1 Kronieken

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29

NED. BIJBELGENOOTSCHAP 1951

KING JAMES VERSION 1611

STATENBIJBEL 1637

1KR 1:1 Adam, Set, Enos,

1 Adam, Sheth, Enosh,

1 Adam, Seth, Enos,

1KR 1:2 Kenan, Mahalalel, Jered,

2 Kenan, Mahalaleel, Jered,

2 Kenan, Mahalal-el, Jered,

1KR 1:3 Henoch, Metuselach, Lamech,

3 Henoch, Methuselah, Lamech,

3 Henoch, Methusalah, Lamech,

1KR 1:4 Noach, Sem, Cham en Jafet.

4 Noah, Shem, Ham, and Japheth.

4 Noach, Sem, Cham en Jafeth.

1KR 1:5 De zonen van Jafet waren: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras.

5 The sons of Japheth; Gomer, and Magog, and Madai, and Javan, and Tubal, and Meshech, and Tiras.

5 De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.

1KR 1:6 De zonen van Gomer: Askenaz, Difat en Togarma.

6 And the sons of Gomer; Ashchenaz, and Riphath, and Togarmah.

6 En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.

1KR 1:7 De zonen van Jawan: Elisa en Tarsis, de Kittiërs en de Rodanieten.

7 And the sons of Javan; Elishah, and Tarshish, Kittim, and Dodanim.

7 En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.

1KR 1:8 De zonen van Cham waren: Kus en Misraïm, Put en Kanaän.

8 The sons of Ham; Cush, and Mizraim, Put, and Canaan.

8 De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.

1KR 1:9 De zonen van Kus: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka; de zonen van Rama: Seba en Dedan.

9 And the sons of Cush; Seba, and Havilah, and Sabta, and Raamah, and Sabtecha. And the sons of Raamah; Sheba, and Dedan.

9 En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan.

1KR 1:10 Kus verwekte ook Nimrod; deze was de eerste, die machtig werd op aarde.

10 And Cush begat Nimrod: he began to be mighty upon the earth.

10 Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.

1KR 1:11 Misraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,

11 And Mizraim begat Ludim, and Anamim, and Lehabim, and Naphtuhim,

11 En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,

1KR 1:12 de Patrusieten, de Kasluchieten, uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen, en de Kaftorieten.

12 And Pathrusim, and Casluhim, (of whom came the Philistines,) and Caphthorim.

12 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.

1KR 1:13 En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet,

13 And Canaan begat Zidon his firstborn, and Heth,

13 Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,

1KR 1:14 ook de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,

14 The Jebusite also, and the Amorite, and the Girgashite,

14 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,

1KR 1:15 de Chiwwiet, de Arkiet, de Siniet,

15 And the Hivite, and the Arkite, and the Sinite,

15 En den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,

1KR 1:16 de Arwadiet, de Semariet en de Hamatiet.

16 And the Arvadite, and the Zemarite, and the Hamathite.

16 En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.

1KR 1:17 De zonen van Sem waren: Elam, Assur, Arpaksad, Lud, Aram, Us, Chul, Geter en Mesek.

17 The sons of Shem; Elam, and Asshur, and Arphaxad, and Lud, and Aram, and Uz, and Hul, and Gether, and Meshech.

17 De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.

1KR 1:18 Arpaksad verwekte Selach, en Selach verwekte Eber.

18 And Arphaxad begat Shelah, and Shelah begat Eber.

18 Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.

1KR 1:19 Aan Eber werden twee zonen geboren: de naam van de een was Peleg, want in zijn dagen werd de aarde verdeeld; en de naam van zijn broeder was Joktan.

19 And unto Eber were born two sons: the name of the one [was] Peleg; because in his days the earth was divided: and his brother's name [was] Joktan.

19 Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.

1KR 1:20 En Joktan verwekte Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach,

20 And Joktan begat Almodad, and Sheleph, and Hazarmaveth, and Jerah,

20 En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,

1KR 1:21 Hadoram, Uzal, Dikla,

21 Hadoram also, and Uzal, and Diklah,

21 En Hadoram, en Uzal, en Dikla,

1KR 1:22 Ebal, Abimaël, Seba,

22 And Ebal, and Abimael, and Sheba,

22 En Ebal, en Abimael, en Scheba,

1KR 1:23 Ofir, Chawila, en Jobab; deze allen waren de zonen van Joktan.

23 And Ophir, and Havilah, and Jobab. All these [were] the sons of Joktan.

23 En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.

1KR 1:24 Sem, Arpaksad, Selach,

24 Shem, Arphaxad, Shelah,

24 Sem, Arfachsad, Selah,

1KR 1:25 Eber, Peleg, Reü,

25 Eber, Peleg, Reu,

25 Heber, Peleg, Rehu,

1KR 1:26 Serug, Nachor, Terach,

26 Serug, Nahor, Terah,

26 Serug, Nahor, Terah,

1KR 1:27 Abram - dat is Abraham.

27 Abram; the same [is] Abraham.

27 Abram; die is Abraham.

1KR 1:28 De zonen van Abraham waren: Isaak en Ismaël.

28 The sons of Abraham; Isaac, and Ishmael.

28 De kinderen van Abraham waren Izak en Ismael.

1KR 1:29 Dit zijn hun nakomelingen: de eerstgeborene van Ismaël was Nebajot; voorts Kedar, Adbeël, Mibsam,

29 These [are] their generations: The firstborn of Ishmael, Nebaioth; then Kedar, and Adbeel, and Mibsam,

29 Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismael was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,

1KR 1:30 Misma en Duma, Massa, Chadad en Tema,

30 Mishma, and Dumah, Massa, Hadad, and Tema,

30 Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,

1KR 1:31 Jetur, Nafis en Kedema; dit zijn de zonen van Ismaël.

31 Jetur, Naphish, and Kedemah. These are the sons of Ishmael.

31 Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael.

1KR 1:32 En de zonen van Ketura, Abrahams bijvrouw: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. De zonen van Joksan nu waren Seba en Dedan;

32 Now the sons of Keturah, Abraham's concubine: she bare Zimran, and Jokshan, and Medan, and Midian, and Ishbak, and Shuah. And the sons of Jokshan; Sheba, and Dedan.

32 De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: [die] baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.

1KR 1:33 en de zonen van Midjan: Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaä. Deze allen waren de zonen van Ketura.

33 And the sons of Midian; Ephah, and Epher, and Henoch, and Abida, and Eldaah. All these [are] the sons of Keturah.

33 De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura.

1KR 1:34 En Abraham verwekte Isaak; de zonen van Isaak waren Esau en Israël.

34 And Abraham begat Isaac. The sons of Isaac; Esau and Israel.

34 Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.

1KR 1:35 De zonen van Esau: Elifaz, Reüel, Jeüs, Jalam en Korach;

35 The sons of Esau; Eliphaz, Reuel, and Jeush, and Jaalam, and Korah.

35 En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.

1KR 1:36 de zonen van Elifaz: Teman en Omar, Sefi en Gatam, Kenaz, Timna en Amalek;

36 The sons of Eliphaz; Teman, and Omar, Zephi, and Gatam, Kenaz, and Timna, and Amalek.

36 De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.

1KR 1:37 de zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza;

37 The sons of Reuel; Nahath, Zerah, Shammah, and Mizzah.

37 De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.

1KR 1:38 en de zonen van Seïr: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan.

38 And the sons of Seir; Lotan, and Shobal, and Zibeon, and Anah, and Dishon, and Ezer, and Dishan.

38 De kinderen van Seir nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.

1KR 1:39 De zonen van Lotan: Chori en Homam, en de zuster van Lotan was Timna;

39 And the sons of Lotan; Hori, and Homam: and Timna [was] Lotan's sister.

39 De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.

de zonen van Sobal: Aljan, Manachat, Ebal, Sefi en Onam;

40 The sons of Shobal; Alian, and Manahath, and Ebal, Shephi, and Onam.

40 De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam;

1KR 1:40 de zonen van Sibon: Ajja en Ana;

And the sons of Zibeon; Aiah, and Anah.

en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.

1KR 1:41 de zonen van Ana: Dison, en de zonen van Dison: Chamran, Esban, Jitran en Keran;

41 The sons of Anah; Dishon. And the sons of Dishon; Amram, and Eshban, and Ithran, and Cheran.

41 De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.

1KR 1:42 de zonen van Eser: Bilhan, Zaäwan en Jaäkan; de zonen van Disan: Us en Aran.

42 The sons of Ezer; Bilhan, and Zavan, [and] Jakan. The sons of Dishan; Uz, and Aran.

42 De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.

1KR 1:43 Dit zijn de koningen die over het land Edom regeerden, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde: Bela, de zoon van Beor; zijn stad heette Dinhaba.

43 Now these [are] the kings that reigned in the land of Edom before [any] king reigned over the children of Israel; Bela the son of Beor: and the name of his city [was] Dinhabah.

43 Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhaba.

1KR 1:44 Toen Bela gestorven was, werd koning in zijn plaats Jobab, de zoon van Zerach, uit Bosra.

44 And when Bela was dead, Jobab the son of Zerah of Bozrah reigned in his stead.

44 En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.

1KR 1:45 Toen Jobab gestorven was, werd koning in zijn plaats Chusam, uit het land der Temanieten.

45 And when Jobab was dead, Husham of the land of the Temanites reigned in his stead.

45 En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.

1KR 1:46 Toen Chusam gestorven was, werd koning in zijn plaats Hadad, de zoon van Bedad, die Midjan versloeg in het veld van Moab; zijn stad heette Awit.

46 And when Husham was dead, Hadad the son of Bedad, which smote Midian in the field of Moab, reigned in his stead: and the name of his city [was] Avith.

46 En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en den naam zijner stad was Avith.

1KR 1:47 Toen Hadad gestorven was, werd koning in zijn plaats Samla, uit Masreka.

47 And when Hadad was dead, Samlah of Masrekah reigned in his stead.

47 En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.

1KR 1:48 Toen Samla gestorven was, werd koning in zijn plaats Saul, uit Rechobot aan de rivier.

48 And when Samlah was dead, Shaul of Rehoboth by the river reigned in his stead.

48 En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

1KR 1:49 Toen Saul gestorven was, werd koning in zijn plaats Baäl-Chanan, de zoon van Akbor.

49 And when Shaul was dead, Baalhanan the son of Achbor reigned in his stead.

49 En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

1KR 1:50 Toen Baäl-Chanan gestorven was, werd koning in zijn plaats Hadad; en zijn stad heette Pai. Zijn vrouw heette Mehetabel; zij was de dochter van Matred, de dochter van Me-Zahab.

50 And when Baalhanan was dead, Hadad reigned in his stead: and the name of his city [was] Pai; and his wife's name [was] Mehetabel, the daughter of Matred, the daughter of Mezahab.

50 Als Baal-Hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-Sahab.

1KR 1:51 Toen Hadad gestorven was, werden stamhoofden van Edom: Timna, Alja, Jetet,

51 Hadad died also. And the dukes of Edom were; duke Timnah, duke Aliah, duke Jetheth,

51 Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,

1KR 1:52 Oholibama, Ela, Pinon,

52 Duke Aholibamah, duke Elah, duke Pinon,

52 De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon,

1KR 1:53 Kenaz, Teman, Mibsar,

53 Duke Kenaz, duke Teman, duke Mibzar,

53 De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,

1KR 1:54 Magdiël en Iram. Dit zijn de stamhoofden van Edom.

54 Duke Magdiel, duke Iram. These [are] the dukes of Edom.

54 De vorst Magdiel, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.

1KR 2:1 Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issakar en Zebulon,

1 These [are] the sons of Israel; Reuben, Simeon, Levi, and Judah, Issachar, and Zebulun,

1 Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

1KR 2:2 Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser.

2 Dan, Joseph, and Benjamin, Naphtali, Gad, and Asher.

2 Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.

1KR 2:3 De zonen van Juda waren: Er, Onan en Sela, een drietal dat hem geboren werd uit de dochter van Sua, de Kanaänitische. Maar Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen op van de HERE, en Hij doodde hem.

3 The sons of Judah; Er, and Onan, and Shelah: [which] three were born unto him of the daughter of Shua the Canaanitess. And Er, the firstborn of Judah, was evil in the sight of the LORD; and he slew him.

3 De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaanietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.

1KR 2:4 Tamar, zijn schoondochter, baarde hem echter Peres en Zerach. In het geheel waren er vijf zonen van Juda.

4 And Tamar his daughter in law bare him Pharez and Zerah. All the sons of Judah [were] five.

4 Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.

1KR 2:5 De zonen van Peres waren: Chesron en Chamul;

5 The sons of Pharez; Hezron, and Hamul.

5 De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.

1KR 2:6 de zonen van Zerach: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dera, tezamen vijf.

6 And the sons of Zerah; Zimri, and Ethan, and Heman, and Calcol, and Dara: five of them in all.

6 En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.

1KR 2:7 De zonen van Karmi: Akar, die Israël in het ongeluk stortte, doordat hij zich aan het gebannene vergreep;

7 And the sons of Carmi; Achar, the troubler of Israel, who transgressed in the thing accursed.

7 En de kinderen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israel, die zich aan het verbannene vergreep.

1KR 2:8 en de zonen van Etan: Azarja.

8 And the sons of Ethan; Azariah.

8 De kinderen van Ethan nu waren Azaria.

1KR 2:9 De zonen, die aan Chesron werden geboren, waren: Jerachmeël, Ram en Kelubai.

9 The sons also of Hezron, that were born unto him; Jerahmeel, and Ram, and Chelubai.

9 En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.

1KR 2:10 Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Nachson, de vorst der Judeeërs;

10 And Ram begat Amminadab; and Amminadab begat Nahshon, prince of the children of Judah;

10 Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;

1KR 2:11 Nachson verwekte Salma; Salma verwekte Boaz;

11 And Nahshon begat Salma, and Salma begat Boaz,

11 En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.

1KR 2:12 Boaz verwekte Obed; Obed verwekte Isaï;

12 And Boaz begat Obed, and Obed begat Jesse,

12 En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,

1KR 2:13 en Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, zijn tweede, Sima, zijn derde;

13 And Jesse begat his firstborn Eliab, and Abinadab the second, and Shimma the third,

13 En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,

1KR 2:14 Netanel, zijn vierde, Raddai, zijn vijfde;

14 Nethaneel the fourth, Raddai the fifth,

14 Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,

1KR 2:15 Osem, zijn zesde, David, zijn zevende.

15 Ozem the sixth, David the seventh:

15 Ozem, den zesde, David, den zevende.

1KR 2:16 Hun zusters waren Seruja en Abigaïl. De zonen van Seruja waren: Absai, Joab en Asaël, drie;

16 Whose sisters [were] Zeruiah, and Abigail. And the sons of Zeruiah; Abishai, and Joab, and Asahel, three.

16 En hun zusters waren Zeruja en Abigail. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El drie.

1KR 2:17 Abigaïl baarde Amasa, en de vader van Amasa was de Ismaëliet Jeter.

17 And Abigail bare Amasa: and the father of Amasa [was] Jether the Ishmeelite.

17 En Abigail baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaeliet.

1KR 2:18 Kaleb nu, de zoon van Chesron, verwekte Jeriot bij zijn vrouw Azuba; en dit zijn haar zonen: Jeser, Sobab en Ardon.

18 And Caleb the son of Hezron begat [children] of Azubah [his] wife, and of Jerioth: her sons [are] these; Jesher, and Shobab, and Ardon.

18 Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, [zijn] vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.

1KR 2:19 Toen Azuba gestorven was, nam Kaleb zich Efrat tot vrouw en deze baarde hem Chur;

19 And when Azubah was dead, Caleb took unto him Ephrath, which bare him Hur.

19 Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.

1KR 2:20 Chur verwekte Uri, en Uri verwekte Besaleël.

20 And Hur begat Uri, and Uri begat Bezaleel.

20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.

1KR 2:21 Daarna kwam Chesron tot de dochter van Makir, de vader van Gilead - hij nam haar tot vrouw, toen hij zestig jaar oud was -, en zij baarde hem Segub.

21 And afterward Hezron went in to the daughter of Machir the father of Gilead, whom he married when he [was] threescore years old; and she bare him Segub.

21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.

1KR 2:22 En Segub verwekte Jaïr; deze bezat drieëntwintig nederzettingen in het land Gilead.

22 And Segub begat Jair, who had three and twenty cities in the land of Gilead.

22 Segub nu gewon Jair; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.

1KR 2:23 Maar Gesur en Aram namen de dorpen van Jaïr in, en eveneens Kenat en onderhorige plaatsen, zestig nederzettingen. Deze alle behoorden aan Makir, de vader van Gilead.

23 And he took Geshur, and Aram, with the towns of Jair, from them, with Kenath, and the towns thereof, [even] threescore cities. All these [belonged to] the sons of Machir the father of Gilead.

23 En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jair, van dezelve, met Kenath, en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.

1KR 2:24 Maar na de dood van Chesron in Kaleb-Efrata baarde de vrouw van Chesron, Abia, hem ook nog Aschur, de vader van Tekoa.

24 And after that Hezron was dead in Calebephratah, then Abiah Hezron's wife bare him Ashur the father of Tekoa.

24 En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.

1KR 2:25 De zonen van Jerachmeël, de eerstgeborene van Chesron, waren: de eerstgeborene Ram, voorts Buna, Oren, Osem en Achia.

25 And the sons of Jerahmeel the firstborn of Hezron were, Ram the firstborn, and Bunah, and Oren, and Ozem, [and] Ahijah.

25 De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren [deze]: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem [en] Ahia.

1KR 2:26 Jerachmeël had echter nog een andere vrouw, die Atara heette; deze was de moeder van Onam.

26 Jerahmeel had also another wife, whose name [was] Atarah; she [was] the mother of Onam.

26 Jerahmeel had nog een andere vrouw, welker naam was Atara; zij was de moeder van Onam.

1KR 2:27 De zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerachmeël, nu waren: Maäs, Jamin en Eker.

27 And the sons of Ram the firstborn of Jerahmeel were, Maaz, and Jamin, and Eker.

27 En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jerahmeel waren Maaz, en Jamin, en Eker.

1KR 2:28 De zonen van Onam: Sammai en Jada, en de zonen van Sammai: Nadab en Abisur.

28 And the sons of Onam were, Shammai, and Jada. And the sons of Shammai; Nadab, and Abishur.

28 En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.

1KR 2:29 De vrouw van Abisur heette Abihaïl; deze baarde hem Achban en Molid.

29 And the name of the wife of Abishur [was] Abihail, and she bare him Ahban, and Molid.

29 De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihail: die baarde hem Achban en Molid.

1KR 2:30 De zonen van Nadab waren: Seled en Appaïm; Seled stierf kinderloos;

30 And the sons of Nadab; Seled, and Appaim: but Seled died without children.

30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaim; en Seled stierf zonder kinderen.

1KR 2:31 de zonen van Appaïm: Jisi; de zonen van Jisi: Sesan, en de zonen van Sesan: Achlai.

31 And the sons of Appaim; Ishi. And the sons of Ishi; Sheshan. And the children of Sheshan; Ahlai.

31 En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.

1KR 2:32 De zonen van Jada, de broeder van Sammai: Jeter en Jonatan; Jeter stierf kinderloos;

32 And the sons of Jada the brother of Shammai; Jether, and Jonathan: and Jether died without children.

32 En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.

1KR 2:33 en de zonen van Jonatan: Pelet en Zaza. Dit zijn de zonen van Jerachmeël.

33 And the sons of Jonathan; Peleth, and Zaza. These were the sons of Jerahmeel.

33 De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.

1KR 2:34 En Sesan had geen zonen, maar alleen dochters; wel had Sesan een Egyptische slaaf, die Jarcha heette.

34 Now Sheshan had no sons, but daughters. And Sheshan had a servant, an Egyptian, whose name [was] Jarha.

34 En Sesan had geen zonen, maar dochteren. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.

1KR 2:35 Nu gaf Sesan zijn dochter aan zijn slaaf Jarcha tot vrouw en zij baarde hem Attai.

35 And Sheshan gave his daughter to Jarha his servant to wife; and she bare him Attai.

35 Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.

1KR 2:36 En Attai verwekte Natan, Natan verwekte Zabad,

36 And Attai begat Nathan, and Nathan begat Zabad,

36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,

1KR 2:37 Zabad verwekte Eflal, Eflal verwekte Obed,

37 And Zabad begat Ephlal, and Ephlal begat Obed,

37 En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,

1KR 2:38 Obed verwekte Jehu, Jehu verwekte Azarja,

38 And Obed begat Jehu, and Jehu begat Azariah,

38 En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,

1KR 2:39 Azarja verwekte Cheles, Cheles verwekte Elasa,

39 And Azariah begat Helez, and Helez begat Eleasah,

39 En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,

1KR 2:40 Elasa verwekte Sisemai, Sisemai verwekte Sallum,

40 And Eleasah begat Sisamai, and Sisamai begat Shallum,

40 En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,

1KR 2:41 Sallum verwekte Jekamja, Jekamja verwekte Elisama.

41 And Shallum begat Jekamiah, and Jekamiah begat Elishama.

41 En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.

1KR 2:42 De zonen van Kaleb, de broeder van Jerachmeël, waren: Mesa, zijn eerstgeborene - dat is de vader van Zif -, en de zonen van Maresa, de vader van Hebron.

42 Now the sons of Caleb the brother of Jerahmeel [were], Mesha his firstborn, which was the father of Ziph; and the sons of Mareshah the father of Hebron.

42 De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.

1KR 2:43 De zonen van Hebron: Korach, Tappuach, Rekem en Sema;

43 And the sons of Hebron; Korah, and Tappuah, and Rekem, and Shema.

43 De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.

1KR 2:44 Sema verwekte Racham, de vader van Jorkeam, en Rekem verwekte Sammai.

44 And Shema begat Raham, the father of Jorkoam: and Rekem begat Shammai.

44 Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.

1KR 2:45 De zoon van Sammai was Maon, en Maon was de vader van Bet-Sur.

45 And the son of Shammai [was] Maon: and Maon [was] the father of Bethzur.

45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.

1KR 2:46 Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Charan, Mosa en Gazez; Charan nu verwekte Gazez.

46 And Ephah, Caleb's concubine, bare Haran, and Moza, and Gazez: and Haran begat Gazez.

46 En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.

1KR 2:47 De zonen van Jodai waren: Regem, Jotam, Gesan, Pelet, Efa en Saäf.

47 And the sons of Jahdai; Regem, and Jotham, and Geshan, and Pelet, and Ephah, and Shaaph.

47 De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.

1KR 2:48 Kalebs bijvrouw Maäka had Seber en Tirchana gebaard;

48 Maachah, Caleb's concubine, bare Sheber, and Tirhanah.

48 Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb: Seber en Tirhana.

1KR 2:49 ook baarde zij Saäf, de vader van Madmanna, Sewa, de vader van Makbena, en de vader van Giba; en de dochter van Kaleb was Aksa.

49 She bare also Shaaph the father of Madmannah, Sheva the father of Machbenah, and the father of Gibea: and the daughter of Caleb [was] Achsah.

49 En [de] [huisvrouw] van Saaf, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Machbena, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.

1KR 2:50 Dit zijn de zonen van Kaleb. De zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrata: Sobal, de vader van Kirjat-Jearim;

50 These were the sons of Caleb the son of Hur, the firstborn of Ephratah; Shobal the father of Kirjathjearim,

50 Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim;

1KR 2:51 Salma, de vader van Betlehem, en Charef, de vader van Bet-Gader.

51 Salma the father of Bethlehem, Hareph the father of Bethgader.

51 Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.

1KR 2:52 Van Sobal, de vader van Kirjat-Jearim, stamden af Haroë en half Menuchot.

52 And Shobal the father of Kirjathjearim had sons; Haroeh, [and] half of the Manahethites.

52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroe [en] Hazihammenuchoth.

1KR 2:53 En de geslachten van Kirjat-Jearim waren: de Jitrieten, de Putieten, de Sumatieten en de Misraïeten; uit deze zijn de Soratieten en de Estaolieten voortgekomen.

53 And the families of Kirjathjearim; the Ithrites, and the Puhites, and the Shumathites, and the Mishraites; of them came the Zareathites, and the Eshtaulites.

53 En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.

1KR 2:54 De zonen van Salma waren: Betlehem, de Netofatieten, Atrot, Bet-Joab, de helft van de Manachtieten en de Sorieten.

54 The sons of Salma; Bethlehem, and the Netophathites, Ataroth, the house of Joab, and half of the Manahethites, the Zorites.

54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten, [en] de Zorieten.

1KR 2:55 En de geslachten der schrijvers die te Jabes woonden, waren: de Tiratieten, de Simatieten, de Sukatieten; dat waren de Kenieten die afstammelingen zijn van Chammat, de vader van het huis van Rekab.

55 And the families of the scribes which dwelt at Jabez; the Tirathites, the Shimeathites, [and] Suchathites. These [are] the Kenites that came of Hemath, the father of the house of Rechab.

55 En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.

1KR 3:1 Dit waren de zonen van David, die hem geboren werden in Hebron: de eerstgeborene was Amnon, van Achinoam, de Jizreëlitische; de tweede Daniël, van Abigaïl, de Karmelitische;

1 Now these were the sons of David, which were born unto him in Hebron; the firstborn Amnon, of Ahinoam the Jezreelitess; the second Daniel, of Abigail the Carmelitess:

1 Dezen nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de Jizreelietische; de tweede Daniel, van Abigail, de Karmelietische;

1KR 3:2 de derde Absalom, de zoon van Maäka, de dochter van Talmai, de koning van Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Chaggit;

2 The third, Absalom the son of Maachah the daughter of Talmai king of Geshur: the fourth, Adonijah the son of Haggith:

2 De derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;

1KR 3:3 de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jitream, van zijn vrouw Egla.

3 The fifth, Shephatiah of Abital: the sixth, Ithream by Eglah his wife.

3 De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn huisvrouw Egla.

1KR 3:4 Zes werden er hem in Hebron geboren, waar hij zeven jaar en zes maanden regeerde. En drieëndertig jaar regeerde hij te Jeruzalem.

4 [These] six were born unto him in Hebron; and there he reigned seven years and six months: and in Jerusalem he reigned thirty and three years.

4 Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.

1KR 3:5 De volgende werden hem in Jeruzalem geboren: Sima, Sobab, Natan en Salomo - vier van Bat-Sua, de dochter van Ammiël;

5 And these were born unto him in Jerusalem; Shimea, and Shobab, and Nathan, and Solomon, four, of Bathshua the daughter of Ammiel:

5 Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; [deze] vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiel;

1KR 3:6 voorts Jibchar, Elisama, Elifelet,

6 Ibhar also, and Elishama, and Eliphelet,

6 Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,

1KR 3:7 Noga, Nefeg, Jafia,

7 And Nogah, and Nepheg, and Japhia,

7 En Nogah, en Nefeg, en Jafia,

1KR 3:8 Elisama, Eljada, Elifelet - negen,

8 And Elishama, and Eliada, and Eliphelet, nine.

8 En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.

1KR 3:9 allen zonen van David, uitgenomen de zonen der bijvrouwen. Tamar was hun zuster.

9 [These were] all the sons of David, beside the sons of the concubines, and Tamar their sister.

9 [Deze] allen zijn zonen van David, behalve de kinderen der bijwijven, en Thamar hun zuster.

1KR 3:10 De zoon van Salomo was Rechabeam; diens zoon was Abia, diens zoon Asa, diens zoon Josafat,

10 And Solomon's son [was] Rehoboam, Abia his son, Asa his son, Jehoshaphat his son,

10 Salomo’s zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat;

1KR 3:11 diens zoon Joram, diens zoon Achazja, diens zoon Joas,

11 Joram his son, Ahaziah his son, Joash his son,

11 Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;

1KR 3:12 diens zoon Amasja, diens zoon Azarja, diens zoon Jotam,

12 Amaziah his son, Azariah his son, Jotham his son,

12 Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham;

1KR 3:13 diens zoon Achaz, diens zoon Hizkia, diens zoon Manasse,

13 Ahaz his son, Hezekiah his son, Manasseh his son,

13 Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse;

1KR 3:14 diens zoon Amon, diens zoon Josia.

14 Amon his son, Josiah his son.

14 Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josia.

1KR 3:15 De zonen van Josia waren: de eerstgeborene Jochanan, de tweede Jojakim, de derde Sedekia, de vierde Sallum.

15 And the sons of Josiah [were], the firstborn Johanan, the second Jehoiakim, the third Zedekiah, the fourth Shallum.

15 De zonen van Josia nu waren [dezen]: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum.

1KR 3:16 De zonen van Jojakim: zijn zoon Jechonja en zijn zoon Sidkia.

16 And the sons of Jehoiakim: Jeconiah his son, Zedekiah his son.

16 De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon.

1KR 3:17 De zonen van Jechonja waren: Assir en zijn zoon Sealtiël;

17 And the sons of Jeconiah; Assir, Salathiel his son,

17 En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiel;

1KR 3:18 voorts Malkiram, Pedaja, Senassar, Jekamja, Hosama en Nedabja;

18 Malchiram also, and Pedaiah, and Shenazar, Jecamiah, Hoshama, and Nedabiah.

18 Dezes [zonen] waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.

1KR 3:19 de zonen van Pedaja: Zerubbabel en Simi; de zonen van Zerubbabel: Mesullam en Chananja - en hun zuster was Selomit -,

19 And the sons of Pedaiah [were], Zerubbabel, and Shimei: and the sons of Zerubbabel; Meshullam, and Hananiah, and Shelomith their sister:

19 De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simei; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hunlieder zuster;

1KR 3:20 voorts Chasuba, Ohel, Berekja, Chasadja, Jusab-Chesed, vijf.

20 And Hashubah, and Ohel, and Berechiah, and Hasadiah, Jushabhesed, five.

20 En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.

1KR 3:21 De zonen van Chananja waren: Pelatja en Jesaja; diens zoon was Refaja, diens zoon Arnan, diens zoon Obadja, en diens zoon Sekanja.

21 And the sons of Hananiah; Pelatiah, and Jesaiah: the sons of Rephaiah, the sons of Arnan, the sons of Obadiah, the sons of Shechaniah.

21 De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.

1KR 3:22 De zonen van Sekanja: Semaja, en de zonen van Semaja: Chattus, Jigal, Bariach, Nearja en Safat, zes;

22 And the sons of Shechaniah; Shemaiah: and the sons of Shemaiah; Hattush, and Igeal, and Bariah, and Neariah, and Shaphat, six.

22 De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.

1KR 3:23 de zonen van Nearja: Eljoënai, Chizkia en Azrikam, drie;

23 And the sons of Neariah; Elioenai, and Hezekiah, and Azrikam, three.

23 En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.

1KR 3:24 en de zonen van Eljoënai: Hodawjahu, Eljasib, Pelaja, Akkub, Jochanan, Delaja en Anani, zeven.

24 And the sons of Elioenai [were], Hodaiah, and Eliashib, and Pelaiah, and Akkub, and Johanan, and Dalaiah, and Anani, seven.

24 En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.

1KR 4:1 De zonen van Juda waren: Peres, Chesron, Karmi, Chur en Sobal.

1 The sons of Judah; Pharez, Hezron, and Carmi, and Hur, and Shobal.

1 De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.

1KR 4:2 Reaja, de zoon van Sobal, verwekte Jachat, en Jachat verwekte Achumai en Lahad; dit zijn de geslachten van de Soratieten.

2 And Reaiah the son of Shobal begat Jahath; and Jahath begat Ahumai, and Lahad. These [are] the families of the Zorathites.

2 En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

1KR 4:3 Dit waren de zonen van Etam: Jizreël, Jisma en Jidbas, hun zuster heette Hasselelponi;

3 And these [were of] the father of Etam; Jezreel, and Ishma, and Idbash: and the name of their sister [was] Hazelelponi:

3 En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.

1KR 4:4 voorts Penuël, de vader van Gedor, en Ezer, de vader van Chusa. Dit zijn de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrata, de vader van Betlehem.

4 And Penuel the father of Gedor, and Ezer the father of Hushah. These [are] the sons of Hur, the firstborn of Ephratah, the father of Bethlehem.

4 En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.

1KR 4:5 Aschur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Chela en Naära.

5 And Ashur the father of Tekoa had two wives, Helah and Naarah.

5 Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naara.

1KR 4:6 En Naära baarde hem Achuzzam, Chefer, de Temenieten en de Achastarieten; dit zijn de zonen van Naära.

6 And Naarah bare him Ahuzam, and Hepher, and Temeni, and Haahashtari. These [were] the sons of Naarah.

6 En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.

1KR 4:7 En de zonen van Chela waren: Seret, Jesochar en Etnan.

7 And the sons of Helah [were], Zereth, and Jezoar, and Ethnan.

7 En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

1KR 4:8 Kos verwekte Anub en Hassobeba, ook de geslachten van Acharchel, de zoon van Harum.

8 And Coz begat Anub, and Zobebah, and the families of Aharhel the son of Harum.

8 En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.

1KR 4:9 Jabes was de aanzienlijkste onder zijn broeders; zijn moeder had hem Jabes genoemd: want, zeide zij, ik heb hem met smart gebaard.

9 And Jabez was more honourable than his brethren: and his mother called his name Jabez, saying, Because I bare him with sorrow.

9 Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.

1KR 4:10 Jabes nu riep de God van Israël aan met de woorden: Wil mij toch overvloedig zegenen en mijn gebied vergroten; laat uw hand met mij zijn; weer van mij het kwade, zodat mij geen smart treft! En God schonk wat hij had gevraagd.

10 And Jabez called on the God of Israel, saying, Oh that thou wouldest bless me indeed, and enlarge my coast, and that thine hand might be with me, and that thou wouldest keep [me] from evil, that it may not grieve me! And God granted him that which he requested.

10 Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade [alzo] maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.

1KR 4:11 Kelub, de broeder van Sucha, verwekte Mechir; deze was de vader van Eston.

11 And Chelub the brother of Shuah begat Mehir, which [was] the father of Eshton.

11 En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.

1KR 4:12 En Eston verwekte Bet-Rafa, Paseach en Techinna, de vader van Ir-Nachas; dit waren de mannen van Reka.

12 And Eshton begat Bethrapha, and Paseah, and Tehinnah the father of Irnahash. These [are] the men of Rechah.

12 Eston nu gewon Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.

1KR 4:13 De zonen van Kenaz waren: Otniël en Seraja; de zonen van Otniël: Chatat en Meonotai;

13 And the sons of Kenaz; Othniel, and Seraiah: and the sons of Othniel; Hathath.

13 En de kinderen van Kenaz waren Othniel en Seraja; en de kinderen van Othniel, Hathath.

1KR 4:14 en Meonotai verwekte Ofra. En Seraja verwekte Joab, de vader der bewoners van het Handwerkersdal, want dezen waren handwerkslieden.

14 And Meonothai begat Ophrah: and Seraiah begat Joab, the father of the valley of Charashim; for they were craftsmen.

14 En Meonothai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.

1KR 4:15 De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne, waren: Iru, Ela en Naäm, en de zonen van Ela: Kenaz.

15 And the sons of Caleb the son of Jephunneh; Iru, Elah, and Naam: and the sons of Elah, even Kenaz.

15 De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.

1KR 4:16 De zonen van Jehallelel: Zif, Zifa, Tireja en Asarel.

16 And the sons of Jehaleleel; Ziph, and Ziphah, Tiria, and Asareel.

16 En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.

1KR 4:17 De zonen van Ezra waren: Jeter, Mered, Efer en Jalon. Dit zijn de zonen van Bitja, de dochter van Farao, die Mered tot vrouw genomen had: zij baarde Mirjam, Sammai en Jisbach, de vader van Estemoa.

17 And the sons of Ezra [were], Jether, and Mered, and Epher, and Jalon: and she bare Miriam, and Shammai, and Ishbah the father of Eshtemoa.

17 En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, den vader van Esthemoa.

1KR 4:18 En zijn Judeese vrouw baarde Jered, de vader van Gedor, Cheber, de vader van Soko, en Jekutiël, de vader van Zanoach.

18 And his wife Jehudijah bare Jered the father of Gedor, and Heber the father of Socho, and Jekuthiel the father of Zanoah. And these [are] the sons of Bithiah the daughter of Pharaoh, which Mered took.

18 En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekuthiel, den vader van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had.

1KR 4:19 De zonen van de vrouw van Hodia, de zuster van Nacham, waren: Abi-Keïla, de Garmiet en Estemoa, de Maäkatiet.

19 And the sons of [his] wife Hodiah the sister of Naham, the father of Keilah the Garmite, and Eshtemoa the Maachathite.

19 En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maachathiet.

1KR 4:20 De zonen van Simon waren: Amnon, Rinna, Ben-Chanan en Tilon; de zonen van Jisi: Zochet en Ben-Zochet.

20 And the sons of Shimon [were], Amnon, and Rinnah, Benhanan, and Tilon. And the sons of Ishi [were], Zoheth, and Benzoheth.

20 En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.

1KR 4:21 De zonen van Sela, de zoon van Juda, waren: Er, de vader van Leka, Lada, de vader van Maresa, en de geslachten van de linnenwevers van Bet-Asbea.

21 The sons of Shelah the son of Judah [were], Er the father of Lecah, and Laadah the father of Mareshah, and the families of the house of them that wrought fine linen, of the house of Ashbea,

21 De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbea.

1KR 4:22 Voorts Jokim en de mannen van Kozeba; Joas en Saraf die Moab hebben beheerst; en Jasubi-Lechem - dit zijn oude geschiedenissen.

22 And Jokim, and the men of Chozeba, and Joash, and Saraph, who had the dominion in Moab, and Jashubilehem. And [these are] ancient things.

22 Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

1KR 4:23 Zij waren de pottenbakkers, bewoners van Netaïm en Gedera; zij woonden daar bij de koning en stonden in zijn dienst.

23 These [were] the potters, and those that dwelt among plants and hedges: there they dwelt with the king for his work.

23 Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk.

1KR 4:24 De zonen van Simeon waren: Nemuël, Jamin, Jarib, Zerach en Saul;

24 The sons of Simeon [were], Nemuel, and Jamin, Jarib, Zerah, [and] Shaul:

24 De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.

1KR 4:25 diens zoon was Sallum, diens zoon Mibsam, diens zoon Misma.

25 Shallum his son, Mibsam his son, Mishma his son.

25 Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.

1KR 4:26 En de zonen van Misma: zijn zoon Chammuël, diens zoon Zakkur, diens zoon Simi.

26 And the sons of Mishma; Hamuel his son, Zacchur his son, Shimei his son.

26 De kinderen van Misma waren [dezen]: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.

1KR 4:27 En Simi had zestien zonen en zes dochters; zijn broeders echter hadden niet vele zonen. Hun gehele geslacht was niet zo talrijk als de nakomelingen van Juda.

27 And Shimei had sixteen sons and six daughters; but his brethren had not many children, neither did all their family multiply, like to the children of Judah.

27 Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.

1KR 4:28 Zij woonden in Berseba, Molada, Chasar-Sual,

28 And they dwelt at Beersheba, and Moladah, and Hazarshual,

28 En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,

1KR 4:29 Bilha, Esem, Tolad,

29 And at Bilhah, and at Ezem, and at Tolad,

29 En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,

1KR 4:30 Betuël, Chorma, Siklag,

30 And at Bethuel, and at Hormah, and at Ziklag,

30 En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,

1KR 4:31 Bet-Hammarkabot, Chasar-Susim, Bet-Biri en Saäraim; dit waren hun steden, totdat David koning werd.

31 And at Bethmarcaboth, and Hazarsusim, and at Bethbirei, and at Shaaraim. These [were] their cities unto the reign of David.

31 En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.

1KR 4:32 En hun nederzettingen waren Etam, Ain, Rimmon, Token en Asan, vijf steden,

32 And their villages [were], Etam, and Ain, Rimmon, and Tochen, and Ashan, five cities:

32 En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.

1KR 4:33 ook al hun nederzettingen die rondom deze steden lagen, tot aan Baäl. Dit waren hun woonplaatsen. Zij hielden hun eigen geslachtsregisters.

33 And all their villages that [were] round about the same cities, unto Baal. These [were] their habitations, and their genealogy.

33 En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.

1KR 4:34 En Mesobab, Jamlek, Josa, de zoon van Amasja,

34 And Meshobab, and Jamlech, and Joshah the son of Amaziah,

34 Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,

1KR 4:35 Joël, Jehu - de zoon van Josibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël

35 And Joel, and Jehu the son of Josibiah, the son of Seraiah, the son of Asiel,

35 En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,

1KR 4:36 -, Eljoënai, Jaäkoba, Jesochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja

36 And Elioenai, and Jaakobah, and Jeshohaiah, and Asaiah, and Adiel, and Jesimiel, and Benaiah,

36 En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,

1KR 4:37 en Ziza - de zoon van Sifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja -

37 And Ziza the son of Shiphi, the son of Allon, the son of Jedaiah, the son of Shimri, the son of Shemaiah;

37 En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;

1KR 4:38 dezen die met name genoemd zijn, waren vorsten in hun geslachten. Hun families breidden zich sterk uit;

38 These mentioned by [their] names [were] princes in their families: and the house of their fathers increased greatly.

38 Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.

1KR 4:39 daarom gingen zij westwaarts van Gedor, tot aan de oostkant van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun kudden.

39 And they went to the entrance of Gedor, [even] unto the east side of the valley, to seek pasture for their flocks.

39 En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.

1KR 4:40 Zij vonden ook vette en vruchtbare weidegrond; het land was zeer uitgestrekt, en het was rustig en vredig, hoewel zij die daar voorheen woonden, van Cham afstamden.

40 And they found fat pasture and good, and the land [was] wide, and quiet, and peaceable; for [they] of Ham had dwelt there of old.

40 En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar tevoren.

1KR 4:41 Degenen, wier namen zijn opgetekend, kwamen in de dagen van Jechizkia, de koning van Juda, en vernielden hun tenten en versloegen de Meünieten die zich daar bevonden. Zij sloegen hen met de ban, tot op deze dag, en zij gingen daar in hun plaats wonen, omdat daar weidegrond was voor hun kudden.

41 And these written by name came in the days of Hezekiah king of Judah, and smote their tents, and the habitations that were found there, and destroyed them utterly unto this day, and dwelt in their rooms: because [there was] pasture there for their flocks.

41 Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.

1KR 4:42 Ook ging een deel van de Simeonieten, vijfhonderd man, naar het gebergte Seïr, onder aanvoering van Pelatja, Nearja, Refaja, en Uzziël, de zonen van Jisi;

42 And [some] of them, [even] of the sons of Simeon, five hundred men, went to mount Seir, having for their captains Pelatiah, and Neariah, and Rephaiah, and Uzziel, the sons of Ishi.

42 Ook gingen uit hen, [te] [weten] uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden.

1KR 4:43 zij sloegen het overblijfsel van Amalek, dat ontkomen was; en bleven daar wonen tot op de huidige dag.

43 And they smote the rest of the Amalekites that were escaped, and dwelt there unto this day.

43 En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.

1KR 5:1 De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij de legerstede van zijn vader had ontwijd, was zijn eerstgeboorterecht geschonken aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël - maar deze werd niet in het register als eerstgeborene ingeschreven;

1 Now the sons of Reuben the firstborn of Israel, (for he [was] the firstborn; but, forasmuch as he defiled his father's bed, his birthright was given unto the sons of Joseph the son of Israel: and the genealogy is not to be reckoned after the birthright.

1 De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israel; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israel; doch niet [alzo], dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;

1KR 5:2 wel was Juda de sterkste onder zijn broeders en één uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht viel ten deel aan Jozef -,

2 For Judah prevailed above his brethren, and of him [came] the chief ruler; but the birthright [was] Joseph's:)

2 Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.)

1KR 5:3 de zonen dan van Ruben, de eerstgeborene van Israël, waren: Chanok en Pallu, Chesron en Karmi.

3 The sons, [I say], of Reuben the firstborn of Israel [were], Hanoch, and Pallu, Hezron, and Carmi.

3 De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.

1KR 5:4 En de zonen van Joël: zijn zoon Semaja, diens zoon Gog, diens zoon Simi,

4 The sons of Joel; Shemaiah his son, Gog his son, Shimei his son,

4 De kinderen van Joel: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei;

1KR 5:5 diens zoon Micha, diens zoon Reaja, diens zoon Baäl,

5 Micah his son, Reaia his son, Baal his son,

5 Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Baal;

1KR 5:6 en diens zoon Beëra, welke Tillegatpilneser, de koning van Assur, wegvoerde; hij was vorst over de Rubenieten.

6 Beerah his son, whom Tilgathpilneser king of Assyria carried away [captive]: he [was] prince of the Reubenites.

6 Zijn zoon Beera, welken Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrie, gevankelijk wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten.

1KR 5:7 Zijn broeders, naar hun geslachten, in het register volgens hun afstamming ingeschreven, waren: het hoofd Jeïel, Zekarja

7 And his brethren by their families, when the genealogy of their generations was reckoned, [were] the chief, Jeiel, and Zechariah,

7 Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,

1KR 5:8 en Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël; deze woonde in Aroër en tot aan Nebo en Baäl-Meon;

8 And Bela the son of Azaz, the son of Shema, the son of Joel, who dwelt in Aroer, even unto Nebo and Baalmeon:

8 En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,

1KR 5:9 en oostwaarts woonde hij langs de rand van de woestijn die zich van de rivier de Eufraat af uitstrekt; want in het land Gilead hadden hun kudden zich vermeerderd.

9 And eastward he inhabited unto the entering in of the wilderness from the river Euphrates: because their cattle were multiplied in the land of Gilead.

9 En hij woonde tegen het oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead.

1KR 5:10 In de dagen van Saul voerden zij oorlog met de Hagrieten; toen dezen hun in handen gevallen waren, gingen zij in hun tenten wonen aan de gehele oostzijde van Gilead.

10 And in the days of Saul they made war with the Hagarites, who fell by their hand: and they dwelt in their tents throughout all the east [land] of Gilead.

10 En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead.

1KR 5:11 De zonen van Gad woonden tegenover hen in het land Basan, tot aan Salka.

11 And the children of Gad dwelt over against them, in the land of Bashan unto Salchah:

11 De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe.

1KR 5:12 Joël was het hoofd, Safam de tweede; ook Janai en Safat hadden hun woonplaats in Basan.

12 Joel the chief, and Shapham the next, and Jaanai, and Shaphat in Bashan.

12 Joel was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat [bleven] in Basan.

1KR 5:13 Hun broeders, naar families ingedeeld, waren: Michaël, Mesullam, Seba, Jorai, Jakan, Zia en Eber, zeven.

13 And their brethren of the house of their fathers [were], Michael, and Meshullam, and Sheba, and Jorai, and Jachan, and Zia, and Heber, seven.

13 Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.

1KR 5:14 Dezen waren zonen van Abichaïl, de zoon van Churi, de zoon van Jaroach, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesisai, de zoon van Jachdo, de zoon van Buz.

14 These [are] the children of Abihail the son of Huri, the son of Jaroah, the son of Gilead, the son of Michael, the son of Jeshishai, the son of Jahdo, the son of Buz;

14 Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.

1KR 5:15 Achi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was hoofd van hun familie.

15 Ahi the son of Abdiel, the son of Guni, chief of the house of their fathers.

15 Ahi, de zoon van Abdiel, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.

1KR 5:16 Zij woonden dan in Gilead, in Basan en de daarbij behorende streken, en op alle weidegronden van Saron tot waar deze eindigen.

16 And they dwelt in Gilead in Bashan, and in her towns, and in all the suburbs of Sharon, upon their borders.

16 En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.

1KR 5:17 Zij allen werden in het register ingeschreven ten tijde van Jotam, de koning van Juda, en van Jerobeam, de koning van Israël.

17 All these were reckoned by genealogies in the days of Jotham king of Judah, and in the days of Jeroboam king of Israel.

17 Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, den koning van Israel.

1KR 5:18 De zonen van Ruben, de Gadieten en de helft van de stam Manasse, zovelen er weerbaar waren - de mannen die schild en zwaard droegen, de boog spanden en geoefend waren in de strijd - waren sterk vierenveertigduizend zevenhonderd zestig man, die in het leger uittrokken.

18 The sons of Reuben, and the Gadites, and half the tribe of Manasseh, of valiant men, men able to bear buckler and sword, and to shoot with bow, and skilful in war, [were] four and forty thousand seven hundred and threescore, that went out to the war.

18 Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.

1KR 5:19 Dezen voerden oorlog met de Hagrieten en met Jetur, Nafis en Nodab;

19 And they made war with the Hagarites, with Jetur, and Nephish, and Nodab.

19 En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en [tegen] Jethur, en Nafis, en Nodab.

1KR 5:20 zij werden in de strijd tegen hen geholpen, zodat de Hagrieten met allen die bij hen waren, in hun handen vielen; want zij riepen in de strijd tot God en Hij liet Zich door hen verbidden, omdat zij op Hem hadden vertrouwd.

20 And they were helped against them, and the Hagarites were delivered into their hand, and all that [were] with them: for they cried to God in the battle, and he was intreated of them; because they put their trust in him.

20 Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in den krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, dewijl zij op Hem vertrouwden.

1KR 5:21 Zij voerden hun kudden weg: vijftigduizend kamelen, tweehonderdvijftigduizend schapen, tweeduizend ezels, benevens honderdduizend mensen -

21 And they took away their cattle; of their camels fifty thousand, and of sheep two hundred and fifty thousand, and of asses two thousand, and of men an hundred thousand.

21 En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen der mensen.

1KR 5:22 want er waren vele doden gevallen, omdat het een strijd was van Godswege; - en zij woonden in hun plaats tot aan de ballingschap.

22 For there fell down many slain, because the war [was] of God. And they dwelt in their steads until the captivity.

22 Want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.

1KR 5:23 De zonen van de halve stam Manasse woonden in dat land; talrijk waren zij van Basan af tot Baäl-Hermon, Senir en het gebergte Hermon toe.

23 And the children of the half tribe of Manasseh dwelt in the land: they increased from Bashan unto Baalhermon and Senir, and unto mount Hermon.

23 De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baal-Hermon, en Senir, en den berg Hermon.

1KR 5:24 En dit waren hun familiehoofden: Efer, Jisi, Eliël, Azriël, Jirmeja, Hodawja en Jachdiël, dappere helden, mannen van naam, hoofden van hun families.

24 And these [were] the heads of the house of their fathers, even Epher, and Ishi, and Eliel, and Azriel, and Jeremiah, and Hodaviah, and Jahdiel, mighty men of valour, famous men, [and] heads of the house of their fathers.

24 Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.

1KR 5:25 Maar toen zij ontrouw werden jegens de God hunner vaderen en de goden van de volken des lands, die God vóór hen had verdelgd, overspelig naliepen,

25 And they transgressed against the God of their fathers, and went a whoring after the gods of the people of the land, whom God destroyed before them.

25 Maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hun aangezichten had verdelgd.

1KR 5:26 wekte de God van Israël de geest op van Pul, de koning van Assur, namelijk de geest van Tillegatpilneser, de koning van Assur, en deze voerde hen weg: de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam Manasse. En hij bracht hen naar Chalach, Chabor, Hara en de rivier van Gozan, waar zij zijn tot op de huidige dag.

26 And the God of Israel stirred up the spirit of Pul king of Assyria, and the spirit of Tilgathpilneser king of Assyria, and he carried them away, even the Reubenites, and the Gadites, and the half tribe of Manasseh, and brought them unto Halah, and Habor, and Hara, and to the river Gozan, unto this day.

26 Zo verwekte de God Israels den geest van Pul, den koning van Assyrie, en den geest van Tiglath-Pilneser, den koning van Assyrie, die voerde hen gevankelijk weg, [te] [weten] de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.

1KR 6:1 De zonen van Levi waren: Gerson, Kehat en Merari;

1 The sons of Levi; Gershon, Kohath, and Merari.

1 De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.

1KR 6:2 de zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël;

2 And the sons of Kohath; Amram, Izhar, and Hebron, and Uzziel.

2 De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

1KR 6:3 de kinderen van Amram: Aäron, Mozes en Mirjam; en de zonen van Aäron: Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar.

3 And the children of Amram; Aaron, and Moses, and Miriam. The sons also of Aaron; Nadab, and Abihu, Eleazar, and Ithamar.

3 En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

1KR 6:4 Eleazar verwekte Pinechas; Pinechas verwekte Abisua;

4 Eleazar begat Phinehas, Phinehas begat Abishua,

4 En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua;

1KR 6:5 Abisua verwekte Bukki; Bukki verwekte Uzzi;

5 And Abishua begat Bukki, and Bukki begat Uzzi,

5 En Abisua gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi;

1KR 6:6 Uzzi verwekte Zerachja; Zerachja verwekte Merajot;

6 And Uzzi begat Zerahiah, and Zerahiah begat Meraioth,

6 En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;

1KR 6:7 Merajot verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitub;

7 Meraioth begat Amariah, and Amariah begat Ahitub,

7 En Merajoth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;

1KR 6:8 Achitub verwekte Sadok; Sadok verwekte Achimaäz;

8 And Ahitub begat Zadok, and Zadok begat Ahimaaz,

8 En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz;

1KR 6:9 Achimaäz verwekte Azarja; Azarja verwekte Jochanan;

9 And Ahimaaz begat Azariah, and Azariah begat Johanan,

9 En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;

1KR 6:10 Jochanan verwekte Azarja; deze is het, die het priesterambt bekleedde in de tempel die Salomo te Jeruzalem gebouwd had.

10 And Johanan begat Azariah, (he [it is] that executed the priest's office in the temple that Solomon built in Jerusalem:)

10 En Johanan gewon Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had.

1KR 6:11 En Azarja verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitub;

11 And Azariah begat Amariah, and Amariah begat Ahitub,

11 En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;

1KR 6:12 Achitub verwekte Sadok; Sadok verwekte Sallum;

12 And Ahitub begat Zadok, and Zadok begat Shallum,

12 En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum;

1KR 6:13 Sallum verwekte Chilkia; Chilkia verwekte Azarja;

13 And Shallum begat Hilkiah, and Hilkiah begat Azariah,

13 En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja;

1KR 6:14 Azarja verwekte Seraja; Seraja verwekte Josadak.

14 And Azariah begat Seraiah, and Seraiah begat Jehozadak,

14 En Azarja gewon Seraja, en Seraja gewon Jozadak;

1KR 6:15 En Josadak ging mede, toen de HERE (de bewoners) van Juda en Jeruzalem liet wegvoeren door Nebukadnessar.

15 And Jehozadak went [into captivity], when the LORD carried away Judah and Jerusalem by the hand of Nebuchadnezzar.

15 En Jozadak ging mede, als de HEERE Juda en Jeruzalem gevankelijk wegvoerde door de hand van Nebukadnezar.

1KR 6:16 De zonen van Levi dan waren: Gersom, Kehat en Merari.

16 The sons of Levi; Gershom, Kohath, and Merari.

16 [Zo] [zijn] [dan] de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

1KR 6:17 Dit zijn de namen van de zonen van Gersom: Libni en Simi;

17 And these [be] the names of the sons of Gershom; Libni, and Shimei.

17 En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simei.

1KR 6:18 de zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël;

18 And the sons of Kohath [were], Amram, and Izhar, and Hebron, and Uzziel.

18 En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

1KR 6:19 de zonen van Merari: Machli en Musi. En dit zijn de geslachten der Levieten, naar hun vaderen.

19 The sons of Merari; Mahli, and Mushi. And these [are] the families of the Levites according to their fathers.

19 De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.

1KR 6:20 Van Gersom: zijn zoon Libni, diens zoon Jachat, diens zoon Zimma,

20 Of Gershom; Libni his son, Jahath his son, Zimmah his son,

20 Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;

1KR 6:21 diens zoon Joach, diens zoon Iddo, diens zoon Zerach, en diens zoon Jeaterai.

21 Joah his son, Iddo his son, Zerah his son, Jeaterai his son.

21 Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

1KR 6:22 De zonen van Kehat: zijn zoon Amminadab, diens zoon Korach, diens zoon Assir,

22 The sons of Kohath; Amminadab his son, Korah his son, Assir his son,

22 De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;

1KR 6:23 diens zoon Elkana, diens zoon Ebjasaf, diens zoon Assir,

23 Elkanah his son, and Ebiasaph his son, and Assir his son,

23 Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;

1KR 6:24 diens zoon Tachat, diens zoon Uriël, diens zoon Uzzia en diens zoon Saul.

24 Tahath his son, Uriel his son, Uzziah his son, and Shaul his son.

24 Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.

1KR 6:25 De zonen van Elkana: Amasai, Achimot

25 And the sons of Elkanah; Amasai, and Ahimoth.

25 De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.

1KR 6:26 (en) Elkana; de zonen van (deze) Elkana: zijn zoon Sofai en diens zoon Nachat,

26 [As for] Elkanah: the sons of Elkanah; Zophai his son, and Nahath his son,

26 Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;

1KR 6:27 diens zoon Eliab, diens zoon Jerocham, diens zoon Elkana

27 Eliab his son, Jeroham his son, Elkanah his son.

27 Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.

1KR 6:28 en de zonen van Samuël: de eerstgeborene (Joël), en de tweede: Abia.

28 And the sons of Samuel; the firstborn Vashni, and Abiah.

28 De zonen van Samuel nu waren [dezen]: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.

1KR 6:29 De zonen van Merari: Machli, zijn zoon Libni, diens zoon Simi, diens zoon Uzza,

29 The sons of Merari; Mahli, Libni his son, Shimei his son, Uzza his son,

29 De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;

1KR 6:30 diens zoon Sima, diens zoon Chaggia en diens zoon Asaja.

30 Shimea his son, Haggiah his son, Asaiah his son.

30 Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.

1KR 6:31 Dit waren degenen die David aanstelde om de zang in het huis des HEREN te leiden, nadat de ark haar rustplaats gevonden had;

31 And these [are they] whom David set over the service of song in the house of the LORD, after that the ark had rest.

31 Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des HEEREN, nadat de ark [tot] rust [gekomen] was.

1KR 6:32 vóór de tabernakel, de tent der samenkomst, deden zij dienst als zangers, totdat Salomo het huis des HEREN bouwde te Jeruzalem; en zij vervulden hun ambt overeenkomstig het hun gegeven voorschrift.

32 And they ministered before the dwelling place of the tabernacle of the congregation with singing, until Solomon had built the house of the LORD in Jerusalem: and [then] they waited on their office according to their order.

32 En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.

1KR 6:33 Dit waren dan degenen die hun ambt vervulden, met hun zonen: van de zonen der Kehatieten: Heman, de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël,

33 And these [are] they that waited with their children. Of the sons of the Kohathites: Heman a singer, the son of Joel, the son of Shemuel,

33 Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joel, den zoon van Samuel,

1KR 6:34 de zoon van Elkana, de zoon van Jerocham, de zoon van Eliël, de zoon van Toach,

34 The son of Elkanah, the son of Jeroham, the son of Eliel, the son of Toah,

34 Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,

1KR 6:35 de zoon van Suf, de zoon van Elkana, de zoon van Machat, de zoon van Amasai,

35 The son of Zuph, the son of Elkanah, the son of Mahath, the son of Amasai,

35 Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,

1KR 6:36 de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Sefanja,

36 The son of Elkanah, the son of Joel, the son of Azariah, the son of Zephaniah,

36 Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,

1KR 6:37 de zoon van Tachat, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach,

37 The son of Tahath, the son of Assir, the son of Ebiasaph, the son of Korah,

37 Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,

1KR 6:38 de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, de zoon van Israël.

38 The son of Izhar, the son of Kohath, the son of Levi, the son of Israel.

38 Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.

1KR 6:39 Aan zijn rechterhand stond Asaf, zijn broeder; deze was de zoon van Berekja, de zoon van Sima,

39 And his brother Asaph, who stood on his right hand, [even] Asaph the son of Berachiah, the son of Shimea,

39 En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter [zijde]; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea,

1KR 6:40 de zoon van Michaël, de zoon van Baäseja, de zoon van Malkia,

40 The son of Michael, the son of Baaseiah, the son of Malchiah,

40 Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,

1KR 6:41 de zoon van Etni, de zoon van Zerach, de zoon van Adaja,

41 The son of Ethni, the son of Zerah, the son of Adaiah,

41 Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,

1KR 6:42 de zoon van Etan, de zoon van Zimma, de zoon van Simi,

42 The son of Ethan, the son of Zimmah, the son of Shimei,

42 Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,

1KR 6:43 de zoon van Jachat, de zoon van Gersom, de zoon van Levi.

43 The son of Jahath, the son of Gershom, the son of Levi.

43 Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.

1KR 6:44 Aan de linkerzijde stonden hun broeders, de zonen van Merari: Etan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluk,

44 And their brethren the sons of Merari [stood] on the left hand: Ethan the son of Kishi, the son of Abdi, the son of Malluch,

44 Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, [stonden] aan de linker [zijde], [namelijk] Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,

1KR 6:45 de zoon van Chasabja, de zoon van Amasja, de zoon van Chilkia,

45 The son of Hashabiah, the son of Amaziah, the son of Hilkiah,

45 Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,

1KR 6:46 de zoon van Amsi, de zoon van Bani, de zoon van Semer,

46 The son of Amzi, the son of Bani, the son of Shamer,

46 Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,

1KR 6:47 de zoon van Machli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi.

47 The son of Mahli, the son of Mushi, the son of Merari, the son of Levi.

47 Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.

1KR 6:48 Hun broeders, de Levieten, waren bestemd voor de gehele dienst van de tabernakel, het huis Gods.

48 Their brethren also the Levites [were] appointed unto all manner of service of the tabernacle of the house of God.

48 Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.

1KR 6:49 Maar Aäron en zijn zonen hadden tot taak, de offers te brengen op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, en al het werk in het allerheiligste te verrichten en verzoening te doen over Israël, geheel overeenkomstig het gebod van Mozes, de knecht Gods.

49 But Aaron and his sons offered upon the altar of the burnt offering, and on the altar of incense, [and were appointed] for all the work of the [place] most holy, and to make an atonement for Israel, according to all that Moses the servant of God had commanded.

49 Aaron nu en zijn zonen rookten op het altaar des brandoffers, en op het reukaltaar, zijnde [besteld] tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israel verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had.

1KR 6:50 Dit zijn de zonen van Aäron: zijn zoon Eleazar, diens zoon Pinechas, diens zoon Abisua,

50 And these [are] the sons of Aaron; Eleazar his son, Phinehas his son, Abishua his son,

50 Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;

1KR 6:51 diens zoon Bukki, diens zoon Uzzi, diens zoon Zerachja,

51 Bukki his son, Uzzi his son, Zerahiah his son,

51 Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;

1KR 6:52 diens zoon Merajot, diens zoon Amarja, diens zoon Achitub,

52 Meraioth his son, Amariah his son, Ahitub his son,

52 Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon;

1KR 6:53 diens zoon Sadok, en diens zoon Achimaäs.

53 Zadok his son, Ahimaaz his son.

53 Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.

1KR 6:54 Hun woonplaatsen, de tentenkampen op hun grondgebied, waren de volgende: aan de zonen van Aäron die tot het geslacht der Kehatieten behoorden - aan wie het (eerste) lot was ten deel gevallen -

54 Now these [are] their dwelling places throughout their castles in their coasts, of the sons of Aaron, of the families of the Kohathites: for theirs was the lot.

54 En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun landpalen, [namelijk] van de zonen van Aaron, van het huisgezin der Kahathieten, want dat lot was voor hen.

1KR 6:55 gaf men Hebron, in het land Juda, met de omliggende weidegronden;

55 And they gave them Hebron in the land of Judah, and the suburbs thereof round about it.

55 En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden rondom dezelve.

1KR 6:56 maar het akkerland van de stad met de daarbij behorende dorpen had men gegeven aan Kaleb, de zoon van Jefunne.

56 But the fields of the city, and the villages thereof, they gave to Caleb the son of Jephunneh.

56 Maar het veld der stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne.

1KR 6:57 Aan de zonen van Aäron gaf men de vrijstad Hebron, voorts Libna met zijn weidegronden, Jattir, Estemoa met zijn weidegronden,

57 And to the sons of Aaron they gave the cities of Judah, [namely], Hebron, [the city] of refuge, and Libnah with her suburbs, and Jattir, and Eshtemoa, with their suburbs,

57 En den kinderen van Aaron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden,

1KR 6:58 Chilen met zijn weidegronden, Debir met zijn weidegronden,

58 And Hilen with her suburbs, Debir with her suburbs,

58 En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,

1KR 6:59 Asan met zijn weidegronden, Bet-Semes met zijn weidegronden;

59 And Ashan with her suburbs, and Bethshemesh with her suburbs:

59 En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.

1KR 6:60 en van de stam Benjamin: Geba met zijn weidegronden, Alemet met zijn weidegronden, Anatot met zijn weidegronden. Al de steden, aan hun geslachten toegewezen, waren dertien steden.

60 And out of the tribe of Benjamin; Geba with her suburbs, and Alemeth with her suburbs, and Anathoth with her suburbs. All their cities throughout their families [were] thirteen cities.

60 Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.

1KR 6:61 En aan de overige zonen van Kehat, die uit deze stam gesproten waren, (gaf men) bij loting tien steden uit de halve stam, namelijk uit de helft van Manasse.

61 And unto the sons of Kohath, [which were] left of the family of that tribe, [were cities given] out of the half tribe, [namely, out of] the half [tribe] of Manasseh, by lot, ten cities.

61 Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.

1KR 6:62 Aan de geslachten der zonen van Gersom (gaf men): uit de stam Issakar, uit de stam Aser, uit de stam Naftali en uit de stam Manasse in Basan: dertien steden.

62 And to the sons of Gershom throughout their families out of the tribe of Issachar, and out of the tribe of Asher, and out of the tribe of Naphtali, and out of the tribe of Manasseh in Bashan, thirteen cities.

62 En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.

1KR 6:63 Aan de geslachten der zonen van Merari (gaf men) bij loting: uit de stam Ruben, uit de stam Gad en uit de stam Zebulon: twaalf steden.

63 Unto the sons of Merari [were given] by lot, throughout their families, out of the tribe of Reuben, and out of the tribe of Gad, and out of the tribe of Zebulun, twelve cities.

63 De kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden.

1KR 6:64 Dus gaven de Israëlieten aan de Levieten de steden met haar weidegronden:

64 And the children of Israel gave to the Levites [these] cities with their suburbs.

64 Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.

1KR 6:65 zij gaven uit de stam van de Judeeërs, uit de stam van de Simeonieten en uit de stam van de Benjaminieten bij loting deze steden, die zij met name noemden.

65 And they gave by lot out of the tribe of the children of Judah, and out of the tribe of the children of Simeon, and out of the tribe of the children of Benjamin, these cities, which are called by [their] names.

65 En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, en van den stam der kinderen van Benjamin, deze steden, dewelke zij bij namen noemden.

1KR 6:66 En aan de overige geslachten der zonen van Kehat - de steden van hun gebied behoorden tot de stam Efraïm -

66 And [the residue] of the families of the sons of Kohath had cities of their coasts out of the tribe of Ephraim.

66 [Aan] [de] [overigen] nu, uit de huisgezinnen der kinderen van Kahath, dien gewerden steden hunner landpale, van den stam van Efraim.

1KR 6:67 gaf men de vrijstad Sichem met haar weidegronden, in het gebergte van Efraïm, voorts Gezer met zijn weidegronden,

67 And they gave unto them, [of] the cities of refuge, Shechem in mount Ephraim with her suburbs; [they gave] also Gezer with her suburbs,

67 Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraim, en Gezer en haar voorsteden,

1KR 6:68 Jokmeam met zijn weidegronden, Bet-Choron met zijn weidegronden,

68 And Jokmeam with her suburbs, and Bethhoron with her suburbs,

68 En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,

1KR 6:69 Ajjalon met zijn weidegronden, en Gat-Rimmon met zijn weidegronden.

69 And Aijalon with her suburbs, and Gathrimmon with her suburbs:

69 En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.

1KR 6:70 En uit de halve stam Manasse: Aner met zijn weidegronden, en Bileam met zijn weidegronden. (Deze steden) waren voor de overige geslachten der zonen van Kehat.

70 And out of the half tribe of Manasseh; Aner with her suburbs, and Bileam with her suburbs, for the family of the remnant of the sons of Kohath.

70 En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bileam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden [deze] [steden]:

1KR 6:71 Aan de zonen van Gersom (gaf men) uit het geslacht van de halve stam Manasse: Golan in Basan met zijn weidegronden en Astarot met zijn weidegronden;

71 Unto the sons of Gershom [were given] out of the family of the half tribe of Manasseh, Golan in Bashan with her suburbs, and Ashtaroth with her suburbs:

71 De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden.

1KR 6:72 uit de stam Issakar: Kedes met zijn weidegronden, Daberat met zijn weidegronden,

72 And out of the tribe of Issachar; Kedesh with her suburbs, Daberath with her suburbs,

72 En van den stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,

1KR 6:73 Ramot met zijn weidegronden en Anem met zijn weidegronden;

73 And Ramoth with her suburbs, and Anem with her suburbs:

73 En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.

1KR 6:74 uit de stam Aser: Masal met zijn weidegronden, Abdon met zijn weidegronden,

74 And out of the tribe of Asher; Mashal with her suburbs, and Abdon with her suburbs,

74 En van den stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdor en haar voorsteden,

1KR 6:75 Chukok met zijn weidegronden en Rechob met zijn weidegronden;

75 And Hukok with her suburbs, and Rehob with her suburbs:

75 En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.

1KR 6:76 en uit de stam Naftali: Kedes in Galila met zijn weidegronden, Chammon met zijn weidegronden en Kirjataïm met zijn weidegronden.

76 And out of the tribe of Naphtali; Kedesh in Galilee with her suburbs, and Hammon with her suburbs, and Kirjathaim with her suburbs.

76 En van den stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden.

1KR 6:77 Aan de overige zonen van Merari gaf men uit de stam Zebulon: Rimmono met zijn weidegronden en Tabor met zijn weidegronden;

77 Unto the rest of the children of Merari [were given] out of the tribe of Zebulun, Rimmon with her suburbs, Tabor with her suburbs:

77 De overige kinderen van Merari hadden van den stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;

1KR 6:78 en aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, ten oosten van de Jordaan, uit de stam Ruben: Beser in de woestijn met zijn weidegronden, Jahas met zijn weidegronden,

78 And on the other side Jordan by Jericho, on the east side of Jordan, [were given them] out of the tribe of Reuben, Bezer in the wilderness with her suburbs, and Jahzah with her suburbs,

78 En aan gene zijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van den stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden,

1KR 6:79 Kedemot met zijn weidegronden en Mefaät met zijn weidegronden;

79 Kedemoth also with her suburbs, and Mephaath with her suburbs:

79 En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden;

1KR 6:80 en uit de stam Gad: Ramot in Gilead met zijn weidegronden, Machanaïm met zijn weidegronden,

80 And out of the tribe of Gad; Ramoth in Gilead with her suburbs, and Mahanaim with her suburbs,

80 En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,

1KR 6:81 Chesbon met zijn weidegronden en Jazer met zijn weidegronden.

81 And Heshbon with her suburbs, and Jazer with her suburbs.

81 En Hesbon en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.

1KR 7:1 De zonen van Issakar waren: Tola en Pua, Jasib en Simron, vier.

1 Now the sons of Issachar [were], Tola, and Puah, Jashub, and Shimron, four.

1 De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.

1KR 7:2 En de zonen van Tola: Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuël, familiehoofden van Tola, dappere helden krachtens hun afkomst; hun aantal bedroeg in de dagen van David tweeëntwintigduizend zeshonderd.

2 And the sons of Tola; Uzzi, and Rephaiah, and Jeriel, and Jahmai, and Jibsam, and Shemuel, heads of their father's house, [to wit], of Tola: [they were] valiant men of might in their generations; whose number [was] in the days of David two and twenty thousand and six hundred.

2 De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en Jeriel, en Jachmai, en Jibsam, en Samuel; hoofden van de huizen hunner vaderen, van Thola, kloeke helden in hun geslachten; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd.

1KR 7:3 De zonen van Uzzi waren: Jizrachja, en de zonen van Jizrachja: Michaël, Obadja, Joël, Jissia; in het geheel vijf hoofden.

3 And the sons of Uzzi; Izrahiah: and the sons of Izrahiah; Michael, and Obadiah, and Joel, Ishiah, five: all of them chief men.

3 En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, [en] Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.

1KR 7:4 Bij hen behoorden, gelet op hun afstammelingen en families, zesendertigduizend man krijgsbenden; want zij hadden veel vrouwen en kinderen.

4 And with them, by their generations, after the house of their fathers, [were] bands of soldiers for war, six and thirty thousand [men]: for they had many wives and sons.

4 En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.

1KR 7:5 En hun broeders uit alle geslachten van Issakar, dappere helden, waren allen tezamen, zevenentachtigduizend, in het register ingeschreven.

5 And their brethren among all the families of Issachar [were] valiant men of might, reckoned in all by their genealogies fourscore and seven thousand.

5 En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.

1KR 7:6 De zonen van Benjamin waren: Bela, Beker en Jediaël, drie.

6 [The sons] of Benjamin; Bela, and Becher, and Jediael, three.

6 [De] [kinderen] van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.

1KR 7:7 De zonen van Bela: Esbon, Uzzi, Uzziël, Jerimot en Iri, vijf familiehoofden, dappere krijgshelden; hun register (telde) tweeëntwintigduizend vierendertig man.

7 And the sons of Bela; Ezbon, and Uzzi, and Uzziel, and Jerimoth, and Iri, five; heads of the house of [their] fathers, mighty men of valour; and were reckoned by their genealogies twenty and two thousand and thirty and four.

7 En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziel, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.

1KR 7:8 De zonen van Beker: Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremot, Abia, Anatot en Alemet; deze allen waren zonen van Beker;

8 And the sons of Becher; Zemira, and Joash, and Eliezer, and Elioenai, and Omri, and Jerimoth, and Abiah, and Anathoth, and Alameth. All these [are] the sons of Becher.

8 De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliezer, en Eljoenai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher.

1KR 7:9 hun register, naar afstamming en familiehoofden gerangschikt, telde twintigduizend tweehonderd dappere helden.

9 And the number of them, after their genealogy by their generations, heads of the house of their fathers, mighty men of valour, [was] twenty thousand and two hundred.

9 Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.

1KR 7:10 En de zonen van Jediaël waren: Bilhan, en de zonen van Bilhan: Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zetan, Tarsis en Achisachar;

10 The sons also of Jediael; Bilhan: and the sons of Bilhan; Jeush, and Benjamin, and Ehud, and Chenaanah, and Zethan, and Tharshish, and Ahishahar.

10 De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.

1KR 7:11 deze allen, zonen van Jediaël, naar hun familiehoofden gerangschikt, waren dappere krijgshelden: zeventienduizend tweehonderd, die in het leger ten strijde uittrokken.

11 All these the sons of Jediael, by the heads of their fathers, mighty men of valour, [were] seventeen thousand and two hundred [soldiers], fit to go out for war [and] battle.

11 Alle dezen waren kinderen van Jediael, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde.

1KR 7:12 En de Suppim en Chuppim waren zonen van Ir; de Chusim zonen van Acher.

12 Shuppim also, and Huppim, the children of Ir, [and] Hushim, the sons of Aher.

12 Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, [en] Husim, kinderen van Aher.

1KR 7:13 De zonen van Naftali waren: Jachasiël, Guni, Jeser en Sallum; kinderen van Bilha.

13 The sons of Naphtali; Jahziel, and Guni, and Jezer, and Shallum, the sons of Bilhah.

13 De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.

1KR 7:14 De zonen van Manasse waren: Asriël, die (zijn vrouw) baarde; zijn Arameese bijvrouw baarde Makir, de vader van Gilead.

14 The sons of Manasseh; Ashriel, whom she bare: ([but] his concubine the Aramitess bare Machir the father of Gilead:

14 De kinderen van Manasse waren Asriel, welken [de] [vrouw] [van] [Gilead] baarde; [doch] zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.

1KR 7:15 Makir nu nam een vrouw van de Chuppim en Suppim; de naam van zijn zuster was Maäka. De naam van de tweede was Selofchad. Selofchad nu had (alleen) dochters,

15 And Machir took to wife [the sister] of Huppim and Shuppim, whose sister's name [was] Maachah;) and the name of the second [was] Zelophehad: and Zelophehad had daughters.

15 Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters.

1KR 7:16 maar Maäka, de vrouw van Makir, baarde een zoon en noemde hem Peres. Diens broeder heette Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.

16 And Maachah the wife of Machir bare a son, and she called his name Peresh; and the name of his brother [was] Sheresh; and his sons [were] Ulam and Rakem.

16 En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.

1KR 7:17 De zonen van Ulam waren: Bedan. Dit zijn de zonen van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse.

17 And the sons of Ulam; Bedan. These [were] the sons of Gilead, the son of Machir, the son of Manasseh.

17 De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.

1KR 7:18 Zijn zuster Moleket baarde Ishod, Abiëzer en Machla.

18 And his sister Hammoleketh bare Ishod, and Abiezer, and Mahalah.

18 Belangende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiezer, en Mahela.

1KR 7:19 En de zonen van Semida waren: Achjan, Sekem, Likchi en Aniam.

19 And the sons of Shemida were, Ahian, and Shechem, and Likhi, and Aniam.

19 De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.

1KR 7:20 De zonen van Efraïm waren: Sutelach, zijn zoon Bered, diens zoon Tachat, diens zoon Elada, diens zoon Tachat,

20 And the sons of Ephraim; Shuthelah, and Bered his son, and Tahath his son, and Eladah his son, and Tahath his son,

20 En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;

1KR 7:21 diens zoon Zabad, diens zoon Sutelach; voorts Ezer en Elad. En de mannen van Gat, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij waren gekomen om hun vee te roven.

21 And Zabad his son, and Shuthelah his son, and Ezer, and Elead, whom the men of Gath [that were] born in [that] land slew, because they came down to take away their cattle.

21 En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.

1KR 7:22 Efraïm dan, hun vader, bedreef vele dagen rouw over hen, en zijn broeders kwamen om hem te troosten.

22 And Ephraim their father mourned many days, and his brethren came to comfort him.

22 Daarom droeg Efraim, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten.

1KR 7:23 Daarna kwam hij tot zijn vrouw, zij werd zwanger en baarde een zoon, die hij Beria noemde, omdat zijn huis door onheil getroffen was.

23 And when he went in to his wife, she conceived, and bare a son, and he called his name Beriah, because it went evil with his house.

23 Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis.

1KR 7:24 Zijn dochter was Seëra; zij bouwde Beneden- en Boven Bet-Choron, en Uzzen-Seëra.

24 (And his daughter [was] Sherah, who built Bethhoron the nether, and the upper, and Uzzensherah.)

24 Zijn dochter nu was Seera, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-Seera.

1KR 7:25 Refach was zijn zoon; ook Resef, en diens zoon was Telach, diens zoon Tachan,

25 And Rephah [was] his son, also Resheph, and Telah his son, and Tahan his son,

25 En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;

1KR 7:26 diens zoon Ladan, diens zoon Ammihud, diens zoon Elisama,

26 Laadan his son, Ammihud his son, Elishama his son,

26 Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;

1KR 7:27 diens zoon Nun, diens zoon Jozua.

27 Non his son, Jehoshua his son.

27 Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.

1KR 7:28 Hun bezittingen en woonplaatsen waren: Betel met zijn onderhorige plaatsen, in het oosten Naäran, in het westen Gezer met zijn onderhorige plaatsen, Sichem met zijn onderhorige plaatsen, tot aan Ajja met zijn onderhorige plaatsen.

28 And their possessions and habitations [were], Bethel and the towns thereof, and eastward Naaran, and westward Gezer, with the towns thereof; Shechem also and the towns thereof, unto Gaza and the towns thereof:

28 En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naaran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.

1KR 7:29 En tot het bezit der Manassieten behoorden: Bet-Sean met zijn onderhorige plaatsen, Taänak met zijn onderhorige plaatsen, Megiddo met zijn onderhorige plaatsen en Dor met zijn onderhorige plaatsen. Hier woonden de zonen van Jozef, de zoon van Israël.

29 And by the borders of the children of Manasseh, Bethshean and her towns, Taanach and her towns, Megiddo and her towns, Dor and her towns. In these dwelt the children of Joseph the son of Israel.

29 En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Thaanach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israel, gewoond.

1KR 7:30 De zonen van Aser waren: Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria; Serach was hun zuster.

30 The sons of Asher; Imnah, and Isuah, and Ishuai, and Beriah, and Serah their sister.

30 De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.

1KR 7:31 De zonen van Beria: Cheber en Malkiël; dit is de vader van Bir-Zaït.

31 And the sons of Beriah; Heber, and Malchiel, who [is] the father of Birzavith.

31 De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.

1KR 7:32 Cheber verwekte Jaflet, Somer en Chotam, en hun zuster Sua.

32 And Heber begat Japhlet, and Shomer, and Hotham, and Shua their sister.

32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.

1KR 7:33 De zonen van Jaflet waren: Pasak, Bimhal en Aswat; dit waren de zonen van Jaflet.

33 And the sons of Japhlet; Pasach, and Bimhal, and Ashvath. These [are] the children of Japhlet.

33 De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.

1KR 7:34 De zonen van Semer: Achi, Roga, Jechubba en Aram.

34 And the sons of Shamer; Ahi, and Rohgah, Jehubbah, and Aram.

34 En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.

1KR 7:35 De zonen van zijn broeder Helem: Sofach, Jimna, Seles en Amal.

35 And the sons of his brother Helem; Zophah, and Imna, and Shelesh, and Amal.

35 En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.

1KR 7:36 De zonen van Sofach: Suach, Charnefer, Sual, Beri, Jimra,

36 The sons of Zophah; Suah, and Harnepher, and Shual, and Beri, and Imrah,

36 De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,

1KR 7:37 Beser, Hod, Samma, Silsa, Jitran en Beëra.

37 Bezer, and Hod, and Shamma, and Shilshah, and Ithran, and Beera.

37 Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.

1KR 7:38 De zonen van Jeter: Jefunne, Pispa en Ara.

38 And the sons of Jether; Jephunneh, and Pispah, and Ara.

38 De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.

1KR 7:39 En de zonen van Ulla: Arach, Channiël en Risja.

39 And the sons of Ulla; Arah, and Haniel, and Rezia.

39 En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniel, en Rizja.

1KR 7:40 Al dezen waren zonen van Aser, familiehoofden, uitgelezenen, dappere krijgshelden, de voornaamste der vorsten; en in hun register stond voor de krijgsdienst opgetekend een getal van zesentwintigduizend man.

40 All these [were] the children of Asher, heads of [their] father's house, choice [and] mighty men of valour, chief of the princes. And the number throughout the genealogy of them that were apt to the war [and] to battle [was] twenty and six thousand men.

40 Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.

1KR 8:1 En Benjamin verwekte Bela, zijn eerstgeborene; Asbel, zijn tweede; Achrach, zijn derde;

1 Now Benjamin begat Bela his firstborn, Ashbel the second, and Aharah the third,

1 Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde,

1KR 8:2 Nocha, zijn vierde, en Rafa, zijn vijfde.

2 Nohah the fourth, and Rapha the fifth.

2 Naho, den vierde, en Rafa, den vijfde.

1KR 8:3 Zonen van Bela waren: Addar, Gera, Abihud,

3 And the sons of Bela were, Addar, and Gera, and Abihud,

3 Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud,

1KR 8:4 Abisua, Naäman, Achoach,

4 And Abishua, and Naaman, and Ahoah,

4 En Abisua, en Naaman, en Ahoah,

1KR 8:5 Gera, Sefufan, en Churam.

5 And Gera, and Shephuphan, and Huram.

5 En Gera, en Sefufan, en Huram.

1KR 8:6 Dit waren de zonen van Echud - dezen waren familiehoofden van de inwoners van Geba, die men wegvoerde naar Manachat:

6 And these [are] the sons of Ehud: these are the heads of the fathers of the inhabitants of Geba, and they removed them to Manahath:

6 Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath;

1KR 8:7 Naäman, Achia en Gera voerde men weg - hij dan verwekte Uzza en Achichud.

7 And Naaman, and Ahiah, and Gera, he removed them, and begat Uzza, and Ahihud.

7 En Naaman, en Ahia, en Gera; dezen voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahihud.

1KR 8:8 En Sacharaïm kreeg kinderen in het veld van Moab, nadat hij zijn vrouwen Chusim en Baära had weggezonden;

8 And Shaharaim begat [children] in the country of Moab, after he had sent them away; Hushim and Baara [were] his wives.

8 En Saharaim gewon kinderen in het land van Moab (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Baara, zijn vrouwen;

1KR 8:9 hij verwekte namelijk bij zijn vrouw Chodes: Jobab, Sibja, Mesa, Malkam,

9 And he begat of Hodesh his wife, Jobab, and Zibia, and Mesha, and Malcham,

9 En uit Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Joab, en Zibja, en Mesa, en Malcham,

1KR 8:10 Jeüs, Sakeja en Mirma; dit waren zijn zonen, familiehoofden;

10 And Jeuz, and Shachia, and Mirma. These [were] his sons, heads of the fathers.

10 En Jeuz, en Sochja, en Mirma; dezen zijn zijne zonen, hoofden der vaderen.

1KR 8:11 bij Chusim had hij Abitub en Elpaäl verwekt.

11 And of Hushim he begat Abitub, and Elpaal.

11 En uit Husim gewon hij Abitub en Elpaal.

1KR 8:12 De zonen van Elpaäl waren: Eber, Misam en Semed; deze bouwde Ono, en Lod met zijn onderhorige plaatsen.

12 The sons of Elpaal; Eber, and Misham, and Shamed, who built Ono, and Lod, with the towns thereof:

12 De kinderen van Elpaal nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft Ono gebouwd, en Lod en haar onderhorige plaatsen;

1KR 8:13 Beria en Sema waren familiehoofden van de inwoners van Ajjalon; dezen dreven de inwoners van Gat op de vlucht.

13 Beriah also, and Shema, who [were] heads of the fathers of the inhabitants of Aijalon, who drove away the inhabitants of Gath:

13 En Beria, en Sema; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Ajalon; dezen hebben de inwoners van Gath verdreven.

1KR 8:14 Achio, Sasak, Jeremot,

14 And Ahio, Shashak, and Jeremoth,

14 En Ahjo, Sasak en Jeremoth,

1KR 8:15 ook Zebadja, Arad, Eder,

15 And Zebadiah, and Arad, and Ader,

15 En Zebadja, en Arad, en Eder,

1KR 8:16 Michaël, Jispa en Jocha waren de zonen van Beria.

16 And Michael, and Ispah, and Joha, the sons of Beriah;

16 En Michael, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria.

1KR 8:17 Zebadja, Mesullam, Chizki, Cheber,

17 And Zebadiah, and Meshullam, and Hezeki, and Heber,

17 En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

1KR 8:18 Jismerai, Jizlia en Jobab waren de zonen van Elpaäl.

18 Ishmerai also, and Jezliah, and Jobab, the sons of Elpaal;

18 En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaal.

1KR 8:19 Jakim, Zikri, Zabdi,

19 And Jakim, and Zichri, and Zabdi,

19 En Jakim, en Zichri, en Zabdi,

1KR 8:20 Eljoënai, Silletai, Eliël,

20 And Elienai, and Zilthai, and Eliel,

20 En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,

1KR 8:21 Adaja, Beraja en Simrat waren de zonen van Simi.

21 And Adaiah, and Beraiah, and Shimrath, the sons of Shimhi;

21 En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei.

1KR 8:22 Jispan, Eber, Eliël,

22 And Ishpan, and Heber, and Eliel,

22 En Jispan, en Eber, en Eliel,

1KR 8:23 Abdon, Zikri, Chanan,

23 And Abdon, and Zichri, and Hanan,

23 En Abdon, en Zichri, en Hanan,

1KR 8:24 Chananja, Elam, Antotia,

24 And Hananiah, and Elam, and Antothijah,

24 En Hananja, en Elam, en Antothija,

1KR 8:25 Jifdeja en Penuël waren de zonen van Sasak.

25 And Iphedeiah, and Penuel, the sons of Shashak;

25 En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.

1KR 8:26 En Samserai, Secharja, Atalja,

26 And Shamsherai, and Shehariah, and Athaliah,

26 En Samserai, en Seharja, en Athalja,

1KR 8:27 Jaäresja, Elia en Zikri waren de zonen van Jerocham.

27 And Jaresiah, and Eliah, and Zichri, the sons of Jeroham.

27 En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

1KR 8:28 Dit waren familiehoofden, hoofden over hun geslachten; zij woonden te Jeruzalem.

28 These [were] heads of the fathers, by their generations, chief [men]. These dwelt in Jerusalem.

28 Dezen waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.

1KR 8:29 Te Gibeon woonden: de vader van Gibeon - en de naam van zijn vrouw was Maäka -

29 And at Gibeon dwelt the father of Gibeon; whose wife's name [was] Maachah:

29 En te Gibeon woonde de vader van Gibeon; en de naam zijner huisvrouw was Maacha.

1KR 8:30 en zijn eerstgeboren zoon Abdon, voorts Sur, Kis, Baäl, Nadab,

30 And his firstborn son Abdon, and Zur, and Kish, and Baal, and Nadab,

30 En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Nadab,

1KR 8:31 Gedor, Achio en Zeker.

31 And Gedor, and Ahio, and Zacher.

31 En Gedor, en Ahio, en Zecher.

1KR 8:32 Miklot verwekte Sima; ook zij gingen, van hun overige broeders gescheiden, bij hun broeders in Jeruzalem wonen.

32 And Mikloth begat Shimeah. And these also dwelt with their brethren in Jerusalem, over against them.

32 En Mikloth gewon Simea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.

1KR 8:33 En Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl.

33 And Ner begat Kish, and Kish begat Saul, and Saul begat Jonathan, and Malchishua, and Abinadab, and Eshbaal.

33 Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaal.

1KR 8:34 De zoon van Jonatan was Meribbaäl, en Meribbaäl verwekte Micha.

34 And the son of Jonathan [was] Meribbaal; and Meribbaal begat Micah.

34 En Jonathans zoon was Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.

1KR 8:35 De zonen van Micha waren: Piton, Melek, Tarea en Achaz.

35 And the sons of Micah [were], Pithon, and Melech, and Tarea, and Ahaz.

35 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaarea, en Achaz.

1KR 8:36 Achaz verwekte Jehoadda; Jehoadda verwekte Alemet, Azmawet en Zimri; Zimri verwekte Mosa;

36 And Ahaz begat Jehoadah; and Jehoadah begat Alemeth, and Azmaveth, and Zimri; and Zimri begat Moza,

36 En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;

1KR 8:37 en Mosa verwekte Bina; diens zoon was Rafa, diens zoon Elasa, diens zoon Asel.

37 And Moza begat Binea: Rapha [was] his son, Eleasah his son, Azel his son:

37 En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azel.

1KR 8:38 Asel had zes zonen, wier namen waren: Azrikam, Bokeru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan; deze allen waren zonen van Asel.

38 And Azel had six sons, whose names [are] these, Azrikam, Bocheru, and Ishmael, and Sheariah, and Obadiah, and Hanan. All these [were] the sons of Azel.

38 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.

1KR 8:39 De zonen van Esek, zijn broeder, waren: Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs, zijn tweede, Elifelet, zijn derde.

39 And the sons of Eshek his brother [were], Ulam his firstborn, Jehush the second, and Eliphelet the third.

39 En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeus, de tweede, en Elifelet, de derde.

1KR 8:40 De zonen van Ulam waren dappere helden, die de boog spanden, en zij hadden vele kinderen en kleinkinderen: honderd vijftig. Deze allen behoorden tot de zonen van Benjamin.

40 And the sons of Ulam were mighty men of valour, archers, and had many sons, and sons' sons, an hundred and fifty. All these [are] of the sons of Benjamin.

40 En de zonen van Ulam waren mannen, kloeke helden, den boog spannende, en zij hadden vele zonen, en zoons zonen, honderd en vijftig. Al dezen waren van de kinderen van Benjamin.

1KR 9:1 Geheel Israël was in registers opgenomen; zij waren opgeschreven in het boek der koningen van Israël. De Judeeërs werden naar Babel weggevoerd om hun ontrouw.

1 So all Israel were reckoned by genealogies; and, behold, they [were] written in the book of the kings of Israel and Judah, [who] were carried away to Babylon for their transgression.

1 En gans Israel werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israel. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, om hunner overtredingen wil.

1KR 9:2 En de eersten, die zich weer op hun bezitting in hun steden kwamen vestigen, waren gewone Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de tempelhorigen.

2 Now the first inhabitants that [dwelt] in their possessions in their cities [were], the Israelites, the priests, Levites, and the Nethinims.

2 De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden [kwamen], waren de Israelieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim.

1KR 9:3 Te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse:

3 And in Jerusalem dwelt of the children of Judah, and of the children of Benjamin, and of the children of Ephraim, and Manasseh;

3 Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraim en Manasse;

1KR 9:4 Utai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, uit de zonen van Peres, de zoon van Juda;

4 Uthai the son of Ammihud, the son of Omri, the son of Imri, the son of Bani, of the children of Pharez the son of Judah.

4 Uthai, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.

1KR 9:5 van de Silonieten: Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen;

5 And of the Shilonites; Asaiah the firstborn, and his sons.

5 En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen.

1KR 9:6 en van de zonen van Zerach: Jeüel, en hun broeders; zeshonderd negentig.

6 And of the sons of Zerah; Jeuel, and their brethren, six hundred and ninety.

6 En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.

1KR 9:7 Van de zonen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodawja, de zoon van Hassenua;

7 And of the sons of Benjamin; Sallu the son of Meshullam, the son of Hodaviah, the son of Hasenuah,

7 En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodavja, den zoon van Hassenua;

1KR 9:8 Jibneja, de zoon van Jerocham; Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Mikri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Jibnia;

8 And Ibneiah the son of Jeroham, and Elah the son of Uzzi, the son of Michri, and Meshullam the son of Shephathiah, the son of Reuel, the son of Ibnijah;

8 En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;

1KR 9:9 voorts hun broeders, naar hun afstamming, negenhonderd zesenvijftig. Al deze mannen waren hoofden van hun families.

9 And their brethren, according to their generations, nine hundred and fifty and six. All these men [were] chief of the fathers in the house of their fathers.

9 En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.

1KR 9:10 Van de priesters: Jedaja, Jojarib, Jakin,

10 And of the priests; Jedaiah, and Jehoiarib, and Jachin,

10 Van de priesteren nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,

1KR 9:11 Azarja, de zoon van Chilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Sadok, de zoon van Merajot, de zoon van Achitub, de vorst van het huis Gods;

11 And Azariah the son of Hilkiah, the son of Meshullam, the son of Zadok, the son of Meraioth, the son of Ahitub, the ruler of the house of God;

11 En Azarja, de zoon van Hilkija, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, overste van het huis Gods;

1KR 9:12 Adaja, de zoon van Jerocham, de zoon van Paschur, de zoon van Malkia; Masai, de zoon van Adiël, de zoon van Jachzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemit, de zoon van Immer;

12 And Adaiah the son of Jeroham, the son of Pashur, the son of Malchijah, and Maasiai the son of Adiel, the son of Jahzerah, the son of Meshullam, the son of Meshillemith, the son of Immer;

12 En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.

1KR 9:13 en hun broeders, hoofden van hun families; duizend zevenhonderd zestig, wakkere mannen voor het dienstwerk in het huis Gods.

13 And their brethren, heads of the house of their fathers, a thousand and seven hundred and threescore; very able men for the work of the service of the house of God.

13 Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.

1KR 9:14 Van de Levieten: Semaja, de zoon van Chassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Chasabja, uit de zonen van Merari;

14 And of the Levites; Shemaiah the son of Hasshub, the son of Azrikam, the son of Hashabiah, of the sons of Merari;

14 Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;

1KR 9:15 en Bakbakkar, Cheres, Galal, Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zikri, de zoon van Asaf,

15 And Bakbakkar, Heresh, and Galal, and Mattaniah the son of Micah, the son of Zichri, the son of Asaph;

15 En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;

1KR 9:16 Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun; en Berekja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, die in de dorpen der Netofatieten woonde.

16 And Obadiah the son of Shemaiah, the son of Galal, the son of Jeduthun, and Berechiah the son of Asa, the son of Elkanah, that dwelt in the villages of the Netophathites.

16 En Obadja, de zoon van Semaja, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten.

1KR 9:17 En de poortwachters: Sallum, Akkub, Talmon en Achiman. Hun broeder Sallum was het hoofd,

17 And the porters [were], Shallum, and Akkub, and Talmon, and Ahiman, and their brethren: Shallum [was] the chief;

17 De poortiers nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun broeders; Sallum was het hoofd.

1KR 9:18 nog heeft hij zijn plaats bij de Koningspoort aan de oostzijde. Zij waren poortwachters bij de legerplaatsen der Levieten.

18 Who hitherto [waited] in the king's gate eastward: they [were] porters in the companies of the children of Levi.

18 Ook tot nog toe, aan de poort des konings oostwaarts, waren dezen de poortiers onder de legers der kinderen van Levi.

1KR 9:19 Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broeders, uit zijn familie, de Korachieten, hadden in het dienstwerk de taak van dorpelwachters bij de tent. Hun vaderen waren immers bij de legerplaats des HEREN bewakers van de ingang geweest;

19 And Shallum the son of Kore, the son of Ebiasaph, the son of Korah, and his brethren, of the house of his father, the Korahites, [were] over the work of the service, keepers of the gates of the tabernacle: and their fathers, [being] over the host of the LORD, [were] keepers of the entry.

19 En Sallum, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah, en zijn broeders van het huis zijns vaders, de Korathieten, waren over het werk van den dienst, wachters der dorpelen des tabernakels; gelijk hun vaders in het leger des HEEREN geweest waren bewaarders van den ingang;

1KR 9:20 eertijds had Pinechas, de vorst, de zoon van Eleazar, de leiding over hen gehad; de HERE zij met hem!

20 And Phinehas the son of Eleazar was the ruler over them in time past, [and] the LORD [was] with him.

20 Als Pinehas, de zoon van Eleazar, te voren voorganger bij hen was, met welken de HEERE was.

1KR 9:21 Zekarja, de zoon van Meselemja, was poortwachter bij de ingang van de tent der samenkomst.

21 [And] Zechariah the son of Meshelemiah [was] porter of the door of the tabernacle of the congregation.

21 Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortier aan de deur van de tent der samenkomst.

1KR 9:22 Het gehele getal van hen die uitgekozen waren tot poortwachters bij de dorpels, was tweehonderd twaalf. In hun dorpen zijn zij in het register opgenomen; David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt gesteld.

22 All these [which were] chosen to be porters in the gates [were] two hundred and twelve. These were reckoned by their genealogy in their villages, whom David and Samuel the seer did ordain in their set office.

22 Allen, die uitgelezen waren tot poortiers aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Dezen waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuel, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.

1KR 9:23 Zij en hun zonen hielden tot bewaking toezicht op de poorten van het huis des HEREN, de tentwoning.

23 So they and their children [had] the oversight of the gates of the house of the LORD, [namely], the house of the tabernacle, by wards.

23 Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van het huis des HEEREN, in het huis der tent, aan de wachten.

1KR 9:24 Naar de vier windstreken waren de poortwachters opgesteld: naar het oosten, het westen, het noorden en het zuiden.

24 In four quarters were the porters, toward the east, west, north, and south.

24 Die poortiers waren aan de vier winden, tegen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden, en tegen het zuiden.

1KR 9:25 En hun broeders, in hun dorpen, moesten op bepaalde tijden voor zeven dagen met hen dienst doen,

25 And their brethren, [which were] in their villages, [were] to come after seven days from time to time with them.

25 En hun broeders waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen [te] [dienen];

1KR 9:26 want in dit ambt waren zij de vier voornaamste poortwachters; zij waren Levieten. Zij hadden ook het opzicht over de vertrekken en de schatkamers van het huis Gods;

26 For these Levites, the four chief porters, were in [their] set office, and were over the chambers and treasuries of the house of God.

26 Want in dat ambt waren vier overste poortiers, die Levieten waren; en zij waren over de kameren en over de schatten van het huis Gods.

1KR 9:27 en rondom het huis Gods overnachtten zij, want de bewaking rustte op hen, en ook moesten zij elke morgen openen.

27 And they lodged round about the house of God, because the charge [was] upon them, and the opening thereof every morning [pertained] to them.

27 En zij bleven over nacht rondom het huis Gods; want op hen was de wacht, en zij waren over de opening, en dat allen morgen.

1KR 9:28 En sommigen van hen hadden de zorg voor wat bij de dienst nodig was; zij telden dat, als zij het naar binnen brachten en als zij het weer naar buiten brachten.

28 And [certain] of them had the charge of the ministering vessels, that they should bring them in and out by tale.

28 En [enigen] van hen waren over de vaten van den dienst; want bij getal droegen zij ze in, en bij getal droegen zij ze uit.

1KR 9:29 En anderen van hen waren aangesteld over het gerei, namelijk over al de heilige voorwerpen, en over het fijn meel, de wijn, de olie, de wierook, en de specerijen.

29 [Some] of them also [were] appointed to oversee the vessels, and all the instruments of the sanctuary, and the fine flour, and the wine, and the oil, and the frankincense, and the spices.

29 Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten, en over al de heilige vaten, en over de meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerij.

1KR 9:30 Maar priesters bereidden de specerijen tot zalf.

30 And [some] of the sons of the priests made the ointment of the spices.

30 En uit de zonen der priesteren waren de bereiders van het reukwerk der specerijen.

1KR 9:31 En Mattitja, een van de Levieten, - hij was de eerstgeborene van de Korachiet Sallum - had ambtshalve het toezicht op de bereiding van het bakwerk,

31 And Mattithiah, [one] of the Levites, who [was] the firstborn of Shallum the Korahite, had the set office over the things that were made in the pans.

31 En Mattithja uit de Levieten, dewelke was de eerstgeborene van Sallum, den Korahiet, was in het ambt over het werk, dat in pannen gekookt wordt.

1KR 9:32 en enige van de Kehatieten, hun broeders, hadden tot taak, elke sabbat het toonbrood neer te leggen.

32 And [other] of their brethren, of the sons of the Kohathites, [were] over the shewbread, to prepare [it] every sabbath.

32 En uit de kinderen der Kahathieten, uit hun broederen, waren [enigen] over de broden der toerichting, om [die] alle sabbatten te bereiden.

1KR 9:33 Maar de zangers, die in de vertrekken vertoefden, - familiehoofden der Levieten - dezen waren vrij van andere dienst; het was hun opgedragen dag en nacht met hun werk bezig te zijn.

33 And these [are] the singers, chief of the fathers of the Levites, [who remaining] in the chambers [were] free: for they were employed in [that] work day and night.

33 [Uit] dezen zijn ook de zangers, hoofden der vaderen onder de Levieten in de kameren, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.

1KR 9:34 Dit waren de familiehoofden der Levieten, krachtens hun afkomst hoofden. Dezen woonden te Jeruzalem.

34 These chief fathers of the Levites [were] chief throughout their generations; these dwelt at Jerusalem.

34 Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Levieten, hoofden in hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.

1KR 9:35 Te Gibeon woonden: de vader van Gibeon, Jeïel, - de naam van zijn vrouw was Maäka -

35 And in Gibeon dwelt the father of Gibeon, Jehiel, whose wife's name [was] Maachah:

35 Maar te Gibeon hadden gewoond Jeiel, de vader van Gibeon; de naam zijner zuster nu was Maacha.

1KR 9:36 en zijn eerstgeboren zoon Abdon; voorts Sur, Kis, Baäl, Ner, Nadab,

36 And his firstborn son Abdon, then Zur, and Kish, and Baal, and Ner, and Nadab,

36 En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Ner, en Nadab.

1KR 9:37 Gedor, Achio, Zekarja en Miklot.

37 And Gedor, and Ahio, and Zechariah, and Mikloth.

37 En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.

1KR 9:38 Miklot verwekte Simam; ook zij gingen, van hun overige broeders gescheiden, bij hun broeders in Jeruzalem wonen.

38 And Mikloth begat Shimeam. And they also dwelt with their brethren at Jerusalem, over against their brethren.

38 Mikloth nu gewon Simeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.

1KR 9:39 Ner verwekte Kis; Kis verwekte Saul; Saul verwekte Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl.

39 And Ner begat Kish; and Kish begat Saul; and Saul begat Jonathan, and Malchishua, and Abinadab, and Eshbaal.

39 En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, en Abinadab, en Esbaal.

1KR 9:40 De zoon van Jonatan was Meribbaäl, en Meribbaäl verwekte Micha.

40 And the son of Jonathan [was] Meribbaal: and Meribbaal begat Micah.

40 En Jonathans zoon van Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.

1KR 9:41 De zonen van Micha waren Piton, Melek en Tachrea.

41 And the sons of Micah [were], Pithon, and Melech, and Tahrea, [and Ahaz].

41 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaerea.

1KR 9:42 Achaz verwekte Jara; Jara verwekte Alemet, Azmawet en Zimri; Zimri verwekte Mosa;

42 And Ahaz begat Jarah; and Jarah begat Alemeth, and Azmaveth, and Zimri; and Zimri begat Moza;

42 En Achaz gewon Jaera, en Jaera gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;

1KR 9:43 Mosa verwekte Bina, en diens zoon was Refaja; diens zoon Elasa, diens zoon Asel.

43 And Moza begat Binea; and Rephaiah his son, Eleasah his son, Azel his son.

43 En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was Azel.

1KR 9:44 En Asel had zes zonen, wier namen waren: Azrikam, Bokeru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan. Dit zijn de zonen van Asel.

44 And Azel had six sons, whose names [are] these, Azrikam, Bocheru, and Ishmael, and Sheariah, and Obadiah, and Hanan: these [were] the sons of Azel.

44 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.

1KR 10:1 Toen de Filistijnen tegen Israël streden, sloegen de mannen van Israël op de vlucht voor de Filistijnen, en er vielen tal van verslagenen op het gebergte Gilboa.

1 Now the Philistines fought against Israel; and the men of Israel fled from before the Philistines, and fell down slain in mount Gilboa.

1 En de Filistijnen streden tegen Israel, en de mannen van Israel vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilboa.

1KR 10:2 De Filistijnen nu zaten Saul en zijn zonen op de hielen en zij doodden Jonatan, Abinadab en Malkisua, de zonen van Saul.

2 And the Philistines followed hard after Saul, and after his sons; and the Philistines slew Jonathan, and Abinadab, and Malchishua, the sons of Saul.

2 En de Filistijnen hielden dicht achter Saul aan en achter zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul.

1KR 10:3 Daarop werd de strijd voor Saul zwaar; toen de boogschutters hem onder schot kregen, beefde hij voor de schutters.

3 And the battle went sore against Saul, and the archers hit him, and he was wounded of the archers.

3 En de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters met de bogen troffen hem aan; en hij vreesde zeer voor de schutters.

1KR 10:4 En Saul zeide tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard en doorsteek mij daarmee, opdat niet deze onbesnedenen komen en de spot met mij drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, omdat hij ervoor terugschrok. Daarop nam Saul het zwaard en stortte zich erin.

4 Then said Saul to his armourbearer, Draw thy sword, and thrust me through therewith; lest these uncircumcised come and abuse me. But his armourbearer would not; for he was sore afraid. So Saul took a sword, and fell upon it.

4 Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.

1KR 10:5 Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en stierf.

5 And when his armourbearer saw that Saul was dead, he fell likewise on the sword, and died.

5 Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in het zwaard en stierf.

1KR 10:6 Zo stierf Saul met zijn drie zonen: zijn gehele gezin stierf tegelijk met hem.

6 So Saul died, and his three sons, and all his house died together.

6 Alzo stierf Saul en zijn drie zonen; ook zijn ganse huis is tegelijk gestorven.

1KR 10:7 Toen al de mannen van Israël, die in de vlakte woonden, bemerkten, dat men de vlucht genomen had, en dat Saul en zijn zonen dood waren, verlieten zij hun steden en vluchtten, waarna de Filistijnen kwamen en zich daarin nestelden.

7 And when all the men of Israel that [were] in the valley saw that they fled, and that Saul and his sons were dead, then they forsook their cities, and fled: and the Philistines came and dwelt in them.

7 Als al de mannen van Israel, die in het dal waren, zagen, dat zij gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.

1KR 10:8 Toen de Filistijnen de volgende dag de verslagenen kwamen plunderen, vonden zij Saul en zijn zonen liggen op het gebergte Gilboa.

8 And it came to pass on the morrow, when the Philistines came to strip the slain, that they found Saul and his sons fallen in mount Gilboa.

8 Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn zonen, liggende op het gebergte Gilboa.

1KR 10:9 Zij plunderden hem, namen zijn hoofd en zijn wapenrusting mee, en zonden boden rond in het land der Filistijnen om de goede tijding te melden aan hun afgoden en het volk.

9 And when they had stripped him, they took his head, and his armour, and sent into the land of the Philistines round about, to carry tidings unto their idols, and to the people.

9 En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijn wapenen, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om [dit] te boodschappen aan hun afgoden, en aan het volk.

1KR 10:10 Zijn wapenrusting legden zij neer in de tempel van hun god, maar zijn schedel hechtten zij aan de tempel van Dagon.

10 And they put his armour in the house of their gods, and fastened his head in the temple of Dagon.

10 En zij legden zijn wapenen in het huis huns gods; en zijn hoofd hechtten zij in het huis van Dagon.

1KR 10:11 Toen geheel Jabes in Gilead hoorde al wat de Filistijnen met Saul gedaan hadden,

11 And when all Jabeshgilead heard all that the Philistines had done to Saul,

11 Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,

1KR 10:12 begaven alle krijgslieden zich op weg en namen het lijk van Saul en de lijken van zijn zonen mee; zij brachten ze naar Jabes en begroeven hun gebeente onder de terebint te Jabes, waarna zij zeven dagen vastten.

12 They arose, all the valiant men, and took away the body of Saul, and the bodies of his sons, and brought them to Jabesh, and buried their bones under the oak in Jabesh, and fasted seven days.

12 Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen.

1KR 10:13 Zo stierf Saul, omdat hij de HERE ontrouw geweest was, omdat hij het woord des HEREN niet in acht had genomen, ja, zelfs de geest van een dode ondervraagd en geraadpleegd had,

13 So Saul died for his transgression which he committed against the LORD, [even] against the word of the LORD, which he kept not, and also for asking [counsel] of [one that had] a familiar spirit, to enquire [of it];

13 Alzo stierf Saul, in zijn overtreding, waarmede hij overtreden had tegen den HEERE, tegen het woord des HEEREN hetwelk hij niet gehouden had; en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende,

1KR 10:14 en niet de HERE had geraadpleegd. Daarom doodde Hij hem en deed het koningschap overgaan op David, de zoon van Isaï.

14 And enquired not of the LORD: therefore he slew him, and turned the kingdom unto David the son of Jesse.

14 En den HEERE niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, den zoon van Isai.

1KR 11:1 Toen kwam geheel Israël samen bij David te Hebron, en zeide: Zie, wij zijn uw eigen vlees en bloed.

1 Then all Israel gathered themselves to David unto Hebron, saying, Behold, we [are] thy bone and thy flesh.

1 Toen vergaderde zich gans Israel tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.

1KR 11:2 Reeds vroeger, reeds toen Saul koning was, waart gij het, die Israël deed uittrekken en weer terugbracht; en de HERE, uw God, sprak tot u: Gij zult mijn volk Israël weiden en vorst zijn over mijn volk Israël.

2 And moreover in time past, even when Saul was king, thou [wast] he that leddest out and broughtest in Israel: and the LORD thy God said unto thee, Thou shalt feed my people Israel, and thou shalt be ruler over my people Israel.

2 Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israel uitgeleid en ingeleid; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israel.

1KR 11:3 Dus kwamen alle oudsten van Israël bij de koning te Hebron, en David sloot met hen voor het aangezicht des HEREN te Hebron een verbond; daarop zalfden zij David tot koning over Israël, naar het woord des HEREN door de dienst van Samuël.

3 Therefore came all the elders of Israel to the king to Hebron; and David made a covenant with them in Hebron before the LORD; and they anointed David king over Israel, according to the word of the LORD by Samuel.

3 Ook kwamen alle oudsten in Israel tot den koning van Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David ten koning over Israel, naar het woord des HEEREN, door den dienst van Samuel.

1KR 11:4 Toen ging David met geheel Israël naar Jeruzalem, dat is Jebus; daar woonden de Jebusieten, de bevolking van die landstreek.

4 And David and all Israel went to Jerusalem, which [is] Jebus; where the Jebusites [were], the inhabitants of the land.

4 En David toog henen, en gans Israel, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands.

1KR 11:5 De inwoners van Jebus hadden tot David gezegd: Gij komt hier niet binnen - maar David veroverde de burcht Sion, dat is de stad Davids.

5 And the inhabitants of Jebus said to David, Thou shalt not come hither. Nevertheless David took the castle of Zion, which [is] the city of David.

5 En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.

1KR 11:6 David nu had gezegd: Wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, zal aanvoerder en overste worden. En Joab, de zoon van Seruja, klom het eerst naar boven; daarom werd hij aanvoerder.

6 And David said, Whosoever smiteth the Jebusites first shall be chief and captain. So Joab the son of Zeruiah went first up, and was chief.

6 Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.

1KR 11:7 En David ging in de burcht wonen; hierom noemde men deze de stad Davids.

7 And David dwelt in the castle; therefore they called it the city of David.

7 David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.

1KR 11:8 Hij versterkte de stad aan alle kant, van de Millo af en geheel rondom, terwijl Joab het overige deel van de stad herstelde.

8 And he built the city round about, even from Millo round about: and Joab repaired the rest of the city.

8 En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad.0

1KR 11:9 En David nam steeds toe in grootheid, en de HERE der heerscharen was met hem.

9 So David waxed greater and greater: for the LORD of hosts [was] with him.

9 En David ging geduriglijk voort, en werd groot, want de HEERE der heirscharen was met hem.

1KR 11:10 Dit zijn de aanvoerders van Davids helden, die hem, samen met geheel Israël, krachtig terzijde stonden bij de verwerving van zijn koningschap, om hem, naar het woord des HEREN over Israël, koning te maken. -

10 These also [are] the chief of the mighty men whom David had, who strengthened themselves with him in his kingdom, [and] with all Israel, to make him king, according to the word of the LORD concerning Israel.

10 Dezen nu waren de hoofden der helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israel, om hem koning te maken, naar het woord des HEEREN over Israel.

1KR 11:11 Dit is dan de opsomming van de helden van David: Jasobam, de zoon van Chakmoni, aanvoerder van de dertig; hij zwaaide zijn speer over driehonderd, die in één keer verslagen waren.

11 And this [is] the number of the mighty men whom David had; Jashobeam, an Hachmonite, the chief of the captains: he lifted up his spear against three hundred slain [by him] at one time.

11 Dezen nu zijn van het getal der helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd der dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.

1KR 11:12 En na hem kwam Elazar, de zoon van de Achochiet Dodo; hij behoorde tot de drie helden.

12 And after him [was] Eleazar the son of Dodo, the Ahohite, who [was one] of the three mighties.

12 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.

1KR 11:13 Hij was met David in Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar ten strijde hadden verzameld. Er was een stuk land, waarop overvloedig gerst stond, en het volk vluchtte voor de Filistijnen.

13 He was with David at Pasdammim, and there the Philistines were gathered together to battle, where was a parcel of ground full of barley; and the people fled from before the Philistines.

13 Hij was met David te Pas-Dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood;

1KR 11:14 Maar zij gingen midden op dat stuk land staan, wisten het te behouden en versloegen de Filistijnen; een grote overwinning schonk de HERE.

14 And they set themselves in the midst of [that] parcel, and delivered it, and slew the Philistines; and the LORD saved [them] by a great deliverance.

14 En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en de HEERE verloste hen door een grote verlossing.

1KR 11:15 Eens daalden drie van de dertig aanvoerders af naar de rots, tot David bij de grot van Adullam, terwijl het leger der Filistijnen in de vlakte Refaïm lag.

15 Now three of the thirty captains went down to the rock to David, into the cave of Adullam; and the host of the Philistines encamped in the valley of Rephaim.

15 En drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim.

1KR 11:16 David bevond zich toen in de vesting en een bezetting der Filistijnen was toen in Betlehem.

16 And David [was] then in the hold, and the Philistines' garrison [was] then at Bethlehem.

16 En David was toen in de vesting en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.

1KR 11:17 En er kwam een verlangen bij David op en hij zeide: O, dat iemand mij water te drinken gaf uit de put van Betlehem, die bij de poort is.

17 And David longed, and said, Oh that one would give me drink of the water of the well of Bethlehem, that [is] at the gate!

17 En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is?

1KR 11:18 Toen braken die drie door het leger der Filistijnen heen, schepten water uit de put van Betlehem, die bij de poort is, namen het mee en brachten het naar David. Maar David wilde het niet drinken, doch plengde het voor de HERE, en zeide:

18 And the three brake through the host of the Philistines, and drew water out of the well of Bethlehem, that [was] by the gate, and took [it], and brought [it] to David: but David would not drink [of] it, but poured it out to the LORD,

18 Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor den HEERE;

1KR 11:19 Mijn God beware mij ervoor, dat ik dit zou doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken, voor de prijs van hun leven? Want met gevaar voor hun leven hebben zij het gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit hebben de drie helden gedaan.

19 And said, My God forbid it me, that I should do this thing: shall I drink the blood of these men that have put their lives in jeopardy? for with [the jeopardy of] their lives they brought it. Therefore he would not drink it. These things did these three mightiest.

19 En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.

1KR 11:20 Abisai, de broeder van Joab, was het hoofd van de drie. En hij zwaaide zijn speer over driehonderd verslagenen; hij had groot aanzien onder de drie.

20 And Abishai the brother of Joab, he was chief of the three: for lifting up his spear against three hundred, he slew [them], and had a name among the three.

20 Abisai nu, de broeder van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn spies tegen driehonderd, versloeg hen; alzo had hij een naam onder die drie.

1KR 11:21 Onder de drie was hij door de andere twee geëerd, ja, hij was hun overste, maar tot de (eerste) drie reikte hij niet.

21 Of the three, he was more honourable than the two; for he was their captain: howbeit he attained not to the [first] three.

21 Uit die drie was hij geeerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan de [eerste] drie niet.

1KR 11:22 Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een krijgsman, groot van daden, uit Kabseël, versloeg de twee grote helden van Moab. Ook liet hij zich eens, op een dag dat er sneeuw lag, in een kuil zakken en doodde daarin een leeuw.

22 Benaiah the son of Jehoiada, the son of a valiant man of Kabzeel, who had done many acts; he slew two lionlike men of Moab: also he went down and slew a lion in a pit in a snowy day.

22 Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeel, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd.

1KR 11:23 Hij versloeg ook een Egyptenaar, een man van vijf el lengte; in de hand van de Egyptenaar was een speer als een weversboom; maar hij ging met een stok op hem toe, rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer.

23 And he slew an Egyptian, a man of [great] stature, five cubits high; and in the Egyptian's hand [was] a spear like a weaver's beam; and he went down to him with a staff, and plucked the spear out of the Egyptian's hand, and slew him with his own spear.

23 Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijn [eigen] spies.

1KR 11:24 Dit heeft Benaja, de zoon van Jojada, gedaan; hij had groot aanzien onder de drie helden.

24 These [things] did Benaiah the son of Jehoiada, and had the name among the three mighties.

24 Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder die drie helden.

1KR 11:25 Maar zie, al was hij onder de dertig geëerd - tot de (eerste) drie reikte hij niet. En David gaf hem het bevel over zijn lijfwacht.

25 Behold, he was honourable among the thirty, but attained not to the [first] three: and David set him over his guard.

25 Ziet, hij was de heerlijkste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijn trawanten.

1KR 11:26 Voorts de dappere krijgshelden: Asaël, de broeder van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem;

26 Also the valiant men of the armies [were], Asahel the brother of Joab, Elhanan the son of Dodo of Bethlehem,

26 De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;

1KR 11:27 de Haroriet Sammot; de Peloniet Cheles;

27 Shammoth the Harorite, Helez the Pelonite,

27 Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

1KR 11:28 Ira, de zoon van de Tekoïet Ikkes; de Antotiet Abiëzer;

28 Ira the son of Ikkesh the Tekoite, Abiezer the Antothite,

28 Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;

1KR 11:29 de Chusatiet Sibbekai; de Achochiet Ilai;

29 Sibbecai the Hushathite, Ilai the Ahohite,

29 Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;

1KR 11:30 de Netofatiet Maharai; Cheled, de zoon van de Netofatiet Baäna;

30 Maharai the Netophathite, Heled the son of Baanah the Netophathite,

30 Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;

1KR 11:31 Itai, de zoon van Ribai, uit Gibea der Benjaminieten; de Piratoniet Benaja;

31 Ithai the son of Ribai of Gibeah, [that pertained] to the children of Benjamin, Benaiah the Pirathonite,

31 Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;

1KR 11:32 Churai uit de dalen van Gaäs; de Arbatiet Abiël;

32 Hurai of the brooks of Gaash, Abiel the Arbathite,

32 Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;

1KR 11:33 de Bacharumiet Azmawet; de Saälboniet Eljachba;

33 Azmaveth the Baharumite, Eliahba the Shaalbonite,

33 Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;

1KR 11:34 de zonen van de Gizoniet Hasem; Jonatan, de zoon van de Harariet Sage;

34 The sons of Hashem the Gizonite, Jonathan the son of Shage the Hararite,

34 [Van] de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;

1KR 11:35 Achiam, de zoon van de Harariet Sakar; Elifal, de zoon van Ur;

35 Ahiam the son of Sacar the Hararite, Eliphal the son of Ur,

35 Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;

1KR 11:36 de Mekeratiet Chefer; de Peloniet Achia;

36 Hepher the Mecherathite, Ahijah the Pelonite,

36 Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;

1KR 11:37 de Karmeliet Chesro; Naärai, de zoon van Ezbai;

37 Hezro the Carmelite, Naarai the son of Ezbai,

37 Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;

1KR 11:38 Joël, de broeder van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri;

38 Joel the brother of Nathan, Mibhar the son of Haggeri,

38 Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;

1KR 11:39 de Ammoniet Selek; de Berotiet Nachrai, de wapendrager van Joab, de zoon van Seruja;

39 Zelek the Ammonite, Naharai the Berothite, the armourbearer of Joab the son of Zeruiah,

39 Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

1KR 11:40 de Jetriet Ira; de Jetriet Gareb;

40 Ira the Ithrite, Gareb the Ithrite,

40 Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;

1KR 11:41 de Hethiet Uria; Zabad, de zoon van Achlai;

41 Uriah the Hittite, Zabad the son of Ahlai,

41 Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;

1KR 11:42 Adina, de zoon van de Rubeniet Siza, hoofd van de Rubenieten, en met hem dertig man;

42 Adina the son of Shiza the Reubenite, a captain of the Reubenites, and thirty with him,

42 Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd der Rubenieten; nochtans waren er dertig boven hem;

1KR 11:43 Chanan, de zoon van Maäka; de Mitniet Josafat;

43 Hanan the son of Maachah, and Joshaphat the Mithnite,

43 Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;

1KR 11:44 de Asteratiet Uzzia; Sama en Jeïel, de zonen van de Aroëriet Chotam;

44 Uzzia the Ashterathite, Shama and Jehiel the sons of Hothan the Aroerite,

44 Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;

1KR 11:45 Jediaël, de zoon van Simri, en zijn broeder de Tisiet Jocha;

45 Jediael the son of Shimri, and Joha his brother, the Tizite,

45 Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;

1KR 11:46 Eliël, de Machawiet; Jeribai en Josawja, de zonen van Elnaäm; de Moabiet Jitma;

46 Eliel the Mahavite, and Jeribai, and Joshaviah, the sons of Elnaam, and Ithmah the Moabite,

46 Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

1KR 11:47 Eliël, Obed en Jaäsiël van Mesobaja.

47 Eliel, and Obed, and Jasiel the Mesobaite.

47 Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

1KR 12:1 De volgenden zijn het, die tot David kwamen te Siklag, toen hij nog uit de nabijheid van Saul, de zoon van Kis, verbannen was. Ook zij behoorden tot de helden, de helpers in de strijd,

1 Now these [are] they that came to David to Ziklag, while he yet kept himself close because of Saul the son of Kish: and they [were] among the mighty men, helpers of the war.

1 Dezen nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, den zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot dien krijg hielpen.

1KR 12:2 met bogen uitgerust, bekwaam om zowel rechter- als linkerhand te gebruiken bij het slingeren van stenen en het schieten met pijl en boog. Uit de stamgenoten van Saul, uit Benjamin, waren het:

2 [They were] armed with bows, and could use both the right hand and the left in [hurling] stones and [shooting] arrows out of a bow, [even] of Saul's brethren of Benjamin.

2 Gewapend met bogen, rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit den boog; zij waren van de broederen van Saul, uit Benjamin.

1KR 12:3 de aanvoerder Achiëzer en Joas, de zonen van de Gibeatiet Semaä; Jeziël en Pelet, de zonen van Azmawet; Beraka en de Antotiet Jehu;

3 The chief [was] Ahiezer, then Joash, the sons of Shemaah the Gibeathite; and Jeziel, and Pelet, the sons of Azmaveth; and Berachah, and Jehu the Antothite,

3 Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.

1KR 12:4 de Gibeoniet Jismaja, één van de dertig helden, die bevel voerde over de dertig; Jirmeja, Jachaziël, Jochanan en de Gederatiet Jozabad;

4 And Ismaiah the Gibeonite, a mighty man among the thirty, and over the thirty; and Jeremiah, and Jahaziel, and Johanan, and Josabad the Gederathite,

4 En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig [gesteld]; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;

1KR 12:5 Eluzai, Jerimot, Bealja, Semarja en de Charufiet Sefatja;

5 Eluzai, and Jerimoth, and Bealiah, and Shemariah, and Shephatiah the Haruphite,

5 Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;

1KR 12:6 Elkana, Jissia, Azarel, Joëzer en Josobam, de Korachieten;

6 Elkanah, and Jesiah, and Azareel, and Joezer, and Jashobeam, the Korhites,

6 Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;

1KR 12:7 Joëla en Zebadja, de zonen van Jerocham, uit Gedor.

7 And Joelah, and Zebadiah, the sons of Jeroham of Gedor.

7 En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.

1KR 12:8 Van de Gadieten voegden zich eveneens sommige bij David in de vesting in de woestijn, dappere helden, strijdvaardige krijgslieden, met schild en speer uitgerust, er uitziende als leeuwen, en vlug als gazellen op de bergen:

8 And of the Gadites there separated themselves unto David into the hold to the wilderness men of might, [and] men of war [fit] for the battle, that could handle shield and buckler, whose faces [were like] the faces of lions, and [were] as swift as the roes upon the mountains;

8 Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten waren aangezichten der leeuwen; en zij waren als de reeen op de bergen in snelheid.

1KR 12:9 Ezer, de aanvoerder; Obadja, de tweede; Eliab, de derde;

9 Ezer the first, Obadiah the second, Eliab the third,

9 Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;

1KR 12:10 Mismanna, de vierde; Jirmeja, de vijfde;

10 Mishmannah the fourth, Jeremiah the fifth,

10 Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;

1KR 12:11 Attai, de zesde; Eliël, de zevende;

11 Attai the sixth, Eliel the seventh,

11 Attai de zesde; Eliel de zevende;

1KR 12:12 Jochanan, de achtste; Elzabad, de negende;

12 Johanan the eighth, Elzabad the ninth,

12 Johanan de achtste; Elzabad de negende;

1KR 12:13 Jirmeja, de tiende; Makbannai, de elfde.

13 Jeremiah the tenth, Machbanai the eleventh.

13 Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.

1KR 12:14 Dezen behoorden tot de zonen van Gad, aanvoerders van het leger; de kleinste reeds woog op tegen honderd, de grootste tegen duizend.

14 These [were] of the sons of Gad, captains of the host: one of the least [was] over an hundred, and the greatest over a thousand.

14 Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.

1KR 12:15 Dezen waren het, die in de eerste maand de Jordaan overstaken, toen deze geheel buiten zijn oevers getreden was, en die al de bewoners van de vallei oostwaarts en westwaarts op de vlucht joegen.

15 These [are] they that went over Jordan in the first month, when it had overflown all his banks; and they put to flight all [them] of the valleys, [both] toward the east, and toward the west.

15 Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al [de] [inwoners] der laagten, tegen het oosten en tegen het westen.

1KR 12:16 Toen er enige Benjaminieten en Judeeërs bij de vesting tot David kwamen,

16 And there came of the children of Benjamin and Judah to the hold unto David.

16 Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David.

1KR 12:17 ging David hun tegemoet en sprak hun toe: Indien gij met goede bedoelingen tot mij komt, om mij te helpen, dan wil ik met u één van hart zijn; maar is het om mij te verraden aan mijn tegenstanders, terwijl mijn handen niet met onrecht bevlekt zijn, dan moge de God onzer vaderen het zien en straffen!

17 And David went out to meet them, and answered and said unto them, If ye be come peaceably unto me to help me, mine heart shall be knit unto you: but if [ye be come] to betray me to mine enemies, seeing [there is] no wrong in mine hands, the God of our fathers look [thereon], and rebuke [it].

17 En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zeide tot hen: Indien gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over ulieden zijn; maar indien het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het!

1KR 12:18 Toen vervulde de Geest Amasai, de aanvoerder van de dertig: De uwe, o David; met u, zoon van Isaï! Heil, heil u! Heil hem die u helpt! Want u helpt uw God. Toen nam David hen aan en maakte hen tot aanvoerders van de troep.

18 Then the spirit came upon Amasai, [who was] chief of the captains, [and he said], Thine [are we], David, and on thy side, thou son of Jesse: peace, peace [be] unto thee, and peace [be] to thine helpers; for thy God helpeth thee. Then David received them, and made them captains of the band.

18 En de Geest toog Amasai aan, den overste der hoofdlieden, [en] [hij] [zeide]: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isai. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.

1KR 12:19 Ook uit Manasse liepen er tot David over, toen hij met de Filistijnen ten strijde trok tegen Saul; dezen heeft hij echter niet geholpen, daar de stadsvorsten der Filistijnen hem met opzet hadden weggezonden, want zij zeiden: Hij zal ten koste van onze hoofden naar zijn heer Saul overlopen.

19 And there fell [some] of Manasseh to David, when he came with the Philistines against Saul to battle: but they helped them not: for the lords of the Philistines upon advisement sent him away, saying, He will fall to his master Saul to [the jeopardy of] our heads.

19 Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten der Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met [gevaar] [van] onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, vallen.

1KR 12:20 Toen hij naar Siklag ging, kozen uit Manasse zijn zijde: Adnach, Jozabad, Jediaël, Michaël, Jozabad, Elihu en Silletai, aanvoerders van de duizenden van Manasse.

20 As he went to Ziklag, there fell to him of Manasseh, Adnah, and Jozabad, and Jediael, and Michael, and Jozabad, and Elihu, and Zilthai, captains of the thousands that [were] of Manasseh.

20 Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michael, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.

1KR 12:21 Dezen stonden David terzijde bij het aanvoeren van de troep, want zij waren allen dappere helden en werden oversten in het leger.

21 And they helped David against the band [of the rovers]: for they [were] all mighty men of valour, and were captains in the host.

21 En dezen hielpen David mede tegen die benden; want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir.

1KR 12:22 Want van dag tot dag kwamen er tot David om hem te helpen, tot het een groot leger werd, als een leger Gods.

22 For at [that] time day by day there came to David to help him, until [it was] a great host, like the host of God.

22 Want er kwamen er te [dier] tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods.

1KR 12:23 Dit nu zijn de getallen van de afdelingen dergenen die, ten strijde toegerust, tot David kwamen te Hebron om volgens de belofte des HEREN het koningschap van Saul op hem te doen overgaan:

23 And these [are] the numbers of the bands [that were] ready armed to the war, [and] came to David to Hebron, to turn the kingdom of Saul to him, according to the word of the LORD.

23 En dit zijn de getallen der hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar den mond des HEEREN:

1KR 12:24 Judeeërs, schild en speer dragend, zesduizend achthonderd ten strijde toegerusten.

24 The children of Judah that bare shield and spear [were] six thousand and eight hundred, ready armed to the war.

24 Van de kinderen van Juda, die rondassen en spiesen droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten heire;

1KR 12:25 Van de Simeonieten: dappere helden in de strijd, zevenduizend en honderd.

25 Of the children of Simeon, mighty men of valour for the war, seven thousand and one hundred.

25 Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;

1KR 12:26 Van de Levieten: vierduizend zeshonderd;

26 Of the children of Levi four thousand and six hundred.

26 Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd;

1KR 12:27 voorts Jehojada, een vorst van de Aäronieten, en met hem drieduizend zevenhonderd;

27 And Jehoiada [was] the leader of the Aaronites, and with him [were] three thousand and seven hundred;

27 En Jehojada was overste der Aaronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd.

1KR 12:28 en Sadok, een jongeman, een dapper held, met zijn familie: tweeëntwintig oversten.

28 And Zadok, a young man mighty of valour, and of his father's house twenty and two captains.

28 En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren twee en twintig oversten;

1KR 12:29 Van de Benjaminieten, de stamgenoten van Saul, drieduizend; het grootste gedeelte van hen was echter tot dusver trouw gebleven aan het huis van Saul.

29 And of the children of Benjamin, the kindred of Saul, three thousand: for hitherto the greatest part of them had kept the ward of the house of Saul.

29 En van de kinderen van Benjamin, de broederen van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden;

1KR 12:30 Van de Efraïmieten: twintigduizend achthonderd, dappere helden, mannen van naam in hun families.

30 And of the children of Ephraim twenty thousand and eight hundred, mighty men of valour, famous throughout the house of their fathers.

30 En van de kinderen van Efraim, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;

1KR 12:31 Van de halve stam Manasse: achttienduizend, met name aangewezen, gekomen om David koning te maken.

31 And of the half tribe of Manasseh eighteen thousand, which were expressed by name, to come and make David king.

31 En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;

1KR 12:32 Van de Issakarieten, die de juiste tijden kenden, zodat zij wisten wat Israël doen moest: tweehonderd aanvoerders van hen met al hun broeders over wie zij het bevel voerden.

32 And of the children of Issachar, [which were men] that had understanding of the times, to know what Israel ought to do; the heads of them [were] two hundred; and all their brethren [were] at their commandment.

32 En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israel doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broeders [pasten] op hun woord;

1KR 12:33 Van Zebulon, in het leger uitrukkend, toegerust tot de krijg met allerlei wapentuig: vijftigduizend, die zich zonder aarzeling in slagorde zouden opstellen.

33 Of Zebulun, such as went forth to battle, expert in war, with all instruments of war, fifty thousand, which could keep rank: [they were] not of double heart.

33 Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart;

1KR 12:34 Van Naftali: duizend oversten, en met hen zevenendertigduizend man met schild en speer.

34 And of Naphtali a thousand captains, and with them with shield and spear thirty and seven thousand.

34 En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.

1KR 12:35 Van de Danieten, toegerust tot de krijg: achtentwintigduizend zeshonderd.

35 And of the Danites expert in war twenty and eight thousand and six hundred.

35 En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;

1KR 12:36 Van Aser, in het leger uitrukkend, toegerust tot de krijg: veertigduizend.

36 And of Asher, such as went forth to battle, expert in war, forty thousand.

36 En uit Aser, uitgaande in het heir, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend;

1KR 12:37 En van de overzijde van de Jordaan, uit de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse, voorzien van allerlei wapentuig voor de strijd: honderdentwintigduizend.

37 And on the other side of Jordan, of the Reubenites, and the Gadites, and of the half tribe of Manasseh, with all manner of instruments of war for the battle, an hundred and twenty thousand.

37 En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.

1KR 12:38 Deze allen, strijders in gelid geschaard, kwamen met een volkomen toegewijd hart naar Hebron, om David koning te maken over geheel Israël; ook al de overige Israëlieten waren één van zin om David koning te maken.

38 All these men of war, that could keep rank, came with a perfect heart to Hebron, to make David king over all Israel: and all the rest also of Israel [were] of one heart to make David king.

38 Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over gans Israel. En ook was al het overige van Israel een hart, om David tot koning te maken.

1KR 12:39 Zij bleven daar bij David drie dagen, etende en drinkende, want hun broeders hadden alles voor hen bereid;

39 And there they were with David three days, eating and drinking: for their brethren had prepared for them.

39 En zij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende; want hun broeders hadden voor hen [wat] toebereid.

1KR 12:40 ja ook de omwonenden, zelfs tot Issakar, Zebulon en Naftali toe, brachten spijs aan op ezels, kamelen, muildieren en runderen: meelspijs, vijgenkoeken en rozijnenkoeken, wijn en olie, runderen en kleinvee in grote hoeveelheid, want er was vreugde in Israël.

40 Moreover they that were nigh them, [even] unto Issachar and Zebulun and Naphtali, brought bread on asses, and on camels, and on mules, and on oxen, [and] meat, meal, cakes of figs, and bunches of raisins, and wine, and oil, and oxen, and sheep abundantly: for [there was] joy in Israel.

40 En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezelen, en op kemelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israel.

1KR 13:1 Nadat David met de oversten over duizend en over honderd, met alle aanzienlijken, had beraadslaagd,

1 And David consulted with the captains of thousands and hundreds, [and] with every leader.

1 En David hield raad met de oversten der duizenden en der honderden, [en] met alle vorsten.

1KR 13:2 zeide hij tot de gehele gemeente van Israël: Indien het u goeddunkt en het naar de wil van de HERE, onze God, is, laten wij dan naar alle kanten boden uitzenden tot onze overige broeders in alle landstreken van Israël, en ook tot de priesters en de Levieten in de steden, waarbij hun weidegronden liggen, dat zij tot ons samenkomen;

2 And David said unto all the congregation of Israel, If [it seem] good unto you, and [that it be] of the LORD our God, let us send abroad unto our brethren every where, [that are] left in all the land of Israel, and with them [also] to the priests and Levites [which are] in their cities [and] suburbs, that they may gather themselves unto us:

2 En David zeide tot de ganse gemeente van Israel: Indien het ulieden goeddunkt, en van den HEERE, onzen God, te zijn, laat ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle landen van Israel, en de priesters en Levieten, [die] met hen zijn in de steden, met haar voorsteden, opdat zij tot ons vergaderd worden.

1KR 13:3 en laten wij de ark van onze God naar ons overbrengen, want wij hebben in de dagen van Saul ons om haar niet bekommerd.

3 And let us bring again the ark of our God to us: for we enquired not at it in the days of Saul.

3 En laat ons de ark onzes Gods tot ons wederhalen, want wij hebben ze in de dagen van Saul niet gezocht.

1KR 13:4 En de gehele gemeente zeide, dat men zo doen zou, want de zaak was recht in de ogen van het gehele volk.

4 And all the congregation said that they would do so: for the thing was right in the eyes of all the people.

4 Toen zeide de ganse gemeente, dat men alzo doen zou; want die zaak was recht in de ogen des gansen volks.

1KR 13:5 Toen riep David geheel Israël samen van de Sichor in Egypte af tot aan de weg naar Hamat, om de ark Gods uit Kirjat-Jearim te halen.

5 So David gathered all Israel together, from Shihor of Egypt even unto the entering of Hemath, to bring the ark of God from Kirjathjearim.

5 David dan vergaderde gans Israel van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark Gods te brengen van Kirjath-Jearim.

1KR 13:6 En David trok met geheel Israël naar Baäla, naar Kirjat-Jearim, dat tot Juda behoort, om vandaar te halen de ark van God, de HERE, die op de cherubs troont, de ark, waarover de Naam is uitgeroepen.

6 And David went up, and all Israel, to Baalah, [that is], to Kirjathjearim, which [belonged] to Judah, to bring up thence the ark of God the LORD, that dwelleth [between] the cherubims, whose name is called [on it].

6 Toen toog David op met het ganse Israel naar Baala, dat is, Kirjath-Jearim, hetwelk in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark Gods, des HEEREN, Die tussen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen.

1KR 13:7 Zij vervoerden de ark Gods op een nieuwe wagen, uit het huis van Abinadab, terwijl Uzza en Achio de wagen leidden.

7 And they carried the ark of God in a new cart out of the house of Abinadab: and Uzza and Ahio drave the cart.

7 En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden den wagen.

1KR 13:8 En David en geheel Israël dansten uit alle macht voor Gods aangezicht, begeleid door zang en door muziek van citers, harpen, tamboerijnen, cimbalen en trompetten.

8 And David and all Israel played before God with all [their] might, and with singing, and with harps, and with psalteries, and with timbrels, and with cymbals, and with trumpets.

8 En David en gans Israel speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten.

1KR 13:9 Maar toen zij bij de dorsvloer van Kidon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit om de ark te grijpen, daar de runderen uitgleden.

9 And when they came unto the threshingfloor of Chidon, Uzza put forth his hand to hold the ark; for the oxen stumbled.

9 Toen zij aan den dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden.

1KR 13:10 De toorn des HEREN ontbrandde tegen Uzza; Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestrekt; hij stierf daar voor Gods aangezicht.

10 And the anger of the LORD was kindled against Uzza, and he smote him, because he put his hand to the ark: and there he died before God.

10 Toen ontstak de toorn des HEEREN over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf aldaar voor het aangezicht Gods.

1KR 13:11 David was diep getroffen, omdat de HERE zulk een zware slag aan Uzza had toegebracht; daarom noemt men die plaats Peres-Uzza, tot op de huidige dag.

11 And David was displeased, because the LORD had made a breach upon Uzza: wherefore that place is called Perezuzza to this day.

11 En David ontstak, dat de HEERE een scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde hij diezelve plaats Perez-Uza, tot op dezen dag.

1KR 13:12 Te dien dage werd David bevreesd voor God, en hij zeide: Hoe zou ik de ark Gods tot mij brengen?

12 And David was afraid of God that day, saying, How shall I bring the ark of God [home] to me?

12 En David vreesde den HEERE te dien dage, zeggende: Hoe zal ik de ark Gods tot mij brengen?

1KR 13:13 Daarom nam David de ark niet bij zich in de stad Davids, maar bracht haar onder in het huis van de Gatiet Obed-Edom.

13 So David brought not the ark [home] to himself to the city of David, but carried it aside into the house of Obededom the Gittite.

13 Daarom liet David de ark niet tot zich brengen in de stad Davids, maar deed ze afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiet.

1KR 13:14 En de ark Gods bleef drie maanden bij het gezin van Obed-Edom, in zijn huis; en de HERE zegende het huis van Obed-Edom en al wat hij bezat.

14 And the ark of God remained with the family of Obededom in his house three months. And the LORD blessed the house of Obededom, and all that he had.

14 Alzo bleef de ark Gods bij het huisgezin van Obed-Edom, in zijn huis, drie maanden; en de HEERE zegende het huis van Obed-Edom, en alles, wat hij had.

1KR 14:1 Chiram, de koning van Tyrus, zond gezanten naar David met cederhout, metselaars en timmerlieden, om een paleis voor hem te bouwen.

1 Now Hiram king of Tyre sent messengers to David, and timber of cedars, with masons and carpenters, to build him an house.

1 Toen zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederenhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden.

1KR 14:2 Toen bemerkte David, dat de HERE hem bevestigd had als koning over Israël, want zijn koningschap werd hoog verheven, ter wille van zijn volk Israël.

2 And David perceived that the LORD had confirmed him king over Israel, for his kingdom was lifted up on high, because of his people Israel.

2 En David merkte, dat hem de HEERE tot koning bevestigd had over Israel; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven, om Zijns volks Israels wil.

1KR 14:3 Ook nam David in Jeruzalem nog meer vrouwen, en verwekte nog meer zonen en dochters.

3 And David took more wives at Jerusalem: and David begat more sons and daughters.

3 En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David gewon meer zonen en dochteren.

1KR 14:4 Dit zijn de namen van de kinderen, die hij te Jeruzalem kreeg: Sammua, Sobab, Natan, Salomo,

4 Now these [are] the names of [his] children which he had in Jerusalem; Shammua, and Shobab, Nathan, and Solomon,

4 Dit nu zijn de namen der kinderen, die hij te Jeruzalem had: Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo,

1KR 14:5 Jibchar, Elisua, Elpelet,

5 And Ibhar, and Elishua, and Elpalet,

5 En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,

1KR 14:6 Noga, Nefeg, Jafia,

6 And Nogah, and Nepheg, and Japhia,

6 En Nogah, en Nefeg, en Jafia,

1KR 14:7 Elisama, Beëljada en Elifelet.

7 And Elishama, and Beeliada, and Eliphalet.

7 En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.

1KR 14:8 Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning over geheel Israël gezalfd was, trokken alle Filistijnen op om zich van David meester te maken. David hoorde het en trok uit hun tegemoet.

8 And when the Philistines heard that David was anointed king over all Israel, all the Philistines went up to seek David. And David heard [of it], and went out against them.

8 Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het ganse Israel, zo togen al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo toog hij uit tegen hen.

1KR 14:9 Toen de Filistijnen gekomen waren en zich verspreid hadden in de vlakte Refaïm,

9 And the Philistines came and spread themselves in the valley of Rephaim.

9 Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit in de laagte van Refaim.

1KR 14:10 vroeg David God: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult Gij hen in mijn macht geven? En de HERE antwoordde hem: Trek op, Ik geef hen in uw macht.

10 And David enquired of God, saying, Shall I go up against the Philistines? and wilt thou deliver them into mine hand? And the LORD said unto him, Go up; for I will deliver them into thine hand.

10 Toen vraagde David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult Gij hen in mijn hand geven? En de HEERE zeide tot hem: Trek op, want Ik zal hen in uw hand geven.

1KR 14:11 Zij trokken dan op naar Baäl-Perasim, waar David hen versloeg. En David zeide: Door mijn hand is God door mijn vijanden heengebroken, zoals water doorbreekt. Daarom noemde men die plaats Baäl-Perasim.

11 So they came up to Baalperazim; and David smote them there. Then David said, God hath broken in upon mine enemies by mine hand like the breaking forth of waters: therefore they called the name of that place Baalperazim.

11 Toen zij nu optogen naar Baal-Perazim, zo sloeg hen David daar; en David zeide: God heeft mijn vijanden door mijn hand gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemden zij den naam derzelver plaats Baal-Perazim.

1KR 14:12 Zij lieten daar zelfs hun goden achter, en op bevel van David verbrandde men ze met vuur.

12 And when they had left their gods there, David gave a commandment, and they were burned with fire.

12 En daar lieten zij hun goden; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand.

1KR 14:13 Toen de Filistijnen zich wederom in de vlakte verspreid hadden,

13 And the Philistines yet again spread themselves abroad in the valley.

13 Doch de Filistijnen voeren nog voort, en zij verspreidden zich in dat dal.

1KR 14:14 raadpleegde David God opnieuw, en God zeide tot hem: Trek niet op, achter hen aan; maak een omtrekkende beweging, zodat gij hen kunt aanvallen van de kant der balsemstruiken.

14 Therefore David enquired again of God; and God said unto him, Go not up after them; turn away from them, and come upon them over against the mulberry trees.

14 En David vraagde God nog eens; en God zeide tot hem: Gij zult niet optrekken achter hen heen; [maar] omsingel hen van boven, en kom tot hen tegenover de moerbezienbomen.

1KR 14:15 Zodra gij een geluid van schreden hoort in de toppen der balsemstruiken, trek dan uit ten strijde, want dan is God vóór u uitgetrokken om het leger der Filistijnen te verslaan.

15 And it shall be, when thou shalt hear a sound of going in the tops of the mulberry trees, [that] then thou shalt go out to battle: for God is gone forth before thee to smite the host of the Philistines.

15 En het zal geschieden, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, kom dan uit ten strijde; want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn, om het leger der Filistijnen te slaan.

1KR 14:16 David nu deed zoals God hem geboden had, en zij sloegen het leger der Filistijnen van Gibeon tot Gezer.

16 David therefore did as God commanded him: and they smote the host of the Philistines from Gibeon even to Gazer.

16 David nu deed, gelijk als hem God geboden had; en zij sloegen het heir der Filistijnen van Gibeon af tot aan Gezer.

1KR 14:17 En Davids naam verbreidde zich in alle landen; de HERE legde de schrik voor hem op alle volken.

17 And the fame of David went out into all lands; and the LORD brought the fear of him upon all nations.

17 Alzo ging Davids naam uit in al die landen; en de HEERE gaf Zijn verschrikking over al die heidenen.

1KR 15:1 Hij bouwde zich huizen in de stad Davids, bereidde een plaats voor de ark Gods en spande voor haar een tent.

1 And [David] made him houses in the city of David, and prepared a place for the ark of God, and pitched for it a tent.

1 En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde der ark Gods een plaats, en spande een tent voor haar.

1KR 15:2 Toen zeide David: Niemand mag de ark Gods dragen dan alleen de Levieten, want hen heeft de HERE uitverkoren om de ark des HEREN te dragen en Hem voor altijd te dienen.

2 Then David said, None ought to carry the ark of God but the Levites: for them hath the LORD chosen to carry the ark of God, and to minister unto him for ever.

2 Toen zeide David: Niemand mag de ark Gods dragen, dan de Levieten; want die heeft de HEERE verkoren, om de ark Gods te dragen, en om Hem te dienen tot in der eeuwigheid.

1KR 15:3 En David riep geheel Israël samen te Jeruzalem om de ark des HEREN te brengen naar de plaats die hij voor haar had bereid.

3 And David gathered all Israel together to Jerusalem, to bring up the ark of the LORD unto his place, which he had prepared for it.

3 Ook vergaderde David gans Israel te Jeruzalem, om de ark des HEEREN op te halen aan haar plaats, die hij haar bereid had.

1KR 15:4 David nu vergaderde de zonen van Aäron en de Levieten;

4 And David assembled the children of Aaron, and the Levites:

4 En David verzamelde de kinderen van Aaron en de Levieten.

1KR 15:5 van de zonen van Kehat: de overste Uriël en zijn broeders, honderd twintig;

5 Of the sons of Kohath; Uriel the chief, and his brethren an hundred and twenty:

5 Van de kinderen van Kehath was Uriel overste, en van zijn broederen waren honderd en twintig.

1KR 15:6 van de zonen van Merari: de overste Asaja en zijn broeders, tweehonderd twintig;

6 Of the sons of Merari; Asaiah the chief, and his brethren two hundred and twenty:

6 Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.

1KR 15:7 van de zonen van Gersom: de overste Joël en zijn broeders, honderd dertig;

7 Of the sons of Gershom; Joel the chief, and his brethren an hundred and thirty:

7 Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.

1KR 15:8 van de zonen van Elisafan: de overste Semaja en zijn broeders, tweehonderd;

8 Of the sons of Elizaphan; Shemaiah the chief, and his brethren two hundred:

8 Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.

1KR 15:9 van de zonen van Chebron: de overste Eliël en zijn broeders, tachtig;

9 Of the sons of Hebron; Eliel the chief, and his brethren fourscore:

9 Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.

1KR 15:10 van de zonen van Uzziël: de overste Amminadab en zijn broeders, honderd twaalf.

10 Of the sons of Uzziel; Amminadab the chief, and his brethren an hundred and twelve.

10 Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.

1KR 15:11 Toen riep David de priesters Sadok en Abjatar, en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab,

11 And David called for Zadok and Abiathar the priests, and for the Levites, for Uriel, Asaiah, and Joel, Shemaiah, and Eliel, and Amminadab,

11 En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriel, Asaja en Joel, Semaja, en Eliel, en Amminadab.

1KR 15:12 en zeide tot hen: Gij familiehoofden der Levieten, heiligt u, gij en uw broeders, opdat gij de ark van de HERE, de God Israëls, kunt brengen naar de plaats die ik voor haar heb bereid.

12 And said unto them, Ye [are] the chief of the fathers of the Levites: sanctify yourselves, [both] ye and your brethren, that ye may bring up the ark of the LORD God of Israel unto [the place that] I have prepared for it.

12 En hij zeide tot hen: Gijlieden zijt hoofden der vaderen onder de Levieten; heiligt u, gij en uw broeders, dat gij de ark des HEEREN, des Gods van Israel, opbrengt, ter [plaatse], [die] ik voor haar bereid heb.

1KR 15:13 Want daar gij het de vorige keer niet gedaan hebt, heeft de HERE, onze God, ons een zware slag toegebracht, omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd, zoals het behoorde.

13 For because ye [did it] not at the first, the LORD our God made a breach upon us, for that we sought him not after the due order.

13 Want omdat gijlieden ten eerste [dit] niet [deedt], heeft de HEERE, onze God, onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht.

1KR 15:14 Daarom heiligden zich de priesters en de Levieten om de ark van de HERE, de God van Israël, over te brengen.

14 So the priests and the Levites sanctified themselves to bring up the ark of the LORD God of Israel.

14 Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark des HEEREN, des Gods van Israel, op te brengen.

1KR 15:15 De Levieten nu droegen de ark Gods, met draagbomen op hun schouders, gelijk Mozes naar het woord des HEREN geboden had.

15 And the children of the Levites bare the ark of God upon their shoulders with the staves thereon, as Moses commanded according to the word of the LORD.

15 En de kinderen der Levieten droegen de ark Gods op hun schouderen, met de draagbomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord des HEEREN.

1KR 15:16 Ook beval David aan de oversten der Levieten hun broeders, de zangers, op te stellen met muziekinstrumenten, harpen, citers en cimbalen, om luide vreugdeklanken te laten horen.

16 And David spake to the chief of the Levites to appoint their brethren [to be] the singers with instruments of musick, psalteries and harps and cymbals, sounding, by lifting up the voice with joy.

16 En David zeide tot de oversten der Levieten, dat zij hun broeders, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap.

1KR 15:17 De Levieten stelden op: Heman, de zoon van Joël; en van zijn broeders: Asaf, de zoon van Berekja; en van de zonen van Merari, hun broeders: Etan, de zoon van Kusajahu;

17 So the Levites appointed Heman the son of Joel; and of his brethren, Asaph the son of Berechiah; and of the sons of Merari their brethren, Ethan the son of Kushaiah;

17 Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joel, en uit zijn broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broederen, Ethan, den zoon van Kusaja;

1KR 15:18 en met hen hun broeders van de tweede orde: Zekarja, Ben, Jaäziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, Obed-Edom en Jeïel, de poortwachters.

18 And with them their brethren of the second [degree], Zechariah, Ben, and Jaaziel, and Shemiramoth, and Jehiel, and Unni, Eliab, and Benaiah, and Maaseiah, and Mattithiah, and Elipheleh, and Mikneiah, and Obededom, and Jeiel, the porters.

18 En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaaziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maaseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, de poortiers.

1KR 15:19 De zangers Heman, Asaf en Etan met koperen cimbalen om muziek te maken;

19 So the singers, Heman, Asaph, and Ethan, [were appointed] to sound with cymbals of brass;

19 De zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen;

1KR 15:20 Zekarja, Aziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met harpen, hoog afgestemd;

20 And Zechariah, and Aziel, and Shemiramoth, and Jehiel, and Unni, and Eliab, and Maaseiah, and Benaiah, with psalteries on Alamoth;

20 En Zecharja, en Aziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, en Eliab, en Maaseja, en Benaja, met luiten op Alamoth.

1KR 15:21 en Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, Obed-Edom, Jeïel en Azazjahu met citers, acht tonen lager, ter begeleiding.

21 And Mattithiah, and Elipheleh, and Mikneiah, and Obededom, and Jeiel, and Azaziah, with harps on the Sheminith to excel.

21 En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, en Azazja, met harpen op de Scheminith, om den toon te versterken.

1KR 15:22 Kenanja, de overste der Levieten, ging over het vervoer; hij regelde het vervoer, omdat hij een man van inzicht was.

22 And Chenaniah, chief of the Levites, [was] for song: he instructed about the song, because he [was] skilful.

22 En Chenanja, de overste der Levieten, was over het opheffen; hij onderwees hen in het opheffen; want hij was verstandig.

1KR 15:23 Berekja en Elkana waren poortwachters bij de ark;

23 And Berechiah and Elkanah [were] doorkeepers for the ark.

23 En Berechja en Elkana waren poortiers der ark.

1KR 15:24 de priesters Sebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zekarja, Benaja en Eliëzer bliezen op de trompetten voor de ark Gods; en Obed-Edom en Jechia waren poortwachters bij de ark.

24 And Shebaniah, and Jehoshaphat, and Nethaneel, and Amasai, and Zechariah, and Benaiah, and Eliezer, the priests, did blow with the trumpets before the ark of God: and Obededom and Jehiah [were] doorkeepers for the ark.

24 En Sebanja, en Josafat, en Nethaneel, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliezer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark Gods; en Obed-Edom en Jehia waren poortiers der ark.

1KR 15:25 Toen gingen David, de oudsten van Israël en de oversten over duizend heen om met vreugdebetoon de ark van het verbond des HEREN over te brengen uit het huis van Obed-Edom.

25 So David, and the elders of Israel, and the captains over thousands, went to bring up the ark of the covenant of the LORD out of the house of Obededom with joy.

25 Het geschiedde nu, dat David en de oudsten van Israel, en de oversten der duizenden, henengingen, om de ark des verbonds des HEEREN op te halen, uit het huis van Obed-Edom, met vreugde;

1KR 15:26 En nu God de Levieten hielp, die de ark van het verbond des HEREN droegen, offerden zij zeven stieren en zeven rammen.

26 And it came to pass, when God helped the Levites that bare the ark of the covenant of the LORD, that they offered seven bullocks and seven rams.

26 Zo geschiedde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden.

1KR 15:27 David was gekleed in een mantel van fijn linnen, evenals al de Levieten die de ark droegen, de zangers, en Kenanja, die over het vervoer en de zangers de leiding had; en David droeg een linnen lijfrok.

27 And David [was] clothed with a robe of fine linen, and all the Levites that bare the ark, and the singers, and Chenaniah the master of the song with the singers: David also [had] upon him an ephod of linen.

27 David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen der zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen.

1KR 15:28 Geheel Israël haalde de ark van het verbond des HEREN onder gejubel en hoorngeschal, met trompetten en cimbalen, spelend op harpen en citers.

28 Thus all Israel brought up the ark of the covenant of the LORD with shouting, and with sound of the cornet, and with trumpets, and with cymbals, making a noise with psalteries and harps.

28 Alzo bracht gans Israel de ark des verbonds des HEEREN op, met gejuich, en met geluid der bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen.

1KR 15:29 Toen de ark van het verbond des HEREN bij de stad Davids kwam, keek Mikal, de dochter van Saul, uit het venster en zag koning David huppelen en dansen, en zij verachtte hem in haar hart.

29 And it came to pass, [as] the ark of the covenant of the LORD came to the city of David, that Michal the daughter of Saul looking out at a window saw king David dancing and playing: and she despised him in her heart.

29 Het geschiedde nu, toen de ark des verbonds des HEEREN tot aan de stad Davids gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door een venster keek, en den koning David zag, springende en spelende; zo verachtte zij hem in haar hart.

1KR 16:1 Nadat zij de ark Gods binnengebracht hadden, zetten zij haar neer midden in de tent die David voor haar gespannen had, en zij brachten brandoffers en vredeoffers voor Gods aangezicht.

1 So they brought the ark of God, and set it in the midst of the tent that David had pitched for it: and they offered burnt sacrifices and peace offerings before God.

1 Toen zij de ark Gods inbrachten, zo stelden zij ze in het midden der tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht Gods.

1KR 16:2 Toen David gereed was met het brengen van de brandoffers en de vredeoffers, zegende hij het volk in de naam des HEREN

2 And when David had made an end of offering the burnt offerings and the peace offerings, he blessed the people in the name of the LORD.

2 Als David het brandoffer en de dankofferen geeindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in den Naam des HEEREN.

1KR 16:3 en deelde uit aan alle Israëlieten, mannen zowel als vrouwen, ieder een brood, een stuk vlees en een druivenkoek.

3 And he dealt to every one of Israel, both man and woman, to every one a loaf of bread, and a good piece of flesh, and a flagon [of wine].

3 En hij deelde een iegelijk in Israel, van den man tot de vrouw, een iegelijk een bol broods, en een schoon stuk [vlees], en een fles [wijn].

1KR 16:4 En hij stelde voor de ark des HEREN dienaren aan uit de Levieten: om de HERE, de God van Israël, te roemen, te loven en te prijzen.

4 And he appointed [certain] of the Levites to minister before the ark of the LORD, and to record, and to thank and praise the LORD God of Israel:

4 En hij stelde voor de ark des HEEREN [sommigen] uit de Levieten tot dienaars, en dat, om den HEERE, den God Israels, te vermelden, en te loven, en te prijzen.

1KR 16:5 Asaf was het hoofd; op hem volgde Zekarja; voorts Jeïel, Semiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïel met muziekinstrumenten: harpen en citers: terwijl Asaf op cimbalen,

5 Asaph the chief, and next to him Zechariah, Jeiel, and Shemiramoth, and Jehiel, and Mattithiah, and Eliab, and Benaiah, and Obededom: and Jeiel with psalteries and with harps; but Asaph made a sound with cymbals;

5 Asaf was het hoofd, en Zecharja de tweede na hem; Jeiel, en Semiramoth, en Jehiel, en Mattithja, en Eliab, en Benaja, en Obed-Edom, en Jeiel, met instrumenten der luiten en met harpen; en Asaf liet zich horen met cimbalen;

1KR 16:6 en de priesters Benaja en Jachaziël op trompetten, voortdurend speelden voor de ark van het verbond Gods.

6 Benaiah also and Jahaziel the priests with trumpets continually before the ark of the covenant of God.

6 Maar Benaja en Jahaziel, de priesters, steeds met trompetten voor de ark des verbonds van God.

1KR 16:7 Toen, op die dag, droeg David voor de eerste maal Asaf en zijn broeders op, de HERE te loven:

7 Then on that day David delivered first [this psalm] to thank the LORD into the hand of Asaph and his brethren.

7 Te dienzelven dage gaf David ten eerste [dezen] [psalm], om den HEERE te loven, door den dienst van Asaf, en zijn broederen.

1KR 16:8 Looft de HERE, roept zijn naam aan, maakt onder de volken zijn daden bekend;

8 Give thanks unto the LORD, call upon his name, make known his deeds among the people.

8 Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.

1KR 16:9 zingt Hem, psalmzingt Hem, gewaagt van al zijn wonderen.

9 Sing unto him, sing psalms unto him, talk ye of all his wondrous works.

9 Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderwerken.

1KR 16:10 Beroemt u in zijn heilige naam, het hart van wie de HERE zoeken, verheuge zich.

10 Glory ye in his holy name: let the heart of them rejoice that seek the LORD.

10 Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; dat zich het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde.

1KR 16:11 Vraagt naar de HERE en zijn sterkte, zoekt zijn aangezicht bestendig.

11 Seek the LORD and his strength, seek his face continually.

11 Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte, zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.

1KR 16:12 Gedenkt aan de wonderen die Hij heeft gedaan, zijn tekenen en de oordelen van zijn mond,

12 Remember his marvellous works that he hath done, his wonders, and the judgments of his mouth;

12 Gedenkt Zijner wonderwerken, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en de oordelen Zijns monds;

1KR 16:13 gij nakroost van Israël, zijn knecht, gij kinderen van Jakob, zijn uitverkorenen.

13 O ye seed of Israel his servant, ye children of Jacob, his chosen ones.

13 Gij, zaad van Israel, Zijn dienaar, gij, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen!

1KR 16:14 Hij, de HERE, is onze God, zijn oordelen gaan over de ganse aarde;

14 He [is] the LORD our God; his judgments [are] in all the earth.

14 Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.

1KR 16:15 Gedenkt voor immer aan zijn verbond, - het woord, dat Hij gebood aan duizend geslachten -

15 Be ye mindful always of his covenant; the word [which] he commanded to a thousand generations;

15 Gedenkt tot in der eeuwigheid Zijns verbonds, des woords, [dat] Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht;

1KR 16:16 dat Hij met Abraham sloot, en aan zijn eed aan Isaak;

16 [Even of the covenant] which he made with Abraham, and of his oath unto Isaac;

16 [Des] [verbonds], dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;

1KR 16:17 ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting, voor Israël tot een eeuwig verbond,

17 And hath confirmed the same to Jacob for a law, [and] to Israel [for] an everlasting covenant,

17 Welken Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot een inzetting, [aan] Israel tot een eeuwig verbond;

1KR 16:18 toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegemeten erfdeel.

18 Saying, Unto thee will I give the land of Canaan, the lot of your inheritance;

18 Zeggende: Ik zal u het land Kanaan geven, een snoer van ulieder erfdeel;

1KR 16:19 Toen zij weinige mensen in getal waren, een kleine schare en vreemdelingen daarin,

19 When ye were but few, even a few, and strangers in it.

19 Als gij weinige mensen in getal waart; ja, weinigen en vreemdelingen daarin.

1KR 16:20 en van volk tot volk trokken, van het ene koninkrijk tot de andere natie,

20 And [when] they went from nation to nation, and from [one] kingdom to another people;

20 En zij wandelden van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk.

1KR 16:21 gedoogde Hij niet, dat enig mens hen verdrukte, en bestrafte Hij koningen om hunnentwil:

21 He suffered no man to do them wrong: yea, he reproved kings for their sakes,

21 Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, [zeggende]:

1KR 16:22 Raakt mijn gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen kwaad.

22 [Saying], Touch not mine anointed, and do my prophets no harm.

22 Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.

1KR 16:23 Zingt de HERE, gij ganse aarde, boodschapt zijn heil van dag tot dag.

23 Sing unto the LORD, all the earth; shew forth from day to day his salvation.

23 Zingt den HEERE, gij, ganse aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.

1KR 16:24 Vertelt onder de volken zijn heerlijkheid, onder alle natiën zijn wonderen.

24 Declare his glory among the heathen; his marvellous works among all nations.

24 Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.

1KR 16:25 Want de HERE is groot en zeer te prijzen, geducht is Hij boven alle goden;

25 For great [is] the LORD, and greatly to be praised: he also [is] to be feared above all gods.

25 Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.

1KR 16:26 want alle goden der volken zijn afgoden, maar de HERE heeft de hemel gemaakt;

26 For all the gods of the people [are] idols: but the LORD made the heavens.

26 Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.

1KR 16:27 majesteit en luister zijn voor zijn aangezicht, sterkte en vreugde in de plaats waar Hij woont.

27 Glory and honour [are] in his presence; strength and gladness [are] in his place.

27 Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats.

1KR 16:28 Geeft de HERE, gij geslachten der volken, geeft de HERE heerlijkheid en sterkte.

28 Give unto the LORD, ye kindreds of the people, give unto the LORD glory and strength.

28 Geeft den HEERE, gij, geslachten der volken, geeft den HEERE eer en sterkte.

1KR 16:29 Geeft de HERE de heerlijkheid van zijn naam, brengt offer en komt voor zijn aangezicht. Buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos,

29 Give unto the LORD the glory [due] unto his name: bring an offering, and come before him: worship the LORD in the beauty of holiness.

29 Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, brengt offer, en komt voor Zijn aangezicht; aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.

1KR 16:30 beef voor zijn aangezicht, gij ganse aarde: vast staat nu de wereld, zodat zij niet wankelt.

30 Fear before him, all the earth: the world also shall be stable, that it be not moved.

30 Schrikt voor Zijn aangezicht, gij, gehele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.

1KR 16:31 De hemel verheuge zich, de aarde juiche, en men zegge onder de volken: De HERE is Koning.

31 Let the heavens be glad, and let the earth rejoice: and let [men] say among the nations, The LORD reigneth.

31 Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.

1KR 16:32 De zee bruise en haar volheid, het veld en al wat daarop is, verblijde zich;

32 Let the sea roar, and the fulness thereof: let the fields rejoice, and all that [is] therein.

32 Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is.

1KR 16:33 dan zullen de bomen des wouds jubelen voor de HERE, want Hij komt om de aarde te richten.

33 Then shall the trees of the wood sing out at the presence of the LORD, because he cometh to judge the earth.

33 Dan zullen de bomen des wouds juichen voor het aangezicht des HEEREN, omdat Hij komt, om de aarde te richten.

1KR 16:34 Looft de HERE, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

34 O give thanks unto the LORD; for [he is] good; for his mercy [endureth] for ever.

34 Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

1KR 16:35 En zegt: Verlos ons, o God van ons heil, verzamel ons en red ons uit de volken, opdat wij uw heilige naam loven, ons beroemen in uw lof.

35 And say ye, Save us, O God of our salvation, and gather us together, and deliver us from the heathen, that we may give thanks to thy holy name, [and] glory in thy praise.

35 En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.

1KR 16:36 Geprezen zij de HERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot eeuwigheid.

En al het volk zeide: Amen, en: Loof de HERE.

36 Blessed [be] the LORD God of Israel for ever and ever. And all the people said, Amen, and praised the LORD.

36 Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zeide: Amen! en het loofde den HEERE.

1KR 16:37 Toen liet hij daar, voor de ark van het verbond des HEREN, blijven Asaf en zijn broeders om bestendig dienst te doen vóór de ark, zoals het voor elke dag was voorgeschreven;

37 So he left there before the ark of the covenant of the LORD Asaph and his brethren, to minister before the ark continually, as every day's work required:

37 Alzo liet hij daar, voor de ark des verbonds des HEEREN, Asaf en zijn broederen, om geduriglijk te dienen voor de ark, naardat op elken dag besteld was.

1KR 16:38 evenzo Obed-Edom en hun broeders, achtenzestig; voorts Obed-Edom, de zoon van Jedutun, en Chosa als poortwachters.

38 And Obededom with their brethren, threescore and eight; Obededom also the son of Jeduthun and Hosah [to be] porters:

38 Obed-Edom nu, met hunlieder broederen, waren acht en zestig; en [hij] [stelde] Obed-Edom, den zoon van Jeduthun, en Hosa, tot poortiers;

1KR 16:39 De priester Sadok echter, en zijn broeders, de priesters, (liet hij blijven) voor de tabernakel des HEREN op de offerhoogte te Gibeon,

39 And Zadok the priest, and his brethren the priests, before the tabernacle of the LORD in the high place that [was] at Gibeon,

39 En den priester Zadok, en zijn broederen, de priesters, voor den tabernakel des HEEREN op de hoogte, welke te Gibeon is;

1KR 16:40 om bestendig des morgens en des avonds de HERE brandoffers te brengen op het brandofferaltaar en alles te volbrengen wat voorgeschreven is in de wet des HEREN, die Hij Israël geboden had.

40 To offer burnt offerings unto the LORD upon the altar of the burnt offering continually morning and evening, and [to do] according to all that is written in the law of the LORD, which he commanded Israel;

40 Om den HEERE de brandofferen geduriglijk te offeren op het brandofferaltaar, des morgens en des avonds; en zulks naar alles, wat er geschreven staat in de wet des HEEREN, die Hij Israel geboden had.

1KR 16:41 Bij hen bevonden zich Heman en Jedutun en de overige uitgelezenen, die met name waren aangewezen, om aan te heffen: Looft de HERE, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

41 And with them Heman and Jeduthun, and the rest that were chosen, who were expressed by name, to give thanks to the LORD, because his mercy [endureth] for ever;

41 En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezenen, die met namen uitgedrukt zijn om den HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in der eeuwigheid.

1KR 16:42 Zij, Heman en Jedutun, hadden bij zich trompetten en cimbalen voor de muzikanten, en instrumenten ter begeleiding van de zang ter ere Gods. En de zonen van Jedutun stonden bij de poort.

42 And with them Heman and Jeduthun with trumpets and cymbals for those that should make a sound, and with musical instruments of God. And the sons of Jeduthun [were] porters.

42 Met hen dan waren Heman en Jeduthun, [met] trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en [met] instrumenten der muziek Gods; maar de zonen van Jeduthun waren aan de poort.

1KR 16:43 Toen ging het gehele volk heen, ieder naar zijn huis, en David keerde terug om zijn gezin te begroeten.

43 And all the people departed every man to his house: and David returned to bless his house.

43 Alzo toog het ganse volk henen, een iegelijk in zijn huis; en David keerde zich, om zijn huis te gaan zegenen.

1KR 17:1 Nadat David in zijn paleis was gaan wonen, zeide hij tot de profeet Natan: Zie, ik woon in een cederen paleis, terwijl de ark van het verbond des HEREN onder tentkleden staat.

1 Now it came to pass, as David sat in his house, that David said to Nathan the prophet, Lo, I dwell in an house of cedars, but the ark of the covenant of the LORD [remaineth] under curtains.

1 Het gesch