|
2KN 1:1 Moab viel na Achabs dood van Israël af. |
1 Then Moab rebelled against Israel after the death of Ahab. |
1 En Moab viel van Israel af, na Achabs dood. |
|
2KN 1:2 Achazja viel door het traliewerk van zijn bovenvertrek te
Samaria, en hij werd ziek. Toen zond hij boden uit en beval hun: Gaat
Baäl-Zebub, de god van Ekron, raadplegen, of ik van deze ziekte zal
herstellen. |
2 And Ahaziah fell down through a lattice in his upper chamber that
[was] in Samaria, and was sick: and he sent messengers, and said unto
them, Go, enquire of Baalzebub the god of Ekron whether I shall recover of
this disease. |
2 En Ahazia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was,
en werd krank. En hij zond boden, en zeide tot hen: Gaat heen, vraagt
Baal-Zebub, den god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal. |
|
2KN 1:3 Maar de Engel des HEREN sprak tot de Tisbiet Elia: Sta op, ga
de boden van de koning van Samaria tegemoet en zeg tot hen: Is er dan geen
God in Israël, dat gij Baäl-Zebub, de god van Ekron, gaat raadplegen? |
3 But the angel of the LORD said to Elijah the Tishbite, Arise, go up
to meet the messengers of the king of Samaria, and say unto them, [Is it]
not because [there is] not a God in Israel, [that] ye go to enquire of
Baalzebub the god of Ekron? |
3 Maar de Engel des HEEREN sprak tot Elia, den Thisbiet: Maak u op, ga
op, den boden des konings van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het,
omdat er geen God in Israel is, dat gijlieden heengaat, om Baal-Zebub, den
god van Ekron, te vragen? |
|
2KN 1:4 Daarom, zo zegt de HERE: Van het bed waarop gij zijt komen te
liggen, zult gij niet afkomen, maar gij zult voorzeker sterven. En Elia
ging heen. |
4 Now therefore thus saith the LORD, Thou shalt not come down from that
bed on which thou art gone up, but shalt surely die. And Elijah departed. |
4 Daarom nu zegt de HEERE alzo: Gij zult niet afkomen van dat bed,
waarop gij geklommen zijt, maar gij zult den dood sterven. En Elia ging
weg. |
|
2KN 1:5 Toen de boden tot hem terugkeerden, zeide hij tot hen: Hoe komt
gij nu reeds terug? |
5 And when the messengers turned back unto him, he said unto them, Why
are ye now turned back? |
5 Zo kwamen de boden weder tot hem; en hij zeide tot hen: Wat is dit,
[dat] gij wederkomt? |
|
2KN 1:6 Zij zeiden tot hem: Een man kwam ons tegemoet en zeide tot ons:
Gaat terug naar de koning, die u gezonden heeft, en zegt tot hem: Zo zegt
de HERE: is er dan geen God in Israël, dat gij boden zendt om
Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen? Daarom, van het bed waarop
gij zijt komen te liggen, zult gij niet afkomen, maar gij zult voorzeker
sterven. |
6 And they said unto him, There came a man up to meet us, and said unto
us, Go, turn again unto the king that sent you, and say unto him, Thus
saith the LORD, [Is it] not because [there is] not a God in Israel, [that]
thou sendest to enquire of Baalzebub the god of Ekron? therefore thou
shalt not come down from that bed on which thou art gone up, but shalt
surely die. |
6 En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zeide tot
ons: Gaat heen, keert weder tot den koning die u gezonden heeft, en
spreekt tot hem: Zo zegt de HEERE: Is het, omdat er geen God in Israel is,
dat gij zendt, om Baal-Zebub, den god van Ekron, te vragen? Daarom zult
gij van dat bed, waarop gij geklommen zijt, niet afkomen, maar gij zult
den dood sterven. |
|
2KN 1:7 En hij vroeg hun: Wat was het voor een man, die u tegemoet kwam
en deze woorden tot u sprak? |
7 And he said unto them, What manner of man [was he] which came up to
meet you, and told you these words? |
7 En hij sprak tot hen: Hoedanig was de gestalte des mans, die u
tegemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft? |
|
2KN 1:8 En zij antwoordden hem: Het was iemand met een haren kleed, en
een lederen gordel was om zijn lendenen gebonden. Toen zeide hij: Dat is
de Tisbiet Elia. |
8 And they answered him, [He was] an hairy man, and girt with a girdle
of leather about his loins. And he said, It [is] Elijah the Tishbite. |
8 En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig [kleed], en met
een lederen gordel gegord om zijn lenden. Toen zeide hij: Het is Elia, de
Thisbiet. |
|
2KN 1:9 Daarop zond hij tot hem een overste over vijftig met zijn
vijftigtal. En deze klom tot hem op - want zie, hij zat op een bergtop -
en sprak tot hem: Man Gods, de koning beveelt: daal af! |
9 Then the king sent unto him a captain of fifty with his fifty. And he
went up to him: and, behold, he sat on the top of an hill. And he spake
unto him, Thou man of God, the king hath said, Come down. |
9 En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. En
als hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte eens bergs), zo
sprak hij tot hem: Gij man Gods! de koning zegt: Kom af. |
|
2KN 1:10 Toen antwoordde Elia en sprak tot de overste over vijftig:
Indien ik dan een man Gods ben, laat er dan vuur van de hemel afdalen en u
en uw vijftigtal verteren. Toen daalde vuur van de hemel en verteerde hem
en zijn vijftigtal. |
10 And Elijah answered and said to the captain of fifty, If I [be] a
man of God, then let fire come down from heaven, and consume thee and thy
fifty. And there came down fire from heaven, and consumed him and his
fifty. |
10 Maar Elia antwoordde en sprak tot den hoofdman van vijftigen: Indien
ik dan een man Gods ben, zo dale vuur van den hemel, en vertere u en uw
vijftigen. Toen daalde vuur van den hemel, en verteerde hem en zijn
vijftigen. |
|
2KN 1:11 Wederom zond hij tot hem een andere overste over vijftig met
zijn vijftigtal. En deze nam het woord en zeide tot hem: Man Gods, zo
beveelt de koning: haast u, daal af! |
11 Again also he sent unto him another captain of fifty with his fifty.
And he answered and said unto him, O man of God, thus hath the king said,
Come down quickly. |
11 En hij zond wederom tot hem een anderen hoofdman van vijftig met
zijn vijftigen. Deze antwoordde en sprak tot hem: Gij, man Gods! zo zegt
de koning: Kom haastelijk af. |
|
2KN 1:12 Toen antwoordde Elia en sprak tot hen: Indien ik een man Gods
ben, laat er dan vuur van de hemel afdalen en u en uw vijftigtal verteren.
Toen daalde Gods vuur van de hemel en verteerde hem en zijn vijftigtal. |
12 And Elijah answered and said unto them, If I [be] a man of God, let
fire come down from heaven, and consume thee and thy fifty. And the fire
of God came down from heaven, and consumed him and his fifty. |
12 En Elia antwoordde en sprak tot hem: Ben ik een man Gods, zo dale
vuur van den hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur Gods
van den hemel en verteerde hem en zijn vijftigen. |
|
2KN 1:13 Wederom zond hij een derde overste over vijftig met zijn
vijftigtal. En deze derde overste over vijftig klom tot hem op, kwam nader
en knielde voor Elia; hij smeekte hem en zeide tot hem: Man Gods, laat
toch mijn leven en het leven van deze uw vijftig knechten kostbaar zijn in
uw ogen. |
13 And he sent again a captain of the third fifty with his fifty. And
the third captain of fifty went up, and came and fell on his knees before
Elijah, and besought him, and said unto him, O man of God, I pray thee,
let my life, and the life of these fifty thy servants, be precious in thy
sight. |
13 En wederom zond hij een hoofdman van de derde vijftigen met zijn
vijftigen. Zo ging de derde hoofdman van vijftigen op, en kwam en boog
zich op zijn knieen, voor Elia, en smeekte hem, en sprak tot hem: Gij, man
Gods, laat toch mijn ziel en de ziel van uw knechten, van deze vijftigen,
dierbaar zijn in uw ogen! |
|
2KN 1:14 Zie, vuur is van de hemel neergedaald en heeft de eerste twee
oversten over vijftig met hun vijftigtallen verteerd. Nu dan, laat mijn
leven kostbaar zijn in uw ogen. |
14 Behold, there came fire down from heaven, and burnt up the two
captains of the former fifties with their fifties: therefore let my life
now be precious in thy sight. |
14 Zie, het vuur is van den hemel gedaald, en heeft die twee eerste
hoofdmannen van vijftigen met hun vijftigen verteerd; maar nu, laat mijn
ziel dierbaar zijn in uw ogen! |
|
2KN 1:15 Toen sprak de Engel des HEREN tot Elia: Daal met hem af, vrees
niet voor hem. En hij stond op en daalde met hem af naar de koning. |
15 And the angel of the LORD said unto Elijah, Go down with him: be not
afraid of him. And he arose, and went down with him unto the king. |
15 Toen sprak de Engel des HEEREN tot Elia: Ga af met hem; vrees niet
voor zijn aangezicht. En hij stond op, en ging met hem af tot den koning. |
|
2KN 1:16 En hij sprak tot hem: Zo zegt de HERE: aangezien gij boden
gezonden hebt om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen - is er dan
geen God in Israël, wiens woord gij kunt raadplegen? - daarom zult gij
van het bed waarop gij zijt komen te liggen, niet afkomen, maar gij zult
voorzeker sterven. |
16 And he said unto him, Thus saith the LORD, Forasmuch as thou hast
sent messengers to enquire of Baalzebub the god of Ekron, [is it] not
because [there is] no God in Israel to enquire of his word? therefore thou
shalt not come down off that bed on which thou art gone up, but shalt
surely die. |
16 En hij sprak tot hem: Zo zegt de HEERE: Daarom, dat gij boden
gezonden hebt, om Baal-Zebub, den god van Ekron, te vragen (is het, omdat
er geen God in Israel is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed,
waarop gij geklommen zijt, zult gij niet afkomen, maar gij zult den dood
sterven. |
|
2KN 1:17 Zo stierf hij volgens het woord des HEREN, dat Elia gesproken
had; en Joram werd koning in zijn plaats in het tweede jaar van Joram, de
zoon van Josafat, de koning van Juda; want hij had geen zoon. |
17 So he died according to the word of the LORD which Elijah had
spoken. And Jehoram reigned in his stead in the second year of Jehoram the
son of Jehoshaphat king of Judah; because he had no son. |
17 Alzo stierf hij, naar het woord des HEEREN, dat Elia gesproken had;
en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, den
zoon van Josafat, den koning van Juda; want hij had geen zoon. |
|
2KN 1:18 Het overige van de geschiedenis van Achazja, wat hij gedaan
heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen
van Israël? |
18 Now the rest of the acts of Ahaziah which he did, [are] they not
written in the book of the chronicles of the kings of Israel? |
18 Het overige nu der zaken van Ahazia, die hij gedaan heeft, is dat
niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel? |
|
2KN 2:1 Het geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou
opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. |
1 And it came to pass, when the LORD would take up Elijah into heaven
by a whirlwind, that Elijah went with Elisha from Gilgal. |
1 Het geschiedde nu, als de HEERE Elia met een onweder ten hemel
opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal. |
|
2KN 2:2 En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HERE heeft
mij naar Betel gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waar de HERE leeft en
gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Daarop begaven zij zich naar Betel. |
2 And Elijah said unto Elisha, Tarry here, I pray thee; for the LORD
hath sent me to Bethel. And Elisha said [unto him, As] the LORD liveth,
and [as] thy soul liveth, I will not leave thee. So they went down to
Bethel. |
2 En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij
naar Beth-El gezonden. Maar Elisa zeide: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE
leeft en uw ziel leeft ik zal u niet verlaten! Alzo gingen zij af naar
Beth-El. |
|
2KN 2:3 Toen kwamen de profeten van Betel naar Elisa en vroegen hem:
Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij
antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. |
3 And the sons of the prophets that [were] at Bethel came forth to
Elisha, and said unto him, Knowest thou that the LORD will take away thy
master from thy head to day? And he said, Yea, I know [it]; hold ye your
peace. |
3 Toen gingen de zonen der profeten, die te Beth-El waren, tot Elisa
uit, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd
wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil. |
|
2KN 2:4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HERE
heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en
gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij te Jericho. |
4 And Elijah said unto him, Elisha, tarry here, I pray thee; for the
LORD hath sent me to Jericho. And he said, [As] the LORD liveth, and [as]
thy soul liveth, I will not leave thee. So they came to Jericho. |
4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft
mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: [Zo] [waarachtig] [als] de
HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo kwamen zij te
Jericho. |
|
2KN 2:5 Toen naderden de profeten van Jericho tot Elisa en vroegen hem:
Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij
antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. |
5 And the sons of the prophets that [were] at Jericho came to Elisha,
and said unto him, Knowest thou that the LORD will take away thy master
from thy head to day? And he answered, Yea, I know [it]; hold ye your
peace. |
5 Toen traden de zonen der profeten, die te Jericho waren, naar Elisa
toe, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd
wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil. |
|
2KN 2:6 En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij
naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf
leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder. |
6 And Elijah said unto him, Tarry, I pray thee, here; for the LORD hath
sent me to Jordan. And he said, [As] the LORD liveth, and [as] thy soul
liveth, I will not leave thee. And they two went on. |
6 En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar
de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE
leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen
henen. |
|
2KN 2:7 Vijftig man van de profeten waren ook gegaan, maar bleven op
verre afstand staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden. |
7 And fifty men of the sons of the prophets went, and stood to view
afar off: and they two stood by Jordan. |
7 En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen henen, en stonden
tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan. |
|
2KN 2:8 Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het
water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door
het droge overstaken. |
8 And Elijah took his mantle, and wrapped [it] together, and smote the
waters, and they were divided hither and thither, so that they two went
over on dry ground. |
8 Toen nam Elia zijn mantel, en wond [hem] samen, en sloeg het water,
en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen er door
op het droge. |
|
2KN 2:9 En zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een
wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? En Elisa
zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. |
9 And it came to pass, when they were gone over, that Elijah said unto
Elisha, Ask what I shall do for thee, before I be taken away from thee.
And Elisha said, I pray thee, let a double portion of thy spirit be upon
me. |
9 Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot
Elisa: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen worde. En
Elisa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn! |
|
2KN 2:10 En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij
mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus
geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden. |
10 And he said, Thou hast asked a hard thing: [nevertheless], if thou
see me [when I am] taken from thee, it shall be so unto thee; but if not,
it shall not be [so]. |
10 En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zult
zien, als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzo geschieden; doch
zo niet, het zal niet geschieden. |
|
2KN 2:11 En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie,
een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen
beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. |
11 And it came to pass, as they still went on, and talked, that,
behold, [there appeared] a chariot of fire, and horses of fire, and parted
them both asunder; and Elijah went up by a whirlwind into heaven. |
11 En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo
was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden
scheiding maakten. Alzo voer Elia met een onweder ten hemel. |
|
2KN 2:12 En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens
en ruiters van Israël! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn
klederen en scheurde ze in twee stukken. |
12 And Elisha saw [it], and he cried, My father, my father, the chariot
of Israel, and the horsemen thereof. And he saw him no more: and he took
hold of his own clothes, and rent them in two pieces. |
12 En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels
en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en
scheurde ze in twee stukken. |
|
2KN 2:13 Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem
afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan. |
13 He took up also the mantle of Elijah that fell from him, and went
back, and stood by the bank of Jordan; |
13 Hij hief ook Elia’s mantel op, die van hem afgevallen was, en
keerde weder, en stond aan den oever van de Jordaan. |
|
2KN 2:14 En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was,
sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij
sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat
Elisa kon oversteken. |
14 And he took the mantle of Elijah that fell from him, and smote the
waters, and said, Where [is] the LORD God of Elijah? and when he also had
smitten the waters, they parted hither and thither: and Elisha went over. |
14 En hij nam den mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg
het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? En
hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa
ging er door. |
|
2KN 2:15 De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen
hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet
en bogen zich voor hem ter aarde. |
15 And when the sons of the prophets which [were] to view at Jericho
saw him, they said, The spirit of Elijah doth rest on Elisha. And they
came to meet him, and bowed themselves to the ground before him. |
15 Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem
zagen, zo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem
tegemoet, en bogen zich voor hem neder ter aarde. |
|
2KN 2:16 En zij zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten
vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet
misschien de Geest des HEREN hem heeft opgenomen en op een van de bergen
of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. |
16 And they said unto him, Behold now, there be with thy servants fifty
strong men; let them go, we pray thee, and seek thy master: lest
peradventure the Spirit of the LORD hath taken him up, and cast him upon
some mountain, or into some valley. And he said, Ye shall not send. |
16 En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig
dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet
misschien de Geest des HEEREN hem opgenomen, en op een der bergen, of in
een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet. |
|
2KN 2:17 Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij:
Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen
lang, maar vonden hem niet. |
17 And when they urged him till he was ashamed, he said, Send. They
sent therefore fifty men; and they sought three days, but found him not. |
17 Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zeide: Zendt.
En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet
vonden. |
|
2KN 2:18 Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho
vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet? |
18 And when they came again to him, (for he tarried at Jericho,) he
said unto them, Did I not say unto you, Go not? |
18 Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en
hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet? |
|
2KN 2:19 De mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging
van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en de
landstreek veroorzaakt misgeboorte. |
19 And the men of the city said unto Elisha, Behold, I pray thee, the
situation of this city [is] pleasant, as my lord seeth: but the water [is]
naught, and the ground barren. |
19 En de mannen der stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning dezer
stad is goed, gelijk als mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het
land onvruchtbaar. |
|
2KN 2:20 Toen zeide hij: Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout
in. Zij haalden hem er een. |
20 And he said, Bring me a new cruse, and put salt therein. And they
brought [it] to him. |
20 En hij zeide: Brengt mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En
zij brachten ze tot hem. |
|
2KN 2:21 Daarop ging hij naar de waterwel, wierp het zout daarin en
zeide: Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen dood of
misgeboorte meer voortkomen. |
21 And he went forth unto the spring of the waters, and cast the salt
in there, and said, Thus saith the LORD, I have healed these waters; there
shall not be from thence any more death or barren [land]. |
21 Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en
zeide: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood
noch onvruchtbaarheid meer van worden. |
|
2KN 2:22 En het water werd gezond, tot op deze dag, volgens het woord,
dat Elisa gesproken had. |
22 So the waters were healed unto this day, according to the saying of
Elisha which he spake. |
22 Alzo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van
Elisa, dat hij gesproken had. |
|
2KN 2:23 Vandaar ging hij naar Betel. En toen hij de weg opklom, kwamen
er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen:
Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop! |
23 And he went up from thence unto Bethel: and as he was going up by
the way, there came forth little children out of the city, and mocked him,
and said unto him, Go up, thou bald head; go up, thou bald head. |
23 En hij ging van daar op naar Beth-El. Als hij nu den weg opging, zo
kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem:
Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op! |
|
2KN 2:24 Toen wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam
des HEREN. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden
tweeënveertig van die kinderen. |
24 And he turned back, and looked on them, and cursed them in the name
of the LORD. And there came forth two she bears out of the wood, and tare
forty and two children of them. |
24 En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in den
Naam des HEEREN. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van
dezelve twee en veertig kinderen. |
|
2KN 2:25 En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij
terug naar Samaria. |
25 And he went from thence to mount Carmel, and from thence he returned
to Samaria. |
25 En hij ging van daar naar den berg Karmel; en van daar keerde hij
weder naar Samaria. |
|
2KN 3:1 Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria
in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde
twaalf jaar. |
1 Now Jehoram the son of Ahab began to reign over Israel in Samaria the
eighteenth year of Jehoshaphat king of Judah, and reigned twelve years. |
1 Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israel te Samaria, in
het achttiende jaar van Josafat, den koning van Juda, en hij regeerde
twaalf jaren. |
|
2KN 3:2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN; echter niet zoals
zijn vader en zijn moeder: hij verwijderde de gewijde steen van Baäl, die
zijn vader gemaakt had. |
2 And he wrought evil in the sight of the LORD; but not like his
father, and like his mother: for he put away the image of Baal that his
father had made. |
2 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, doch niet gelijk
zijn vader en gelijk zijn moeder; want hij deed dag opgerichte beeld van
Baal weg, hetwelk zijn vader gemaakt had. |
|
2KN 3:3 Alleen volhardde hij in de zonden die Jerobeam, de zoon van
Nebat, Israël had doen bedrijven; daarvan week hij niet af. |
3 Nevertheless he cleaved unto the sins of Jeroboam the son of Nebat,
which made Israel to sin; he departed not therefrom. |
3 Evenwel hing hij de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, aan, die
Israel deed zondigen; hij week daarvan niet af. |
|
2KN 3:4 Mesa nu, de koning van Moab, was een schapenfokker; hij bracht
aan de koning van Israël honderdduizend lammeren op en de wol van
honderdduizend rammen. |
4 And Mesha king of Moab was a sheepmaster, and rendered unto the king
of Israel an hundred thousand lambs, and an hundred thousand rams, with
the wool. |
4 Mesa nu, de koning der Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op
aan den koning van Israel honderd duizend lammeren, en honderd duizend
rammen met de wol. |
|
2KN 3:5 Maar zodra Achab gestorven was, viel de koning van Moab van de
koning van Israël af. |
5 But it came to pass, when Ahab was dead, that the king of Moab
rebelled against the king of Israel. |
5 Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning der
Moabieten van den koning van Israel afviel. |
|
2KN 3:6 Koning Joram trok te dien dage op uit Samaria en monsterde
geheel Israël. |
6 And king Jehoram went out of Samaria the same time, and numbered all
Israel. |
6 Zo toog de koning Joram ter zelfder tijd uit Samaria, en monsterde
gans Israel. |
|
2KN 3:7 En hij zond tot Josafat, de koning van Juda, deze boodschap: De
koning van Moab is van mij afgevallen; trekt gij met mij tegen Moab ten
strijde? En hij antwoordde: Ik zal optrekken, ik ben als gij, mijn volk is
als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden. |
7 And he went and sent to Jehoshaphat the king of Judah, saying, The
king of Moab hath rebelled against me: wilt thou go with me against Moab
to battle? And he said, I will go up: I [am] as thou [art], my people as
thy people, [and] my horses as thy horses. |
7 En hij ging heen, en zond tot Josafat, den koning van Juda, zeggende:
De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in
den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zo zal ik
zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw
paarden. |
|
2KN 3:8 Ook vroeg hij: Langs welke weg zullen wij optrekken? En hij
antwoordde: In de richting van de woestijn van Edom. |
8 And he said, Which way shall we go up? And he answered, The way
through the wilderness of Edom. |
8 En hij zeide: Door welken weg zullen wij optrekken? Hij dan zeide:
Door den weg der woestijn van Edom. |
|
2KN 3:9 Zo ging de koning van Israël op weg met de koning van Juda en
de koning van Edom. Maar toen zij zeven dagreizen rondgetrokken hadden,
was er geen water voor het leger en de lastdieren die hen volgden. |
9 So the king of Israel went, and the king of Judah, and the king of
Edom: and they fetched a compass of seven days' journey: and there was no
water for the host, and for the cattle that followed them. |
9 Alzo toog de koning van Israel heen, en de koning van Juda, en de
koning van Edom; en als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zo had het
leger en het vee, dat hen navolgde, geen water. |
|
2KN 3:10 Toen zeide de koning van Israël: Ach, voorzeker heeft de HERE
deze drie koningen geroepen om hen in de macht van Moab te geven! |
10 And the king of Israel said, Alas! that the LORD hath called these
three kings together, to deliver them into the hand of Moab! |
10 Toen zeide de koning van Israel: Ach, dat de HEERE deze drie
koningen geroepen heeft, om die in der Moabieten hand te geven! |
|
2KN 3:11 Maar Josafat vroeg: Is hier geen profeet des HEREN om door hem
de HERE te raadplegen? Toen antwoordde een van de dienaren van de koning
van Israël en zeide: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die water op
Elia's handen goot. |
11 But Jehoshaphat said, [Is there] not here a prophet of the LORD,
that we may enquire of the LORD by him? And one of the king of Israel's
servants answered and said, Here [is] Elisha the son of Shaphat, which
poured water on the hands of Elijah. |
11 En Josafat zeide: Is hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem
den HEERE mochten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings
van Israel, en zeide: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die water op Elia’s
handen goot. |
|
2KN 3:12 En Josafat zeide: Bij hem is het woord des HEREN. Daarop
gingen de koning van Israël en Josafat, en de koning van Edom naar hem
toe. |
12 And Jehoshaphat said, The word of the LORD is with him. So the king
of Israel and Jehoshaphat and the king of Edom went down to him. |
12 En Josafat zeide: Des HEEREN woord is bij hem. Zo togen tot hem af
de koning van Israel, en Josafat, en de koning van Edom. |
|
2KN 3:13 Maar Elisa zeide tot de koning van Israël: Wat heb ik met u
te doen? Ga naar de profeten van uw vader en naar die van uw moeder. Doch
de koning van Israël zeide tot hem: Neen, want de HERE heeft deze drie
koningen geroepen om hen in de macht van Moab te geven. |
13 And Elisha said unto the king of Israel, What have I to do with
thee? get thee to the prophets of thy father, and to the prophets of thy
mother. And the king of Israel said unto him, Nay: for the LORD hath
called these three kings together, to deliver them into the hand of Moab. |
13 Maar Elisa zeide tot den koning van Israel: Wat heb ik met u te
doen? Ga heen tot de profeten uws vaders, en tot de profeten uwer moeder.
Doch de koning van Israel zeide tot hem: Neen, want de HEERE heeft deze
drie koningen geroepen, om die in der Moabieten hand te geven. |
|
2KN 3:14 Toen zeide Elisa: Zo waar de HERE der heerscharen leeft, in
wiens dienst ik sta, als ik geen rekening wilde houden met Josafat, de
koning van Juda, dan zou ik op u geen acht slaan of naar u omzien. |
14 And Elisha said, [As] the LORD of hosts liveth, before whom I stand,
surely, were it not that I regard the presence of Jehoshaphat the king of
Judah, I would not look toward thee, nor see thee. |
14 En Elisa zeide: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE der heirscharen
leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van
Josafat, den koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u
aanzien! |
|
2KN 3:15 Nu dan, haalt mij een citerspeler. En het geschiedde, toen de
citerspeler speelde, dat de hand des HEREN op hem kwam. |
15 But now bring me a minstrel. And it came to pass, when the minstrel
played, that the hand of the LORD came upon him. |
15 Nu dan, brengt mij een speelman. En het geschiedde, als de speelman
op de snaren speelde, dat de hand des HEEREN op hem kwam. |
|
2KN 3:16 En hij zeide: Zo zegt de HERE: men make in dit dal vele
greppels, |
16 And he said, Thus saith the LORD, Make this valley full of ditches. |
16 En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele grachten. |
|
2KN 3:17 want zo zegt de HERE: gij zult geen wind voelen en geen
stortregen zien; toch zal dit dal vol water lopen, zodat gij kunt drinken,
gij met uw vee en uw lastdieren. |
17 For thus saith the LORD, Ye shall not see wind, neither shall ye see
rain; yet that valley shall be filled with water, that ye may drink, both
ye, and your cattle, and your beasts. |
17 Want zo zegt de HEERE: Gijlieden zult geen wind zien, en gij zult
geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat gij
zult drinken, gij en uw vee, en uw beesten. |
|
2KN 3:18 En ook is dit nog maar een kleine zaak in de ogen des HEREN:
Hij zal bovendien Moab in uw macht geven, |
18 And this is [but] a light thing in the sight of the LORD: he will
deliver the Moabites also into your hand. |
18 Daartoe is dat slecht in de ogen des HEEREN, Hij zal ook de
Moabieten in ulieder hand geven. |
|
2KN 3:19 zodat gij alle versterkte steden, de keur der steden zult
innemen en alle goede bomen vellen en alle waterbronnen dichtstoppen en
alle goede akkers met stenen bederven. |
19 And ye shall smite every fenced city, and every choice city, and
shall fell every good tree, and stop all wells of water, and mar every
good piece of land with stones. |
19 En gij zult alle vaste steden, en alle uitgelezene steden slaan, en
zult alle goede bomen vellen, en zult alle waterfonteinen stoppen; en alle
goede stukken lands zult gij met stenen verderven. |
|
2KN 3:20 De volgende morgen, juist bij het brengen van het offer, zie
daar kwam water uit de richting van Edom, zodat het land vol water liep. |
20 And it came to pass in the morning, when the meat offering was
offered, that, behold, there came water by the way of Edom, and the
country was filled with water. |
20 En het geschiedde des morgens, als men het spijsoffer offert, dat
er, ziet, water door den weg van Edom kwam, en het land met water vervuld
werd. |
|
2KN 3:21 Toen al de Moabieten gehoord hadden, dat de koningen
opgetrokken waren om tegen hen te strijden, werden allen bijeengeroepen,
die nog de krijgsgordel konden aangorden, ja ook nog ouderen; en zij
stelden zich op aan de grens. |
21 And when all the Moabites heard that the kings were come up to fight
against them, they gathered all that were able to put on armour, and
upward, and stood in the border. |
21 Toen nu al de Moabieten hoorden, dat koningen opgetogen waren, om
tegen hen te strijden, zo werden zij samen geroepen, van al degenen af,
die den gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan de landpale. |
|
2KN 3:22 De volgende morgen vroeg, toen de zon over het water opging,
zagen de Moabieten het water tegenover zich rood als bloed; |
22 And they rose up early in the morning, and the sun shone upon the
water, and the Moabites saw the water on the other side [as] red as blood: |
22 En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, en de zon over dat
water oprees, zagen de Moabieten dat water tegenover rood, gelijk bloed. |
|
2KN 3:23 en zij zeiden: Dat is bloed! De koningen zijn voorzeker met
elkander in strijd geraakt en hebben elkander verslagen. Nu dan,
Moabieten, aan de buit! |
23 And they said, This [is] blood: the kings are surely slain, and they
have smitten one another: now therefore, Moab, to the spoil. |
23 En zij zeiden: Dit is bloed; de koningen hebben voorzeker zich met
het zwaard verdorven, en hebben de een de ander verslagen; nu dan aan den
buit, gij Moabieten! |
|
2KN 3:24 Maar, toen zij bij de legerplaats van Israël kwamen, stonden
de Israëlieten op en versloegen de Moabieten, zodat dezen voor hen op de
vlucht gingen; en zij drongen op en versloegen de Moabieten. |
24 And when they came to the camp of Israel, the Israelites rose up and
smote the Moabites, so that they fled before them: but they went forward
smiting the Moabites, even in [their] country. |
24 Maar als zij aan het leger van Israel kwamen, maakten zich de
Israelieten op, en sloegen de Moabieten; en zij vloden van hun aangezicht;
ja, zij kwamen in [het] [land], slaande ook de Moabieten. |
|
2KN 3:25 De steden verwoestten zij, op alle goede akkers wierp ieder
zijn steen, zodat zij ze daarmee geheel bedekten; alle waterbronnen
stopten zij dicht, en alle goede bomen velden zij, totdat men alleen in
Kir-Chareset de stenen had laten overblijven. Toen slingeraars het
omsingelden en beschoten, |
25 And they beat down the cities, and on every good piece of land cast
every man his stone, and filled it; and they stopped all the wells of
water, and felled all the good trees: only in Kirharaseth left they the
stones thereof; howbeit the slingers went about [it], and smote it. |
25 De steden nu braken zij af, en een iegelijk wierp zijn steen op alle
goede stukken lands, en zij vulden ze, en stopten alle waterfonteinen, en
velden alle goede bomen, totdat zij in Kir-hareseth [alleen] de stenen
daarvan lieten overblijven; en de slingeraars omsingelden en sloegen hen. |
|
2KN 3:26 zag de koning van Moab dat de strijd hem te machtig werd; hij
nam met zich zevenhonderd mannen die het zwaard konden voeren, om door te
breken in de richting van de koning van Edom; maar zij konden het niet. |
26 And when the king of Moab saw that the battle was too sore for him,
he took with him seven hundred men that drew swords, to break through
[even] unto the king of Edom: but they could not. |
26 Doch als de koning der Moabieten zag, dat hem de strijd te sterk
was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen, die het zwaard uittogen, om
door te breken tegen den koning van Edom; maar zij konden niet. |
|
2KN 3:27 Daarop nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats
koning zou worden, en offerde hem ten brandoffer op de muur. Toen kwam een
grote toorn over Israël, zodat zij van hem wegtrokken en naar hun land
terugkeerden. |
27 Then he took his eldest son that should have reigned in his stead,
and offered him [for] a burnt offering upon the wall. And there was great
indignation against Israel: and they departed from him, and returned to
[their own] land. |
27 Toen nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou
worden, en offerde hem ten brandoffer op den muur. Daaruit werd een zeer
grote toorn in Israel; daarom trokken zij van hem af, en keerden weder in
[hun] land. |
|
2KN 4:1 Een van de vrouwen der profeten riep tot Elisa om hulp en
zeide: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet zelf, dat uw knecht
de HERE vreesde. En nu is de schuldeiser gekomen om mijn beide kinderen
als slaven voor zich weg te halen. |
1 Now there cried a certain woman of the wives of the sons of the
prophets unto Elisha, saying, Thy servant my husband is dead; and thou
knowest that thy servant did fear the LORD: and the creditor is come to
take unto him my two sons to be bondmen. |
1 Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten riep tot Elisa,
zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet, dat uw knecht
den HEERE was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide
kinderen voor zich tot knechten te nemen. |
|
2KN 4:2 En Elisa vroeg haar: Wat kan ik voor u doen? Vertel mij, wat
gij in uw huis hebt. En zij antwoordde: Uw dienstmaagd heeft niets in huis
behalve een kruikje olie. |
2 And Elisha said unto her, What shall I do for thee? tell me, what
hast thou in the house? And she said, Thine handmaid hath not any thing in
the house, save a pot of oil. |
2 En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat
gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in
het huis, dan een kruik met olie. |
|
2KN 4:3 Toen zeide hij: Ga heen, vraag buitenshuis vaten van al uw
buren, ledige vaten; laat het er niet weinige zijn. |
3 Then he said, Go, borrow thee vessels abroad of all thy neighbours,
[even] empty vessels; borrow not a few. |
3 Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen
ledige vaten; maak er niet weinig te hebben. |
|
2KN 4:4 Ga dan naar binnen, sluit de deur toe achter u en uw zonen en
giet in al die vaten; en wat vol is, moet ge laten wegzetten. |
4 And when thou art come in, thou shalt shut the door upon thee and
upon thy sons, and shalt pour out into all those vessels, and thou shalt
set aside that which is full. |
4 Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet
in al die vaten, en zet weg, dat vol is. |
|
2KN 4:5 Zij ging van hem weg, sloot de deur achter zich en haar zonen
toe; dezen plaatsten steeds (de vaten) bij haar en zij goot steeds door. |
5 So she went from him, and shut the door upon her and upon her sons,
who brought [the vessels] to her; and she poured out. |
5 Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen
toe; die brachten haar de vaten toe, en zij goot in. |
|
2KN 4:6 Toen de vaten vol waren, zeide zij tot haar zoon: Breng mij nog
een vat. Maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. Toen hield de olie
op te stromen. |
6 And it came to pass, when the vessels were full, that she said unto
her son, Bring me yet a vessel. And he said unto her, [There is] not a
vessel more. And the oil stayed. |
6 En het geschiedde, als die vaten vol waren, dat zij tot haar zoon
zeide: Breng mij nog een vat aan; maar hij zeide tot haar: Er is geen vat
meer. En de olie stond stil. |
|
2KN 4:7 Zij ging het de man Gods vertellen, en deze zeide: Ga heen,
verkoop de olie en betaal uw schuld, en leef met uw zonen van het overige. |
7 Then she came and told the man of God. And he said, Go, sell the oil,
and pay thy debt, and live thou and thy children of the rest. |
7 Toen kwam zij, en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga
heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; gij dan [met] uw zonen,
leef bij het overige. |
|
2KN 4:8 Op zekere dag begaf Elisa zich naar Sunem. Daar woonde een
welgestelde vrouw, die bij hem aandrong, dat hij zou blijven eten. En zo
vaak hij op zijn doorreis daar kwam, ging hij erheen om te eten. |
8 And it fell on a day, that Elisha passed to Shunem, where [was] a
great woman; and she constrained him to eat bread. And [so] it was, [that]
as oft as he passed by, he turned in thither to eat bread. |
8 Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat
aldaar een grote vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten. Voorts
geschiedde het, zo dikwijls hij doortrok, week hij daarin, om brood te
eten. |
|
2KN 4:9 En zij zeide tot haar man: Zie toch, ik weet, dat het een
heilige man Gods is, die altijd bij ons aankomt. |
9 And she said unto her husband, Behold now, I perceive that this [is]
an holy man of God, which passeth by us continually. |
9 En zij zeide tot haar man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man Gods
heilig is, die bij ons altoos doortrekt. |
|
2KN 4:10 Laat ons dan nu een kleine gemetselde bovenkamer maken, en
daar voor hem een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar plaatsen,
opdat hij, wanneer hij bij ons komt, daar zijn intrek kan nemen. |
10 Let us make a little chamber, I pray thee, on the wall; and let us
set for him there a bed, and a table, and a stool, and a candlestick: and
it shall be, when he cometh to us, that he shall turn in thither. |
10 Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons
daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het
geschieden, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke. |
|
2KN 4:11 Op zekere dag kwam hij daar; hij nam zijn intrek in de
bovenkamer en legde zich daar te ruste. |
11 And it fell on a day, that he came thither, and he turned into the
chamber, and lay there. |
11 En het geschiedde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die
opperkamer, en legde zich daar neder. |
|
2KN 4:12 Vervolgens zeide hij tot zijn knecht Gechazi: Roep deze
Sunamitische. Toen hij haar geroepen had, bleef zij voor hem staan. |
12 And he said to Gehazi his servant, Call this Shunammite. And when he
had called her, she stood before him. |
12 Toen zeide hij tot zijn jongen Gehazi: Roep deze Sunamietische. En
als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht. |
|
2KN 4:13 En hij zeide tot Gechazi: Zeg tot haar: zie, gij hebt u voor
ons al deze moeite getroost; wat kan er nu voor u gedaan worden? Is er
iets waarover ik voor u tot de koning of tot de legeroverste kan spreken?
Maar zij antwoordde: Ik woon te midden van mijn familie. |
13 And he said unto him, Say now unto her, Behold, thou hast been
careful for us with all this care; what [is] to be done for thee? wouldest
thou be spoken for to the king, or to the captain of the host? And she
answered, I dwell among mine own people. |
13 (Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig
voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is
er iets om voor u te spreken tot den koning, of tot den krijgsoverste? En
zij had gezegd: Ik woon in het midden mijns volks. |
|
2KN 4:14 En Elisa zeide: Maar wat kan er dan voor haar gedaan worden?
Gechazi zeide: Zij heeft helaas geen zoon, en haar man is oud. |
14 And he said, What then [is] to be done for her? And Gehazi answered,
Verily she hath no child, and her husband is old. |
14 Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had
gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud. |
|
2KN 4:15 Daarop zeide hij: Roep haar. En hij riep haar en zij kwam in
de ingang staan. |
15 And he said, Call her. And when he had called her, she stood in the
door. |
15 Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond
zij in de deur.) |
|
2KN 4:16 Toen zeide hij: Op deze zelfde tijd over een jaar zult gij een
zoon omhelzen. Maar zij zeide: Och neen, mijn heer, gij man Gods, spiegel
uw dienstmaagd niets voor. |
16 And he said, About this season, according to the time of life, thou
shalt embrace a son. And she said, Nay, my lord, [thou] man of God, do not
lie unto thine handmaid. |
16 En hij zeide: Op dezen gezetten tijd, omtrent dezen tijd des levens
zult gij een zoon omhelzen. En zij zeide: Neen, mijn heer, gij, man Gods,
lieg tegen uw dienstmaagd niet. |
|
2KN 4:17 En de vrouw werd zwanger en baarde een zoon op dezelfde tijd
een jaar later, zoals Elisa tot haar gesproken had. |
17 And the woman conceived, and bare a son at that season that Elisha
had said unto her, according to the time of life. |
17 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op dien gezette tijd,
omtrent den tijd des levens, dien Elisa tot haar gesproken had. |
|
2KN 4:18 Toen de knaap groot geworden was, ging hij op zekere dag naar
zijn vader, bij de maaiers. |
18 And when the child was grown, it fell on a day, that he went out to
his father to the reapers. |
18 Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op een dag, dat het
uitging tot zijn vader, tot de maaiers. |
|
2KN 4:19 En hij zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Toen
zeide deze tot een knecht: Draag hem naar zijn moeder. |
19 And he said unto his father, My head, my head. And he said to a lad,
Carry him to his mother. |
19 En het zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zeide
tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder. |
|
2KN 4:20 Hij droeg hem weg en bracht hem naar zijn moeder; en hij zat
op haar knieën tot aan de middag; toen stierf hij. |
20 And when he had taken him, and brought him to his mother, he sat on
her knees till noon, and [then] died. |
20 En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar
knieen tot aan den middag toe; toen stierf hij. |
|
2KN 4:21 Zij ging naar boven, legde hem op het bed van de man Gods en
sloot de toegang tot hem af. |
21 And she went up, and laid him on the bed of the man of God, and shut
[the door] upon him, and went out. |
21 En zij ging op, en legde hem op het bed van den man Gods; daarna
sloot zij voor hem toe, en ging uit. |
|
2KN 4:22 Daarop ging zij naar buiten, riep haar man en zeide: Zend mij
één van de knechten met een ezelin; ik wil mij naar de man Gods spoeden
en dan terugkomen. |
22 And she called unto her husband, and said, Send me, I pray thee, one
of the young men, and one of the asses, that I may run to the man of God,
and come again. |
22 En zij riep om haar man, en zeide: Zend mij toch een van de jongens,
en een van de ezelinnen, dat ik tot den man Gods lope, en wederkomen. |
|
2KN 4:23 En hij vroeg: Waarom wilt gij vandaag naar hem toegaan? Het is
immers geen nieuwe maan of sabbat. Maar zij antwoordde: Wees maar gerust. |
23 And he said, Wherefore wilt thou go to him to day? [it is] neither
new moon, nor sabbath. And she said, [It shall be] well. |
23 En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe
maan, noch sabbat. En zij zeide: Het zal wel zijn. |
|
2KN 4:24 Toen zij de ezelin gezadeld had, zeide zij tot haar knecht:
Drijf ze steeds aan en laat mij zonder ophouden doorrijden, behalve
wanneer ik het u zeg. |
24 Then she saddled an ass, and said to her servant, Drive, and go
forward; slack not [thy] riding for me, except I bid thee. |
24 Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haar jongen: Drijf, en ga
voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zegge. |
|
2KN 4:25 Zo ging zij op weg en kwam bij de man Gods op de berg Karmel.
Zodra de man Gods haar op enige afstand zag, zeide hij tot zijn knecht
Gechazi: Zie, daar is de Sunamitische. |
25 So she went and came unto the man of God to mount Carmel. And it
came to pass, when the man of God saw her afar off, that he said to Gehazi
his servant, Behold, [yonder is] that Shunammite: |
25 Alzo toog zij heen, en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel.
En het geschiedde, als de man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot
Gehazi, zijn jongen zeide: Zie, daar is de Sunamietische. |
|
2KN 4:26 Snel haar dadelijk tegemoet en zeg tot haar: Is het wel met u,
met uw man en met het kind? En zij zeide: Alles wel. |
26 Run now, I pray thee, to meet her, and say unto her, [Is it] well
with thee? [is it] well with thy husband? [is it] well with the child? And
she answered, [It is] well. |
26 Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is
het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel. |
|
2KN 4:27 Toen zij echter bij de man Gods op de berg gekomen was, greep
zij zijn voeten; Gechazi trad nader om haar terug te stoten, maar de man
Gods zeide: Laat af van haar, want haar ziel is bitter bedroefd, doch de
HERE heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet meegedeeld. |
27 And when she came to the man of God to the hill, she caught him by
the feet: but Gehazi came near to thrust her away. And the man of God
said, Let her alone; for her soul [is] vexed within her: and the LORD hath
hid [it] from me, and hath not told me. |
27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn
voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Doch de man Gods
zeide: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en
de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd. |
|
2KN 4:28 Toen zeide zij: Heb ik soms mijn heer om een zoon gevraagd?
Heb ik niet gezegd: Gij moet mij niet misleiden? |
28 Then she said, Did I desire a son of my lord? did I not say, Do not
deceive me? |
28 En zij zeide: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zeide ik niet:
Bedrieg mij niet? |
|
2KN 4:29 Hij zeide tot Gechazi: Omgord uw lendenen, neem mijn staf in
uw hand en ga op weg. Wanneer gij iemand ontmoet, groet hem niet, en
wanneer iemand u groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het gelaat
van de knaap. |
29 Then he said to Gehazi, Gird up thy loins, and take my staff in
thine hand, and go thy way: if thou meet any man, salute him not; and if
any salute thee, answer him not again: and lay my staff upon the face of
the child. |
29 En hij zeide tot Gehazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw
hand, en ga henen; zo gij iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand
groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van den
jongen. |
|
2KN 4:30 Maar de moeder van de knaap zeide: Zo waar de HERE leeft en
gijzelf leeft, ik ga niet bij u vandaan. Toen stond hij op en volgde haar. |
30 And the mother of the child said, [As] the LORD liveth, and [as] thy
soul liveth, I will not leave thee. And he arose, and followed her. |
30 Doch de moeder van den jongen zeide: [Zo] [waarachtig] [als] de
HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en
volgde haar na. |
|
2KN 4:31 Gechazi nu was voor hen uitgegaan en had de staf op het gelaat
van de knaap gelegd; maar er kwam geen geluid en geen levensteken; toen
keerde hij terug, hem tegemoet en berichtte hem: De jongen is niet
ontwaakt. |
31 And Gehazi passed on before them, and laid the staff upon the face
of the child; but [there was] neither voice, nor hearing. Wherefore he
went again to meet him, and told him, saying, The child is not awaked. |
31 Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij legde den staf
op het aangezicht van den jongen; doch er was geen stem, noch opmerking.
Zo keerde hij weder hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De
jongen is niet ontwaakt. |
|
2KN 4:32 Daarna kwam Elisa het huis binnen en zie, daar lag de jongen
dood op zijn bed. |
32 And when Elisha was come into the house, behold, the child was dead,
[and] laid upon his bed. |
32 En toen Elisa in het huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde
gelegd op zijn bed. |
|
2KN 4:33 Toen Elisa binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen
beiden en bad tot de HERE. |
33 He went in therefore, and shut the door upon them twain, and prayed
unto the LORD. |
33 Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot den
HEERE. |
|
2KN 4:34 Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond
op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en
boog zich zo over hem heen. Daarop werd het lichaam van de knaap warm. |
34 And he went up, and lay upon the child, and put his mouth upon his
mouth, and his eyes upon his eyes, and his hands upon his hands: and he
stretched himself upon the child; and the flesh of the child waxed warm. |
34 En hij klom op, en legde zich neder op het kind, en leggende zijn
mond op deszelfs mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn
handen, breidde zich over hem uit. En het vlees des kinds werd warm. |
|
2KN 4:35 Daarna keerde hij terug en ging eenmaal het huis op en neer;
dan ging hij naar boven en boog zich over hem heen. Toen niesde de jongen
zevenmaal en opende zijn ogen. |
35 Then he returned, and walked in the house to and fro; and went up,
and stretched himself upon him: and the child sneezed seven times, and the
child opened his eyes. |
35 Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis eens herwaarts, en
eens derwaarts, en klom [weder] op, en breidde zich over hem uit; en de
jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open. |
|
2KN 4:36 En hij riep Gechazi en zeide: Roep deze Sunamitische. En toen
deze haar geroepen had, kwam zij tot hem, en hij zeide: Neem uw zoon op. |
36 And he called Gehazi, and said, Call this Shunammite. So he called
her. And when she was come in unto him, he said, Take up thy son. |
36 En hij riep Gehazi, en zeide: Roep deze Sunamietische. En hij riep
ze, en zij kwam tot hem; en hij zeide: Neem uw zoon op. |
|
2KN 4:37 Zij trad binnen, wierp zich aan zijn voeten en boog zich ter
aarde neder. Daarop nam zij haar zoon en ging heen. |
37 Then she went in, and fell at his feet, and bowed herself to the
ground, and took up her son, and went out. |
37 Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en
zij nam haar zoon op, en ging uit. |
|
2KN 4:38 Toen Elisa naar Gilgal terugkeerde, was er honger in het land.
Terwijl de profeten vóór hem gezeten waren, zeide hij tot zijn knecht:
Zet de grootste pot op en kook moes voor de profeten. |
38 And Elisha came again to Gilgal: and [there was] a dearth in the
land; and the sons of the prophets [were] sitting before him: and he said
unto his servant, Set on the great pot, and seethe pottage for the sons of
the prophets. |
38 Als nu Elisa weder te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en
de zonen der profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zeide tot zijn
jongen: Zet den groten pot aan, en zied moes voor de zonen der profeten. |
|
2KN 4:39 Daarop ging er een naar het veld om groenten te plukken; en
hij vond een wilde slingerplant en plukte daarvan wilde kolokwinten, zijn
kleed vol. Toen hij teruggekomen was, sneed hij die in stukjes in de
moespot; want zij kenden ze niet. |
39 And one went out into the field to gather herbs, and found a wild
vine, and gathered thereof wild gourds his lap full, and came and shred
[them] into the pot of pottage: for they knew [them] not. |
39 Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij
vond een wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde
kolokwinten, en kwam, en sneed ze in den moespot; want zij kenden ze niet. |
|
2KN 4:40 Vervolgens schepte men voor de mannen op om te eten. Maar
zodra zij van het moes hadden gegeten, schreeuwden zij het uit: De dood is
in de pot, man Gods! En zij konden het niet eten. |
40 So they poured out for the men to eat. And it came to pass, as they
were eating of the pottage, that they cried out, and said, O [thou] man of
God, [there is] death in the pot. And they could not eat [thereof]. |
40 Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde,
als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood is
in den pot! En zij konden het niet eten. |
|
2KN 4:41 Doch hij zeide: Haal dan meel. En hij wierp het in de pot en
zeide: Schep op voor het volk, opdat zij eten. Toen was er niets kwaads
meer in de pot. |
41 But he said, Then bring meal. And he cast [it] into the pot; and he
said, Pour out for the people, that they may eat. And there was no harm in
the pot. |
41 Maar hij zeide: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot; en hij
zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in
den pot. |
|
2KN 4:42 Er was een man gekomen uit Baäl-Salisa; deze bracht de man
Gods in zijn tas brood van de eerstelingen, twintig gerstebroden en vers
koren. En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. |
42 And there came a man from Baalshalisha, and brought the man of God
bread of the firstfruits, twenty loaves of barley, and full ears of corn
in the husk thereof. And he said, Give unto the people, that they may eat. |
42 En er kwam een man van Baal-Salisa, en bracht den man Gods broden
der eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en
hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten. |
|
2KN 4:43 Maar zijn dienaar zeide: Hoe kan ik dit aan honderd man
voorzetten? En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. Want zo
zegt de HERE: Men zal eten en overhouden. |
43 And his servitor said, What, should I set this before an hundred
men? He said again, Give the people, that they may eat: for thus saith the
LORD, They shall eat, and shall leave [thereof]. |
43 Doch zijn dienaar zeide: Wat zou ik dat aan honderd mannen
voorzetten? En hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten; want alzo zegt
de HEERE: Men zal eten en overhouden. |
|
2KN 4:44 Daarop zette hij het hun voor, en zij aten en hielden over,
naar het woord des HEREN. |
44 So he set [it] before them, and they did eat, and left [thereof],
according to the word of the LORD. |
44 Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar
het woord des HEEREN. |
|
2KN 5:1 Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer
gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de HERE een
overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was
melaats. |
1 Now Naaman, captain of the host of the king of Syria, was a great man
with his master, and honourable, because by him the LORD had given
deliverance unto Syria: he was also a mighty man in valour, [but he was] a
leper. |
1 Naaman nu, de krijgsoverste van den koning van Syrie, was een groot
man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem
had de HEERE den Syriers verlossing gegeven; zo was deze man een
strijdbaar held, [doch] melaats. |
|
2KN 5:2 De Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden
een jong meisje uit het land van Israël gevangen meegevoerd; zij was in
dienst van Naämans vrouw. |
2 And the Syrians had gone out by companies, and had brought away
captive out of the land of Israel a little maid; and she waited on
Naaman's wife. |
2 En er waren benden uit Syrie getogen, en hadden een kleine jonge
dochter uit het land van Israel gevankelijk gebracht, die in den dienst
der huisvrouw van Naaman was. |
|
2KN 5:3 En zij zeide tot haar meesteres: Och, was mijn heer maar bij de
profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen. |
3 And she said unto her mistress, Would God my lord [were] with the
prophet that [is] in Samaria! for he would recover him of his leprosy. |
3 Deze zeide tot haar vrouw: Och, of mijn heer ware voor het aangezicht
van den profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid
ontledigen. |
|
2KN 5:4 Toen kwam hij en deelde het aan zijn heer mee: Zo en zo heeft
het meisje uit het land van Israël gesproken. |
4 And [one] went in, and told his lord, saying, Thus and thus said the
maid that [is] of the land of Israel. |
4 Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo
heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israel is. |
|
2KN 5:5 De koning van Aram zeide: Welaan, ga heen, ik wil een brief aan
de koning van Israël zenden. Zo ging hij heen en nam met zich mee tien
talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen. |
5 And the king of Syria said, Go to, go, and I will send a letter unto
the king of Israel. And he departed, and took with him ten talents of
silver, and six thousand [pieces] of gold, and ten changes of raiment. |
5 Toen zeide de koning van Syrie: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan
den koning van Israel zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien
talenten zilvers, en zes duizend [sikkelen] gouds, en tien wisselklederen. |
|
2KN 5:6 Hij bracht aan de koning van Israël de brief, waarin
geschreven stond: Nu dan, zodra deze brief u bereikt, zie, ik zend mijn
dienaar Naäman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid. |
6 And he brought the letter to the king of Israel, saying, Now when
this letter is come unto thee, behold, I have [therewith] sent Naaman my
servant to thee, that thou mayest recover him of his leprosy. |
6 En hij bracht den brief tot den koning van Israel, zeggende: Zo
wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht
Naaman tot u gezonden, dat gij hem ontledigt van zijn melaatsheid. |
|
2KN 5:7 Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij
zijn klederen en zeide: Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken,
dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid
te verlossen? Voorzeker, let op, ziet: hij zoekt een voorwendsel tegen
mij. |
7 And it came to pass, when the king of Israel had read the letter,
that he rent his clothes, and said, [Am] I God, to kill and to make alive,
that this man doth send unto me to recover a man of his leprosy? wherefore
consider, I pray you, and see how he seeketh a quarrel against me. |
7 En het geschiedde, als de koning van Israel den brief gelezen had,
dat hij zijn klederen scheurde, en zeide: Ben ik dan God, om te doden en
levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid
te ontledigen? Want voorwaar, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen
mij zoekt. |
|
2KN 5:8 Zodra Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van
Israël zijn klederen gescheurd had, zond hij tot de koning de boodschap:
Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hij toch tot mij komen, opdat
hij wete, dat er een profeet in Israël is. |
8 And it was [so], when Elisha the man of God had heard that the king
of Israel had rent his clothes, that he sent to the king, saying,
Wherefore hast thou rent thy clothes? let him come now to me, and he shall
know that there is a prophet in Israel. |
8 Maar het geschiedde, als Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de
koning van Israel zijn klederen gescheurd had, dat hij tot den koning
zond, om te zeggen: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot
mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israel is. |
|
2KN 5:9 En Naäman kwam met zijn paarden en met zijn wagens en hield
stil bij de ingang van het huis van Elisa. |
9 So Naaman came with his horses and with his chariot, and stood at the
door of the house of Elisha. |
9 Alzo kwam Naaman met zijn paarden en met zijn wagen, en stond voor de
deur van het huis van Elisa. |
|
2KN 5:10 Elisa zond een bode tot hem met de opdracht: Ga heen en baad u
zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult
rein zijn. |
10 And Elisha sent a messenger unto him, saying, Go and wash in Jordan
seven times, and thy flesh shall come again to thee, and thou shalt be
clean. |
10 Toen zond Elisa tot hem een bode, zeggende: Ga heen en was u
zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u wederkomen, en gij zult rein
zijn. |
|
2KN 5:11 Toen werd Naäman toornig en ging heen, terwijl hij zeide:
Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan
staan en de naam van de HERE, zijn God, aanroepen en zijn hand over de
plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen. |
11 But Naaman was wroth, and went away, and said, Behold, I thought, He
will surely come out to me, and stand, and call on the name of the LORD
his God, and strike his hand over the place, and recover the leper. |
11 Maar Naaman werd zeer toornig, en toog weg, en zeide: Zie, ik zeide
bij mijzelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en den Naam des
HEEREN, Zijns Gods, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en
den melaatse ontledigen. |
|
2KN 5:12 Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet
beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en
rein worden? Daarop wendde hij zich om en ging heen in grimmigheid. |
12 [Are] not Abana and Pharpar, rivers of Damascus, better than all the
waters of Israel? may I not wash in them, and be clean? So he turned and
went away in a rage. |
12 Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damaskus, beter dan alle
wateren van Israel; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden?
Zo wendde hij zich, en toog weg met grimmigheid. |
|
2KN 5:13 Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en
zeiden: Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij
dat dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft: Baad u en
gij zult rein worden? |
13 And his servants came near, and spake unto him, and said, My father,
[if] the prophet had bid thee [do some] great thing, wouldest thou not
have done [it]? how much rather then, when he saith to thee, Wash, and be
clean? |
13 Toen traden zijn knechten toe, en spraken tot hem, en zeiden: Mijn
vader, [zo] die profeet tot u een grote zaak gesproken had, zoudt gij ze
niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, naardien hij tot u gezegd heeft: Was
u, en gij zult rein zijn? |
|
2KN 5:14 Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de
Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond
als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein. |
14 Then went he down, and dipped himself seven times in Jordan,
according to the saying of the man of God: and his flesh came again like
unto the flesh of a little child, and he was clean. |
14 Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het
woord van den man Gods; en zijn vlees kwam weder, gelijk het vlees van een
kleinen jongen; en hij werd rein. |
|
2KN 5:15 Daarop keerde hij terug tot de man Gods, hijzelf met zijn
gehele gevolg; en, bij hem gekomen, ging hij voor hem staan en zeide: Zie,
nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is behalve in Israël. Neem
dan een geschenk aan van uw dienaar. |
15 And he returned to the man of God, he and all his company, and came,
and stood before him: and he said, Behold, now I know that [there is] no
God in all the earth, but in Israel: now therefore, I pray thee, take a
blessing of thy servant. |
15 Toen keerde hij weder tot den man Gods, hij en zijn ganse heir, en
kwam, en stond voor zijn aangezicht en zeide: Zie, nu weet ik, dat er geen
God is op de ganse aarde, dan in Israel! Nu dan, neem toch een zegen van
uw knecht. |
|
2KN 5:16 Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft, in wiens dienst ik sta,
ik neem niets aan. En, hoewel hij bij hem aandrong, dat hij iets zou
aannemen, bleef hij weigeren. |
16 But he said, [As] the LORD liveth, before whom I stand, I will
receive none. And he urged him to take [it]; but he refused. |
16 Maar hij zeide: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft, voor Wiens
aangezicht ik sta, indien ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij
het nam, doch hij weigerde het. |
|
2KN 5:17 Toen zeide Naäman: Indien dan niet, laat aan uw knecht een
last aarde geven zoveel als een span muildieren kan dragen. Want uw knecht
zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden dan aan
de HERE. |
17 And Naaman said, Shall there not then, I pray thee, be given to thy
servant two mules' burden of earth? for thy servant will henceforth offer
neither burnt offering nor sacrifice unto other gods, but unto the LORD. |
17 En Naaman zeide: Zo niet; laat toch uw knecht gegeven worden een
last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer
of slachtoffer aan andere goden doen, maar den HEERE. |
|
2KN 5:18 Maar moge de HERE dit aan uw knecht vergeven: wanneer mijn
heer in de tempel van Rimmon komt om zich aldaar neer te buigen, terwijl
hij op mijn arm leunt, zodat ik mij in de tempel van Rimmon moet
neerbuigen - als ik mij dan neerbuig in de tempel van Rimmon, moge de HERE
deze zaak aan uw knecht vergeven. |
18 In this thing the LORD pardon thy servant, [that] when my master
goeth into the house of Rimmon to worship there, and he leaneth on my
hand, and I bow myself in the house of Rimmon: when I bow down myself in
the house of Rimmon, the LORD pardon thy servant in this thing. |
18 In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht: wanneer mijn heer in het
huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neder te buigen, en hij op mijn
hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik
mij [alzo] nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de HEERE vergeve toch
uw knecht in deze zaak. |
|
2KN 5:19 En hij zeide tot hem: Ga in vrede. Toen hij een eindweegs van
hem was weggegaan, |
19 And he said unto him, Go in peace. So he departed from him a little
way. |
19 En hij zeide tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hem een kleine
streek lands. |
|
2KN 5:20 dacht Gechazi, de knecht van Elisa, de man Gods: Zie, daar
heeft mijn heer deze Arameeër Naäman ontzien door niets van hem aan te
nemen van wat hij had meegebracht! Zo waar de HERE leeft, ik snel hem
achterna en neem iets van hem aan. |
20 But Gehazi, the servant of Elisha the man of God, said, Behold, my
master hath spared Naaman this Syrian, in not receiving at his hands that
which he brought: but, [as] the LORD liveth, I will run after him, and
take somewhat of him. |
20 Gehazi nu, de jongen van Elisa, den man Gods, zeide: Zie, mijn heer
heeft Naaman, dien Syrier belet, dat men uit zijn hand niet genomen heeft,
wat hij gebracht had; maar [zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft, ik zal
hem nalopen, en zal wat van hem nemen! |
|
2KN 5:21 Dus ging Gechazi Naäman achterna. Toen Naäman zag, dat
iemand hem achterna snelde, sprong hij van de wagen af hem tegemoet en
zeide: Is het wel? |
21 So Gehazi followed after Naaman. And when Naaman saw [him] running
after him, he lighted down from the chariot to meet him, and said, [Is]
all well? |
21 Zo volgde Gehazi Naaman achterna. En toen Naaman zag, dat hij hem
naliep, viel hij van den wagen af, hem tegemoet, en hij zeide: Is het wel? |
|
2KN 5:22 En hij antwoordde: Ja. Mijn heer heeft mij gezonden met deze
boodschap: Zie, zojuist zijn twee jonge mannen uit de profeten tot mij
gekomen van het gebergte Efraïm. Geef hun toch een talent zilver en twee
bovenklederen. |
22 And he said, All [is] well. My master hath sent me, saying, Behold,
even now there be come to me from mount Ephraim two young men of the sons
of the prophets: give them, I pray thee, a talent of silver, and two
changes of garments. |
22 En hij zeide: Het is wel; mijn heer heeft mij gezonden, om te
zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der
profeten, van het gebergte van Efraim gekomen; geef hun toch een talent
zilvers en twee wisselklederen. |
|
2KN 5:23 En Naäman zeide: Wees zo goed en neem twee talenten. En hij
drong bij hem aan. Daarop liet hij twee talenten zilver in twee buidels
pakken, benevens twee bovenklederen en gaf die aan twee van zijn knechten,
die ze voor hem uit droegen. |
23 And Naaman said, Be content, take two talents. And he urged him, and
bound two talents of silver in two bags, with two changes of garments, and
laid [them] upon two of his servants; and they bare [them] before him. |
23 En Naaman zeide: Belieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan
bij hem, en bond twee talenten zilvers in twee buidels, met twee
wisselklederen, en hij legde ze op twee van zijn jongens, die ze voor zijn
aangezicht droegen. |
|
2KN 5:24 Toen hij bij de heuvel gekomen was, nam hij ze van hen over,
borg ze op in huis en liet die mannen heengaan. En zij gingen heen. |
24 And when he came to the tower, he took [them] from their hand, and
bestowed [them] in the house: and he let the men go, and they departed. |
24 Als hij nu op de hoogte kwam, nam hij ze van hun hand, en bestelde
ze in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij togen heen. |
|
2KN 5:25 Nadat hij binnengekomen was en voor zijn heer was gaan staan,
vroeg Elisa hem: Vanwaar Gechazi? En hij antwoordde: Uw knecht is nergens
heen geweest. |
25 But he went in, and stood before his master. And Elisha said unto
him, Whence [comest thou], Gehazi? And he said, Thy servant went no
whither. |
25 Daarna kwam hij in, en stond voor zijn heer. En Elisa zeide tot hem:
Van waar, Gehazi? En hij zeide: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts
gegaan. |
|
2KN 5:26 Maar hij zeide tot hem: Ben ik in de geest niet meegegaan,
toen die man zich omkeerde van zijn wagen af u tegemoet? Was het de tijd
om dat zilver aan te nemen of om klederen aan te nemen of olijfbomen en
wijngaarden, schapen en runderen, slaven en slavinnen? |
26 And he said unto him, Went not mine heart [with thee], when the man
turned again from his chariot to meet thee? [Is it] a time to receive
money, and to receive garments, and oliveyards, and vineyards, and sheep,
and oxen, and menservants, and maidservants? |
26 Maar hij zeide tot hem: Ging niet mijn hart mede, als die man zich
omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te
nemen, en om klederen te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen,
en runderen, en knechten, en dienstmaagden? |
|
2KN 5:27 Daarom zal de melaatsheid van Naäman u en uw nakomelingen
aankleven, voor altoos. Toen ging hij van hem weg, melaats als sneeuw. |
27 The leprosy therefore of Naaman shall cleave unto thee, and unto thy
seed for ever. And he went out from his presence a leper [as white] as
snow. |
27 Daarom zal u de melaatsheid van Naaman aankleven, en uw zaad in
eeuwigheid! Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, [wit] als
de sneeuw. |
|
2KN 6:1 Eens zeiden de profeten tot Elisa: Zie toch, de plaats, hier
voor u, waar wij wonen, is voor ons te bekrompen. |
1 And the sons of the prophets said unto Elisha, Behold now, the place
where we dwell with thee is too strait for us. |
1 En de kinderen der profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats, waar
wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng. |
|
2KN 6:2 Laten wij toch naar de Jordaan gaan en ieder een balk
daarvandaan halen en laten wij er voor ons een verblijfplaats inrichten om
er te wonen. En hij zeide: Gaat. |
2 Let us go, we pray thee, unto Jordan, and take thence every man a
beam, and let us make us a place there, where we may dwell. And he
answered, Go ye. |
2 Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout
halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zeide:
Gaat heen. |
|
2KN 6:3 Toen zeide een: Wees zo goed en ga met uw knechten mee. Hij
zeide: Ik ga mee. |
3 And one said, Be content, I pray thee, and go with thy servants. And
he answered, I will go. |
3 En er zeide een: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij
zeide: Ik zal gaan. |
|
2KN 6:4 En hij ging met hen mee. Als zij bij de Jordaan gekomen waren,
velden zij bomen. |
4 So he went with them. And when they came to Jordan, they cut down
wood. |
4 Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen
zij hout af. |
|
2KN 6:5 En, terwijl een van hen een stam velde, viel het ijzer in het
water; en hij slaakte een kreet en riep: Ach, mijn heer, het was geleend! |
5 But as one was felling a beam, the axe head fell into the water: and
he cried, and said, Alas, master! for it was borrowed. |
5 En het geschiedde, als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het
water viel; en hij riep, en zeide: Ach, mijn heer, want het was geleend. |
|
2KN 6:6 Maar de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem
de plaats gewezen had, sneed hij een stuk hout af, wierp het daarheen en
deed het ijzer bovendrijven. |
6 And the man of God said, Where fell it? And he shewed him the place.
And he cut down a stick, and cast [it] in thither; and the iron did swim. |
6 En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats
gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, en deed het
ijzer boven zwemmen. |
|
2KN 6:7 En hij zeide: Neem het op. Hij strekte zijn hand uit en greep
het. |
7 Therefore said he, Take [it] up to thee. And he put out his hand, and
took it. |
7 En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit, en nam
het, |
|
2KN 6:8 De koning van Aram was in oorlog met Israël. Hij beraadslaagde
met zijn dienaren: Op die en die plaats zal mijn legerkamp zijn. |
8 Then the king of Syria warred against Israel, and took counsel with
his servants, saying, In such and such a place [shall be] my camp. |
8 En de koning van Syrie voerde krijg tegen Israel, en beraadslaagde
zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van
zulk een. |
|
2KN 6:9 Maar de man Gods zond aan de koning van Israël de boodschap:
Neem u in acht niet langs die plaats te trekken, want de Arameeërs zijn
daarheen afgedaald. |
9 And the man of God sent unto the king of Israel, saying, Beware that
thou pass not such a place; for thither the Syrians are come down. |
9 Maar de man Gods zond henen tot den koning van Israel, zeggende:
Wacht u, dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriers zijn
daarhenen afgekomen. |
|
2KN 6:10 De koning van Israël zond dan mannen naar de plaats die de
man Gods hem genoemd en waarvoor hij hem gewaarschuwd had, zodat hij zich
daar in acht kon nemen, en dat niet slechts een- of tweemaal. |
10 And the king of Israel sent to the place which the man of God told
him and warned him of, and saved himself there, not once nor twice. |
10 Daarom zond de koning van Israel henen aan die plaats, waarvan hem
de man Gods gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet
eenmaal, noch tweemaal. |
|
2KN 6:11 En het hart van de koning van Aram werd hierover verontrust;
hij ontbood zijn dienaren en zeide tot hen: Kunt gij mij niet meedelen,
wie van de onzen op de hand van de koning van Israël is? |
11 Therefore the heart of the king of Syria was sore troubled for this
thing; and he called his servants, and said unto them, Will ye not shew me
which of us [is] for the king of Israel? |
11 Toen werd het hart des konings van Syrie onstuimig over dezen
handel; en hij riep zijn knechten, en zeide tot hen: Zult gij mij dan niet
te kennen geven, wie van de onzen zij voor den koning van Israel? |
|
2KN 6:12 Doch een van zijn dienaren zeide: Neen, mijn heer de koning,
maar Elisa, de profeet in Israël, deelt aan de koning van Israël de
woorden mee, die gij in uw slaapkamer spreekt. |
12 And one of his servants said, None, my lord, O king: but Elisha, the
prophet that [is] in Israel, telleth the king of Israel the words that
thou speakest in thy bedchamber. |
12 En een van zijn knechten zeide: Neen, mijn heer koning! Maar Elisa,
de profeet, die in Israel is, geeft den koning van Israel te kennen de
woorden, die gij in uw binnenste slaapkamer spreekt. |
|
2KN 6:13 Toen zeide hij: Gaat en ziet, waar hij is; dan zal ik hem
laten gevangennemen. Nadat hem gemeld was; Zie, hij is te Dotan, |
13 And he said, Go and spy where he [is], that I may send and fetch
him. And it was told him, saying, Behold, [he is] in Dothan. |
13 En hij zeide: Gaat heen, en ziet, waar hij is, dat ik zende en hem
halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te
Dothan. |
|
2KN 6:14 zond hij daarheen paarden en wagens, een sterk leger; zij
kwamen des nachts en omsingelden de stad. |
14 Therefore sent he thither horses, and chariots, and a great host:
and they came by night, and compassed the city about. |
14 Toen zond hij daarhenen paarden, en wagenen, en een zwaar heir;
welke des nachts kwamen, en omsingelden de stad. |
|
2KN 6:15 Toen de dienaar van de man Gods des morgens vroeg opstond en
naar buiten trad, zie, een leger omringde de stad, zowel paarden als
wagens. En zijn knecht zeide tot hem: Ach, mijn heer! wat moeten wij doen? |
15 And when the servant of the man of God was risen early, and gone
forth, behold, an host compassed the city both with horses and chariots.
And his servant said unto him, Alas, my master! how shall we do? |
15 En de dienaar van den man Gods stond zeer vroeg op, en ging uit; en
ziet, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zeide zijn
jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen. |
|
2KN 6:16 Maar hij zeide: Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn
talrijker dan zij, die bij hen zijn. |
16 And he answered, Fear not: for they that [be] with us [are] more
than they that [be] with them. |
16 En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die
bij hen zijn. |
|
2KN 6:17 Toen bad Elisa: HERE, open toch zijn ogen, opdat hij zie. En
de HERE opende de ogen van de knecht en hij zag en zie, de berg was vol
vurige paarden en wagens rondom Elisa. |
17 And Elisha prayed, and said, LORD, I pray thee, open his eyes, that
he may see. And the LORD opened the eyes of the young man; and he saw:
and, behold, the mountain [was] full of horses and chariots of fire round
about Elisha. |
17 En Elisa bad, en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie! En
de HEERE opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was
vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa. |
|
2KN 6:18 Toen de vijanden nu tot hem afdaalden, bad Elisa tot de HERE:
Sla dit volk toch met blindheid. En Hij sloeg hen met blindheid naar het
woord van Elisa. |
18 And when they came down to him, Elisha prayed unto the LORD, and
said, Smite this people, I pray thee, with blindness. And he smote them
with blindness according to the word of Elisha. |
18 Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot den HEERE, en zeide: Sla
toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar
het woord van Elisa. |
|
2KN 6:19 Daarop zeide Elisa tot hen: Dit is niet de weg en dit is niet
de stad; volgt mij, dan zal ik u brengen naar de man die gij zoekt. En hij
bracht hen naar Samaria. |
19 And Elisha said unto them, This [is] not the way, neither [is] this
the city: follow me, and I will bring you to the man whom ye seek. But he
led them to Samaria. |
19 Toen zeide Elisa tot hen: Dit is de weg niet, en dit is de stad
niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot den man, dien gij zoekt; en hij
leidde hen naar Samaria. |
|
2KN 6:20 Zodra zij nu in Samaria gekomen waren, bad Elisa: HERE, open
hun de ogen, opdat zij zien. En de HERE opende hun ogen, en zij zagen, en
zie, zij waren midden in Samaria. |
20 And it came to pass, when they were come into Samaria, that Elisha
said, LORD, open the eyes of these [men], that they may see. And the LORD
opened their eyes, and they saw; and, behold, [they were] in the midst of
Samaria. |
20 En het geschiedde, als zij te Samaria gekomen waren, dat Elisa
zeide: HEERE, open de ogen van dezen, dat zij zien! En de HEERE opende hun
ogen, dat zij zagen; en ziet, zij waren in het midden van Samaria. |
|
2KN 6:21 Toen vroeg de koning van Israël, zodra hij hen zag, aan
Elisa: Zal ik hen neerslaan? zal ik hen neerslaan, mijn vader? |
21 And the king of Israel said unto Elisha, when he saw them, My
father, shall I smite [them]? shall I smite [them]? |
21 En de koning van Israel zeide tot Elisa, als hij hen zag: Zal ik hen
slaan? Zal ik hen slaan, mijn vader? |
|
2KN 6:22 Maar hij antwoordde: Gij moogt hen niet neerslaan. Slaat gij
soms hen neer, die gij gevangengenomen hebt met uw zwaard en boog? Zet hun
brood en water voor, opdat zij eten en drinken en heengaan naar hun heer. |
22 And he answered, Thou shalt not smite [them]: wouldest thou smite
those whom thou hast taken captive with thy sword and with thy bow? set
bread and water before them, that they may eat and drink, and go to their
master. |
22 Doch hij zeide: Gij zult hen niet slaan; zoudt gij ook slaan, die
gij met uw zwaard en met uw boog gevangen hadt? Zet hun brood en water
voor, dat zij eten en drinken, en tot hun heer trekken. |
|
2KN 6:23 Daarop bereidde hij hun een grote maaltijd; en toen zij hadden
gegeten en gedronken, liet hij hen vertrekken en zij gingen heen naar hun
heer. Sindsdien kwamen de benden van Aram niet meer in het land van
Israël. |
23 And he prepared great provision for them: and when they had eaten
and drunk, he sent them away, and they went to their master. So the bands
of Syria came no more into the land of Israel. |
23 En hij bereidde hun een groten maaltijd, dat zij aten en dronken;
daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden
der Syriers niet meer in het land van Israel. |
|
2KN 6:24 Daarna verzamelde Benhadad, de koning van Aram, zijn gehele
leger, trok op en sloeg het beleg voor Samaria. |
24 And it came to pass after this, that Benhadad king of Syria gathered
all his host, and went up, and besieged Samaria. |
24 En het geschiedde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrie, zijn
gehele leger verzamelde, en optoog, en Samaria belegerde. |
|
2KN 6:25 En er ontstond een zware honger in Samaria; want zij
belegerden het zo lang, dat een ezelskop tachtig zilverstukken kostte en
een vierde maat duivemest vijf zilverstukken. |
25 And there was a great famine in Samaria: and, behold, they besieged
it, until an ass's head was [sold] for fourscore [pieces] of silver, and
the fourth part of a cab of dove's dung for five [pieces] of silver. |
25 En er werd grote honger in Samaria; want ziet, zij belegerden ze,
totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was [verkocht], en een
vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen. |
|
2KN 6:26 Toen de koning eens over de muur voorbijging, riep een vrouw
tot hem om hulp: Help toch, mijn heer de koning! |
26 And as the king of Israel was passing by upon the wall, there cried
a woman unto him, saying, Help, my lord, O king. |
26 En het geschiedde, als de koning op den muur voorbijging, dat een
vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, heer koning! |
|
2KN 6:27 Maar hij zeide: Indien de HERE u niet helpt, vanwaar moet ik u
dan hulp halen? Van de dorsvloer of van de perskuip? |
27 And he said, If the LORD do not help thee, whence shall I help thee?
out of the barnfloor, or out of the winepress? |
27 En hij zeide: De HEERE helpt u niet; waarvan zou ik u helpen? Van
den dorsvloer of van den wijnpers? |
|
2KN 6:28 Verder vroeg de koning haar: Wat hebt gij? Zij antwoordde:
Deze vrouw heeft tot mij gezegd: geef uw zoon, dat wij hem vandaag eten;
dan zullen wij mijn zoon morgen eten. |
28 And the king said unto her, What aileth thee? And she answered, This
woman said unto me, Give thy son, that we may eat him to day, and we will
eat my son to morrow. |
28 Verder zeide de koning tot haar: Wat is u? En zij zeide: Deze vrouw
heeft tot mij gezegd: Geef uw zoon, dat wij hem heden eten, en morgen
zullen wij mijn zoon eten. |
|
2KN 6:29 Wij hebben dus mijn zoon gekookt en hem opgegeten. Maar toen
ik de volgende dag tot haar zeide: Geef nu uw zoon, dat wij hem eten, had
zij haar zoon verborgen. |
29 So we boiled my son, and did eat him: and I said unto her on the
next day, Give thy son, that we may eat him: and she hath hid her son. |
29 Zo hebben wij mijn zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik
des anderen daags tot haar zeide: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft
zij haar zoon verstoken. |
|
2KN 6:30 Zodra nu de koning de woorden van de vrouw hoorde, scheurde
hij zijn klederen; en - terwijl hij op de muur voorbijging, zag het volk,
dat hij zowaar daaronder een rouwgewaad op het blote lichaam droeg. |
30 And it came to pass, when the king heard the words of the woman,
that he rent his clothes; and he passed by upon the wall, and the people
looked, and, behold, [he had] sackcloth within upon his flesh. |
30 En het geschiedde, als de koning de woorden dezer vrouw gehoord had,
dat hij zijn klederen scheurde, alzo hij op den muur voortging; en het
volk zag, dat, ziet, een zak van binnen over zijn vlees was. |
|
2KN 6:31 En hij zeide: Zo moge God mij doen, ja nog erger, indien het
hoofd van Elisa, de zoon van Safat, heden op hem blijft staan. - |
31 Then he said, God do so and more also to me, if the head of Elisha
the son of Shaphat shall stand on him this day. |
31 En hij zeide: Zo doe mij God, en doe zo daartoe, indien het hoofd
van Elisa, den zoon van Safat, heden op hem zal blijven staan! |
|
2KN 6:32 Elisa nu zat in zijn huis en de oudsten zaten bij hem. - En
hij zond een man voor zich uit. Voordat die bode bij (Elisa) was gekomen,
had deze tot de oudsten gezegd: Hebt gij wel gezien, dat deze
moordenaarszoon iemand gezonden heeft om mij te onthoofden? Ziet, zodra de
bode komt, moet gij de deur sluiten en hem bij de deur terugdringen. Is
niet het geluid van de voetstappen van zijn heer achter hem? |
32 But Elisha sat in his house, and the elders sat with him; and [the
king] sent a man from before him: but ere the messenger came to him, he
said to the elders, See ye how this son of a murderer hath sent to take
away mine head? look, when the messenger cometh, shut the door, and hold
him fast at the door: [is] not the sound of his master's feet behind him? |
32 (Elisa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem.) En hij
zond een man van voor zijn aangezicht; maar eer de bode tot hem gekomen
was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt gijlieden gezien, hoe die zoon
des moordenaars gezonden heeft, om mijn hoofd af te nemen? Ziet toe, als
die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet
het geruis der voeten van zijn heer achter hem? |
|
2KN 6:33 Terwijl hij nog met hen sprak, zie, daar kwam de bode op hem
af. En (de koning) zeide: Zie, welk een onheil, door de HERE gezonden! Wat
zou ik nog op de HERE hopen? |
33 And while he yet talked with them, behold, the messenger came down
unto him: and he said, Behold, this evil [is] of the LORD; what should I
wait for the LORD any longer? |
33 Als hij nog met hen sprak, ziet, zo kwam de bode tot hem af; en hij
zeide: Zie, dat kwaad is van den HEERE; wat zou ik verder op den HEERE
wachten? |
|
2KN 7:1 Toen zeide Elisa: Hoort het woord des HEREN. Zo zegt de HERE:
Morgen omtrent deze tijd zal een maat fijn meel een sikkel kosten, en twee
maten gerst een sikkel, bij de poort van Samaria. |
1 Then Elisha said, Hear ye the word of the LORD; Thus saith the LORD,
To morrow about this time [shall] a measure of fine flour [be sold] for a
shekel, and two measures of barley for a shekel, in the gate of Samaria. |
1 Toen zeide Elisa: Hoort het woord des HEEREN; zo zegt de HEERE:
Morgen omtrent dezen tijd zal een maat meelbloem [verkocht] worden voor
een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, in de poort van Samaria. |
|
2KN 7:2 Daarop antwoordde de hoofdman op wiens arm de koning leunde, de
man Gods: Ook al zou de HERE sluizen in de hemel maken, zou dit dan kunnen
geschieden? Maar hij zeide: Zie, gij zult het met eigen ogen aanschouwen,
doch daarvan niet eten. |
2 Then a lord on whose hand the king leaned answered the man of God,
and said, Behold, [if] the LORD would make windows in heaven, might this
thing be? And he said, Behold, thou shalt see [it] with thine eyes, but
shalt not eat thereof. |
2 Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde den man
Gods, en zeide: Zie, zo de HEERE vensteren in den hemel maakte, zou die
zaak [kunnen] geschieden? En hij zeide: Zie, gij zult het met uw ogen
zien, doch daarvan niet eten. |
|
2KN 7:3 Er waren vier melaatse mannen buiten voor de poort; zij zeiden
tot elkander: Waarom blijven wij hier, totdat wij sterven? |
3 And there were four leprous men at the entering in of the gate: and
they said one to another, Why sit we here until we die? |
3 Er waren nu vier melaatse mannen voor de deur der poort; die zeiden,
de een tot den ander: Wat blijven wij hier, totdat wij sterven? |
|
2KN 7:4 Indien wij zeggen: Wij zullen de stad binnengaan - in de stad
is hongersnood, zodat wij daar zullen sterven; en indien wij hier blijven,
dan zullen wij ook sterven. Welaan dan, laten wij overlopen naar de
legerplaats der Arameeërs. Indien zij ons in leven laten, zullen wij
leven; en indien zij ons doden, zullen wij sterven. |
4 If we say, We will enter into the city, then the famine [is] in the
city, and we shall die there: and if we sit still here, we die also. Now
therefore come, and let us fall unto the host of the Syrians: if they save
us alive, we shall live; and if they kill us, we shall but die. |
4 Indien wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de
stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen
ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriers vallen;
indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij
zullen maar sterven. |
|
2KN 7:5 In de avondschemering stonden zij op om naar de legerplaats der
Arameeërs te gaan. Maar toen zij bij de buitenrand van de legerplaats der
Arameeërs kwamen, zie, daar was niemand. |
5 And they rose up in the twilight, to go unto the camp of the Syrians:
and when they were come to the uttermost part of the camp of Syria,
behold, [there was] no man there. |
5 En zij stonden op in de schemering, om in het leger der Syriers te
komen. Toen zij aan het uiterste van het leger der Syriers kwamen, ziet,
toen was er niemand. |
|
2KN 7:6 Want de HERE had het leger der Arameeërs een geluid doen horen
van wagens en paarden, het geluid van een grote legermacht, zodat zij tot
elkander zeiden: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons de koningen
der Hethieten en van Misraïm gehuurd om ons te overvallen. |
6 For the Lord had made the host of the Syrians to hear a noise of
chariots, and a noise of horses, [even] the noise of a great host: and
they said one to another, Lo, the king of Israel hath hired against us the
kings of the Hittites, and the kings of the Egyptians, to come upon us. |
6 Want de HEERE had het heir der Syriers doen horen een geluid van
wagenen, en een geluid van paarden, het geluid ener grote heirkracht;
zodat zij zeiden de een tot den ander: Zie, de koning van Israel heeft
tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten, en de koningen der
Egyptenaren, om tegen ons te komen. |
|
2KN 7:7 Daarom waren zij opgesprongen en in de avondschemering gevlucht
en hadden hun tenten achtergelaten, ook hun paarden, hun ezels, de hele
legerplaats zoals die was; zij waren gevlucht om hun leven te redden. |
7 Wherefore they arose and fled in the twilight, and left their tents,
and their horses, and their asses, even the camp as it [was], and fled for
their life. |
7 Derhalve hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering
gevloden, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezelen, het
leger gelijk als het was; en waren gevloden om huns levens wil. |
|
2KN 7:8 Toen deze melaatsen aan de buitenrand van de legerplaats
gekomen waren, gingen zij een tent binnen, aten en dronken, namen zilver,
goud en klederen eruit weg, en gingen heen en verborgen het. Daarna gingen
zij weer een andere tent binnen, namen er (allerlei) uit weg, gingen heen
en verborgen het. |
8 And when these lepers came to the uttermost part of the camp, they
went into one tent, and did eat and drink, and carried thence silver, and
gold, and raiment, and went and hid [it]; and came again, and entered into
another tent, and carried thence [also], and went and hid [it]. |
8 Als nu deze melaatsen aan het uiterste des legers kwamen, zo gingen
zij in een tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver, en goud, en
klederen, en gingen henen, en verborgen het; daarna keerden zij weder, en
kwamen in een andere tent, namen van daar ook, en gingen henen, en
verborgen het. |
|
2KN 7:9 Toen zeiden zij tot elkander: Wij doen niet goed; deze dag is
een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten
tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij
heengaan en het in het koninklijk paleis melden. |
9 Then they said one to another, We do not well: this day [is] a day of
good tidings, and we hold our peace: if we tarry till the morning light,
some mischief will come upon us: now therefore come, that we may go and
tell the king's household. |
9 Toen zeiden zij, de een tot den ander: Wij doen niet recht; deze dag
is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Indien wij vertoeven
tot den lichten morgen, zo zal ons de ongerechtigheid vinden; daarom nu,
komt, laat ons gaan, en [dit] aan het huis des konings boodschappen. |
|
2KN 7:10 Daarop kwamen zij en riepen de poortwacht van de stad aan en
meldden hun: Wij kwamen bij de legerplaats der Arameeërs, en zie, daar
was niemand, zelfs geen menselijk geluid; maar de paarden waren
vastgebonden en de ezels vastgebonden; en de tenten stonden er als
tevoren. |
10 So they came and called unto the porter of the city: and they told
them, saying, We came to the camp of the Syrians, and, behold, [there was]
no man there, neither voice of man, but horses tied, and asses tied, and
the tents as they [were]. |
10 Zo kwamen zij, en riepen tot den poortier der stad, en boodschapten
hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger der Syriers, en ziet,
niemand was daar, noch eens mensen stem; maar paarden aangebonden, en
ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren. |
|
2KN 7:11 De poortwachters riepen en meldden het binnen in het
koninklijk paleis. |
11 And he called the porters; and they told [it] to the king's house
within. |
11 En hij riep de poortiers; en zij deden de boodschap binnen in het
huis des konings. |
|
2KN 7:12 De koning stond in de nacht op en zeide tot zijn dienaren: Ik
wil u vertellen wat de Arameeërs ons gedaan hebben. Zij weten, dat wij
honger lijden; nu zijn zij uit de legerplaats weggetrokken om zich in het
veld te verbergen, denkende: Wanneer zij de stad uitgaan, zullen wij hen
levend grijpen en de stad binnenkomen. |
12 And the king arose in the night, and said unto his servants, I will
now shew you what the Syrians have done to us. They know that we [be]
hungry; therefore are they gone out of the camp to hide themselves in the
field, saying, When they come out of the city, we shall catch them alive,
and get into the city. |
12 En de koning stond op in den nacht, en zeide tot zijn knechten: Ik
zal u nu te kennen geven, wat de Syriers ons gedaan hebben; zij weten, dat
wij hongerig zijn; daarom zijn zij uit het leger gegaan, om zich in het
veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan
zullen wij hen levend grijpen, en wij zullen in de stad komen. |
|
2KN 7:13 Toen antwoordde een van zijn dienaren en zeide: Laat men toch
vijf van de hier nog overgebleven paarden nemen; hetzij het hun gaat als
de gehele menigte van Israël, die hier nog over is, hetzij het hun gaat
als de gehele menigte van Israël, die omgekomen is, laten wij ze maar
uitzenden en zien. |
13 And one of his servants answered and said, Let [some] take, I pray
thee, five of the horses that remain, which are left in the city, (behold,
they [are] as all the multitude of Israel that are left in it: behold, [I
say], they [are] even as all the multitude of the Israelites that are
consumed:) and let us send and see. |
13 Toen antwoordde een van zijn knechten, en zeide: Dat men toch neme
vijf van de overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn (zie, zij
zijn als de gehele menigte der Israelieten, die hierbinnen overgebleven
zijn; zie, zij zijn als de gehele menigte der Israelieten, die vergaan
zijn), laat ons die zenden, en zien. |
|
2KN 7:14 Daarop namen zij twee wagens met paarden, en de koning zond
die het leger der Arameeërs achterna met de opdracht: Gaat en ziet. |
14 They took therefore two chariot horses; and the king sent after the
host of the Syrians, saying, Go and see. |
14 Zij namen dan twee wagenpaarden. En de koning zond het leger der
Syriers achterna, zeggende: Gaat henen, en ziet. |
|
2KN 7:15 Deze gingen hun achterna tot aan de Jordaan, en zie, de gehele
weg lag vol klederen en wapens, die de Arameeërs bij hun angstige vlucht
hadden weggeworpen. De boden kwamen terug en meldden het de koning; |
15 And they went after them unto Jordan: and, lo, all the way [was]
full of garments and vessels, which the Syrians had cast away in their
haste. And the messengers returned, and told the king. |
15 En zij volgden hen na tot de Jordaan toe; en ziet, de ganse weg was
vol van klederen en gereedschap, die de Syriers in hun verhaasten
weggeworpen hadden. De boden nu keerden weder, en boodschapten het den
koning. |
|
2KN 7:16 toen ging het volk naar buiten en zij plunderden de
legerplaats der Arameeërs. En een maat fijn meel kostte een sikkel en
twee maten gerst een sikkel, volgens het woord des HEREN. |
16 And the people went out, and spoiled the tents of the Syrians. So a
measure of fine flour was [sold] for a shekel, and two measures of barley
for a shekel, according to the word of the LORD. |
16 Toen ging het volk uit, en beroofde het leger der Syriers; en een
maat meelbloem werd [verkocht] voor een sikkel, en twee maten gerst voor
een sikkel, naar het woord des HEEREN. |
|
2KN 7:17 En de koning had de hoofdman op wiens arm hij leunde,
aangesteld over de poort, maar het volk vertrad hem in de poort, zodat hij
stierf, zoals de man Gods gesproken had, juist toen de koning tot hem
gekomen was. |
17 And the king appointed the lord on whose hand he leaned to have the
charge of the gate: and the people trode upon him in the gate, and he
died, as the man of God had said, who spake when the king came down to
him. |
17 De koning nu had den hoofdman, op wiens hand hij leunde, over die
poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, gelijk
de man Gods gesproken had, die het sprak, als de koning tot hem afgekomen
was. |
|
2KN 7:18 Aldus is het geschied, zoals de man Gods tot de koning
gesproken had: Twee maten gerst zullen morgen om deze tijd een sikkel
kosten en een maat fijn meel een sikkel, bij de poort van Samaria. |
18 And it came to pass as the man of God had spoken to the king,
saying, Two measures of barley for a shekel, and a measure of fine flour
for a shekel, shall be to morrow about this time in the gate of Samaria: |
18 Want het was geschied, gelijk de man Gods gesproken had tot den
koning, zeggende: Morgen omtrent dezen tijd zullen twee maten gerst voor
een sikkel, en een maat meelbloem voor een sikkel [verkocht] worden, in de
poort van Samaria. |
|
2KN 7:19 En de hoofdman had toen de man Gods geantwoord: Ook al zou de
HERE sluizen in de hemel maken, zou dan zo iets kunnen geschieden? Maar
hij had gezegd: Zie, gij zult het met eigen ogen aanschouwen, doch daarvan
niet eten. |
19 And that lord answered the man of God, and said, Now, behold, [if]
the LORD should make windows in heaven, might such a thing be? And he
said, Behold, thou shalt see it with thine eyes, but shalt not eat
thereof. |
19 En die hoofdman had den man Gods geantwoord en gezegd: Zie, zo de
HEERE vensteren in den hemel maakte, zou het ook naar dit woord geschieden
[kunnen]? En hij had gezegd: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch
daarvan niet eten. |
|
2KN 7:20 Aldus is hem geschied: het volk vertrad hem in de poort, zodat
hij stierf. |
20 And so it fell out unto him: for the people trode upon him in the
gate, and he died. |
20 Even alzo geschiedde hem, want het volk vertrad hem in de poort, dat
hij stierf. |
|
2KN 8:1 Elisa had gesproken tot de vrouw wier zoon hij weer levend
gemaakt had: Maak u gereed en ga heen, gij met uw gezin, en vertoef in den
vreemde, waar gij maar kunt, want de HERE heeft een hongersnood
opgeroepen. - En deze is inderdaad over het land gekomen, zeven jaren
lang. - |
1 Then spake Elisha unto the woman, whose son he had restored to life,
saying, Arise, and go thou and thine household, and sojourn wheresoever
thou canst sojourn: for the LORD hath called for a famine; and it shall
also come upon the land seven years. |
1 Elisa nu had gesproken tot die vrouw, welker zoon hij levend gemaakt
had, zeggende: Maak u op, en ga heen, gij en uw huisgezin, en verkeer als
vreemdeling, waar gij verkeren kunt; want de HEERE heeft een honger
geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal. |
|
2KN 8:2 Toen maakte die vrouw zich gereed en deed naar het woord van de
man Gods; zij ging heen, zij met haar gezin, en vertoefde als vreemdeling
in het land der Filistijnen, zeven jaren lang. |
2 And the woman arose, and did after the saying of the man of God: and
she went with her household, and sojourned in the land of the Philistines
seven years. |
2 En de vrouw had zich opgemaakt, en had gedaan naar het woord van den
man Gods; want zij was gegaan met haar huisgezin, en had als vreemdeling
verkeerd in het land der Filistijnen, zeven jaren. |
|
2KN 8:3 Aan het eind van die zeven jaren keerde de vrouw terug uit het
land der Filistijnen, en ging de hulp van de koning inroepen met het oog
op haar huis en haar akker. |
3 And it came to pass at the seven years' end, that the woman returned
out of the land of the Philistines: and she went forth to cry unto the
king for her house and for her land. |
3 En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit het
land der Filistijnen wederkeerde; en zij ging uit, dat zij tot den koning
riep, om haar huis en om haar akker. |
|
2KN 8:4 De koning was juist in gesprek met Gechazi, de knecht van de
man Gods, en had gezegd: Vertel mij toch al de grote daden die Elisa
verricht heeft. |
4 And the king talked with Gehazi the servant of the man of God,
saying, Tell me, I pray thee, all the great things that Elisha hath done. |
4 De koning nu sprak tot Gehazi, den jongen van den man Gods, zeggende:
Vertel mij toch al de grote dingen, die Elisa gedaan heeft. |
|
2KN 8:5 Terwijl hij bezig was de koning te vertellen, dat deze een dode
levend had gemaakt, riep daar juist de vrouw wier zoon hij levend had
gemaakt, de hulp in van de koning met het oog op haar huis en haar akker.
Toen zeide Gechazi: Mijn heer de koning, dit is de vrouw en dit is haar
zoon, die Elisa levend gemaakt heeft. |
5 And it came to pass, as he was telling the king how he had restored a
dead body to life, that, behold, the woman, whose son he had restored to
life, cried to the king for her house and for her land. And Gehazi said,
My lord, O king, this [is] the woman, and this [is] her son, whom Elisha
restored to life. |
5 En het geschiedde, als hij den koning vertelde, hoe hij een dode had
levend gemaakt, ziet, zo riep de vrouw, welker zoon hij levend gemaakt
had, tot den koning, om haar huis en om haar akker. Toen zeide Gehazi:
Mijn heer koning! Dit is de vrouw, en dit is haar zoon, dien Elisa heeft
levend gemaakt. |
|
2KN 8:6 De koning ondervroeg daarop de vrouw en zij vertelde het hem;
toen gaf de koning haar een hoveling mee en zeide: Zorg, dat al wat haar
toebehoort teruggegeven wordt, benevens de gehele opbrengst van de akker
sedert de dag, waarop zij het land verliet tot nu toe. |
6 And when the king asked the woman, she told him. So the king
appointed unto her a certain officer, saying, Restore all that [was] hers,
and all the fruits of the field since the day that she left the land, even
until now. |
6 En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf
de koning haar een kamerling, zeggende: Doe [haar] wederhebben alles, wat
het hare was, daartoe alle inkomsten des akkers, van den dag af, dat zij
het land verlaten heeft, tot nu toe. |
|
2KN 8:7 Elisa kwam naar Damascus, terwijl Benhadad, de koning van Aram,
ziek lag. Toen hem meegedeeld was: De man Gods is hierheen gekomen, |
7 And Elisha came to Damascus; and Benhadad the king of Syria was sick;
and it was told him, saying, The man of God is come hither. |
7 Daarna kwam Elisa te Damaskus, als Benhadad, de koning van Syrie,
krank was; en men boodschapte hem, zeggende: De man Gods is herwaarts
gekomen. |
|
2KN 8:8 zeide de koning tot Hazaël: Voer een geschenk met u, ga de man
Gods tegemoet en raadpleeg door hem de HERE aldus: zal ik van deze ziekte
herstellen? |
8 And the king said unto Hazael, Take a present in thine hand, and go,
meet the man of God, and enquire of the LORD by him, saying, Shall I
recover of this disease? |
8 Toen zeide de koning tot Hazael: Neem een geschenk in uw hand, en ga
den man Gods tegemoet; en vraag door hem den HEERE, zeggende: Zal ik van
deze krankheid genezen? |
|
2KN 8:9 Toen ging Hazaël hem tegemoet en voerde een geschenk met zich
mee, allerlei kostbaarheden uit Damascus, een last van veertig kamelen;
hij kwam vóór hem staan en zeide: Uw zoon Benhadad, de koning van Aram,
heeft mij tot u gezonden met de vraag: zal ik van deze ziekte herstellen? |
9 So Hazael went to meet him, and took a present with him, even of
every good thing of Damascus, forty camels' burden, and came and stood
before him, and said, Thy son Benhadad king of Syria hath sent me to thee,
saying, Shall I recover of this disease? |
9 Zo ging Hazael hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te
weten, alle goed van Damaskus, een last van veertig kemelen; en hij kwam,
en stond voor zijn aangezicht, en zeide: Uw zoon Benhadad, de koning van
Syrie, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze krankheid
genezen? |
|
2KN 8:10 En Elisa zeide tot hem: Ga, zeg hem: gij zult zeker
herstellen. Maar de HERE heeft mij getoond, dat hij zeker zal sterven. |
10 And Elisha said unto him, Go, say unto him, Thou mayest certainly
recover: howbeit the LORD hath shewed me that he shall surely die. |
10 En Elisa zeide tot hem: Ga, zeg, gij zult ganselijk niet genezen;
want de HEERE heeft mij getoond, dat hij den dood sterven zal. |
|
2KN 8:11 En de man Gods zette een strak gelaat en hield het onbewogen
tot verlegen wordens toe; daarop barstte hij in wenen uit. |
11 And he settled his countenance stedfastly, until he was ashamed: and
the man of God wept. |
11 En hij hield zijn gezicht staande, en zette het vast tot schamens
toe; en de man Gods weende. |
|
2KN 8:12 En Hazaël zeide: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: Omdat
ik weet, wat voor kwaad gij de Israëlieten zult aandoen: hun vestingen
zult gij met vuur verbranden, hun jonge mannen zult gij met het zwaard
doden, hun zuigelingen zult gij verpletteren en hun zwangere vrouwen zult
gij openrijten. |
12 And Hazael said, Why weepeth my lord? And he answered, Because I
know the evil that thou wilt do unto the children of Israel: their strong
holds wilt thou set on fire, and their young men wilt thou slay with the
sword, and wilt dash their children, and rip up their women with child. |
12 Toen zeide Hazael: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: omdat ik
weet, wat kwaad gij den kinderen Israels doen zult; gij zult hun sterkten
in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun
jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. |
|
2KN 8:13 Toen zeide Hazaël: Maar wat is uw knecht, die hond: dat hij
zo iets groots zou doen? En Elisa zeide: De HERE heeft mij getoond, dat
gij koning over Aram zult zijn. |
13 And Hazael said, But what, [is] thy servant a dog, that he should do
this great thing? And Elisha answered, The LORD hath shewed me that thou
[shalt be] king over Syria. |
13 En Hazael zeide: Maar wat is uw knecht, die een hond is, dat hij
deze grote zaak doen zou? En Elisa zeide: De HEERE heeft mij getoond, dat
gij koning zijn zult over Syrie. |
|
2KN 8:14 Toen ging hij van Elisa weg en kwam bij zijn heer; deze vroeg
hem: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd:
Gij zult zeker herstellen. |
14 So he departed from Elisha, and came to his master; who said to him,
What said Elisha to thee? And he answered, He told me [that] thou
shouldest surely recover. |
14 Zo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijn heer, die tot hem zeide:
Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd: Gij
zult zekerlijk genezen. |
|
2KN 8:15 De volgende dag echter nam hij een deken, doopte die in water
en spreidde die over zijn gelaat, zodat hij stierf. En Hazaël werd koning
in zijn plaats. |
15 And it came to pass on the morrow, that he took a thick cloth, and
dipped [it] in water, and spread [it] on his face, so that he died: and
Hazael reigned in his stead. |
15 En het geschiedde des anderen daags, dat hij een deken nam, en in
het water doopte, en over zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf; en
Hazael werd koning in zijn plaats. |
|
2KN 8:16 In het vijfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van
Israël - Josafat was toen koning van Juda - werd Joram, de zoon van
Josafat, koning van Juda. |
16 And in the fifth year of Joram the son of Ahab king of Israel,
Jehoshaphat [being] then king of Judah, Jehoram the son of Jehoshaphat
king of Judah began to reign. |
16 In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van
Israel, toen Josafat koning was van Juda, [begon] Jehoram, de zoon van
Josafat, den koning van Juda, te regeren. |
|
2KN 8:17 Hij was tweeëndertig jaar oud, toen hij koning werd; hij
regeerde acht jaar te Jeruzalem. |
17 Thirty and two years old was he when he began to reign; and he
reigned eight years in Jerusalem. |
17 Hij was twee en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij
regeerde acht jaren te Jeruzalem. |
|
2KN 8:18 Hij wandelde in de weg van de koningen van Israël, zoals het
huis van Achab deed, want hij had een dochter van Achab tot vrouw; hij
deed wat kwaad is in de ogen des HEREN. |
18 And he walked in the way of the kings of Israel, as did the house of
Ahab: for the daughter of Ahab was his wife: and he did evil in the sight
of the LORD. |
18 En hij wandelde op den weg der koningen van Israel, gelijk als het
huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden;
en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN. |
|
2KN 8:19 Maar de HERE wilde Juda niet verderven ter wille van zijn
knecht David, aan wie Hij immers had toegezegd hem te allen tijde een lamp
voor zijn zonen te zullen geven. |
19 Yet the LORD would not destroy Judah for David his servant's sake,
as he promised him to give him alway a light, [and] to his children. |
19 Doch de HEERE wilde Juda niet verderven, om Davids Zijns knechts
wil; gelijk als Hij hem gezegd had, dat Hij hem te allen tijde voor zijn
zonen een lamp zou geven. |
|
2KN 8:20 In zijn dagen onttrokken de Edomieten zich aan de macht van
Juda en stelden een koning over zich aan. |
20 In his days Edom revolted from under the hand of Judah, and made a
king over themselves. |
20 In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af,
en maakten een koning over zich. |
|
2KN 8:21 Toen trok Joram naar Saïr met al zijn krijgswagens; en des
nachts maakte hij zich op en versloeg de Edomieten, die hem en de
bevelhebbers der krijgswagens omsingeld hadden; en het volk vluchtte naar
zijn tenten. |
21 So Joram went over to Zair, and all the chariots with him: and he
rose by night, and smote the Edomites which compassed him about, and the
captains of the chariots: and the people fled into their tents. |
21 Daarom toog Joram over naar Zair, en al de wagenen met hem; en hij
maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren,
daartoe de oversten der wagenen; en het volk vlood in zijn hutten. |
|
2KN 8:22 Toch onttrok Edom zich aan de macht van Juda tot op de huidige
dag. Toen viel ook Libna af, in diezelfde tijd. |
22 Yet Edom revolted from under the hand of Judah unto this day. Then
Libnah revolted at the same time. |
22 De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op
dezen dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd. |
|
2KN 8:23 Het overige van de geschiedenis van Joram en alles wat hij
gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der
koningen van Juda? |
23 And the rest of the acts of Joram, and all that he did, [are] they
not written in the book of the chronicles of the kings of Judah? |
23 Het overige nu der geschiedenissen van Joram, en alles wat hij
gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der
koningen van Juda? |
|
2KN 8:24 Joram ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij zijn
vaderen in de stad Davids; zijn zoon Achazja werd koning in zijn plaats. |
24 And Joram slept with his fathers, and was buried with his fathers in
the city of David: and Ahaziah his son reigned in his stead. |
24 En Joram ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn
vaderen, in de stad Davids; en Ahazia, zijn zoon, werd koning in zijn
plaats. |
|
2KN 8:25 In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning
van Israël, werd Achazja, de zoon van Joram, koning van Juda. |
25 In the twelfth year of Joram the son of Ahab king of Israel did
Ahaziah the son of Jehoram king of Judah begin to reign. |
25 In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van
Israel, [begon] Ahazia, de zoon van Jeroham, den koning van Juda, te
regeren. |
|
2KN 8:26 Tweeëntwintig jaar was Achazja oud, toen hij koning werd; hij
regeerde een jaar te Jeruzalem; zijn moeder heette Atalja; zij was de
kleindochter van Omri, de koning van Israël. |
26 Two and twenty years old [was] Ahaziah when he began to reign; and
he reigned one year in Jerusalem. And his mother's name [was] Athaliah,
the daughter of Omri king of Israel. |
26 Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en
regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athalia, de
dochter van Omri, den koning van Israel. |
|
2KN 8:27 Hij wandelde in de weg van het huis van Achab en deed wat
kwaad is in de ogen des HEREN, zoals het huis van Achab, want hij was
verzwagerd met het huis van Achab. |
27 And he walked in the way of the house of Ahab, and did evil in the
sight of the LORD, as [did] the house of Ahab: for he [was] the son in law
of the house of Ahab. |
27 En hij wandelde in den weg van het huis van Achab, en deed dat kwaad
was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want hij was een
schoonzoon van het huis van Achab. |
|
2KN 8:28 Hij trok met Joram, de zoon van Achab, uit en streed tegen
Hazaël, de koning van Aram, bij Ramot in Gilead. Maar de Arameeërs
verwondden Joram. |
28 And he went with Joram the son of Ahab to the war against Hazael
king of Syria in Ramothgilead; and the Syrians wounded Joram. |
28 En hij toog met Joram, den zoon van Achab, naar den strijd, te
Ramoth in Gilead, tegen Hazael, den koning van Syrie; en de Syriers
sloegen Joram. |
|
2KN 8:29 Dus keerde koning Joram terug om te Jizreël genezing te
zoeken voor de wonden die de Arameeërs hem bij Rama hadden toegebracht,
toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Aram. En Achazja, de zoon van
Joram, de koning van Juda, kwam Joram, de zoon van Achab, in Jizreël
bezoeken, want hij lag ziek. |
29 And king Joram went back to be healed in Jezreel of the wounds which
the Syrians had given him at Ramah, when he fought against Hazael king of
Syria. And Ahaziah the son of Jehoram king of Judah went down to see Joram
the son of Ahab in Jezreel, because he was sick. |
29 Toen keerde Joram, de koning wederom, opdat hij zich te Jizreel
helen liet van de slagen, die hem de Syriers te Rama geslagen hadden, als
hij streed tegen Hazael den koning van Syrie; en Ahazia, de zoon van
Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te
Jizreel te bezien, want hij was krank. |
|
2KN 9:1 De profeet Elisa riep een van de profeten en zeide tot hem:
Gord uw lendenen, neem deze oliekruik met u en ga naar Ramot in Gilead. |
1 And Elisha the prophet called one of the children of the prophets,
and said unto him, Gird up thy loins, and take this box of oil in thine
hand, and go to Ramothgilead: |
1 Toen riep de profeet Elisa een van de zonen der profeten, en hij
zeide tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga
heen naar Ramoth in Gilead. |
|
2KN 9:2 Wanneer gij daar gekomen zijt, zie dan uit naar Jehu, de zoon
van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga bij hem binnen, doe hem opstaan uit het
midden van zijn wapenbroeders en breng hem in de binnenste kamer. |
2 And when thou comest thither, look out there Jehu the son of
Jehoshaphat the son of Nimshi, and go in, and make him arise up from among
his brethren, and carry him to an inner chamber; |
2 Als gij daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van
Josafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het
midden zijner broederen, en breng hem in een binnenste kamer. |
|
2KN 9:3 Neem dan de kruik met olie, giet ze uit over zijn hoofd en zeg:
Zo spreekt de HERE: Ik zalf u tot koning over Israël. Open daarna de deur
en vlucht zonder dralen weg. |
3 Then take the box of oil, and pour [it] on his head, and say, Thus
saith the LORD, I have anointed thee king over Israel. Then open the door,
and flee, and tarry not. |
3 En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt
de HEERE: Ik heb u tot koning gezalfd over Israel. Doe daarna de deur
open, en vlied, en vertoef niet. |
|
2KN 9:4 Toen ging die jonge man, de jonge profeet, naar Ramot in
Gilead. |
4 So the young man, [even] the young man the prophet, went to
Ramothgilead. |
4 Zo ging de jongeling, die jongeling van den profeet, naar Ramoth in
Gilead. |
|
2KN 9:5 Toen hij daar kwam, zaten de legeroversten juist bijeen. En hij
zeide: Ik heb een boodschap voor u, overste. Jehu zeide: Voor wie van ons
allen? En hij antwoordde: Voor u, overste. |
5 And when he came, behold, the captains of the host [were] sitting;
and he said, I have an errand to thee, O captain. And Jehu said, Unto
which of all us? And he said, To thee, O captain. |
5 En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het heir, en
hij zeide: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zeide: Tot wien van
ons allen? En hij zeide: Tot u, o hoofdman! |
|
2KN 9:6 Toen stond hij op en ging het huis binnen. En hij goot de olie
over zijn hoofd en zeide tot hem: Zo spreekt de HERE, de God van Israël:
Ik zalf u tot koning over het volk des HEREN, over Israël. |
6 And he arose, and went into the house; and he poured the oil on his
head, and said unto him, Thus saith the LORD God of Israel, I have
anointed thee king over the people of the LORD, [even] over Israel. |
6 Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn
hoofd, en hij zeide tot hem: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb u
gezalfd tot koning over het volk des HEEREN, over Israel. |
|
2KN 9:7 Gij zult het huis van uw heer Achab slaan, opdat Ik het bloed
van mijn knechten, de profeten, ja, het bloed van alle knechten des HEREN
aan Izebel wreke. |
7 And thou shalt smite the house of Ahab thy master, that I may avenge
the blood of my servants the prophets, and the blood of all the servants
of the LORD, at the hand of Jezebel. |
7 En gij zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed
van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten des HEEREN,
wreke van de hand van Izebel. |
|
2KN 9:8 En het gehele huis van Achab zal omkomen; Ik zal van Achab al
wat mannelijk is uitroeien, allen in Israël van hoog tot laag; |
8 For the whole house of Ahab shall perish: and I will cut off from
Ahab him that pisseth against the wall, and him that is shut up and left
in Israel: |
8 En het ganse huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab
uitroeien, wat mannelijk is, ook den beslotene en verlatene in Israel. |
|
2KN 9:9 dan zal Ik met het huis van Achab evenzo handelen als met dat
van Jerobeam, de zoon van Nebat, en dat van Basa, de zoon van Achia; |
9 And I will make the house of Ahab like the house of Jeroboam the son
of Nebat, and like the house of Baasha the son of Ahijah: |
9 Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, den
zoon van Nebat, en als het huis van Baesa, den zoon van Ahia. |
|
2KN 9:10 en Izebel zullen de honden verslinden op de akker te Jizreël,
en niemand zal haar begraven. Toen opende hij de deur en vluchtte weg. |
10 And the dogs shall eat Jezebel in the portion of Jezreel, and [there
shall be] none to bury [her]. And he opened the door, and fled. |
10 Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk [lands] van Jizreel, en
er zal niemand zijn, die [haar] begrave. Toen deed hij de deur open en
vlood. |
|
2KN 9:11 Daarna kwam Jehu naar buiten bij de dienaren van zijn heer en
een hunner zeide tot hem: Is alles wel? Waarom is deze waanzinnige tot u
gekomen? En hij antwoordde hun: Gij kent immers de man en zijn gepraat. |
11 Then Jehu came forth to the servants of his lord: and [one] said
unto him, [Is] all well? wherefore came this mad [fellow] to thee? And he
said unto them, Ye know the man, and his communication. |
11 En als Jehu uitging tot de knechten zijns heren, zeide men tot hem:
Is het al wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zeide tot
hen: Gij kent den man en zijn spraak. |
|
2KN 9:12 En zij riepen: Leugens! Deel het ons toch mee. Toen zeide hij:
Zo en zo heeft hij tot mij gesproken: aldus spreekt de HERE: Ik zalf u tot
koning over Israël. |
12 And they said, [It is] false; tell us now. And he said, Thus and
thus spake he to me, saying, Thus saith the LORD, I have anointed thee
king over Israel. |
12 Maar zij zeiden: Het is leugen; geef het ons nu te kennen. En hij
zeide: Zo en zo heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zo zegt de HEERE:
Ik heb u gezalfd tot koning over Israel. |
|
2KN 9:13 Daarop nam ieder haastig zijn kleed en spreidde het voor zijn
voeten op de treden van de trap; zij bliezen op de hoorn en riepen: Jehu
is koning! |
13 Then they hasted, and took every man his garment, and put [it] under
him on the top of the stairs, and blew with trumpets, saying, Jehu is
king. |
13 Toen haastten zij zich, en een iegelijk nam zijn kleed, en legde het
onder hem, op den hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden:
Jehu is koning geworden! |
|
2KN 9:14 Aldus smeedde Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi,
een samenzwering tegen Joram. - Joram nu had Ramot in Gilead bezet, hij en
geheel Israël, tegen Hazaël, de koning van Aram; |
14 So Jehu the son of Jehoshaphat the son of Nimshi conspired against
Joram. (Now Joram had kept Ramothgilead, he and all Israel, because of
Hazael king of Syria. |
14 Alzo maakte Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, een
verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en
gans Israel, uit oorzake van Hazael, den koning van Syrie; |
|
2KN 9:15 en koning Joram was teruggekeerd om te Jizreël genezing te
zoeken voor de wonden, die de Arameeërs hem hadden toegebracht, toen hij
streed met Hazaël, de koning van Aram. - En Jehu zeide: Indien gij er zo
over denkt, laat dan niemand uit de stad ontkomen om dat in Jizreël te
gaan berichten. |
15 But king Joram was returned to be healed in Jezreel of the wounds
which the Syrians had given him, when he fought with Hazael king of
Syria.) And Jehu said, If it be your minds, [then] let none go forth [nor]
escape out of the city to go to tell [it] in Jezreel. |
15 Maar de koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreel
helen liet van de slagen, die hem de Syriers geslagen hadden, als hij
streed tegen Hazael, den koning van Syrie.) En Jehu zeide: Zo het ulieder
wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om [dit] in
Jizreel te gaan verkondigen. |
|
2KN 9:16 Toen besteeg Jehu zijn wagen en ging naar Jizreël, want Joram
lag daar (ziek). En Achazja, de koning van Juda, was gekomen om Joram te
bezoeken. |
16 So Jehu rode in a chariot, and went to Jezreel; for Joram lay there.
And Ahaziah king of Judah was come down to see Joram. |
16 Toen reed Jehu, en toog naar Jizreel; want Joram lag aldaar; en
Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien. |
|
2KN 9:17 De wachter nu stond op de toren te Jizreël; hij zag de troep
van Jehu aankomen en zeide: Ik zie een troep. Toen zeide Joram: Neem een
ruiter en zend hun die tegemoet om te vragen: Is het vrede? |
17 And there stood a watchman on the tower in Jezreel, and he spied the
company of Jehu as he came, and said, I see a company. And Joram said,
Take an horseman, and send to meet them, and let him say, [Is it] peace? |
17 De wachter nu stond op den toren te Jizreel, en zag den hoop van
Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie een hoop. Toen zeide Joram: Neem
een ruiter, en zend [dien] hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het
vrede? |
|
2KN 9:18 De ruiter ging hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de koning: Is
het vrede? Maar Jehu zeide: Wat hebt gij met vrede te maken? Keer om, volg
mij! En de wachter berichtte: De bode is bij hen gekomen, maar keert niet
terug. |
18 So there went one on horseback to meet him, and said, Thus saith the
king, [Is it] peace? And Jehu said, What hast thou to do with peace? turn
thee behind me. And the watchman told, saying, The messenger came to them,
but he cometh not again. |
18 En de ruiter te paard toog heen hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de
koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen?
Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De
bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weder. |
|
2KN 9:19 Toen zond hij een tweede ruiter. Ook deze kwam bij hen en
zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? Maar Jehu zeide: Wat hebt gij met
vrede te maken? Keer om, volg mij! |
19 Then he sent out a second on horseback, which came to them, and
said, Thus saith the king, [Is it] peace? And Jehu answered, What hast
thou to do with peace? turn thee behind me. |
19 Toen zond hij een anderen ruiter te paard; en als deze tot hen
gekomen was, zeide hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide:
Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om achter mij. |
|
2KN 9:20 En de wachter berichtte: Hij is bij hen aangekomen, maar keert
niet terug. En zoals zij voortjagen, zo jaagt alleen Jehu, de zoon van
Nimsi, want hij jaagt als een razende. |
20 And the watchman told, saying, He came even unto them, and cometh
not again: and the driving [is] like the driving of Jehu the son of
Nimshi; for he driveth furiously. |
20 En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen
gekomen, maar hij komt niet weder; en het drijven is als het drijven van
Jehu, den zoon van Nimsi, want hij drijft onzinniglijk. |
|
2KN 9:21 Toen zeide Joram: Span in. En men spande zijn wagen in. En
Joram, de koning van Israël, trok uit met Achazja, de koning van Juda,
ieder op zijn wagen - zij trokken uit, Jehu tegemoet en troffen hem aan op
de akker van de Jizreëliet Nabot. |
21 And Joram said, Make ready. And his chariot was made ready. And
Joram king of Israel and Ahaziah king of Judah went out, each in his
chariot, and they went out against Jehu, and met him in the portion of
Naboth the Jezreelite. |
21 Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog
Joram, de koning van Israel, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder
op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk
[lands] van Naboth, den Jizreeliet. |
|
2KN 9:22 Zodra Joram Jehu zag, vroeg hij: Is het vrede, Jehu? Maar deze
antwoordde: Wat vrede, zolang de hoererijen van uw moeder Izebel en haar
vele toverijen voortduren? |
22 And it came to pass, when Joram saw Jehu, that he said, [Is it]
peace, Jehu? And he answered, What peace, so long as the whoredoms of thy
mother Jezebel and her witchcrafts [are so] many? |
22 Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is het ook
vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw
moeder Izebel, en haar toverijen zo vele zijn? |
|
2KN 9:23 Daarop wendde Joram de teugel, vluchtte en riep Achazja toe:
Verraad, Achazja! |
23 And Joram turned his hands, and fled, and said to Ahaziah, [There
is] treachery, O Ahaziah. |
23 Toen keerde Joram zijn hand, en vlood, en zeide tot Ahazia: Het is
bedrog, Ahazia! |
|
2KN 9:24 Maar Jehu omklemde de boog en trof Joram tussen zijn
schouders, zodat de pijl hem het hart doorboorde; en hij zakte in zijn
wagen ineen. |
24 And Jehu drew a bow with his full strength, and smote Jehoram
between his arms, and the arrow went out at his heart, and he sunk down in
his chariot. |
24 Maar Jehu spande den boog met volle kracht, en schoot Joram tussen
zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn
wagen. |
|
2KN 9:25 Toen zeide Jehu tot zijn hoofdman Bidkar: Neem hem op en werp
hem op de akker van de Jizreëliet Nabot. Want herinner u, dat de HERE,
toen gij en ik zij aan zij reden achter zijn vader Achab, deze Godsspraak
over hem gaf: |
25 Then said [Jehu] to Bidkar his captain, Take up, [and] cast him in
the portion of the field of Naboth the Jezreelite: for remember how that,
when I and thou rode together after Ahab his father, the LORD laid this
burden upon him; |
25 Toen zeide [Jehu] tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat
stuk lands van Naboth, den Jizreeliet; want gedenk, als ik en gij nevens
elkander achter zijn vader Achab reden, dat hem de HEERE dezen last
oplegde, [zeggende]: |
|
2KN 9:26 Voorzeker, Ik heb gisterenavond het bloed van Nabot en van
zijn zonen gezien, luidt het woord des HEREN. Ik zal het aan u vergelden
op deze akker, luidt het woord des HEREN. Nu dan, neem hem op en werp hem
op de akker, volgens het woord des HEREN. |
26 Surely I have seen yesterday the blood of Naboth, and the blood of
his sons, saith the LORD; and I will requite thee in this plat, saith the
LORD. Now therefore take [and] cast him into the plat [of ground],
according to the word of the LORD. |
26 Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed
zijner zonen, zegt de HEERE, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk
[lands], zegt de HEERE. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk land, naar het
woord des HEEREN. |
|
2KN 9:27 Toen Achazja, de koning van Juda, dat zag, vluchtte hij in de
richting van Bet-Haggan. Maar Jehu achtervolgde hem en beval: Hem ook!
Schiet hem neer op zijn wagen! (En zij raakten hem) op de helling naar Gur
bij Jibleam; hij vluchtte naar Megiddo en stierf daar. |
27 But when Ahaziah the king of Judah saw [this], he fled by the way of
the garden house. And Jehu followed after him, and said, Smite him also in
the chariot. [And they did so] at the going up to Gur, which [is] by
Ibleam. And he fled to Megiddo, and died there. |
27 Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vlood hij door den weg
van het huis des hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat
hem ook op den wagen, aan den opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij
vlood naar Megiddo, en stierf aldaar. |
|
2KN 9:28 Zijn dienaren vervoerden hem op een wagen naar Jeruzalem en
begroeven hem in zijn graf bij zijn vaderen, in de stad Davids. |
28 And his servants carried him in a chariot to Jerusalem, and buried
him in his sepulchre with his fathers in the city of David. |
28 En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in
zijn graf, bij zijn vaderen in de stad Davids. |
|
2KN 9:29 Achazja nu was koning geworden over Juda in het elfde jaar van
Joram, de zoon van Achab. |
29 And in the eleventh year of Joram the son of Ahab began Ahaziah to
reign over Judah. |
29 In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Ahazia
koning geworden over Juda. |
|
2KN 9:30 Jehu kwam te Jizreël. Toen Izebel dit vernomen had,
beschilderde zij haar ogen met zwart en versierde haar hoofd, en zij keek
uit het venster. |
30 And when Jehu was come to Jezreel, Jezebel heard [of it]; and she
painted her face, and tired her head, and looked out at a window. |
30 En Jehu kwam te Jizreel. Als Izebel [dat] hoorde, zo blankette zij
haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit. |
|
2KN 9:31 Toen Jehu de poort binnenkwam, riep zij: Is het wel met Zimri,
de moordenaar van zijn heer? |
31 And as Jehu entered in at the gate, she said, [Had] Zimri peace, who
slew his master? |
31 Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zeide zij: Is het wel, o Zimri,
doodslager van zijn heer? |
|
2KN 9:32 En hij hief zijn gelaat op naar het venster en zeide: Wie is
op mijn hand? Wie? En toen twee, drie hovelingen hem aankeken, |
32 And he lifted up his face to the window, and said, Who [is] on my
side? who? And there looked out to him two [or] three eunuchs. |
32 En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zeide: Wie is
met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen. |
|
2KN 9:33 gebood hij: Werpt haar naar beneden! En zij wierpen haar naar
beneden, zodat haar bloed rondspatte tegen de muur en tegen de paarden, en
hij vertrapte haar. |
33 And he said, Throw her down. So they threw her down: and [some] of
her blood was sprinkled on the wall, and on the horses: and he trode her
under foot. |
33 En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van
boven neder, zodat van haar bloed aan den wand en aan de paarden gesprengd
werd; en hij vertrad haar. |
|
2KN 9:34 En hij ging naar binnen, at en dronk. Daarna zeide hij: Ziet
toch om naar die vervloekte en begraaft haar, want zij is de dochter van
een koning. |
34 And when he was come in, he did eat and drink, and said, Go, see now
this cursed [woman], and bury her: for she [is] a king's daughter. |
34 Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zeide hij:
Ziet nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want zij is eens konings
dochter. |
|
2KN 9:35 Zij gingen heen om haar te begraven, maar vonden van haar
niets dan de schedel, de voeten en de handpalmen. |
35 And they went to bury her: but they found no more of her than the
skull, and the feet, and the palms of [her] hands. |
35 En zij gingen heen om haar te begraven; doch zij vonden niet van
haar, dan het bekkeneel, en de voeten, en de palmen harer handen. |
|
2KN 9:36 Toen zij terugkwamen en hem dat berichtten, zeide hij: Dit is
het woord, dat de HERE gesproken heeft door zijn knecht, de Tisbiet Elia:
Op de akker te Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel verslinden, |
36 Wherefore they came again, and told him. And he said, This [is] the
word of the LORD, which he spake by his servant Elijah the Tishbite,
saying, In the portion of Jezreel shall dogs eat the flesh of Jezebel: |
36 Toen kwamen zij weder, en gaven het hem te kennen, en hij zeide: Dit
is het woord des HEEREN, dat Hij gesproken heeft door den dienst van Zijn
knecht Elia, den Thisbiet, zeggende: Op het stuk [lands] van Jizreel
zullen de honden het vlees van Izebel eten. |
|
2KN 9:37 en het lijk van Izebel zal op de akker te Jizreël zijn als
mest op het veld, zodat men niet kan zeggen: Dit is Izebel. |
37 And the carcase of Jezebel shall be as dung upon the face of the
field in the portion of Jezreel; [so] that they shall not say, This [is]
Jezebel. |
37 En het dode lichaam van Izebel zal zijn gelijk mest op het veld, in
het stuk [lands] van Jizreel, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is
Izebel. |
|
2KN 10:1 Achab had zeventig zonen te Samaria. Jehu schreef een brief
van de volgende inhoud, en zond die naar Samaria aan de oversten van
Jizreël, aan de oudsten en aan de door Achab aangestelde opvoeders: |
1 And Ahab had seventy sons in Samaria. And Jehu wrote letters, and
sent to Samaria, unto the rulers of Jezreel, to the elders, and to them
that brought up Ahab's [children], saying, |
1 Achab nu had zeventig zonen te Samaria; en Jehu schreef brieven,
dewelke hij zond naar Samaria, tot de oversten van Jizreel, de oudsten, en
tot de voedsterheren van Achab, zeggende: |
|
2KN 10:2 Nu dan, zodra deze brief u bereikt, moet gij - immers de zonen
van uw heer zijn bij u en gij hebt de beschikking over krijgswagens,
paarden, een versterkte stad en wapenen - |
2 Now as soon as this letter cometh to you, seeing your master's sons
[are] with you, and [there are] with you chariots and horses, a fenced
city also, and armour; |
2 Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, dewijl de zonen van
uw heer bij u zijn, ook de wagenen en de paarden bij u zijn, mitsgaders
een vaste stad, en wapenen; |
|
2KN 10:3 omzien naar de beste en de geschiktste uit de zonen van uw
heer en hem plaatsen op de troon van zijn vader en strijden voor het huis
van uw heer. |
3 Look even out the best and meetest of your master's sons, and set
[him] on his father's throne, and fight for your master's house. |
3 Zo ziet naar den beste en gerechtigste van de zonen uws heren, zet
dien op zijns vaders troon; en strijdt voor het huis uws heren. |
|
2KN 10:4 Maar zij waren uitermate bevreesd en zeiden: Zie, twee
koningen hebben tegen hem geen stand kunnen houden, hoe zouden wij dan
stand kunnen houden? |
4 But they were exceedingly afraid, and said, Behold, two kings stood
not before him: how then shall we stand? |
4 Doch zij vreesden gans zeer, en zeiden: Ziet, twee koningen bestonden
niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan bestaan? |
|
2KN 10:5 Toen zonden de hofmaarschalk en de gouverneur van de stad, de
oudsten en de opvoeders deze boodschap naar Jehu: Wij zijn uw knechten, al
wat gij ons zult bevelen, zullen wij doen; wij zullen niemand koning
maken; doe wat u goeddunkt. |
5 And he that [was] over the house, and he that [was] over the city,
the elders also, and the bringers up [of the children], sent to Jehu,
saying, We [are] thy servants, and will do all that thou shalt bid us; we
will not make any king: do thou [that which is] good in thine eyes. |
5 Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en
de voedsterheren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten, en al
wat gij tot ons zeggen zult, zullen wij doen; wij zullen niemand koning
maken; doe wat goed is in uw ogen. |
|
2KN 10:6 Daarom schreef hij hun ten tweeden male een brief, waarin
stond: Indien gij op mijn hand zijt en mij wilt gehoorzamen, neemt dan de
hoofden van de mannelijke nakomelingen van uw heer en komt tot mij te
Jizreël, morgen om deze tijd. De zonen des konings nu, zeventig man,
woonden bij de aanzienlijken der stad, die hen opvoedden. |
6 Then he wrote a letter the second time to them, saying, If ye [be]
mine, and [if] ye will hearken unto my voice, take ye the heads of the men
your master's sons, and come to me to Jezreel by to morrow this time. Now
the king's sons, [being] seventy persons, [were] with the great men of the
city, which brought them up. |
6 Toen schreef hij ten tweeden male tot hen een brief, zeggende: Zo gij
mijn zijt, en gij naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de
zonen uws heren, en komt tot mij morgen omtrent dezen tijd naar Jizreel.
(De zonen nu de konings, zeventig mannen, waren bij de groten stad, die
hen opvoedden.) |
|
2KN 10:7 Zodra de brief hen bereikte, grepen zij de zonen des konings
en maakten hen af, zeventig man; en zij deden hun hoofden in korven en
zonden ze naar hem te Jizreël. |
7 And it came to pass, when the letter came to them, that they took the
king's sons, and slew seventy persons, and put their heads in baskets, and
sent him [them] to Jezreel. |
7 Het geschiedde dan, als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen des
konings namen, en zeventig mannen sloegen; en zij legden hun hoofden in
korven, die zij tot hem zonden naar Jizreel. |
|
2KN 10:8 Toen de bode kwam en hem berichtte: Men heeft de hoofden van
de zonen des konings gebracht, zeide hij: Legt ze op twee hopen bij de
ingang der poort, tot de morgen. |
8 And there came a messenger, and told him, saying, They have brought
the heads of the king's sons. And he said, Lay ye them in two heaps at the
entering in of the gate until the morning. |
8 En er kwam een bode, en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de
hoofden van de zonen des konings gebracht. En hij zeide: Legt ze in twee
hopen, aan de deur der poort, tot morgen. |
|
2KN 10:9 Die morgen kwam hij naar buiten, trad naar voren en zeide tot
al het volk: Gij zijt onschuldig. Zie, ik heb een samenzwering tegen mijn
heer gesmeed en hem gedood. Maar wie heeft deze allen dan omgebracht? |
9 And it came to pass in the morning, that he went out, and stood, and
said to all the people, Ye [be] righteous: behold, I conspired against my
master, and slew him: but who slew all these? |
9 En het geschiedde des morgens, toen hij uitging, dat hij stil stond,
en tot al het volk zeide: Gij zijt rechtvaardig. Ziet, ik heb een
verbintenis gemaakt tegen mijn heer, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft
alle dezen geslagen? |
|
2KN 10:10 Weet dan, dat niets onvervuld blijft van het woord des HEREN,
dat de HERE tegen het huis van Achab gesproken heeft; de HERE heeft gedaan
wat Hij gesproken heeft door zijn knecht Elia. |
10 Know now that there shall fall unto the earth nothing of the word of
the LORD, which the LORD spake concerning the house of Ahab: for the LORD
hath done [that] which he spake by his servant Elijah. |
10 Weet nu, dat niets van het woord des HEEREN, hetwelk de HEERE tegen
het huis van Achab gesproken heeft, zal op de aarde vallen; want de HEERE
heeft gedaan, wat Hij door den dienst van Zijn knecht Elia gesproken
heeft. |
|
2KN 10:11 En Jehu sloeg allen dood, die van Achabs huis te Jizreël
overgebleven waren, en al zijn rijksgroten, vertrouwelingen en priesters,
zodat hij daarvan niemand liet ontkomen. |
11 So Jehu slew all that remained of the house of Ahab in Jezreel, and
all his great men, and his kinsfolks, and his priests, until he left him
none remaining. |
11 Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevenen van het huis van Achab te
Jizreel, en al zijn groten, en zijn bekenden, en zijn priesteren; totdat
hij hem geen overigen liet overblijven. |
|
2KN 10:12 Onmiddellijk toog hij op weg en ging naar Samaria. Toen hij
onderweg bij Bet-Eked-der-herders kwam, |
12 And he arose and departed, and came to Samaria. [And] as he [was] at
the shearing house in the way, |
12 En hij maakte zich op, en toog heen en ging naar Samaria; en zijnde
te Beth-Heked der herderen, op den weg, |
|
2KN 10:13 trof Jehu de broeders van Achazja, de koning van Juda, aan en
vroeg hun: Wie zijt gij? Zij antwoordden: Wij zijn broeders van Achazja en
wij zijn gekomen om de zonen van de koning en die van de gebiedster te
bezoeken. |
13 Jehu met with the brethren of Ahaziah king of Judah, and said, Who
[are] ye? And they answered, We [are] the brethren of Ahaziah; and we go
down to salute the children of the king and the children of the queen. |
13 Vond Jehu de broederen van Ahazia, den koning van Juda, en hij
zeide: Wie zijt gijlieden? En zij zeiden: Wij zijn de broederen van
Ahazia, en zijn afgekomen, om de zonen des konings en de zonen der
koningin te groeten. |
|
2KN 10:14 En hij gebood: Grijpt hen levend. Toen grepen zij hen levend
en sloegen hen dood bij de put van Bet-Eked, tweeënveertig man; niemand
van hen liet hij over. |
14 And he said, Take them alive. And they took them alive, and slew
them at the pit of the shearing house, [even] two and forty men; neither
left he any of them. |
14 Toen zeide hij: Grijpt hen levend. En zij grepen hen levend; en zij
sloegen hen bij den bornput van Beth-Heked, twee en veertig mannen, en hij
liet niet een van hen over. |
|
2KN 10:15 Nadat hij vandaar verder was gegaan, trof hij Jonadab, de
zoon van Rekab aan, die hem tegemoet kwam; hij groette hem en vroeg hem:
Is uw hart mij even oprecht toegedaan als mijn hart u? Jonadab antwoordde:
Ja, gewis. (Toen zeide hij:) Indien het zo is, geef mij dan uw hand. En
hij gaf hem de hand. Hij liet hem bij zich op de wagen klimmen |
15 And when he was departed thence, he lighted on Jehonadab the son of
Rechab [coming] to meet him: and he saluted him, and said to him, Is thine
heart right, as my heart [is] with thy heart? And Jehonadab answered, It
is. If it be, give [me] thine hand. And he gave [him] his hand; and he
took him up to him into the chariot. |
15 En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jonadab, den zoon van Rechab,
hem tegemoet; die hem groette; en hij zeide tot hem: Is uw hart recht,
gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jonadab zeide: Het is, ja, het is;
geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op den wagen
klimmen. |
|
2KN 10:16 en zeide: Kom met mij mee, aanschouw mijn ijver voor de HERE.
Zo deden zij hem meerijden op zijn wagen. |
16 And he said, Come with me, and see my zeal for the LORD. So they
made him ride in his chariot. |
16 En hij zeide: Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor den HEERE. Zo
deden zij hem rijden op zijn wagen. |
|
2KN 10:17 Toen hij nu te Samaria gekomen was, liet hij allen die van
Achabs huis in Samaria overgebleven waren, doodslaan, totdat hij het had
uitgeroeid, volgens het woord, dat de HERE tot Elia gesproken had. |
17 And when he came to Samaria, he slew all that remained unto Ahab in
Samaria, till he had destroyed him, according to the saying of the LORD,
which he spake to Elijah. |
17 En toen hij te Samaria kwam, sloeg hij allen, die aan Achab te
Samaria overgebleven waren, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord
des HEEREN, dat Hij tot Elia gesproken had. |
|
2KN 10:18 Daarop vergaderde Jehu het gehele volk en zeide tot hen:
Achab heeft Baäl maar weinig gediend, Jehu zal hem meer dienen. |
18 And Jehu gathered all the people together, and said unto them, Ahab
served Baal a little; [but] Jehu shall serve him much. |
18 En Jehu verzamelde al het volk, en zeide tot hen: Achab heeft Baal
een weinig gediend; Jehu zal hem veel dienen. |
|
2KN 10:19 Roept dan nu alle profeten van Baäl, al zijn dienaren en al
zijn priesters tot mij, laat niemand gemist worden, want ik wil een groot
offerfeest voor Baäl aanrichten; niemand die gemist wordt, zal in leven
blijven. Maar Jehu deed dit met listige bedoeling om de dienaren van Baäl
uit te roeien. |
19 Now therefore call unto me all the prophets of Baal, all his
servants, and all his priests; let none be wanting: for I have a great
sacrifice [to do] to Baal; whosoever shall be wanting, he shall not live.
But Jehu did [it] in subtilty, to the intent that he might destroy the
worshippers of Baal. |
19 Nu daarom roept alle profeten van Baal, al zijn dienaren, en al zijn
priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote
offerande aan Baal; al wie gemist wordt, zal niet leven. Doch Jehu deed
dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baal ombracht. |
|
2KN 10:20 Jehu zeide: Bereidt een heilig feest voor ter ere van Baäl.
En zij riepen dat uit. |
20 And Jehu said, Proclaim a solemn assembly for Baal. And they
proclaimed [it]. |
20 Verder zeide Jehu: Heiligt Baal een verbods [dag]. en zij riepen
[dien] uit. |
|
2KN 10:21 Jehu zond boden door geheel Israël, en al de dienaren van
Baäl kwamen, niemand bleef weg. Zij kwamen naar de tempel van Baäl, en
de tempel van Baäl liep vol van het ene einde tot het andere. |
21 And Jehu sent through all Israel: and all the worshippers of Baal
came, so that there was not a man left that came not. And they came into
the house of Baal; and the house of Baal was full from one end to another. |
21 Ook zond Jehu in het ganse Israel; en alle Baalsdienaren kwamen, dat
niet een man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baal,
dat het huis van Baal vervuld werd van het ene einde tot het andere einde. |
|
2KN 10:22 Toen zeide hij tot de opziener van de kleedkamer: Haal voor
alle dienaren van Baäl gewaden te voorschijn. En hij haalde voor hen de
kleding te voorschijn. |
22 And he said unto him that [was] over the vestry, Bring forth
vestments for all the worshippers of Baal. And he brought them forth
vestments. |
22 Toen zeide hij tot dengene, die over het klederhuis was: Breng voor
alle dienaren van Baal de kleding uit. En hij bracht voor hen de kleding
uit. |
|
2KN 10:23 Daarna kwam Jehu met Jonadab, de zoon van Rekab, naar de
tempel van Baäl en zeide tot de dienaren van Baäl: Ziet nauwkeurig toe
en zorgt, dat hier onder u niemand zij van de dienaren des HEREN, maar
uitsluitend dienaren van Baäl. |
23 And Jehu went, and Jehonadab the son of Rechab, into the house of
Baal, and said unto the worshippers of Baal, Search, and look that there
be here with you none of the servants of the LORD, but the worshippers of
Baal only. |
23 En Jehu kwam met Jonadab, den zoon van Rechab, in het huis van Baal;
en hij zeide tot de dienaren van Baal: Onderzoekt, en ziet toe, dat hier
misschien bij u niemand zij van de dienaren van Baal alleen. |
|
2KN 10:24 Toen gingen zij naar binnen om slachtoffers en brandoffers te
brengen. Jehu nu had tachtig man buiten opgesteld, en had gezegd: Wie een
van de mannen die ik in uw handen lever, laat ontsnappen, zijn leven komt
in de plaats van diens leven. |
24 And when they went in to offer sacrifices and burnt offerings, Jehu
appointed fourscore men without, and said, [If] any of the men whom I have
brought into your hands escape, [he that letteth him go], his life [shall
be] for the life of him. |
24 Toen zij nu inkwamen, om slachtofferen en brandofferen te doen,
bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zeide: Zo iemand van
de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt, zijn ziel zal voor
deszelfs ziel zijn. |
|
2KN 10:25 Zodra hij gereed was met het brengen van het brandoffer,
zeide Jehu tot de garde en de hoofdlieden: Gaat naar binnen, slaat hen
neer, laat niemand ontkomen! Toen sloegen zij hen neer met de scherpte des
zwaards, en de garde en de hoofdlieden wierpen (de lijken) weg. Daarop
gingen zij weer naar de stadswijk van de tempel van Baäl. |
25 And it came to pass, as soon as he had made an end of offering the
burnt offering, that Jehu said to the guard and to the captains, Go in,
[and] slay them; let none come forth. And they smote them with the edge of
the sword; and the guard and the captains cast [them] out, and went to the
city of the house of Baal. |
25 En het geschiedde, als hij voleind had het brandoffer te doen, dat
Jehu zeide tot de trawanten en tot de hoofdmannen: Komt in, slaat hen, dat
niemand uitkome. En zij sloegen hen met de scherpte des zwaard; en de
trawanten en hoofdmannen wierpen hen weg; daarna kwamen zij tot de stad in
het huis van Baal; |
|
2KN 10:26 En zij brachten de gewijde stenen van de tempel van Baäl
naar buiten en verbrandden die. |
26 And they brought forth the images out of the house of Baal, and
burned them. |
26 En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baal, en
verbrandden ze. |
|
2KN 10:27 Voorts haalden zij de gewijde steen van Baäl omver en ook de
tempel van Baäl haalden zij omver en maakten er beerputten van, tot op de
huidige dag. |
27 And they brake down the image of Baal, and brake down the house of
Baal, and made it a draught house unto this day. |
27 Zij braken ook het opgerichte beeld van Baal af; daartoe braken zij
het huis van Baal af, en maakten dat tot heimelijke gemakken, tot op dezen
dag. |
|
2KN 10:28 Zo verdelgde Jehu Baäl uit Israël. |
28 Thus Jehu destroyed Baal out of Israel. |
28 Alzo verdelgde Jehu Baal uit Israel. |
|
2KN 10:29 Alleen week Jehu niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon
van Nebat, Israël had doen bedrijven: de gouden kalveren die in Betel en
in Dan waren. |
29 Howbeit [from] the sins of Jeroboam the son of Nebat, who made
Israel to sin, Jehu departed not from after them, [to wit], the golden
calves that [were] in Bethel, and that [were] in Dan. |
29 Maar van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel
zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, [te] [weten], van de
gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren. |
|
2KN 10:30 De HERE zeide tot Jehu: Omdat gij goed gehandeld hebt door te
doen wat recht is in mijn ogen en aan het huis van Achab gedaan hebt naar
alles wat in mijn hart was, zullen uw zonen tot in het vierde geslacht op
de troon van Israël zitten. |
30 And the LORD said unto Jehu, Because thou hast done well in
executing [that which is] right in mine eyes, [and] hast done unto the
house of Ahab according to all that [was] in mine heart, thy children of
the fourth [generation] shall sit on the throne of Israel. |
30 De HEERE dan zeide tot Jehu: Daarom dat gij welgedaan hebt, doende
wat recht is in Mijn ogen, [en] hebt aan het huis van Achab gedaan, naar
alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op den
troon van Israel zitten. |
|
2KN 10:31 Maar Jehu wandelde niet nauwgezet, met zijn gehele hart, naar
de wet van de HERE, de God van Israël; hij week niet af van de zonden die
Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven. |
31 But Jehu took no heed to walk in the law of the LORD God of Israel
with all his heart: for he departed not from the sins of Jeroboam, which
made Israel to sin. |
31 Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des HEEREN, des Gods
van Israel, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam,
die Israel zondigen deed. |
|
2KN 10:32 In die dagen begon de HERE Israël te besnoeien, want Hazaël
sloeg hen in het gehele gebied van Israël |
32 In those days the LORD began to cut Israel short: and Hazael smote
them in all the coasts of Israel; |
32 In die dagen begon de HEERE Israel af te korten, want Hazael sloeg
ze in alle landpalen van Israel: |
|
2KN 10:33 oostelijk van de Jordaan: het gehele land van Gilead, de
Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, van Aroër aan de beek Arnon,
zowel Gilead als Basan. |
33 From Jordan eastward, all the land of Gilead, the Gadites, and the
Reubenites, and the Manassites, from Aroer, which [is] by the river Arnon,
even Gilead and Bashan. |
33 Van de Jordaan af, tegen den opgang der zon, het ganse land van
Gilead, der Gadieten, en der Rubenieten, en der Manassieten; van Aroer,
dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan. |
|
2KN 10:34 Het overige van de geschiedenis van Jehu, alles wat hij
gedaan heeft en al zijn dappere daden, is dat niet beschreven in het boek
van de kronieken der koningen van Israël? |
34 Now the rest of the acts of Jehu, and all that he did, and all his
might, [are] they not written in the book of the chronicles of the kings
of Israel? |
34 Het overige nu der geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan
heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der
kronieken der koningen van Israel? |
|
2KN 10:35 Jehu ging bij zijn vaderen te ruste en men begroef hem in
Samaria; zijn zoon Joachaz werd koning in zijn plaats. |
35 And Jehu slept with his fathers: and they buried him in Samaria. And
Jehoahaz his son reigned in his stead. |
35 En Jehu ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria,
en zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats. |
|
2KN 10:36 De tijd nu, die Jehu over Israël te Samaria geregeerd heeft,
was achtentwintig jaar. |
36 And the time that Jehu reigned over Israel in Samaria [was] twenty
and eight years. |
36 En de dagen, die Jehu over Israel geregeerd heeft in Samaria, zijn
acht en twintig jaren. |
|
2KN 11:1 Toen Atalja, de moeder van Achazja, zag, dat haar zoon dood
was, maakte zij zich op en bracht het gehele koninklijke geslacht om. |
1 And when Athaliah the mother of Ahaziah saw that her son was dead,
she arose and destroyed all the seed royal. |
1 Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was,
zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om. |
|
2KN 11:2 Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram, de zuster van
Achazja, nam Joas, de zoon van Achazja, en bracht hem met zijn voedster
heimelijk weg uit de kring der prinsen die gedood werden, naar de
bergplaats voor de bedden; en zij verborgen hem voor Atalja, zodat hij
niet ter dood gebracht werd. |
2 But Jehosheba, the daughter of king Joram, sister of Ahaziah, took
Joash the son of Ahaziah, and stole him from among the king's sons [which
were] slain; and they hid him, [even] him and his nurse, in the bedchamber
from Athaliah, so that he was not slain. |
2 Maar Joseba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Ahazia,
nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings
zonen, die gedood werden, [zettende] hem en zijn voedster in een
slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd. |
|
2KN 11:3 Hij bleef zes jaar bij haar verborgen in het huis des HEREN,
terwijl Atalja over het land regeerde. |
3 And he was with her hid in the house of the LORD six years. And
Athaliah did reign over the land. |
3 En hij was met haar verstoken in het huis des HEEREN zes jaren; en
Athalia regeerde over het land. |
|
2KN 11:4 Maar in het zevende jaar ontbood Jojada de oversten over
honderd van de lijfwacht en van de garde; hij liet hen bij zich komen in
het huis des HEREN, sloot met hen een verbond en nam hun een eed af in het
huis des HEREN. Daarop toonde hij hun de zoon des konings. |
4 And the seventh year Jehoiada sent and fetched the rulers over
hundreds, with the captains and the guard, and brought them to him into
the house of the LORD, and made a covenant with them, and took an oath of
them in the house of the LORD, and shewed them the king's son. |
4 In het zevende jaar nu zond Jojada, en nam de oversten van honderd
met de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bracht hen tot zich, in
het huis des HEEREN; en hij maakte een verbond met hen, en hij beedigde
hen in het huis des HEEREN, en hij toonde hun den zoon des konings. |
|
2KN 11:5 En hij beval hun: Dit moet gij doen: het derde deel van u, dat
op de sabbat dienst moet doen en de wacht betrekt bij het koninklijk
paleis - |
5 And he commanded them, saying, This [is] the thing that ye shall do;
A third part of you that enter in on the sabbath shall even be keepers of
the watch of the king's house; |
5 En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die gij doen zult: een
derde deel van u, die op den sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van
het huis des konings; |
|
2KN 11:6 een ander derde deel staat bij de poort Sur en nog een derde
deel bij de poort achter de garde - dat moet bij de tempel de wacht houden
bij beurten. |
6 And a third part [shall be] at the gate of Sur; and a third part at
the gate behind the guard: so shall ye keep the watch of the house, that
it be not broken down. |
6 En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de
poort achter de trawanten; zo zult gij waarnemen de wacht van dit huis,
tegen inbreking. |
|
2KN 11:7 De twee afdelingen van u, allen die op de sabbat vrijaf
krijgen, moeten in het huis des HEREN de wacht houden, bij de koning; |
7 And two parts of all you that go forth on the sabbath, even they
shall keep the watch of the house of the LORD about the king. |
7 En de twee delen van ulieden, allen, die op den sabbat uitgaan,
zullen de wacht van het huis des HEEREN waarnemen bij den koning. |
|
2KN 11:8 gij moet u rondom de koning scharen, ieder met zijn wapens in
de hand, en wie tussen de gelederen komt, moet ter dood worden gebracht.
En blijft bij de koning, als hij naar buiten gaat of binnenkomt. |
8 And ye shall compass the king round about, every man with his weapons
in his hand: and he that cometh within the ranges, let him be slain: and
be ye with the king as he goeth out and as he cometh in. |
8 En gij zult den koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen
in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood
worden; en zijt gij bij den koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt. |
|
2KN 11:9 De oversten van honderd deden alles wat de priester Jojada
geboden had; ieder van hen nam zijn mannen die op de sabbat dienst moesten
doen, met hen die op de sabbat vrijaf kregen, en zij kwamen bij de
priester Jojada. |
9 And the captains over the hundreds did according to all [things] that
Jehoiada the priest commanded: and they took every man his men that were
to come in on the sabbath, with them that should go out on the sabbath,
and came to Jehoiada the priest. |
9 De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jojada
geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op den sabbat ingingen, met
degenen, die op den sabbat uitgingen; en zij kwamen tot den priester
Jojada. |
|
2KN 11:10 De priester gaf aan de oversten over honderd de speren en
schilden van koning David, die zich in het huis des HEREN bevonden. |
10 And to the captains over hundreds did the priest give king David's
spears and shields, that [were] in the temple of the LORD. |
10 En de priester gaf aan de oversten van honderd de spiesen en de
schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis des
HEEREN geweest waren. |
|
2KN 11:11 En de garde stelde zich op, ieder met zijn wapens in de hand,
van de rechtervleugel tot de linkervleugel van het huis, bij het altaar en
bij het huis - rondom de koning. |
11 And the guard stood, every man with his weapons in his hand, round
about the king, from the right corner of the temple to the left corner of
the temple, [along] by the altar and the temple. |
11 En de trawanten stonden, ieder met zijn wapenen in zijn hand, van de
rechterzijde van het huis, tot de linkerzijde van het huis, naar het
altaar en naar het huis toe, bij den koning rondom. |
|
2KN 11:12 Toen bracht hij de zoon des konings naar buiten, zette hem de
kroon op en gaf hem de Getuigenis. Zo maakten zij hem koning; zij zalfden
hem, klapten in de handen en riepen: Leve de koning! |
12 And he brought forth the king's son, and put the crown upon him, and
[gave him] the testimony; and they made him king, and anointed him; and
they clapped their hands, and said, God save the king. |
12 Daarna bracht hij des konings zoon voor, en zette hem de kroon op,
en [gaf] [hem] de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem;
daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve! |
|
2KN 11:13 Toen Atalja het geroep van de garde (en) van het volk hoorde,
ging zij naar het volk in het huis des HEREN, |
13 And when Athaliah heard the noise of the guard [and] of the people,
she came to the people into the temple of the LORD. |
13 Toen Athalia hoorde de stem der trawanten [en] des volks, zo kwam
zij tot het volk in het huis des HEEREN. |
|
2KN 11:14 en zag, zie, daar stond de koning bij de zuil, volgens het
gebruik, terwijl de oversten met de trompetten bij de koning waren; en al
het volk des lands verheugde zich en blies op trompetten. Toen verscheurde
Atalja haar klederen en riep: Verraad, verraad! |
14 And when she looked, behold, the king stood by a pillar, as the
manner [was], and the princes and the trumpeters by the king, and all the
people of the land rejoiced, and blew with trumpets: and Athaliah rent her
clothes, and cried, Treason, Treason. |
14 En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij den pilaar, naar de
wijze, en de oversten en de trompetten bij den koning; en al het volk des
lands was blijde, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar
klederen, en zij riep: Verraad, verraad! |
|
2KN 11:15 Maar de priester Jojada gebood de oversten over honderd, de
bevelhebbers van het leger, en zeide tot hen: Brengt haar tussen de
gelederen naar buiten en doodt met het zwaard al wie haar volgt. Want de
priester had gezegd: Zij mag niet ter dood gebracht worden in het huis des
HEREN. |
15 But Jehoiada the priest commanded the captains of the hundreds, the
officers of the host, and said unto them, Have her forth without the
ranges: and him that followeth her kill with the sword. For the priest had
said, Let her not be slain in the house of the LORD. |
15 Maar de priester Jojada gebood aan de oversten van honderd, die over
het heir gesteld waren, en zeide tot hen: Brengt haar uit tot buiten de
ordeningen, en doodt, wie haar volgt, met het zwaard; want de priester had
gezegd: Laat ze in het huis des HEEREN niet gedood worden. |
|
2KN 11:16 Daarop sloegen zij de handen aan haar; en toen zij door de
ingang voor de paarden bij het koninklijk paleis gekomen was, werd zij
daar ter dood gebracht. |
16 And they laid hands on her; and she went by the way by the which the
horses came into the king's house: and there was she slain. |
16 En zij legden de handen aan haar; en zij ging den weg van den ingang
der paarden naar het huis des konings, en zij werd daar gedood. |
|
2KN 11:17 Toen sloot Jojada het verbond tussen de HERE en de koning en
het volk, dat zij een volk des HEREN zouden zijn, alsmede tussen de koning
en het volk. |
17 And Jehoiada made a covenant between the LORD and the king and the
people, that they should be the LORD'S people; between the king also and
the people. |
17 En Jojada maakte een verbond tussen den HEERE en tussen den koning,
en tussen het volk, dat het den HEERE tot [een] volk zou zijn; mitsgaders
tussen de koning en tussen het volk. |
|
2KN 11:18 Het gehele volk des lands ging naar de tempel van Baäl en
zij haalden die omver, zijn altaren en zijn beelden verbrijzelden zij
volkomen en doodden Mattan, de priester van Baäl, vóór de altaren. En
de priester stelde wachtposten aan voor het huis des HEREN. |
18 And all the people of the land went into the house of Baal, and
brake it down; his altars and his images brake they in pieces thoroughly,
and slew Mattan the priest of Baal before the altars. And the priest
appointed officers over the house of the LORD. |
18 Daarna ging al het volk des lands in het huis van Baal, en braken
dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij recht wel; en Mattan,
den priester van Baal, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu
bestelde de ambten in het huis des HEEREN. |
|
2KN 11:19 Daarop nam hij met zich de oversten over honderd, de
lijfwacht, de garde en het gehele volk des lands; zij leidden de koning
uit het huis des HEREN en kwamen door de poort der garde in het koninklijk
paleis, en hij nam plaats op de koningstroon. |
19 And he took the rulers over hundreds, and the captains, and the
guard, and all the people of the land; and they brought down the king from
the house of the LORD, and came by the way of the gate of the guard to the
king's house. And he sat on the throne of the kings. |
19 En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de
trawanten, en al het volk des lands; en zij brachten den koning af uit het
huis des HEEREN, en kwamen door den weg van de poort der trawanten tot het
huis des konings, en hij zat op den troon der koningen. |
|
2KN 11:20 Het gehele volk des lands verheugde zich en de stad bleef
rustig, nadat zij Atalja met het zwaard ter dood gebracht hadden in het
koninklijk paleis. |
20 And all the people of the land rejoiced, and the city was in quiet:
and they slew Athaliah with the sword [beside] the king's house. |
20 En al het volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij
Athalia met het zwaard gedood hadden [bij] des konings huis. |
|
2KN 11:21 Joas was zeven jaar oud, toen hij koning werd. |
21 Seven years old [was] Jehoash when he began to reign. |
21 Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd. |
|
2KN 12:1 In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning en hij regeerde
veertig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Sibja; zij was uit Berseba. |
1 In the seventh year of Jehu Jehoash began to reign; and forty years
reigned he in Jerusalem. And his mother's name [was] Zibiah of Beersheba. |
1 In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig
jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-seba. |
|
2KN 12:2 Joas deed wat recht is in de ogen des HEREN, al de dagen, dat
de priester Jojada hem onderwees. |
2 And Jehoash did [that which was] right in the sight of the LORD all
his days wherein Jehoiada the priest instructed him. |
2 En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al zijn dagen, in
dewelke de priester Jojada hem onderwees. |
|
2KN 12:3 Alleen verdwenen de hoogten niet; nog steeds slachtte en
offerde het volk op de hoogten. |
3 But the high places were not taken away: the people still sacrificed
and burnt incense in the high places. |
3 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en
rookte nog op de hoogten. |
|
2KN 12:4 Joas gebood de priesters: Al wat onder de heilige gaven aan
geld in het huis des HEREN gebracht wordt, gangbaar geld, het hoofdgeld,
waarop ieder geschat is, (en) al het geld, dat ieder naar de drang zijns
harten in het huis des HEREN brengt, |
4 And Jehoash said to the priests, All the money of the dedicated
things that is brought into the house of the LORD, [even] the money of
every one that passeth [the account], the money that every man is set at,
[and] all the money that cometh into any man's heart to bring into the
house of the LORD, |
4 En Joas zeide tot de priesteren: Al het geld der geheiligde dingen,
dat gebracht zal worden in het huis des HEEREN, [te] [weten] het geld
desgenen, die overgaat [tot] [de] [getelden], het geld van een ieder der
personen [naar] zijn schatting, [en] al het geld, dat in ieders hart komt,
om [dat] te brengen in het huis des HEEREN, |
|
2KN 12:5 dat moeten de priesters in ontvangst nemen, ieder van zijn
bekenden; en zij moeten daarmede de bouwvallige gedeelten van het huis
herstellen, overal waar iets bouwvalligs gevonden wordt. |
5 Let the priests take [it] to them, every man of his acquaintance: and
let them repair the breaches of the house, wheresoever any breach shall be
found. |
5 Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en
zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor
breuk bevonden zal worden. |
|
2KN 12:6 Maar in het drieëntwintigste jaar van koning Joas hadden de
priesters de bouwvallige gedeelten van de tempel nog niet hersteld. |
6 But it was [so, that] in the three and twentieth year of king Jehoash
the priests had not repaired the breaches of the house. |
6 Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van den koning
Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden. |
|
2KN 12:7 Toen ontbood koning Joas de priester Jojada en de overige
priesters en zeide tot hen: Waarom herstelt gij de bouwvallige gedeelten
van de tempel niet? Nu dan, gij moogt van uw bekenden geen geld meer in
ontvangst nemen, maar gij moet het afleveren voor de bouwvallige gedeelten
van de tempel. |
7 Then king Jehoash called for Jehoiada the priest, and the [other]
priests, and said unto them, Why repair ye not the breaches of the house?
now therefore receive no [more] money of your acquaintance, but deliver it
for the breaches of the house. |
7 Toen riep de koning Joas den priester Jojada en de [andere]
priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van
het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat gij het zoudt geven
voor de breuken van het huis. |
|
2KN 12:8 En de priesters bewilligden erin, dat zij geen geld meer van
het volk zouden ontvangen, maar dat zij dan ook de bouwvallige gedeelten
van de tempel niet zouden behoeven te herstellen. |
8 And the priests consented to receive no [more] money of the people,
neither to repair the breaches of the house. |
8 En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de
breuken van het huis te verbeteren. |
|
2KN 12:9 Toen nam de priester Jojada een kist, boorde een gat in het
deksel en plaatste die naast het altaar, ter rechterzijde, wanneer men het
huis des HEREN binnenkomt; en daarin deden de priesters, de
dorpelwachters, al het geld dat in het huis des HEREN gebracht werd. |
9 But Jehoiada the priest took a chest, and bored a hole in the lid of
it, and set it beside the altar, on the right side as one cometh into the
house of the LORD: and the priests that kept the door put therein all the
money [that was] brought into the house of the LORD. |
9 Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar
deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in
het huis des HEEREN; en de priesters, die den dorpel bewaarden, staken
daarin al het geld, dat ten huize des HEEREN gebracht werd. |
|
2KN 12:10 Zodra zij gezien hadden, dat er veel geld in de kist was,
kwam de schrijver des konings met de hogepriester; zij pakten het geld dat
in het huis des HEREN gevonden werd, in buidels en telden het. |
10 And it was [so], when they saw that [there was] much money in the
chest, that the king's scribe and the high priest came up, and they put up
in bags, and told the money that was found in the house of the LORD. |
10 Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat
des konings schrijver met den hogepriester opkwam, en zij bonden het
samen, en telden het geld, dat in het huis des HEEREN gevonden werd. |
|
2KN 12:11 Dan stelden zij het afgewogen geld ter hand aan de opzichters
die over het huis des HEREN aangesteld waren, en dezen betaalden het uit
aan de timmerlieden en de bouwlieden die aan het huis des HEREN werkten, |
11 And they gave the money, being told, into the hands of them that did
the work, that had the oversight of the house of the LORD: and they laid
it out to the carpenters and builders, that wrought upon the house of the
LORD, |
11 En zij gaven het geld wel gewogen in handen der verzorgers van dat
werk, die gesteld waren over het huis des HEEREN; en zij besteedden het
uit aan de timmerlieden en aan de bouwlieden, die het huis des HEEREN
vermaakten; |
|
2KN 12:12 aan de metselaars en de steenhouwers; ook besteedden zij het
voor het aankopen van hout en gehouwen stenen, om te herstellen wat
bouwvallig was aan het huis des HEREN, en voor al wat uitgegeven werd tot
herstel van het huis. |
12 And to masons, and hewers of stone, and to buy timber and hewed
stone to repair the breaches of the house of the LORD, and for all that
was laid out for the house to repair [it]. |
12 En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen
stenen te kopen, om de breuken van het huis des HEEREN te verbeteren, en
voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om [dat] te beteren. |
|
2KN 12:13 Doch er werden voor het huis des HEREN geen zilveren schalen,
messen, sprengbekkens, trompetten, generlei gouden of zilveren voorwerpen
gemaakt van het geld dat in het huis des HEREN gebracht was. |
13 Howbeit there were not made for the house of the LORD bowls of
silver, snuffers, basons, trumpets, any vessels of gold, or vessels of
silver, of the money [that was] brought into the house of the LORD: |
13 Evenwel werden niet gemaakt voor het huis des HEEREN zilveren
schalen, gaffelen, sprengbekkens, trompetten, [noch] enig gouden vat, of
zilveren vat, van het geld, dat ten huize des HEEREN gebracht werd. |
|
2KN 12:14 Maar zij gaven dit aan de opzichters om daarmee het huis des
HEREN te herstellen, |
14 But they gave that to the workmen, and repaired therewith the house
of the LORD. |
14 Maar zij gaven dat aan degenen, die het werk deden; en zij
verbeterden daarmede het huis des HEEREN. |
|
2KN 12:15 en hielden geen afrekening met de mannen aan wie zij het geld
ter hand gesteld hadden om het aan de werklieden te geven; want zij
handelden in goed vertrouwen. |
15 Moreover they reckoned not with the men, into whose hand they
delivered the money to be bestowed on workmen: for they dealt faithfully. |
15 Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wien zij dat geld in
hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij
handelden trouwelijk. |
|
2KN 12:16 Maar het geld van schuldoffers en van zondoffers werd niet in
het huis des HEREN gebracht, doch dat was voor de priesters. |
16 The trespass money and sin money was not brought into the house of
the LORD: it was the priests'. |
16 Het geld van schuldoffer, en het geld van zondofferen werd ten huize
des HEEREN niet gebracht; het was voor de priesteren. |
|
2KN 12:17 Toen trok Hazaël, de koning van Aram, op, streed tegen Gat
en nam het in. Toen Hazaël aanstalten maakte om tegen Jeruzalem op te
trekken, |
17 Then Hazael king of Syria went up, and fought against Gath, and took
it: and Hazael set his face to go up to Jerusalem. |
17 Toen trok Hazael, de koning van Syrie op, en krijgde tegen Gath, en
nam haar in; daarna stelde Hazael zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op
te trekken. |
|
2KN 12:18 nam Joas, de koning van Juda, al de heilige gaven die
Josafat, Joram en Achazja, zijn vaderen, koningen van Juda, geheiligd
hadden, alsmede de door hem zelf geheiligde gaven en al het goud dat zich
in de schatkamers van het huis des HEREN en van het koninklijk paleis
bevond, en zond het aan Hazaël, de koning van Aram. Toen trok deze weg
van Jeruzalem. |
18 And Jehoash king of Judah took all the hallowed things that
Jehoshaphat, and Jehoram, and Ahaziah, his fathers, kings of Judah, had
dedicated, and his own hallowed things, and all the gold [that was] found
in the treasures of the house of the LORD, and in the king's house, and
sent [it] to Hazael king of Syria: and he went away from Jerusalem. |
18 Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die
Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaderen, de koningen van Juda,
geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden
werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings,
en zond het tot Hazael, den koning van Syrie; toen trok hij op van
Jeruzalem. |
|
2KN 12:19 Het overige van de geschiedenis van Joas en alles wat hij
gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der
koningen van Juda? |
19 And the rest of the acts of Joash, and all that he did, [are] they
not written in the book of the chronicles of the kings of Judah? |
19 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan
heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van
Juda? |
|
2KN 12:20 Zijn dienaren maakten zich op en smeedden een samenzwering;
zij sloegen Joas neer in Bet-Millo, dat op de helling naar Silla ligt. |
20 And his servants arose, and made a conspiracy, and slew Joash in the
house of Millo, which goeth down to Silla. |
20 En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen
Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla; |
|
2KN 12:21 Jozabad namelijk, de zoon van Simat, en Jozabad, de zoon van
Somer, zijn dienaren, sloegen hem neer, zodat hij stierf. En men begroef
hem bij zijn vaderen in de stad Davids; zijn zoon Amasja werd koning in
zijn plaats. |
21 For Jozachar the son of Shimeath, and Jehozabad the son of Shomer,
his servants, smote him, and he died; and they buried him with his fathers
in the city of David: and Amaziah his son reigned in his stead. |
21 Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer,
zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn
vaderen in de stad Davids; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn
plaats. |
|
2KN 13:1 In het drieëntwintigste jaar van Joas, de zoon van Achazja,
de koning van Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, koning over Israël te
Samaria; hij regeerde zeventien jaar. |
1 In the three and twentieth year of Joash the son of Ahaziah king of
Judah Jehoahaz the son of Jehu began to reign over Israel in Samaria, [and
reigned] seventeen years. |
1 In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den
koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te
Samaria, [en] [regeerde] zeventien jaren. |
|
2KN 13:2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN en volgde de zonden
na, die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven; daarvan
week hij niet af. |
2 And he did [that which was] evil in the sight of the LORD, and
followed the sins of Jeroboam the son of Nebat, which made Israel to sin;
he departed not therefrom. |
2 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na
de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed; hij
week daarvan niet af. |
|
2KN 13:3 Daarom ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël, en Hij gaf
hen in de macht van Hazaël, de koning van Aram, en in de macht van
Benhadad, de zoon van Hazaël, al die tijd. |
3 And the anger of the LORD was kindled against Israel, and he
delivered them into the hand of Hazael king of Syria, and into the hand of
Benhadad the son of Hazael, all [their] days. |
3 Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de
hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den
zoon van Hazael, al die dagen. |
|
2KN 13:4 Maar Joachaz zocht de gunst van de HERE, en de HERE hoorde
naar hem, want Hij had gezien hoe zwaar de koning van Aram Israël
verdrukte. |
4 And Jehoahaz besought the LORD, and the LORD hearkened unto him: for
he saw the oppression of Israel, because the king of Syria oppressed them. |
4 Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE
verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van
Syrie hen verdrukte. |
|
2KN 13:5 En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de
overheersing van Aram uit kwamen en de Israëlieten in hun tenten konden
wonen zoals tevoren. |
5 (And the LORD gave Israel a saviour, so that they went out from under
the hand of the Syrians: and the children of Israel dwelt in their tents,
as beforetime. |
5 (Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der
Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te
voren. |
|
2KN 13:6 Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van
Jerobeam, die hij Israël had doen bedrijven; daarmee gingen zij voort.
Ook bleef te Samaria de gewijde paal staan. |
6 Nevertheless they departed not from the sins of the house of
Jeroboam, who made Israel sin, [but] walked therein: and there remained
the grove also in Samaria.) |
6 Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam,
die Israel zondigen deed; [maar] hij wandelde daarin; en het bos bleef ook
staan te Samaria.) |
|
2KN 13:7 Waarlijk, hij had aan Joachaz geen krijgsvolk overgelaten dan
vijftig ruiters, tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk; want de
koning van Aram had hen te gronde gericht en hen gemaakt als stof bij het
dorsen. |
7 Neither did he leave of the people to Jehoahaz but fifty horsemen,
and ten chariots, and ten thousand footmen; for the king of Syria had
destroyed them, and had made them like the dust by threshing. |
7 Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren
en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had
hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof. |
|
2KN 13:8 Het overige van de geschiedenis van Joachaz en alles wat hij
gedaan heeft en zijn dappere daden, is dat niet beschreven in het boek van
de kronieken der koningen van Israël? |
8 Now the rest of the acts of Jehoahaz, and all that he did, and his
might, [are] they not written in the book of the chronicles of the kings
of Israel? |
8 Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan
heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der
kronieken der koningen van Israel? |
|
2KN 13:9 Joachaz ging bij zijn vaderen te ruste en men begroef hem in
Samaria; zijn zoon Joas werd koning in zijn plaats. |
9 And Jehoahaz slept with his fathers; and they buried him in Samaria:
and Joash his son reigned in his stead. |
9 En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria;
en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. |
|
2KN 13:10 In het zevenendertigste jaar van Joas, de koning van Juda,
werd Joas, de zoon van Joachaz, koning over Israël te Samaria; hij
regeerde zestien jaar. |
10 In the thirty and seventh year of Joash king of Judah began Jehoash
the son of Jehoahaz to reign over Israel in Samaria, [and reigned] sixteen
years. |
10 In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd
Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israel, te Samaria, [en] [regeerde]
zestien jaren. |
|
2KN 13:11 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN; hij week niet af
van al de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen
bedrijven; daarmee ging hij voort. |
11 And he did [that which was] evil in the sight of the LORD; he
departed not from all the sins of Jeroboam the son of Nebat, who made
Israel sin: [but] he walked therein. |
11 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af
van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen
deed, [maar] hij wandelde daarin. |
|
2KN 13:12 Het overige van de geschiedenis van Joas en alles wat hij
gedaan heeft en zijn dappere daden, hoe hij gestreden heeft tegen Amasja,
de koning van Juda, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken
der koningen van Israël? |
12 And the rest of the acts of Joash, and all that he did, and his
might wherewith he fought against Amaziah king of Judah, [are] they not
written in the book of the chronicles of the kings of Israel? |
12 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan
heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den
koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der
koningen van Israel? |
|
2KN 13:13 Nadat Joas bij zijn vaderen te ruste gegaan was, zette
Jerobeam zich op de troon. Joas werd begraven in Samaria bij de koningen
van Israël. |
13 And Joash slept with his fathers; and Jeroboam sat upon his throne:
and Joash was buried in Samaria with the kings of Israel. |
13 En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En
Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israel. |
|
2KN 13:14 Elisa lag ziek aan de ziekte, waaraan hij zou sterven. Joas,
de koning van Israël, kwam tot hem en weende over hem en zeide: Mijn
vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! |
14 Now Elisha was fallen sick of his sickness whereof he died. And
Joash the king of Israel came down unto him, and wept over his face, and
said, O my father, my father, the chariot of Israel, and the horsemen
thereof. |
14 Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij
stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had
geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen
Israels en zijn ruiteren! |
|
2KN 13:15 Elisa zeide tot hem: Haal boog en pijlen. En toen hij voor
hem boog en pijlen gehaald had, |
15 And Elisha said unto him, Take bow and arrows. And he took unto him
bow and arrows. |
15 En Elisa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich
een boog en pijlen. |
|
2KN 13:16 zeide hij tot de koning van Israël: Leg uw hand aan de boog.
En hij legde er zijn hand aan. Toen legde Elisa zijn handen op die van de
koning. |
16 And he said to the king of Israel, Put thine hand upon the bow. And
he put his hand [upon it]: and Elisha put his hands upon the king's hands. |
16 En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en
hij leide zijn hand [daaraan]; en Elisa leide zijn handen op des konings
handen. |
|
2KN 13:17 Daarna beval hij: Open het venster naar het oosten. En toen
hij het geopend had, zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. Toen zeide hij:
Een pijl der overwinning van de HERE, ja, een pijl der overwinning op
Aram. Gij zult Aram bij Afek tot vernietiging toe verslaan. |
17 And he said, Open the window eastward. And he opened [it]. Then
Elisha said, Shoot. And he shot. And he said, The arrow of the LORD'S
deliverance, and the arrow of deliverance from Syria: for thou shalt smite
the Syrians in Aphek, till thou have consumed [them]. |
17 En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het
open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een
pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de
Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe. |
|
2KN 13:18 Daarna zeide hij: Neem de pijlen. Toen hij ze genomen had,
zeide hij tot de koning van Israël: Sla op de grond. Hij sloeg driemaal
en hield toen op. |
18 And he said, Take the arrows. And he took [them]. And he said unto
the king of Israel, Smite upon the ground. And he smote thrice, and
stayed. |
18 Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot
den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna
stond hij stil. |
|
2KN 13:19 En de man Gods werd toornig op hem en zeide: Gij hadt vijf-
of zesmaal moeten slaan, dan hadt gij Aram verslagen tot vernietiging toe.
Maar nu zult gij Aram driemaal verslaan. |
19 And the man of God was wroth with him, and said, Thou shouldest have
smitten five or six times; then hadst thou smitten Syria till thou hadst
consumed [it]: whereas now thou shalt smite Syria [but] thrice. |
19 Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt
vijfmaal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriers tot verdoens
toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriers driemaal slaan. |
|
2KN 13:20 Daarna stierf Elisa en men begroef hem. Nu plachten de benden
van de Moabieten bij het aanbreken van het jaar in het land te komen. |
20 And Elisha died, and they buried him. And the bands of the Moabites
invaded the land at the coming in of the year. |
20 Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der
Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars. |
|
2KN 13:21 Terwijl men eens bezig was iemand te begraven, zie, daar
zagen zij een bende: toen wierpen zij de man in het graf van Elisa en
liepen weg. En toen de man met het gebeente van Elisa in aanraking kwam,
werd hij levend, en rees overeind op zijn voeten. |
21 And it came to pass, as they were burying a man, that, behold, they
spied a band [of men]; and they cast the man into the sepulchre of Elisha:
and when the man was let down, and touched the bones of Elisha, he
revived, and stood up on his feet. |
21 En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een
bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man
daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees
op zijn voeten. |
|
2KN 13:22 Hazaël, de koning van Aram, verdrukte Israël al de dagen
van Joachaz. |
22 But Hazael king of Syria oppressed Israel all the days of Jehoahaz. |
22 Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van
Joahaz. |
|
2KN 13:23 Maar de HERE was hun genadig, erbarmde Zich over hen, en
keerde Zich weer tot hen ter wille van zijn verbond met Abraham, Isaak en
Jakob; Hij wilde hen niet verdelgen en had hen nog niet van voor zijn
aangezicht verworpen. |
23 And the LORD was gracious unto them, and had compassion on them, and
had respect unto them, because of his covenant with Abraham, Isaac, and
Jacob, and would not destroy them, neither cast he them from his presence
as yet. |
23 Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde
Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij
wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht,
tot nu toe. |
|
2KN 13:24 Nadat Hazaël, de koning van Aram, gestorven was, werd zijn
zoon Benhadad koning in zijn plaats. |
24 So Hazael king of Syria died; and Benhadad his son reigned in his
stead. |
24 En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd
koning in zijn plaats. |
|
2KN 13:25 En Joas, de zoon van Joachaz, heroverde op Benhadad, de zoon
van Hazaël, de steden die deze op diens vader Joachaz in de oorlog
veroverd had; Joas versloeg hem driemaal en heroverde de steden van
Israël. |
25 And Jehoash the son of Jehoahaz took again out of the hand of
Benhadad the son of Hazael the cities, which he had taken out of the hand
of Jehoahaz his father by war. Three times did Joash beat him, and
recovered the cities of Israel. |
25 Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van
Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader,
met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan
Israel weder. |
|
2KN 14:1 In het tweede jaar van Joas, de zoon van Joachaz, de koning
van Israël, werd Amasja koning, de zoon van Joas, de koning van Juda. |
1 In the second year of Joash son of Jehoahaz king of Israel reigned
Amaziah the son of Joash king of Judah. |
1 In het tweede jaar van Joas, den zoon van Joahaz, den koning van
Israel, werd Amazia koning, de zoon van Joas, den koning van Juda. |
|
2KN 14:2 Hij was vijfentwintig jaar oud, toen hij koning werd; hij
regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Jehoaddan;
zij was uit Jeruzalem. |
2 He was twenty and five years old when he began to reign, and reigned
twenty and nine years in Jerusalem. And his mother's name [was] Jehoaddan
of Jerusalem. |
2 Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en regeerde
negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Joaddan
van Jeruzalem. |
|
2KN 14:3 En hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, echter niet
zoals zijn vader David; hij deed geheel zoals zijn vader Joas gedaan had: |
3 And he did [that which was] right in the sight of the LORD, yet not
like David his father: he did according to all things as Joash his father
did. |
3 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, nochtans niet als
zijn vader David; hij deed naar alles, wat zijn vader Joas gedaan had. |
|
2KN 14:4 de hoogten alleen verdwenen niet, nog steeds slachtte en
offerde het volk op de hoogten. |
4 Howbeit the high places were not taken away: as yet the people did
sacrifice and burnt incense on the high places. |
4 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en
rookt nog op de hoogten. |
|
2KN 14:5 Zodra hij het koningschap vast in handen had, doodde hij de
dienaren die zijn vader, de koning, hadden gedood. |
5 And it came to pass, as soon as the kingdom was confirmed in his
hand, that he slew his servants which had slain the king his father. |
5 Het geschiedde nu, als het koninkrijk in zijn hand versterkt was, dat
hij zijn knechten sloeg, die den koning, zijn vader, geslagen hadden, |
|
2KN 14:6 Maar de kinderen van de moordenaars bracht hij niet ter dood,
overeenkomstig hetgeen geschreven staat in het wetboek van Mozes, waar de
HERE geboden heeft: De vaders zullen niet om de kinderen ter dood gebracht
worden, ook zullen de kinderen niet om de vaders ter dood gebracht worden;
maar ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden. |
6 But the children of the murderers he slew not: according unto that
which is written in the book of the law of Moses, wherein the LORD
commanded, saying, The fathers shall not be put to death for the children,
nor the children be put to death for the fathers; but every man shall be
put to death for his own sin. |
6 Doch de kinderen der doodslagers doodde hij niet; gelijk geschreven
is in het wetboek van Mozes, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De
vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen
voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood
worden. |
|
2KN 14:7 Hij versloeg de Edomieten in het Zoutdal, tienduizend man; in
die strijd veroverde hij Sela en het kreeg van hem de naam Jokteël, tot
op de huidige dag. |
7 He slew of Edom in the valley of salt ten thousand, and took Selah by
war, and called the name of it Joktheel unto this day. |
7 Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in
met krijg, en noemde haar naam Jokteel, tot op dezen dag. |
|
2KN 14:8 Toen zond Amasja boden tot Joas, de zoon van Joachaz, de zoon
van Jehu, de koning van Israël, om te zeggen: Kom, laten wij ons met
elkander meten! |
8 Then Amaziah sent messengers to Jehoash, the son of Jehoahaz son of
Jehu, king of Israel, saying, Come, let us look one another in the face. |
8 Toen zond Amazia boden tot Joas, den zoon van Joahaz, den zoon van
Jehu, den koning van Israel, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht
zien. |
|
2KN 14:9 Maar Joas, de koning van Israël, zond aan Amasja, de koning
van Juda, dit antwoord: De distel op de Libanon zond tot de ceder op de
Libanon de uitnodiging: geef toch uw dochter aan mijn zoon tot vrouw. Maar
de dieren des velds op de Libanon kwamen voorbij en vertrapten de distel. |
9 And Jehoash the king of Israel sent to Amaziah king of Judah, saying,
The thistle that [was] in Lebanon sent to the cedar that [was] in Lebanon,
saying, Give thy daughter to my son to wife: and there passed by a wild
beast that [was] in Lebanon, and trode down the thistle. |
9 Maar Joas, de koning van Israel, zond tot Amazia, den koning van
Juda, zeggende: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die
op den Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het
gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad den
distel. |
|
2KN 14:10 Gij hebt Edom geheel verslagen; daardoor heeft uw hart u
overmoedig gemaakt. Behoud uw roem en blijf in uw huis. Waarom zoudt gij
het ongeluk uitdagen, zodat gij ten val komt, en Juda met u? |
10 Thou hast indeed smitten Edom, and thine heart hath lifted thee up:
glory [of this], and tarry at home: for why shouldest thou meddle to [thy]
hurt, that thou shouldest fall, [even] thou, and Judah with thee? |
10 Gij hebt de Edomieten dapper geslagen, daarom heeft uw hart u
verheven; heb de eer, en blijf in uw huis; want waarom zoudt gij u in het
kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u? |
|
2KN 14:11 Doch Amasja luisterde niet. Toen trok Joas, de koning van
Israël, op, en zij maten zich met elkander, hij en Amasja, de koning van
Juda, te Bet-Semes in Juda. |
11 But Amaziah would not hear. Therefore Jehoash king of Israel went
up; and he and Amaziah king of Judah looked one another in the face at
Bethshemesh, which [belongeth] to Judah. |
11 Doch Amazia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israel, op,
zodat hij en Amazia, de koning van Juda, elkanders aangezicht zagen te
Beth-Semes, dat in Juda is. |
|
2KN 14:12 En Juda werd door Israël verslagen en zij vluchtten allen
naar hun tenten. |
12 And Judah was put to the worse before Israel; and they fled every
man to their tents. |
12 En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israel, en zij vloden,
een iegelijk in zijn tenten. |
|
2KN 14:13 Joas nu, de koning van Israël, nam Amasja, de koning van
Juda, de zoon van Joas, de zoon van Achazja, te Bet-Semes gevangen. En hij
kwam naar Jeruzalem en brak de muur van Jeruzalem af, van de Efraïmpoort
tot de Hoekpoort, vierhonderd el. |
13 And Jehoash king of Israel took Amaziah king of Judah, the son of
Jehoash the son of Ahaziah, at Bethshemesh, and came to Jerusalem, and
brake down the wall of Jerusalem from the gate of Ephraim unto the corner
gate, four hundred cubits. |
13 En Joas, de koning van Israel, greep Amazia, den koning van Juda,
den zoon van Joas, den zoon van Ahazia, te Beth-Semes, en kwam te
Jeruzalem; en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraim
tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen. |
|
2KN 14:14 Daarop nam hij al het goud en zilver en al het gerei dat in
het huis des HEREN gevonden werd en in de schatkamers van het koninklijk
paleis, benevens gijzelaars, en keerde terug naar Samaria. |
14 And he took all the gold and silver, and all the vessels that were
found in the house of the LORD, and in the treasures of the king's house,
and hostages, and returned to Samaria. |
14 En hij nam al het goud, en het zilver, en al de vaten, die gevonden
werden in het huis des HEEREN, en in de schatten van des konings huis,
mitsgaders gijzelaars; en hij keerde weder naar Samaria. |
|
2KN 14:15 Het overige van de geschiedenis van Joas, wat hij gedaan
heeft en zijn dappere daden, en hoe hij gestreden heeft tegen Amasja, de
koning van Juda, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der
koningen van Israël? |
15 Now the rest of the acts of Jehoash which he did, and his might, and
how he fought with Amaziah king of Judah, [are] they not written in the
book of the chronicles of the kings of Israel? |
15 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft,
en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van
Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van
Israel? |
|
2KN 14:16 Joas ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in
Samaria bij de koningen van Israël; zijn zoon Jerobeam werd koning in
zijn plaats. |
16 And Jehoash slept with his fathers, and was buried in Samaria with
the kings of Israel; and Jeroboam his son reigned in his stead. |
16 En Joas ontsliep met zijn vaderen, en werd te Samaria begraven bij
de koningen van Israel; en zijn zoon Jerobeam werd koning in zijn plaats. |
|
2KN 14:17 Amasja, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na de
dood van Joas, de zoon van Joachaz, de koning van Israël, vijftien jaar. |
17 And Amaziah the son of Joash king of Judah lived after the death of
Jehoash son of Jehoahaz king of Israel fifteen years. |
17 Amazia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na den dood van
Joas, den zoon van Joahaz, den koning van Israel, vijftien jaren. |
|
2KN 14:18 Het overige van de geschiedenis van Amasja, is dat niet
beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Juda? |
18 And the rest of the acts of Amaziah, [are] they not written in the
book of the chronicles of the kings of Judah? |
18 Het overige nu der geschiedenissen van Amazia, is dat niet
geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? |
|
2KN 14:19 Men smeedde te Jeruzalem een samenzwering tegen hem en hij
vluchtte naar Lakis. Maar men liet hem achternazetten naar Lakis en daar
doden. |
19 Now they made a conspiracy against him in Jerusalem: and he fled to
Lachish; but they sent after him to Lachish, and slew him there. |
19 En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij
vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem
aldaar. |
|
2KN 14:20 Men legde hem op paarden, en hij werd te Jeruzalem begraven
bij zijn vaderen in de stad Davids. - |
20 And they brought him on horses: and he was buried at Jerusalem with
his fathers in the city of David. |
20 En zij brachten hem op paarden; en hij werd te Jeruzalem begraven,
bij zijn vaderen, in de stad Davids. |
|
2KN 14:21 Nu had het gehele volk van Juda Azarja, toen deze zestien
jaar oud was, genomen en koning gemaakt in de plaats van zijn vader
Amasja. |
21 And all the people of Judah took Azariah, which [was] sixteen years
old, and made him king instead of his father Amaziah. |
21 En het ganse volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud
was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia. |
|
2KN 14:22 Hij versterkte Elat en bracht het aan Juda terug, nadat de
koning bij zijn vaderen te ruste was gegaan. |
22 He built Elath, and restored it to Judah, after that the king slept
with his fathers. |
22 Die bouwde Elath, en bracht haar weder aan Juda, nadat de koning met
zijn vaderen ontslapen was. |
|
2KN 14:23 In het vijftiende jaar van Amasja, de zoon van Joas, de
koning van Juda, werd Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël,
koning te Samaria; hij regeerde eenenveertig jaar. |
23 In the fifteenth year of Amaziah the son of Joash king of Judah
Jeroboam the son of Joash king of Israel began to reign in Samaria, [and
reigned] forty and one years. |
23 In het vijftiende jaar van Amazia, den zoon van Joas, den koning van
Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van
Israel, [en] [regeerde] een en veertig jaren. |
|
2KN 14:24 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af
van al de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen
bedrijven. |
24 And he did [that which was] evil in the sight of the LORD: he
departed not from all the sins of Jeroboam the son of Nebat, who made
Israel to sin. |
24 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet van
alle zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed. |
|
2KN 14:25 Hij heroverde het gebied van Israël, van de weg naar Hamat
tot de zee der Vlakte, volgens het woord dat de HERE, de God van Israël,
gesproken had door zijn knecht, de profeet Jona, de zoon van Amittai, uit
Gat-Hachefer. |
25 He restored the coast of Israel from the entering of Hamath unto the
sea of the plain, according to the word of the LORD God of Israel, which
he spake by the hand of his servant Jonah, the son of Amittai, the
prophet, which [was] of Gathhepher. |
25 Hij bracht ook weder de landpale van Israel van den ingang van
Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord des HEEREN, des
Gods van Israel, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht
Jona, den zoon van Amitthai, den profeet, die van Gath-hefer was. |
|
2KN 14:26 Want de HERE had gezien, dat de ellende van Israël zeer
bitter was, dat het met hoog als met laag gedaan was en dat er geen helper
was voor Israël. |
26 For the LORD saw the affliction of Israel, [that it was] very
bitter: for [there was] not any shut up, nor any left, nor any helper for
Israel. |
26 Want de HEERE zag, dat de ellende van Israel zeer bitter was, en dat
er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israel geen helper had. |
|
2KN 14:27 Maar de HERE had niet gezegd, dat Hij de naam van Israël van
onder de hemel zou uitwissen; dus verloste Hij hen door Jerobeam, de zoon
van Joas. |
27 And the LORD said not that he would blot out the name of Israel from
under heaven: but he saved them by the hand of Jeroboam the son of Joash. |
27 En de HEERE had niet gesproken, dat Hij den naam van Israel van
onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van
Jerobeam, den zoon van Joas. |
|
2KN 14:28 Het overige van de geschiedenis van Jerobeam en al wat hij
gedaan heeft en zijn dappere daden, hoe hij gestreden heeft en hoe hij
Damascus en Hamat, (die eens behoord hadden) aan Juda, aan Israël
teruggebracht heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken
der koningen van Israël? |
28 Now the rest of the acts of Jeroboam, and all that he did, and his
might, how he warred, and how he recovered Damascus, and Hamath, [which
belonged] to Judah, for Israel, are they not written in the book of the
chronicles of the kings of Israel? |
28 Het overige nu der geschiedenissen van Jerobeam, en al wat hij
gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damaskus
en Hamath, tot Juda [behorende], aan Israel wedergebracht heeft, zijn die
niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel? |
|
2KN 14:29 Jerobeam ging bij zijn vaderen, de koningen van Israël, te
ruste en zijn zoon Zekarja werd koning in zijn plaats. |
29 And Jeroboam slept with his fathers, [even] with the kings of
Israel; and Zachariah his son reigned in his stead. |
29 En Jerobeam ontsliep met zijn vaderen, met de koningen van Israel;
en zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats. |
|
2KN 15:1 In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van
Israël, werd Azarja koning, de zoon van Amasja, de koning van Juda. |
1 In the twenty and seventh year of Jeroboam king of Israel began
Azariah son of Amaziah king of Judah to reign. |
1 In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel,
werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda. |
|
2KN 15:2 Hij was zestien jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde
tweeënvijftig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Jekolja; zij was uit
Jeruzalem. |
2 Sixteen years old was he when he began to reign, and he reigned two
and fifty years in Jerusalem. And his mother's name [was] Jecholiah of
Jerusalem. |
2 Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee
en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van
Jeruzalem. |
|
2KN 15:3 Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn
vader Amasja gedaan had. |
3 And he did [that which was] right in the sight of the LORD, according
to all that his father Amaziah had done; |
3 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn
vader Amazia gedaan had. |
|
2KN 15:4 Alleen verdwenen de hoogten niet; nog steeds slachtte en
offerde het volk op de hoogten. |
4 Save that the high places were not removed: the people sacrificed and
burnt incense still on the high places. |
4 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en
rookte nog op de hoogten. |
|
2KN 15:5 De HERE sloeg de koning, zodat hij melaats was tot de dag van
zijn dood, en hij woonde in een afgezonderd huis, terwijl Jotam, de zoon
des konings, het paleis beheerde en het volk des lands bestuurde. |
5 And the LORD smote the king, so that he was a leper unto the day of
his death, and dwelt in a several house. And Jotham the king's son [was]
over the house, judging the people of the land. |
5 En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag
zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon
des konings, was over het huis, richtende het volk des lands. |
|
2KN 15:6 Het overige van de geschiedenis van Azarja, en al wat hij
gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der
koningen van Juda? |
6 And the rest of the acts of Azariah, and all that he did, [are] they
not written in the book of the chronicles of the kings of Judah? |
6 Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan
heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van
Juda? |
|
2KN 15:7 Azarja ging bij zijn vaderen te ruste en men begroef hem bij
zijn vaderen in de stad Davids; zijn zoon Jotam werd koning in zijn
plaats. |
7 So Azariah slept with his fathers; and they buried him with his
fathers in the city of David: and Jotham his son reigned in his stead. |
7 En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn
vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn
plaats. |
|
2KN 15:8 In het achtendertigste jaar van Azarja, de koning van Juda,
werd Zekarja, de zoon van Jerobeam, koning over Israël te Samaria; hij
regeerde zes maanden. |
8 In the thirty and eighth year of Azariah king of Judah did Zachariah
the son of Jeroboam reign over Israel in Samaria six months. |
8 In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda,
regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes
maanden. |
|
2KN 15:9 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, zoals zijn vaderen
gedaan hadden; hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van
Nebat, Israël had doen bedrijven. |
9 And he did [that which was] evil in the sight of the LORD, as his
fathers had done: he departed not from the sins of Jeroboam the son of
Nebat, who made Israel to sin. |
9 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn
vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den
zoon van Nebat, die Israel zondigen deed. |
|
2KN 15:10 Sallum, de zoon van Jabes, smeedde een samenzwering tegen hem
en sloeg hem ten aanschouwen van het volk dood. En hij werd koning in zijn
plaats. |
10 And Shallum the son of Jabesh conspired against him, and smote him
before the people, and slew him, and reigned in his stead. |
10 En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en
sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats. |
|
2KN 15:11 Het overige van de geschiedenis van Zekarja, zie, het is
beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Israël. |
11 And the rest of the acts of Zachariah, behold, they [are] written in
the book of the chronicles of the kings of Israel. |
11 Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is
geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel. |
|
2KN 15:12 Aldus was immers het woord dat de HERE gesproken had tot
Jehu: Uw zonen zullen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël
zitten. En zo is het ook geschied. |
12 This [was] the word of the LORD which he spake unto Jehu, saying,
Thy sons shall sit on the throne of Israel unto the fourth [generation].
And so it came to pass. |
12 Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu,
zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel
zitten; en het is alzo geschied. |
|
2KN 15:13 Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het
negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda; hij regeerde een
volle maand te Samaria. |
13 Shallum the son of Jabesh began to reign in the nine and thirtieth
year of Uzziah king of Judah; and he reigned a full month in Samaria. |
13 Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste
jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te
Samaria. |
|
2KN 15:14 Toen trok Menachem, de zoon van Gadi, uit Tirsa op, kwam naar
Samaria en sloeg Sallum, de zoon van Jabes, te Samaria dood. En hij werd
koning in zijn plaats. |
14 For Menahem the son of Gadi went up from Tirzah, and came to
Samaria, and smote Shallum the son of Jabesh in Samaria, and slew him, and
reigned in his stead. |
14 Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te
Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem,
en werd koning in zijn plaats. |
|
2KN 15:15 Het overige van de geschiedenis van Sallum en de samenzwering
die hij gesmeed heeft, zie, zij zijn beschreven in het boek van de
kronieken der koningen van Israël. |
15 And the rest of the acts of Shallum, and his conspiracy which he
made, behold, they [are] written in the book of the chronicles of the
kings of Israel. |
15 Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis,
die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der
koningen van Israel. |
|
2KN 15:16 Toen sloeg Menachem Tifsach met allen die daarin waren, en
het daarbij behorend gebied, van Tirsa af, omdat het de poort niet had
geopend. Hij sloeg het, al de zwangere vrouwen daarin liet hij openrijten. |
16 Then Menahem smote Tiphsah, and all that [were] therein, and the
coasts thereof from Tirzah: because they opened not [to him], therefore he
smote [it; and] all the women therein that were with child he ripped up. |
16 Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar
landpalen van Thirza af; omdat men niet [voor] [hem] had opengedaan, zo
sloeg hij [hen]; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken. |
|
2KN 15:17 In het negenendertigste jaar van Azarja, de koning van Juda,
werd Menachem, de zoon van Gadi, koning over Israël; hij regeerde tien
jaar te Samaria. |
17 In the nine and thirtieth year of Azariah king of Judah began
Menahem the son of Gadi to reign over Israel, [and reigned] ten years in
Samaria. |
17 In het negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd
Menahem, den zoon van Gadi, koning over Israel, [en] [regeerde] tien jaren
te Samaria. |
|
2KN 15:18 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN; hij week al zijn
dagen niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had
doen bedrijven, |
18 And he did [that which was] evil in the sight of the LORD: he
departed not all his days from the sins of Jeroboam the son of Nebat, who
made Israel to sin. |
18 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn
dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel
zondigen deed. |
|
2KN 15:19 Pul, de koning van Assur, trok tegen het land op; Menachem
gaf Pul duizend talenten zilver, opdat deze hem zou bijstaan om het
koningschap in zijn hand te bevestigen. |
19 [And] Pul the king of Assyria came against the land: and Menahem
gave Pul a thousand talents of silver, that his hand might be with him to
confirm the kingdom in his hand. |
19 [Toen] kwam Pul, de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem
gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn,
om het koninkrijk in zijn hand te sterken. |
|
2KN 15:20 En Menachem hief dit geld van Israël, van alle vermogende
lieden, om het de koning van Assur te geven: vijftig sikkels zilver per
hoofd. Toen keerde de koning van Assur terug en bleef daar niet in het
land. |
20 And Menahem exacted the money of Israel, [even] of all the mighty
men of wealth, of each man fifty shekels of silver, to give to the king of
Assyria. So the king of Assyria turned back, and stayed not there in the
land. |
20 Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van
vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig
zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar
niet in het land. |
|
2KN 15:21 Het overige van de geschiedenis van Menachem en al wat hij
gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der
koningen van Israël? |
21 And the rest of the acts of Menahem, and all that he did, [are] they
not written in the book of the chronicles of the kings of Israel? |
21 Het overige nu der geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan
heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van
Israel? |
|
2KN 15:22 Menachem ging bij zijn vaderen te ruste, en zijn zoon
Pekachja werd koning in zijn plaats. |
22 And Menahem slept with his fathers; and Pekahiah his son reigned in
his stead. |
22 Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd
koning in zijn plaats. |
|
2KN 15:23 In het vijftigste jaar van Azarja, de koning van Juda, werd
Pekachja, de zoon van Menachem, koning over Israël te Samaria, en
regeerde twee jaar. |
23 In the fiftieth year of Azariah king of Judah Pekahiah the son of
Menahem began to reign over Israel in Samaria, [and reigned] two years. |
23 In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd
Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, [en] [regeerde] twee
jaren te Samaria. |
|
2KN 15:24 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af
van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven. |
24 And he did [that which was] evil in the sight of the LORD: he
departed not from the sins of Jeroboam the son of Nebat, who made Israel
to sin. |
24 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af
van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed. |
|
2KN 15:25 Zijn hoofdman Pekach, de zoon van Remaljahu, smeedde een
samenzwering tegen hem en sloeg hem dood te Samaria, in de burcht van het
koninklijk paleis, ook Argob en Arje, met de hulp van vijftig mannen uit
de Gileadieten; hij doodde hem en werd koning in zijn plaats. |
25 But Pekah the son of Remaliah, a captain of his, conspired against
him, and smote him in Samaria, in the palace of the king's house, with
Argob and Arieh, and with him fifty men of the Gileadites: and he killed
him, and reigned in his room. |
25 En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis
tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des
konings, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen
der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats. |
|
2KN 15:26 Het overige van de geschiedenis van Pekachja en al wat hij
gedaan heeft, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken der
koningen van Israël. |
26 And the rest of the acts of Pekahiah, and all that he did, behold,
they [are] written in the book of the chronicles of the kings of Israel. |
26 Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan
heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van
Israel. |
|
2KN 15:27 In het tweeënvijftigste jaar van Azarja, de koning van Juda,
werd Pekach, de zoon van Remaljahu, koning over Israël te Samaria; hij
regeerde twintig jaar. |
27 In the two and fiftieth year of Azariah king of Judah Pekah the son
of Remaliah began to reign over Israel in Samaria, [and reigned] twenty
years. |
27 In het twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd
Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israel, [en] [regeerde] twintig
jaren te Samaria. |
|
2KN 15:28 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af
van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven. |
28 And he did [that which was] evil in the sight of the LORD: he
departed not from the sins of Jeroboam the son of Nebat, who made Israel
to sin. |
28 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af
van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed. |
|
2KN 15:29 In de dagen van Pekach, de koning van Israël, kwam
Tiglatpileser, de koning van Assur, en veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maäka,
Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galila, het gehele land van Naftali; en
hij voerde de bevolking in ballingschap naar Assur. |
29 In the days of Pekah king of Israel came Tiglathpileser king of
Assyria, and took Ijon, and Abelbethmaachah, and Janoah, and Kedesh, and
Hazor, and Gilead, and Galilee, all the land of Naphtali, and carried them
captive to Assyria. |
29 In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de
koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en
Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en
hij voerde hen weg naar Assyrie. |
|
2KN 15:30 En Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen
Pekach, de zoon van Remaljahu; hij sloeg hem dood en werd koning in zijn
plaats in het twintigste jaar van Jotam, de zoon van Uzzia. |
30 And Hoshea the son of Elah made a conspiracy against Pekah the son
of Remaliah, and smote him, and slew him, and reigned in his stead, in the
twentieth year of Jotham the son of Uzziah. |
30 En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den
zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn
plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia. |
|
2KN 15:31 Het overige van de geschiedenis van Pekach en al wat hij
gedaan heeft, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken der
koningen van Israël. |
31 And the rest of the acts of Pekah, and all that he did, behold, they
[are] written in the book of the chronicles of the kings of Israel. |
31 Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan
heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van
Israel. |
|
2KN 15:32 In het tweede jaar van Pekach, de zoon van Remaljahu, de
koning van Israël, werd Jotam koning, de zoon van Uzzia, de koning van
Juda. |
32 In the second year of Pekah the son of Remaliah king of Israel began
Jotham the son of Uzziah king of Judah to reign. |
32 In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van
Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda. |
|
2KN 15:33 Hij was vijfentwintig jaar oud, toen hij koning werd; hij
regeerde zestien jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Jerusa; zij was de
dochter van Sadok. |
33 Five and twenty years old was he when he began to reign, and he
reigned sixteen years in Jerusalem. And his mother's name [was] Jerusha,
the daughter of Zadok. |
33 Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde
zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de
dochter van Zadok. |
|
2KN 15:34 Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn
vader Uzzia gedaan had. |
34 And he did [that which was] right in the sight of the LORD: he did
according to all that his father Uzziah had done. |
34 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat
zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij. |
|
2KN 15:35 Alleen verdwenen de hoogten niet; nog steeds slachtte en
offerde het volk op de hoogten. Hij bouwde de Bovenpoort van het huis des
HEREN. |
35 Howbeit the high places were not removed: the people sacrificed and
burned incense still in the high places. He built the higher gate of the
house of the LORD. |
35 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en
rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des
HEEREN. |
|
2KN 15:36 Het overige van de geschiedenis van Jotam en al wat hij
gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der
koningen van Juda? |
36 Now the rest of the acts of Jotham, and all that he did, [are] they
not written in the book of the chronicles of the kings of Judah? |
36 Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan
heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van
Juda? |
|
2KN 15:37 In die dagen begon de HERE Resin, de koning van Aram, en
Pekach, de zoon van Remaljahu, op Juda los te laten. |
37 In those days the LORD began to send against Judah Rezin the king of
Syria, and Pekah the son of Remaliah. |
37 In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van
Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia. |
|
2KN 15:38 Jotam ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij
zijn vaderen in de stad Davids; zijn zoon Achaz werd koning in zijn
plaats. |
38 And Jotham slept with his fathers, and was buried with his fathers
in the city of David his father: and Ahaz his son reigned in his stead. |
38 En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn
vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in
zijn plaats. |
|
2KN 16:1 In het zeventiende jaar van Pekach, de zoon van Remaljahu,
werd Achaz koning, de zoon van Jotam, de koning van Juda. |
1 In the seventeenth year of Pekah the son of Remaliah Ahaz the son of
Jotham king of Judah began to reign. |
1 In het zeventiende jaar van Pekah, den zoon van Remalia, werd Achaz
koning, de zoon van Jotham, den koning van Juda. |
|
2KN 16:2 Achaz was twintig jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde
zestien jaar te Jeruzalem. Hij deed niet wat recht is in de ogen van de
HERE, zijn God, zoals zijn vader David, |
2 Twenty years old [was] Ahaz when he began to reign, and reigned
sixteen years in Jerusalem, and did not [that which was] right in the
sight of the LORD his God, like David his father. |
2 Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde
zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des
HEEREN zijns Gods, als zijn vader David. |
|
2KN 16:3 maar hij wandelde in de weg der koningen van Israël. Ook deed
hij zijn zoon door het vuur gaan in overeenstemming met de gruwelen der
volken, die de HERE voor de Israëlieten had verdreven. |
3 But he walked in the way of the kings of Israel, yea, and made his
son to pass through the fire, according to the abominations of the
heathen, whom the LORD cast out from before the children of Israel. |
3 Want hij wandelde in den weg der koningen van Israel; ja, hij deed
ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen, die de
HEERE voor de kinderen Israels verdreven had. |
|
2KN 16:4 Hij slachtte en offerde op de hoogten, op de heuvels en onder
elke groene boom. |
4 And he sacrificed and burnt incense in the high places, and on the
hills, and under every green tree. |
4 Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder
alle groen geboomte. |
|
2KN 16:5 Toen trok Resin, de koning van Aram, met Pekach, de zoon van
Remaljahu, de koning van Israël, op ten strijde tegen Jeruzalem. En zij
belegerden Achaz, maar konden in de strijd de overhand niet behalen. |
5 Then Rezin king of Syria and Pekah son of Remaliah king of Israel
came up to Jerusalem to war: and they besieged Ahaz, but could not
overcome [him]. |
5 Toen toog Rezin, de koning van Syrie, op, met Pekah, den zoon van
Remalia, den koning van Israel, naar Jeruzalem ten strijde; en zij
belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden. |
|
2KN 16:6 Te dien tijde heroverde Resin, de koning van Aram, Elat voor
Aram en hij wierp de Judeeërs uit Elat; en de Edomieten kwamen naar Elat
en woonden daar tot op de huidige dag. |
6 At that time Rezin king of Syria recovered Elath to Syria, and drave
the Jews from Elath: and the Syrians came to Elath, and dwelt there unto
this day. |
6 Te dierzelfder tijd bracht Rezin, de koning van Syrie, Elath weder
aan Syrie, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriers kwamen te Elath, en
hebben daar gewoond tot op dezen dag. |
|
2KN 16:7 Toen zond Achaz boden naar Tiglatpileser, de koning van Assur,
om te zeggen: Ik ben uw knecht en uw zoon; trek op en verlos mij uit de
macht van de koning van Aram en uit de macht van de koning van Israël,
die tegen mij zijn opgetrokken. |
7 So Ahaz sent messengers to Tiglathpileser king of Assyria, saying, I
[am] thy servant and thy son: come up, and save me out of the hand of the
king of Syria, and out of the hand of the king of Israel, which rise up
against me. |
7 Achaz nu zond boden tot Tiglath-Pilezer, den koning van Assyrie,
zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand
van den koning van Syrie, en uit de hand van den koning van Israel, die
zich tegen mij opmaken. |
|
2KN 16:8 Achaz nam het zilver en het goud, dat zich bevond in het huis
des HEREN en in de schatkamers van het koninklijk paleis, en hij zond het
als een geschenk aan de koning van Assur. |
8 And Ahaz took the silver and gold that was found in the house of the
LORD, and in the treasures of the king's house, and sent [it for] a
present to the king of Assyria. |
8 En Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis des HEEREN, en
in de schatten van het huis des konings gevonden werd, en hij zond den
koning van Assyrie een geschenk. |
|
2KN 16:9 En de koning van Assur gaf hem gehoor; de koning van Assur
trok op tegen Damascus, nam het in en voerde de bevolking in ballingschap
weg naar Kir; en Resin bracht hij ter dood. |
9 And the king of Assyria hearkened unto him: for the king of Assyria
went up against Damascus, and took it, and carried [the people of] it
captive to Kir, and slew Rezin. |
9 Zo hoorde de koning van Assyrie naar hem; want de koning van Assyrie
toog op tegen Damaskus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar
Kir, en hij doodde Rezin. |
|
2KN 16:10 Daarop ging koning Achaz Tiglatpileser, de koning van Assur,
tegemoet naar Damascus. Toen hij het altaar dat te Damascus was, gezien
had, zond koning Achaz aan de priester Uria een tekening en een nauwkeurig
gelijkend model van het altaar. |
10 And king Ahaz went to Damascus to meet Tiglathpileser king of
Assyria, and saw an altar that [was] at Damascus: and king Ahaz sent to
Urijah the priest the fashion of the altar, and the pattern of it,
according to all the workmanship thereof. |
10 Toen toog de koning Achaz Tiglath-Pilezer, den koning van Assyrie,
tegemoet, naar Damaskus; en gezien hebbende een altaar, dat te Damaskus
was, zo zond de koning Achaz aan den priester Uria de gelijkenis van het
altaar, en zijn afbeelding, naar zijn ganse maaksel. |
|
2KN 16:11 En de priester Uria bouwde het altaar; geheel volgens de
opdracht van koning Achaz vanuit Damascus maakte de priester Uria het,
tegen dat koning Achaz uit Damascus zou terugkomen. |
11 And Urijah the priest built an altar according to all that king Ahaz
had sent from Damascus: so Urijah the priest made [it] against king Ahaz
came from Damascus. |
11 En Uria, de priester, bouwde een altaar, naar alles, wat de koning
Achaz van Damaskus ontboden had; alzo deed de priester Uria, tegen dat de
koning Achaz van Damaskus kwam. |
|
2KN 16:12 Toen de koning uit Damascus teruggekomen was, zag hij het
altaar. En de koning trad nader tot het altaar, besteeg het |
12 And when the king was come from Damascus, the king saw the altar:
and the king approached to the altar, and offered thereon. |
12 Als nu de koning van Damaskus gekomen was, zag de koning het altaar;
en de koning naderde tot het altaar, en offerde daarop. |
|
2KN 16:13 en ontstak zijn brandoffer en zijn spijsoffer, goot zijn
plengoffer uit en sprengde op het altaar het bloed van zijn vredeoffers. |
13 And he burnt his burnt offering and his meat offering, and poured
his drink offering, and sprinkled the blood of his peace offerings, upon
the altar. |
13 En hij stak zijn brandoffer aan, en zijn spijsoffer, en goot zijn
drankoffer en sprengde het bloed zijner dankofferen op dat altaar. |
|
2KN 16:14 Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEREN
stond, liet hij van de voorkant van het huis des HEREN, van de plaats
tussen het (nieuwe) altaar en het huis, verplaatsen en zetten aan de
noordzijde van dat altaar. |
14 And he brought also the brasen altar, which [was] before the LORD,
from the forefront of the house, from between the altar and the house of
the LORD, and put it on the north side of the altar. |
14 Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, dat
bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen [zijn] altaar, en
van tussen het huis des HEEREN, en hij zette het aan de zijde [zijns]
altaars noordwaarts. |
|
2KN 16:15 En koning Achaz gebood de priester Uria: Ontsteek op het
grote altaar het morgenbrandoffer en het avondspijsoffer, alsmede het
brandoffer en het spijsoffer des konings, voorts het brandoffer, het
spijsoffer en de plengoffers van het gehele volk des lands; ook zult gij
al het bloed van brandoffer en slachtoffer daarop sprengen. Maar het
koperen altaar zal mij tot onderzoek dienen. |
15 And king Ahaz commanded Urijah the priest, saying, Upon the great
altar burn the morning burnt offering, and the evening meat offering, and
the king's burnt sacrifice, and his meat offering, with the burnt offering
of all the people of the land, and their meat offering, and their drink
offerings; and sprinkle upon it all the blood of the burnt offering, and
all the blood of the sacrifice: and the brasen altar shall be for me to
enquire [by]. |
15 En de koning Achaz gebood Uria, den priester, zeggende: Steek op het
grote altaar aan het morgenbrandoffer, en het avondspijsoffer, en des
konings brandoffer, en zijn spijsoffer, en het brandoffer van al het volk
des lands, en hun spijsoffer, en hun drankofferen; en spreng daarop al het
bloed des brandoffers, en al het bloed des slachtoffer; maar het koperen
altaar zal mij zijn, om te onderzoeken. |
|
2KN 16:16 En de priester Uria deed geheel zoals koning Achaz geboden
had. |
16 Thus did Urijah the priest, according to all that king Ahaz
commanded. |
16 En Uria, de priester, deed naar alles, wat de koning Achaz geboden
had. |
|
2KN 16:17 En koning Achaz sneed de sluitplaten der onderstellen weg, en
nam de bekkens eraf, hij lichtte de zee af van de koperen runderen die
haar droegen, en zette haar op een stenen plaveisel. |
17 And king Ahaz cut off the borders of the bases, and removed the
laver from off them; and took down the sea from off the brasen oxen that
[were] under it, and put it upon a pavement of stones. |
17 En de koning Achaz sneed de lijsten der stellingen af, en nam die
van boven het wasvat weg, en deed de zee af van de koperen runderen, die
daaronder waren; en hij zette die op een stenen vloer. |
|
2KN 16:18 Voorts liet hij aan het huis des HEREN de sabbatsgalerij, die
men aan het huis gebouwd had, alsook de buitenste ingang voor de koning
verplaatsen, ter wille van de koning van Assur. |
18 And the covert for the sabbath that they had built in the house, and
the king's entry without, turned he from the house of the LORD for the
king of Assyria. |
18 Daartoe het deksel des sabbats, dat zij in het huis gebouwd hadden,
en den buitensten ingang des konings nam hij weg van het huis des HEEREN,
vanwege den koning van Assyrie. |
|
2KN 16:19 Het overige van de geschiedenis van Achaz, wat hij gedaan
heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen
van Juda? |
19 Now the rest of the acts of Ahaz which he did, [are] they not
written in the book of the chronicles of the kings of Judah? |
19 Het overige nu der geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan heeft,
is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? |
|
2KN 16:20 Achaz ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij
zijn vaderen in de stad Davids; zijn zoon Hizkia werd koning in zijn
plaats. |
20 And Ahaz slept with his fathers, and was buried with his fathers in
the city of David: and Hezekiah his son reigned in his stead. |
20 En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn
vaderen, in de stad Davids; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn
plaats. |
|
2KN 17:1 In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd
Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria; hij regeerde negen
jaar. |
1 In the twelfth year of Ahaz king of Judah began Hoshea the son of
Elah to reign in Samaria over Israel nine years. |
1 In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hosea, de
zoon van Ela, koning over Israel te Samaria, [en] [regeerde] negen jaren. |
|
2KN 17:2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, echter niet zoals
de koningen van Israël die vóór hem geweest waren. |
2 And he did [that which was] evil in the sight of the LORD, but not as
the kings of Israel that were before him. |
2 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de
koningen van Israel, die voor hem geweest waren. |
|
2KN 17:3 Tegen hem trok Salmanassar, de koning van Assur, op; en Hosea
onderwierp zich aan hem en betaalde hem schatting. |
3 Against him came up Shalmaneser king of Assyria; and Hoshea became
his servant, and gave him presents. |
3 Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrie; en Hosea werd zijn
knecht, dat hij hem een geschenk gaf. |
|
2KN 17:4 Maar toen de koning van Assur een samenzwering bij Hosea
ontdekte, dat hij gezanten naar So, de koning van Egypte, gezonden had en
aan de koning van Assur geen schatting meer opbracht, zoals van jaar tot
jaar, nam de koning van Assur hem gevangen en sloot hem in boeien in de
gevangenis. |
4 And the king of Assyria found conspiracy in Hoshea: for he had sent
messengers to So king of Egypt, and brought no present to the king of
Assyria, as [he had done] year by year: therefore the king of Assyria shut
him up, and bound him in prison. |
4 Maar de koning van Assyrie bevond een verbintenis in Hosea, dat hij
tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den
koning van Assyrie niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo
besloot hem de koning van Assyrie, en bond hem in het gevangenhuis. |
|
2KN 17:5 De koning van Assur trok door het gehele land, rukte op naar
Samaria en belegerde het drie jaar. |
5 Then the king of Assyria came up throughout all the land, and went up
to Samaria, and besieged it three years. |
5 Want de koning van Assyrie toog op in het ganse land; ja, hij kwam op
naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren. |
|
2KN 17:6 In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria
in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in
Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden. |
6 In the ninth year of Hoshea the king of Assyria took Samaria, and
carried Israel away into Assyria, and placed them in Halah and in Habor
[by] the river of Gozan, and in the cities of the Medes. |
6 In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrie Samaria in,
en voerde Israel weg in Assyrie, en deed ze wonen in Halah, en in Habor,
aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden. |
|
2KN 17:7 Dit nu is geschied, omdat de Israëlieten gezondigd hadden
tegen de HERE, hun God, die hen uit het land Egypte geleid had, uit de
macht van Farao, de koning van Egypte, en omdat zij andere goden hadden
vereerd |
7 For [so] it was, that the children of Israel had sinned against the
LORD their God, which had brought them up out of the land of Egypt, from
under the hand of Pharaoh king of Egypt, and had feared other gods, |
7 Want het was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen
den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de
hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd; |
|
2KN 17:8 en gewandeld hadden naar de inzettingen der volken die de HERE
voor het aangezicht van Israël verdreven had en naar die, welke de
koningen van Israël hadden ingesteld. |
8 And walked in the statutes of the heathen, whom the LORD cast out
from before the children of Israel, and of the kings of Israel, which they
had made. |
8 En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor
het aangezicht der kinderen Israels verdreven had, en der koningen van
Israel, die ze gemaakt hadden. |
|
2KN 17:9 De Israëlieten hadden bedacht wat tegenover de HERE, hun God,
niet recht was: zij hadden zich offerhoogten gebouwd in al hun steden, van
de wachttoren af tot de versterkte stad toe; |
9 And the children of Israel did secretly [those] things that [were]
not right against the LORD their God, and they built them high places in
all their cities, from the tower of the watchmen to the fenced city. |
9 En de kinderen Israels hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen
den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun
steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe. |
|
2KN 17:10 en zij hadden zich gewijde stenen opgericht en gewijde palen
op elke hoge heuvel en onder elke groene boom. |
10 And they set them up images and groves in every high hill, and under
every green tree: |
10 En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen
hogen heuvel en onder alle groen geboomte. |
|
2KN 17:11 Daar, op alle hoogten, hadden zij offers gebracht, evenals de
volken die de HERE voor hun aangezicht had weggevoerd; zij hadden slechte
dingen gedaan en daardoor de HERE gekrenkt; |
11 And there they burnt incense in all the high places, as [did] the
heathen whom the LORD carried away before them; and wrought wicked things
to provoke the LORD to anger: |
11 En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die
de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen
gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken. |
|
2KN 17:12 zij hadden afgodendienst bedreven, waarvan de HERE tot hen
gezegd had: Zo iets zult gij niet doen. |
12 For they served idols, whereof the LORD had said unto them, Ye shall
not do this thing. |
12 En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd
had: Gij zult deze zaak niet doen. |
|
2KN 17:13 De HERE had Israël en Juda gewaarschuwd door alle profeten,
alle zieners: Bekeert u van uw boze wegen en onderhoudt mijn geboden en
inzettingen, volgens de gehele wet die Ik uw vaderen heb geboden, en door
mijn knechten, de profeten, u heb doen overbrengen. |
13 Yet the LORD testified against Israel, and against Judah, by all the
prophets, [and by] all the seers, saying, Turn ye from your evil ways, and
keep my commandments [and] my statutes, according to all the law which I
commanded your fathers, and which I sent to you by my servants the
prophets. |
13 Als nu de HEERE tegen Israel en tegen Juda, door den dienst van alle
profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze
wegen en houdt Mijn geboden, [en] Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik
uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de
profeten, gezonden heb; |
|
2KN 17:14 Maar zij hadden niet geluisterd doch zich even hardnekkig
betoond als hun vaderen, die niet vertrouwd hadden op de HERE, hun God. |
14 Notwithstanding they would not hear, but hardened their necks, like
to the neck of their fathers, that did not believe in the LORD their God. |
14 Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek
hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd
hadden. |
|
2KN 17:15 Zij hadden zijn inzettingen veracht en zijn verbond, dat Hij
met hun vaderen gesloten had, alsook zijn vermaningen, die Hij tot hen
gericht had; zij hadden achter de ijdelheden aan gelopen, zodat zij tot
ijdelheid werden, en achter de volken aan, die rondom hen woonden,
ofschoon de HERE hun geboden had niet te doen zoals deze. |
15 And they rejected his statutes, and his covenant that he made with
their fathers, and his testimonies which he testified against them; and
they followed vanity, and became vain, and went after the heathen that
[were] round about them, [concerning] whom the LORD had charged them, that
they should not do like them. |
15 Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij
met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen
betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter
de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had,
dat zij niet zouden doen gelijk die. |
|
2KN 17:16 Zij hadden al de geboden van de HERE, hun God, verlaten en
zich gegoten beelden gemaakt, twee kalveren; ook hadden zij gewijde palen
gemaakt, en zich neergebogen voor het gehele heer des hemels en de Baäl
gediend. |
16 And they left all the commandments of the LORD their God, and made
them molten images, [even] two calves, and made a grove, and worshipped
all the host of heaven, and served Baal. |
16 Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten
zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor
alle heir des hemels, en dienden Baal. |
|
2KN 17:17 Voorts hadden zij hun zonen en dochters door het vuur doen
gaan, waarzeggerij en wichelarij gepleegd en zich verkocht om te doen wat
kwaad is in de ogen des HEREN en Hem daardoor te krenken. |
17 And they caused their sons and their daughters to pass through the
fire, and used divination and enchantments, and sold themselves to do evil
in the sight of the LORD, to provoke him to anger. |
17 Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en
gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten
zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te
verwekken. |
|
2KN 17:18 Daarom was de HERE zeer vertoornd geworden op Israël en had
hen van voor zijn aangezicht verwijderd: niets bleef er over dan alleen de
stam van Juda. |
18 Therefore the LORD was very angry with Israel, and removed them out
of his sight: there was none left but the tribe of Judah only. |
18 Daarom vertoornde zich de HEERE zeer over Israel, dat Hij hen
wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda
alleen. |
|
2KN 17:19 Ook Juda heeft de geboden van de HERE, zijn God, niet
onderhouden, maar gewandeld naar de inzettingen die Israël had ingesteld. |
19 Also Judah kept not the commandments of the LORD their God, but
walked in the statutes of Israel which they made. |
19 Zelfs hield Juda de geboden des HEEREN, huns Gods, niet; maar zij
wandelden in de inzettingen van Israel, die zij gemaakt hadden. |
|
2KN 17:20 Daarom verwierp de HERE het gehele geslacht van Israël. Hij
vernederde hen en gaf hen over in de macht van plunderaars, totdat Hij hen
van zijn aangezicht had weggeworpen. |
20 And the LORD rejected all the seed of Israel, and afflicted them,
and delivered them into the hand of spoilers, until he had cast them out
of his sight. |
20 Zo verwierp de HEERE het ganse zaad van Israel, en bedrukte hen, en
gaf ze in de hand der rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht
weggeworpen had. |
|
2KN 17:21 Toen Hij Israël losgescheurd had van het huis van David, en
zij Jerobeam, de zoon van Nebat, tot koning hadden gemaakt, had Jerobeam
Israël van de HERE afgetrokken en hen grote zonde doen bedrijven, |
21 For he rent Israel from the house of David; and they made Jeroboam
the son of Nebat king: and Jeroboam drave Israel from following the LORD,
and made them sin a great sin. |
21 Want Hij scheurde Israel van het huis van David af, en zij maakten
Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israel af van
achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen. |
|
2KN 17:22 zodat de Israëlieten wandelden in al de zonden die Jerobeam
begaan had; zij weken daarvan niet af, |
22 For the children of Israel walked in all the sins of Jeroboam which
he did; they departed not from them; |
22 Alzo wandelden de kinderen Israels in alle zonden van Jerobeam die
hij gedaan had; zij weken daarvan niet af; |
|
2KN 17:23 totdat de HERE Israël van voor zijn aangezicht verwijderde,
zoals Hij gesproken had door al zijn knechten, de profeten. En Israël
werd uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur, tot op de
huidige dag. |
23 Until the LORD removed Israel out of his sight, as he had said by
all his servants the prophets. So was Israel carried away out of their own
land to Assyria unto this day. |
23 Totdat de HEERE Israel van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij
gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd
Israel weggevoerd uit zijn land naar Assyrie, tot op dezen dag. |
|
2KN 17:24 De koning van Assur bracht mensen uit Babel, Kuta, Awwa,
Hamat en Sefarwaïm en deed hen wonen in de steden van Samaria in plaats
van de Israëlieten. Zij namen Samaria in bezit en vestigden zich in de
steden daarvan. |
24 And the king of Assyria brought [men] from Babylon, and from Cuthah,
and from Ava, and from Hamath, and from Sepharvaim, and placed [them] in
the cities of Samaria instead of the children of Israel: and they
possessed Samaria, and dwelt in the cities thereof. |
24 De koning nu van Assyrie bracht [volk] van Babel, en van Chuta, en
van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van
Samaria, in de plaats der kinderen Israels; en zij namen Samaria erfelijk
in, en woonden in haar steden. |
|
2KN 17:25 In de eerste tijd nu, dat zij daar woonden, vereerden zij de
HERE niet; daarom zond de HERE leeuwen onder hen, die sommigen van hen
doodden. |
25 And [so] it was at the beginning of their dwelling there, [that]
they feared not the LORD: therefore the LORD sent lions among them, which
slew [some] of them. |
25 En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den
HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die [enigen] van
hen doodden. |
|
2KN 17:26 Toen zeide men tot de koning van Assur: De volken die gij
hebt weggevoerd en in de steden van Samaria hebt doen wonen, kennen de
juiste dienst van de God des lands niet; daarom heeft Hij leeuwen onder
hen gezonden en zie, deze doden hen, omdat zij de juiste dienst van de God
des lands niet kennen. |
26 Wherefore they spake to the king of Assyria, saying, The nations
which thou hast removed, and placed in the cities of Samaria, know not the
manner of the God of the land: therefore he hath sent lions among them,
and, behold, they slay them, because they know not the manner of the God
of the land. |
26 Daarom spraken zij tot den koning van Assyrie, zeggende: De volken,
die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten
de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen
gezonden, en ziet, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods
van het land. |
|
2KN 17:27 Toen gebood de koning van Assur: Brengt daarheen één van de
priesters die gij vandaar hebt weggevoerd, om daar te gaan wonen; hij moet
hun de juiste dienst van de God des lands leren. |
27 Then the king of Assyria commanded, saying, Carry thither one of the
priests whom ye brought from thence; and let them go and dwell there, and
let him teach them the manner of the God of the land. |
27 Toen gebood de koning van Assyrie, zeggende: Brengt een der
priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij
henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van
het land. |
|
2KN 17:28 Toen kwam één van de priesters die men uit Samaria
weggevoerd had; deze ging te Betel wonen en leerde hun, hoe zij de HERE
moesten vereren. |
28 Then one of the priests whom they had carried away from Samaria came
and dwelt in Bethel, and taught them how they should fear the LORD. |
28 Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd
hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen
zouden. |
|
2KN 17:29 Daarnaast maakte elk volk zijn eigen goden, en zij plaatsten
die in de tempels op de hoogten, welke de Samaritanen hadden gebouwd, elk
volk voor zich, in de steden waar zij woonden: |
29 Howbeit every nation made gods of their own, and put [them] in the
houses of the high places which the Samaritans had made, every nation in
their cities wherein they dwelt. |
29 Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der
hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin
zij woonachtig waren. |
|
2KN 17:30 de mensen van Babel maakten (een beeld van) Sukkot-Benot, de
mensen uit Kuta van Nergal, de mensen uit Hamat van Asima, |
30 And the men of Babylon made Succothbenoth, and the men of Cuth made
Nergal, and the men of Hamath made Ashima, |
30 Want de lieden van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de lieden van
Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima, |
|
2KN 17:31 en de Awwieten van Nibchaz en Tartak. De Sefarwieten
verbrandden hun kinderen voor Adrammelek en Anammelek, de goden van
Sefarwaïm. |
31 And the Avites made Nibhaz and Tartak, and the Sepharvites burnt
their children in fire to Adrammelech and Anammelech, the gods of
Sepharvaim. |
31 En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten
verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van
Sefarvaim, met vuur. |
|
2KN 17:32 Daarnaast vereerden zij de HERE en stelden uit alle kringen
priesters voor de hoogten aan, die voor hen dienst deden in de tempels op
de hoogten. |
32 So they feared the LORD, and made unto themselves of the lowest of
them priests of the high places, which sacrificed for them in the houses
of the high places. |
32 Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten
priesteren der hoogten, dewelke voor hen [dienst] deden in de huizen der
hoogten. |
|
2KN 17:33 Zij vereerden de HERE, maar bleven ook hun goden dienen naar
de gewoonte van de volken waaruit men hen had weggevoerd. |
33 They feared the LORD, and served their own gods, after the manner of
the nations whom they carried away from thence. |
33 Zij vreesden den HEERE, en dienden [ook] hun goden, naar de wijze
der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden. |
|
2KN 17:34 Tot op de huidige dag doen zij naar de vroegere gewoonten.
Zij vereren de HERE niet, en doen niet naar de inzettingen en
verordeningen, naar de wet en het gebod, welke de HERE geboden had aan de
zonen van Jakob, aan wie Hij de naam Israël had gegeven. |
34 Unto this day they do after the former manners: they fear not the
LORD, neither do they after their statutes, or after their ordinances, or
after the law and commandment which the LORD commanded the children of
Jacob, whom he named Israel; |
34 Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den
HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en
naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen
van Jakob, dien Hij den naam Israel gaf. |
|
2KN 17:35 Met hen toch had de HERE een verbond gesloten en hun geboden:
Gij moogt geen andere goden vereren, u voor hen niet nederbuigen, noch hen
dienen of aan hen offeren. |
35 With whom the LORD had made a covenant, and charged them, saying, Ye
shall not fear other gods, nor bow yourselves to them, nor serve them, nor
sacrifice to them: |
35 Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt, en had hun
geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen
nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen. |
|
2KN 17:36 Maar de HERE, die u uit het land Egypte heeft gevoerd, met
grote kracht en met uitgestrekte arm, Hem moet gij vereren, voor Hem u
nederbuigen en aan Hem offeren; |
36 But the LORD, who brought you up out of the land of Egypt with great
power and a stretched out arm, him shall ye fear, and him shall ye
worship, and to him shall ye do sacrifice. |
36 Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een
uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult
gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen; |
|
2KN 17:37 en de inzettingen, de verordeningen, de wet en het gebod, die
Hij u heeft voorgeschreven, zult gij te allen tijde naarstig onderhouden.
Gij zult geen andere goden vereren, |
37 And the statutes, and the ordinances, and the law, and the
commandment, which he wrote for you, ye shall observe to do for evermore;
and ye shall not fear other gods. |
37 En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u
geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dag; en gij zult
andere goden niet vrezen. |
|
2KN 17:38 gij moogt het verbond niet vergeten, dat Ik met u gesloten
heb: gij zult geen andere goden vereren; |
38 And the covenant that I have made with you ye shall not forget;
neither shall ye fear other gods. |
38 En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en
gij zult andere goden niet vrezen. |
|
2KN 17:39 maar de HERE, uw God, zult gij vereren: dan zal Hij u redden
uit de macht van al |