven is. |
4 By faith Abel offered unto God a more excellent sacrifice than Cain,
by which he obtained witness that he was righteous, God testifying of his
gifts: and by it he being dead yet speaketh. |
4 Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan
Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was,
alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve [geloof] spreekt
hij nog, nadat hij gestorven is. |
|
HB 11:5 Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet
zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want
vóórdat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode
welgevallig was geweest; |
5 By faith Enoch was translated that he should not see death; and was
not found, because God had translated him: for before his translation he
had this testimony, that he pleased God. |
5 Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet
zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had;
want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode
behaagde. |
|
HB 11:6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn.
Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is
voor wie Hem ernstig zoeken. |
6 But without faith [it is] impossible to please [him]: for he that
cometh to God must believe that he is, and [that] he is a rewarder of them
that diligently seek him. |
6 Maar zonder geloof is het onmogelijk [Gode] te behagen. Want die tot
God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem
zoeken. |
|
HB 11:7 Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen
had over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot
redding van zijn huisgezin; en door dat (geloof) heeft hij de wereld
veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden der gerechtigheid, die aan
het geloof beantwoordt. |
7 By faith Noah, being warned of God of things not seen as yet, moved
with fear, prepared an ark to the saving of his house; by the which he
condemned the world, and became heir of the righteousness which is by
faith. |
7 Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand
zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, [en] bevreesd geworden
zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke
[ark] hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der
rechtvaardigheid, die naar het geloof is. |
|
HB 11:8 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in
gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou
ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. |
8 By faith Abraham, when he was called to go out into a place which he
should after receive for an inheritance, obeyed; and he went out, not
knowing whither he went. |
8 Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om
uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij
is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. |
|
HB 11:9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als
in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die
medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; |
9 By faith he sojourned in the land of promise, as [in] a strange
country, dwelling in tabernacles with Isaac and Jacob, the heirs with him
of the same promise: |
9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte,
als in een vreemd [land], en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en
Jakob, die medeerfgenamen waren derzelfde belofte. |
|
HB 11:10 want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de
ontwerper en bouwmeester is. |
10 For he looked for a city which hath foundations, whose builder and
maker [is] God. |
10 Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker
Kunstenaar en Bouwmeester God is. |
|
HB 11:11 Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te
worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd
had, betrouwbaar achtte. |
11 Through faith also Sara herself received strength to conceive seed,
and was delivered of a child when she was past age, because she judged him
faithful who had promised. |
11 Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te
geven, en boven den tijd [haars] ouderdoms heeft zij gebaard; overmits zij
Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had. |
|
HB 11:12 Daarom zijn er dan ook uit één man, en wel een verstorvene,
voortgekomen als de sterren des hemels in menigte en gelijk het zand aan
de oever der zee, dat ontelbaar is. |
12 Therefore sprang there even of one, and him as good as dead, [so
many] as the stars of the sky in multitude, and as the sand which is by
the sea shore innumerable. |
12 Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene, [zovelen] in
menigte geboren, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den
oever der zee is, hetwelk ontallijk is. |
|
HB 11:13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften
verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en
begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren
op aarde. |
13 These all died in faith, not having received the promises, but
having seen them afar off, and were persuaded of [them], and embraced
[them], and confessed that they were strangers and pilgrims on the earth. |
13 Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen
hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en
hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. |
|
HB 11:14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een
vaderland zoeken. |
14 For they that say such things declare plainly that they seek a
country. |
14 Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een
vaderland zoeken. |
|
HB 11:15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij
verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; |
15 And truly, if they had been mindful of that [country] from whence
they came out, they might have had opportunity to have returned. |
15 En indien zij aan dat [vaderland] gedacht hadden, van hetwelk zij
uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keren; |
|
HB 11:16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels,
vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want
Hij had hun een stad bereid. |
16 But now they desire a better [country], that is, an heavenly:
wherefore God is not ashamed to be called their God: for he hath prepared
for them a city. |
16 Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse.
Daarom schaamt Zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want
Hij had hun een stad bereid. |
|
HB 11:17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaak
ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige
zoon offeren, |
17 By faith Abraham, when he was tried, offered up Isaac: and he that
had received the promises offered up his only begotten [son], |
17 Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd,
en hij, die de beloften ontvangen had, heeft [zijn] eniggeborene geofferd, |
|
HB 11:18 hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van nageslacht van
u spreken. |
18 Of whom it was said, That in Isaac shall thy seed be called: |
18 (Tot denwelke gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) |
|
Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op
te wekken, |
19 Accounting that God [was] able to raise [him] up, even from the
dead; |
overleggende, dat God machtig was, [hem] ook uit de doden te verwekken; |
|
HB 11:19 en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken
teruggekregen. |
from whence also he received him in a figure. |
19 Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft. |
|
HB 11:20 Door het geloof heeft Isaak aan Jakob en Esau zijn zegen
gegeven, ook voor de toekomst. |
20 By faith Isaac blessed Jacob and Esau concerning things to come. |
20 Door het geloof heeft Izak [zijn zonen] Jakob en Ezau gezegend
aangaande toekomende dingen. |
|
HB 11:21 Door het geloof heeft Jakob bij zijn sterven ieder der zonen
van Jozef gezegend en hij heeft aangebeden, (leunende) op het uiteinde van
zijn staf. |
21 By faith Jacob, when he was a dying, blessed both the sons of
Joseph; and worshipped, [leaning] upon the top of his staff. |
21 Door het geloof heeft Jakob, stervende, een iegelijk der zonen van
Jozef gezegend, en heeft aangebeden, [leunende] op het opperste van zijn
staf. |
|
HB 11:22 Door het geloof heeft Jozef aan het einde van zijn leven
gewaagd van de uittocht der kinderen Israëls en voorschriften gegeven
over zijn gebeente. |
22 By faith Joseph, when he died, made mention of the departing of the
children of Israel; and gave commandment concerning his bones. |
22 Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van den uitgang der
kinderen Israels, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente. |
|
HB 11:23 Door het geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door
zijn ouders verborgen gehouden, omdat zij zagen, dat hij een schoon kind
was, en zij hebben het bevel des konings niet gevreesd. |
23 By faith Moses, when he was born, was hid three months of his
parents, because they saw [he was] a proper child; and they were not
afraid of the king's commandment. |
23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang
van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon
was; en zij vreesden het gebod des konings niet. |
|
HB 11:24 Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd
door te gaan voor een zoon van Farao's dochter, |
24 By faith Moses, when he was come to years, refused to be called the
son of Pharaoh's daughter; |
24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een
zoon van Farao’s dochter genoemd te worden; |
|
HB 11:25 maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan
tijdelijk van de zonde te genieten; |
25 Choosing rather to suffer affliction with the people of God, than to
enjoy the pleasures of sin for a season; |
25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden,
dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; |
|
HB 11:26 en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan
de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de vergelding. |
26 Esteeming the reproach of Christ greater riches than the treasures
in Egypt: for he had respect unto the recompence of the reward. |
26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan
de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. |
|
HB 11:27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn des
konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke. |
27 By faith he forsook Egypt, not fearing the wrath of the king: for he
endured, as seeing him who is invisible. |
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn
des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke. |
|
HB 11:28 Door het geloof heeft hij het Pascha gehouden en het bloed
doen aanbrengen, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanraken. |
28 Through faith he kept the passover, and the sprinkling of blood,
lest he that destroyed the firstborn should touch them. |
28 Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging
des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou. |
|
HB 11:29 Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als over
droog land, terwijl de Egyptenaars, toen zij het ook beproefden,
verzwolgen werden. |
29 By faith they passed through the Red sea as by dry [land]: which the
Egyptians assaying to do were drowned. |
29 Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge;
hetwelk de Egyptenaars, [ook] verzoekende, zijn verdronken. |
|
HB 11:30 Door het geloof zijn de muren van Jericho neergestort, nadat
(het volk) er zeven dagen lang omheen getrokken was. |
30 By faith the walls of Jericho fell down, after they were compassed
about seven days. |
30 Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot
zeven dagen toe omringd waren geweest. |
|
HB 11:31 Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen
omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen. |
31 By faith the harlot Rahab perished not with them that believed not,
when she had received the spies with peace. |
31 Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de
ongehoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen. |
|
HB 11:32 En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij
ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en
Samuël en de profeten, |
32 And what shall I more say? for the time would fail me to tell of
Gedeon, and [of] Barak, and [of] Samson, and [of] Jephthae; [of] David
also, and Samuel, and [of] the prophets: |
32 En wat zal ik nog [meer] zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou
ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en
Samuel, en de profeten; |
|
HB 11:33 die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid
geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen
dichtgesnoerd, |
33 Who through faith subdued kingdoms, wrought righteousness, obtained
promises, stopped the mouths of lions, |
33 Welken door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid
geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt; |
|
HB 11:34 de kracht van het vuur gedoofd hebben. Zij zijn aan scherpe
zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij kracht ontvangen, zij zijn in de
oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen. |
34 Quenched the violence of fire, escaped the edge of the sword, out of
weakness were made strong, waxed valiant in fight, turned to flight the
armies of the aliens. |
34 De kracht des vuurs hebben uitgeblust, de scherpte des zwaards zijn
ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk
geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht; |
|
HB 11:35 Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen,
anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten,
opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben. |
35 Women received their dead raised to life again: and others were
tortured, not accepting deliverance; that they might obtain a better
resurrection: |
35 De vrouwen hebben hare doden uit de opstanding [weder] gekregen; en
anderen zijn uitgerekt geworden, de [aangeboden] verlossing niet
aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden. |
|
HB 11:36 Anderen weder hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven
nog boeien en gevangenschap. |
36 And others had trial of [cruel] mockings and scourgings, yea,
moreover of bonds and imprisonment: |
36 En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en
gevangenis; |
|
HB 11:37 Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden
gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in
schapevachten en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling |
37 They were stoned, they were sawn asunder, were tempted, were slain
with the sword: they wandered about in sheepskins and goatskins; being
destitute, afflicted, tormented; |
37 Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het
zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen [en] in
geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; |
|
HB 11:38 - de wereld was hunner niet waardig - zij hebben rondgedoold
door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde. |
38 (Of whom the world was not worthy:) they wandered in deserts, and
[in] mountains, and [in] dens and caves of the earth. |
38 (Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en
[op] bergen, en [in] spelonken, en [in] holen der aarde. |
|
HB 11:39 Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen
gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, |
39 And these all, having obtained a good report through faith, received
not the promise: |
39 En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de
belofte niet verkregen; |
|
HB 11:40 daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder
ons tot de volmaaktheid konden komen. |
40 God having provided some better thing for us, that they without us
should not be made perfect. |
40 Alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet
zouden volmaakt worden. |
|
HB 12:1 Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een
grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde,
die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die
vóór ons ligt. |
1 Wherefore seeing we also are compassed about with so great a cloud of
witnesses, let us lay aside every weight, and the sin which doth so easily
beset [us], and let us run with patience the race that is set before us, |
1 Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons
hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die [ons]
lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die
ons voorgesteld is; |
|
HB 12:2 Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de
leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem
lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten
is ter rechterzijde van de troon Gods. |
2 Looking unto Jesus the author and finisher of [our] faith; who for
the joy that was set before him endured the cross, despising the shame,
and is set down at the right hand of the throne of God. |
2 Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus,
Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft
verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter [hand] des
troons van God. |
|
HB 12:3 Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de
zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel
verslapt. |
3 For consider him that endured such contradiction of sinners against
himself, lest ye be wearied and faint in your minds. |
3 Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren
tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw
zielen. |
|
HB 12:4 Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw
worsteling tegen de zonde, |
4 Ye have not yet resisted unto blood, striving against sin. |
4 Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen
de zonde; |
|
HB 12:5 en gij hebt de vermaning vergeten, die tot u als tot zonen
spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap
niet, als gij door Hem bestraft wordt, |
5 And ye have forgotten the exhortation which speaketh unto you as unto
children, My son, despise not thou the chastening of the Lord, nor faint
when thou art rebuked of him: |
5 En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt:
Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als
gij van Hem bestraft wordt; |
|
HB 12:6 want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt
iedere zoon, die Hij aanneemt. |
6 For whom the Lord loveth he chasteneth, and scourgeth every son whom
he receiveth. |
6 Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een
iegelijken zoon, die Hij aanneemt. |
|
HB 12:7 Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als
zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? |
7 If ye endure chastening, God dealeth with you as with sons; for what
son is he whom the father chasteneth not? |
7 Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als
zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?) |
|
HB 12:8 Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan
hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen. |
8 But if ye be without chastisement, whereof all are partakers, then
are ye bastards, and not sons. |
8 Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn
geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen. |
|
HB 12:9 Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij
ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer
onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven? |
9 Furthermore we have had fathers of our flesh which corrected [us],
and we gave [them] reverence: shall we not much rather be in subjection
unto the Father of spirits, and live? |
9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad,
en wij ontzagen hen; zullen wij [dan] niet veel meer den Vader der geesten
onderworpen zijn, en leven? |
|
HB 12:10 Want zíj hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten
getuchtigd, maar Híj doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan
zijn heiligheid. |
10 For they verily for a few days chastened [us] after their own
pleasure; but he for [our] profit, that [we] might be partakers of his
holiness. |
10 Want genen hebben [ons] wel voor een korten tijd, naar dat het hun
goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt [ons] tot [ons] nut, opdat wij
Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. |
|
HB 12:11 Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde,
maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend
zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid. |
11 Now no chastening for the present seemeth to be joyous, but
grievous: nevertheless afterward it yieldeth the peaceable fruit of
righteousness unto them which are exercised thereby. |
11 En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen [zaak] van
vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een
vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend
zijn. |
|
HB 12:12 Heft dan de slappe handen op en strekt de knikkende knieën, |
12 Wherefore lift up the hands which hang down, and the feeble knees; |
12 Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieen; |
|
HB 12:13 en maakt een recht spoor met uw voeten, opdat hetgeen kreupel
is niet uit het lid gerake, doch veeleer geneze. |
13 And make straight paths for your feet, lest that which is lame be
turned out of the way; but let it rather be healed. |
13 En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet
verdraaid worde, maar [dat] het veelmeer genezen worde. |
|
HB 12:14 Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke
niemand de Here zal zien. |
14 Follow peace with all [men], and holiness, without which no man
shall see the Lord: |
14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke
niemand den Heere zien zal; |
|
HB 12:15 Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods,
dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte, en daardoor
zeer velen zouden besmet worden. |
15 Looking diligently lest any man fail of the grace of God; lest any
root of bitterness springing up trouble [you], and thereby many be
defiled; |
15 Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet
enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door
dezelve velen ontreinigd worden. |
|
HB 12:16 Laat niemand een hoereerder zijn, of onverschillig als Esau,
die voor één spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht. |
16 Lest there [be] any fornicator, or profane person, as Esau, who for
one morsel of meat sold his birthright. |
16 Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau,
die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. |
|
HB 12:17 Want gij weet, dat hij later, toen hij (toch) de zegen wilde
erven, afgewezen werd, want toen vond hij geen plaats voor berouw, hoewel
hij het onder tranen zocht. |
17 For ye know how that afterward, when he would have inherited the
blessing, he was rejected: for he found no place of repentance, though he
sought it carefully with tears. |
17 Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beerven,
verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve
met tranen zocht. |
|
HB 12:18 Want gij zijt niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur,
tot donkerheid, duisternis en stormwind, |
18 For ye are not come unto the mount that might be touched, and that
burned with fire, nor unto blackness, and darkness, and tempest, |
18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het
brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, |
|
HB 12:19 tot het geklank van een bazuin en tot het geluid van een stem,
bij het horen waarvan zij verzochten, dat niet verder tot hen gesproken
werd; |
19 And the sound of a trumpet, and the voice of words; which [voice]
they that heard intreated that the word should not be spoken to them any
more: |
19 En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze
hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden. |
|
HB 12:20 want zij konden dit bevel niet dragen: Zelfs als een dier de
berg aanraakt, zal het worden gestenigd. |
20 (For they could not endure that which was commanded, And if so much
as a beast touch the mountain, it shall be stoned, or thrust through with
a dart: |
20 (Want zij konden niet dragen, hetgeen er geboden werd: Indien ook
een gedierte den berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl
doorschoten worden. |
|
HB 12:21 En zó ontzaglijk was het verschijnsel, dat Mozes zeide: Ik
ben enkel vreze en beving. |
21 And so terrible was the sight, [that] Moses said, I exceedingly fear
and quake:) |
21 En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd
en bevende). |
|
HB 12:22 Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de
levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, |
22 But ye are come unto mount Sion, and unto the city of the living
God, the heavenly Jerusalem, and to an innumerable company of angels, |
22 Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden
Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; |
|
HB 12:23 en tot een feestelijke en plechtige vergadering van
eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de
Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de
voleinding bereikt hebben, |
23 To the general assembly and church of the firstborn, which are
written in heaven, and to God the Judge of all, and to the spirits of just
men made perfect, |
23 Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die
in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de
geesten der volmaakte rechtvaardigen; |
|
HB 12:24 en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het
bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel. |
24 And to Jesus the mediator of the new covenant, and to the blood of
sprinkling, that speaketh better things than [that of] Abel. |
24 En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der
besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. |
|
HB 12:25 Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als
genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op
aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, die
uit de hemelen (spreekt). |
25 See that ye refuse not him that speaketh. For if they escaped not
who refused him that spake on earth, much more [shall not] we [escape], if
we turn away from him that [speaketh] from heaven: |
25 Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt; want indien
dezen niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde
Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer [zullen] wij niet [ontvlieden], zo wij
ons van Dien afkeren, Die van de hemelen [is;] |
|
HB 12:26 Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft
Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de
aarde, maar ook de hemel doen beven. |
26 Whose voice then shook the earth: but now he hath promised, saying,
Yet once more I shake not the earth only, but also heaven. |
26 Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd,
zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den
hemel. |
|
HB 12:27 Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen
als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is. |
27 And this [word], Yet once more, signifieth the removing of those
things that are shaken, as of things that are made, that those things
which cannot be shaken may remain. |
27 En dit [woord:] Nog eenmaal, wijst aan de verandering der
bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de
dingen, die niet bewegelijk zijn. |
|
HB 12:28 Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk
ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke
wijze met eerbied en ontzag, |
28 Wherefore we receiving a kingdom which cannot be moved, let us have
grace, whereby we may serve God acceptably with reverence and godly fear: |
28 Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de
genade [vast] houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen,
met eerbied en godvruchtigheid. |
|
HB 12:29 want onze God is een verterend vuur. |
29 For our God [is] a consuming fire. |
29 Want onze God is een verterend vuur. |
|
HB 13:1 Laat de broederlijke liefde blijven. |
1 Let brotherly love continue. |
1 Dat de broederlijke liefde blijve. |
|
HB 13:2 Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen,
zonder het te weten, engelen geherbergd. |
2 Be not forgetful to entertain strangers: for thereby some have
entertained angels unawares. |
2 Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen
onwetend engelen geherbergd. |
|
HB 13:3 Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart; aan
hen, die mishandeld worden, als (mensen), die ook zelf een lichaam hebt. |
3 Remember them that are in bonds, as bound with them; [and] them which
suffer adversity, as being yourselves also in the body. |
3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; [en] dergenen,
die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam [kwalijk
gehandeld] waart. |
|
HB 13:4 Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want
hoereerders en echtbrekers zal God oordelen. |
4 Marriage [is] honourable in all, and the bed undefiled: but
whoremongers and adulterers God will judge. |
4 Het huwelijk [is] eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar
hoereerders en overspelers zal God oordelen. |
|
HB 13:5 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met
wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u
geenszins verlaten. |
5 [Let your] conversation [be] without covetousness; [and be] content
with such things as ye have: for he hath said, I will never leave thee,
nor forsake thee. |
5 [Uw] wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het
tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u
niet verlaten. |
|
HB 13:6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een
helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen? |
6 So that we may boldly say, The Lord [is] my helper, and I will not
fear what man shall do unto me. |
6 Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper,
en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen. |
|
HB 13:7 Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u
hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na. |
7 Remember them which have the rule over you, who have spoken unto you
the word of God: whose faith follow, considering the end of [their]
conversation. |
7 Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben;
[en] volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst [hunner] wandeling. |
|
HB 13:8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in
eeuwigheid. |
8 Jesus Christ the same yesterday, and to day, and for ever. |
8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. |
|
HB 13:9 Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het
is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in genade en niet in spijzen:
wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden. |
9 Be not carried about with divers and strange doctrines. For [it is] a
good thing that the heart be established with grace; not with meats, which
have not profited them that have been occupied therein. |
9 Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het
is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door
welke geen nuttigheid bekomen hebben, die [daarin] gewandeld hebben. |
|
HB 13:10 Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de
tabernakel verrichten, niet mogen eten. |
10 We have an altar, whereof they have no right to eat which serve the
tabernacle. |
10 Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die
den tabernakel dienen. |
|
HB 13:11 Want van de dieren, waarvan het bloed als zondoffer door de
hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd het lichaam buiten de
legerplaats verbrand. |
11 For the bodies of those beasts, whose blood is brought into the
sanctuary by the high priest for sin, are burned without the camp. |
11 Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het
heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten
de legerplaats. |
|
HB 13:12 Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen
bloed te heiligen, buiten de poort geleden. |
12 Wherefore Jesus also, that he might sanctify the people with his own
blood, suffered without the gate. |
12 Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou
heiligen, buiten de poort geleden. |
|
HB 13:13 Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en
zijn smaad dragen. |
13 Let us go forth therefore unto him without the camp, bearing his
reproach. |
13 Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn
smaadheid dragende. |
|
HB 13:14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de
toekomstige. |
14 For here have we no continuing city, but we seek one to come. |
14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de
toekomende. |
|
HB 13:15 Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen,
namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden. |
15 By him therefore let us offer the sacrifice of praise to God
continually, that is, the fruit of [our] lips giving thanks to his name. |
15 Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs,
dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden. |
|
HB 13:16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want
in zulke offers heeft God een welgevallen. |
16 But to do good and to communicate forget not: for with such
sacrifices God is well pleased. |
16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan
zodanige offeranden heeft God een welbehagen. |
|
HB 13:17 Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u (aan hen), want zij
zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten
afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want
dat zou u geen nut doen. |
17 Obey them that have the rule over you, and submit yourselves: for
they watch for your souls, as they that must give account, that they may
do it with joy, and not with grief: for that [is] unprofitable for you. |
17 Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij
waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen
mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. |
|
HB 13:18 Bidt voor ons, want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten
hebben, daar wij in alle opzichten de rechte weg willen gaan. |
18 Pray for us: for we trust we have a good conscience, in all things
willing to live honestly. |
18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben,
als die in alles willen eerlijk wandelen. |
|
HB 13:19 Met des te meer nadruk vermaan ik (u) dit te doen, opdat ik u
te eerder teruggegeven moge worden. |
19 But I beseech [you] the rather to do this, that I may be restored to
you the sooner. |
19 En ik bid [u] te meer, dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden
moge wedergegeven worden. |
|
HB 13:20 De God nu des vredes, die onze Here Jezus, de grote herder der
schapen door het bloed van een eeuwig verbond heeft teruggebracht uit de
doden, |
20 Now the God of peace, that brought again from the dead our Lord
Jesus, that great shepherd of the sheep, through the blood of the
everlasting covenant, |
20 De God nu des vredes, Die den grote Herder der schapen, door het
bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht,
[namelijk] onze Heere Jezus Christus, |
|
HB 13:21 bevestige u in alle goed, om zijn wil te doen, terwijl Hij aan
ons doe, wat in zijn ogen welbehagelijk is door Jezus Christus. Hem zij de
heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. |
21 Make you perfect in every good work to do his will, working in you
that which is wellpleasing in his sight, through Jesus Christ; to whom
[be] glory for ever and ever. Amen. |
21 Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen;
werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus;
Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. |
|
HB 13:22 Ik vermaan u, broeders, houdt mij dit woord van vermaning ten
goede, want ik schrijf u maar kort. |
22 And I beseech you, brethren, suffer the word of exhortation: for I
have written a letter unto you in few words. |
22 Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want
ik heb u in het kort geschreven. |
|
HB 13:23 Weet, dat onze broeder Timoteüs in vrijheid gesteld is; als
hij spoedig komt, zal ik met hem u bezoeken. |
23 Know ye that [our] brother Timothy is set at liberty; with whom, if
he come shortly, I will see you. |
23 Weet, dat de broeder Timotheus losgelaten is, met welken (zo hij
haast komt) ik u zal zien. |
|
HB 13:24 Groet al uw voorgangers en al de heiligen. De broeders uit Italië laten u groeten.
|
24 Salute all them that have the rule over you, and all the saints.
They of Italy salute you. |
24 Groet al uw voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van
Italie zijn. |
|
HB 13:25 De genade zij met u allen. |
25 Grace [be] with you all. Amen. |
25 De genade zij met u allen. Amen. |
| |
[Written to the Hebrews from Italy, by Timothy.] |
|