|
GL 1:1 Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch
door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader, die Hem
opgewekt heeft uit de doden, |
1 Paul, an apostle, (not of men, neither by man, but by Jesus Christ,
and God the Father, who raised him from the dead;) |
1 Paulus, een apostel, ([geroepen] niet van mensen, noch door een mens,
maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt
heeft), |
|
GL 1:2 en al de broeders, die bij mij zijn, aan de gemeenten van
Galatië: |
2 And all the brethren which are with me, unto the churches of Galatia: |
2 En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatie: |
|
GL 1:3 genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus
Christus, |
3 Grace [be] to you and peace from God the Father, and [from] our Lord
Jesus Christ, |
3 Genade zij u en vrede van God den Vader, en onzen Heere Jezus
Christus; |
|
GL 1:4 die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, om ons te trekken
uit de tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader, |
4 Who gave himself for our sins, that he might deliver us from this
present evil world, according to the will of God and our Father: |
4 Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken
zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en
Vader; |
|
GL 1:5 aan wie de heerlijkheid zij in alle eeuwigheid! Amen. |
5 To whom [be] glory for ever and ever. Amen. |
5 Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. |
|
GL 1:6 Het verbaast mij, dat gij u zo schielijk van degene, die u door
de genade van Christus geroepen heeft, laat afbrengen tot een ander
evangelie, |
6 I marvel that ye are so soon removed from him that called you into
the grace of Christ unto another gospel: |
6 Ik verwonder mij, dat gij zo haast [wijkende] van dengene, die u in
de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander
Evangelie; |
|
GL 1:7 en dat is geen evangelie. Er zijn echter sommigen, die u in
verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. |
7 Which is not another; but there be some that trouble you, and would
pervert the gospel of Christ. |
7 Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het
Evangelie van Christus willen verkeren. |
|
GL 1:8 Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, [u] een
evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die
zij vervloekt! |
8 But though we, or an angel from heaven, preach any other gospel unto
you than that which we have preached unto you, let him be accursed. |
8 Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een
Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij
vervloekt. |
|
GL 1:9 Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, zeg ik thans nog eens:
indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen
hebt, die zij vervloekt! |
9 As we said before, so say I now again, If any [man] preach any other
gospel unto you than that ye have received, let him be accursed. |
9 Gelijk wij te voren gezegd hebben, [zo] zeg ik ook nu wederom: Indien
u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die
zij vervloekt. |
|
GL 1:10 Tracht ik thans mensen te winnen, of God? Of zoek ik mensen te
behagen? Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen
dienstknecht van Christus zijn. |
10 For do I now persuade men, or God? or do I seek to please men? for
if I yet pleased men, I should not be the servant of Christ. |
10 Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen?
Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van
Christus. |
|
GL 1:11 Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk
door mij verkondigd is, niet is naar de mens. |
11 But I certify you, brethren, that the gospel which was preached of
me is not after man. |
11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij
verkondigd is, niet is naar den mens. |
|
GL 1:12 Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd,
maar door openbaring van Jezus Christus. |
12 For I neither received it of man, neither was I taught [it], but by
the revelation of Jesus Christ. |
12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd,
maar door de openbaring van Jezus Christus. |
|
GL 1:13 Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom:
ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien, |
13 For ye have heard of my conversation in time past in the Jews'
religion, how that beyond measure I persecuted the church of God, and
wasted it: |
13 Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was,
dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte; |
|
GL 1:14 en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van
(mijn) tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn
voorvaderlijke overleveringen. |
14 And profited in the Jews' religion above many my equals in mine own
nation, being more exceedingly zealous of the traditions of my fathers. |
14 En [dat] ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in
mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke
inzettingen. |
|
GL 1:15 Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan
afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, |
15 But when it pleased God, who separated me from my mother's womb, and
called [me] by his grace, |
15 Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf
aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, |
|
GL 1:16 zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen
verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; |
16 To reveal his Son in me, that I might preach him among the heathen;
immediately I conferred not with flesh and blood: |
16 Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie
onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan
met vlees en bloed; |
|
GL 1:17 ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds
vóór mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar
naar Damascus teruggekeerd. |
17 Neither went I up to Jerusalem to them which were apostles before
me; but I went into Arabia, and returned again unto Damascus. |
17 En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij
apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabie, en keerde wederom naar
Damaskus. |
|
GL 1:18 Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kefas te
bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; |
18 Then after three years I went up to Jerusalem to see Peter, and
abode with him fifteen days. |
18 Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te
bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. |
|
GL 1:19 en ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder
des Heren. |
19 But other of the apostles saw I none, save James the Lord's brother. |
19 En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des
Heeren. |
|
GL 1:20 Wat ik u schrijf, zie, voor het aangezicht van God, ik lieg
niet. |
20 Now the things which I write unto you, behold, before God, I lie
not. |
20 Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, [ik getuig] voor God, dat ik niet
lieg! |
|
GL 1:21 Daarna ben ik gegaan naar de streken van Syrië en van
Cilicië. |
21 Afterwards I came into the regions of Syria and Cilicia; |
21 Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrie en van Cilicie. |
|
GL 1:22 En ik was aan de gemeenten van Christus in Judea van aanzien
onbekend. |
22 And was unknown by face unto the churches of Judaea which were in
Christ: |
22 En ik was van aangezicht onbekend aan de Gemeenten in Judea, die in
Christus zijn. |
|
GL 1:23 Alleen hoorden zij telkens: hij, die ons vroeger vervolgde,
verkondigt nu het geloof, dat hij tevoren trachtte uit te roeien. |
23 But they had heard only, That he which persecuted us in times past
now preacheth the faith which once he destroyed. |
23 Maar zij hadden alleenlijk gehoord, [dat men zeide:] Degene, die ons
eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds
verwoestte. |
|
GL 1:24 En zij verheerlijkten God in mij. |
24 And they glorified God in me. |
24 En zij verheerlijkten God in mij. |
|
GL 2:1 Daarna ging ik na verloop van veertien jaar
weder naar Jeruzalem met Barnabas en nam ook Titus mede; |
1 Then fourteen years after I went up again to Jerusalem with Barnabas,
and took Titus with [me] also. |
1 Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met
Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende. |
|
GL 2:2 en ik ging op grond van een openbaring. En ik legde hun het
evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig, afzonderlijk echter
aan hen, die in aanzien waren, opdat ik niet vruchteloos liep of gelopen
had. |
2 And I went up by revelation, and communicated unto them that gospel
which I preach among the Gentiles, but privately to them which were of
reputation, lest by any means I should run, or had run, in vain. |
2 En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor,
dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in
achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen
hebben. |
|
GL 2:3 Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd, ofschoon hij een Griek
was, toch niet gedwongen zich te laten besnijden; |
3 But neither Titus, who was with me, being a Greek, was compelled to
be circumcised: |
3 Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet
genoodzaakt zich te laten besnijden. |
|
GL 2:4 en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden,
die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus
hebben, te bespieden, en zo ons tot slavernij te brengen. |
4 And that because of false brethren unawares brought in, who came in
privily to spy out our liberty which we have in Christ Jesus, that they
might bring us into bondage: |
4 En [dat] om der ingekropen valse broederen wil, die van bezijden
ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus
hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen. |
|
GL 2:5 Wij zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan, opdat
de waarheid van het evangelie ook verder bij u zou blijven. |
5 To whom we gave place by subjection, no, not for an hour; that the
truth of the gospel might continue with you. |
5 Denwelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat
de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven. |
|
GL 2:6 Maar wat hen betreft, die in zeker aanzien waren - wat zij
vroeger geweest mogen zijn, doet er voor mij niets toe: God ziet de
persoon niet aan - mij immers hebben zij, die in aanzien waren, verder
niets opgelegd. |
6 But of these who seemed to be somewhat, (whatsoever they were, it
maketh no matter to me: God accepteth no man's person:) for they who
seemed [to be somewhat] in conference added nothing to me: |
6 En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij
eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt den persoon des mensen niet
aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. |
|
GL 2:7 Maar integendeel: toen zij zagen, dat mij de prediking van het
evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan
de besnedenen, |
7 But contrariwise, when they saw that the gospel of the uncircumcision
was committed unto me, as [the gospel] of the circumcision [was] unto
Peter; |
7 Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie der
voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus [dat] der besnijdenis; |
|
GL 2:8 - immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de
besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen, |
8 (For he that wrought effectually in Peter to the apostleship of the
circumcision, the same was mighty in me toward the Gentiles:) |
8 (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap der
besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); |
|
GL 2:9 - en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten,
reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en
Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de
besnedenen gaan. |
9 And when James, Cephas, and John, who seemed to be pillars, perceived
the grace that was given unto me, they gave to me and Barnabas the right
hands of fellowship; that we [should go] unto the heathen, and they unto
the circumcision. |
9 En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te
zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas
de rechter [hand] der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot
de besnijdenis [zouden gaan;] |
|
GL 2:10 Alleen moesten wij de armen blijven gedenken, en ik heb mij dan
ook beijverd dat vooral te doen. |
10 Only [they would] that we should remember the poor; the same which I
also was forward to do. |
10 Alleenlijk, dat wij den armen zouden gedenken; hetwelk zelf ik ook
benaarstigd heb te doen. |
|
GL 2:11 Maar toen Kefas te Antiochië gekomen was, heb ik mij openlijk
tegen hem verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant was. |
11 But when Peter was come to Antioch, I withstood him to the face,
because he was to be blamed. |
11 En toen Petrus te Antiochie gekomen was, wederstond ik hem in het
aangezicht, omdat hij te bestraffen was. |
|
GL 2:12 Want voordat sommigen uit de kring van Jakobus gekomen waren,
at hij met de heidenen aan één tafel, maar toen zij kwamen, trok hij
zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen. |
12 For before that certain came from James, he did eat with the
Gentiles: but when they were come, he withdrew and separated himself,
fearing them which were of the circumcision. |
12 Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de
heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij [zich] en scheidde
zichzelven af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren. |
|
GL 2:13 En [ook] de overige Joden huichelden met hem mede, zodat zelfs
Barnabas zich liet medeslepen door hun huichelarij. |
13 And the other Jews dissembled likewise with him; insomuch that
Barnabas also was carried away with their dissimulation. |
13 En ook de andere Joden veinsden met hem; alzo dat ook Barnabas mede
afgetrokken werd door hun veinzing. |
|
GL 2:14 Maar toen ik zag, dat zij niet de rechte weg bewandelden naar
de waarheid van het evangelie, zeide ik tot Kefas ten aanhoren van allen:
Indien gij, die een Jood zijt, naar heidens en niet naar Joods gebruik
leeft, hoe kunt gij dan de heidenen dwingen zich als Joden te gedragen? |
14 But when I saw that they walked not uprightly according to the truth
of the gospel, I said unto Peter before [them] all, If thou, being a Jew,
livest after the manner of Gentiles, and not as do the Jews, why
compellest thou the Gentiles to live as do the Jews? |
14 Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van
het Evangelie, zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij,
die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze,
waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven? |
|
GL 2:15 Wij, geboren Joden, en geen zondaars uit de heidenen, |
15 We [who are] Jews by nature, and not sinners of the Gentiles, |
15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen; |
|
GL 2:16 wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der
wet, maar door het geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof
in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in
Christus en niet uit werken der wet. Want uit werken der wet zal geen
vlees gerechtvaardigd worden. |
16 Knowing that a man is not justified by the works of the law, but by
the faith of Jesus Christ, even we have believed in Jesus Christ, that we
might be justified by the faith of Christ, and not by the works of the
law: for by the works of the law shall no flesh be justified. |
16 [Doch] wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken
der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in
Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het
geloof van Christus, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de
werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden. |
|
GL 2:17 Maar indien wij, trachtende in Christus gerechtvaardigd te
worden, ook zelf zijn gebleken zondaars te zijn, staat Christus dan in
dienst der zonde? Volstrekt niet. |
17 But if, while we seek to be justified by Christ, we ourselves also
are found sinners, [is] therefore Christ the minister of sin? God forbid. |
17 Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden,
ook zelven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der
zonde? Dat zij verre. |
|
GL 2:18 Immers, indien ik hetgeen ik afgebroken heb, weder opbouw,
bewijs ik daardoor, dat ik zelf een overtreder ben. |
18 For if I build again the things which I destroyed, I make myself a
transgressor. |
18 Want indien ik, hetgeen ik afgebroken heb, datzelve wederom opbouw,
zo stel ik mijzelven tot een overtreder. |
|
GL 2:19 Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te
leven. |
19 For I through the law am dead to the law, that I might live unto
God. |
19 Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou. |
|
GL 2:20 Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet
meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het
vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft
liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven. |
20 I am crucified with Christ: nevertheless I live; yet not I, but
Christ liveth in me: and the life which I now live in the flesh I live by
the faith of the Son of God, who loved me, and gave himself for me. |
20 Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, [doch] niet meer ik, maar
Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik
door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven
voor mij overgegeven heeft. |
|
GL 2:21 Ik ontneem aan de genade Gods haar kracht niet; want indien er
gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven. |
21 I do not frustrate the grace of God: for if righteousness [come] by
the law, then Christ is dead in vain. |
21 Ik doe de genade Gods niet te niet; want indien de rechtvaardigheid
door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven. |
|
GL 3:1 O, onverstandige Galaten, wie heeft u
betoverd, wie Jezus Christus toch als gekruisigde voor de ogen geschilderd
is? |
1 O foolish Galatians, who hath bewitched you, that ye should not obey
the truth, before whose eyes Jesus Christ hath been evidently set forth,
crucified among you? |
1 O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid
niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren
geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? |
|
GL 3:2 Dit alleen zou ik van u willen weten: Hebt gij de Geest
ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het
geloof? |
2 This only would I learn of you, Received ye the Spirit by the works
of the law, or by the hearing of faith? |
2 Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij den Geest ontvangen uit de
werken der wet, of uit de prediking des geloofs? |
|
GL 3:3 Zijt gij zó onverstandig? Gij zijt begonnen met de Geest,
eindigt gij nu met het vlees? |
3 Are ye so foolish? having begun in the Spirit, are ye now made
perfect by the flesh? |
3 Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt,
voleindigt gij nu met het vlees? |
|
GL 3:4 Was het dan tevergeefs, dat gij zoveel hebt ondervonden? Ware
het slechts tevergeefs! |
4 Have ye suffered so many things in vain? if [it be] yet in vain. |
4 Hebt gij zoveel tevergeefs geleden? Indien maar ook tevergeefs! |
|
GL 3:5 Die u de Geest schenkt en krachten onder u werkt, (doet Hij dit)
ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof? |
5 He therefore that ministereth to you the Spirit, and worketh miracles
among you, [doeth he it] by the works of the law, or by the hearing of
faith? |
5 Die u dan den Geest verleent, en krachten onder u werkt, [doet Hij
dat] uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? |
|
GL 3:6 Op dezelfde wijze heeft ook Abraham God geloofd en het is hem
tot gerechtigheid gerekend. |
6 Even as Abraham believed God, and it was accounted to him for
righteousness. |
6 Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot
rechtvaardigheid gerekend; |
|
GL 3:7 Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van
Abraham zijn. |
7 Know ye therefore that they which are of faith, the same are the
children of Abraham. |
7 Zo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams
kinderen zijn. |
|
GL 3:8 En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof
rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u
zullen alle volken gezegend worden. |
8 And the scripture, foreseeing that God would justify the heathen
through faith, preached before the gospel unto Abraham, [saying], In thee
shall all nations be blessed. |
8 En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof
zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd,
[zeggende:] In u zullen al de volken gezegend worden. |
|
GL 3:9 Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de
gelovige Abraham. |
9 So then they which be of faith are blessed with faithful Abraham. |
9 Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen
Abraham. |
|
GL 3:10 Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder
de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet
houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. |
10 For as many as are of the works of the law are under the curse: for
it is written, Cursed [is] every one that continueth not in all things
which are written in the book of the law to do them. |
10 Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den
vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft
in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. |
|
GL 3:11 En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is
duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. |
11 But that no man is justified by the law in the sight of God, [it is]
evident: for, The just shall live by faith. |
11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is
openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. |
|
GL 3:12 Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet,
zal daardoor leven. |
12 And the law is not of faith: but, The man that doeth them shall live
in them. |
12 Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen
doet, zal door dezelve leven. |
|
GL 3:13 Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor
ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder,
die aan het hout hangt. |
13 Christ hath redeemed us from the curse of the law, being made a
curse for us: for it is written, Cursed [is] every one that hangeth on a
tree: |
13 Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden
zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan
het hout hangt. |
|
GL 3:14 Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus
Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het
geloof. |
14 That the blessing of Abraham might come on the Gentiles through
Jesus Christ; that we might receive the promise of the Spirit through
faith. |
14 Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus
Jezus, [en] opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het
geloof. |
|
GL 3:15 Broeders, ik spreek op menselijke wijze: zelfs het testament
van een mens, dat rechtskracht verkregen heeft - niemand kan het ongeldig
maken of er iets aan toevoegen. |
15 Brethren, I speak after the manner of men; Though [it be] but a
man's covenant, yet [if it be] confirmed, no man disannulleth, or addeth
thereto. |
15 Broeders, ik spreek naar den mens: zelfs eens mensen verbond, dat
bevestigd is, doet niemand te niet, of [niemand] doet daartoe. |
|
GL 3:16 Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij
zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en
aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus. |
16 Now to Abraham and his seed were the promises made. He saith not,
And to seeds, as of many; but as of one, And to thy seed, which is Christ. |
16 Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij
zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade;
hetwelk is Christus. |
|
GL 3:17 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is
gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht
verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen
verliezen. |
17 And this I say, [that] the covenant, that was confirmed before of
God in Christ, the law, which was four hundred and thirty years after,
cannot disannul, that it should make the promise of none effect. |
17 En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op
Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen
is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen. |
|
GL 3:18 Immers, als de erfenis van de wet afhangt, dan niet van de
belofte; en juist door een belofte heeft God aan Abraham zijn gunst
bewezen. |
18 For if the inheritance [be] of the law, [it is] no more of promise:
but God gave [it] to Abraham by promise. |
18 Want indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de
beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk
gegeven. |
|
GL 3:19 Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken
is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg,
en zij is op last van (God) door engelen in de hand van een middelaar
gegeven. |
19 Wherefore then [serveth] the law? It was added because of
transgressions, till the seed should come to whom the promise was made;
[and it was] ordained by angels in the hand of a mediator. |
19 Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij
gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is
door de engelen besteld in de hand des Middelaars. |
|
GL 3:20 Een middelaar is niet (de vertegenwoordiger) van één; God
echter is één. |
20 Now a mediator is not [a mediator] of one, but God is one. |
20 En de Middelaar is niet [Middelaar] van een, maar God is een. |
|
GL 3:21 Is de wet dan in strijd met de beloften [Gods]? Volstrekt niet!
Want indien er een wet gegeven was, die levend kon maken, dan zou
inderdaad uit een wet de gerechtigheid voortgekomen zijn. |
21 [Is] the law then against the promises of God? God forbid: for if
there had been a law given which could have given life, verily
righteousness should have been by the law. |
21 Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want
indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou
waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn. |
|
GL 3:22 Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten
gevolge van het geloof in Jezus Christus de belofte het deel zou worden
van hen, die geloven. |
22 But the scripture hath concluded all under sin, that the promise by
faith of Jesus Christ might be given to them that believe. |
22 Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de
belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven
worden. |
|
GL 3:23 Doch voordat dit geloof kwam, werden wij onder de wet in
verzekerde bewaring gehouden met het oog op het geloof, dat geopenbaard
zou worden. |
23 But before faith came, we were kept under the law, shut up unto the
faith which should afterwards be revealed. |
23 Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring
gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou
worden. |
|
GL 3:24 De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus,
opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. |
24 Wherefore the law was our schoolmaster [to bring us] unto Christ,
that we might be justified by faith. |
24 Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij
uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. |
|
GL 3:25 Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de
tuchtmeester. |
25 But after that faith is come, we are no longer under a schoolmaster. |
25 Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den
tuchtmeester. |
|
GL 3:26 Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus
Jezus. |
26 For ye are all the children of God by faith in Christ Jesus. |
26 Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. |
|
GL 3:27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met
Christus bekleed. |
27 For as many of you as have been baptized into Christ have put on
Christ. |
27 Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus
aangedaan. |
|
GL 3:28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije,
van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus
Jezus. |
28 There is neither Jew nor Greek, there is neither bond nor free,
there is neither male nor female: for ye are all one in Christ Jesus. |
28 Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch
vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus
Jezus. |
|
GL 3:29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham,
en naar de belofte erfgenamen. |
29 And if ye [be] Christ's, then are ye Abraham's seed, and heirs
according to the promise. |
29 En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en
naar de beloftenis erfgenamen. |
|
GL 4:1 Ik bedoel dit: zolang de erfgenaam onmondig
is, verschilt hij in niets van een slaaf, al is hij ook eigenaar van
alles; |
1 Now I say, [That] the heir, as long as he is a child, differeth
nothing from a servant, though he be lord of all; |
1 Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo
verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van
alles; |
|
GL 4:2 maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip,
dat door zijn vader tevoren bepaald was. |
2 But is under tutors and governors until the time appointed of the
father. |
2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader
te voren gesteld. |
|
GL 4:3 Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de
wereldgeesten. |
3 Even so we, when we were children, were in bondage under the elements
of the world: |
3 Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar
gemaakt onder de eerste beginselen der wereld. |
|
GL 4:4 Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon
uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, |
4 But when the fulness of the time was come, God sent forth his Son,
made of a woman, made under the law, |
4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon
uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; |
|
GL 4:5 om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het
recht van zonen zouden verkrijgen. |
5 To redeem them that were under the law, that we might receive the
adoption of sons. |
5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, [en] opdat
wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. |
|
GL 4:6 En, dat gij zonen zijt - God heeft de Geest zijns Zoons
uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader. |
6 And because ye are sons, God hath sent forth the Spirit of his Son
into your hearts, crying, Abba, Father. |
6 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons
uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! |
|
GL 4:7 Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt,
dan zijt gij ook erfgenaam door God. |
7 Wherefore thou art no more a servant, but a son; and if a son, then
an heir of God through Christ. |
7 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien
gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus. |
|
GL 4:8 Maar in de tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden
gediend, die het in wezen niet zijn. |
8 Howbeit then, when ye knew not God, ye did service unto them which by
nature are no gods. |
8 Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van
nature geen goden zijn; |
|
GL 4:9 Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God
gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke
wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken? |
9 But now, after that ye have known God, or rather are known of God,
how turn ye again to the weak and beggarly elements, whereunto ye desire
again to be in bondage? |
9 En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert
gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van
voren aan wilt dienen? |
|
GL 4:10 Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar. |
10 Ye observe days, and months, and times, and years. |
10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. |
|
GL 4:11 Ik vrees, dat ik mij wellicht tevergeefs voor u ingespannen
heb. |
11 I am afraid of you, lest I have bestowed upon you labour in vain. |
11 Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid
heb. |
|
GL 4:12 Weest zoals ik, bid ik u, broeders, omdat ook ik ben zoals gij.
Gij hebt mij in geen enkel opzicht verongelijkt. |
12 Brethren, I beseech you, be as I [am]; for I [am] as ye [are]: ye
have not injured me at all. |
12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij
hebt mij geen ongelijk gedaan. |
|
GL 4:13 Ja, gij weet, dat ik aan u de eerste maal, omdat ik ziek
geworden was, het evangelie verkondigd heb, |
13 Ye know how through infirmity of the flesh I preached the gospel
unto you at the first. |
13 En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de
eerste maal verkondigd heb; |
|
GL 4:14 en toch hebt gij de verzoeking, die er voor u in mijn
lichamelijke toestand gelegen was, niet als iets verachtelijks beschouwd
of ertegen gespuwd, maar gij hebt mij ontvangen als een bode Gods, (ja),
als Christus Jezus. |
14 And my temptation which was in my flesh ye despised not, nor
rejected; but received me as an angel of God, [even] as Christ Jesus. |
14 En mijn verzoeking, die in mijn vlees [geschiedde,] hebt gij niet
veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als een engel Gods, [ja,]
als Christus Jezus. |
|
GL 4:15 Gij hebt u toen gelukkig geprezen; wat is daarvan over? Want ik
kan van u getuigen, dat gij, ware het mogelijk geweest, uw ogen uitgerukt
en ze mij gegeven zoudt hebben. |
15 Where is then the blessedness ye spake of? for I bear you record,
that, if [it had been] possible, ye would have plucked out your own eyes,
and have given them to me. |
15 Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij,
zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben. |
|
GL 4:16 Ben ik dus een vijand van u geworden, nu ik u de waarheid zeg? |
16 Am I therefore become your enemy, because I tell you the truth? |
16 Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende? |
|
GL 4:17 Zij zijn vol ijver voor u, maar niet op de juiste wijze, want
zij willen u buitensluiten, opdat gij vol ijver voor hen zoudt zijn. |
17 They zealously affect you, [but] not well; yea, they would exclude
you, that ye might affect them. |
17 Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat
gij over hen zoudt ijveren. |
|
GL 4:18 Nu is het goed, dat er ijver getoond wordt in het goede, mits
te allen tijde en niet alleen, wanneer ik bij u ben, |
18 But [it is] good to be zealously affected always in [a] good
[thing], and not only when I am present with you. |
18 Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet
alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben; |
|
GL 4:19 mijn kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta,
totdat Christus in u gestalte verkregen heeft; |
19 My little children, of whom I travail in birth again until Christ be
formed in you, |
19 Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus
een gestalte in u krijge. |
|
GL 4:20 ik zou wensen, dat ik op dit ogenblik bij u was en op een
andere toon kon spreken, want ik ben in zorg over u. |
20 I desire to be present with you now, and to change my voice; for I
stand in doubt of you. |
20 Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem mocht
veranderen; want ik ben in twijfel over u. |
|
GL 4:21 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet
naar de wet? |
21 Tell me, ye that desire to be under the law, do ye not hear the law? |
21 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet? |
|
GL 4:22 Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één
bij de slavin en één bij de vrije. |
22 For it is written, that Abraham had two sons, the one by a bondmaid,
the other by a freewoman. |
22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, een uit de
dienstmaagd, en een uit de vrije. |
|
GL 4:23 Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van
de vrije door de belofte. |
23 But he [who was] of the bondwoman was born after the flesh; but he
of the freewoman [was] by promise. |
23 Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren
geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis; |
|
GL 4:24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee
bedelingen: de ene van de berg Sinai, die slaven baart, dit is Hagar. |
24 Which things are an allegory: for these are the two covenants; the
one from the mount Sinai, which gendereth to bondage, which is Agar. |
24 Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de
twee verbonden; het ene van den berg Sinai, tot dienstbaarheid barende,
hetwelk is Agar; |
|
GL 4:25 Het (woord) Hagar betekent de berg Sinai in Arabië. Het staat
op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn
kinderen in slavernij. |
25 For this Agar is mount Sinai in Arabia, and answereth to Jerusalem
which now is, and is in bondage with her children. |
25 Want dit, [namelijk] Agar, is Sinai, een berg in Arabie, en komt
overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. |
|
GL 4:26 Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder. |
26 But Jerusalem which is above is free, which is the mother of us all. |
26 Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller
moeder. |
|
GL 4:27 Want er staat geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare, die niet
baart, breek uit en roep, gij die geen weeën kent; want talrijker zijn de
kinderen der eenzame dan van haar, die een man heeft. |
27 For it is written, Rejoice, [thou] barren that bearest not; break
forth and cry, thou that travailest not: for the desolate hath many more
children than she which hath an husband. |
27 Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet
baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen
der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft. |
|
GL 4:28 En gij, broeders, zijt, evenals Isaak, kinderen der belofte. |
28 Now we, brethren, as Isaac was, are the children of promise. |
28 Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was. |
|
GL 4:29 Maar zoals destijds hij, die naar het vlees verwekt was, hem,
die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu. |
29 But as then he that was born after the flesh persecuted him [that
was born] after the Spirit, even so [it is] now. |
29 Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde
dengene, die naar den Geest [geboren was], alzo ook nu. |
|
GL 4:30 Maar wat zegt het schriftwoord? Zend de slavin weg met haar
zoon, want de zoon der slavin zal in geen geval erven met de zoon der
vrije. |
30 Nevertheless what saith the scripture? Cast out the bondwoman and
her son: for the son of the bondwoman shall not be heir with the son of
the freewoman. |
30 Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want
de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. |
|
GL 4:31 Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen ener slavin, maar van
de vrije. |
31 So then, brethren, we are not children of the bondwoman, but of the
free. |
31 Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der
vrije. |
|
GL 5:1 Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft
Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een
slavenjuk opleggen. |
1 Stand fast therefore in the liberty wherewith Christ hath made us
free, and be not entangled again with the yoke of bondage. |
1 Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft,
en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. |
|
GL 5:2 Zie, ik, Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal
Christus u geen nut doen. |
2 Behold, I Paul say unto you, that if ye be circumcised, Christ shall
profit you nothing. |
2 Ziet, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet
nut zal zijn. |
|
GL 5:3 Nogmaals betuig ik aan ieder, die zich laat besnijden, dat hij
verplicht is de gehele wet na te komen. |
3 For I testify again to every man that is circumcised, that he is a
debtor to do the whole law. |
3 En ik betuig wederom een iegelijk mens, die zich laat besnijden, dat
hij een schuldenaar is de gehele wet te doen. |
|
GL 5:4 Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid
verwacht; buiten de genade staat gij. |
4 Christ is become of no effect unto you, whosoever of you are
justified by the law; ye are fallen from grace. |
4 Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd [wilt]
worden; gij zijt van de genade vervallen. |
|
GL 5:5 Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de
gerechtigheid, waarop wij hopen. |
5 For we through the Spirit wait for the hope of righteousness by
faith. |
5 Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der
rechtvaardigheid. |
|
GL 5:6 Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch
onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende. |
6 For in Jesus Christ neither circumcision availeth any thing, nor
uncircumcision; but faith which worketh by love. |
6 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch
voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. |
|
GL 5:7 Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de
waarheid niet meer gehoorzaamt? |
7 Ye did run well; who did hinder you that ye should not obey the
truth? |
7 Gij liept wel; wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoorzaam te
zijn? |
|
GL 5:8 Die overreding kwam niet van Hem, die u roept. |
8 This persuasion [cometh] not of him that calleth you. |
8 Dit gevoelen is niet uit Hem, Die u roept. |
|
GL 5:9 Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur. |
9 A little leaven leaveneth the whole lump. |
9 Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg. |
|
GL 5:10 Ik voor mij ben van u overtuigd in de Here, dat gij geen andere
mening zult hebben. Maar wie u in verwarring brengt, zal zijn straf hebben
te dragen, wie hij ook zij. |
10 I have confidence in you through the Lord, that ye will be none
otherwise minded: but he that troubleth you shall bear his judgment,
whosoever he be. |
10 Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen;
maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. |
|
GL 5:11 Wat mij echter betreft, broeders, indien ik nog de besnijdenis
predik, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan is immers het aanstotelijke
van het kruis van kracht beroofd. |
11 And I, brethren, if I yet preach circumcision, why do I yet suffer
persecution? then is the offence of the cross ceased. |
11 Maar ik, broeders! Indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word
ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis des kruises vernietigd. |
|
GL 5:12 Zij moesten zich maar laten snijden, die u verontrusten! |
12 I would they were even cut off which trouble you. |
12 Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken! |
|
GL 5:13 Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; (gebruikt)
echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient
elkander door de liefde. |
13 For, brethren, ye have been called unto liberty; only [use] not
liberty for an occasion to the flesh, but by love serve one another. |
13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk [gebruikt]
de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door
de liefde. |
|
GL 5:14 Want de gehele wet is in één woord vervuld, in dit: gij zult
uw naaste liefhebben als uzelf. |
14 For all the law is fulfilled in one word, [even] in this; Thou shalt
love thy neighbour as thyself. |
14 Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, [namelijk] in dit:
Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. |
|
GL 5:15 Indien gij echter elkander bijt en vereet, ziet dan toe, dat
gij niet door elkander verslonden wordt. |
15 But if ye bite and devour one another, take heed that ye be not
consumed one of another. |
15 Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van
elkander niet verteerd wordt. |
|
GL 5:16 Dit bedoel ik: wandelt door de Geest en voldoet niet aan het
begeren van het vlees. |
16 [This] I say then, Walk in the Spirit, and ye shall not fulfil the
lust of the flesh. |
16 En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden
des vleses niet. |
|
GL 5:17 Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat
van de Geest tegen het vlees - want deze staan tegenover elkander - zodat
gij niet doet wat gij maar wenst. |
17 For the flesh lusteth against the Spirit, and the Spirit against the
flesh: and these are contrary the one to the other: so that ye cannot do
the things that ye would. |
17 Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees;
en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet. |
|
GL 5:18 Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij
niet onder de wet. |
18 But if ye be led of the Spirit, ye are not under the law. |
18 Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder
de wet. |
|
GL 5:19 Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij,
onreinheid, losbandigheid, |
19 Now the works of the flesh are manifest, which are [these];
Adultery, fornication, uncleanness, lasciviousness, |
19 De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel,
hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, |
|
GL 5:20 afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van
toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, |
20 Idolatry, witchcraft, hatred, variance, emulations, wrath, strife,
seditions, heresies, |
20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden,
toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, |
|
GL 5:21 nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u
waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen
bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. |
21 Envyings, murders, drunkenness, revellings, and such like: of the
which I tell you before, as I have also told [you] in time past, that they
which do such things shall not inherit the kingdom of God. |
21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van
dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die
zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beerven. |
|
GL 5:22 Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede,
lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, |
22 But the fruit of the Spirit is love, joy, peace, longsuffering,
gentleness, goodness, faith, |
22 Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede,
lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, |
|
zachtmoedigheid, zelfbeheersing. |
23 Meekness, temperance: |
zachtmoedigheid, matigheid. |
|
GL 5:23 Tegen zodanige mensen is de wet niet. |
against such there is no law. |
23 Tegen de zodanigen is de wet niet. |
|
GL 5:24 Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn
hartstochten en begeerten gekruisigd. |
24 And they that are Christ's have crucified the flesh with the
affections and lusts. |
24 Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de
bewegingen en begeerlijkheden. |
|
GL 5:25 Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het
spoor houden. |
25 If we live in the Spirit, let us also walk in the Spirit. |
25 Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest
wandelen. |
|
GL 5:26 Wij moeten niet praalziek zijn, elkander tartend, elkander
benijdend. |
26 Let us not be desirous of vain glory, provoking one another, envying
one another. |
26 Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende,
elkander benijdende. |
|
GL 6:1 Broeders, zelfs indien iemand op een
overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in
een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in
verzoeking komen. |
1 Brethren, if a man be overtaken in a fault, ye which are spiritual,
restore such an one in the spirit of meekness; considering thyself, lest
thou also be tempted. |
1 Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij,
die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der
zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. |
|
GL 6:2 Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van
Christus vervullen. |
2 Bear ye one another's burdens, and so fulfil the law of Christ. |
2 Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus. |
|
GL 6:3 Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet
is, dan vergist hij zich zeer. |
3 For if a man think himself to be something, when he is nothing, he
deceiveth himself. |
3 Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt
zichzelven in [zijn] gemoed. |
|
GL 6:4 Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts voor
zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander. |
4 But let every man prove his own work, and then shall he have
rejoicing in himself alone, and not in another. |
4 Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan
zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen. |
|
GL 6:5 Want ieder zal zijn eigen last dragen. |
5 For every man shall bear his own burden. |
5 Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. |
|
GL 6:6 En hij, die onderricht wordt in het woord, dele van alle goed
mede aan wie dat onderricht geeft. |
6 Let him that is taught in the word communicate unto him that teacheth
in all good things. |
6 En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen
dengene, die [hem] onderwijst. |
|
GL 6:7 Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens
zaait, zal hij ook oogsten. |
7 Be not deceived; God is not mocked: for whatsoever a man soweth, that
shall he also reap. |
7 Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait,
dat zal hij ook maaien. |
|
GL 6:8 Want wie op (de akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees
verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de Geest zaait, zal uit de
Geest eeuwig leven oogsten. |
8 For he that soweth to his flesh shall of the flesh reap corruption;
but he that soweth to the Spirit shall of the Spirit reap life
everlasting. |
8 Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis
maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven
maaien. |
|
GL 6:9 Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het
eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. |
9 And let us not be weary in well doing: for in due season we shall
reap, if we faint not. |
9 Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd
zullen wij maaien, zo wij niet verslappen. |
|
GL 6:10 Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is
voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten. |
10 As we have therefore opportunity, let us do good unto all [men],
especially unto them who are of the household of faith. |
10 Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar
meest aan de huisgenoten des geloofs. |
|
GL 6:11 Ziet, met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf! |
11 Ye see how large a letter I have written unto you with mine own
hand. |
11 Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand. |
|
GL 6:12 Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te
dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille
van het kruis van Christus [Jezus]. |
12 As many as desire to make a fair shew in the flesh, they constrain
you to be circumcised; only lest they should suffer persecution for the
cross of Christ. |
12 Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die
noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van
Christus niet zouden vervolgd worden. |
|
GL 6:13 Want zij, die zich laten besnijden, houden zelf niet eens de
wet, doch zij willen, dat gij u laat besnijden, opdat zij op uw vlees roem
kunnen dragen. |
13 For neither they themselves who are circumcised keep the law; but
desire to have you circumcised, that they may glory in your flesh. |
13 Want ook zijzelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar
zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden. |
|
GL 6:14 Maar ik moge ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het
kruis van onze Here Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is
en ik der wereld. |
14 But God forbid that I should glory, save in the cross of our Lord
Jesus Christ, by whom the world is crucified unto me, and I unto the
world. |
14 Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het
kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd
is, en ik der wereld. |
|
GL 6:15 Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar
of men een nieuwe schepping is. |
15 For in Christ Jesus neither circumcision availeth any thing, nor
uncircumcision, but a new creature. |
15 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch
voorhuid, maar een nieuw schepsel. |
|
GL 6:16 En allen, die zich naar die regel zullen richten - vrede en
barmhartigheid kome over hen, en ook over het Israël Gods. |
16 And as many as walk according to this rule, peace [be] on them, and
mercy, and upon the Israel of God. |
16 En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve
[zal zijn] vrede en barmhartigheid, en over het Israel Gods. |
|
GL 6:17 Overigens valle niemand mij lastig, want ik draag de littekenen
van Jezus in mijn lichaam. |
17 From henceforth let no man trouble me: for I bear in my body the
marks of the Lord Jesus. |
17 Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van
den Heere Jezus in mijn lichaam. |
|
GL 6:18 De genade van onze Here Jezus Christus zij met uw geest,
broeders! Amen. |
18 Brethren, the grace of our Lord Jesus Christ [be] with your spirit.
Amen. |
18 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders!
Amen. |
| |
[To [the] Galatians written from Rome.] |
|