1 Thessalonicenzen

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5

NBG 1951

KJV 1611

STATEN 1637

1TH 1:1 Paulus, Silvanus en Timoteüs aan de gemeente der Tessalonicenzen in God, de Vader, en de Here Jezus Christus: genade zij u en vrede!

1 Paul, and Silvanus, and Timotheus, unto the church of the Thessalonians [which is] in God the Father and [in] the Lord Jesus Christ: Grace [be] unto you, and peace,

1 Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, [welke is] in God den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede

 

from God our Father, and the Lord Jesus Christ.

van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.

1TH 1:2 Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden,

2 We give thanks to God always for you all, making mention of you in our prayers;

2 Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden;

1TH 1:3 onophoudelijk gedachtig aan het werk uws geloofs, de inspanning uwer liefde en de volharding uwer hoop op onze Here Jezus Christus voor het oog van onze God en Vader.

3 Remembering without ceasing your work of faith, and labour of love, and patience of hope in our Lord Jesus Christ, in the sight of God and our Father;

3 Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader;

1TH 1:4 Immers, dat gij, door God geliefde broeders, verkoren zijt, weten wij,

4 Knowing, brethren beloved, your election of God.

4 Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God;

1TH 1:5 omdat onze evangelieprediking niet slechts in woorden tot u gekomen is, maar ook in kracht en in de heilige Geest en in grote volheid; gij weet trouwens, hoedanigen wij bij u geweest zijn om uwentwil.

5 For our gospel came not unto you in word only, but also in power, and in the Holy Ghost, and in much assurance; as ye know what manner of men we were among you for your sake.

5 Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.

1TH 1:6 En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes aangenomen,

6 And ye became followers of us, and of the Lord, having received the word in much affliction, with joy of the Holy Ghost:

6 En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes;

1TH 1:7 zodat gij een voorbeeld geworden zijt voor alle gelovigen in Macedonië en in Achaje.

7 So that ye were ensamples to all that believe in Macedonia and Achaia.

7 Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedonie en Achaje.

1TH 1:8 Want uit uw midden heeft het woord des Heren weerklonken niet alleen in Macedonië en Achaje, maar allerwegen is uw geloof, dat zich op God richt, bekend geworden, zodat wij daarvan niets behoeven te zeggen.

8 For from you sounded out the word of the Lord not only in Macedonia and Achaia, but also in every place your faith to God-ward is spread abroad; so that we need not to speak any thing.

8 Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonie en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat [gij] op God [hebt], uitgegaan, zodat wij niet van node hebben, iets [daarvan] te spreken.

1TH 1:9 Want zelf verhalen zij van ons, hoe wij bij u ontvangen zijn en hoe gij u van de afgoden tot God bekeerd hebt, om de levende en waarachtige God te dienen,

9 For they themselves shew of us what manner of entering in we had unto you, and how ye turned to God from idols to serve the living and true God;

9 Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen;

1TH 1:10 en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons verlost van de komende toorn.

10 And to wait for his Son from heaven, whom he raised from the dead, [even] Jesus, which delivered us from the wrath to come.

10 En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, [namelijk] Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.

1TH 2:1 Want zelf weet gij, broeders, dat ons komen bij u niet zonder vrucht is geweest.

1 For yourselves, brethren, know our entrance in unto you, that it was not in vain:

1 Want gij weet zelven, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest;

1TH 2:2 Immers, ondanks de mishandeling en de smaad, die wij, zoals gij weet, te Filippi tevoren ondergaan hadden, hebben wij u, in onze God vrijmoedig, onder zware strijd het evangelie Gods gebracht.

2 But even after that we had suffered before, and were shamefully entreated, as ye know, at Philippi, we were bold in our God to speak unto you the gospel of God with much contention.

2 Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi, zo hebben wij [nochtans] vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie van God tot u te spreken in veel strijds.

1TH 2:3 Want ons vermanen komt niet voort uit dwaling, noch uit onzuivere bedoeling; het gaat ook niet met list gepaard.

3 For our exhortation [was] not of deceit, nor of uncleanness, nor in guile:

3 Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog;

1TH 2:4 Integendeel, daar God ons waardig heeft gekeurd om ons het evangelie toe te vertrouwen, spreken wij, niet om mensen te behagen, maar Gode, die onze harten keurt.

4 But as we were allowed of God to be put in trust with the gospel, even so we speak; not as pleasing men, but God, which trieth our hearts.

4 Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, alzo spreken wij, niet als mensen behagende, maar Gode, Die onze harten beproeft.

1TH 2:5 Want wij hebben ons nooit afgegeven met vleitaal, zoals gij weet, of met (enig) baatzuchtig voorwendsel; God is getuige!

5 For neither at any time used we flattering words, as ye know, nor a cloke of covetousness; God [is] witness:

5 Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met [enig] bedeksel van gierigheid; God is Getuige!

1TH 2:6 Ook zochten wij geen eer bij mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden;

6 Nor of men sought we glory, neither of you, nor [yet] of others, when we might have been burdensome, as the apostles of Christ.

6 Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen; hoewel wij [u] tot last konden zijn als Christus’ apostelen;

1TH 2:7 maar wij gedroegen ons in uw midden vriendelijk, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert.

7 But we were gentle among you, even as a nurse cherisheth her children:

7 Maar wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, gelijk als een voedster haar kinderen koestert;

1TH 2:8 Zo waren wij, in onze grote genegenheid voor u, bereid u niet alleen het evangelie Gods, maar ook ons eigen leven mede te delen, daarom, dat gij ons lief geworden waart.

8 So being affectionately desirous of you, we were willing to have imparted unto you, not the gospel of God only, but also our own souls, because ye were dear unto us.

8 Alzo wij, tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededelen niet alleen het Evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, daarom dat gij ons lief geworden waart.

1TH 2:9 Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand uwer lastig te vallen, hebben wij u het evangelie van God gepredikt.

9 For ye remember, brethren, our labour and travail: for labouring night and day, because we would not be chargeable unto any of you, we preached unto you the gospel of God.

9 Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt.

1TH 2:10 Gij zijt getuigen, en God, hoe vroom, rechtvaardig en onberispelijk wij ons bij u, die gelooft, gedragen hebben.

10 Ye [are] witnesses, and God [also], how holily and justly and unblameably we behaved ourselves among you that believe:

10 Gij zijt getuigen, en God, hoe heilig, en rechtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn.

1TH 2:11 Gij weet trouwens, hoe wij, als een vader zijn eigen kinderen, u hoofd voor hoofd vermaanden, aanmoedigden,

11 As ye know how we exhorted and comforted and charged every one of you, as a father [doth] his children,

11 Gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten,

1TH 2:12 en betuigden te blijven wandelen, Gode waardig, die u roept tot zijn eigen Koninkrijk en heerlijkheid.

12 That ye would walk worthy of God, who hath called you unto his kingdom and glory.

12 En betuigden, dat gij zoudt wandelen, waardiglijk Gode, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.

1TH 2:13 En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft.

13 For this cause also thank we God without ceasing, because, when ye received the word of God which ye heard of us, ye received [it] not [as] the word of men, but as it is in truth, the word of God, which effectually worketh also in you that believe.

13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet [als] der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) [als] Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft.

1TH 2:14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden van de gemeenten Gods in Christus Jezus, die in Judea zijn, omdat ook gij hetzelfde te verduren hebt gehad van uw eigen volksgenoten als zij van de Joden,

14 For ye, brethren, became followers of the churches of God which in Judaea are in Christ Jesus: for ye also have suffered like things of your own countrymen, even as they [have] of the Jews:

14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;

1TH 2:15 die zelfs de Here Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben, die Gode niet behagen en tegen alle mensen ingaan,

15 Who both killed the Lord Jesus, and their own prophets, and have persecuted us; and they please not God, and are contrary to all men:

15 Welke ook gedood hebben den Heere Jezus, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en alle mensen tegen zijn;

1TH 2:16 daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waardoor zij te allen tijde (de maat) hunner zonden vol maken. De toorn is over hen gekomen tot het einde.

16 Forbidding us to speak to the Gentiles that they might be saved, to fill up their sins alway: for the wrath is come upon them to the uttermost.

16 En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij te allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.

1TH 2:17 Maar wij, broeders, die een tijdlang naar het oog, niet naar het hart, van u beroofd zijn geweest, hebben met zeer veel ijver en groot verlangen begeerd uw aangezicht te zien.

17 But we, brethren, being taken from you for a short time in presence, not in heart, endeavoured the more abundantly to see your face with great desire.

17 Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd, om uw aangezicht te zien, met grote begeerte.

1TH 2:18 Wij, of liever: ik, Paulus, heb namelijk een en andermaal tot u willen komen, doch de satan heeft het ons belet.

18 Wherefore we would have come unto you, even I Paul, once and again; but Satan hindered us.

18 Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maar de satanas heeft ons belet.

1TH 2:19 Want wie is onze hoop of blijdschap of erekrans voor onze Here Jezus bij zijn komst, wie anders dan gij?

19 For what [is] our hope, or joy, or crown of rejoicing? [Are] not even ye in the presence of our Lord Jesus Christ at his coming?

19 Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roems? Zijt gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in Zijn toekomst?

1TH 2:20 Ja, gij zijt onze eer en blijdschap.

20 For ye are our glory and joy.

20 Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap.

1TH 3:1 Daarom hebben wij, - want wij konden het niet langer uithouden, - besloten alleen te Athene achter te blijven,

1 Wherefore when we could no longer forbear, we thought it good to be left at Athens alone;

1 Daarom, [deze begeerte] niet langer kunnende verdragen, hebben wij gaarne willen te Athene alleen gelaten worden;

1TH 3:2 en wij hebben Timoteüs, onze broeder, en een medewerker Gods in het evangelie van Christus, gezonden om u te versterken en u te vermanen inzake uw geloof,

2 And sent Timotheus, our brother, and minister of God, and our fellowlabourer in the gospel of Christ, to establish you, and to comfort you concerning your faith:

2 En hebben gezonden Timotheus, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof;

1TH 3:3 dat niemand zou wankelen onder deze verdrukkingen. Gij weet immers zelf, dat wij daartoe bestemd zijn;

3 That no man should be moved by these afflictions: for yourselves know that we are appointed thereunto.

3 Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want gij weet zelven, dat wij hiertoe gesteld zijn.

1TH 3:4 want ook toen wij bij u waren, zeiden wij u reeds, dat wij zouden verdrukt worden, zoals gij ook weet, dat geschied is.

4 For verily, when we were with you, we told you before that we should suffer tribulation; even as it came to pass, and ye know.

4 Want ook, toen wij bij u waren, voorzeiden wij u, dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, en gij weet het.

1TH 3:5 Daarom kon ik het ook niet langer uithouden en zond hem om mij te vergewissen van uw geloof, of de verzoeker u misschien verzocht had en onze inspanning vruchteloos zou geworden zijn.

5 For this cause, when I could no longer forbear, I sent to know your faith, lest by some means the tempter have tempted you, and our labour be in vain.

5 Daarom ook [deze begeerte] niet langer kunnende verdragen, heb ik [hem] gezonden, om uw geloof te verstaan; of niet misschien de verzoeker u zou verzocht hebben, en onze arbeid ijdel zou wezen.

1TH 3:6 Maar thans, nu Timoteüs van u tot ons teruggekeerd is en ons goede tijding gebracht heeft van uw geloof en uw liefde, en dat gij ons te allen tijde in goede herinnering houdt, even verlangend om ons te zien als wij u,

6 But now when Timotheus came from you unto us, and brought us good tidings of your faith and charity, and that ye have good remembrance of us always, desiring greatly to see us, as we also [to see] you:

6 Maar als Timotheus nu van ulieden tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebracht had van uw geloof en liefde, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeer begerig zijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden;

1TH 3:7 zijn wij dan ook, broeders, bij al onze nood en druk, vertroost over u door uw geloof,

7 Therefore, brethren, we were comforted over you in all our affliction and distress by your faith:

7 Zo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof;

1TH 3:8 want nu leven wij, als gij staat in de Here.

8 For now we live, if ye stand fast in the Lord.

8 Want nu leven wij, indien gij [vast] staat in den Heere.

1TH 3:9 Want welke dank kunnen wij Gode over u vergelden voor al de blijdschap, waarmede wij ons om u verblijden voor onze God?

9 For what thanks can we render to God again for you, for all the joy wherewith we joy for your sakes before our God;

9 Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap, waarmede wij ons om uwentwil verblijden voor onzen God?

1TH 3:10 Nacht en dag bidden wij vurig, dat wij uw aangezicht mogen zien en voltooien wat nog aan uw geloof ontbreekt.

10 Night and day praying exceedingly that we might see your face, and might perfect that which is lacking in your faith?

10 Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken, hetgeen aan uw geloof ontbreekt.

1TH 3:11 Hij, onze God en Vader, en onze Here Jezus, bane ons de weg tot u;

11 Now God himself and our Father, and our Lord Jesus Christ, direct our way unto you.

11 Doch onze God en Vader Zelf, en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u.

1TH 3:12 en u doe de Here toenemen en overvloedig worden in de liefde tot elkander en tot allen - zoals ook wij gezind zijn jegens u -,

12 And the Lord make you to increase and abound in love one toward another, and toward all [men], even as we [do] toward you:

12 En de Heere vermeerdere u, en make [u] overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u;

1TH 3:13 om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Here Jezus met al zijn heiligen.

13 To the end he may stablish your hearts unblameable in holiness before God, even our Father, at the coming of our Lord Jesus Christ with all his saints.

13 Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onzen God en Vader, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen.

1TH 4:1 Voorts dan, broeders, vragen wij en vermanen wij u in de Here Jezus, dat gij, zoals gij van ons vernomen hebt, hoe gij moet wandelen en Gode behagen, zoals gij ook inderdaad wandelt, dat nog meer doet.

1 Furthermore then we beseech you, brethren, and exhort [you] by the Lord Jesus, that as ye have received of us how ye ought to walk and to please God, [so] ye would abound more and more.

1 Voorts dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij [daarin] meer overvloedig wordt.

1TH 4:2 Want gij weet, welke voorschriften wij u gegeven hebben door de Here Jezus.

2 For ye know what commandments we gave you by the Lord Jesus.

2 Want gij weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heere Jezus.

1TH 4:3 Want dit wil God: uw heiliging, dat gij u onthoudt van de hoererij,

3 For this is the will of God, [even] your sanctification, that ye should abstain from fornication:

3 Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij;

1TH 4:4 dat ieder uwer in heiliging en eerbaarheid zijn vat wete te verwerven,

4 That every one of you should know how to possess his vessel in sanctification and honour;

4 Dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer;

1TH 4:5 niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals ook de heidenen, die van God niet weten,

5 Not in the lust of concupiscence, even as the Gentiles which know not God:

5 Niet in [kwade] beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.

1TH 4:6 en dat men zijn broeder niet slecht behandele of bedriege in deze zaak, want de Here is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en nadrukkelijk betuigd hebben.

6 That no [man] go beyond and defraud his brother in [any] matter: because that the Lord [is] the avenger of all such, as we also have forewarned you and testified.

6 Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in [zijn] handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben.

1TH 4:7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging.

7 For God hath not called us unto uncleanness, but unto holiness.

7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking.

1TH 4:8 Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u immers ook zijn heilige Geest geeft.

8 He therefore that despiseth, despiseth not man, but God, who hath also given unto us his holy Spirit.

8 Zo dan die [dit] verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heiligen Geest in ons heeft gegeven.

1TH 4:9 Over de broederliefde is het niet nodig u te schrijven; immers, gij hebt zelf van God geleerd elkander lief te hebben;

9 But as touching brotherly love ye need not that I write unto you: for ye yourselves are taught of God to love one another.

9 Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van node, dat ik u schrijve; want gijzelven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.

1TH 4:10 gij doet dat dan ook ten aanzien van alle broeders in geheel Macedonië. Maar wij vermanen u, broeders, dit nog veel meer te doen,

10 And indeed ye do it toward all the brethren which are in all Macedonia: but we beseech you, brethren, that ye increase more and more;

10 Want gij doet ook hetzelfde aan al de broederen, die in geheel Macedonie zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloedig wordt;

1TH 4:11 en er een eer in te stellen rustig te blijven en uw eigen zaken te behartigen en met uw handen te werken, zoals wij u bevolen hebben,

11 And that ye study to be quiet, and to do your own business, and to work with your own hands, as we commanded you;

11 En dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben;

1TH 4:12 opdat gij u behoorlijk gedraagt ten aanzien van hen, die buiten staan, zonder iets nodig te hebben.

12 That ye may walk honestly toward them that are without, and [that] ye may have lack of nothing.

12 Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.

1TH 4:13 Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben.

13 But I would not have you to be ignorant, brethren, concerning them which are asleep, that ye sorrow not, even as others which have no hope.

13 Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.

1TH 4:14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem.

14 For if we believe that Jesus died and rose again, even so them also which sleep in Jesus will God bring with him.

14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, [weder] brengen met Hem.

1TH 4:15 Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan,

15 For this we say unto you by the word of the Lord, that we which are alive [and] remain unto the coming of the Lord shall not prevent them which are asleep.

15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.

1TH 4:16 want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan;

16 For the Lord himself shall descend from heaven with a shout, with the voice of the archangel, and with the trump of God: and the dead in Christ shall rise first:

16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;

1TH 4:17 daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen.

17 Then we which are alive [and] remain shall be caught up together with them in the clouds, to meet the Lord in the air: and so shall we ever be with the Lord.

17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.

1TH 4:18 Vermaant elkander dus met deze woorden.

18 Wherefore comfort one another with these words.

18 Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.

1TH 5:1 Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt:

1 But of the times and the seasons, brethren, ye have no need that I write unto you.

1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.

1TH 5:2 immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht.

2 For yourselves know perfectly that the day of the Lord so cometh as a thief in the night.

2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht.

1TH 5:3 Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen.

3 For when they shall say, Peace and safety; then sudden destruction cometh upon them, as travail upon a woman with child; and they shall not escape.

3 Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte [vrouw]; en zij zullen het geenszins ontvlieden;

1TH 5:4 Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou:

4 But ye, brethren, are not in darkness, that that day should overtake you as a thief.

4 Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.

1TH 5:5 want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe;

5 Ye are all the children of light, and the children of the day: we are not of the night, nor of darkness.

5 Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.

1TH 5:6 laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn.

6 Therefore let us not sleep, as [do] others; but let us watch and be sober.

6 Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.

1TH 5:7 Want die slapen, slapen des nachts en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken,

7 For they that sleep sleep in the night; and they that be drunken are drunken in the night.

7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;

1TH 5:8 maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van geloof en liefde en met de helm van de hoop der zaligheid;

8 But let us, who are of the day, be sober, putting on the breastplate of faith and love; and for an helmet, the hope of salvation.

8 Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en [tot] een helm, de hoop der zaligheid.

1TH 5:9 want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus,

9 For God hath not appointed us to wrath, but to obtain salvation by our Lord Jesus Christ,

9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;

1TH 5:10 die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven.

10 Who died for us, that, whether we wake or sleep, we should live together with him.

10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.

1TH 5:11 Vermaant daarom elkander en bouwt elkander op, gelijk gij dit ook doet.

11 Wherefore comfort yourselves together, and edify one another, even as also ye do.

11 Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet.

1TH 5:12 Wij verzoeken u, broeders, hen, die onder u zich moeite getroosten, die u leiden in de Here en u terechtwijzen, te erkennen,

12 And we beseech you, brethren, to know them which labour among you, and are over you in the Lord, and admonish you;

12 En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in den Heere, en u vermanen;

1TH 5:13 en hen zeer hoog te schatten in liefde, om hun werk. Houdt vrede onder elkander.

13 And to esteem them very highly in love for their work's sake. [And] be at peace among yourselves.

13 En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander.

1TH 5:14 Wij vermanen u, broeders, wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken, hebt geduld met allen.

14 Now we exhort you, brethren, warn them that are unruly, comfort the feebleminded, support the weak, be patient toward all [men].

14 En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen.

1TH 5:15 Ziet toe, dat niemand kwaad met kwaad vergelde, maar jaagt te allen tijde het goede na, jegens elkander en jegens allen.

15 See that none render evil for evil unto any [man]; but ever follow that which is good, both among yourselves, and to all [men].

15 Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.

1TH 5:16 Verblijdt u te allen tijde,

16 Rejoice evermore.

16 Verblijdt u te allen tijd.

1TH 5:17 bidt zonder ophouden,

17 Pray without ceasing.

17 Bidt zonder ophouden.

1TH 5:18 dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u.

18 In every thing give thanks: for this is the will of God in Christ Jesus concerning you.

18 Dankt [God] in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u.

1TH 5:19 Dooft de Geest niet uit,

19 Quench not the Spirit.

19 Blust den Geest niet uit.

1TH 5:20 veracht de profetieën niet,

20 Despise not prophesyings.

20 Veracht de profetieen niet.

1TH 5:21 maar toetst alles en behoudt het goede.

21 Prove all things; hold fast that which is good.

21 Beproeft alle dingen; behoudt het goede.

1TH 5:22 Onthoudt u van alle soort van kwaad.

22 Abstain from all appearance of evil.

22 Onthoudt u van allen schijn des kwaads.

1TH 5:23 En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.

23 And the very God of peace sanctify you wholly; and [I pray God] your whole spirit and soul and body be preserved blameless unto the coming of our Lord Jesus Christ.

23 En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.

1TH 5:24 Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen.

24 Faithful [is] he that calleth you, who also will do [it].

24 Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.

1TH 5:25 Broeders, bidt [ook] voor ons.

25 Brethren, pray for us.

25 Broeders, bidt voor ons.

1TH 5:26 Groet al de broeders met een heilige kus.

26 Greet all the brethren with an holy kiss.

26 Groet al de broeders met een heiligen kus.

1TH 5:27 Ik bezweer u bij de Here, dat deze brief aan alle broeders voorgelezen worde.

27 I charge you by the Lord that this epistle be read unto all the holy brethren.

27 Ik bezweer ulieden bij den Heere, dat deze zendbrief al den heiligen broederen gelezen worde.

1TH 5:28 De genade van onze Here Jezus Christus zij met u.

28 The grace of our Lord Jesus Christ [be] with you. Amen.

28 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen.

 

[The first [epistle] to the Thessalonians was written from Athens.]