Ezra

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

NED. BIJBELGENOOTSCHAP 1951

KING JAMES VERSION 1611

STATENBIJBEL 1637

EA 1:1 In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de HERE, opdat het woord des HEREN, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzië, op, om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte, deze oproep te doen uitgaan:

1 Now in the first year of Cyrus king of Persia, that the word of the LORD by the mouth of Jeremiah might be fulfilled, the LORD stirred up the spirit of Cyrus king of Persia, that he made a proclamation throughout all his kingdom, and [put it] also in writing, saying,

1 In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzie, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, uit den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzie, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:

EA 1:2 Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda.

2 Thus saith Cyrus king of Persia, The LORD God of heaven hath given me all the kingdoms of the earth; and he hath charged me to build him an house at Jerusalem, which [is] in Judah.

2 Zo zegt Kores, koning van Perzie: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is.

EA 1:3 Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort - zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwe het huis van de HERE, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont.

3 Who [is there] among you of all his people? his God be with him, and let him go up to Jerusalem, which [is] in Judah, and build the house of the LORD God of Israel, (he [is] the God,) which [is] in Jerusalem.

3 Wie is onder ulieden van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis des HEEREN, des Gods van Israel; Hij is de God, Die te Jeruzalem [woont].

EA 1:4 En ieder die overgebleven is, van welke plaats ook, waar hij als vreemdeling vertoeft, die moeten zijn plaatsgenoten ondersteunen met zilver en goud, met have en vee, behalve de vrijwillige gave voor het huis van de God, die in Jeruzalem woont.

4 And whosoever remaineth in any place where he sojourneth, let the men of his place help him with silver, and with gold, and with goods, and with beasts, beside the freewill offering for the house of God that [is] in Jerusalem.

4 En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, dien zullen de lieden zijner plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met have, en met beesten; benevens een vrijwillige gave, voor het huis Gods, Die te Jeruzalem [woont].

EA 1:5 Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de priesters en de Levieten, zich gereed, allen wier geest God had gewekt om op te trekken teneinde het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont, te bouwen.

5 Then rose up the chief of the fathers of Judah and Benjamin, and the priests, and the Levites, with all [them] whose spirit God had raised, to go up to build the house of the LORD which [is] in Jerusalem.

5 Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesteren en de Levieten, benevens een iegelijk, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des HEEREN, die te Jeruzalem [woont].

EA 1:6 En allen die rondom hen woonden, hielpen hen met zilveren voorwerpen, met goud, have en vee, en met kostbaarheden, behalve alles wat men vrijwillig gaf.

6 And all they that [were] about them strengthened their hands with vessels of silver, with gold, with goods, and with beasts, and with precious things, beside all [that] was willingly offered.

6 Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met have, en met beesten, en met kostelijkheden; behalve alles, wat vrijwillig gegeven werd.

EA 1:7 Ook liet koning Kores het gerei van het huis des HEREN, dat Nebukadnessar uit Jeruzalem had weggevoerd en in de tempels van zijn goden had geplaatst, te voorschijn brengen.

7 Also Cyrus the king brought forth the vessels of the house of the LORD, which Nebuchadnezzar had brought forth out of Jerusalem, and had put them in the house of his gods;

7 Ook bracht de koning Kores uit, de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnezar uit Jeruzalem had uitgevoerd, en had gesteld in het huis zijns gods.

EA 1:8 Kores, de koning van Perzië, liet het te voorschijn brengen onder toezicht van Mitredat, de schatmeester, en deze telde het uit voor Sesbassar, de vorst van Juda.

8 Even those did Cyrus king of Persia bring forth by the hand of Mithredath the treasurer, and numbered them unto Sheshbazzar, the prince of Judah.

8 En Kores, de koning van Perzie, bracht ze uit door de hand van Mithredath, den schatmeester, die ze aan Sesbazar, den vorst van Juda, toetelde.

EA 1:9 Dit was hun aantal: dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen,

9 And this [is] the number of them: thirty chargers of gold, a thousand chargers of silver, nine and twenty knives,

9 En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen;

EA 1:10 dertig gouden bekers, verder vierhonderd en tien zilveren bekers, duizend andere voorwerpen.

10 Thirty basons of gold, silver basons of a second [sort] four hundred and ten, [and] other vessels a thousand.

10 Dertig gouden bekers, vierhonderd en tien andere zilveren bekers; andere vaten, duizend.

EA 1:11 Alle voorwerpen van goud en zilver waren vijfduizend vierhonderd. Dit alles voerde Sesbassar mede, toen de ballingen uit Babel naar Jeruzalem werden gebracht.

11 All the vessels of gold and of silver [were] five thousand and four hundred. All [these] did Sheshbazzar bring up with [them of] the captivity that were brought up from Babylon unto Jerusalem.

11 Alle vaten van goud en van zilver waren vijf duizend en vierhonderd; deze alle voerde Sesbazar op, met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem.

EA 2:1 Dit nu zijn de bewoners van het gewest, die optrokken uit het midden van de in ballingschap weggevoerden, welke Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Babel had weggevoerd, en die terugkeerden naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn stad;

1 Now these [are] the children of the province that went up out of the captivity, of those which had been carried away, whom Nebuchadnezzar the king of Babylon had carried away unto Babylon, and came again unto Jerusalem and Judah, every one unto his city;

1 Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad;

EA 2:2 welke medekwamen met Zerubbabel, Jesua, Nechemja, Seraja, Reëlaja, Mordekai, Bilsan, Mispar, Bigwai, Rechum en Baäna. Aantal van de mannen van het volk Israël:

2 Which came with Zerubbabel: Jeshua, Nehemiah, Seraiah, Reelaiah, Mordecai, Bilshan, Mispar, Bigvai, Rehum, Baanah. The number of the men of the people of Israel:

2 Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum [en] Baena. [Dit] is het getal der mannen des volks van Israel.

EA 2:3 de zonen van Paros: tweeduizend honderd tweeënzeventig;

3 The children of Parosh, two thousand an hundred seventy and two.

3 De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.

EA 2:4 de zonen van Sefatja: driehonderd tweeënzeventig;

4 The children of Shephatiah, three hundred seventy and two.

4 De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.

EA 2:5 de zonen van Arach: zevenhonderd vijfenzeventig;

5 The children of Arah, seven hundred seventy and five.

5 De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.

EA 2:6 de zonen van Pachat-Moab, en wel de zonen van Jesua (en) Joab: tweeduizend achthonderd twaalf;

6 The children of Pahathmoab, of the children of Jeshua [and] Joab, two thousand eight hundred and twelve.

6 De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.

EA 2:7 de zonen van Elam: duizend tweehonderd vierenvijftig;

7 The children of Elam, a thousand two hundred fifty and four.

7 De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

EA 2:8 de zonen van Zattu: negenhonderd vijfenveertig;

8 The children of Zattu, nine hundred forty and five.

8 De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.

EA 2:9 de zonen van Zakkai: zevenhonderd zestig;

9 The children of Zaccai, seven hundred and threescore.

9 De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.

EA 2:10 de zonen van Bani: zeshonderd tweeënveertig;

10 The children of Bani, six hundred forty and two.

10 De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.

EA 2:11 de zonen van Bebai: zeshonderd drieëntwintig;

11 The children of Bebai, six hundred twenty and three.

11 De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.

EA 2:12 de zonen van Azgad: duizend tweehonderd tweeëntwintig;

12 The children of Azgad, a thousand two hundred twenty and two.

12 De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.

EA 2:13 de zonen van Adonikam: zeshonderd zesenzestig;

13 The children of Adonikam, six hundred sixty and six.

13 De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.

EA 2:14 de zonen van Bigwai: tweeduizend zesenvijftig;

14 The children of Bigvai, two thousand fifty and six.

14 De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.

EA 2:15 de zonen van Adin: vierhonderd vierenvijftig;

15 The children of Adin, four hundred fifty and four.

15 De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.

EA 2:16 de zonen van Ater, en wel Jechizkia: achtennegentig;

16 The children of Ater of Hezekiah, ninety and eight.

16 De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.

EA 2:17 de zonen van Besai: driehonderd drieëntwintig;

17 The children of Bezai, three hundred twenty and three.

17 De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.

EA 2:18 de zonen van Jora: honderd twaalf;

18 The children of Jorah, an hundred and twelve.

18 De kinderen van Jora, honderd en twaalf.

EA 2:19 de zonen van Chasum: tweehonderd drieëntwintig;

19 The children of Hashum, two hundred twenty and three.

19 De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.

EA 2:20 de zonen van Gibbar: vijfennegentig;

20 The children of Gibbar, ninety and five.

20 De kinderen van Gibbar, vijf en negentig.

EA 2:21 de zonen van Betlehem: honderd drieëntwintig;

21 The children of Bethlehem, an hundred twenty and three.

21 De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.

EA 2:22 de mannen van Netofa: zesenvijftig;

22 The men of Netophah, fifty and six.

22 De mannen van Netofa, zes en vijftig.

EA 2:23 de mannen van Anatot: honderd achtentwintig;

23 The men of Anathoth, an hundred twenty and eight.

23 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.

EA 2:24 de zonen van Azmawet: tweeënveertig;

24 The children of Azmaveth, forty and two.

24 De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.

EA 2:25 de zonen van Kirjat-Arim, Kefira en Beërot: zevenhonderd drieënveertig;

25 The children of Kirjatharim, Chephirah, and Beeroth, seven hundred and forty and three.

25 De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.

EA 2:26 de zonen van Rama en Geba: zeshonderd eenentwintig;

26 The children of Ramah and Gaba, six hundred twenty and one.

26 De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.

EA 2:27 de mannen van Mikmas: honderd tweeëntwintig;

27 The men of Michmas, an hundred twenty and two.

27 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.

EA 2:28 de mannen van Betel en Ai: tweehonderd drieëntwintig;

28 The men of Bethel and Ai, two hundred twenty and three.

28 De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.

EA 2:29 de zonen van Nebo: tweeënvijftig;

29 The children of Nebo, fifty and two.

29 De kinderen van Nebo, twee en vijftig.

EA 2:30 de zonen van Magbis: honderd zesenvijftig;

30 The children of Magbish, an hundred fifty and six.

30 De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.

EA 2:31 de zonen van de andere Elam: duizend tweehonderd vierenvijftig;

31 The children of the other Elam, a thousand two hundred fifty and four.

31 De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

EA 2:32 de zonen van Charim: driehonderd twintig;

32 The children of Harim, three hundred and twenty.

32 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.

EA 2:33 de zonen van Lod, Chadid en Ono: zevenhonderd vijfentwintig;

33 The children of Lod, Hadid, and Ono, seven hundred twenty and five.

33 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.

EA 2:34 de zonen van Jericho: driehonderd vijfenveertig;

34 The children of Jericho, three hundred forty and five.

34 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.

EA 2:35 de zonen van Senaä: drieduizend zeshonderd dertig.

35 The children of Senaah, three thousand and six hundred and thirty.

35 De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig.

EA 2:36 De priesters: de zonen van Jedaja, en wel het huis van Jesua: negenhonderd drieënzeventig;

36 The priests: the children of Jedaiah, of the house of Jeshua, nine hundred seventy and three.

36 De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig.

EA 2:37 de zonen van Immer: duizend tweeënvijftig;

37 The children of Immer, a thousand fifty and two.

37 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.

EA 2:38 de zonen van Paschur: duizend tweehonderd zevenenveertig;

38 The children of Pashur, a thousand two hundred forty and seven.

38 De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.

EA 2:39 de zonen van Charim: duizend zeventien.

39 The children of Harim, a thousand and seventeen.

39 De kinderen van Harim, duizend en zeventien.

EA 2:40 De Levieten: de zonen van Jesua en Kadmiël, en wel de zonen van Hodawja, vierenzeventig.

40 The Levites: the children of Jeshua and Kadmiel, of the children of Hodaviah, seventy and four.

40 De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.

EA 2:41 De zangers: de zonen van Asaf: honderd achtentwintig.

41 The singers: the children of Asaph, an hundred twenty and eight.

41 De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig.

EA 2:42 De poortwachters: de zonen van Sallum, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkub, de zonen van Chatita, de zonen van Sobai: in het geheel honderd negenendertig.

42 The children of the porters: the children of Shallum, the children of Ater, the children of Talmon, the children of Akkub, the children of Hatita, the children of Shobai, [in] all an hundred thirty and nine.

42 De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.

EA 2:43 De tempelhorigen: de zonen van Sicha, de zonen van Chasufa, de zonen van Tabbaot;

43 The Nethinims: the children of Ziha, the children of Hasupha, the children of Tabbaoth,

43 De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

EA 2:44 de zonen van Keros, de zonen van Siaha, de zonen van Padon;

44 The children of Keros, the children of Siaha, the children of Padon,

44 De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;

EA 2:45 de zonen van Lebana, de zonen van Chagaba, de zonen van Akkub;

45 The children of Lebanah, the children of Hagabah, the children of Akkub,

45 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub;

EA 2:46 de zonen van Chagab, de zonen van Samlai, de zonen van Chanan;

46 The children of Hagab, the children of Shalmai, the children of Hanan,

46 De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;

EA 2:47 de zonen van Giddel, de zonen van Gachar, de zonen van Reaja;

47 The children of Giddel, the children of Gahar, the children of Reaiah,

47 De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;

EA 2:48 de zonen van Resin, de zonen van Nekoda, de zonen van Gazzam;

48 The children of Rezin, the children of Nekoda, the children of Gazzam,

48 De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;

EA 2:49 de zonen van Uzza, de zonen van Paseach, de zonen van Besai;

49 The children of Uzza, the children of Paseah, the children of Besai,

49 De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;

EA 2:50 de zonen van Asna, de zonen van Meünim, de zonen van Nefussim;

50 The children of Asnah, the children of Mehunim, the children of Nephusim,

50 De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;

EA 2:51 de zonen van Bakbuk, de zonen van Chakufa, de zonen van Charchur;

51 The children of Bakbuk, the children of Hakupha, the children of Harhur,

51 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

EA 2:52 de zonen van Baslut, de zonen van Mechida, de zonen van Charsa;

52 The children of Bazluth, the children of Mehida, the children of Harsha,

52 De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

EA 2:53 de zonen van Barkos, de zonen van Sisera, de zonen van Temach;

53 The children of Barkos, the children of Sisera, the children of Thamah,

53 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

EA 2:54 de zonen van Nesiach, de zonen van Chatifa.

54 The children of Neziah, the children of Hatipha.

54 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.

EA 2:55 De nakomelingen van Salomo's knechten: de zonen van Sotai, de zonen van Soferet, de zonen van Peruda;

55 The children of Solomon's servants: the children of Sotai, the children of Sophereth, the children of Peruda,

55 De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda;

EA 2:56 de zonen van Jaäla, de zonen van Darkon, de zonen van Giddel;

56 The children of Jaalah, the children of Darkon, the children of Giddel,

56 De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;

EA 2:57 de zonen van Sefatja, de zonen van Chattil, de zonen van Pokeret-Hassebaïm, de zonen van Ami.

57 The children of Shephatiah, the children of Hattil, the children of Pochereth of Zebaim, the children of Ami.

57 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.

EA 2:58 Al de tempelhorigen en nakomelingen van Salomo's knechten: driehonderd tweeënnegentig.

58 All the Nethinims, and the children of Solomon's servants, [were] three hundred ninety and two.

58 Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

EA 2:59 En dit zijn degenen die optrokken uit Tel-Melach, Tel-Charsa, Kerub, Addan en Immer - zij konden echter niet aantonen, of hun familie en nakomelingschap tot Israël behoorden -:

59 And these [were] they which went up from Telmelah, Telharsa, Cherub, Addan, [and] Immer: but they could not shew their father's house, and their seed, whether they [were] of Israel:

59 Dezen togen ook op van Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan [en] Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren.

EA 2:60 de zonen van Delaja, de zonen van Tobia, de zonen van Nekoda, zeshonderd tweeënvijftig;

60 The children of Delaiah, the children of Tobiah, the children of Nekoda, six hundred fifty and two.

60 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.

EA 2:61 en van de priesterzonen: de zonen van Chobaja, de zonen van Hakkos, de zonen van Barzillai, die een van de dochters van de Gileadiet Barzillai tot vrouw genomen had en naar hun naam genoemd was.

61 And of the children of the priests: the children of Habaiah, the children of Koz, the children of Barzillai; which took a wife of the daughters of Barzillai the Gileadite, and was called after their name:

61 En van de kinderen der priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was.

EA 2:62 Dezen zochten naar het schriftelijk bewijs, dat zij ingeschreven waren in het register, maar daar zij er niet in te vinden waren, werden zij van het priesterschap uitgesloten,

62 These sought their register [among] those that were reckoned by genealogy, but they were not found: therefore were they, as polluted, put from the priesthood.

62 Dezen zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.

EA 2:63 en de stadhouder deed aangaande hen de uitspraak, dat zij van het allerheiligste niet mochten eten, totdat een priester zou optreden met Urim en Tummim.

63 And the Tirshatha said unto them, that they should not eat of the most holy things, till there stood up a priest with Urim and with Thummim.

63 En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim.

EA 2:64 De gehele gemeente tezamen was tweeënveertigduizend driehonderd zestig,

64 The whole congregation together [was] forty and two thousand three hundred [and] threescore,

64 Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd [en] zestig.

EA 2:65 afgezien van hun slaven en slavinnen, van welke er zevenduizend driehonderd zevenendertig waren; zangers en zangeressen hadden zij tweehonderd.

65 Beside their servants and their maids, of whom [there were] seven thousand three hundred thirty and seven: and [there were] among them two hundred singing men and singing women.

65 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.

EA 2:66 Zij hadden zevenhonderd zesendertig paarden, tweehonderd vijfenveertig muildieren,

66 Their horses [were] seven hundred thirty and six; their mules, two hundred forty and five;

66 Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;

EA 2:67 vierhonderd vijfendertig kamelen, zesduizend zevenhonderd twintig ezels.

67 Their camels, four hundred thirty and five; [their] asses, six thousand seven hundred and twenty.

67 Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig.

EA 2:68 Enige van de familiehoofden schonken, toen zij bij het huis des HEREN, dat te Jeruzalem is, aankwamen, vrijwillige gaven voor het huis Gods, om het weder op te richten op zijn plaats;

68 And [some] of the chief of the fathers, when they came to the house of the LORD which [is] at Jerusalem, offered freely for the house of God to set it up in his place:

68 En [sommigen] van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten huize des HEEREN, die te Jeruzalem [woont], gaven vrijwilliglijk ten huize Gods, om dat te zetten op zijn vaste plaats.

EA 2:69 naar hun vermogen droegen zij bij tot de schat, benodigd voor het werk: aan goud eenenzestigduizend drachmen, aan zilver vijfduizend minen, en honderd priesteronderklederen.

69 They gave after their ability unto the treasure of the work threescore and one thousand drams of gold, and five thousand pound of silver, and one hundred priests' garments.

69 Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des werks, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken.

EA 2:70 De priesters nu en de Levieten, alsook sommigen van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempelhorigen, gingen wonen in hun steden, en alle andere Israëlieten in hun steden.

70 So the priests, and the Levites, and [some] of the people, and the singers, and the porters, and the Nethinims, dwelt in their cities, and all Israel in their cities.

70 En de priesters en de Levieten, en [sommigen] uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.

EA 3:1 Toen nu de zevende maand aanbrak, terwijl de Israëlieten in hun steden waren, verzamelde het volk zich als één man te Jeruzalem.

1 And when the seventh month was come, and the children of Israel [were] in the cities, the people gathered themselves together as one man to Jerusalem.

1 Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.

EA 3:2 En Jesua, de zoon van Josadak, met zijn broeders, de priesters, en ook Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, met zijn broeders, maakten zich op en bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandoffers te offeren, zoals voorgeschreven is in de wet van Mozes, de man Gods.

2 Then stood up Jeshua the son of Jozadak, and his brethren the priests, and Zerubbabel the son of Shealtiel, and his brethren, and builded the altar of the God of Israel, to offer burnt offerings thereon, as [it is] written in the law of Moses the man of God.

2 En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.

EA 3:3 Zij richtten het altaar op zijn fundamenten op, want vrees voor de volken der landen was over hen gekomen, en zij offerden daarop brandoffers voor de HERE, brandoffers voor de morgen en voor de avond.

3 And they set the altar upon his bases; for fear [was] upon them because of the people of those countries: and they offered burnt offerings thereon unto the LORD, [even] burnt offerings morning and evening.

3 En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, [die] over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.

EA 3:4 Ook vierden zij het loofhuttenfeest, zoals voorgeschreven is, en brachten dag aan dag brandoffers in het vereiste aantal, dagelijks het voor die dag vastgestelde;

4 They kept also the feast of tabernacles, as [it is] written, and [offered] the daily burnt offerings by number, according to the custom, as the duty of every day required;

4 En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en [zij] [offerden] brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.

EA 3:5 en van toen af ook het dagelijks brandoffer, en dat voor de nieuwe maanden en voor al de heilige feesten des HEREN, en voor ieder die de HERE een vrijwillig offer bracht.

5 And afterward [offered] the continual burnt offering, both of the new moons, and of all the set feasts of the LORD that were consecrated, and of every one that willingly offered a freewill offering unto the LORD.

5 Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde.

EA 3:6 Van de eerste dag der zevende maand af begonnen zij de HERE brandoffers te offeren; het fundament van de tempel des HEREN was echter nog niet gelegd.

6 From the first day of the seventh month began they to offer burnt offerings unto the LORD. But the foundation of the temple of the LORD was not [yet] laid.

6 Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den HEERE brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des HEEREN was niet gelegd.

EA 3:7 En zij gaven geld aan de steenhouwers en de timmerlieden, en spijs en drank en olie aan de Sidoniërs en de Tyriërs, om cederhout van de Libanon naar de zee van Jafo te brengen, zoals Kores, de koning van Perzië, hun had toegestaan.

7 They gave money also unto the masons, and to the carpenters; and meat, and drink, and oil, unto them of Zidon, and to them of Tyre, to bring cedar trees from Lebanon to the sea of Joppa, according to the grant that they had of Cyrus king of Persia.

7 Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen.

EA 3:8 In het tweede jaar na hun aankomst bij het huis Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, met hun overige broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem gekomen waren, de Levieten aan te stellen van twintig jaar en daarboven om toezicht te houden op het werk aan het huis des HEREN.

8 Now in the second year of their coming unto the house of God at Jerusalem, in the second month, began Zerubbabel the son of Shealtiel, and Jeshua the son of Jozadak, and the remnant of their brethren the priests and the Levites, and all they that were come out of the captivity unto Jerusalem; and appointed the Levites, from twenty years old and upward, to set forward the work of the house of the LORD.

8 In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.

EA 3:9 Zo traden dan Jesua met zijn zonen en broeders, en Kadmiël met zijn zonen, Judeeërs, tezamen op, om toezicht te houden op hen die het werk aan het huis Gods verrichtten; ook de zonen van Chenadad, hun zonen en broeders, de Levieten.

9 Then stood Jeshua [with] his sons and his brethren, Kadmiel and his sons, the sons of Judah, together, to set forward the workmen in the house of God: the sons of Henadad, [with] their sons and their brethren the Levites.

9 Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, [en] Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een [man], om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.

EA 3:10 Toen nu de bouwlieden het fundament van de tempel des HEREN legden, stelden zij de priesters op, gekleed in ambtsgewaad, met trompetten, en de Levieten, de zonen van Asaf, met cimbalen, om de HERE te loven naar de aanwijzing van David, de koning van Israël.

10 And when the builders laid the foundation of the temple of the LORD, they set the priests in their apparel with trumpets, and the Levites the sons of Asaph with cymbals, to praise the LORD, after the ordinance of David king of Israel.

10 Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel.

EA 3:11 Zij zongen beurtzangen van lof en prijs aan de HERE: want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid over Israël. En al het volk juichte met groot gejuich en loofde de HERE, omdat het fundament van het huis des HEREN gelegd was.

11 And they sang together by course in praising and giving thanks unto the LORD; because [he is] good, for his mercy [endureth] for ever toward Israel. And all the people shouted with a great shout, when they praised the LORD, because the foundation of the house of the LORD was laid.

11 En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN.

EA 3:12 Maar vele van de priesters, van de Levieten en van de familiehoofden, de ouden die het eerste huis hadden gezien, weenden luid, toen de grondlegging van dit huis voor hun ogen plaats had; terwijl velen de stem verhieven met gejuich en vreugdebetoon,

12 But many of the priests and Levites and chief of the fathers, [who were] ancient men, that had seen the first house, when the foundation of this house was laid before their eyes, wept with a loud voice; and many shouted aloud for joy:

12 Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich [en] met vreugde.

EA 3:13 zodat het volk het geluid van het vreugdegejuich niet onderscheiden kon van het geluid van het geween des volks, want het volk juichte met groot gejuich, zodat het geluid tot in de verte werd gehoord.

13 So that the people could not discern the noise of the shout of joy from the noise of the weeping of the people: for the people shouted with a loud shout, and the noise was heard afar off.

13 Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd.

EA 4:1 Toen de tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden, dat zij die in ballingschap waren geweest, een tempel voor de HERE, de God van Israël, bouwden,

1 Now when the adversaries of Judah and Benjamin heard that the children of the captivity builded the temple unto the LORD God of Israel;

1 Toen nu de wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen der gevangenis den HEERE, den God Israels, den tempel bouwden;

EA 4:2 kwamen zij tot Zerubbabel en de familiehoofden en zeiden tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij zoeken uw God evengoed als gij; Hem toch brengen ook wij offers sinds de dagen van Esarhaddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft doen optrekken.

2 Then they came to Zerubbabel, and to the chief of the fathers, and said unto them, Let us build with you: for we seek your God, as ye [do]; and we do sacrifice unto him since the days of Esarhaddon king of Assur, which brought us up hither.

2 Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-Haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.

EA 4:3 Maar Zerubbabel, Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het gaat niet aan, dat gij met ons een huis voor onze God bouwt, want wij alleen willen voor de HERE, de God van Israël, bouwen, zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden heeft.

3 But Zerubbabel, and Jeshua, and the rest of the chief of the fathers of Israel, said unto them, Ye have nothing to do with us to build an house unto our God; but we ourselves together will build unto the LORD God of Israel, as king Cyrus the king of Persia hath commanded us.

3 Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige hoofden der vaderen van Israel zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God Israels, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzie, ons geboden heeft.

EA 4:4 Toen ontmoedigde de bevolking des lands het volk van Juda en schrikte hen af van het bouwen.

4 Then the people of the land weakened the hands of the people of Judah, and troubled them in building,

4 Evenwel maakte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;

EA 4:5 Zelfs kochten zij raadslieden tegen hen om, teneinde hun plan te verijdelen, zolang Kores, de koning van Perzië, leefde, tot de regering van Darius, de koning van Perzië, toe.

5 And hired counsellors against them, to frustrate their purpose, all the days of Cyrus king of Persia, even until the reign of Darius king of Persia.

5 En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzie, tot aan het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie.

EA 4:6 En onder de regering van Ahasveros, in het begin van diens regering, dienden zij een schriftelijke aanklacht in tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

6 And in the reign of Ahasuerus, in the beginning of his reign, wrote they [unto him] an accusation against the inhabitants of Judah and Jerusalem.

6 En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

EA 4:7 In de dagen echter van Artachsasta schreven Bislam, Mitredat, Tabeël en zijn overige ambtgenoten aan Artachsasta, de koning van Perzië; de brief was in het Aramees geschreven, met een vertaling erbij.

7 And in the days of Artaxerxes wrote Bishlam, Mithredath, Tabeel, and the rest of their companions, unto Artaxerxes king of Persia; and the writing of the letter [was] written in the Syrian tongue, and interpreted in the Syrian tongue.

7 En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeel, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzie; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd.

EA 4:8 Aramees: Rechum, de landvoogd, en Simsai, de schrijver, hebben een brief geschreven over Jeruzalem aan koning Artachsasta van de volgende inhoud:

8 Rehum the chancellor and Shimshai the scribe wrote a letter against Jerusalem to Artaxerxes the king in this sort:

8 Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier:

EA 4:9 Rechum, de landvoogd, en Simsai, de schrijver, en hun overige ambtgenoten, rechters en ambtenaren van het gebied over de Rivier, de burgers van Afarsa, Erek, Babel en Susan, welke Elamieten zijn,

9 Then [wrote] Rehum the chancellor, and Shimshai the scribe, and the rest of their companions; the Dinaites, the Apharsathchites, the Tarpelites, the Apharsites, the Archevites, the Babylonians, the Susanchites, the Dehavites, [and] the Elamites,

9 Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniers, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,

EA 4:10 en de overige volken, die de grote en doorluchtige Asnappar weggevoerd en in de stad Samaria en in het verdere gebied over de Rivier heeft doen wonen -

10 And the rest of the nations whom the great and noble Asnappar brought over, and set in the cities of Samaria, and the rest [that are] on this side the river, and at such a time.

10 En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.

EA 4:11 aldus luidt het afschrift van de brief die zij hem zonden - aan koning Artachsasta, uw dienaren, de mensen van het gebied over de Rivier.

11 This [is] the copy of the letter that they sent unto him, [even] unto Artaxerxes the king; Thy servants the men on this side the river, and at such a time.

11 Dit is een afschrift des briefs, dien zij aan hem, aan den koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.

EA 4:12 Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit.

12 Be it known unto the king, that the Jews which came up from thee to us are come unto Jerusalem, building the rebellious and the bad city, and have set up the walls [thereof], and joined the foundations.

12 Den koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken, en de fondamenten samenvoegen.

EA 4:13 Nu zij het de koning bekend, dat, als deze stad herbouwd is en de muren voltooid zijn, men geen belasting, cijns of tol meer zal betalen, zodat zij ten slotte de koningen schade zal berokkenen.

13 Be it known now unto the king, that, if this city be builded, and the walls set up [again, then] will they not pay toll, tribute, and custom, and [so] thou shalt endamage the revenue of the kings.

13 Zo zij nu den koning bekend, indien dezelve stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij den cijns, ouden impost, en tol niet zullen geven, en gij zult aan de inkomsten der koningen schade aanbrengen.

EA 4:14 Aangezien wij aan het paleis verbonden zijn, en het voor ons niet aangaat toe te zien bij de smaad welke de koning wordt aangedaan, daarom hebben wij de koning bericht gezonden,

14 Now because we have maintenance from [the king's] palace, and it was not meet for us to see the king's dishonour, therefore have we sent and certified the king;

14 Nu, omdat wij salaris uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des konings oneer te zien, daarom hebben wij gezonden, en [dit] den koning bekend gemaakt;

EA 4:15 opdat men onderzoek doe in het gedenkboek uwer vaderen. Gij zult in het gedenkboek vinden en ontdekken, dat deze stad een oproerige stad is, dat zij aan koningen en gewesten schade heeft toegebracht en dat men in haar oproer gestookt heeft sinds de dagen van ouds. Daarom is deze stad verwoest.

15 That search may be made in the book of the records of thy fathers: so shalt thou find in the book of the records, and know that this city [is] a rebellious city, and hurtful unto kings and provinces, and that they have moved sedition within the same of old time: for which cause was this city destroyed.

15 Opdat men zoeke in het boek der kronieken uwer vaderen, zo zult gij vinden in het boek der kronieken, en weten, dat dezelve stad een rebelle stad geweest is, en den koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; daarom is dezelve stad verwoest.

EA 4:16 Wij doen de koning weten, dat, als deze stad herbouwd is en de muren voltooid zijn, gij daardoor het gebied over de Rivier niet zult kunnen behouden.

16 We certify the king that, if this city be builded [again], and the walls thereof set up, by this means thou shalt have no portion on this side the river.

16 Wij maken dan de koning bekend, dat, zo dezelve stad zal worden opgebouwd, en haar muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde der rivier.

EA 4:17 De koning zond als antwoord: Aan Rechum, de landvoogd, Simsai, de schrijver, en hun overige ambtgenoten, die wonen in Samaria en in het verdere gebied over de Rivier, heil!

17 [Then] sent the king an answer unto Rehum the chancellor, and [to] Shimshai the scribe, and [to] the rest of their companions that dwell in Samaria, and [unto] the rest beyond the river, Peace, and at such a time.

17 De koning zond antwoord aan Rehum, den kanselier, en Simsai, den schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria woonden; mitsgaders aan de overigen van deze zijde der rivier [aldus]: Vrede, en op zulken tijd.

EA 4:18 Welnu, de brief, welke gij ons gezonden hebt, is mij duidelijk voorgelezen;

18 The letter which ye sent unto us hath been plainly read before me.

18 De brief, dien gij aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen.

EA 4:19 en door mij is bevel gegeven, en men heeft onderzoek gedaan en bevonden, dat deze stad sinds de dagen van ouds tegen de koningen opstandig is geweest, en dat men wederspannigheid en oproer in haar stookte.

19 And I commanded, and search hath been made, and it is found that this city of old time hath made insurrection against kings, and [that] rebellion and sedition have been made therein.

19 En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat dezelve stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.

EA 4:20 Er zijn zelfs machtige koningen over Jeruzalem geweest, die heersten over het gehele gebied aan de overzijde der Rivier en aan wie men belasting, cijns en tol betaalde.

20 There have been mighty kings also over Jerusalem, which have ruled over all [countries] beyond the river; and toll, tribute, and custom, was paid unto them.

20 Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.

EA 4:21 Geeft dan nu bevel, deze lieden de arbeid te doen staken, opdat deze stad niet herbouwd worde, aleer door mij bevel wordt gegeven.

21 Give ye now commandment to cause these men to cease, and that this city be not builded, until [another] commandment shall be given from me.

21 Geeft dan nu bevel, om diezelve mannen te beletten, dat diezelve stad niet opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven.

EA 4:22 En wacht u ervoor nalatigheid in deze zaak te betonen; waarom zou het nadeel tot schade van de koningen groter worden?

22 Take heed now that ye fail not to do this: why should damage grow to the hurt of the kings?

22 Weest gewaarschuwd, [van] feil in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aanwassen?

EA 4:23 Nadat nu het afschrift van de brief van koning Artachsasta voorgelezen was aan Rechum, Simsai, de schrijver, en hun ambtgenoten, begaven zij zich in aller ijl naar Jeruzalem tot de Judeeërs en deden hen met kracht en geweld de arbeid staken.

23 Now when the copy of king Artaxerxes' letter [was] read before Rehum, and Shimshai the scribe, and their companions, they went up in haste to Jerusalem unto the Jews, and made them to cease by force and power.

23 Toen, van dat het afschrift des briefs van den koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, den schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met arm en geweld.

EA 4:24 Zo werd de arbeid aan het huis Gods te Jeruzalem gestaakt en bleef stilliggen tot het tweede jaar van de regering van Darius, de koning van Perzië.

24 Then ceased the work of the house of God which [is] at Jerusalem. So it ceased unto the second year of the reign of Darius king of Persia.

24 Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem [woont], ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie.

EA 5:1 Maar de profeet Haggai, en Zacharia, de zoon van Iddo, traden bij de Judeeërs die in Juda en Jeruzalem woonden, als profeten op in de naam van de God van Israël.

1 Then the prophets, Haggai the prophet, and Zechariah the son of Iddo, prophesied unto the Jews that [were] in Judah and Jerusalem in the name of the God of Israel, [even] unto them.

1 Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam Gods van Israel [profeteerden] [zij] tot hen.

EA 5:2 Toen maakten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, zich op en begonnen te bouwen aan het huis van God, die in Jeruzalem woont; en de profeten Gods stonden hun met hun hulp terzijde.

2 Then rose up Zerubbabel the son of Shealtiel, and Jeshua the son of Jozadak, and began to build the house of God which [is] at Jerusalem: and with them [were] the prophets of God helping them.

2 Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem [woont]; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden.

EA 5:3 In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier, tot hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien?

3 At the same time came to them Tatnai, governor on this side the river, and Shetharboznai, and their companions, and said thus unto them, Who hath commanded you to build this house, and to make up this wall?

3 Te dier tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?

EA 5:4 Daarna zeiden zij aldus tot hen: Wat zijn de namen van de mannen die dit gebouw bouwen?

4 Then said we unto them after this manner, What are the names of the men that make this building?

4 Toen zeiden wij aldus tot hen, [en] welke de namen waren der mannen, die dit gebouw bouwden.

EA 5:5 Doch het oog van hun God rustte op de oudsten der Judeeërs, zodat zij hen de arbeid niet deden staken, totdat er bericht naar Darius was gegaan en men dan een brief hieromtrent zou hebben teruggezonden.

5 But the eye of their God was upon the elders of the Jews, that they could not cause them to cease, till the matter came to Darius: and then they returned answer by letter concerning this [matter].

5 Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Darius kwam, en zij alsdan daarover een brief wederbrachten.

EA 5:6 Afschrift van de brief, die Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier, met Setar-Boznai en zijn ambtgenoten, de ambtenaren van het gebied over de Rivier, zond aan koning Darius;

6 The copy of the letter that Tatnai, governor on this side the river, and Shetharboznai, and his companions the Apharsachites, which [were] on this side the river, sent unto Darius the king:

6 Afschrift des briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaieten, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Darius zond.

EA 5:7 zij zonden hem een verslag en daarin was aldus geschreven: Aan koning Darius, alle heil!

7 They sent a letter unto him, wherein was written thus; Unto Darius the king, all peace.

7 Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was aldus geschreven: Den koning Darius zij alle vrede.

EA 5:8 Het zij de koning bekend, dat wij ons begeven hebben naar het gewest Juda, naar het huis van de grote God; dit nu wordt herbouwd met steenblokken, terwijl de wanden met hout worden bekleed, en dit werk wordt met zorg uitgevoerd en vordert goed onder hun handen.

8 Be it known unto the king, that we went into the province of Judea, to the house of the great God, which is builded with great stones, and timber is laid in the walls, and this work goeth fast on, and prospereth in their hands.

8 Den koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.

EA 5:9 Daarop hebben wij die oudsten ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien?

9 Then asked we those elders, [and] said unto them thus, Who commanded you to build this house, and to make up these walls?

9 Toen hebben wij denzelven oudsten gevraagd, [en] aldus tot hen gezegd: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?

EA 5:10 En ook hebben wij hun hun namen gevraagd, om ze u te doen weten, door u de namen te schrijven der mannen die aan hun hoofd staan.

10 We asked their names also, to certify thee, that we might write the names of the men that [were] the chief of them.

10 Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen der mannen, die hoofden onder hen zijn.

EA 5:11 Zij hebben ons nu het volgende antwoord gegeven: Wij zijn dienaren van de God van hemel en aarde en wij herbouwen het huis dat vele jaren geleden gebouwd werd; een groot koning van Israël heeft het gebouwd en voltooid.

11 And thus they returned us answer, saying, We are the servants of the God of heaven and earth, and build the house that was builded these many years ago, which a great king of Israel builded and set up.

11 En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren voor dezen is gebouwd geweest; want een groot koning van Israel had het gebouwd en voltrokken.

EA 5:12 Maar nadat onze vaderen de God des hemels hadden vertoornd, gaf Hij hen over in de macht van Nebukadnessar, de koning van Babel, de Chaldeeër; en die heeft dit huis verwoest en het volk naar Babel weggevoerd.

12 But after that our fathers had provoked the God of heaven unto wrath, he gave them into the hand of Nebuchadnezzar the king of Babylon, the Chaldean, who destroyed this house, and carried the people away into Babylon.

12 Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd, heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, den Chaldeeer; dewelke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd.

EA 5:13 Maar in het eerste jaar van Kores, de koning van Babel, gaf koning Kores bevel dit huis Gods te herbouwen.

13 But in the first year of Cyrus the king of Babylon [the same] king Cyrus made a decree to build this house of God.

13 Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen.

EA 5:14 Ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis Gods, welke Nebukadnessar uit de tempel te Jeruzalem gehaald en naar de tempel van Babel had gebracht, liet koning Kores uit de tempel van Babel halen, en zij werden gegeven aan een zekere Sesbassar, die hij tot stadhouder had aangesteld.

14 And the vessels also of gold and silver of the house of God, which Nebuchadnezzar took out of the temple that [was] in Jerusalem, and brought them into the temple of Babylon, those did Cyrus the king take out of the temple of Babylon, and they were delivered unto [one], whose name [was] Sheshbazzar, whom he had made governor;

14 Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelve gebracht in den tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, dien hij tot een landvoogd had gesteld.

EA 5:15 En hij beval hem: neem deze voorwerpen, zet ze neder in de tempel te Jeruzalem, en laat het huis Gods op zijn plaats herbouwd worden.

15 And said unto him, Take these vessels, go, carry them into the temple that [is] in Jerusalem, and let the house of God be builded in his place.

15 En hij zeide tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren in den tempel, die te Jeruzalem is, en laat het huis Gods gebouwd worden op zijn plaats.

EA 5:16 Toen is deze Sesbassar gekomen en heeft de fundamenten gelegd van het huis van God, die in Jeruzalem woont, en van toen af tot nu toe is eraan gebouwd, maar het is niet voltooid.

16 Then came the same Sheshbazzar, [and] laid the foundation of the house of God which [is] in Jerusalem: and since that time even until now hath it been in building, and [yet] it is not finished.

16 Toen kwam dezelve Sesbazar; hij legde de fondamenten van het huis Gods, Die te Jeruzalem [woont]; en er is van toen af tot nu toe gebouwd, doch niet volbracht.

EA 5:17 Welnu, indien het de koning goeddunkt, dan moge er een onderzoek worden ingesteld in de schatkamer des konings, aldaar, namelijk in Babel, of werkelijk vanwege koning Kores bevel is gegeven tot herbouw van dit huis Gods te Jeruzalem; en de koning moge ons zijn beslissing hieromtrent doen toekomen.

17 Now therefore, if [it seem] good to the king, let there be search made in the king's treasure house, which [is] there at Babylon, whether it be [so], that a decree was made of Cyrus the king to build this house of God at Jerusalem, and let the king send his pleasure to us concerning this matter.

17 Zo het dan nu den koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis des konings aldaar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van den koning Kores gegeven zij, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men des konings believen hiervan tot ons zende.

EA 6:1 Toen gaf koning Darius bevel en men deed onderzoek in de boekerij te Babel, waar de schatten waren opgeborgen;

1 Then Darius the king made a decree, and search was made in the house of the rolls, where the treasures were laid up in Babylon.

1 Toen gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel.

EA 6:2 en in Achmeta, de vesting in het gewest Medië, werd een rol gevonden, waarin het volgende geschreven stond. Oorkonde:

2 And there was found at Achmetha, in the palace that [is] in the province of the Medes, a roll, and therein [was] a record thus written:

2 En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medie is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS:

EA 6:3 In het eerste jaar van koning Kores gaf koning Kores dit bevel: Wat betreft het huis Gods te Jeruzalem, dat huis moet worden herbouwd tot een plaats waar men slachtoffers brengt; en zijn fundamenten moeten gelegd worden; zijn hoogte moet zestig el bedragen, zijn breedte zestig el.

3 In the first year of Cyrus the king [the same] Cyrus the king made a decree [concerning] the house of God at Jerusalem, Let the house be builded, the place where they offered sacrifices, and let the foundations thereof be strongly laid; the height thereof threescore cubits, [and] the breadth thereof threescore cubits;

3 In het eerste jaar van den koning Kores, gaf de koning Kores [dit] bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;

EA 6:4 Er zullen drie lagen steenblokken zijn en één laag hout. De kosten moeten uit de koninklijke schatkist betaald worden.

4 [With] three rows of great stones, and a row of new timber: and let the expenses be given out of the king's house:

4 Met drie rijen van groten steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden.

EA 6:5 Ook zal men de gouden en zilveren voorwerpen van het huis Gods, welke Nebukadnessar uit de tempel te Jeruzalem heeft gehaald en naar Babel gebracht, teruggeven, opdat het naar de tempel te Jeruzalem, op zijn plaats kome, en gij zult het nederzetten in het huis Gods.

5 And also let the golden and silver vessels of the house of God, which Nebuchadnezzar took forth out of the temple which [is] at Jerusalem, and brought unto Babylon, be restored, and brought again unto the temple which [is] at Jerusalem, [every one] to his place, and place [them] in the house of God.

5 Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren ten huize Gods.

EA 6:6 Nu dan, Tattenai, stadhouder van het gebied over de Rivier, Setar-Boznai en hun ambtgenoten, de ambtenaren van het gebied over de Rivier, gij moet u verre houden van daar;

6 Now [therefore], Tatnai, governor beyond the river, Shetharboznai, and your companions the Apharsachites, which [are] beyond the river, be ye far from thence:

6 Nu, gij Thathnai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaieten, die aan gene zijde der rivier zijt, weest verre van daar!

EA 6:7 laat de arbeid aan dat huis Gods toe; de stadhouder der Judeeërs en hun oudsten mogen dat huis Gods op zijn plaats bouwen.

7 Let the work of this house of God alone; let the governor of the Jews and the elders of the Jews build this house of God in his place.

7 Laat hen aan den arbeid van dit huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats.

EA 6:8 Tevens is door mij bevel gegeven aangaande hetgeen gij doen zult aan deze oudsten der Judeeërs bij de bouw van dit huis Gods: uit de koninklijke inkomsten, uit de schatting van het gebied over de Rivier, zal nauwkeurig en zonder uitstel uitbetaling aan die mannen worden gedaan.

8 Moreover I make a decree what ye shall do to the elders of these Jews for the building of this house of God: that of the king's goods, [even] of the tribute beyond the river, forthwith expenses be given unto these men, that they be not hindered.

8 Ook wordt van mij bevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit des konings goederen, van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette.

EA 6:9 En wat er nodig is: jonge stieren, rammen, lammeren voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, volgens de opgave van de priesters te Jeruzalem, dat moet hun dag aan dag volledig ter beschikking worden gesteld,

9 And that which they have need of, both young bullocks, and rams, and lambs, for the burnt offerings of the God of heaven, wheat, salt, wine, and oil, according to the appointment of the priests which [are] at Jerusalem, let it be given them day by day without fail:

9 En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesteren, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij;

EA 6:10 opdat zij de God des hemels welriekende offers kunnen brengen en bidden voor het leven van de koning en zijn zonen.

10 That they may offer sacrifices of sweet savours unto the God of heaven, and pray for the life of the king, and of his sons.

10 Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den God des hemels offeren, en bidden voor het leven des konings en zijner kinderen.

EA 6:11 Voorts is door mij bevel gegeven, dat er van ieder die dit besluit overtreedt, een paal uit zijn huis zal worden gerukt, opdat hij daaraan gehangen en vastgeslagen worde, en dat daarom zijn huis tot een puinhoop zal gemaakt worden.

11 Also I have made a decree, that whosoever shall alter this word, let timber be pulled down from his house, and being set up, let him be hanged thereon; and let his house be made a dunghill for this.

11 Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.

EA 6:12 De God nu, die zijn naam daar heeft doen wonen, stote iedere koning en elk volk neder, die als overtreders hun hand uitstrekken om dit huis Gods te Jeruzalem te verwoesten. Ik, Darius, heb bevel gegeven; het worde nauwkeurig uitgevoerd!

12 And the God that hath caused his name to dwell there destroy all kings and people, that shall put to their hand to alter [and] to destroy this house of God which [is] at Jerusalem. I Darius have made a decree; let it be done with speed.

12 De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen [en] te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.

EA 6:13 Toen deden Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier, Setar-Boznai en hun ambtgenoten, nauwkeurig overeenkomstig hetgeen koning Darius hun had gelast.

13 Then Tatnai, governor on this side the river, Shetharboznai, and their companions, according to that which Darius the king had sent, so they did speedily.

13 Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoediglijk alzo, naar hetgeen de koning Darius gezonden had.

EA 6:14 De oudsten der Judeeërs bouwden voorspoedig voort tijdens het profeteren van de profeet Haggai en van Zacharia, de zoon van Iddo; zij voltooiden de bouw volgens het gebod van de God van Israël en volgens het bevel van Kores, Darius en Artachsasta, koning van Perzië,

14 And the elders of the Jews builded, and they prospered through the prophesying of Haggai the prophet and Zechariah the son of Iddo. And they builded, and finished [it], according to the commandment of the God of Israel, and according to the commandment of Cyrus, and Darius, and Artaxerxes king of Persia.

14 En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggai en Zacharia, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israels, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzie.

EA 6:15 en zij waren met dit huis gereed tegen de derde dag van de maand Adar, en wel in het zesde jaar van de regering van koning Darius.

15 And this house was finished on the third day of the month Adar, which was in the sixth year of the reign of Darius the king.

15 En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Darius.

EA 6:16 Toen vierden de Israëlieten, de priesters, de Levieten en de overigen die in de ballingschap geweest waren, de inwijding van dit huis Gods met vreugde,

16 And the children of Israel, the priests, and the Levites, and the rest of the children of the captivity, kept the dedication of this house of God with joy,

16 En de kinderen Israels, de priesteren en Levieten, en de overige kinderen der gevangenis deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde.

EA 6:17 en offerden ter inwijding van dit huis Gods honderd stieren, tweehonderd rammen en vierhonderd lammeren; verder twaalf geitebokken tot een zondoffer voor geheel Israël, naar het getal der stammen Israëls.

17 And offered at the dedication of this house of God an hundred bullocks, two hundred rams, four hundred lambs; and for a sin offering for all Israel, twelve he goats, according to the number of the tribes of Israel.

17 En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israel, naar het getal der stammen Israels.

EA 6:18 Ook plaatsten zij de priesters in hun afdelingen en de Levieten in hun klassen, met het oog op de dienst van God, die in Jeruzalem woont, naar het voorschrift van het boek van Mozes.

18 And they set the priests in their divisions, and the Levites in their courses, for the service of God, which [is] at Jerusalem; as it is written in the book of Moses.

18 En zij stelden de priesteren in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot den dienst Gods, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift des boeks van Mozes.

EA 6:19 En op de veertiende van de eerste maand vierden zij die in de ballingschap geweest waren, het Pascha.

19 And the children of the captivity kept the passover upon the fourteenth [day] of the first month.

19 Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha, op den veertienden der eerste maand.

EA 6:20 Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als één man; zij allen waren rein; zo slachtten zij het Pascha voor allen die in de ballingschap geweest waren, en voor hun broeders, de priesters, en voor zichzelf.

20 For the priests and the Levites were purified together, all of them [were] pure, and killed the passover for all the children of the captivity, and for their brethren the priests, and for themselves.

20 Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig [man]; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren, en voor zichzelven.

EA 6:21 De Israëlieten, die uit de ballingschap waren teruggekeerd, aten het, en tevens ieder die zich van de onreinheid van de heidenen des lands afgescheiden en zich bij hen gevoegd had, om de HERE, de God van Israël, te zoeken.

21 And the children of Israel, which were come again out of captivity, and all such as had separated themselves unto them from the filthiness of the heathen of the land, to seek the LORD God of Israel, did eat,

21 Alzo aten de kinderen Israels, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den HEERE, den God Israels, te zoeken.

EA 6:22 Ook vierden zij het feest der ongezuurde broden met vreugde, gedurende zeven dagen, want de HERE had hen verblijd; Hij had het hart van de koning van Assur tot hen gewend om hen te steunen bij de arbeid aan het huis van God, de God van Israël.

22 And kept the feast of unleavened bread seven days with joy: for the LORD had made them joyful, and turned the heart of the king of Assyria unto them, to strengthen their hands in the work of the house of God, the God of Israel.

22 En zij hielden het feest der ongezuurde [broden] zeven dagen, met blijdschap; want de HEERE had hen verblijd, en het hart des konings van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het huis Gods, des Gods van Israel.

EA 7:1 Hierna, onder de regering van Artachsasta, de koning van Perzië, trok Ezra op, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Chilkia,

1 Now after these things, in the reign of Artaxerxes king of Persia, Ezra the son of Seraiah, the son of Azariah, the son of Hilkiah,

1 Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzie: Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, den zoon van Hilkia,

EA 7:2 de zoon van Sallum, de zoon van Sadok, de zoon van Achitub,

2 The son of Shallum, the son of Zadok, the son of Ahitub,

2 Den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahitub,

EA 7:3 de zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajot,

3 The son of Amariah, the son of Azariah, the son of Meraioth,

3 Den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth,

EA 7:4 de zoon van Zerachja, de zoon van Uzzi, de zoon van Bukki,

4 The son of Zerahiah, the son of Uzzi, the son of Bukki,

4 Den zoon van Zerahja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki,

EA 7:5 de zoon van Abisua, de zoon van Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de hogepriester

5 The son of Abishua, the son of Phinehas, the son of Eleazar, the son of Aaron the chief priest:

5 Den zoon van Abisua, den zoon van Pinehas, den zoon van Eleazar, den zoon van Aaron, den hoofdpriester.

EA 7:6 deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een schriftgeleerde, bekwaam in de wet van Mozes, welke de HERE, de God van Israël, gegeven had; en daar de hand van de HERE, zijn God, over hem was, had de koning hem alles gegeven wat hij verlangd had.

6 This Ezra went up from Babylon; and he [was] a ready scribe in the law of Moses, which the LORD God of Israel had given: and the king granted him all his request, according to the hand of the LORD his God upon him.

6 Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God Israels, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand des HEEREN, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek.

EA 7:7 Zo trokken ook een aantal Israëlieten en priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempelhorigen naar Jeruzalem, in het zevende jaar van koning Artachsasta.

7 And there went up [some] of the children of Israel, and of the priests, and the Levites, and the singers, and the porters, and the Nethinims, unto Jerusalem, in the seventh year of Artaxerxes the king.

7 Ook [sommigen] van de kinderen Israels, en van de priesteren en de Levieten, en de zangers, en de poortiers, en de Nethinim, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van den koning Arthahsasta.

EA 7:8 En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand, en wel in het zevende jaar van de koning.

8 And he came to Jerusalem in the fifth month, which [was] in the seventh year of the king.

8 En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar dezes konings.

EA 7:9 Op de eerste van de eerste maand namelijk was hij de tocht uit Babel begonnen, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij te Jeruzalem aan, daar de goede hand van zijn God over hem was,

9 For upon the first [day] of the first month began he to go up from Babylon, and on the first [day] of the fifth month came he to Jerusalem, according to the good hand of his God upon him.

9 Want op den eersten der eerste maand was het begin des optochts uit Babel, en op den eersten der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand zijns Gods over hem.

EA 7:10 want Ezra had er zijn hart op gezet om de wet des HEREN te onderzoeken en haar te volbrengen, en om in Israël inzetting en verordening te onderwijzen.

10 For Ezra had prepared his heart to seek the law of the LORD, and to do [it], and to teach in Israel statutes and judgments.

10 Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israel te leren de inzettingen en de rechten.

EA 7:11 Dit nu is het afschrift van de brief, die koning Artachsasta meegaf aan de priester-schriftgeleerde EA, die geleerd was in de woorden van de geboden en voorschriften des HEREN voor Israël:

11 Now this [is] the copy of the letter that the king Artaxerxes gave unto Ezra the priest, the scribe, [even] a scribe of the words of the commandments of the LORD, and of his statutes to Israel.

11 Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israel:

EA 7:12 Artachsasta, koning der koningen, aan de priester Ezra, de geleerde in de wet van de God des hemels, enzovoort.

12 Artaxerxes, king of kings, unto Ezra the priest, a scribe of the law of the God of heaven, perfect [peace], and at such a time.

12 Arthahsasta koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen [vrede] en op zulken tijd.

EA 7:13 Door mij is bevel gegeven, dat ieder die in mijn koninkrijk tot het volk Israël, zijn priesters of de Levieten behoort, en zich bereid verklaart naar Jeruzalem te gaan, met u mag meegaan.

13 I make a decree, that all they of the people of Israel, and [of] his priests and Levites, in my realm, which are minded of their own freewill to go up to Jerusalem, go with thee.

13 Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israel, en van deszelfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga.

EA 7:14 Aangezien gij vanwege de koning en zijn zeven raadsheren uitgezonden wordt om een onderzoek in te stellen naar Juda en Jeruzalem, volgens de wet van uw God, welke in uw bezit is;

14 Forasmuch as thou art sent of the king, and of his seven counsellors, to enquire concerning Judah and Jerusalem, according to the law of thy God which [is] in thine hand;

14 Dewijl gij van voor den koning en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judea, en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods, die in uw hand is;

EA 7:15 tevens om het zilver en het goud over te brengen, dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig hebben geschonken aan de God van Israël, wiens woning te Jeruzalem is,

15 And to carry the silver and gold, which the king and his counsellors have freely offered unto the God of Israel, whose habitation [is] in Jerusalem,

15 En om henen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan den God Israels, Wiens woning te Jeruzalem is;

EA 7:16 benevens al het zilver en goud dat gij in het gehele gewest Babel zult verkrijgen, met de vrijwillige gaven die het volk en de priesters vrijwillig zullen geven voor het huis van hun God, die in Jeruzalem woont -

16 And all the silver and gold that thou canst find in all the province of Babylon, with the freewill offering of the people, and of the priests, offering willingly for the house of their God which [is] in Jerusalem:

16 Mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het ganse landschap van Babel, met de vrijwillige gave des volks en der priesteren, die vrijwilliglijk geven, ten huize huns Gods, dat te Jeruzalem is;

EA 7:17 daarom moet gij diensvolgens zorgvuldig voor dit geld kopen stieren, rammen, lammeren en de daarbij behorende spijsoffers en plengoffers, en deze offeren op het altaar van het huis van uw God, die in Jeruzalem woont.

17 That thou mayest buy speedily with this money bullocks, rams, lambs, with their meat offerings and their drink offerings, and offer them upon the altar of the house of your God which [is] in Jerusalem.

17 Opdat gij spoediglijk voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun spijsofferen, en hun drankofferen, en die offert op het altaar van het huis van ulieder God, dat te Jeruzalem is.

EA 7:18 Wat u en uw broeders echter goed zal dunken te doen met het overige zilver en goud, dat moogt gij doen naar de wil van uw God.

18 And whatsoever shall seem good to thee, and to thy brethren, to do with the rest of the silver and the gold, that do after the will of your God.

18 Daartoe, wat u en uw broederen goeddunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods.

EA 7:19 De voorwerpen echter, die men u ter hand gesteld heeft voor de dienst in het huis van uw God, lever die af voor de God in Jeruzalem.

19 The vessels also that are given thee for the service of the house of thy God, [those] deliver thou before the God of Jerusalem.

19 En geef de vaten, die u gegeven zijn tot den dienst van het huis uws Gods, weder voor den God van Jeruzalem.

EA 7:20 Wat er verder nodig is voor het huis van uw God, dat gij zoudt moeten betalen, dat kunt gij betalen uit de koninklijke schatkist.

20 And whatsoever more shall be needful for the house of thy God, which thou shalt have occasion to bestow, bestow [it] out of the king's treasure house.

20 Het overige nu, dat van node zal zijn voor het huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult gij geven uit het schathuis des konings.

EA 7:21 Voorts is door mij, koning Artachsasta, bevel gegeven aan alle schatbewaarders van het gebied over de Rivier: alles wat de priester Ezra, de geleerde in de wet van de God des hemels, u zal vragen, zal stipt worden uitgevoerd,

21 And I, [even] I Artaxerxes the king, do make a decree to all the treasurers which [are] beyond the river, that whatsoever Ezra the priest, the scribe of the law of the God of heaven, shall require of you, it be done speedily,

21 En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde der wet van den God des hemels, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde;

EA 7:22 tot een bedrag van honderd talenten zilver, honderd kor tarwe, honderd bath wijn, honderd bath olie, en zout in onbeperkte mate.

22 Unto an hundred talents of silver, and to an hundred measures of wheat, and to an hundred baths of wine, and to an hundred baths of oil, and salt without prescribing [how much].

22 Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift.

EA 7:23 Alles wat uit het gebod van de God des hemels volgt, moet nauwgezet worden uitgevoerd voor het huis van de God des hemels, opdat er geen toorn kome over de regering van de koning en zijn zonen.

23 Whatsoever is commanded by the God of heaven, let it be diligently done for the house of the God of heaven: for why should there be wrath against the realm of the king and his sons?

23 Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen?

EA 7:24 Ook doen wij u aangaande al de priesters, Levieten, zangers, poortwachters, tempelhorigen en dienaren van dit huis van God weten, dat het niet geoorloofd is hun belasting, cijns of tol op te leggen.

24 Also we certify you, that touching any of the priests and Levites, singers, porters, Nethinims, or ministers of this house of God, it shall not be lawful to impose toll, tribute, or custom, upon them.

24 Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethinim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.

EA 7:25 Gij nu, Ezra, stel naar de wijsheid van uw God, die gij bezit, regeerders en rechters aan, opdat zij rechtspreken over het gehele volk dat in het gebied over de Rivier woont, over allen die de wetten van uw God kennen; en hem die ze niet kent, zult gij ze bekendmaken.

25 And thou, Ezra, after the wisdom of thy God, that [is] in thine hand, set magistrates and judges, which may judge all the people that [are] beyond the river, all such as know the laws of thy God; and teach ye them that know [them] not.

25 En gij, Ezra, naar de wijsheid uws Gods, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan gene zijde der rivier is, allen, die de wetten Gods weten, en die ze niet weet, zult gijlieden [die] bekend maken.

EA 7:26 Aan ieder die de wet van uw God en de wet van de koning niet volbrengt, zal stipt recht geoefend worden: hetzij ter dood, hetzij tot verbanning, hetzij tot geldboete of tot gevangenzetting.

26 And whosoever will not do the law of thy God, and the law of the king, let judgment be executed speedily upon him, whether [it be] unto death, or to banishment, or to confiscation of goods, or to imprisonment.

26 En al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet zal doen, over dien laat spoediglijk recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden.

EA 7:27 Geprezen zij de HERE, de God onzer vaderen, die de koning zulks in het hart gegeven heeft, om het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont, luisterrijk te maken,

27 Blessed [be] the LORD God of our fathers, which hath put [such a thing] as this in the king's heart, to beautify the house of the LORD which [is] in Jerusalem:

27 Geloofd zij de HEERE, de God onzer vaderen, Die alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des HEEREN, dat te Jeruzalem is.

EA 7:28 en mij gunst heeft doen vinden bij de koning, zijn raadsheren en alle machtige vorsten des konings! Ik nu vatte moed, daar de hand van de HERE, mijn God, over mij was, en vergaderde uit Israël de hoofdmannen om met mij op te trekken.

28 And hath extended mercy unto me before the king, and his counsellors, and before all the king's mighty princes. And I was strengthened as the hand of the LORD my God [was] upon me, and I gathered together out of Israel chief men to go up with me.

28 En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht des konings en zijner raadsheren, en aller geweldige vorsten des konings! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand des HEEREN, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israel vergaderd, om met mij op te trekken.

EA 8:1 Dit zijn hun familiehoofden en geslachtsregisters, namelijk degenen die onder de regering van koning Artachsasta met mij uit Babel optrokken:

1 These [are] now the chief of their fathers, and [this is] the genealogy of them that went up with me from Babylon, in the reign of Artaxerxes the king.

1 Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van den koning Arthahsasta.

EA 8:2 van de zonen van Pinechas: Gersom; van de zonen van Itamar: Daniël; van de zonen van David: Chattus, de zoon van Sekanja;

2 Of the sons of Phinehas; Gershom: of the sons of Ithamar; Daniel: of the sons of David; Hattush.

2 Van de kinderen van Pinehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniel; van de kinderen van David, Hattus.

EA 8:3 van de zonen van Paros: Zekarja, en met hem waren honderd vijftig personen van het mannelijk geslacht in de registers opgetekend;

3 Of the sons of Shechaniah, of the sons of Pharosh; Zechariah: and with him were reckoned by genealogy of the males an hundred and fifty.

3 Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig.

EA 8:4 van de zonen van Pachat-Moab: Eljehoënai, de zoon van Zerachja, en met hem tweehonderd personen van het mannelijk geslacht;

4 Of the sons of Pahathmoab; Elihoenai the son of Zerahiah, and with him two hundred males.

4 Van de kinderen van Pahath-Moab, Eljehoenai, van de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd manspersonen.

EA 8:5 van de zonen van Zattu: Sekanja, de zoon van Jachaziël, en met hem driehonderd personen van het mannelijk geslacht;

5 Of the sons of Shechaniah; the son of Jahaziel, and with him three hundred males.

5 Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.

EA 8:6 en van de zonen van Adin: Ebed, de zoon van Jonatan, en met hem vijftig personen van het mannelijk geslacht;

6 Of the sons also of Adin; Ebed the son of Jonathan, and with him fifty males.

6 En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en met hem vijftig manspersonen.

EA 8:7 van de zonen van Elam: Jesaja, de zoon van Atalja, en met hem zeventig personen van het mannelijk geslacht;

7 And of the sons of Elam; Jeshaiah the son of Athaliah, and with him seventy males.

7 En van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en met hem zeventig manspersonen.

EA 8:8 en van de zonen van Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël, en met hem tachtig personen van het mannelijk geslacht;

8 And of the sons of Shephatiah; Zebadiah the son of Michael, and with him fourscore males.

8 En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michael; en met hem tachtig manspersonen.

EA 8:9 en van de zonen van Joab: Obadja, de zoon van Jechiël, en met hem tweehonderd achttien personen van het mannelijk geslacht;

9 Of the sons of Joab; Obadiah the son of Jehiel, and with him two hundred and eighteen males.

9 En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiel; en met hem tweehonderd en achttien manspersonen.

EA 8:10 en van de zonen van Bani: Selomit, de zoon van Josifja, en met hem honderd zestig personen van het mannelijk geslacht;

10 And of the sons of Shelomith; the son of Josiphiah, and with him an hundred and threescore males.

10 En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen.

EA 8:11 en van de zonen van Bebai: Zekarja, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig personen van het mannelijk geslacht;

11 And of the sons of Bebai; Zechariah the son of Bebai, and with him twenty and eight males.

11 En van de kinderen van Babai, Zacharja, de zoon van Bebai; en met hem acht en twintig manspersonen.

EA 8:12 en van de zonen van Azgad: Jochanan, de zoon van Hakkatan, en met hem honderd tien personen van het mannelijk geslacht;

12 And of the sons of Azgad; Johanan the son of Hakkatan, and with him an hundred and ten males.

12 En van de kinderen van Azgad, Johanan, de zoon van Katan; en met hem honderd en tien manspersonen.

EA 8:13 en van de zonen van Adonikam: de lateren, en dit zijn hun namen: Elifelet, Jeïel, en Semaja, en met hen zestig personen van het mannelijk geslacht;

13 And of the last sons of Adonikam, whose names [are] these, Eliphelet, Jeiel, and Shemaiah, and with them threescore males.

13 En van de laatste kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifelet, Jehiel, en Semaja; en met hen zestig manspersonen.

EA 8:14 en van de zonen van Bigwai: Utai en Zabbud en zeventig personen van het mannelijk geslacht.

14 Of the sons also of Bigvai; Uthai, and Zabbud, and with them seventy males.

14 En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.

EA 8:15 Ik vergaderde hen bij de rivier die naar Ahawa stroomt, en daar legerden wij ons drie dagen. Toen ik acht gaf op het volk en de priesters, vond ik daar niemand van de Levieten.

15 And I gathered them together to the river that runneth to Ahava; and there abode we in tents three days: and I viewed the people, and the priests, and found there none of the sons of Levi.

15 En ik vergaderde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons aldaar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesteren, en vond aldaar geen van de kinderen van Levi.

EA 8:16 Daarom zond ik Eliëzer, Ariël, Semaja, Elnatan, Jarib, Elnatan, Natan, Zekarja, Mesullam, hoofden, en Jojarib en Elnatan, leraren,

16 Then sent I for Eliezer, for Ariel, for Shemaiah, and for Elnathan, and for Jarib, and for Elnathan, and for Nathan, and for Zechariah, and for Meshullam, chief men; also for Joiarib, and for Elnathan, men of understanding.

16 Zo zond ik tot Eliezer, tot Ariel, tot Semaja, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jojarib en tot Elnathan, de leraars;

EA 8:17 en verstrekte hun een opdracht voor Iddo, het hoofd in de plaats Kasifja, en ik gaf hun de woorden in de mond, die zij moesten spreken tot Iddo, zijn broeders en de tempelhorigen, in de plaats Kasifja, dat zij ons dienaren zouden brengen voor het huis van onze God.

17 And I sent them with commandment unto Iddo the chief at the place Casiphia, and I told them what they should say unto Iddo, [and] to his brethren the Nethinims, at the place Casiphia, that they should bring unto us ministers for the house of our God.

17 En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd in de plaats Chasifja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broeder, [en] de Nethinim, in de plaats Chasifja, dat zij ons brachten dienaars voor het huis onzes Gods.

EA 8:18 Toen brachten zij ons, daar de goede hand van onze God over ons was, verstandige mannen uit de zonen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Serebja, met zijn zonen en broeders, achttien man;

18 And by the good hand of our God upon us they brought us a man of understanding, of the sons of Mahli, the son of Levi, the son of Israel; and Sherebiah, with his sons and his brethren, eighteen;

18 En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon van Israel; namelijk Serebja, met zijn zonen en broederen, achttien;

EA 8:19 en Chasabja en met hem Jesaja, uit de zonen van Merari, zijn broeders en zijn zonen, twintig man;

19 And Hashabiah, and with him Jeshaiah of the sons of Merari, his brethren and their sons, twenty;

19 En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, [met] zijn broederen, en hun zonen, twintig;

EA 8:20 en uit de tempelhorigen, welke David en de vorsten gegeven hadden voor de dienst der Levieten: tweehonderd twintig tempelhorigen, allen met name aangeduid.

20 Also of the Nethinims, whom David and the princes had appointed for the service of the Levites, two hundred and twenty Nethinims: all of them were expressed by name.

20 En van Nethinim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethinim, die allen bij namen genoemd werden.

EA 8:21 Toen riep ik daar, bij de rivier Ahawa, een vasten uit om ons te verootmoedigen voor onze God, en van Hem een voorspoedige tocht af te smeken voor ons, onze kinderen en al onze have.

21 Then I proclaimed a fast there, at the river of Ahava, that we might afflict ourselves before our God, to seek of him a right way for us, and for our little ones, and for all our substance.

21 Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een rechten weg, voor ons, en voor onze kinderkens, en voor al onze have.

EA 8:22 Want ik had mij geschaamd van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te beschermen tegen vijanden onderweg; wij hadden namelijk tot de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken, maar zijn macht en zijn toorn zijn tegen allen die Hem verlaten.

22 For I was ashamed to require of the king a band of soldiers and horsemen to help us against the enemy in the way: because we had spoken unto the king, saying, The hand of our God [is] upon all them for good that seek him; but his power and his wrath [is] against all them that forsake him.

22 Want ik schaamde mij van den koning een heir en ruiters te begeren, om ons te helpen van den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten.

EA 8:23 Dus vastten wij en smeekten onze God hierover, en Hij liet Zich door ons verbidden.

23 So we fasted and besought our God for this: and he was intreated of us.

23 Alzo vastten wij; en verzochten zulks van onzen God; en Hij liet zich van ons verbidden.

EA 8:24 Vervolgens zonderde ik twaalf van de oversten der priesters af: Serebja, Chasabja, en met hen tien van hun broeders.

24 Then I separated twelve of the chief of the priests, Sherebiah, Hashabiah, and ten of their brethren with them,

24 Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten der priesteren: Serebja Hasabja, en tien van hun broederen met hen.

EA 8:25 Ik woog voor hen het zilver en het goud af en de voorwerpen die de heffing voor het huis van onze God waren, die de koning, zijn raadsheren, zijn vorsten en alle Israëlieten die zich daar bevonden, als heffing hadden gebracht;

25 And weighed unto them the silver, and the gold, and the vessels, [even] the offering of the house of our God, which the king, and his counsellors, and his lords, and all Israel [there] present, had offered:

25 En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de vaten, zijnde de offering van het huis onzes Gods die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en gans Israel, die er gevonden werden, geofferd hadden;

EA 8:26 afgewogen stelde ik hun ter hand: zeshonderd vijftig talenten zilver; voor honderd talenten zilveren voorwerpen; honderd talenten goud;

26 I even weighed unto their hand six hundred and fifty talents of silver, and silver vessels an hundred talents, [and] of gold an hundred talents;

26 Ik woog dan aan hun hand zeshonderd en vijftig talenten zilvers, en honderd zilveren vaten in talenten; aan goud, honderd talenten;

EA 8:27 twintig gouden bekers ter waarde van duizend darieken, en twee voorwerpen van prachtig goudglanzend brons, kostbaar als goud.

27 Also twenty basons of gold, of a thousand drams; and two vessels of fine copper, precious as gold.

27 En twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee vaten van blinkend goed koper, begeerlijk als goud.

EA 8:28 En ik zeide tot hen: Gij zijt de HERE geheiligd, evenzo zijn deze voorwerpen geheiligd, en het zilver en het goud zijn een vrijwillige gave voor de HERE, de God uwer vaderen;

28 And I said unto them, Ye [are] holy unto the LORD; the vessels [are] holy also; and the silver and the gold [are] a freewill offering unto the LORD God of your fathers.

28 En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig den HEERE, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, den HEERE, den God uwer vaderen.

EA 8:29 bewaakt ze en houdt ze onder uw hoede, totdat gij ze kunt afwegen in het bijzijn van de oversten der priesters, van de Levieten en van de oversten van Israëls families te Jeruzalem, in de vertrekken van het huis des HEREN.

29 Watch ye, and keep [them], until ye weigh [them] before the chief of the priests and the Levites, and chief of the fathers of Israel, at Jerusalem, in the chambers of the house of the LORD.

29 Waakt en bewaart het, totdat gij het opweegt, in tegenwoordigheid van de oversten der priesteren en Levieten, en der vorsten der vaderen van Israel, te Jeruzalem, in de kameren van des HEEREN huis.

EA 8:30 Toen namen de priesters en de Levieten het afgewogen zilver en goud en de voorwerpen in ontvangst om ze te brengen naar Jeruzalem, naar het huis van onze God.

30 So took the priests and the Levites the weight of the silver, and the gold, and the vessels, to bring [them] to Jerusalem unto the house of our God.

30 Toen ontvingen de priesters en de Levieten het gewicht des zilvers en des gouds, en der vaten, om te brengen te Jeruzalem, ten huize onzes Gods.

EA 8:31 Wij braken dan op van de rivier Ahawa op de twaalfde van de eerste maand om naar Jeruzalem te gaan, en de hand van onze God was over ons en redde ons uit de macht van vijanden en struikrovers.

31 Then we departed from the river of Ahava on the twelfth [day] of the first month, to go unto Jerusalem: and the hand of our God was upon us, and he delivered us from the hand of the enemy, and of such as lay in wait by the way.

31 Alzo verreisden wij van de rivier Ahava, op den twaalfden der eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijands, en desgenen, die [ons] lagen legde op den weg.

EA 8:32 Zo kwamen wij te Jeruzalem aan. Nadat wij daar drie dagen vertoefd hadden,

32 And we came to Jerusalem, and abode there three days.

32 En wij kwamen te Jeruzalem; en wij bleven aldaar drie dagen.

EA 8:33 werden op de vierde dag het zilver en het goud en de voorwerpen gewogen in het huis van onze God onder toezicht van Meremot, de zoon van Uria, de priester; met hem was daar ook Elazar, de zoon van Pinechas, en tevens bevonden zich bij hen de Levieten Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnuï, -

33 Now on the fourth day was the silver and the gold and the vessels weighed in the house of our God by the hand of Meremoth the son of Uriah the priest; and with him [was] Eleazar the son of Phinehas; and with them [was] Jozabad the son of Jeshua, and Noadiah the son of Binnui, Levites;

33 Op den vierden dag nu werd gewogen het zilver, en het goud, en de vaten, in het huis onzes Gods, aan de hand van Meremoth, den zoon van Uria, den priester, en met hem Eleazar, de zoon van Pinehas; en met hem Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnui, de Levieten.

EA 8:34 alles naar getal en gewicht, en het gehele gewicht werd opgetekend.

34 By number [and] by weight of every one: and all the weight was written at that time.

34 Naar het getal en naar het gewicht van dat alles; en het ganse gewicht werd ter zelfder tijd opgeschreven.

EA 8:35 In diezelfde tijd brachten de ballingen die uit de gevangenschap waren gekomen, brandoffers aan de God van Israël: twaalf stieren voor geheel Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren, twaalf bokken tot een zondoffer; alles als een brandoffer voor de HERE.

35 [Also] the children of those that had been carried away, which were come out of the captivity, offered burnt offerings unto the God of Israel, twelve bullocks for all Israel, ninety and six rams, seventy and seven lambs, twelve he goats [for] a sin offering: all [this was] a burnt offering unto the LORD.

35 [En] de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden den God Israels brandofferen; twaalf varren voor gans Israel, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den HEERE.

EA 8:36 Ook overhandigden zij de bevelschriften van de koning aan des konings stadhouders en landvoogden van het gebied over de Rivier, en dezen verleenden hun steun aan het volk en aan het huis Gods.

36 And they delivered the king's commissions unto the king's lieutenants, and to the governors on this side the river: and they furthered the people, and the house of God.

36 Daarna gaven zij de wetten des konings aan des konings stadhouders en landvoogden aan deze zijde der rivier; en zij bevorderden het volk en het huis Gods.

EA 9:1 Toen dit gebeurd was, kwamen de oversten tot mij en zeiden: Het volk Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd gehouden van de volken der landen, wat hun gruwelen betreft: van de Kanaänieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten.

1 Now when these things were done, the princes came to me, saying, The people of Israel, and the priests, and the Levites, have not separated themselves from the people of the lands, [doing] according to their abominations, [even] of the Canaanites, the Hittites, the Perizzites, the Jebusites, the Ammonites, the Moabites, the Egyptians, and the Amorites.

1 Als nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israels, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hun gruwelen, [namelijk] van de Kanaanieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en Amorieten.

EA 9:2 Want zij hebben uit hun dochters vrouwen genomen voor zich en hun zonen, waardoor het heilige zaad zich vermengd heeft met de volken der landen; ja, de oversten en de leiders zijn in deze trouwbreuk voorgegaan.

2 For they have taken of their daughters for themselves, and for their sons: so that the holy seed have mingled themselves with the people of [those] lands: yea, the hand of the princes and rulers hath been chief in this trespass.

2 Want zij hebben van hun dochteren genomen voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken dezer landen; ja, de hand der vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding.

EA 9:3 Toen ik dit vernam, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel, trok de haren uit mijn hoofd en uit mijn baard, en zat verbijsterd neer;

3 And when I heard this thing, I rent my garment and my mantle, and plucked off the hair of my head and of my beard, and sat down astonied.

3 Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder.

EA 9:4 en tot mij kwamen samen allen die beefden voor de woorden van de God van Israël, wegens de trouwbreuk der ballingen, maar ik bleef verbijsterd neerzitten tot het avondoffer.

4 Then were assembled unto me every one that trembled at the words of the God of Israel, because of the transgression of those that had been carried away; and I sat astonied until the evening sacrifice.

4 Toen verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van den God Israels beefden, om de overtreding der weggevoerden; doch ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer.

EA 9:5 Tijdens het avondoffer echter stond ik op uit mijn verootmoediging, en met gescheurd kleed en gescheurde mantel knielde ik, breidde mijn handen uit tot de HERE, mijn God,

5 And at the evening sacrifice I arose up from my heaviness; and having rent my garment and my mantle, I fell upon my knees, and spread out my hands unto the LORD my God,

5 En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijn bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijn mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijn knieen, en breidde mijn handen uit tot den HEERE, mijn God.

EA 9:6 en zeide: Mijn God, Ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, o mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel.

6 And said, O my God, I am ashamed and blush to lift up my face to thee, my God: for our iniquities are increased over [our] head, and our trespass is grown up unto the heavens.

6 En ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven [ons] hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel.

EA 9:7 Van de dagen onzer vaderen af tot op deze dag toe zijn wij in grote schuld en om onze ongerechtigheden zijn wij overgeleverd, wij, onze koningen, onze priesters, in de macht van de koningen der landen, aan het zwaard, aan gevangenschap, aan plundering, aan openlijke schande, zoals nu.

7 Since the days of our fathers [have] we [been] in a great trespass unto this day; and for our iniquities have we, our kings, [and] our priests, been delivered into the hand of the kings of the lands, to the sword, to captivity, and to a spoil, and to confusion of face, as [it is] this day.

7 Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in grote schuld tot op dezen dag; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze koningen [en] onze priesters, in de hand van de koningen der landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte des aangezichts, gelijk het is te dezen dage.

EA 9:8 En thans is ons sedert kort genade bewezen van de HERE, onze God, doordat Hij ons heeft gelaten degenen die ontkomen waren, en ons een tentpin heeft gegeven in zijn heilige plaats, waardoor onze God onze ogen deed oplichten en ons een weinig verademing gaf in onze slavernij;

8 And now for a little space grace hath been [shewed] from the LORD our God, to leave us a remnant to escape, and to give us a nail in his holy place, that our God may lighten our eyes, and give us a little reviving in our bondage.

8 En nu is er, als een klein ogenblik, een genade geschied van den HEERE, onzen God, om ons een ontkoming over te laten, en ons een nagel te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid.

EA 9:9 want wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten; Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een omtuining gaven in Juda en in Jeruzalem.

9 For we [were] bondmen; yet our God hath not forsaken us in our bondage, but hath extended mercy unto us in the sight of the kings of Persia, to give us a reviving, to set up the house of our God, and to repair the desolations thereof, and to give us a wall in Judah and in Jerusalem.

9 Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten; maar Hij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezicht der koningen van Perzie, dat Hij ons [een] [weinig] levens gave, om het huis onzes Gods te verhogen, en de woestigheden van hetzelve op te richten, en om ons een tuin te geven in Juda en te Jeruzalem.

EA 9:10 Maar nu, wat zullen wij hierna zeggen, onze God? Wij hebben immers uw geboden verlaten,

10 And now, O our God, what shall we say after this? for we have forsaken thy commandments,

10 En nu, wat zullen wij zeggen, o onze God! na dezen? Want wij hebben Uw geboden verlaten,

EA 9:11 die Gij ons door de dienst uwer knechten, de profeten, gegeven hadt met deze woorden: Het land, waar gij komt om het in bezit te nemen, is een bezoedeld land wegens de bezoedeling door de volken der landen, vanwege de gruwelen, waarmede zij het in hun onreinheid hebben gevuld van het ene einde tot het andere.

11 Which thou hast commanded by thy servants the prophets, saying, The land, unto which ye go to possess it, is an unclean land with the filthiness of the people of the lands, with their abominations, which have filled it from one end to another with their uncleanness.

11 Die Gij geboden hadt door den dienst Uwer knechten, de profeten, zeggende: Het land, waar gijlieden inkomt, om dat te erven, is een vuil land, door de vuiligheid van de volken der landen, om hun gruwelen, waarmede zij dat vervuild hebben, van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinigheid.

EA 9:12 Dus moogt gij uw dochters niet aan hun zonen tot vrouw geven, noch hun dochters voor uw zonen tot vrouw nemen; zoekt nimmer hun welzijn en hun geluk, opdat gij sterk moogt zijn, het goede des lands moogt eten en het voor altijd aan uw kinderen ten erfenis moogt geven.

12 Now therefore give not your daughters unto their sons, neither take their daughters unto your sons, nor seek their peace or their wealth for ever: that ye may be strong, and eat the good of the land, and leave [it] for an inheritance to your children for ever.

12 Zo zult gij nu uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren niet nemen voor uw zonen, en zult hun vrede en hun best niet zoeken, tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt, en het goede des lands eet, en uw kinderen doet erven tot in eeuwigheid.

EA 9:13 Zouden wij dan - na alles wat ons overkomen is vanwege onze boze daden en onze grote schuld, terwijl Gij, onze God, ons minder hebt toegerekend dan onze ongerechtigheden verdienden, en ons nog zovelen geschonken hebt die ontkomen zijn -

13 And after all that is come upon us for our evil deeds, and for our great trespass, seeing that thou our God hast punished us less than our iniquities [deserve], and hast given us [such] deliverance as this;

13 En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat Gij, o onze God! belet hebt, [dat] [wij] [niet] te onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is;

EA 9:14 wederom uw geboden schenden en ons verzwageren met deze gruwelijke volken? Zoudt Gij dan niet tegen ons toornen tot verdelgens toe, zodat er geen overblijfsel of ontkomene meer zou zijn?

14 Should we again break thy commandments, and join in affinity with the people of these abominations? wouldest not thou be angry with us till thou hadst consumed [us], so that [there should be] no remnant nor escaping?

14 Zullen wij nu wederkeren, om Uw geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken dezer gruwelen? Zoudt Gij niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij?

EA 9:15 O HERE, God van Israël, Gij zijt rechtvaardig, daarin, dat wij als een schare ontkomenen zijn overgebleven, gelijk heden het geval is. Zie, wij staan voor uw aangezicht in onze schuld. Waarlijk, niemand kan deswege voor uw aangezicht standhouden.

15 O LORD God of Israel, thou [art] righteous: for we remain yet escaped, as [it is] this day: behold, we [are] before thee in our trespasses: for we cannot stand before thee because of this.

15 O HEERE, God van Israel! Gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.

EA 10:1 Terwijl Ezra bad en schuld beleed, wenend zich nederwerpende voor het huis Gods, verzamelde zich tot hem een zeer grote schare uit Israël, mannen, vrouwen en kinderen, want het volk was in luid geween uitgebarsten.

1 Now when Ezra had prayed, and when he had confessed, weeping and casting himself down before the house of God, there assembled unto him out of Israel a very great congregation of men and women and children: for the people wept very sore.

1 Als Ezra alzo bad, en als hij [deze] belijdenis deed, wenende en zich voor Gods huis nederwerpende, verzamelde zich tot hem uit Israel een zeer grote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen; want het volk weende met groot geween.

EA 10:2 Toen nam Sekanja, de zoon van Jechiël, uit de zonen van Elam, het woord en zeide tot Ezra: Wij zijn ontrouw geweest jegens onze God, doordat wij vreemde vrouwen uit de volken des lands hebben gehuwd; desondanks is er nog hoop voor Israël.

2 And Shechaniah the son of Jehiel, [one] of the sons of Elam, answered and said unto Ezra, We have trespassed against our God, and have taken strange wives of the people of the land: yet now there is hope in Israel concerning this thing.

2 Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiel, [een] van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands [bij] [ons] doen wonen; maar nu, er is hope voor Israel, dezen aangaande.

EA 10:3 Laat ons dan nu een verbond sluiten met onze God, dat wij alle vrouwen met de uit haar geboren kinderen zullen wegzenden, volgens de raad van mijn heer en van hen die beven voor het gebod van onze God; en laat er gehandeld worden volgens de wet.

3 Now therefore let us make a covenant with our God to put away all the wives, and such as are born of them, according to the counsel of my lord, and of those that tremble at the commandment of our God; and let it be done according to the law.

3 Laat ons dan nu een verbond maken met onze God, dat wij al [die] vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar den raad des HEEREN, en dergenen, die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet.

EA 10:4 Sta op, want op u rust de taak; wij zullen met u zijn; wees sterk en handel!

4 Arise; for [this] matter [belongeth] unto thee: we also [will be] with thee: be of good courage, and do [it].

4 Sta op, want deze zaak komt u toe; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het.

EA 10:5 Toen stond Ezra op en deed de oversten der priesters en der Levieten en geheel Israël zweren, dat zij naar dit woord zouden handelen, en zij zwoeren.

5 Then arose Ezra, and made the chief priests, the Levites, and all Israel, to swear that they should do according to this word. And they sware.

5 Toen stond Ezra op, en deed de oversten der priesteren, de Levieten en gans Israel zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren.

EA 10:6 Hierna stond Ezra op van voor het huis Gods en ging naar het vertrek van Jochanan, de zoon van Eljasib, waar hij de nacht doorbracht; brood at hij niet en water dronk hij niet, want hij bedreef rouw over de trouwbreuk van de ballingen.

6 Then Ezra rose up from before the house of God, and went into the chamber of Johanan the son of Eliashib: and [when] he came thither, he did eat no bread, nor drink water: for he mourned because of the transgression of them that had been carried away.

6 En Ezra stond op van voor Gods huis, en ging in de kamer van Johanan, den zoon van Eljasib; als hij daar kwam, at hij geen brood, en dronk geen water, want hij bedreef rouw over de overtreding der weggevoerden.

EA 10:7 Daarop deed men een oproep uitgaan door Juda en Jeruzalem tot al degenen die in de ballingschap geweest waren, om zich te Jeruzalem te verzamelen.

7 And they made proclamation throughout Judah and Jerusalem unto all the children of the captivity, that they should gather themselves together unto Jerusalem;

7 En zij lieten een stem doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan al de kinderen der gevangenis, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen.

EA 10:8 Als iemand niet binnen drie dagen kwam, zou volgens besluit van de oversten en de oudsten al zijn have met de ban worden geslagen, en zou hij uit de gemeente der ballingen worden afgesneden.

8 And that whosoever would not come within three days, according to the counsel of the princes and the elders, all his substance should be forfeited, and himself separated from the congregation of those that had been carried away.

8 En al wie niet kwam in drie dagen, naar den raad der vorsten en der oudsten, al zijn have zou verbannen zijn; en hij zelf zou afgezonderd wezen van de gemeente der weggevoerden.

EA 10:9 En alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen drie dagen te Jeruzalem, en wel in de negende maand, op de twintigste der maand. Het gehele volk zat neer op het plein van het huis Gods, rillend zowel om de zaak als door de regenbuien.

9 Then all the men of Judah and Benjamin gathered themselves together unto Jerusalem within three days. It [was] the ninth month, on the twentieth [day] of the month; and all the people sat in the street of the house of God, trembling because of [this] matter, and for the great rain.

9 Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op den twintigsten in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen.

EA 10:10 Toen stond de priester Ezra op en zeide tot hen: Gij hebt trouwbreuk gepleegd, omdat gij vreemde vrouwen hebt gehuwd; daardoor hebt gij Israëls schuld nog vermeerderd.

10 And Ezra the priest stood up, and said unto them, Ye have transgressed, and have taken strange wives, to increase the trespass of Israel.

10 Toen stond Ezra, de priester, op en zeide tot hen: Gijlieden hebt overtreden, en vreemde vrouwen [bij] [u] doen wonen, om Israels schuld te vermeerderen.

EA 10:11 Maar geeft nu eer aan de HERE, de God uwer vaderen, doet wat Hem welgevallig is en scheidt u af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen.

11 Now therefore make confession unto the LORD God of your fathers, and do his pleasure: and separate yourselves from the people of the land, and from the strange wives.

11 Nu dan, doet den HEERE, uwer vaderen God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands, en van de vreemde vrouwen.

EA 10:12 Daarop gaf de gehele gemeente met luider stem ten antwoord: Aldus, naar uw woord, is het aan ons om te doen.

12 Then all the congregation answered and said with a loud voice, As thou hast said, so must we do.

12 En de ganse gemeente antwoordde en zeide met luider stem: Naar uw woorden, alzo komt het ons toe te doen.

EA 10:13 Maar het volk is talrijk en het is regentijd, zodat het niet mogelijk is buiten te blijven staan; ook is dit geen werk voor één of twee dagen, want wij hebben in dit opzicht veel overtreden.

13 But the people [are] many, and [it is] a time of much rain, and we are not able to stand without, neither [is this] a work of one day or two: for we are many that have transgressed in this thing.

13 Maar des volks is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van een dag noch van twee; want velen onzer hebben overtreden in deze zaak.

EA 10:14 Laten toch onze oversten optreden voor de gehele gemeente; dan kunnen allen in onze steden, die vreemde vrouwen hebben gehuwd, op vastgestelde tijden verschijnen, en met hen de oudsten en de rechters van elke stad, totdat wij de brandende toorn van onze God over deze zaak van ons hebben afgewend.

14 Let now our rulers of all the congregation stand, and let all them which have taken strange wives in our cities come at appointed times, and with them the elders of every city, and the judges thereof, until the fierce wrath of our God for this matter be turned from us.

14 Laat toch onze vorsten der ganse gemeente [hierover] staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen [bij] [zich] hebben doen wonen, op gezette tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en derzelver rechters; totdat wij van ons afwenden de hittigheid des toorns onzes Gods, om dezer zaken wil.

EA 10:15 Alleen Jonatan, de zoon van Asaël, en Jachzeja, de zoon van Tikwa, verzetten zich hiertegen, en Mesullam en de Leviet Sabbetai vielen hun bij.

15 Only Jonathan the son of Asahel and Jahaziah the son of Tikvah were employed about this [matter]: and Meshullam and Shabbethai the Levite helped them.

15 Alleenlijk Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesullam, en Sabbethai, de Leviet, hielpen hen.

EA 10:16 Maar zij die in de ballingschap waren geweest, deden zo. Toen zonderde de priester Ezra zich mannen af, familiehoofden, (ieder) voor zijn familie, allen bij name genoemd, en dezen begonnen zitting te houden op de eerste dag van de tiende maand om de zaak te onderzoeken,

16 And the children of the captivity did so. And Ezra the priest, [with] certain chief of the fathers, after the house of their fathers, and all of them by [their] names, were separated, and sat down in the first day of the tenth month to examine the matter.

16 En de kinderen der gevangenis deden alzo; en Ezra, de priester, [met] de mannen, de hoofden der vaderen, naar het huis hunner vaderen, en zij allen, bij namen [genoemd], scheidden zich af, en zij zaten op den eersten dag der tiende maand, om deze zaak te onderzoeken.

EA 10:17 en zij waren met alle mannen die vreemde vrouwen hadden gehuwd, gereed op de eerste dag van de eerste maand.

17 And they made an end with all the men that had taken strange wives by the first day of the first month.

17 En zij voleindden het met alle mannen, die vreemde vrouwen [bij] [zich] hadden doen wonen, tot op den eersten dag der eerste maand.

EA 10:18 En onder de priesterzonen die vreemde vrouwen hadden gehuwd, bevonden zich: van de zonen van Jesua, de zoon van Josadak, en zijn broeders: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja.

18 And among the sons of the priests there were found that had taken strange wives: [namely], of the sons of Jeshua the son of Jozadak, and his brethren; Maaseiah, and Eliezer, and Jarib, and Gedaliah.

18 En er werden gevonden van de zonen der priesteren, die vreemde vrouwen [bij] [zich] hadden doen wonen; van de zonen van Jesua, den zoon van Jozadak, en zijn broederen, Maaseja, en Eliezer, en Jarib, en Gedalja.

EA 10:19 En zij gaven er hun hand op, dat zij hun vrouwen zouden wegzenden; hun schuldoffer nu was een ram uit de kudde vanwege hun schuld.

19 And they gave their hands that they would put away their wives; and [being] guilty, [they offered] a ram of the flock for their trespass.

19 En zij gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, [offerden] [zij] een ram van de kudde voor hun schuld.

EA 10:20 Van de zonen van Immer: Chanani en Zebadja;

20 And of the sons of Immer; Hanani, and Zebadiah.

20 En van de kinderen van Immer: Hanani en Zebadja.

EA 10:21 van de zonen van Charim: Maäseja, Elia, Semaja, Jechiël en Uzzia;

21 And of the sons of Harim; Maaseiah, and Elijah, and Shemaiah, and Jehiel, and Uzziah.

21 En van de kinderen van Harim: Maaseja, en Elia, en Semaja, en Jehiel, en Uzia,

EA 10:22 en van de zonen van Paschur: Eljoënai, Maäseja, Jismaël, Netanel, Jozabad en Elasa.

22 And of the sons of Pashur; Elioenai, Maaseiah, Ishmael, Nethaneel, Jozabad, and Elasah.

22 En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Elasa.

EA 10:23 En van de Levieten: Jozabad, Simi, Kelaja (dat is Kelita), Petachja, Jehuda en Eliëzer.

23 Also of the Levites; Jozabad, and Shimei, and Kelaiah, (the same [is] Kelita,) Pethahiah, Judah, and Eliezer.

23 En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.

EA 10:24 En van de zangers: Eljasib. En van de poortwachters: Sallum, Telem en Uri.

24 Of the singers also; Eliashib: and of the porters; Shallum, and Telem, and Uri.

24 En van de zangers: Eljasib; en van de poortiers: Sallum, en Telem, en Uri.

EA 10:25 Voorts uit Israël: van de zonen van Paros: Ramja, Jizzia, Malkia, Miamin, Elazar, Malkia en Benaja.

25 Moreover of Israel: of the sons of Parosh; Ramiah, and Jeziah, and Malchiah, and Miamin, and Eleazar, and Malchijah, and Benaiah.

25 En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.

EA 10:26 Van de zonen van Elam: Mattanja, Zekarja, Jechiël, Abdi, Jeremot, en Elia.

26 And of the sons of Elam; Mattaniah, Zechariah, and Jehiel, and Abdi, and Jeremoth, and Eliah.

26 En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.

EA 10:27 Van de zonen van Zattu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, Jeremot, Zabad en Aziza.

27 And of the sons of Zattu; Elioenai, Eliashib, Mattaniah, and Jeremoth, and Zabad, and Aziza.

27 En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

EA 10:28 Van de zonen van Bebai: Jochanan, Chananja, Zabbai en Atlai.

28 Of the sons also of Bebai; Jehohanan, Hananiah, Zabbai, [and] Athlai.

28 En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai.

EA 10:29 Van de zonen van Bani: Mesullam, Malluk, Adaja, Jasub, Seal en Jeramot.

29 And of the sons of Bani; Meshullam, Malluch, and Adaiah, Jashub, and Sheal, and Ramoth.

29 En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.

EA 10:30 Van de zonen van Pachat-Moab: Adna en Kelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Besaleël, Binnuï en Manasse.

30 And of the sons of Pahathmoab; Adna, and Chelal, Benaiah, Maaseiah, Mattaniah, Bezaleel, and Binnui, and Manasseh.

30 En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.

EA 10:31 Van de zonen van Charim: Eliëzer, Jissia, Malkia, Semaja, Simeon,

31 And [of] the sons of Harim; Eliezer, Ishijah, Malchiah, Shemaiah, Shimeon,

31 En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,

EA 10:32 Benjamin, Malluk en Semarja.

32 Benjamin, Malluch, [and] Shemariah.

32 Benjamin, Malluch, Semarja.

EA 10:33 Van de zonen van Chasum: Mattenai, Mattatta, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse en Simi.

33 Of the sons of Hashum; Mattenai, Mattathah, Zabad, Eliphelet, Jeremai, Manasseh, [and] Shimei.

33 Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

EA 10:34 Van de zonen van Bani: Maädai, Amram, Uël,

34 Of the sons of Bani; Maadai, Amram, and Uel,

34 Van de kinderen van Bani: Maadai, Amram, en Uel,

EA 10:35 Benaja, Bedeja, Keluhu,

35 Benaiah, Bedeiah, Chelluh,

35 Benaja, Bedeja, Cheluhu,

EA 10:36 Wanja, Meremot, Eljasib,

36 Vaniah, Meremoth, Eliashib,

36 Vanja, Meremoth, Eljasib,

EA 10:37 Mattanja, Mattenai, Jaäsai,

37 Mattaniah, Mattenai, and Jaasau,

37 Mattanja, Mathnai, en Jaasai,

EA 10:38 Bani, Binnuï, Simi,

38 And Bani, and Binnui, Shimei,

38 En Bani, en Binnui, Simei,

EA 10:39 Selemja, Natan, Adaja,

39 And Shelemiah, and Nathan, and Adaiah,

39 En Selemja, en Nathan, en Adaja,

EA 10:40 Maknadbai, Sasai, Sarai,

40 Machnadebai, Shashai, Sharai,

40 Machnadbai, Sasai, Sarai,

EA 10:41 Azarel, Selemja, Semarja,

41 Azareel, and Shelemiah, Shemariah,

41 Azareel, Selemja, Semarja,

EA 10:42 Sallum, Amarja en Josef.

42 Shallum, Amariah, [and] Joseph.

42 Sallum, Amarja, Jozef.

EA 10:43 Van de zonen van Nebo: Jeïel, Mattitja, Zabad, Zebina, Jaddai, Joël en Benaja.

43 Of the sons of Nebo; Jeiel, Mattithiah, Zabad, Zebina, Jadau, and Joel, Benaiah.

43 Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.

EA 10:44 Deze allen hadden vreemde vrouwen genomen; hieronder waren vrouwen die zonen hadden voortgebracht.

44 All these had taken strange wives: and [some] of them had wives by whom they had children.

44 Alle dezen hadden vreemde vrouwen genomen; en [sommigen] van hen hadden vrouwen, waarbij zij kinderen gekregen hadden.