|
DN 1:1 In het derde jaar der regering van Jojakim, de
koning van Juda, kwam Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Jeruzalem
en belegerde het; |
1 In the third year of the reign of Jehoiakim king of Judah came
Nebuchadnezzar king of Babylon unto Jerusalem, and besieged it. |
1 In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda,
kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar. |
|
DN 1:2 en de Here gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn macht,
benevens een deel van het gerei van het huis Gods, en hij bracht ze naar
het land Sinear, in de tempel van zijn god; het gerei bracht hij in de
schatkamer van zijn god. |
2 And the Lord gave Jehoiakim king of Judah into his hand, with part of
the vessels of the house of God: which he carried into the land of Shinar
to the house of his god; and he brought the vessels into the treasure
house of his god. |
2 En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een
deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze [in] het land van
Sinear, [in] het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis
zijns gods. |
|
DN 1:3 Toen beval de koning Aspenaz, het hoofd zijner hovelingen, enige
Israëlieten te laten komen, uit het koninklijk geslacht en uit de edelen, |
3 And the king spake unto Ashpenaz the master of his eunuchs, that he
should bring [certain] of the children of Israel, and of the king's seed,
and of the princes; |
3 En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat
hij voorbrengen zou [enigen] uit de kinderen Israels, te weten, uit het
koninklijk zaad, en uit de prinsen; |
|
DN 1:4 knapen zonder enig gebrek, schoon van uiterlijk, ervaren in
allerlei wijsheid, in het bezit van kennis, met inzicht in wetenschap,
geschikt om dienst te doen in het paleis des konings, en hen te
onderwijzen in de geschriften en de taal der Chaldeeën. |
4 Children in whom [was] no blemish, but well favoured, and skilful in
all wisdom, and cunning in knowledge, and understanding science, and such
as [had] ability in them to stand in the king's palace, and whom they
might teach the learning and the tongue of the Chaldeans. |
4 Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van
aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en
kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des
konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der
Chaldeen. |
|
DN 1:5 En de koning stelde voor hen een dagelijks rantsoen vast van de
koninklijke tafel en van de wijn, die hij placht te drinken. Zo liet hij
hen gedurende drie jaren opvoeden, na verloop waarvan zij bij de koning
dienst moesten doen. |
5 And the king appointed them a daily provision of the king's meat, and
of the wine which he drank: so nourishing them three years, that at the
end thereof they might stand before the king. |
5 En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de
stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men
hen drie jaren [alzo] optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan
voor het aangezicht des konings. |
|
DN 1:6 Nu bevonden zich onder hen enige Judeeërs: Daniël, Chananja,
Misaël en Azarja; |
6 Now among these were of the children of Judah, Daniel, Hananiah,
Mishael, and Azariah: |
6 Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniel, Hananja,
Misael en Azarja. |
|
DN 1:7 de overste der hovelingen gaf hun andere namen: Daniël noemde
hij Beltesassar, Chananja Sadrak, Misaël Mesak en Azarja Abednego. |
7 Unto whom the prince of the eunuchs gave names: for he gave unto
Daniel [the name] of Belteshazzar; and to Hananiah, of Shadrach; and to
Mishael, of Meshach; and to Azariah, of Abednego. |
7 En de overste der kamerlingen gaf hun [andere] namen, en Daniel
noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja
Abed-nego. |
|
DN 1:8 Daniël nu nam zich voor, zich niet te verontreinigen met de
koninklijke spijze of met de wijn die de koning placht te drinken; en hij
verzocht de overste der hovelingen, dat hij zich niet zou behoeven te
verontreinigen. |
8 But Daniel purposed in his heart that he would not defile himself
with the portion of the king's meat, nor with the wine which he drank:
therefore he requested of the prince of the eunuchs that he might not
defile himself. |
8 Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen
met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks;
daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet
mocht ontreinigen. |
|
DN 1:9 Toen schonk God aan Daniël gunst en barmhartigheid bij de
overste der hovelingen; |
9 Now God had brought Daniel into favour and tender love with the
prince of the eunuchs. |
9 En God gaf Daniel genade en barmhartigheid voor het aangezicht van
den overste der kamerlingen. |
|
DN 1:10 doch de overste der hovelingen zeide tot Daniël: Ik vrees, dat
mijn heer, de koning, die uw spijs en drank vastgesteld heeft, uw
uiterlijk misschien minder welvarend zou vinden dan dat van de overige
knapen van uw leeftijd, en dat gij daardoor mijn hoofd met schuld zoudt
beladen bij de koning. |
10 And the prince of the eunuchs said unto Daniel, I fear my lord the
king, who hath appointed your meat and your drink: for why should he see
your faces worse liking than the children which [are] of your sort? then
shall ye make [me] endanger my head to the king. |
10 Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn
heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft;
want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der
jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd
bij den koning schuldig maken. |
|
DN 1:11 Daarop zeide Daniël tot de kamerdienaar, die de overste der
hovelingen aan Daniël, Chananja, Misaël en Azarja had toegevoegd: |
11 Then said Daniel to Melzar, whom the prince of the eunuchs had set
over Daniel, Hananiah, Mishael, and Azariah, |
11 Toen zeide Daniel tot Melzar, dien de overste der kamerlingen
gesteld had over Daniel, Hananja, Misael en Azarja: |
|
DN 1:12 Neem toch met uw dienaren gedurende tien dagen de proef: men
geve ons groenten te eten en water te drinken; |
12 Prove thy servants, I beseech thee, ten days; and let them give us
pulse to eat, and water to drink. |
12 Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het
gezaaide te eten, en water te drinken. |
|
DN 1:13 laat dan ons uiterlijk met dat van de knapen die de koninklijke
spijze eten, door u vergeleken worden, en doe dan met uw dienaren naar uw
bevinding. |
13 Then let our countenances be looked upon before thee, and the
countenance of the children that eat of the portion of the king's meat:
and as thou seest, deal with thy servants. |
13 En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der
jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe met uw
knechten, naar dat gij zien zult. |
|
DN 1:14 Hij gaf hun hierin gehoor en nam met hen gedurende tien dagen
de proef, |
14 So he consented to them in this matter, and proved them ten days. |
14 Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen. |
|
DN 1:15 en na verloop van tien dagen bleek hun uiterlijk schoner en
zagen zij er welvarender uit dan al de knapen die van de koninklijke
spijze gegeten hadden. |
15 And at the end of ten days their countenances appeared fairer and
fatter in flesh than all the children which did eat the portion of the
king's meat. |
15 Ten einde nu der tien dagen, zag men dat hun gedaanten schoner
waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken
van de spijze des konings aten. |
|
DN 1:16 Voortaan nam de kamerdienaar hun spijze en de wijn die zij
drinken moesten, weg en gaf hun groenten. |
16 Thus Melzar took away the portion of their meat, and the wine that
they should drink; and gave them pulse. |
16 Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam,
mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun [van] het gezaaide. |
|
DN 1:17 En aan deze vier knapen gaf God kennis en verstand van allerlei
geschriften en wijsheid, terwijl Daniël inzicht had in allerlei gezichten
en dromen. |
17 As for these four children, God gave them knowledge and skill in all
learning and wisdom: and Daniel had understanding in all visions and
dreams. |
17 Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle
boeken, en wijsheid; maar Daniel gaf Hij verstand in allerlei gezichten en
dromen. |
|
DN 1:18 Na verloop nu van de dagen die de koning had vastgesteld voor
men hen ten hove zou doen verschijnen, bracht de overste der hovelingen
hen in de tegenwoordigheid van Nebukadnessar. |
18 Now at the end of the days that the king had said he should bring
them in, then the prince of the eunuchs brought them in before
Nebuchadnezzar. |
18 Ten einde nu der dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen
zou inbrengen, zo bracht ze de overste der kamerlingen in voor het
aangezicht van Nebukadnezar, |
|
DN 1:19 De koning sprak met hen; en onder die allen werd niemand
gevonden gelijk Daniël, Chananja, Misaël en Azarja, en dezen traden in
dienst bij de koning. |
19 And the king communed with them; and among them all was found none
like Daniel, Hananiah, Mishael, and Azariah: therefore stood they before
the king. |
19 En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand
gevonden, gelijk Daniel, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor
het aangezicht des konings. |
|
DN 1:20 In elke zaak, waarbij het aankwam op wijs inzicht en waarover
de koning hen ondervroeg, bevond hij hen tienmaal voortreffelijker dan al
de geleerden, al de bezweerders in zijn ganse rijk. |
20 And in all matters of wisdom [and] understanding, that the king
enquired of them, he found them ten times better than all the magicians
[and] astrologers that [were] in all his realm. |
20 En [in] alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun
afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovernaars [en]
sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren. |
|
DN 1:21 Daniël bleef daar tot het eerste jaar van koning Kores. |
21 And Daniel continued [even] unto the first year of king Cyrus. |
21 En Daniel bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe. |
|
DN 2:1 In het tweede jaar nu der regering van
Nebukadnessar had Nebukadnessar een droom, waardoor zijn geest verontrust
werd en het met zijn slaap gedaan was. |
1 And in the second year of the reign of Nebuchadnezzar Nebuchadnezzar
dreamed dreams, wherewith his spirit was troubled, and his sleep brake
from him. |
1 In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnezar, droomde
Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd
in hem gebroken. |
|
DN 2:2 Toen gebood de koning, dat men de geleerden, de bezweerders, de
tovenaars en de Chaldeeën zou roepen, om de koning zijn droom te
verklaren; en zij kwamen en stonden vóór de koning. |
2 Then the king commanded to call the magicians, and the astrologers,
and the sorcerers, and the Chaldeans, for to shew the king his dreams. So
they came and stood before the king. |
2 Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de
sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeen, om den koning zijn
dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht
des konings. |
|
DN 2:3 De koning zeide tot hen: Ik heb een droom gehad, en mijn geest
is verontrust, zodat ik die droom wil verstaan. |
3 And the king said unto them, I have dreamed a dream, and my spirit
was troubled to know the dream. |
3 En de koning zeide tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest
is ontsteld om dien droom te weten. |
|
DN 2:4 Toen spraken de Chaldeeën tot de koning: [Aramees] O, koning,
leef in eeuwigheid! Zeg uw dienaren de droom en wij zullen de uitlegging
te kennen geven. |
4 Then spake the Chaldeans to the king in Syriack, O king, live for
ever: tell thy servants the dream, and we will shew the interpretation. |
4 Toen spraken de Chaldeen, tot den koning in het Syrisch: O koning,
leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging
te kennen geven. |
|
DN 2:5 De koning gaf de Chaldeeën ten antwoord: Het besluit staat bij
mij vast; indien gij mij de droom met zijn uitlegging niet bekendmaakt,
zult gij in stukken gehouwen worden en uw huizen zullen tot een puinhoop
worden gemaakt, |
5 The king answered and said to the Chaldeans, The thing is gone from
me: if ye will not make known unto me the dream, with the interpretation
thereof, ye shall be cut in pieces, and your houses shall be made a
dunghill. |
5 De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeen: De zaak is mij
ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt,
gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop
gemaakt worden. |
|
DN 2:6 maar indien gij de droom met zijn uitlegging te kennen kunt
geven, zult gij geschenken en gaven en grote eer van mij ontvangen; geeft
mij dus de droom met zijn uitlegging te kennen. |
6 But if ye shew the dream, and the interpretation thereof, ye shall
receive of me gifts and rewards and great honour: therefore shew me the
dream, and the interpretation thereof. |
6 Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft,
zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom
geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen. |
|
DN 2:7 Zij gaven opnieuw ten antwoord: De koning zegge zijn dienaren de
droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven. |
7 They answered again and said, Let the king tell his servants the
dream, and we will shew the interpretation of it. |
7 Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn
knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven. |
|
DN 2:8 De koning gaf ten antwoord: Ik begrijp heel goed, dat gij tijd
zoekt te winnen, omdat gij ziet, dat het besluit bij mij vaststaat, |
8 The king answered and said, I know of certainty that ye would gain
the time, because ye see the thing is gone from me. |
8 De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den
tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is. |
|
DN 2:9 dat één vonnis u treft, indien gij mij de droom niet kunt
bekendmaken; en gij hebt afgesproken mij iets leugenachtigs en slechts te
zeggen, totdat de toestand zich wijzigt. Zegt mij dus de droom, opdat ik
weet, dat gij mij de uitlegging ervan kunt te kennen geven. |
9 But if ye will not make known unto me the dream, [there is but] one
decree for you: for ye have prepared lying and corrupt words to speak
before me, till the time be changed: therefore tell me the dream, and I
shall know that ye can shew me the interpretation thereof. |
9 Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis
is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te
zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan
zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven. |
|
DN 2:10 De Chaldeeën gaven de koning ten antwoord: Er is geen mens op
de aardbodem die het door de koning gevraagde zal kunnen te kennen geven;
daarom heeft dan ook geen koning, hoe groot en machtig ook, iets
dergelijks van enige geleerde of bezweerder of Chaldeeër gevraagd. |
10 The Chaldeans answered before the king, and said, There is not a man
upon the earth that can shew the king's matter: therefore [there is] no
king, lord, nor ruler, [that] asked such things at any magician, or
astrologer, or Chaldean. |
10 De Chaldeen antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens
op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom
is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van
enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer. |
|
DN 2:11 Wat de koning vraagt, is te zwaar, en er is niemand anders, die
het de koning zal kunnen te kennen geven dan de goden, die echter niet bij
de stervelingen wonen. |
11 And [it is] a rare thing that the king requireth, and there is none
other that can shew it before the king, except the gods, whose dwelling is
not with flesh. |
11 Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand
anders, die dezelve voor den koning te kennen [kan] geven, dan de goden,
welker woning bij het vlees niet is. |
|
DN 2:12 De koning werd hierover ten zeerste vergramd en toornig, en hij
beval al de wijzen van Babel ter dood te brengen. |
12 For this cause the king was angry and very furious, and commanded to
destroy all the wise [men] of Babylon. |
12 Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zeide, dat men
al de wijzen te Babel zou ombrengen. |
|
DN 2:13 Toen het bevel werd uitgevaardigd, dat de wijzen gedood zouden
worden, liepen ook Daniël en diens metgezellen gevaar gedood te worden. |
13 And the decree went forth that the wise [men] should be slain; and
they sought Daniel and his fellows to be slain. |
13 Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook
Daniel en zijn metgezellen, om gedood te worden. |
|
DN 2:14 Toen richtte zich Daniël op verstandige en gepaste wijze tot
Arjok, de overste der koninklijke lijfwacht, die uitgetrokken was om de
wijzen van Babel te doden; |
14 Then Daniel answered with counsel and wisdom to Arioch the captain
of the king's guard, which was gone forth to slay the wise [men] of
Babylon: |
14 Toen bracht Daniel een raad en oordeel in, aan Arioch, den overste
der trawanten des konings, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te
doden. |
|
DN 2:15 hij nam het woord en zeide tot Arjok, de koninklijke
machthebber: Waarom is dit strenge bevel door de koning uitgevaardigd?
Daarop maakte Arjok Daniël de zaak bekend. |
15 He answered and said to Arioch the king's captain, Why [is] the
decree [so] hasty from the king? Then Arioch made the thing known to
Daniel. |
15 Hij antwoordde en zeide tot Arioch, den bevelhebber des konings:
Waarom zou de wet van ‘s konings wege [zo] verhaast worden? Toen gaf
Arioch aan Daniel de zaak te kennen. |
|
DN 2: 16 Toen ging Daniël tot de koning en verzocht, dat deze hem
enige tijd zou gunnen om de uitlegging aan de koning te kennen te geven. |
16 Then Daniel went in, and desired of the king that he would give him
time, and that he would shew the king the interpretation. |
16 En Daniel ging in, en verzocht van den koning, dat hij hem een
bestemden tijd wilde geven, dat hij den koning de uitlegging te kennen
gave. |
|
DN 2:17 Daarop ging Daniël naar zijn huis en maakte zijn metgezellen
Chananja, Misaël en Azarja de zaak bekend, |
17 Then Daniel went to his house, and made the thing known to Hananiah,
Mishael, and Azariah, his companions: |
17 Toen ging Daniel naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn
metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen; |
|
DN 2:18 en (zeide) dat zij barmhartigheid moesten afsmeken van de God
des hemels betreffende deze verborgenheid - opdat men Daniël en zijn
metgezellen niet zou ter dood brengen met de overige wijzen van Babel. |
18 That they would desire mercies of the God of heaven concerning this
secret; that Daniel and his fellows should not perish with the rest of the
wise [men] of Babylon. |
18 Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over
deze verborgenheid, dat Daniel en zijn metgezellen met de overige wijzen
van Babel niet omkwamen. |
|
DN 2:19 Toen werd de verborgenheid aan Daniël in een nachtgezicht
geopenbaard. Daarop loofde Daniël de God des hemels; |
19 Then was the secret revealed unto Daniel in a night vision. Then
Daniel blessed the God of heaven. |
19 Toen werd aan Daniel in een nachtgezicht de verborgenheid
geopenbaard; toen loofde Daniel den God des hemels. |
|
DN 2:20 Daniël hief aan en zeide: Geprezen zij de naam Gods van
eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht! |
20 Daniel answered and said, Blessed be the name of God for ever and
ever: for wisdom and might are his: |
20 Daniel antwoordde en zeide: De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid
tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht. |
|
DN 2:21 Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en
stelt koningen aan, Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die
inzicht hebben. |
21 And he changeth the times and the seasons: he removeth kings, and
setteth up kings: he giveth wisdom unto the wise, and knowledge to them
that know understanding: |
21 Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en
Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap
dengenen, die verstand hebben; |
|
DN 2:22 Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet
wat in het duister is, en het licht woont bij Hem. |
22 He revealeth the deep and secret things: he knoweth what [is] in the
darkness, and the light dwelleth with him. |
22 Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het
duister is, want het licht woont bij Hem. |
|
DN 2:23 U, o God mijner vaderen, loof en roem ik, omdat Gij mij
wijsheid en kracht verleend hebt, en mij thans hebt bekendgemaakt wat wij
van U gesmeekt hebben, daar Gij ons immers de zaak des konings hebt
bekendgemaakt. |
23 I thank thee, and praise thee, O thou God of my fathers, who hast
given me wisdom and might, and hast made known unto me now what we desired
of thee: for thou hast [now] made known unto us the king's matter. |
23 Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid
en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U
verzocht hebben, want Gij hebt ons des konings zaak bekend gemaakt. |
|
DN 2:24 Derhalve ging Daniël naar Arjok, aan wie de koning had
opgedragen de wijzen van Babel ter dood te brengen; hij ging en sprak
aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet ter dood, leid mij tot de
koning en ik zal de koning de uitlegging te kennen geven. |
24 Therefore Daniel went in unto Arioch, whom the king had ordained to
destroy the wise [men] of Babylon: he went and said thus unto him; Destroy
not the wise [men] of Babylon: bring me in before the king, and I will
shew unto the king the interpretation. |
24 Daarom ging Daniel in tot Arioch, dien de koning gesteld had om de
wijzen van Babel om te brengen; hij ging henen en zeide aldus tot hem:
Breng de wijzen van Babel niet om, [maar] breng mij in voor den koning, en
ik zal den koning de uitlegging te kennen geven. |
|
DN 2:25 Toen bracht Arjok Daniël inderhaast tot de koning en zeide
aldus tot hem: Ik heb een man gevonden onder de ballingen van Juda, die de
koning de uitlegging kan bekendmaken. |
25 Then Arioch brought in Daniel before the king in haste, and said
thus unto him, I have found a man of the captives of Judah, that will make
known unto the king the interpretation. |
25 Toen bracht Arioch met haast Daniel in voor den koning, en hij sprak
alzo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda
gevonden, die den koning de uitlegging zal bekend maken. |
|
DN 2:26 De koning richtte het woord tot Daniël, wiens naam Beltesassar
was: Zijt gij in staat mij de droom die ik gezien heb, met zijn uitlegging
bekend te maken? |
26 The king answered and said to Daniel, whose name [was] Belteshazzar,
Art thou able to make known unto me the dream which I have seen, and the
interpretation thereof? |
26 De koning antwoordde en zeide tot Daniel, wiens naam Beltsazar was:
Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom, dien ik gezien heb, en
zijn uitlegging? |
|
DN 2:27 Daniël gaf de koning ten antwoord: De verborgenheid waarnaar
de koning vraagt, kunnen geen wijzen, bezweerders, geleerden of
waarzeggers de koning te kennen geven. |
27 Daniel answered in the presence of the king, and said, The secret
which the king hath demanded cannot the wise [men], the astrologers, the
magicians, the soothsayers, shew unto the king; |
27 Daniel antwoordde voor den koning, en zeide: De verborgenheid, die
de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, [en] de
waarzeggers den koning niet te kennen geven; |
|
DN 2:28 Maar er is een God in de hemel, die verborgenheden openbaart;
Hij heeft de koning Nebukadnessar bekendgemaakt wat in de toekomende dagen
geschieden zal. Uw droom en de gezichten die u op uw legerstede voor ogen
kwamen, waren deze: |
28 But there is a God in heaven that revealeth secrets, and maketh
known to the king Nebuchadnezzar what shall be in the latter days. Thy
dream, and the visions of thy head upon thy bed, are these; |
28 Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die
heeft den koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het
laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn
deze: |
|
DN 2:29 bij u, o koning, rezen, terwijl gij op uw legerstede laagt,
gedachten op over wat er na dezen geschieden zou, en Hij, die
verborgenheden openbaart, heeft u bekendgemaakt wat er geschieden zal. |
29 As for thee, O king, thy thoughts came [into thy mind] upon thy bed,
what should come to pass hereafter: and he that revealeth secrets maketh
known to thee what shall come to pass. |
29 Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat
hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te
kennen gegeven, wat er geschieden zal. |
|
DN 2:30 Mij nu is deze verborgenheid geopenbaard, niet door een
wijsheid, die ik zou bezitten boven alle levenden, maar opdat de
uitlegging de koning bekend zou worden gemaakt, en dat gij de gedachten
van uw hart zoudt kennen. |
30 But as for me, this secret is not revealed to me for [any] wisdom
that I have more than any living, but for [their] sakes that shall make
known the interpretation to the king, and that thou mightest know the
thoughts of thy heart. |
30 Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die
in mij is boven alle levenden; maar daarom, opdat men den koning de
uitlegging zou bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zoudt
weten. |
|
DN 2:31 Gij, o koning, hadt een gezicht, en zie, er was een groot
beeld! Dit beeld was hoog, en de glans ervan was buitengewoon; het stond
vóór u, en de aanblik ervan was schrikwekkend. |
31 Thou, O king, sawest, and behold a great image. This great image,
whose brightness [was] excellent, stood before thee; and the form thereof
[was] terrible. |
31 Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was
treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend), staande tegen u over; en
zijn gedaante was schrikkelijk. |
|
DN 2:32 Het hoofd van dat beeld was van gedegen goud, zijn borst en
armen waren van zilver, zijn buik en lendenen van koper, |
32 This image's head [was] of fine gold, his breast and his arms of
silver, his belly and his thighs of brass, |
32 Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen
van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper; |
|
DN 2:33 zijn benen van ijzer, zijn voeten deels van ijzer deels van
leem. |
33 His legs of iron, his feet part of iron and part of clay. |
33 Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en
eensdeels van leem. |
|
DN 2:34 Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van
mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en
leem en deze verbrijzelde; |
34 Thou sawest till that a stone was cut out without hands, which smote
the image upon his feet [that were] of iron and clay, and brake them to
pieces. |
34 [Dit] zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen,
die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze. |
|
DN 2:35 toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het
zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer
in de zomer, en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te
vinden was; maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote
berg, die de gehele aarde vulde. |
35 Then was the iron, the clay, the brass, the silver, and the gold,
broken to pieces together, and became like the chaff of the summer
threshingfloors; and the wind carried them away, that no place was found
for them: and the stone that smote the image became a great mountain, and
filled the whole earth. |
35 Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en
goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind
nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen,
die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de
gehele aarde vervulde. |
|
DN 2:36 Dit is de droom, en de uitlegging daarvan zullen wij de koning
zeggen: |
36 This [is] the dream; and we will tell the interpretation thereof
before the king. |
36 Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor de koning
zeggen. |
|
DN 2:37 Gij, o koning, koning der koningen, aan wie de God des hemels
het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft, |
37 Thou, O king, [art] a king of kings: for the God of heaven hath
given thee a kingdom, power, and strength, and glory. |
37 Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels
heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven; |
|
DN 2:38 ja, in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de
dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die Hij tot
heerser over die alle heeft gemaakt - gij zijt dat gouden hoofd. |
38 And wheresoever the children of men dwell, the beasts of the field
and the fowls of the heaven hath he given into thine hand, and hath made
thee ruler over them all. Thou [art] this head of gold. |
38 En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds
en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot
een heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd. |
|
DN 2:39 Doch na u zal een ander koninkrijk ontstaan, geringer dan het
uwe; en, weer een ander, een derde koninkrijk, van koper, dat heersen zal
over de gehele aarde; |
39 And after thee shall arise another kingdom inferior to thee, and
another third kingdom of brass, which shall bear rule over all the earth. |
39 En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna
een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de
gehele aarde. |
|
DN 2:40 en een vierde koninkrijk zal hard zijn als ijzer; juist zoals
ijzer alles verbrijzelt en vermorzelt; en gelijk ijzer, dat vergruizelt,
zal dit die allen verbrijzelen en vergruizelen. |
40 And the fourth kingdom shall be strong as iron: forasmuch as iron
breaketh in pieces and subdueth all [things]: and as iron that breaketh
all these, shall it break in pieces and bruise. |
40 En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het
ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles
verbreekt, [alzo] zal het vermalen en verbreken. |
|
DN 2:41 En dat gij de voeten en de tenen gezien hebt deels van
pottenbakkersleem en deels van ijzer, betekent, dat dit een verdeeld
koninkrijk wezen zal: wel zal het iets van de hardheid van het ijzer aan
zich hebben, juist zoals gij gezien hebt ijzer gemengd met kleiachtig
leem, |
41 And whereas thou sawest the feet and toes, part of potters' clay,
and part of iron, the kingdom shall be divided; but there shall be in it
of the strength of the iron, forasmuch as thou sawest the iron mixed with
miry clay. |
41 En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van
pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk
zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien
gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem; |
|
DN 2:42 en de tenen der voeten deels van ijzer en deels van leem; ten
dele zal dat koninkrijk hard zijn, en ten dele zal het broos zijn. |
42 And [as] the toes of the feet [were] part of iron, and part of clay,
[so] the kingdom shall be partly strong, and partly broken. |
42 En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat
koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos. |
|
DN 2:43 Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem,
betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met
elkander geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt
met leem. |
43 And whereas thou sawest iron mixed with miry clay, they shall mingle
themselves with the seed of men: but they shall not cleave one to another,
even as iron is not mixed with clay. |
43 En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen
zich [wel] door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den
ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt. |
|
DN 2:44 Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een
koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en
waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al
die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal
het bestaan in eeuwigheid, |
44 And in the days of these kings shall the God of heaven set up a
kingdom, which shall never be destroyed: and the kingdom shall not be left
to other people, [but] it shall break in pieces and consume all these
kingdoms, and it shall stand for ever. |
44 Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een
Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en
dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die
koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle
eeuwigheid bestaan. |
|
DN 2:45 juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van
mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het
leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning
bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn
uitlegging betrouwbaar. |
45 Forasmuch as thou sawest that the stone was cut out of the mountain
without hands, and that it brake in pieces the iron, the brass, the clay,
the silver, and the gold; the great God hath made known to the king what
shall come to pass hereafter: and the dream [is] certain, and the
interpretation thereof sure. |
45 Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen
afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud
vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna
geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker. |
|
DN 2:46 Toen wierp koning Nebukadnessar zich op zijn aangezicht, en
aanbad Daniël; ook beval hij een offer en reukwerk aan hem op te dragen. |
46 Then the king Nebuchadnezzar fell upon his face, and worshipped
Daniel, and commanded that they should offer an oblation and sweet odours
unto him. |
46 Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad
Daniel; en hij zeide, dat men hem [met] spijsoffer en liefelijk reukwerk
een drankoffer doen zou. |
|
DN 2:47 De koning gaf Daniël ten antwoord: In waarheid, uw God is de
God der goden en de Heer der koningen, en Hij openbaart verborgenheden:
daarom hebt gij deze verborgenheid kunnen openbaren. |
47 The king answered unto Daniel, and said, Of a truth [it is], that
your God [is] a God of gods, and a Lord of kings, and a revealer of
secrets, seeing thou couldest reveal this secret. |
47 De koning antwoordde Daniel en zeide: Het is de waarheid, dat
ulieder God een God der goden is, en een Heere der koningen, en Die de
verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen
openbaren. |
|
DN 2:48 Toen verhief de koning Daniël en schonk hem vele, grote
geschenken; ja, hij maakte hem tot heerser over het gehele gewest Babel en
tot opperhoofd over alle wijzen van Babel. |
48 Then the king made Daniel a great man, and gave him many great
gifts, and made him ruler over the whole province of Babylon, and chief of
the governors over all the wise [men] of Babylon. |
48 Toen maakte de koning Daniel groot, en hij gaf hem vele grote
geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van
Babel, en een overste der overheden over al de wijzen van Babel. |
|
DN 2:49 Op Daniëls verzoek droeg de koning het bestuur van het gewest
Babel op aan Sadrak, Mesak en Abednego, terwijl Daniël aan het hof des
konings bleef. |
49 Then Daniel requested of the king, and he set Shadrach, Meshach, and
Abednego, over the affairs of the province of Babylon: but Daniel [sat] in
the gate of the king. |
49 Toen verzocht Daniel van den koning; en hij stelde Sadrach, Mesach
en Abed-nego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniel
[bleef] aan de poort des konings. |
|
DN 3:1 Koning Nebukadnessar maakte een gouden beeld,
waarvan de hoogte zestig en de breedte zes el bedroeg; hij stelde het op
in de vlakte Dura in het gewest Babel. |
1 Nebuchadnezzar the king made an image of gold, whose height [was]
threescore cubits, [and] the breadth thereof six cubits: he set it up in
the plain of Dura, in the province of Babylon. |
1 De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was
zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura,
in het landschap van Babel. |
|
DN 3:2 En koning Nebukadnessar liet de stadhouders, de oversten, de
landvoogden, de staatsraden, de schatbewaarders, de rechters, de
bewindvoerders, ja alle bestuurders der gewesten bijeenroepen, om de
inwijding bij te wonen van het beeld, dat koning Nebukadnessar had
opgericht. |
2 Then Nebuchadnezzar the king sent to gather together the princes, the
governors, and the captains, the judges, the treasurers, the counsellors,
the sheriffs, and all the rulers of the provinces, to come to the
dedication of the image which Nebuchadnezzar the king had set up. |
2 En de koning Nebukadnezar zond henen, om te verzamelen, de
stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de
schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der
landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk
de koning Nebukadnezar had opgericht. |
|
DN 3:3 Toen kwamen de stadhouders, de oversten, de landvoogden, de
staatsraden, de schatbewaarders, de rechters, de bewindvoerders, ja alle
bestuurders der gewesten bijeen voor de inwijding van het beeld dat koning
Nebukadnessar had opgericht, en zij stelden zich op vóór het beeld dat
Nebukadnessar had opgericht. |
3 Then the princes, the governors, and captains, the judges, the
treasurers, the counsellors, the sheriffs, and all the rulers of the
provinces, were gathered together unto the dedication of the image that
Nebuchadnezzar the king had set up; and they stood before the image that
Nebuchadnezzar had set up. |
3 Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden,
de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de
heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de
koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat
Nebukadnezar had opgericht. |
|
DN 3:4 En een heraut riep met luider stem: Aldus wordt u bevolen, gij
volken, natiën en talen: |
4 Then an herald cried aloud, To you it is commanded, O people,
nations, and languages, |
4 En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij
natien, en tongen! |
|
DN 3:5 zodra gij hoort het geluid van hoorn, fluit, citer, luit, harp,
doedelzak en allerlei soort van muziekinstrumenten, zult gij u ter aarde
werpen en het gouden beeld aanbidden, dat koning Nebukadnessar heeft
opgericht; |
5 [That] at what time ye hear the sound of the cornet, flute, harp,
sackbut, psaltery, dulcimer, and all kinds of musick, ye fall down and
worship the golden image that Nebuchadnezzar the king hath set up: |
5 Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der
citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten
van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld,
hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht; |
|
DN 3:6 en ieder die zich niet ter aarde werpt en aanbidt, zal
ogenblikkelijk in de brandende vuuroven geworpen worden. |
6 And whoso falleth not down and worshippeth shall the same hour be
cast into the midst of a burning fiery furnace. |
6 En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het
midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden. |
|
DN 3:7 Derhalve wierpen alle volken, natiën en tongen zich ter aarde,
zodra zij het geluid van hoorn, fluit, citer, luit, harp en allerlei soort
van muziekinstrumenten hoorden, en aanbaden het gouden beeld dat koning
Nebukadnessar had opgericht. |
7 Therefore at that time, when all the people heard the sound of the
cornet, flute, harp, sackbut, psaltery, and all kinds of musick, all the
people, the nations, and the languages, fell down [and] worshipped the
golden image that Nebuchadnezzar the king had set up. |
7 Daarom te dier tijd, als al die volken hoorden het geluid des hoorns,
der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en allerlei soorten der
muziek, alle volken, natien, en tongen nedervallende, aanbaden het gouden
beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht. |
|
DN 3:8 Terzelfder tijd traden Chaldeeuwse mannen met een beschuldiging
dienaangaande tegen de Judeeërs naar voren. |
8 Wherefore at that time certain Chaldeans came near, and accused the
Jews. |
8 Daarom naderden even ter zelfder tijd Chaldeeuwse mannen, die de
Joden openlijk beschuldigden; |
|
DN 3:9 Zij namen het woord en zeiden tot koning Nebukadnessar: O
koning, leef in eeuwigheid! |
9 They spake and said to the king Nebuchadnezzar, O king, live for
ever. |
9 Zij antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: O koning! leef
in der eeuwigheid! |
|
DN 3:10 Gij, o koning, hebt bevel gegeven, dat iedereen die het geluid
hoort van hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei soort van
muziekinstrumenten, zich ter aarde werpen zal en het gouden beeld
aanbidden, |
10 Thou, O king, hast made a decree, that every man that shall hear the
sound of the cornet, flute, harp, sackbut, psaltery, and dulcimer, and all
kinds of musick, shall fall down and worship the golden image: |
10 Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen
zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der
psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek,
nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden; |
|
DN 3:11 en dat ieder die zich niet ter aarde nederwerpt en aanbidt, in
de brandende vuuroven zal geworpen worden. |
11 And whoso falleth not down and worshippeth, [that] he should be cast
into the midst of a burning fiery furnace. |
11 En wie niet nederviel, en aanbad, die zou in het midden van den oven
des brandenden vuurs geworpen worden. |
|
DN 3:12 Er zijn Judeese mannen, aan wie gij het bestuur van het gewest
Babel hebt opgedragen: Sadrak, Mesak en Abednego; deze mannen hebben zich
aan u, o koning, niet gestoord: uw goden vereren zij niet, en het gouden
beeld dat gij hebt opgericht, aanbidden zij niet. |
12 There are certain Jews whom thou hast set over the affairs of the
province of Babylon, Shadrach, Meshach, and Abednego; these men, O king,
have not regarded thee: they serve not thy gods, nor worship the golden
image which thou hast set up. |
12 Er zijn Joodse mannen, die gij over de bediening van het landschap
van Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen hebben,
o koning! op u geen acht gesteld; uw goden eren zij niet, en zij bidden
het gouden beeld niet aan, hetwelk gij opgericht hebt. |
|
DN 3:13 Daarop gebood Nebukadnessar in toorn en grimmigheid Sadrak,
Mesak en Abednego te halen. Toen die mannen vóór de koning gebracht
waren, |
13 Then Nebuchadnezzar in [his] rage and fury commanded to bring
Shadrach, Meshach, and Abednego. Then they brought these men before the
king. |
13 Toen zeide Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach,
Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor den
koning gebracht. |
|
DN 3:14 nam Nebukadnessar het woord en zeide tot hen: Is het met opzet,
Sadrak, Mesak en Abednego, dat gij mijn goden niet vereert en het gouden
beeld dat ik heb opgericht, niet wilt aanbidden? |
14 Nebuchadnezzar spake and said unto them, [Is it] true, O Shadrach,
Meshach, and Abednego, do not ye serve my gods, nor worship the golden
image which I have set up? |
14 Nebukadnezar antwoordde en zeide tot hen: Is het met opzet, Sadrach,
Mesach en Abed-nego, dat gijlieden mijn goden niet eert, en het gouden
beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt? |
|
DN 3:15 Nu dan, indien gij bereid zijt, zodra gij het geluid van hoorn,
fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei soort van
muziekinstrumenten hoort, u ter aarde te werpen en het beeld te aanbidden,
dat ik gemaakt heb . . . maar indien gij niet aanbidt, zult gij
ogenblikkelijk in de brandende vuuroven geworpen worden; en wie is de god,
die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden? |
15 Now if ye be ready that at what time ye hear the sound of the
cornet, flute, harp, sackbut, psaltery, and dulcimer, and all kinds of
musick, ye fall down and worship the image which I have made; [well]: but
if ye worship not, ye shall be cast the same hour into the midst of a
burning fiery furnace; and who [is] that God that shall deliver you out of
my hands? |
15 Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde, als gij horen
zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren,
en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, nedervalt, en aanbidt
het beeld, dat ik gemaakt heb, [zo] [is] [het] [wel]; maar zo gijlieden
het niet aanbidt; ter zelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het
midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, Die ulieden
uit mijn handen verlossen zou? |
|
DN 3:16 Toen antwoordden Sadrak, Mesak en Abednego de koning
Nebukadnessar: Wij achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven. |
16 Shadrach, Meshach, and Abednego, answered and said to the king, O
Nebuchadnezzar, we [are] not careful to answer thee in this matter. |
16 Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot den koning
Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden. |
|
DN 3:17 Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden,
dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning,
bevrijden; |
17 If it be [so], our God whom we serve is able to deliver us from the
burning fiery furnace, and he will deliver [us] out of thine hand, O king. |
17 Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te
verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal [ons] uit uw hand,
o koning! verlossen. |
|
DN 3:18 maar zelfs indien niet - het zij u bekend, o koning, dat wij uw
goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet
aanbidden. |
18 But if not, be it known unto thee, O king, that we will not serve
thy gods, nor worship the golden image which thou hast set up. |
18 Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen
eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden. |
|
DN 3:19 Toen werd Nebukadnessar vervuld met gramschap, en zijn
gelaatsuitdrukking veranderde tegen Sadrak, Mesak en Abednego; hij
antwoordde en gebood, dat men de oven zevenmaal heter zou stoken dan
gewoonlijk, |
19 Then was Nebuchadnezzar full of fury, and the form of his visage was
changed against Shadrach, Meshach, and Abednego: [therefore] he spake, and
commanded that they should heat the furnace one seven times more than it
was wont to be heated. |
19 Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en de gedaante zijns
aangezichts veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde
en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet zou maken dan men dien
pleegt heet te maken. |
|
DN 3:20 en aan enige mannen, van de sterksten uit zijn leger, gaf hij
bevel Sadrak, Mesak en Abednego te binden en in de brandende vuuroven te
werpen. |
20 And he commanded the most mighty men that [were] in his army to bind
Shadrach, Meshach, and Abednego, [and] to cast [them] into the burning
fiery furnace. |
20 En tot de sterkste mannen van kracht, die in zijn heir waren, zeide
hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om te werpen in
den oven des brandenden vuurs. |
|
DN 3:21 Toen werden die mannen gebonden, met hun mantels, broeken,
mutsen en overige klederen aan, en in de brandende vuuroven geworpen. |
21 Then these men were bound in their coats, their hosen, and their
hats, and their [other] garments, and were cast into the midst of the
burning fiery furnace. |
21 Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, en hun
hoeden, en hun [andere] klederen, en zij wierpen hen in het midden van den
oven des brandenden vuurs. |
|
DN 3:22 Omdat nu het bevel des konings streng was en de oven bovenmatig
was opgestookt, doodde de vlam van het vuur de mannen die Sadrak, Mesak en
Abednego naar boven gebracht hadden. |
22 Therefore because the king's commandment was urgent, and the furnace
exceeding hot, the flame of the fire slew those men that took up Shadrach,
Meshach, and Abednego. |
22 Daarom dan, dewijl het woord des konings aandreef, en de oven zeer
heet was, zo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en
Abed-nego opgeheven hadden, gedood. |
|
DN 3:23 En die drie mannen, Sadrak, Mesak en Abednego, vielen gebonden
in de brandende vuuroven. |
23 And these three men, Shadrach, Meshach, and Abednego, fell down
bound into the midst of the burning fiery furnace. |
23 Maar [als] die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, in het
midden van den oven des brandenden vuurs, gebonden zijnde, gevallen waren, |
|
DN 3:24 Toen schrok koning Nebukadnessar en stond ijlings op; hij nam
het woord en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen
gebonden in het vuur geworpen? Zij antwoordden de koning: Zeker, o koning. |
24 Then Nebuchadnezzar the king was astonied, and rose up in haste,
[and] spake, and said unto his counsellors, Did not we cast three men
bound into the midst of the fire? They answered and said unto the king,
True, O king. |
24 Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en hij stond op in der
haast, antwoordde en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie
mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden
en zeiden tot den koning: Het is gewis, o koning! |
|
DN 3:25 Hij zeide: Zie, ik zie vier mannen vrij wandelen midden in het
vuur, en zij hebben geen letsel, en het uiterlijk van de vierde gelijkt op
dat van een zoon der goden! |
25 He answered and said, Lo, I see four men loose, walking in the midst
of the fire, and they have no hurt; and the form of the fourth is like the
Son of God. |
25 Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in
het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des
vierden is gelijk eens zoons der goden. |
|
DN 3:26 Toen trad Nebukadnessar op de deur van de brandende vuuroven
toe; hij nam het woord en zeide: Sadrak, Mesak en Abednego, gij dienaars
van de allerhoogste God, treedt naar buiten en komt hier! Toen kwamen
Sadrak, Mesak en Abednego uit het vuur. |
26 Then Nebuchadnezzar came near to the mouth of the burning fiery
furnace, [and] spake, and said, Shadrach, Meshach, and Abednego, ye
servants of the most high God, come forth, and come [hither]. Then
Shadrach, Meshach, and Abednego, came forth of the midst of the fire. |
26 Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van den oven des brandenden
vuurs, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abed-nego, gij knechten
des allerhoogsten Gods! gaat uit en komt hier! Toen gingen Sadrach, Mesach
en Abed-nego uit het midden des vuurs. |
|
DN 3:27 En de stadhouders, de oversten, de landvoogden en de raadsheren
des konings kwamen bijeen; zij zagen, dat het vuur geen macht had gehad
over de lichamen van deze mannen, dat hun hoofdhaar niet was geschroeid,
dat hun mantels ongeschonden gebleven waren, ja, dat er zelfs geen
brandlucht aan hen gekomen was. |
27 And the princes, governors, and captains, and the king's
counsellors, being gathered together, saw these men, upon whose bodies the
fire had no power, nor was an hair of their head singed, neither were
their coats changed, nor the smell of fire had passed on them. |
27 Toen vergaderden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en
de raadsheren des konings, deze mannen beziende, omdat het vuur over hun
lichamen niet geheerst had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was,
en hun mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk des vuurs daardoor
niet gegaan was. |
|
DN 3:28 Nebukadnessar hief aan en zeide: Geloofd zij de God van Sadrak,
Mesak en Abednego! Hij heeft zijn engel gezonden en zijn dienaren bevrijd,
die zich op Hem hebben verlaten, het bevel des konings hebben overtreden,
en hun lichamen prijsgegeven, omdat zij geen enkele god willen vereren of
aanbidden dan alleen hun God. |
28 [Then] Nebuchadnezzar spake, and said, Blessed [be] the God of
Shadrach, Meshach, and Abednego, who hath sent his angel, and delivered
his servants that trusted in him, and have changed the king's word, and
yielded their bodies, that they might not serve nor worship any god,
except their own God. |
28 Nebukadnezar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach,
Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost
heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hun
lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan
hun God. |
|
DN 3:29 Daarom wordt door mij een gebod uitgevaardigd, dat ieder, tot
welk volk, tot welke natie of taal hij ook behore, die enig oneerbiedig
woord spreekt tegen de God van Sadrak, Mesak en Abednego, in stukken
gehouwen en dat zijn huis tot een puinhoop gemaakt zal worden, omdat er
geen andere god is, die zó verlossen kan. |
29 Therefore I make a decree, That every people, nation, and language,
which speak any thing amiss against the God of Shadrach, Meshach, and
Abednego, shall be cut in pieces, and their houses shall be made a
dunghill: because there is no other God that can deliver after this sort. |
29 Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en
tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en
Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop
gesteld worde; want er is geen ander God, Die alzo verlossen kan. |
|
DN 3:30 Toen bewees de koning Sadrak, Mesak en Abednego bijzondere
gunst, in het gewest Babel. |
30 Then the king promoted Shadrach, Meshach, and Abednego, in the
province of Babylon. |
30 Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in
het landschap van Babel. |
|
DN 4:1 Koning Nebukadnessar aan alle volken, natiën
en talen, die op de gehele aarde wonen: uw vrede zij groot! |
1 Nebuchadnezzar the king, unto all people, nations, and languages,
that dwell in all the earth; Peace be multiplied unto you. |
1 De koning Nebukadnezar aan alle volken, natien en tongen, die op den
gansen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd! |
|
DN 4:2 Het heeft mij behaagd de tekenen en wonderen die de allerhoogste
God aan mij gedaan heeft te verkondigen; |
2 I thought it good to shew the signs and wonders that the high God
hath wrought toward me. |
2 Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de
allerhoogste God aan mij gedaan heeft. |
|
DN 4:3 hoe groot zijn zijn tekenen en hoe machtig zijn wonderen! Zijn
koningschap is een eeuwig koningschap, en zijn heerschappij van geslacht
tot geslacht! |
3 How great [are] his signs! and how mighty [are] his wonders! his
kingdom [is] an everlasting kingdom, and his dominion [is] from generation
to generation. |
3 Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk
is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht. |
|
DN 4:4 Ik, Nebukadnessar, bevond mij rustig in mijn huis en in goede
welstand in mijn paleis; |
4 I Nebuchadnezzar was at rest in mine house, and flourishing in my
palace: |
4 Ik, Nebukadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis
groenende, |
|
DN 4:5 daar zag ik een droom, die mij verschrikte; en droombeelden op
mijn legerstede en gezichten die mij voor ogen kwamen, verontrustten mij! |
5 I saw a dream which made me afraid, and the thoughts upon my bed and
the visions of my head troubled me. |
5 Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed
had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij. |
|
DN 4:6 Toen werd door mij bevel gegeven, dat men al de wijzen van Babel
tot mij zou brengen, opdat zij mij de uitlegging van de droom zouden
bekendmaken. |
6 Therefore made I a decree to bring in all the wise [men] of Babylon
before me, that they might make known unto me the interpretation of the
dream. |
6 Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou
inbrengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitlegging van dien
droom zouden bekend maken. |
|
DN 4:7 Daarop kwamen de geleerden, de bezweerders, de Chaldeeën en de
waarzeggers, en ik vertelde hun de droom, maar zij konden mij zijn
uitlegging niet bekendmaken. |
7 Then came in the magicians, the astrologers, the Chaldeans, and the
soothsayers: and I told the dream before them; but they did not make known
unto me the interpretation thereof. |
7 Toen kwamen in de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeen en de
waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen; maar zij maakten mij zijn
uitlegging niet bekend; |
|
DN 4:8 Doch ten laatste kwam tot mij Daniël, naar de naam van mijn god
Beltesassar genoemd, in wie de geest der heilige goden woont, en ik
vertelde hem de droom: |
8 But at the last Daniel came in before me, whose name [was]
Belteshazzar, according to the name of my god, and in whom [is] the spirit
of the holy gods: and before him I told the dream, [saying], |
8 Totdat ten laatste Daniel voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is,
naar den naam mijns gods, in wien ook de geest der heilige goden is; en ik
vertelde den droom voor hem, [zeggende]: |
|
DN 4:9 Beltesassar, gij hoofd der geleerden, van wie ik weet, dat de
geest der heilige goden in u woont, en dat geen enkele verborgenheid u
moeite veroorzaakt, vertel mij de gezichten van mijn droom die ik gezien
heb, namelijk de uitlegging daarvan. |
9 O Belteshazzar, master of the magicians, because I know that the
spirit of the holy gods [is] in thee, and no secret troubleth thee, tell
me the visions of my dream that I have seen, and the interpretation
thereof. |
9 Beltsazar, gij overste der tovenaars! dewijl ik weet, dat de geest
der heilige goden in u is, zo zeg de gezichten mijns drooms, dien ik
gezien heb, te weten zijn uitlegging. |
|
DN 4:10 Wat de gezichten betreft, die mij op mijn legerstede voor ogen
kwamen, ik zag: er stond een boom midden op de aarde, van grote hoogte; |
10 Thus [were] the visions of mine head in my bed; I saw, and behold a
tree in the midst of the earth, and the height thereof [was] great. |
10 De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren [deze]: Ik zag, en
ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot. |
|
DN 4:11 die boom was groot en sterk, zijn hoogte reikte tot aan de
hemel, en hij was te zien tot aan het einde der gehele aarde; |
11 The tree grew, and was strong, and the height thereof reached unto
heaven, and the sight thereof to the end of all the earth: |
11 De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan den hemel, en
hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde; |
|
DN 4:12 zijn loof was schoon en zijn vrucht zo overvloedig, dat hij
voedsel bood voor allen; onder hem zocht het gedierte des velds schaduw en
in zijn takken nestelde het gevogelte des hemels, en al wat leeft werd
door hem gevoed. |
12 The leaves thereof [were] fair, and the fruit thereof much, and in
it [was] meat for all: the beasts of the field had shadow under it, and
the fowls of the heaven dwelt in the boughs thereof, and all flesh was fed
of it. |
12 Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan
denzelve voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de
vogelen des hemels woonden in haar takken, en alle vlees werd daarvan
gevoed. |
|
DN 4:13 Ik zag in de gezichten die mij op mijn legerstede voor ogen
kwamen, en zie, een wachter, een heilige, daalde uit de hemel neer; |
13 I saw in the visions of my head upon my bed, and, behold, a watcher
and an holy one came down from heaven; |
13 Ik zag [verder] in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en
ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel, |
|
DN 4:14 hij riep luide en sprak aldus: Houwt de boom om en kapt zijn
takken, stroopt zijn loof af en verstrooit zijn vruchten; het gedierte
vliede van onder hem weg en het gevogelte uit zijn takken; |
14 He cried aloud, and said thus, Hew down the tree, and cut off his
branches, shake off his leaves, and scatter his fruit: let the beasts get
away from under it, and the fowls from his branches: |
14 Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt
zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de
dieren van onder hem wegzwerven, en de vogelen van zijn takken; |
|
DN 4:15 laat echter zijn wortelstomp in de aarde staan, en wel omsloten
door een band van ijzer en koper, in het jonge groen van het veld; en door
de dauw des hemels worde hij bevochtigd en hij hebbe met het gedierte zijn
deel aan het gras der aarde; |
15 Nevertheless leave the stump of his roots in the earth, even with a
band of iron and brass, in the tender grass of the field; and let it be
wet with the dew of heaven, and [let] his portion [be] with the beasts in
the grass of the earth: |
15 Doch laat den stam [met] zijn wortelen in de aarde, en met een
ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in de
dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in
het kruid der aarde. |
|
DN 4:16 zijn hart worde veranderd zodat het niet meer een mensenhart
is; een dierenhart worde hem gegeven; en zeven tijden zullen over hem
voorbijgaan. |
16 Let his heart be changed from man's, and let a beast's heart be
given unto him; and let seven times pass over him. |
16 Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen [hart] meer zij, en
hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem
voorbijgaan. |
|
DN 4:17 Dit bevel berust op het besluit der wachters en deze zaak op
het woord der heiligen, opdat de levenden mogen weten, dat de Allerhoogste
macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil,
ja, zelfs de nederigste onder de mensen daarin aanstelt. |
17 This matter [is] by the decree of the watchers, and the demand by
the word of the holy ones: to the intent that the living may know that the
most High ruleth in the kingdom of men, and giveth it to whomsoever he
will, and setteth up over it the basest of men. |
17 Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het
woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste
heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze aan wien
Hij wil, ja, zet daarover den laagste onder de mensen. |
|
DN 4:18 Deze droom heb ik, koning Nebukadnessar, gezien; gij nu,
Beltesassar, zeg mij de uitlegging, omdat alle wijzen uit mijn koninkrijk
mij de uitlegging niet kunnen bekendmaken; doch gij zijt ertoe in staat,
daar de geest der heilige goden in u woont. |
18 This dream I king Nebuchadnezzar have seen. Now thou, O
Belteshazzar, declare the interpretation thereof, forasmuch as all the
wise [men] of my kingdom are not able to make known unto me the
interpretation: but thou [art] able; for the spirit of the holy gods [is]
in thee. |
18 Dezen droom heb ik, koning Nebukadnezar gezien; gij nu, Beltsazar!
zeg de uitlegging van dien, dewijl als de wijzen mijns koninkrijks mij de
uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar gij kunt wel, dewijl de
geest der heilige goden in u is. |
|
DN 4:19 Toen stond Daniël, wiens naam Beltesassar is, voor een
ogenblik verbijsterd en zijn gedachten verontrustten hem. De koning zeide:
Beltesassar, laat de droom en de uitlegging u niet verontrusten.
Beltesassar antwoordde: Mijn heer, moge de droom hun gelden, die u haten,
en zijn uitlegging uw tegenstanders. |
19 Then Daniel, whose name [was] Belteshazzar, was astonied for one
hour, and his thoughts troubled him. The king spake, and said,
Belteshazzar, let not the dream, or the interpretation thereof, trouble
thee. Belteshazzar answered and said, My lord, the dream [be] to them that
hate thee, and the interpretation thereof to thine enemies. |
19 Toen ontzette zich Daniel, wiens naam Beltsazar is, bij een uur
lang, en zijn gedachten beroerden hem. De koning antwoordde en zeide:
Beltsazar! laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren. Beltsazar
antwoordde en zeide: Mijn heer! de droom [wedervare] uw hateren, en zijn
uitlegging uw wederpartijders! |
|
DN 4:20 De boom die gij gezien hebt, die groot en sterk was, welks
hoogte tot de hemel reikte en die over de gehele aarde te zien was, |
20 The tree that thou sawest, which grew, and was strong, whose height
reached unto the heaven, and the sight thereof to all the earth; |
20 De boom, dien gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en
wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het ganse aardrijk
gezien werd; |
|
DN 4:21 welks loof schoon en welks vrucht zo overvloedig was, dat hij
voedsel bood voor allen, onder welke het gedierte des velds huisde en in
welks takken het gevogelte des hemels nestelde - |
21 Whose leaves [were] fair, and the fruit thereof much, and in it
[was] meat for all; under which the beasts of the field dwelt, and upon
whose branches the fowls of the heaven had their habitation: |
21 En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze
aan was voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde, en in wiens
takken de vogelen des hemels nestelden; |
|
DN 4:22 dat zijt gij, o koning, die groot en sterk zijt geworden, wiens
grootheid zo is toegenomen, dat zij tot aan de hemel reikt, en wiens
heerschappij zich uitstrekt tot aan het einde der aarde. |
22 It [is] thou, O king, that art grown and become strong: for thy
greatness is grown, and reacheth unto heaven, and thy dominion to the end
of the earth. |
22 Dat zijt gij, o koning! die groot en sterk zijt geworden; want uw
grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan den hemel, en uw heerschappij
aan het einde des aardrijks. |
|
DN 4:23 Dat nu de koning een wachter, een heilige, heeft zien neerdalen
uit de hemel, die zeide: Houwt de boom om en vernietigt hem, laat evenwel
zijn wortelstomp in de aarde staan, en wel omsloten door een band van
ijzer en koper, in het jonge groen van het veld, en door de dauw des
hemels worde hij bevochtigd, en zijn deel zij met het gedierte des velds,
totdat zeven tijden over hem zijn voorbijgegaan - |
23 And whereas the king saw a watcher and an holy one coming down from
heaven, and saying, Hew the tree down, and destroy it; yet leave the stump
of the roots thereof in the earth, even with a band of iron and brass, in
the tender grass of the field; and let it be wet with the dew of heaven,
and [let] his portion [be] with the beasts of the field, till seven times
pass over him; |
23 Dat nu de koning, een wachter, namelijk een heilige gezien heeft,
van den hemel afkomende, die zeide: Houwt dezen boom af, en verderft hem;
doch laat den stam [met] zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en
koperen band in het tedere gras des velds, en in de dauw des hemels nat
gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte des velds, totdat er
zeven tijden over hem voorbijgaan; |
|
DN 4:24 dit is de uitlegging, o koning, en dit is het besluit des
Allerhoogsten over mijn heer, de koning: |
24 This [is] the interpretation, O king, and this [is] the decree of
the most High, which is come upon my lord the king: |
24 Dit is de beduiding, o koning! en dit is een besluit des
Allerhoogsten, hetwelk over mijn heer, den koning komen zal: |
|
DN 4:25 men zal u verstoten uit de gemeenschap der mensen en uw
verblijf zal wezen bij het gedierte des velds; men zal u gras te eten
geven als de runderen en u door de dauw des hemels laten bevochtigen; en
zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent, dat de
Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan
wie Hij wil. |
25 That they shall drive thee from men, and thy dwelling shall be with
the beasts of the field, and they shall make thee to eat grass as oxen,
and they shall wet thee with the dew of heaven, and seven times shall pass
over thee, till thou know that the most High ruleth in the kingdom of men,
and giveth it to whomsoever he will. |
25 Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte des
velds zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als den ossen, te smaken
geven; en gij zult van den dauw des hemels nat gemaakt worden, en er
zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de
Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft
ze, wien Hij wil. |
|
DN 4:26 Dat men echter zeide de wortelstomp van de boom te laten staan,
betekent: uw koningschap zal bestendig zijn van het ogenblik af, dat gij
erkent, dat de hemel de heerschappij heeft. |
26 And whereas they commanded to leave the stump of the tree roots; thy
kingdom shall be sure unto thee, after that thou shalt have known that the
heavens do rule. |
26 Dat er ook gezegd is, dat men den stam [met] de wortelen van dien
boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij zult bekend
hebben, dat de Hemel heerst. |
|
DN 4:27 Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn: doe uw
zonden teniet door rechtvaardigheid en uw ongerechtigheden door erbarming
jegens ellendigen - of er misschien verlenging van uw rust wezen moge. |
27 Wherefore, O king, let my counsel be acceptable unto thee, and break
off thy sins by righteousness, and thine iniquities by shewing mercy to
the poor; if it may be a lengthening of thy tranquillity. |
27 Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af
door gerechtigheid, en uw ongerechtigheid door genade te bewijzen aan de
ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen. |
|
DN 4:28 Dit alles overkwam koning Nebukadnessar. |
28 All this came upon the king Nebuchadnezzar. |
28 Dit alles overkwam den koning Nebukadnezar. |
|
DN 4:29 Na verloop van twaalf maanden, toen hij aan het wandelen was op
het koninklijk paleis in Babel, |
29 At the end of twelve months he walked in the palace of the kingdom
of Babylon. |
29 [Want] op het einde van twaalf maanden, [toen] hij op het koninklijk
paleis van Babel wandelde, |
|
DN 4:30 nam de koning het woord en zeide: Is dit niet het grote Babel,
dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door de sterkte mijner
macht en tot eer mijner majesteit? |
30 The king spake, and said, Is not this great Babylon, that I have
built for the house of the kingdom by the might of my power, and for the
honour of my majesty? |
30 Sprak de koning, en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik
gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en
ter ere mijner heerlijkheid! |
|
DN 4:31 Nog was dat woord in des konings mond, toen er een stem
nederklonk uit de hemel: U wordt aangezegd, o koning Nebukadnessar: het
koningschap is van u geweken, |
31 While the word [was] in the king's mouth, there fell a voice from
heaven, [saying], O king Nebuchadnezzar, to thee it is spoken; The kingdom
is departed from thee. |
31 Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er een stem uit den
hemel: U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u
gegaan. |
|
DN 4:32 men verstoot u uit de gemeenschap der mensen en uw verblijf is
bij het gedierte des velds; gras zal men u te eten geven als aan de
runderen; en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent,
dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat
geeft aan wie Hij wil. |
32 And they shall drive thee from men, and thy dwelling [shall be] with
the beasts of the field: they shall make thee to eat grass as oxen, and
seven times shall pass over thee, until thou know that the most High
ruleth in the kingdom of men, and giveth it to whomsoever he will. |
32 En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de
beesten des velds zijn; men zal u gras te smaken geven, als den ossen, en
er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de
Allerhoogste over de koninkrijken der mensen heerschappij heeft, en dat
Hij ze geeft, aan wien Hij wil. |
|
DN 4:33 Op hetzelfde ogenblik ging dat woord aan Nebukadnessar in
vervulling, en hij werd uit de gemeenschap der mensen verstoten en at gras
als de runderen, en door de dauw des hemels werd zijn lichaam bevochtigd,
totdat zijn haar lang werd als (de veren) der arenden en zijn nagels als
die der vogels. |
33 The same hour was the thing fulfilled upon Nebuchadnezzar: and he
was driven from men, and did eat grass as oxen, and his body was wet with
the dew of heaven, till his hairs were grown like eagles' [feathers], and
his nails like birds' [claws]. |
33 Ter zelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, want hij
werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam
werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der
arenden [vederen], en zijn nagelen als der vogelen. |
|
DN 4:34 Maar na verloop van de gestelde tijd sloeg ik, Nebukadnessar,
mijn ogen op naar de hemel, en mijn verstand keerde in mij terug. Toen
prees ik de Allerhoogste en roemde en verheerlijkte ik de eeuwig Levende,
omdat zijn heerschappij een eeuwige heerschappij is en zijn koningschap
van geslacht tot geslacht. |
34 And at the end of the days I Nebuchadnezzar lifted up mine eyes unto
heaven, and mine understanding returned unto me, and I blessed the most
High, and I praised and honoured him that liveth for ever, whose dominion
[is] an everlasting dominion, and his kingdom [is] from generation to
generation: |
34 Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten
hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde den Allerhoogste,
en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is
een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht; |
|
DN 4:35 Ja, alle bewoners der aarde worden als niets geacht; Hij doet
naar zijn wil met het heer des hemels en de bewoners der aarde: en niemand
is er, die zijn hand kan weerhouden of tot Hem kan zeggen: wat doet Gij? |
35 And all the inhabitants of the earth [are] reputed as nothing: and
he doeth according to his will in the army of heaven, and [among] the
inhabitants of the earth: and none can stay his hand, or say unto him,
What doest thou? |
35 En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar
Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is
niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij? |
|
DN 4:36 Terzelfder tijd, dat mijn verstand in mij terugkeerde, keerden
ook, tot roem van mijn koningschap, mijn majesteit en mijn luister tot mij
terug; mijn raadsheren en machthebbers zochten mij weer op, ik werd in
mijn koningschap hersteld, ja, grotere heerlijkheid dan vroeger werd mij
geschonken. |
36 At the same time my reason returned unto me; and for the glory of my
kingdom, mine honour and brightness returned unto me; and my counsellors
and my lords sought unto me; and I was established in my kingdom, and
excellent majesty was added unto me. |
36 Ter zelfder tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam de
heerlijkheid mijns koninkrijks, mijn majesteit en mijn glans weder op mij;
en mijn raadsheren en mijn geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn
koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd. |
|
DN 4:37 Nu roem, verhef en verheerlijk ik, Nebukadnessar, de Koning des
hemels, wiens werken alle waarheid en wiens paden recht zijn, en die hen
die in hoogmoed wandelen, vermag te vernederen. |
37 Now I Nebuchadnezzar praise and extol and honour the King of heaven,
all whose works [are] truth, and his ways judgment: and those that walk in
pride he is able to abase. |
37 Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk den Koning des
hemels, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en
Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen. |
|
DN 5:1 Koning Belsassar richtte een grote maaltijd
aan voor zijn machthebbers, duizend in getal; en in tegenwoordigheid van
die duizend was hij aan het wijndrinken. |
1 Belshazzar the king made a great feast to a thousand of his lords,
and drank wine before the thousand. |
1 De koning Belsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend
geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend. |
|
DN 5:2 Belsassar beval bij het genot van de wijn, dat men het gouden en
zilveren gerei zou brengen, dat zijn vader Nebukadnessar uit de tempel te
Jeruzalem had weggevoerd, opdat de koning en zijn machthebbers, zijn
gemalinnen en zijn bijvrouwen daaruit zouden drinken. |
2 Belshazzar, whiles he tasted the wine, commanded to bring the golden
and silver vessels which his father Nebuchadnezzar had taken out of the
temple which [was] in Jerusalem; that the king, and his princes, his
wives, and his concubines, might drink therein. |
2 Als Belsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en
zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit den
tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en
zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelve dronken. |
|
DN 5:3 Daarop bracht men het gouden gerei dat uit de tempel, het huis
Gods te Jeruzalem, was weggevoerd, en de koning en zijn machthebbers, zijn
gemalinnen en zijn bijvrouwen, dronken daaruit; |
3 Then they brought the golden vessels that were taken out of the
temple of the house of God which [was] at Jerusalem; and the king, and his
princes, his wives, and his concubines, drank in them. |
3 Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit den tempel van het
huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en
zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit. |
|
DN 5:4 zij dronken wijn en roemden de goden van goud en zilver, koper,
ijzer, hout en steen. |
4 They drank wine, and praised the gods of gold, and of silver, of
brass, of iron, of wood, and of stone. |
4 Zij dronken den wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de
koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden. |
|
DN 5:5 Terzelfder tijd verschenen vingers van een mensenhand, die
tegenover de luchter op de kalk van de wand van het koninklijk paleis
schreven, en de koning zag de rug van de hand, die aan het schrijven was. |
5 In the same hour came forth fingers of a man's hand, and wrote over
against the candlestick upon the plaister of the wall of the king's
palace: and the king saw the part of the hand that wrote. |
5 Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die
schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het
koninklijk paleis, en de koning zag het deel der hand, die daar schreef. |
|
DN 5:6 Toen verschoot de koning van kleur, en zijn gedachten
verontrustten hem, zijn heupgewrichten werden los en zijn knieën stieten
tegen elkaar. |
6 Then the king's countenance was changed, and his thoughts troubled
him, so that the joints of his loins were loosed, and his knees smote one
against another. |
6 Toen veranderde zich de glans des konings, en zijn gedachten
verschrikten hem; en de banden zijner lendenen werden los, en zijn knieen
stieten tegen elkander aan. |
|
DN 5:7 En de koning riep met luider stem, dat men de bezweerders,
Chaldeeën en waarzeggers zou doen komen. De koning nam het woord en zeide
tot de wijzen van Babel: Ieder die dit schrift kan lezen en mij de
uitlegging daarvan kan te kennen geven, zal met purper bekleed worden, een
gouden keten zal om zijn hals gehangen worden, en hij zal als de derde in
het koninkrijk heersen. |
7 The king cried aloud to bring in the astrologers, the Chaldeans, and
the soothsayers. [And] the king spake, and said to the wise [men] of
Babylon, Whosoever shall read this writing, and shew me the interpretation
thereof, shall be clothed with scarlet, and [have] a chain of gold about
his neck, and shall be the third ruler in the kingdom. |
7 [Zodat] de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de
Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; [en] de koning antwoordde en
zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en
deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed
worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in
dit koninkrijk zijn. |
|
DN 5:8 Toen waren al de wijzen des konings, die gekomen waren, niet in
staat het schrift te lezen en de uitlegging daarvan de koning bekend te
maken. |
8 Then came in all the king's wise [men]: but they could not read the
writing, nor make known to the king the interpretation thereof. |
8 Toen kwamen al de wijzen des konings in; maar zij konden dit schrift
niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken. |
|
DN 5:9 Daarop werd koning Belsassar ten zeerste ontsteld en hij
verschoot van kleur; ook zijn machthebbers waren ontzet. |
9 Then was king Belshazzar greatly troubled, and his countenance was
changed in him, and his lords were astonied. |
9 Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem
veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd. |
|
DN 5:10 Naar aanleiding van de woorden van de koning en zijn
machthebbers trad de koningin de feestzaal binnen. De koningin nam het
woord en zeide: O, koning, leef in eeuwigheid! Laten uw gedachten u niet
verontrusten, en uw kleur verschiete niet: |
10 [Now] the queen, by reason of the words of the king and his lords,
came into the banquet house: [and] the queen spake and said, O king, live
for ever: let not thy thoughts trouble thee, nor let thy countenance be
changed: |
10 Om deze woorden des konings en zijner geweldigen, ging de koningin
in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: O koning, leef in
eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet
veranderd worden. |
|
DN 5:11 er is een man in uw koninkrijk, in wie de geest der heilige
goden woont, en in wie in de dagen van uw vader verlichting, verstand en
wijsheid, als de wijsheid der goden, gevonden werd; hem heeft koning
Nebukadnessar, uw vader, tot hoofd der geleerden, bezweerders, Chaldeeën
en waarzeggers aangesteld, - uw vader, o koning. |
11 There is a man in thy kingdom, in whom [is] the spirit of the holy
gods; and in the days of thy father light and understanding and wisdom,
like the wisdom of the gods, was found in him; whom the king
Nebuchadnezzar thy father, the king, [I say], thy father, made master of
the magicians, astrologers, Chaldeans, [and] soothsayers; |
11 Er is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden
is, want in de dagen uws vaders is bij hem gevonden licht, en verstand, en
wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; daarom stelde hem de koning
Nebukadnezar, uw vader, tot een overste der tovenaars, der sterrekijkers,
der Chaldeen, [en] der waarzeggers, uw vader, o koning! |
|
DN 5:12 Omdat dan een uitnemende geest en kennis en verstand,
uitlegging van dromen, onthulling van verborgenheden en ontwarring van
knopen in hem gevonden wordt, in Daniël, aan wie de koning de naam
Beltesassar gegeven heeft, laat dan nu Daniël geroepen worden en hij zal
de uitlegging te kennen geven. |
12 Forasmuch as an excellent spirit, and knowledge, and understanding,
interpreting of dreams, and shewing of hard sentences, and dissolving of
doubts, were found in the same Daniel, whom the king named Belteshazzar:
now let Daniel be called, and he will shew the interpretation. |
12 Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van een,
die dromen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van een, die
knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniel, dien de koning den naam
van Beltsazar gaf; laat nu Daniel geroepen worden, die zal de uitlegging
te kennen geven. |
|
DN 5:13 Toen werd Daniël tot de koning gebracht. De koning nam het
woord en zeide tot Daniël: Zijt gij die Daniël, die tot de ballingen van
Juda behoort, welke de koning, mijn vader, uit Juda heeft weggevoerd? |
13 Then was Daniel brought in before the king. [And] the king spake and
said unto Daniel, [Art] thou that Daniel, which [art] of the children of
the captivity of Judah, whom the king my father brought out of Jewry? |
13 Toen werd Daniel voor den koning ingebracht. De koning antwoordde en
zeide tot Daniel: Zijt gij die Daniel, een uit de gevankelijk weggevoerden
van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft? |
|
DN 5:14 Nu, ik heb van u gehoord, dat de geest der goden in u woont, en
dat verlichting, verstand en wijsheid in bijzondere mate in u gevonden
worden. |
14 I have even heard of thee, that the spirit of the gods [is] in thee,
and [that] light and understanding and excellent wisdom is found in thee. |
14 Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er
licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt. |
|
DN 5:15 En nu zijn tot mij gebracht de wijzen, de bezweerders, opdat
zij dit schrift zouden lezen en mij de uitlegging daarvan zouden
bekendmaken, maar zij zijn niet in staat de uitlegging van de woorden te
kennen te geven; |
15 And now the wise [men], the astrologers, have been brought in before
me, that they should read this writing, and make known unto me the
interpretation thereof: but they could not shew the interpretation of the
thing: |
15 Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen [en] de sterrekijkers, om
dit schrift te lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij
kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven. |
|
DN 5:16 maar ik heb van u gehoord, dat gij uitleggingen kunt geven en
knopen ontwarren; nu dan, indien gij het schrift kunt lezen en mij de
uitlegging daarvan kunt bekendmaken, dan zult gij met purper bekleed
worden en een gouden keten zal om uw hals gehangen worden, en gij zult als
de derde in het koninkrijk heersen. |
16 And I have heard of thee, that thou canst make interpretations, and
dissolve doubts: now if thou canst read the writing, and make known to me
the interpretation thereof, thou shalt be clothed with scarlet, and [have]
a chain of gold about thy neck, and shalt be the third ruler in the
kingdom. |
16 Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitleggingen kunt geven, en
knopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult kunnen lezen, en
deszelfs uitlegging mij bekend maken, gij zult met purper bekleed worden,
met een gouden keten om uw hals, en gij zult de derde heerser in dit
koninkrijk zijn. |
|
DN 5:17 Daarop antwoordde Daniël de koning: Behoud uw geschenken, en
schenk uw gaven aan een ander; nochtans zal ik het schrift voor de koning
lezen en hem de uitlegging bekendmaken. |
17 Then Daniel answered and said before the king, Let thy gifts be to
thyself, and give thy rewards to another; yet I will read the writing unto
the king, and make known to him the interpretation. |
17 Toen antwoordde Daniel, en zeide voor den koning: Heb uw gaven voor
uzelven, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift
voor den koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken. |
|
DN 5:18 O koning, God, de Allerhoogste, heeft uw vader Nebukadnessar
koninklijke macht, grootheid, eer en majesteit geschonken, |
18 O thou king, the most high God gave Nebuchadnezzar thy father a
kingdom, and majesty, and glory, and honour: |
18 Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader
Nebukadnezar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid
gegeven; |
|
DN 5:19 en ten gevolge van de grootheid die Hij hem geschonken had,
leefden alle volken, natiën en talen voor hem in vrees en beven; wie hij
wilde, doodde hij, en wie hij wilde, liet hij leven; wie hij wilde,
verhoogde hij, en wie hij wilde, vernederde hij. |
19 And for the majesty that he gave him, all people, nations, and
languages, trembled and feared before him: whom he would he slew; and whom
he would he kept alive; and whom he would he set up; and whom he would he
put down. |
19 En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en
sidderden alle volken, natien en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde
hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde,
verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij. |
|
DN 5:20 Maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest zich verhardde,
zodat hij overmoedig werd, is hij van zijn koninklijke troon gestoten, en
heeft men de eer van hem weggenomen; |
20 But when his heart was lifted up, and his mind hardened in pride, he
was deposed from his kingly throne, and they took his glory from him: |
20 Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter
hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam
de eer van hem weg. |
|
DN 5:21 ja, uit de gemeenschap der mensen werd hij verstoten en zijn
hart werd aan dat van de dieren gelijk, en bij de wilde ezels was zijn
verblijfplaats; men gaf hem gras te eten als aan de runderen en door de
dauw des hemels werd zijn lichaam bevochtigd, totdat hij erkende, dat God,
de Allerhoogste, macht heeft over het koningschap der mensen en daarin
aanstelt wie Hij wil. |
21 And he was driven from the sons of men; and his heart was made like
the beasts, and his dwelling [was] with the wild asses: they fed him with
grass like oxen, and his body was wet with the dew of heaven; till he knew
that the most high God ruled in the kingdom of men, and [that] he
appointeth over it whomsoever he will. |
21 En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd
den beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezelen; men gaf
hem gras te smaken gelijk den ossen; en zijn lichaam werd van den dauw des
hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser
is over de koninkrijken der mensen, en over dezelve stelt, wien Hij wil. |
|
DN 5:22 Gij echter, zijn zoon Belsassar, hebt uw hart niet
verootmoedigd, hoewel gij dit alles wist, |
22 And thou his son, O Belshazzar, hast not humbled thine heart, though
thou knewest all this; |
22 En gij, Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel
gij dit alles wel geweten hebt. |
|
DN 5:23 maar gij hebt u tegen de Heer des hemels verheven: men heeft
het gerei uit zijn tempel voor u gebracht, en gij en uw machthebbers, uw
gemalinnen en uw bijvrouwen hebben daaruit wijn gedronken; gij hebt de
goden geroemd van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet
zien of horen of kennis hebben, maar de God, in wiens hand uw adem is en
die al uw paden beschikt, Hem hebt gij niet verheerlijkt. |
23 But hast lifted up thyself against the Lord of heaven; and they have
brought the vessels of his house before thee, and thou, and thy lords, thy
wives, and thy concubines, have drunk wine in them; and thou hast praised
the gods of silver, and gold, of brass, iron, wood, and stone, which see
not, nor hear, nor know: and the God in whose hand thy breath [is], and
whose [are] all thy ways, hast thou not glorified: |
23 Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de
vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen,
en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver
en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch
weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij
Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt. |
|
DN 5:24 Toen is door Hem de rug van een hand gezonden en dat schrift
geschreven. |
24 Then was the part of the hand sent from him; and this writing was
written. |
24 Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend
geworden. |
|
DN 5:25 Dit is het schrift, dat geschreven is: Mene, mene, tekel
ufarsin. |
25 And this [is] the writing that was written, MENE, MENE, TEKEL,
UPHARSIN. |
25 Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL,
UPHARSIN. |
|
DN 5:26 Dit is de uitlegging van de woorden: Mene: God heeft uw
koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; |
26 This [is] the interpretation of the thing: MENE; God hath numbered
thy kingdom, and finished it. |
26 Dit is de uitlegging dezer woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk
geteld, en Hij heeft het voleind. |
|
DN 5:27 Tekel: gij zijt in de weegschaal gewogen en te licht bevonden; |
27 TEKEL; Thou art weighed in the balances, and art found wanting. |
27 TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht
gevonden. |
|
DN 5:28 Peres: uw koninkrijk is gebroken en aan de Meden en Perzen
gegeven. |
28 PERES; Thy kingdom is divided, and given to the Medes and Persians. |
28 PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen
gegeven. |
|
DN 5:29 Toen bekleedde men Daniël, op bevel van Belsassar, met purper
en hing hem een gouden keten om de hals, en men riep over hem uit, dat hij
de derde heerser in het koninkrijk zou zijn. |
29 Then commanded Belshazzar, and they clothed Daniel with scarlet, and
[put] a chain of gold about his neck, and made a proclamation concerning
him, that he should be the third ruler in the kingdom. |
29 Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniel met purper, met een
gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de
derde heerser in dat koninkrijk was. |
|
DN 5:30 In dezelfde nacht werd Belsassar, de koning der Chaldeeën,
gedood. |
30 In that night was Belshazzar the king of the Chaldeans slain. |
30 In dienzelfden nacht, werd Belsazar, der Chaldeen koning, gedood. |
|
DN 6:1 Darius, de Meder, ontving het koningschap,
toen hij tweeënzestig jaar oud was. |
31 And Darius the Median took the kingdom, [being] about threescore and
two years old. |
1 Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig
jaren oud zijnde. |
|
DN 6:2 Het behaagde Darius over het koninkrijk honderd en twintig
stadhouders aan te stellen, die over het gehele koninkrijk verdeeld zouden
zijn; |
1 It pleased Darius to set over the kingdom an hundred and twenty
princes, which should be over the whole kingdom; |
2 [En] het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde
honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden; |
|
DN 6:3 en over hen drie rijksbestuurders, van welke Daniël er een was;
aan hen moesten die stadhouders rekenschap geven, opdat de koning geen
schade zou lijden. |
2 And over these three presidents; of whom Daniel [was] first: that the
princes might give accounts unto them, and the king should have no damage. |
3 En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniel de eerste zou zijn,
denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning
geen schade leed. |
|
DN 6:4 Toen overtrof deze Daniël de rijksbestuurders en de
stadhouders, doordat een uitnemende geest in hem was; en de koning was van
zins hem over het gehele koninkrijk te stellen. |
3 Then this Daniel was preferred above the presidents and princes,
because an excellent spirit [was] in him; and the king thought to set him
over the whole realm. |
4 Toen overtrof deze Daniel die vorsten en die stadhouders, daarom dat
een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen
over het gehele koninkrijk. |
|
DN 6:5 Daarop trachtten de rijksbestuurders en de stadhouders een grond
voor een aanklacht tegen Daniël te vinden inzake het rijksbewind, maar
zij konden geen enkele grond voor een aanklacht of iets verkeerds vinden,
omdat hij getrouw was en er geen verzuim of iets verkeerds bij hem
gevonden werd. |
4 Then the presidents and princes sought to find occasion against
Daniel concerning the kingdom; but they could find none occasion nor
fault; forasmuch as he [was] faithful, neither was there any error or
fault found in him. |
5 Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden,
tegen Daniel vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch
misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad
in hem gevonden werd. |
|
DN 6:6 Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen deze Daniël geen
enkele grond voor een aanklacht vinden, tenzij wij iets tegen hem vinden
in de dienst van zijn God. |
5 Then said these men, We shall not find any occasion against this
Daniel, except we find [it] against him concerning the law of his God. |
6 Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniel geen
gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem [iets] vinden in te wet zijns
Gods. |
|
DN 6:7 Daarop drongen die rijksbestuurders en stadhouders onstuimig bij
de koning aan en zeiden tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid! |
6 Then these presidents and princes assembled together to the king, and
said thus unto him, King Darius, live for ever. |
7 Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en
zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid! |
|
DN 6:8 Alle rijksbestuurders van het koninkrijk, oversten, stadhouders,
raadsheren en landvoogden hebben zich beraden, dat een koninklijk besluit
behoort te worden uitgevaardigd en een verbod vastgesteld, dat ieder die
binnen dertig dagen een verzoek richt tot enige god of mens behalve tot u,
o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen. |
7 All the presidents of the kingdom, the governors, and the princes,
the counsellors, and the captains, have consulted together to establish a
royal statute, and to make a firm decree, that whosoever shall ask a
petition of any God or man for thirty days, save of thee, O king, he shall
be cast into the den of lions. |
8 Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren
en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te
stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een
verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal
in den kuil der leeuwen geworpen worden. |
|
DN 6:9 Vaardig dan nu, o koning, dat verbod uit en schrijf een
bevelschrift, dat onveranderlijk is, naar de wet der Meden en Perzen, die
niet kan worden herroepen. |
8 Now, O king, establish the decree, and sign the writing, that it be
not changed, according to the law of the Medes and Persians, which
altereth not. |
9 Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen,
dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet
mag wederroepen worden. |
|
DN 6:10 Dus schreef koning Darius dat bevelschrift met dat verbod. |
9 Wherefore king Darius signed the writing and the decree. |
10 Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod. |
|
DN 6:11 Zodra Daniël vernomen had, dat het bevelschrift geschreven
was, ging hij naar zijn huis; nu had hij in zijn bovenvertrek open
vensters aan de kant van Jeruzalem; en driemaal daags boog hij zich neder
op zijn knieën en bad en loofde zijn God, juist zoals hij dat tevoren
placht te doen. |
10 Now when Daniel knew that the writing was signed, he went into his
house; and his windows being open in his chamber toward Jerusalem, he
kneeled upon his knees three times a day, and prayed, and gave thanks
before his God, as he did aforetime. |
11 Toen nu Daniel verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in
zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem
aan), en hij knielde drie tijden ‘s daags op zijn knieen, en hij bad, en
deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had. |
|
DN 6:12 Toen snelden die mannen toe en vonden Daniël biddende en
smekende tot zijn God. |
11 Then these men assembled, and found Daniel praying and making
supplication before his God. |
12 Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniel biddende en
smekende voor zijn God. |
|
DN 6:13 Daarop naderden zij tot de koning en spraken tot hem over het
koninklijk verbod: Hebt gij niet een verbod uitgevaardigd, dat ieder mens,
die binnen dertig dagen een verzoek richt tot enige god of mens behalve
tot u, o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen? De koning
antwoordde: De zaak staat vast naar de wet der Meden en Perzen, die niet
kan worden herroepen. |
12 Then they came near, and spake before the king concerning the king's
decree; Hast thou not signed a decree, that every man that shall ask [a
petition] of any God or man within thirty days, save of thee, O king,
shall be cast into the den of lions? The king answered and said, The thing
[is] true, according to the law of the Medes and Persians, which altereth
not. |
13 Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des
konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig
dagen van enigen god of mens [iets] verzoeken zou, behalve van u, o
koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde
en zeide: Het is een vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen, die niet
mag wederroepen worden. |
|
DN 6:14 Toen zeiden zij tot de koning: Daniël, een van de ballingen
uit Juda, heeft geen acht geslagen op u, o koning, noch op het verbod dat
gij hebt uitgevaardigd, maar driemaal daags verricht hij zijn gebed. |
13 Then answered they and said before the king, That Daniel, which [is]
of the children of the captivity of Judah, regardeth not thee, O king, nor
the decree that thou hast signed, but maketh his petition three times a
day. |
14 Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniel, een van de
gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld,
noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden ‘s
daags zijn gebed. |
|
DN 6:15 Zodra de koning de zaak gehoord had, mishaagde zij hem ten
zeerste, en hij zon op middelen om Daniël te bevrijden, ja, tot
zonsondergang gaf hij zich moeite om hem te redden. |
14 Then the king, when he heard [these] words, was sore displeased with
himself, and set [his] heart on Daniel to deliver him: and he laboured
till the going down of the sun to deliver him. |
15 Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij
zichzelven, en hij stelde het hart op Daniel om hem te verlossen; ja, tot
den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden. |
|
DN 6:16 Toen drongen die mannen onstuimig bij de koning aan en zeiden
tot hem: Weet, o koning, dat het een wet van Meden en Perzen is, dat geen
enkel verbod of besluit, dat de koning heeft uitgevaardigd, veranderd kan
worden. |
15 Then these men assembled unto the king, and said unto the king,
Know, O king, that the law of the Medes and Persians [is], That no decree
nor statute which the king establisheth may be changed. |
16 Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot
den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen
gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd
worden. |
|
DN 6:17 Daarop gaf de koning bevel en men haalde Daniël en wierp hem
in de leeuwenkuil. De koning nam het woord en zeide tot Daniël: Uw God,
die gij zo volhardend dient, die bevrijde u! |
16 Then the king commanded, and they brought Daniel, and cast [him]
into the den of lions. [Now] the king spake and said unto Daniel, Thy God
whom thou servest continually, he will deliver thee. |
17 Toen beval de koning, en zij brachten Daniel voor, en wierpen [hem]
in den kuil der leeuwen; [en] de koning antwoordde en zeide tot Daniel: Uw
God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u! |
|
DN 6:18 En er werd een steen gebracht en op de opening van de kuil
gelegd, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring
van zijn machthebbers, opdat er niets zou worden veranderd met betrekking
tot Daniël. |
17 And a stone was brought, and laid upon the mouth of the den; and the
king sealed it with his own signet, and with the signet of his lords; that
the purpose might not be changed concerning Daniel. |
18 En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en
de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner
geweldigen, opdat de wil aangaande Daniel niet zou veranderd worden. |
|
DN 6:19 Toen ging de koning naar zijn paleis en bracht de nacht vastend
door; en hij liet niets tot afleiding voor zich brengen, en zijn slaap
vlood van hem. |
18 Then the king went to his palace, and passed the night fasting:
neither were instruments of musick brought before him: and his sleep went
from him. |
19 Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en
liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem. |
|
DN 6:20 Bij het ochtendkrieken, toen het licht werd, stond de koning op
en ging inderhaast naar de leeuwenkuil, |
19 Then the king arose very early in the morning, and went in haste
unto the den of lions. |
20 Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en
hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen. |
|
DN 6:21 en toen hij nabij de kuil kwam, riep hij Daniël toe met droeve
stem; de koning nam het woord en zeide tot Daniël: Daniël, gij dienaar
van de levende God, heeft uw God, die gij zo volhardend dient, u van de
leeuwen kunnen bevrijden? |
20 And when he came to the den, he cried with a lamentable voice unto
Daniel: [and] the king spake and said to Daniel, O Daniel, servant of the
living God, is thy God, whom thou servest continually, able to deliver
thee from the lions? |
21 Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniel met een
droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniel: O Daniel, gij
knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u
van de leeuwen kunnen verlossen? |
|
DN 6:22 Toen sprak Daniël tot de koning: O, koning, leef in
eeuwigheid! |
21 Then said Daniel unto the king, O king, live for ever. |
22 Toen sprak Daniel tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid! |
|
DN 6:23 Mijn God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen
toegesloten, en zij hebben mij geen kwaad gedaan, omdat ik voor Hem
onschuldig ben bevonden; maar ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad
begaan. |
22 My God hath sent his angel, and hath shut the lions' mouths, that
they have not hurt me: forasmuch as before him innocency was found in me;
and also before thee, O king, have I done no hurt. |
23 Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der
leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem
onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad
gedaan. |
|
DN 6:24 Toen werd de koning ten zeerste verheugd en hij gaf bevel, dat
men Daniël uit de kuil zou optrekken; Daniël werd uit de kuil
opgetrokken, en generlei letsel werd aan hem gevonden, omdat hij op zijn
God had vertrouwd. |
23 Then was the king exceeding glad for him, and commanded that they
should take Daniel up out of the den. So Daniel was taken up out of the
den, and no manner of hurt was found upon him, because he believed in his
God. |
24 Toen werd de koning bij zichzelven zeer vrolijk, en zeide, dat men
Daniel uit den kuil trekken zou. Toen Daniel uit den kuil opgetrokken was,
zo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijn God geloofd
had. |
|
DN 6:25 En de koning gaf bevel, en men haalde die mannen die de
aanklacht tegen Daniël ingebracht hadden en wierp hen in de leeuwenkuil,
hen, hun kinderen en hun vrouwen, en zij hadden de bodem van de kuil nog
niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester; zelfs al hun
beenderen vermorzelden zij. |
24 And the king commanded, and they brought those men which had accused
Daniel, and they cast [them] into the den of lions, them, their children,
and their wives; and the lions had the mastery of them, and brake all
their bones in pieces or ever they came at the bottom of the den. |
25 Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniel
overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen,
hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op den grond des kuils,
of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen. |
|
DN 6:26 Daarna schreef koning Darius aan alle volken, natiën en talen,
die de ganse aarde bewonen: Uw vrede zij groot! |
25 Then king Darius wrote unto all people, nations, and languages, that
dwell in all the earth; Peace be multiplied unto you. |
26 Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natien en tongen, die
op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd! |
|
DN 6:27 Door mij wordt bevel gegeven, dat men in het gehele
machtsgebied van mijn koninkrijk voor de God van Daniël zal vrezen en
beven; want Hij is de levende God, die blijft in eeuwigheid; zijn
koningschap is onverderfelijk en zijn heerschappij duurt tot het einde; |
26 I make a decree, That in every dominion of my kingdom men tremble
and fear before the God of Daniel: for he [is] the living God, and
stedfast for ever, and his kingdom [that] which shall not be destroyed,
and his dominion [shall be even] unto the end. |
27 Van mij is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns
koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniel;
want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn
koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde
toe. |
|
DN 6:28 Hij bevrijdt en redt, en doet tekenen en wonderen in hemel en
op aarde, Hij, die Daniël uit de macht der leeuwen heeft bevrijd. |
27 He delivereth and rescueth, and he worketh signs and wonders in
heaven and in earth, who hath delivered Daniel from the power of the
lions. |
28 Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in den hemel en
op de aarde; Die heeft Daniel uit het geweld der leeuwen verlost. |
|
DN 6:29 En deze Daniël stond in hoog aanzien onder het koningschap van
Darius en onder het koningschap van Kores, de Pers. |
28 So this Daniel prospered in the reign of Darius, and in the reign of
Cyrus the Persian. |
29 Deze Daniel nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en in het
koninkrijk van Kores, den Perziaan. |
|
DN 7:1 In het eerste jaar van Belsassar, de koning
van Babel, zag Daniël een droom en gezichten die hem op zijn legerstede
voor ogen kwamen. Toen schreef hij de droom op. |
1 In the first year of Belshazzar king of Babylon Daniel had a dream
and visions of his head upon his bed: then he wrote the dream, [and] told
the sum of the matters. |
1 In het eerste jaar van Belsazar, den koning van Babel, zag Daniel een
droom, en gezichten zijns hoofds, op zijn leger; toen schreef hij dien
droom, [en] hij zeide de hoofdsom der zaken. |
|
DN 7:2 Begin van het bericht. Daniël hief aan en zeide: Ik had in de
nacht een gezicht en zie, de vier winden des hemels brachten de grote zee
in beroering, |
2 Daniel spake and said, I saw in my vision by night, and, behold, the
four winds of the heaven strove upon the great sea. |
2 Daniel antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en
ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee. |
|
DN 7:3 en vier grote dieren stegen uit de zee op, het ene verschillend
van het andere. |
3 And four great beasts came up from the sea, diverse one from another. |
3 En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere
verscheiden. |
|
DN 7:4 Het eerste geleek op een leeuw, en het had adelaarsvleugels.
Terwijl ik bleef toezien, werden het de vleugels uitgerukt, en werd het
van de grond opgeheven en op twee voeten overeind gezet als een mens, en
werd het een mensenhart gegeven. |
4 The first [was] like a lion, and had eagle's wings: I beheld till the
wings thereof were plucked, and it was lifted up from the earth, and made
stand upon the feet as a man, and a man's heart was given to it. |
4 Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe,
totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde
opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd
eens mensen hart gegeven. |
|
DN 7:5 En zie, een ander dier, het tweede, geleek op een beer; het
richtte zich op de ene zijde op, en drie ribben waren in zijn muil tussen
zijn tanden; en men sprak tegen hem aldus: sta op, eet veel vlees. |
5 And behold another beast, a second, like to a bear, and it raised up
itself on one side, and [it had] three ribs in the mouth of it between the
teeth of it: and they said thus unto it, Arise, devour much flesh. |
5 Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en
stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen
zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees. |
|
DN 7:6 Daarna zag ik, en zie, een ander dier, gelijk een panter; het
had vier vogelvleugels op zijn rug en vier koppen. En aan hem werd
heerschappij gegeven. |
6 After this I beheld, and lo another, like a leopard, which had upon
the back of it four wings of a fowl; the beast had also four heads; and
dominion was given to it. |
6 Daarna zag ik, en ziet, er was een ander [dier], gelijk een luipaard,
en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier
vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven. |
|
DN 7:7 Daarna zag ik in de nachtgezichten en zie, een vierde dier,
vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk; het had grote, ijzeren tanden:
het at en vermaalde, en wat overbleef, vertrad het met zijn poten; en dit
dier verschilde van alle vorige, en het had tien horens. |
7 After this I saw in the night visions, and behold a fourth beast,
dreadful and terrible, and strong exceedingly; and it had great iron
teeth: it devoured and brake in pieces, and stamped the residue with the
feet of it: and it [was] diverse from all the beasts that [were] before
it; and it had ten horns. |
7 Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was
schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden,
het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het
was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het
had tien hoornen. |
|
DN 7:8 Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een
andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor
uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol
grootspraak. |
8 I considered the horns, and, behold, there came up among them another
little horn, before whom there were three of the first horns plucked up by
the roots: and, behold, in this horn [were] eyes like the eyes of man, and
a mouth speaking great things. |
8 Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op
tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor
denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een
mond, grote dingen sprekende. |
|
DN 7:9 Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude
van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn
hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen
daarvan uit laaiend vuur; |
9 I beheld till the thrones were cast down, and the Ancient of days did
sit, whose garment [was] white as snow, and the hair of his head like the
pure wool: his throne [was like] the fiery flame, [and] his wheels [as]
burning fire. |
9 [Dit] zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen
Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds
als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend
vuur. |
|
DN 7:10 en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit;
duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden
stonden vóór hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden
geopend. |
10 A fiery stream issued and came forth from before him: thousand
thousands ministered unto him, and ten thousand times ten thousand stood
before him: the judgment was set, and the books were opened. |
10 Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal
duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor
Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. |
|
DN 7:11 Toen keek ik toe vanwege het geluid der grote woorden welke de
horen sprak; terwijl ik bleef toekijken, werd het dier gedood, zijn
lichaam werd vernietigd en prijsgegeven aan de brand van het vuur. |
11 I beheld then because of the voice of the great words which the horn
spake: I beheld [even] till the beast was slain, and his body destroyed,
and given to the burning flame. |
11 Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn
sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd,
en overgegeven om van het vuur verbrand te worden. |
|
DN 7:12 Ook aan de overige dieren werd de heerschappij ontnomen, en hun
werd een levensduur gegeven tot tijd en wijle. |
12 As concerning the rest of the beasts, they had their dominion taken
away: yet their lives were prolonged for a season and time. |
12 Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want
verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe. |
|
DN 7:13 Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken
des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude
van dagen, en men leidde hem voor deze; |
13 I saw in the night visions, and, behold, [one] like the Son of man
came with the clouds of heaven, and came to the Ancient of days, and they
brought him near before him. |
13 [Verder] zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de
wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van
dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen. |
|
DN 7:14 en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht,
en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een
eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een,
dat onverderfelijk is. |
14 And there was given him dominion, and glory, and a kingdom, that all
people, nations, and languages, should serve him: his dominion [is] an
everlasting dominion, which shall not pass away, and his kingdom [that]
which shall not be destroyed. |
14 En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem
alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een
eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet
verdorven worden. |
|
DN 7:15 De geest van mij, Daniël, was ontroerd in mijn binnenste, en
de gezichten die mij voor ogen waren gekomen, ontstelden mij. |
15 I Daniel was grieved in my spirit in the midst of [my] body, and the
visions of my head troubled me. |
15 Mij, Daniel werd mijn geest doorstoken in het midden van het
lichaam, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij. |
|
DN 7:16 Ik naderde een van hen die daar stonden, en vroeg hem de ware
zin van dit alles, en hij sprak tot mij en gaf mij de uitlegging daarvan
te kennen: |
16 I came near unto one of them that stood by, and asked him the truth
of all this. So he told me, and made me know the interpretation of the
things. |
16 Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem
de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging
dezer zaken te kennen. |
|
DN 7:17 die grote dieren, die vier, zijn vier koningen die uit de aarde
zullen opkomen; |
17 These great beasts, which are four, [are] four kings, [which] shall
arise out of the earth. |
17 Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, [die] uit de
aarde opstaan zullen. |
|
DN 7:18 daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap
ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja,
tot in eeuwigheid der eeuwigheden. |
18 But the saints of the most High shall take the kingdom, and possess
the kingdom for ever, even for ever and ever. |
18 Maar de heiligen der hoge [plaatsen] zullen dat Koninkrijk
ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot
in eeuwigheid der eeuwigheden. |
|
DN 7:19 Toen wilde ik de ware zin weten van het vierde dier, dat van
die alle verschilde, dat buitengewoon vreselijk was met zijn ijzeren
tanden en zijn koperen klauwen, dat at en vermaalde en wat overbleef met
zijn poten vertrad, |
19 Then I would know the truth of the fourth beast, which was diverse
from all the others, exceeding dreadful, whose teeth [were of] iron, and
his nails [of] brass; [which] devoured, brake in pieces, and stamped the
residue with his feet; |
19 Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk
verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer
waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het
overige met zijn voeten. |
|
DN 7:20 en van de tien horens, welke op zijn kop waren, en van die
andere, die zich verhief en waarvoor er drie uitvielen, terwijl deze horen
met ogen en een mond vol grootspraak, er groter uitzag dan de andere. |
20 And of the ten horns that [were] in his head, and [of] the other
which came up, and before whom three fell; even [of] that horn that had
eyes, and a mouth that spake very great things, whose look [was] more
stout than his fellows. |
20 En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den
anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk
dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens
aanzien groter was, dan van zijn metgezellen. |
|
DN 7:21 Ik zag, dat die horen strijd voerde tegen de heiligen en hen
overmocht, |
21 I beheld, and the same horn made war with the saints, and prevailed
against them; |
21 Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en
dat hij die overmocht, |
|
DN 7:22 totdat de Oude van dagen kwam en recht verschaft werd aan de
heiligen des Allerhoogsten en de tijd naderde, dat de heiligen het
koningschap in bezit kregen. |
22 Until the Ancient of days came, and judgment was given to the saints
of the most High; and the time came that the saints possessed the kingdom. |
22 Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de
heiligen der hoge [plaatsen], en dat de bestemde tijd kwam, dat de
heiligen het Rijk bezaten. |
|
DN 7:23 Hij sprak aldus: Dat vierde dier is het vierde koninkrijk, dat
op aarde zal zijn, dat verschillen zal van alle (andere) koninkrijken, en
dat de gehele aarde zal verslinden en haar zal vertreden en vermorzelen. |
23 Thus he said, The fourth beast shall be the fourth kingdom upon
earth, which shall be diverse from all kingdoms, and shall devour the
whole earth, and shall tread it down, and break it in pieces. |
23 Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn,
dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde
opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen. |
|
DN 7:24 En de tien horens - uit dat koninkrijk zullen tien koningen
opstaan, en na hen zal een ander opstaan; die zal van de vorige
verschillen en drie koningen ten val brengen. |
24 And the ten horns out of this kingdom [are] ten kings [that] shall
arise: and another shall rise after them; and he shall be diverse from the
first, and he shall subdue three kings. |
24 Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien
koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden
zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen. |
|
DN 7:25 Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen
des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet
te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en
tijden en een halve tijd; |
25 And he shall speak [great] words against the most High, and shall
wear out the saints of the most High, and think to change times and laws:
and they shall be given into his hand until a time and times and the
dividing of time. |
25 En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de
heiligen der hoge [plaatsen] verstoren, en het zal menen de tijden en de
wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot
een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds. |
|
DN 7:26 dan zal de vierschaar zich nederzetten, en men zal hem de
heerschappij ontnemen en hem verdelgen en vernietigen tot het einde. |
26 But the judgment shall sit, and they shall take away his dominion,
to consume and to destroy [it] unto the end. |
26 Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij
wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe. |
|
DN 7:27 En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken
onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des
Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten
zullen het dienen en gehoorzamen. |
27 And the kingdom and dominion, and the greatness of the kingdom under
the whole heaven, shall be given to the people of the saints of the most
High, whose kingdom [is] an everlasting kingdom, and all dominions shall
serve and obey him. |
27 Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken
onder den gansen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge
[plaatsen], welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen
zullen Hem eren en gehoorzamen. |
|
DN 7:28 Hier eindigt het bericht. Wat mij, Daniël, betreft, mijn
gedachten ontstelden mij zeer, zodat mijn gelaatskleur verschoot; en ik
bewaarde deze woorden in mijn hart. |
28 Hitherto [is] the end of the matter. As for me Daniel, my
cogitations much troubled me, and my countenance changed in me: but I kept
the matter in my heart. |
28 Tot hiertoe is het einde dezer rede. Wat mij Daniel aangaat, mijn
gedachten verschrikken mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik
bewaarde dat woord in mijn hart. |
|
DN 8:1 In het derde jaar van de regering van koning
Belsassar verscheen mij, Daniël, een gezicht, na het gezicht, dat mij
eerder verschenen was. |
1 In the third year of the reign of king Belshazzar a vision appeared
unto me, [even unto] me Daniel, after that which appeared unto me at the
first. |
1 In het derde jaar des koninkrijks van den koning Belsazar, verscheen
mij een gezicht, mij Daniel, na hetgeen mij in het eerste verschenen was. |
|
DN 8:2 Ik zag in het gezicht - ik bevond mij, toen ik dat zag, in de
burcht Susan, die in het gewest Elam ligt - ik zag in het gezicht, dat ik
mij bevond bij de stroom de Ulai. |
2 And I saw in a vision; and it came to pass, when I saw, that I [was]
at Shushan [in] the palace, which [is] in the province of Elam; and I saw
in a vision, and I was by the river of Ulai. |
2 En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in
den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een
gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was. |
|
DN 8:3 Toen ik mijn ogen opsloeg, zag ik, en zie, een ram stond voor de
stroom; hij had twee horens, en die horens waren hoog, de ene echter was
hoger dan de andere, en de hoogste rees het laatst op. |
3 Then I lifted up mine eyes, and saw, and, behold, there stood before
the river a ram which had [two] horns: and the [two] horns [were] high;
but one [was] higher than the other, and the higher came up last. |
3 En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien
vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was
hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op. |
|
DN 8:4 Ik zag de ram stoten naar het westen, naar het noorden en naar
het zuiden, en geen enkel dier kon tegen hem standhouden; er was niemand
die redden kon uit zijn macht, en hij deed naar zijn welgevallen en maakte
zich groot. |
4 I saw the ram pushing westward, and northward, and southward; so that
no beasts might stand before him, neither [was there any] that could
deliver out of his hand; but he did according to his will, and became
great. |
4 Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen
het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn
aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar
hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot. |
|
DN 8:5 Maar terwijl ik nauwkeurig acht gaf, zie, daar kwam een geitebok
van uit het westen over de gehele aarde zonder de aarde aan te raken; en
de bok had een opvallende horen tussen zijn ogen. |
5 And as I was considering, behold, an he goat came from the west on
the face of the whole earth, and touched not the ground: and the goat
[had] a notable horn between his eyes. |
5 Toen ik [dit] overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen
over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een
aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen. |
|
DN 8:6 En hij kwam tot de ram met de twee horens, die ik voor de stroom
had zien staan, en rende op hem toe in zijn grimmige kracht; |
6 And he came to the ram that had [two] horns, which I had seen
standing before the river, and ran unto him in the fury of his power. |
6 En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien
staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner
kracht. |
|
DN 8:7 ik zag, dat hij tot vlak bij de ram kwam; verbitterd stiet hij
de ram, brak zijn beide horens, en er was geen kracht in de ram om tegen
hem stand te houden; hij wierp hem ter aarde en vertrad hem, en er was
niemand die de ram uit zijn macht redde. |
7 And I saw him come close unto the ram, and he was moved with choler
against him, and smote the ram, and brake his two horns: and there was no
power in the ram to stand before him, but he cast him down to the ground,
and stamped upon him: and there was none that could deliver the ram out of
his hand. |
7 En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen
hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram
was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter
aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand
verloste. |
|
DN 8:8 De geitebok nu maakte zich bovenmate groot, maar toen hij
machtig werd, brak de grote horen af, en vier opvallende horens rezen in
diens plaats op, naar de vier windstreken des hemels. |
8 Therefore the he goat waxed very great: and when he was strong, the
great horn was broken; and for it came up four notable ones toward the
four winds of heaven. |
8 En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk
geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats
vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels. |
|
DN 8:9 En uit één daarvan kwam weer een horen voort, die klein begon,
maar die zeer groot werd tegen het zuiden, tegen het oosten en tegen het
Sieraad, |
9 And out of one of them came forth a little horn, which waxed
exceeding great, toward the south, and toward the east, and toward the
pleasant [land]. |
9 En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot
werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke
[land]. |
|
DN 8:10 ja, zijn grootheid reikte tot aan het heer des hemels, en hij
deed er van het heer, namelijk van de sterren, ter aarde vallen, en
vertrapte ze. |
10 And it waxed great, [even] to the host of heaven; and it cast down
[some] of the host and of the stars to the ground, and stamped upon them. |
10 En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er
[sommigen] van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij
vertrad ze. |
|
DN 8:11 Zelfs tegen de vorst van het heer maakte hij zich groot, en Hem
werd het dagelijks offer ontnomen en zijn heilige woning werd
neergeworpen. |
11 Yea, he magnified [himself] even to the prince of the host, and by
him the daily [sacrifice] was taken away, and the place of his sanctuary
was cast down. |
11 Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van
Denzelven werd weggenomen het gedurig [offer], en de woning Zijns
heiligdoms werd nedergeworpen. |
|
DN 8:12 En een eredienst werd in overtreding ingesteld tegenover het
dagelijks offer; en hij wierp de waarheid ter aarde, en wat hij ook deed,
gelukte hem. |
12 And an host was given [him] against the daily [sacrifice] by reason
of transgression, and it cast down the truth to the ground; and it
practised, and prospered. |
12 En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig [offer];
en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel. |
|
DN 8:13 Toen hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zeide
tot degene die gesproken had: Hoelang zal dit gezicht gelden - het
dagelijks offer en de ontzettende overtreding, het prijsgeven van het
heiligdom en het vertrappen van het heer? |
13 Then I heard one saint speaking, and another saint said unto that
certain [saint] which spake, How long [shall be] the vision [concerning]
the daily [sacrifice], and the transgression of desolation, to give both
the sanctuary and the host to be trodden under foot? |
13 Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den
onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig
[offer] en [van] den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als
het heir [ter] vertreding zal overgegeven worden? |
|
DN 8:14 En hij zeide tot mij: Tweeduizend driehonderd avonden en
morgens; dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden. |
14 And he said unto me, Unto two thousand and three hundred days; then
shall the sanctuary be cleansed. |
14 En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden [en]
morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden. |
|
DN 8:15 Toen ik, Daniël, het gezicht zag en het trachtte te verstaan,
zie, daar stond iemand voor mij, die er uitzag als een man, |
15 And it came to pass, when I, [even] I Daniel, had seen the vision,
and sought for the meaning, then, behold, there stood before me as the
appearance of a man. |
15 En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniel, zo zocht ik
het verstand [deszelven], en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens
mans. |
|
DN 8:16 en ik hoorde een menselijke stem over de Ulai, welke zeide:
Gabriël, doe deze het gezicht verstaan. |
16 And I heard a man's voice between [the banks of] Ulai, which called,
and said, Gabriel, make this [man] to understand the vision. |
16 En ik hoorde tussen Ulai eens mensen stem, die riep en zeide:
Gabriel! geef dezen het gezicht te verstaan. |
|
DN 8:17 En hij kwam tot waar ik stond, en toen hij kwam, schrikte ik en
wierp mij op mijn aangezicht, maar hij zeide tot mij: Versta, mensenkind,
dat het gezicht doelt op de tijd van het einde. |
17 So he came near where I stood: and when he came, I was afraid, and
fell upon my face: but he said unto me, Understand, O son of man: for at
the time of the end [shall be] the vision. |
17 En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik,
en viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij
mensenkind! want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde. |
|
DN 8:18 Toen hij nu met mij sprak, viel ik bezwijmd op mijn aangezicht
ter aarde; hij echter raakte mij aan en deed mij overeind staan, |
18 Now as he was speaking with me, I was in a deep sleep on my face
toward the ground: but he touched me, and set me upright. |
18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn
aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn
standplaats. |
|
DN 8:19 en zeide: Zie, ik maak u bekend wat geschieden zal in het
laatst van de gramschap; want het doelt op het tijdstip van het einde. |
19 And he said, Behold, I will make thee know what shall be in the last
end of the indignation: for at the time appointed the end [shall be]. |
19 En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal
ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn. |
|
DN 8:20 De ram die gij gezien hebt, met de twee horens, doelt op de
koningen der Meden en Perzen, |
20 The ram which thou sawest having [two] horns [are] the kings of
Media and Persia. |
20 De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen
der Meden en der Perzen. |
|
DN 8:21 en de harige geitebok op de koning van Griekenland, en de grote
horen die tussen zijn ogen stond, dat is de eerste koning. |
21 And the rough goat [is] the king of Grecia: and the great horn that
[is] between his eyes [is] the first king. |
21 Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn,
welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning. |
|
DN 8:22 En dat die afbrak en er vier in zijn plaats kwamen te staan:
vier koninkrijken zullen uit het volk ontstaan, doch zonder zijn kracht. |
22 Now that being broken, whereas four stood up for it, four kingdoms
shall stand up out of the nation, but not in his power. |
22 Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier
koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht. |
|
DN 8:23 En in het laatst van hun koningschap, als de boosdoeners de
maat hebben volgemaakt, zal er een koning opstaan, hard van aangezicht en
bedreven in listen. |
23 And in the latter time of their kingdom, when the transgressors are
come to the full, a king of fierce countenance, and understanding dark
sentences, shall stand up. |
23 Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het
hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van
aangezicht, en raadselen verstaande; |
|
DN 8:24 En zijn kracht zal sterk zijn - maar niet door eigen kracht -
en op ontstellende wijze zal hij verderf brengen, en wat hij onderneemt
zal hem gelukken; machtigen zal hij verderven, ook het volk der heiligen. |
24 And his power shall be mighty, but not by his own power: and he
shall destroy wonderfully, and shall prosper, and practise, and shall
destroy the mighty and the holy people. |
24 En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij
zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij
zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven: |
|
DN 8:25 En door zijn sluwheid zal hij het bedrog dat hij aanwendt, doen
gelukken; hij zal zich in zijn hart verheffen, en onverhoeds velen
verderven. Ook tegen de Vorst der vorsten zal hij optreden, doch zonder
mensenhanden zal hij vernietigd worden. |
25 And through his policy also he shall cause craft to prosper in his
hand; and he shall magnify [himself] in his heart, and by peace shall
destroy many: he shall also stand up against the Prince of princes; but he
shall be broken without hand. |
25 En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in
zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal
hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij
zal zonder hand verbroken worden. |
|
DN 8:26 En het gezicht van de avonden en de morgens, waarvan gesproken
werd, dat is waarheid. Gij nu, houd het gezicht verborgen, want het ziet
op een verre toekomst. |
26 And the vision of the evening and the morning which was told [is]
true: wherefore shut thou up the vision; for it [shall be] for many days. |
26 Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de
waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe. |
|
DN 8:27 En ik, Daniël, was uitgeput en was enige dagen ziek; daarna
stond ik op en verrichtte de dienst bij de koning. En ik was verbijsterd
over het gezicht, maar niemand merkte het. |
27 And I Daniel fainted, and was sick [certain] days; afterward I rose
up, and did the king's business; and I was astonished at the vision, but
none understood [it]. |
27 Toen werd ik, Daniel, zwak, en was [enige] dagen krank; daarna stond
ik op, en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht; maar
niemand merkte het. |
|
DN 9:1 In het eerste jaar van Darius, de zoon van
Ahasveros, uit het geslacht der Meden, die koning geworden was over het
koninkrijk der Chaldeeën - |
1 In the first year of Darius the son of Ahasuerus, of the seed of the
Medes, which was made king over the realm of the Chaldeans; |
1 In het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad
der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeen; |
|
DN 9:2 in het eerste jaar van zijn koningschap lette ik, Daniël, in de
boeken op het getal van de jaren, waarover het woord des HEREN tot de
profeet Jeremia gekomen was, dat Hij over de puinhopen van Jeruzalem
zeventig jaar zou doen verlopen. |
2 In the first year of his reign I Daniel understood by books the
number of the years, whereof the word of the LORD came to Jeremiah the
prophet, that he would accomplish seventy years in the desolations of
Jerusalem. |
2 In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniel, in de boeken,
dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet
Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem,
zeventig jaren was. |
|
DN 9:3 En ik richtte mijn aangezicht tot de Here God om te bidden en te
smeken, in vasten en in zak en as. |
3 And I set my face unto the Lord God, to seek by prayer and
supplications, with fasting, and sackcloth, and ashes: |
3 En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, [om] [Hem] te zoeken
[met] het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as. |
|
DN 9:4 En ik bad tot de HERE, mijn God, en deed schuldbelijdenis en
zeide: Ach Here, Gij grote en geduchte God, die vasthoudt aan het verbond
en de goedertierenheid jegens hen die U liefhebben en uw geboden bewaren; |
4 And I prayed unto the LORD my God, and made my confession, and said,
O Lord, the great and dreadful God, keeping the covenant and mercy to them
that love him, and to them that keep his commandments; |
4 Ik bad dan tot den HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och
Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de
weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden. |
|
DN 9:5 wij hebben gezondigd en misdreven, wij hebben goddeloos
gehandeld en zijn wederspannig geweest; wij zijn afgeweken van uw geboden
en van uw verordeningen, |
5 We have sinned, and have committed iniquity, and have done wickedly,
and have rebelled, even by departing from thy precepts and from thy
judgments: |
5 Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk
gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw
rechten. |
|
DN 9:6 en wij hebben niet geluisterd naar uw knechten, de profeten, die
in uw naam gesproken hebben tot onze koningen, onze vorsten en onze
vaderen, en tot het ganse volk des lands. |
6 Neither have we hearkened unto thy servants the prophets, which spake
in thy name to our kings, our princes, and our fathers, and to all the
people of the land. |
6 En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die
in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot
al het volk des lands. |
|
DN 9:7 Bij U, Here, is de gerechtigheid, maar bij ons een beschaamd
gelaat, gelijk heden ten dage, bij de mannen van Juda, de inwoners van
Jeruzalem en bij geheel Israël, bij hen die dichtbij en die veraf wonen
in al de landen waarheen Gij hen hebt verstoten om de ontrouw die zij
jegens U hebben gepleegd. |
7 O Lord, righteousness [belongeth] unto thee, but unto us confusion of
faces, as at this day; to the men of Judah, and to the inhabitants of
Jerusalem, and unto all Israel, [that are] near, and [that are] far off,
through all the countries whither thou hast driven them, because of their
trespass that they have trespassed against thee. |
7 Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid
der aangezichten, gelijk het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en
de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn,
in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, zij tegen U overtreden
hebben. |
|
DN 9:8 HERE, bij ons is een beschaamd gelaat, bij onze koningen, onze
vorsten en onze vaderen, want wij hebben tegen U gezondigd. |
8 O Lord, to us [belongeth] confusion of face, to our kings, to our
princes, and to our fathers, because we have sinned against thee. |
8 O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze
koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U
gezondigd hebben. |
|
DN 9:9 Bij de Here, onze God, is barmhartigheid en vergeving, hoewel
wij tegen Hem wederspannig zijn geweest, |
9 To the Lord our God [belong] mercies and forgivenesses, though we
have rebelled against him; |
9 Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen,
alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben. |
|
DN 9:10 niet geluisterd hebben naar de stem van de HERE, onze God, en
niet gewandeld hebben naar de wetten die Hij ons gegeven heeft door de
dienst van zijn knechten, de profeten. |
10 Neither have we obeyed the voice of the LORD our God, to walk in his
laws, which he set before us by his servants the prophets. |
10 En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat
wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze
aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten. |
|
DN 9:11 Ja, geheel Israël heeft uw wet overtreden en is afgeweken door
niet te luisteren naar uw stem. Daarom is over ons uitgestort de met een
eed bekrachtigde vloek, welke geschreven staat in de wet van Mozes, de
knecht Gods, want wij hebben tegen Hem gezondigd. |
11 Yea, all Israel have transgressed thy law, even by departing, that
they might not obey thy voice; therefore the curse is poured upon us, and
the oath that [is] written in the law of Moses the servant of God, because
we have sinned against him. |
11 Maar geheel Israel heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat
zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek,
en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl
wij tegen Hem gezondigd hebben. |
|
DN 9:12 En Hij heeft de woorden bevestigd, die Hij gesproken had over
ons en over onze regeerders, die ons bestuurden, door zulk een groot
onheil over ons te brengen, als er nergens geweest is onder de ganse
hemel, behalve in Jeruzalem. |
12 And he hath confirmed his words, which he spake against us, and
against our judges that judged us, by bringing upon us a great evil: for
under the whole heaven hath not been done as hath been done upon
Jerusalem. |
12 En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen
ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een
groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan
Jeruzalem geschied is. |
|
DN 9:13 Zoals geschreven staat in de wet van Mozes, is al dit onheil
over ons gekomen, en wij hebben de HERE, onze God, niet vermurwd door ons
te bekeren van onze ongerechtigheden en acht te slaan op uw waarheid. |
13 As [it is] written in the law of Moses, all this evil is come upon
us: yet made we not our prayer before the LORD our God, that we might turn
from our iniquities, and understand thy truth. |
13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, [alzo] is al dat kwaad
over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN, onzes Gods,
niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandelijk acht gevende
op Uw waarheid. |
|
DN 9:14 Daarom was de HERE wakker om het onheil over ons te brengen;
want de HERE, onze God, is rechtvaardig in al de werken die Hij doet, maar
wij hebben niet geluisterd naar zijn stem. |
14 Therefore hath the LORD watched upon the evil, and brought it upon
us: for the LORD our God [is] righteous in all his works which he doeth:
for we obeyed not his voice. |
14 Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over
ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken,
die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden. |
|
DN 9:15 Nu dan, Here, onze God, die uw volk uit het land Egypte hebt
geleid met een sterke hand en U een naam hebt gemaakt, gelijk heden ten
dage, - wij hebben gezondigd, wij hebben goddeloos gehandeld. |
15 And now, O Lord our God, that hast brought thy people forth out of
the land of Egypt with a mighty hand, and hast gotten thee renown, as at
this day; we have sinned, we have done wickedly. |
15 En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt,
met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen
dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest. |
|
DN 9:16 Here, mogen naar al uw gerechtigheid uw toorn en uw grimmigheid
zich toch afwenden van uw stad Jeruzalem, uw heilige berg; want om onze
zonden en om de ongerechtigheden onzer vaderen zijn Jeruzalem en uw volk
tot een smaad geworden voor allen om ons heen. |
16 O Lord, according to all thy righteousness, I beseech thee, let
thine anger and thy fury be turned away from thy city Jerusalem, thy holy
mountain: because for our sins, and for the iniquities of our fathers,
Jerusalem and thy people [are become] a reproach to all [that are] about
us. |
16 O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw
grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want
om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem
en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn. |
|
DN 9:17 Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar
zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, - om
des Heren wil. |
17 Now therefore, O our God, hear the prayer of thy servant, and his
supplications, and cause thy face to shine upon thy sanctuary that is
desolate, for the Lord's sake. |
17 En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn
smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest
is; om des HEEREN wil. |
|
DN 9:18 Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze
verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op
grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar
op grond van uw grote barmhartigheden. |
18 O my God, incline thine ear, and hear; open thine eyes, and behold
our desolations, and the city which is called by thy name: for we do not
present our supplications before thee for our righteousnesses, but for thy
great mercies. |
18 Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze
verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen
onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar
op Uw barmhartigheden, die groot zijn. |
|
DN 9:19 O Here, hoor! o Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend
op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over
uw stad en over uw volk. |
19 O Lord, hear; O Lord, forgive; O Lord, hearken and do; defer not,
for thine own sake, O my God: for thy city and thy people are called by
thy name. |
19 O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het,
vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk
is naar Uw Naam genoemd. |
|
DN 9:20 Terwijl ik nog sprak en bad en mijn zonde en de zonde van mijn
volk Israël beleed, en mijn smeking over de heilige berg mijns Gods
uitstortte voor de HERE, mijn God, - |
20 And whiles I [was] speaking, and praying, and confessing my sin and
the sin of my people Israel, and presenting my supplication before the
LORD my God for the holy mountain of my God; |
20 Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns
volks van Israel, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des
HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods; |
|
DN 9:21 terwijl ik nog sprak in het gebed, kwam de man Gabriël, die ik
tevoren gezien had in het gezicht, in ijlende vlucht tot vlak bij mij op
de tijd van het avondoffer. |
21 Yea, whiles I [was] speaking in prayer, even the man Gabriel, whom I
had seen in the vision at the beginning, being caused to fly swiftly,
touched me about the time of the evening oblation. |
21 Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriel, die ik in het
begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende,
omtrent den tijd des avondoffers. |
|
DN 9:22 En hij begon mij te onderrichten en sprak met mij en zeide:
Daniël, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven. |
22 And he informed [me], and talked with me, and said, O Daniel, I am
now come forth to give thee skill and understanding. |
22 En hij onderrichtte [mij] en sprak met mij, en zeide: Daniel! nu ben
ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan. |
|
DN 9:23 Bij het begin van uw smeekbede is er een woord uitgegaan, en ik
ben gekomen om het u mede te delen, want gij zijt zeer bemind. Let dus op
het woord en sla acht op het gezicht. |
23 At the beginning of thy supplications the commandment came forth,
and I am come to shew [thee]; for thou [art] greatly beloved: therefore
understand the matter, and consider the vision. |
23 In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben
gekomen, om [u] [dat] te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst
[man]; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht. |
|
DN 9:24 Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om
de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid
te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet
te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. |
24 Seventy weeks are determined upon thy people and upon thy holy city,
to finish the transgression, and to make an end of sins, and to make
reconciliation for iniquity, and to bring in everlasting righteousness,
and to seal up the vision and prophecy, and to anoint the most Holy. |
24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad,
om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de
ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te
brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de
heiligheid der heiligheden te zalven. |
|
DN 9:25 Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging
om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst,
zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd
blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. |
25 Know therefore and understand, [that] from the going forth of the
commandment to restore and to build Jerusalem unto the Messiah the Prince
[shall be] seven weeks, and threescore and two weeks: the street shall be
built again, and the wall, even in troublous times. |
25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen
wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias den Vorst, zijn
zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen
wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. |
|
DN 9:26 En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden
uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die
komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde
zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn:
verwoestingen, waartoe vast besloten is. |
26 And after threescore and two weeks shall Messiah be cut off, but not
for himself: and the people of the prince that shall come shall destroy
the city and the sanctuary; and the end thereof [shall be] with a flood,
and unto the end of the war desolations are determined. |
26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden,
maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk
komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn
met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, [en]
vastelijk besloten verwoestingen. |
|
DN 9:27 En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang;
in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden;
en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de
voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over
wat woest is. |
27 And he shall confirm the covenant with many for one week: and in the
midst of the week he shall cause the sacrifice and the oblation to cease,
and for the overspreading of abominations he shall make [it] desolate,
even until the consummation, and that determined shall be poured upon the
desolate. |
27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en [in] de helft
der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over
den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding
toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den
verwoeste. |
|
DN 10:1 In het derde jaar van Kores, de koning der
Perzen, werd aan Daniël, die Beltesassar genoemd werd, een woord
geopenbaard; dat woord was waarheid en sprak van grote nood. En hij gaf
acht op dat woord en had aandacht voor het gezicht. |
1 In the third year of Cyrus king of Persia a thing was revealed unto
Daniel, whose name was called Belteshazzar; and the thing [was] true, but
the time appointed [was] long: and he understood the thing, and had
understanding of the vision. |
1 In het derde jaar van Kores, den koning van Perzie, werd aan Daniel,
wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de
waarheid, doch [in] een gezetten groten tijd; en hij verstond die zaak, en
hij had verstand van het gezicht. |
|
DN 10:2 In die dagen bracht ik, Daniël, drie volle weken door met rouw
bedrijven; |
2 In those days I Daniel was mourning three full weeks. |
2 In die dagen was ik, Daniel, treurende drie weken der dagen. |
|
DN 10:3 smakelijke spijze at ik niet, vlees noch wijn kwamen in mijn
mond en ik zalfde mij in het geheel niet, tot er drie volle weken verlopen
waren. |
3 I ate no pleasant bread, neither came flesh nor wine in my mouth,
neither did I anoint myself at all, till three whole weeks were fulfilled. |
3 Begeerlijke spijze at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond
niet; ook zalfde ik mij gans niet, totdat die drie weken der dagen vervuld
waren. |
|
DN 10:4 Op de vierentwintigste dag nu van de eerste maand, terwijl ik
mij aan de oever van de grote rivier, dat is de Tigris, bevond, |
4 And in the four and twentieth day of the first month, as I was by the
side of the great river, which [is] Hiddekel; |
4 En op den vier en twintigsten dag der eerste maand, zo was ik aan den
oever der grote rivier, welke is Hiddekel. |
|
DN 10:5 sloeg ik mijn ogen op en zie, daar zag ik een man in linnen
klederen gekleed en de lendenen omgord met goud van Ufaz; |
5 Then I lifted up mine eyes, and looked, and behold a certain man
clothed in linen, whose loins [were] girded with fine gold of Uphaz: |
5 En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen
bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz. |
|
DN 10:6 zijn lichaam was als turkoois, zijn gelaat schitterde gelijk de
bliksem, zijn ogen waren als vurige fakkels, zijn armen en voeten glanzend
van gepolijst koper, en het geluid van zijn woorden als het gedruis van
een menigte. |
6 His body also [was] like the beryl, and his face as the appearance of
lightning, and his eyes as lamps of fire, and his arms and his feet like
in colour to polished brass, and the voice of his words like the voice of
a multitude. |
6 En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de
gedaante des bliksems, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen
en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem Zijner
woorden was gelijk de stem ener menigte. |
|
DN 10:7 Alleen ik, Daniël, zag dat gezicht, maar de mannen die bij mij
waren, zagen het niet; doch een grote schrik overviel hen, zodat zij
vluchtten en zich verborgen; |
7 And I Daniel alone saw the vision: for the men that were with me saw
not the vision; but a great quaking fell upon them, so that they fled to
hide themselves. |
7 En ik, Daniel, alleen zag dat gezicht, maar de mannen, die bij mij
waren, zagen dat gezicht niet; doch een grote verschrikking viel op hen,
en zij vloden, om zich te versteken. |
|
DN 10:8 zo bleef ik alleen over. Toen ik dat grote gezicht zag, bleef
er in mij geen kracht meer; alle kleur week van mijn gelaat, en ik had
geen kracht meer over. |
8 Therefore I was left alone, and saw this great vision, and there
remained no strength in me: for my comeliness was turned in me into
corruption, and I retained no strength. |
8 Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef
in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in
een verderving, zodat ik geen kracht behield. |
|
DN 10:9 Toen hoorde ik het geluid zijner woorden, en toen ik het geluid
zijner woorden hoorde, viel ik bezwijmd op mijn aangezicht, met mijn
aangezicht ter aarde. |
9 Yet heard I the voice of his words: and when I heard the voice of his
words, then was I in a deep sleep on my face, and my face toward the
ground. |
9 En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner
woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met
mijn aangezicht ter aarde. |
|
DN 10:10 En zie, een hand raakte mij aan en deed mij op knieën en
handen sidderend oprijzen. |
10 And, behold, an hand touched me, which set me upon my knees and
[upon] the palms of my hands. |
10 En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op
mijn knieen, en de palmen mijner handen. |
|
DN 10:11 En hij zeide tot mij: Daniël, gij zeer beminde man, let op de
woorden die ik tot u spreek, en ga rechtop staan, want nu ben ik tot u
gezonden. Toen hij dit tot mij sprak, stond ik bevende op. |
11 And he said unto me, O Daniel, a man greatly beloved, understand the
words that I speak unto thee, and stand upright: for unto thee am I now
sent. And when he had spoken this word unto me, I stood trembling. |
11 En Hij zeide tot mij: Daniel, gij zeer gewenste man! merk op de
woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben
alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik
bevende. |
|
DN 10:12 En hij zeide tot mij: Vrees niet, Daniël, want van de eerste
dag af, dat gij uw hart erop gezet hadt om inzicht te verkrijgen en om u
voor uw God te verootmoedigen, zijn uw woorden gehoord, en ik ben gekomen
op uw woorden. |
12 Then said he unto me, Fear not, Daniel: for from the first day that
thou didst set thine heart to understand, and to chasten thyself before
thy God, thy words were heard, and I am come for thy words. |
12 Toen zeide Hij tot mij: Vrees niet, Daniel! want van den eersten dag
aan, dat gij uw hart begaaft, om te verstaan en om uzelven te
verootmoedigen, voor het aangezicht uws Gods, zijn uw woorden gehoord, en
om uwer woorden wil ben Ik gekomen. |
|
DN 10:13 Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig
dagen tegenover mij; doch zie, Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam
mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand
behield; |
13 But the prince of the kingdom of Persia withstood me one and twenty
days: but, lo, Michael, one of the chief princes, came to help me; and I
remained there with the kings of Persia. |
13 Doch de vorst des koninkrijks van Perzie stond tegenover Mij een en
twintig dagen; en ziet, Michael, een van de eerste vorsten, kwam om Mij te
helpen, en Ik werd aldaar gelaten bij de koningen van Perzie. |
|
DN 10:14 en ik ben gekomen om u te verstaan te geven wat uw volk in het
laatst der dagen overkomen zal; want wederom is het een gezicht aangaande
de toekomst. |
14 Now I am come to make thee understand what shall befall thy people
in the latter days: for yet the vision [is] for [many] days. |
14 Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, hetgeen uw volk bejegenen
zal in het vervolg der dagen, want het gezicht is nog voor [vele] dagen. |
|
DN 10:15 Toen hij op deze wijze met mij sprak, boog ik mijn gelaat ter
aarde en was verstomd. |
15 And when he had spoken such words unto me, I set my face toward the
ground, and I became dumb. |
15 En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter
aarde, en ik werd stom. |
|
DN 10:16 Maar zie, iets als een menselijke gedaante raakte mijn lippen
aan; toen opende ik mijn mond en begon te spreken, en ik zeide tot hem die
vóór mij stond: Mijn heer, vanwege het gezicht hebben mij weeën
overvallen, en ik heb geen kracht meer over. |
16 And, behold, [one] like the similitude of the sons of men touched my
lips: then I opened my mouth, and spake, and said unto him that stood
before me, O my lord, by the vision my sorrows are turned upon me, and I
have retained no strength. |
16 En ziet, [Een], den mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan,
toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zeide tot Dien, Die tegenover
mij stond: Mijn Heere! om des gezichts wil keren zich mijn weeen over mij,
zodat ik geen kracht behoude. |
|
DN 10:17 Hoe kan ik, de knecht mijns heren, spreken met u, mijnheer? Ik
heb immers geen kracht meer en alle adem is mij benomen. |
17 For how can the servant of this my lord talk with this my lord? for
as for me, straightway there remained no strength in me, neither is there
breath left in me. |
17 En hoe kan de knecht van dezen mijn Heere spreken met dien mijn
Heere? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen
adem is in mij overgebleven. |
|
DN 10:18 Toen raakte hij, die er uitzag als een mens, mij wederom aan
en gaf mij kracht |
18 Then there came again and touched me [one] like the appearance of a
man, and he strengthened me, |
18 Toen raakte mij wederom aan Een, als [in] de gedaante van een mens;
en Hij versterkte mij. |
|
DN 10:19 en hij zeide: Vrees niet, gij zeer beminde man, vrede zij u,
wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl hij met mij sprak, werd ik gesterkt
en ik zeide: Mijn heer spreke, want gij hebt mij kracht gegeven. |
19 And said, O man greatly beloved, fear not: peace [be] unto thee, be
strong, yea, be strong. And when he had spoken unto me, I was
strengthened, and said, Let my lord speak; for thou hast strengthened me. |
19 En Hij zeide: Vrees niet, gij zeer gewenste man! vrede zij u, wees
sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en
zeide: Mijn Heere spreke, want Gij hebt mij versterkt. |
|
DN 10:20 Toen zeide hij: Weet gij, waarom ik tot u gekomen ben?
Terstond moet ik terugkeren om met de vorst der Perzen te strijden, en
zodra ik uitgegaan ben, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen -; |
20 Then said he, Knowest thou wherefore I come unto thee? and now will
I return to fight with the prince of Persia: and when I am gone forth, lo,
the prince of Grecia shall come. |
20 Toen zeide Hij: Weet gij, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Doch nu
zal Ik wederkeren om te strijden tegen den vorst der Perzen; en als Ik zal
uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen. |
|
DN 10:21 nochtans zal ik u mededelen wat geschreven staat in het boek
der waarheid. - En niet één staat mij vastberaden tegen hen terzijde,
behalve uw vorst Michaël. |
21 But I will shew thee that which is noted in the scripture of truth:
and [there is] none that holdeth with me in these things, but Michael your
prince. |
21 Doch Ik zal u te kennen geven, hetgeen getekend is in het geschrift
der waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen dezen,
dan uw vorst Michael. |
|
DN 11:1 Ik echter, ik stond in het eerste jaar van
Darius de Meder hèm tot een helper en toevlucht -. |
1 Also I in the first year of Darius the Mede, [even] I, stood to
confirm and to strengthen him. |
1 Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius den Meder, om hem te
versterken en te stijven. |
|
DN 11:2 Nu dan, ik zal u de waarheid bekendmaken. Zie, nog drie
koningen zullen in Perzië opstaan, en de vierde zal grotere rijkdom
bezitten dan alle anderen, en als hij sterk geworden is door zijn rijkdom,
zal hij alles in beweging brengen tegen het koninkrijk van Griekenland. |
2 And now will I shew thee the truth. Behold, there shall stand up yet
three kings in Persia; and the fourth shall be far richer than [they] all:
and by his strength through his riches he shall stir up all against the
realm of Grecia. |
2 En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie
koningen in Perzie staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote
rijkdom, meer dan al [de] [anderen]; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal
versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van
Griekenland. |
|
DN 11:3 En er zal een heldhaftige koning opstaan, die met grote
heerschappij zal regeren en doen zal wat hem goeddunkt. |
3 And a mighty king shall stand up, that shall rule with great
dominion, and do according to his will. |
3 Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij
heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen. |
|
DN 11:4 Maar nauwelijks is hij opgestaan, of zijn koninkrijk zal
verbroken worden en verdeeld naar de vier windstreken des hemels; doch
niet aan zijn nakomelingen, en zonder de macht waarmee hij heerste; want
zijn koninkrijk zal uiteengerukt worden en aan anderen dan dezen komen. |
4 And when he shall stand up, his kingdom shall be broken, and shall be
divided toward the four winds of heaven; and not to his posterity, nor
according to his dominion which he ruled: for his kingdom shall be plucked
up, even for others beside those. |
4 En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden
des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar
zijn heerschappij, waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt
worden, en dat voor anderen dan deze. |
|
DN 11:5 Dan zal de koning van het Zuiden sterk worden, maar een van
zijn oversten zal hem in sterkte overtreffen en heersen; zijn heerschappij
zal een grote heerschappij zijn. |
5 And the king of the south shall be strong, and [one] of his princes;
and he shall be strong above him, and have dominion; his dominion [shall
be] a great dominion. |
5 En de koning van het Zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk
worden; doch [een] [ander] zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen;
zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn. |
|
DN 11:6 En na verloop van jaren zullen zij zich verbinden: de dochter
van de koning van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden om
een vergelijk te treffen, maar zij zal de sterkte van haar macht niet
behouden, evenmin zal zijn macht standhouden; zij zal worden prijsgegeven,
zo ook degenen die haar brachten, hij die haar verwekte, en hij die haar
verwierf. |
6 And in the end of years they shall join themselves together; for the
king's daughter of the south shall come to the king of the north to make
an agreement: but she shall not retain the power of the arm; neither shall
he stand, nor his arm: but she shall be given up, and they that brought
her, and he that begat her, and he that strengthened her in [these] times. |
6 Op het einde nu van [sommige] jaren, zullen zij zich met elkander
bevrienden, en de dochter des konings van het Zuiden zal komen tot den
koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de
macht des arms niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan;
maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar
gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden. |
|
DN 11:7 En in die tijden zal een spruit uit haar wortels in zijn plaats
oprijzen, en deze zal oprukken tegen het leger, de burcht van de koning
van het Noorden binnentrekken, en zegevierend daartegen optreden. |
7 But out of a branch of her roots shall [one] stand up in his estate,
which shall come with an army, and shall enter into the fortress of the
king of the north, and shall deal against them, and shall prevail: |
7 Doch uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan [in] zijn
staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke
plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en
hij zal ze bemachtigen. |
|
DN 11:8 Ja, zelfs hun goden met hun gegoten beelden, met hun kostbare
voorwerpen, zilver en goud, zal hij als buit naar Egypte voeren; hij zal
enige jaren zich van strijd tegen de koning van het Noorden onthouden, |
8 And shall also carry captives into Egypt their gods, with their
princes, [and] with their precious vessels of silver and of gold; and he
shall continue [more] years than the king of the north. |
8 Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste vaten van
zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal [enige]
jaren staande blijven boven den koning van het Noorden. |
|
DN 11:9 daarna zal deze het koninkrijk van de koning van het Zuiden
binnenvallen, doch naar zijn eigen land moeten terugkeren. |
9 So the king of the south shall come into [his] kingdom, and shall
return into his own land. |
9 Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal
wederom in zijn land trekken. |
|
DN 11:10 Dan zullen zijn zonen zich ten strijde rusten en een menigte
grote legers verzamelen; een van hen zal tegen hem oprukken, als een
overstroming steeds verder om zich heen grijpen, en bij een hernieuwde
stormloop komen tot aan zijn vesting. |
10 But his sons shall be stirred up, and shall assemble a multitude of
great forces: and [one] shall certainly come, and overflow, and pass
through: then shall he return, and be stirred up, [even] to his fortress. |
10 Doch zijn zonen zullen zich [in] [strijd] mengen, en zij zullen een
menigte van grote heiren verzamelen; en [een] [van] [hen] zal snellijk
komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederom
komen, en zich [in] [den] [strijd] mengen, tot aan zijn sterke plaats toe. |
|
DN 11:11 Dan zal de koning van het Zuiden verbitterd worden en
uittrekken en strijden met de koning van het Noorden, en deze zal een
grote menigte op de been brengen, maar die menigte zal in zijn macht
worden overgegeven. |
11 And the king of the south shall be moved with choler, and shall come
forth and fight with him, [even] with the king of the north: and he shall
set forth a great multitude; but the multitude shall be given into his
hand. |
11 En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal
uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, die
[ook] een grote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijn hand
gegeven worden. |
|
DN 11:12 En wanneer die menigte is weggevaagd, zal zijn hart zich
verheffen; wel zal hij tienduizenden neervellen, maar toch niet sterk
zijn. |
12 [And] when he hath taken away the multitude, his heart shall be
lifted up; and he shall cast down [many] ten thousands: but he shall not
be strengthened [by it]. |
12 Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen,
en hij zal er [enige] tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet
gesterkt worden. |
|
DN 11:13 En opnieuw zal de koning van het Noorden een menigte op de
been brengen, groter dan de eerste, en na een tijdsverloop van jaren zal
hij tegen hem oprukken met een groot leger en een geweldige tros. |
13 For the king of the north shall return, and shall set forth a
multitude greater than the former, and shall certainly come after certain
years with a great army and with much riches. |
13 Want de koning van het Noorden zal wederkeren, en hij zal een groter
menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der
jaren, zal hij snellijk komen met een grote heirkracht, en met groot goed. |
|
DN 11:14 In die tijden nu zullen velen opstaan tegen de koning van het
Zuiden; ook zullen gewelddadige mensen uit uw volk zich verheffen om een
gezicht tot werkelijkheid te maken, maar zij zullen struikelen. |
14 And in those times there shall many stand up against the king of the
south: also the robbers of thy people shall exalt themselves to establish
the vision; but they shall fall. |
14 Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het
Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden, om het
gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen. |
|
DN 11:15 En de koning van het Noorden zal komen, een wal opwerpen en
een versterkte stad innemen; de strijdkrachten van het Zuiden zullen geen
stand kunnen houden, noch ook de keurtroepen, ja, er zal geen kracht zijn
om stand te houden. |
15 So the king of the north shall come, and cast up a mount, and take
the most fenced cities: and the arms of the south shall not withstand,
neither his chosen people, neither [shall there be any] strength to
withstand. |
15 En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en
vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch
zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan. |
|
DN 11:16 En hij die tegen hem optrekt, zal doen wat hem goeddunkt, en
niemand zal voor hem standhouden; hij zal vaste voet krijgen in het
Sieraadland en verdelging zal in zijn hand zijn. |
16 But he that cometh against him shall do according to his own will,
and none shall stand before him: and he shall stand in the glorious land,
which by his hand shall be consumed. |
16 Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en
niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land
des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen. |
|
DN 11:17 Dan zal hij ernaar streven om de macht te verwerven over het
gehele koninkrijk van de ander en hij zal een vergelijk met hem treffen;
een vrouw zal hij hem geven om het rijk te gronde te richten, maar dit zal
niet slagen en hem niet tot voordeel zijn. |
17 He shall also set his face to enter with the strength of his whole
kingdom, and upright ones with him; thus shall he do: and he shall give
him the daughter of women, corrupting her: but she shall not stand [on his
side], neither be for him. |
17 En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht zijns gansen
rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal
het doen; want hij zal hem een dochter der vrouwen geven, om haar te
verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn. |
|
DN 11:18 En hij zal zijn aangezicht keren tegen de kustlanden en er
vele veroveren, maar een bevelhebber zal hem met zijn smaad doen ophouden
zonder dat hij hem diens smaad vergelden kan. |
18 After this shall he turn his face unto the isles, and shall take
many: but a prince for his own behalf shall cause the reproach offered by
him to cease; without his own reproach he shall cause [it] to turn upon
him. |
18 Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er
vele innemen; doch een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden,
behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren. |
|
DN 11:19 Daarna zal hij zijn aangezicht keren naar de burchten van zijn
eigen land - maar hij zal struikelen en vallen en niet meer gevonden
worden. |
19 Then he shall turn his face toward the fort of his own land: but he
shall stumble and fall, and not be found. |
19 En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en
hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden. |
|
DN 11:20 In zijn plaats zal iemand opstaan, die een afperser rondzendt
door het heerlijkste deel van het koninkrijk, maar binnen enkele dagen zal
hij verbroken worden, doch niet door toorn, noch door strijd. |
20 Then shall stand up in his estate a raiser of taxes [in] the glory
of the kingdom: but within few days he shall be destroyed, neither in
anger, nor in battle. |
20 En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser
doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen
gebroken worden, nochtans niet door toornigheden, noch door oorlog. |
|
DN 11:21 En in zijn plaats zal een veracht man opstaan, wie men de
koninklijke waardigheid niet had toegedacht; onverhoeds echter zal hij
komen en zich meester maken van het koningschap door slinkse streken; |
21 And in his estate shall stand up a vile person, to whom they shall
not give the honour of the kingdom: but he shall come in peaceably, and
obtain the kingdom by flatteries. |
21 Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de
koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid komen, en
het koninkrijk door vleierijen bemachtigen. |
|
DN 11:22 alles overstromende strijdkrachten zullen voor zijn aangezicht
weggespoeld en vernietigd worden, ja, ook een vorst van het verbond. |
22 And with the arms of a flood shall they be overflown from before
him, and shall be broken; yea, also the prince of the covenant. |
22 En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn
aangezicht, en zij zullen verbroken worden, en ook de vorst des verbonds. |
|
DN 11:23 En wanneer men met hem een verbond heeft aangegaan, zal hij
bedrog plegen; zo zal hij omhoog komen en sterk worden, met weinig volk. |
23 And after the league [made] with him he shall work deceitfully: for
he shall come up, and shall become strong with a small people. |
23 En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal
optrekken, en hij zal met weinig volks gesterkt worden. |
|
DN 11:24 Onverhoeds zal hij in de vruchtbaarste streken van het
landschap komen, en doen wat zijn vaderen noch zijn voorvaderen gedaan
hebben: roof en buit en have zal hij voor zijn mannen uitstrooien; ook
tegen de versterkte plaatsen zal hij plannen beramen - maar slechts voor
een tijd. |
24 He shall enter peaceably even upon the fattest places of the
province; and he shall do [that] which his fathers have not done, nor his
fathers' fathers; he shall scatter among them the prey, and spoil, and
riches: [yea], and he shall forecast his devices against the strong holds,
even for a time. |
24 Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen,
en hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders zijner vaderen, niet gedaan
hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij
zal tegen de vastigheden zijn gedachten denken, doch tot een [zekeren]
tijd toe. |
|
DN 11:25 Ook zal hij zijn kracht en zijn moed richten tegen de koning
van het Zuiden met een groot leger, en de koning van het Zuiden zal zich
ten strijde rusten met een uitermate groot en sterk leger, maar hij zal
geen stand kunnen houden, want men zal plannen tegen hem beramen; |
25 And he shall stir up his power and his courage against the king of
the south with a great army; and the king of the south shall be stirred up
to battle with a very great and mighty army; but he shall not stand: for
they shall forecast devices against him. |
25 En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen den koning van
het Zuiden, met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich
in den strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij
zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. |
|
DN 11:26 zijn eigen tafelgenoten zullen hem afbreuk doen en zijn leger
zal wegspoelen, en er zullen vele verslagenen vallen. |
26 Yea, they that feed of the portion of his meat shall destroy him,
and his army shall overflow: and many shall fall down slain. |
26 En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en
de heirkracht deszelven zal overstromen, en vele verslagenen zullen
vallen. |
|
DN 11:27 En die beide koningen zullen kwaad in de zin hebben, en aan
één tafel gezeten, zullen zij leugens spreken, maar het zal niet
gelukken, want nog toeft het einde tot de vastgestelde tijd. |
27 And both these kings' hearts [shall be] to do mischief, and they
shall speak lies at one table; but it shall not prosper: for yet the end
[shall be] at the time appointed. |
27 En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en
aan een tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want
het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd. |
|
DN 11:28 Dan zal hij naar zijn land terugkeren met rijke have, en zijn
hart zal zijn tegen het heilig verbond; zo zal hij doen en naar zijn land
terugkeren. |
28 Then shall he return into his land with great riches; and his heart
[shall be] against the holy covenant; and he shall do [exploits], and
return to his own land. |
28 En hij zal [in] zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart
zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en wederkeren in
zijn land. |
|
DN 11:29 Ter bestemder tijd zal hij opnieuw in het Zuiden binnenvallen,
maar de laatste keer zal het niet zijn zoals de eerste: |
29 At the time appointed he shall return, and come toward the south;
but it shall not be as the former, or as the latter. |
29 Ter bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen,
doch het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste [reize]. |
|
DN 11:30 er zullen schepen der Kittiërs tegen hem komen, zodat hij
afgeschrikt wordt; maar op de terugweg zal hij vergramd worden tegen het
heilig verbond en tot daden overgaan; en, teruggekeerd, zal hij zijn
belangstelling wijden aan hen die het heilig verbond verzaken. |
30 For the ships of Chittim shall come against him: therefore he shall
be grieved, and return, and have indignation against the holy covenant: so
shall he do; he shall even return, and have intelligence with them that
forsake the holy covenant. |
30 Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij
met smart bevangen worden, en hij zal wederkeren, en gram worden tegen het
heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven
op de verlaters des heiligen verbonds. |
|
DN 11:31 Dan zullen strijdmachten door hem op de been gebracht worden;
zij zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijks offer
doen ophouden en een gruwel oprichten, die verwoesting brengt. |
31 And arms shall stand on his part, and they shall pollute the
sanctuary of strength, and shall take away the daily [sacrifice], and they
shall place the abomination that maketh desolate. |
31 En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom
ontheiligen, [en] de sterkte, en zij zullen het gedurige [offer] wegnemen,
en een verwoestenden gruwel stellen. |
|
DN 11:32 En degenen die zich misgaan tegen het verbond, zal hij door
vleierijen tot afval bewegen, maar het volk dat zijn God kent, zal sterk
zijn en daden doen. |
32 And such as do wickedly against the covenant shall he corrupt by
flatteries: but the people that do know their God shall be strong, and do
[exploits]. |
32 En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen
huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij
grijpen, en zullen het doen. |
|
DN 11:33 En de verstandigen onder het volk zullen velen tot inzicht
brengen, maar zij zullen een tijdlang struikelen door zwaard en vuur, door
gevangenschap en beroving. |
33 And they that understand among the people shall instruct many: yet
they shall fall by the sword, and by flame, by captivity, and by spoil,
[many] days. |
33 En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen
vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving,
[vele] dagen. |
|
DN 11:34 Doch, terwijl zij struikelen, zullen zij een kleine hulp
vinden; dan zullen velen zich in huichelachtigheid bij hen aansluiten. |
34 Now when they shall fall, they shall be holpen with a little help:
but many shall cleave to them with flatteries. |
34 Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen
worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen. |
|
DN 11:35 Sommige van de verstandigen zullen struikelen, opdat er onder
hen loutering, schifting en zuivering teweeggebracht worde, tot aan de
eindtijd; want deze toeft nog tot de vastgestelde tijd. |
35 And [some] of them of understanding shall fall, to try them, and to
purge, and to make [them] white, [even] to the time of the end: because
[it is] yet for a time appointed. |
35 En van de leraars zullen er [sommigen] vallen, om hen te louteren en
te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal
nog zijn voor een bestemden tijd. |
|
DN 11:36 En de koning zal doen wat hem goeddunkt; hij zal zich
verhovaardigen en zich verheffen tegen elke god, zelfs tegen de God der
goden zal hij ongehoorde woorden spreken, en hij zal voorspoedig zijn,
totdat de maat van de gramschap vol is; want wat vastbesloten is,
geschiedt. |
36 And the king shall do according to his will; and he shall exalt
himself, and magnify himself above every god, and shall speak marvellous
things against the God of gods, and shall prosper till the indignation be
accomplished: for that that is determined shall be done. |
36 En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven
verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der
goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de
gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden. |
|
DN 11:37 Ook op de goden zijner vaderen zal hij geen acht slaan; op de
lieveling der vrouwen noch op enige andere god zal hij acht slaan, want
tegen alle zal hij zich verheffen. |
37 Neither shall he regard the God of his fathers, nor the desire of
women, nor regard any god: for he shall magnify himself above all. |
37 En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de
begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal
zich boven alles groot maken. |
|
DN 11:38 Maar in hun plaats zal hij de god der vestingen vereren: de
god die zijn vaderen niet gekend hebben, zal hij vereren met goud en
zilver en edelgesteenten en kostbaarheden. |
38 But in his estate shall he honour the God of forces: and a god whom
his fathers knew not shall he honour with gold, and silver, and with
precious stones, and pleasant things. |
38 En hij zal den god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk den
god, welken zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met
zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen. |
|
DN 11:39 En hij zal optreden tegen de versterkte vestingen met de hulp
van de vreemde god; ieder die deze erkent, zal tot grote eer komen; hij
zal hen tot heersers maken over velen en grond aan hen toedelen als
beloning. |
39 Thus shall he do in the most strong holds with a strange god, whom
he shall acknowledge [and] increase with glory: and he shall cause them to
rule over many, and shall divide the land for gain. |
39 En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god;
dengenen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal
ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs. |
|
DN 11:40 Maar in de eindtijd zal met hem de koning van het Zuiden in
botsing komen, en de koning van het Noorden zal op deze aanstormen met
wagens en ruiters en vele schepen; en hij zal de landen binnenvallen, en
als een overstroming steeds verder om zich heen grijpen. |
40 And at the time of the end shall the king of the south push at him:
and the king of the north shall come against him like a whirlwind, with
chariots, and with horsemen, and with many ships; and he shall enter into
the countries, and shall overflow and pass over. |
40 En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem
met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen,
met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen
komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken. |
|
DN 11:41 Ook het Sieraadland zal hij binnenvallen, en velen zullen
struikelen; maar aan zijn macht zullen ontkomen: Edom, Moab en de keur der
Ammonieten. |
41 He shall enter also into the glorious land, and many [countries]
shall be overthrown: but these shall escape out of his hand, [even] Edom,
and Moab, and the chief of the children of Ammon. |
41 En hij zal komen in het land des sieraads, en vele [landen] zullen
ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en
Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons. |
|
DN 11:42 En hij zal zijn hand uitstrekken tegen de landen, en het land
Egypte zal niet ontkomen, |
42 He shall stretch forth his hand also upon the countries: and the
land of Egypt shall not escape. |
42 En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van
Egypte niet ontkomen. |
|
DN 11:43 maar hij zal de schatten bemachtigen van goud en zilver en
alle kostbaarheden van Egypte; en Libiërs en Ethiopiërs zullen in zijn
gevolg zijn. |
43 But he shall have power over the treasures of gold and of silver,
and over all the precious things of Egypt: and the Libyans and the
Ethiopians [shall be] at his steps. |
43 En hij zal heersen over de verborgen schatten des gouds en des
zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de
Moren zullen in zijn gangen wezen. |
|
DN 11:44 Doch geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem
ontstellen, zodat hij in grote grimmigheid zal uittrekken om velen te
verdelgen en te vernietigen. |
44 But tidings out of the east and out of the north shall trouble him:
therefore he shall go forth with great fury to destroy, and utterly to
make away many. |
44 Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem
verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te
verdelgen en te verbannen. |
|
DN 11:45 Hij zal zijn staatsietenten opslaan tussen de zee en de berg
van het heilig Sieraad - maar dan komt hij aan zijn einde, zonder dat
iemand hem helpt. |
45 And he shall plant the tabernacles of his palace between the seas in
the glorious holy mountain; yet he shall come to his end, and none shall
help him. |
45 En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeen aan den
berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen
helper hebben. |
|
DN 12:1 Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote
vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van
grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan,
tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het
boek geschreven wordt bevonden. |
1 And at that time shall Michael stand up, the great prince which
standeth for the children of thy people: and there shall be a time of
trouble, such as never was since there was a nation [even] to that same
time: and at that time thy people shall be delivered, every one that shall
be found written in the book. |
1 En te dier tijd zal Michael opstaan, die grote vorst, die voor de
kinderen uws volks staat, als het [zulk] een tijd der benauwdheid zijn
zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op
dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie
gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. |
|
DN 12:2 Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen
ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig
afgrijzen. |
2 And many of them that sleep in the dust of the earth shall awake,
some to everlasting life, and some to shame [and] everlasting contempt. |
2 En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken,
dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, [en] tot eeuwige
afgrijzing. |
|
DN 12:3 En de verstandigen zullen stralen als de glans van het
uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren,
voor eeuwig en altoos. |
3 And they that be wise shall shine as the brightness of the firmament;
and they that turn many to righteousness as the stars for ever and ever. |
3 De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er
velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. |
|
DN 12:4 Maar gij, Daniël, houd de woorden verborgen, en verzegel het
boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal
vermeerderen. |
4 But thou, O Daniel, shut up the words, and seal the book, [even] to
the time of the end: many shall run to and fro, and knowledge shall be
increased. |
4 En gij, Daniel! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den
tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal
vermenigvuldigd worden. |
|
DN 12:5 En ik, Daniël, zag en zie, daar stonden twee anderen, de een
aan deze oever van de rivier, en de ander aan gene oever der rivier, |
5 Then I Daniel looked, and, behold, there stood other two, the one on
this side of the bank of the river, and the other on that side of the bank
of the river. |
5 En ik, Daniel, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze
zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever
der rivier. |
|
DN 12:6 en de een zeide tot de man die met linnen klederen bekleed was
en zich boven het water van de rivier bevond: hoelang toeft het einde
dezer wonderbare dingen? |
6 And [one] said to the man clothed in linen, which [was] upon the
waters of the river, How long [shall it be to] the end of these wonders? |
6 En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water
der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze
wonderen zal wezen? |
|
DN 12:7 Toen hoorde ik de man die met linnen klederen bekleed was en
zich boven het water van de rivier bevond, zweren bij Hem die eeuwig
leeft, terwijl hij zijn rechter- en zijn linkerhand naar de hemel hief:
Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het
verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen
voleindigd zijn. |
7 And I heard the man clothed in linen, which [was] upon the waters of
the river, when he held up his right hand and his left hand unto heaven,
and sware by him that liveth for ever that [it shall be] for a time,
times, and an half; and when he shall have accomplished to scatter the
power of the holy people, all these [things] shall be finished. |
7 En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van
de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar den
hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd,
bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te
verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen
worden. |
|
DN 12:8 Ik nu hoorde het wel, maar begreep het niet en zeide: Mijn
heer, waarop zullen deze dingen uitlopen? |
8 And I heard, but I understood not: then said I, O my Lord, what
[shall be] the end of these [things]? |
8 Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere!
wat zal het einde zijn van deze [dingen]? |
|
DN 12:9 Doch hij zeide: Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven
verborgen en verzegeld tot de eindtijd. |
9 And he said, Go thy way, Daniel: for the words [are] closed up and
sealed till the time of the end. |
9 En Hij zeide: Ga henen, Daniel! want deze woorden zijn toegesloten en
verzegeld tot den tijd van het einde. |
|
DN 12:10 Velen zullen zich laten reinigen en zuiveren en louteren, maar
de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen der goddelozen zal het
verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan. |
10 Many shall be purified, and made white, and tried; but the wicked
shall do wickedly: and none of the wicked shall understand; but the wise
shall understand. |
10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch
de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen
zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan. |
|
DN 12:11 En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en
een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend
tweehonderd en negentig dagen; |
11 And from the time [that] the daily [sacrifice] shall be taken away,
and the abomination that maketh desolate set up, [there shall be] a
thousand two hundred and ninety days. |
11 En van dien tijd af, dat het gedurig [offer] zal weggenomen, en de
verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en
negentig dagen. |
|
DN 12:12 welzalig hij die blijft verwachten en duizend driehonderd
vijfendertig dagen bereikt. |
12 Blessed [is] he that waiteth, and cometh to the thousand three
hundred and five and thirty days. |
12 Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd
vijf en dertig dagen. |
|
DN 12:13 Maar gij, ga het einde tegen, en gij zult rusten en opstaan
tot uw bestemming aan het einde der dagen. |
13 But go thou thy way till the end [be]: for thou shalt rest, and
stand in thy lot at the end of the days. |
13 Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult
opstaan in uw lot, in het einde der dagen. |