1 Korinthiërs

Back Home Next

 

KJDictionary 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

NBG 1951

KJV 1611

STATEN 1637

1KO 1:1 Paulus, een geroepen apostel van Christus Jezus door de wil van God, en Sostenes, de broeder,

1 Paul, called [to be] an apostle of Jesus Christ through the will of God, and Sosthenes [our] brother,

1 Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Sosthenes, de broeder,

1KO 1:2 aan de gemeente Gods te Korinte, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen met allen, die allerwege de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen, hun en onze (Here):

2 Unto the church of God which is at Corinth, to them that are sanctified in Christ Jesus, called [to be] saints, with all that in every place call upon the name of Jesus Christ our Lord, both theirs and ours:

2 Aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen, die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onzen [Heere];

1KO 1:3 genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.

3 Grace [be] unto you, and peace, from God our Father, and [from] the Lord Jesus Christ.

3 Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.

1KO 1:4 Ik dank God te allen tijde over u, vanwege de genade Gods, die u in Christus Jezus geschonken is;

4 I thank my God always on your behalf, for the grace of God which is given you by Jesus Christ;

4 Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus;

1KO 1:5 want in elk opzicht zijt gij rijk geworden in Hem: in alle woord en alle kennis,

5 That in every thing ye are enriched by him, in all utterance, and [in] all knowledge;

5 Dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis;

1KO 1:6 gelijk het getuigenis aangaande Christus onder u bevestigd is,

6 Even as the testimony of Christ was confirmed in you:

6 Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u;

1KO 1:7 zodat gij ten aanzien van geen enkele genadegave te kort komt, terwijl gij uitziet naar de openbaring van onze Here Jezus Christus.

7 So that ye come behind in no gift; waiting for the coming of our Lord Jesus Christ:

7 Alzo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus.

1KO 1:8 Hij zal u ook bevestigen ten einde toe, zodat gij onberispelijk zult zijn op de dag van onze Here Jezus [Christus].

8 Who shall also confirm you unto the end, [that ye may be] blameless in the day of our Lord Jesus Christ.

8 Welke [God] u ook zal bevestigen tot het einde toe, [om] onstraffelijk [te zijn] in den dag van onzen Heere Jezus Christus.

1KO 1:9 God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.

9 God [is] faithful, by whom ye were called unto the fellowship of his Son Jesus Christ our Lord.

9 God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.

1KO 1:10 Doch ik vermaan u, broeders, bij de naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen.

10 Now I beseech you, brethren, by the name of our Lord Jesus Christ, that ye all speak the same thing, and [that] there be no divisions among you; but [that] ye be perfectly joined together in the same mind and in the same judgment.

10 Maar ik bid u, broeders, door den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en [dat] onder u geen scheuringen zijn, maar [dat] gij samengevoegd zijt in een zelfden zin, en in een zelfde gevoelen.

1KO 1:11 Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de (huisgenoten) van Chloë, dat er twisten onder u zijn.

11 For it hath been declared unto me of you, my brethren, by them [which are of the house] of Chloe, that there are contentions among you.

11 Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van [het huisgezin] van Chloe [zijn], dat er twisten onder u zijn.

1KO 1:12 Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: Ik ben van Paulus! En ík van Apollos! En ík van Kefas! En ík van Christus!

12 Now this I say, that every one of you saith, I am of Paul; and I of Apollos; and I of Cephas; and I of Christ.

12 En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.

1KO 1:13 Is Christus gedeeld? Is Paulus dan voor u gekruisigd, of zijt gij in de naam van Paulus gedoopt?

13 Is Christ divided? was Paul crucified for you? or were ye baptized in the name of Paul?

13 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus’ naam gedoopt?

1KO 1:14 Ik ben dankbaar, dat ik niemand uwer gedoopt heb dan Crispus en Gajus;

14 I thank God that I baptized none of you, but Crispus and Gaius;

14 Ik dank God, dat ik niemand van ulieden gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;

1KO 1:15 zodat niemand kan zeggen, dat gij in mijn naam gedoopt zijt.

15 Lest any should say that I had baptized in mine own name.

15 Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb.

1KO 1:16 Ook heb ik nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb.

16 And I baptized also the household of Stephanas: besides, I know not whether I baptized any other.

16 Doch ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; voorts weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb.

1KO 1:17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden, om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken.

17 For Christ sent me not to baptize, but to preach the gospel: not with wisdom of words, lest the cross of Christ should be made of none effect.

17 Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.

1KO 1:18 Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods.

18 For the preaching of the cross is to them that perish foolishness; but unto us which are saved it is the power of God.

18 Want het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods;

1KO 1:19 Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen.

19 For it is written, I will destroy the wisdom of the wise, and will bring to nothing the understanding of the prudent.

19 Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken.

1KO 1:20 Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt?

20 Where [is] the wise? where [is] the scribe? where [is] the disputer of this world? hath not God made foolish the wisdom of this world?

20 Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?

1KO 1:21 Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven.

21 For after that in the wisdom of God the world by wisdom knew not God, it pleased God by the foolishness of preaching to save them that believe.

21 Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven;

1KO 1:22 Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid,

22 For the Jews require a sign, and the Greeks seek after wisdom:

22 Overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken;

1KO 1:23 doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid,

23 But we preach Christ crucified, unto the Jews a stumblingblock, and unto the Greeks foolishness;

23 Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;

1KO 1:24 maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.

24 But unto them which are called, both Jews and Greeks, Christ the power of God, and the wisdom of God.

24 Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, [prediken wij] Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.

1KO 1:25 Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.

25 Because the foolishness of God is wiser than men; and the weakness of God is stronger than men.

25 Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen.

1KO 1:26 Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken.

26 For ye see your calling, brethren, how that not many wise men after the flesh, not many mighty, not many noble, [are called]:

26 Want gij ziet uw roeping, broeders, dat [gij] niet vele wijzen [zijt] naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.

1KO 1:27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen,

27 But God hath chosen the foolish things of the world to confound the wise;

27 Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou;

en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen;

and God hath chosen the weak things of the world to confound the things which are mighty;

en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen;

1KO 1:28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen,

28 And base things of the world, and things which are despised, hath God chosen, [yea], and things which are not, to bring to nought things that are:

28 En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen [iets] is, te niet zou maken;

1KO 1:29 opdat geen vlees zou roemen voor God.

29 That no flesh should glory in his presence.

29 Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.

1KO 1:30 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing,

30 But of him are ye in Christ Jesus, who of God is made unto us wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption:

30 Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;

1KO 1:31 opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here.

31 That, according as it is written, He that glorieth, let him glory in the Lord.

31 Opdat [het zij], gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere.

1KO 2:1 Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen.

1 And I, brethren, when I came to you, came not with excellency of speech or of wisdom, declaring unto you the testimony of God.

1 En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.

1KO 2:2 Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd.

2 For I determined not to know any thing among you, save Jesus Christ, and him crucified.

2 Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.

1KO 2:3 Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u;

3 And I was with you in weakness, and in fear, and in much trembling.

3 En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving.

1KO 2:4 mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht,

4 And my speech and my preaching [was] not with enticing words of man's wisdom, but in demonstration of the Spirit and of power:

4 En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht;

1KO 2:5 opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God.

5 That your faith should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.

5 Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.

1KO 2:6 Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat,

6 Howbeit we speak wisdom among them that are perfect: yet not the wisdom of this world, nor of the princes of this world, that come to nought:

6 En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden;

1KO 2:7 maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God (reeds) van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid.

7 But we speak the wisdom of God in a mystery, [even] the hidden [wisdom], which God ordained before the world unto our glory:

7 Maar wij spreken de wijsheid Gods, [bestaande] in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was;

1KO 2:8 En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben.

8 Which none of the princes of this world knew: for had they known [it], they would not have crucified the Lord of glory.

8 Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.

1KO 2:9 Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.

9 But as it is written, Eye hath not seen, nor ear heard, neither have entered into the heart of man, the things which God hath prepared for them that love him.

9 Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.

1KO 2:10 Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods.

10 But God hath revealed [them] unto us by his Spirit: for the Spirit searcheth all things, yea, the deep things of God.

10 Doch God heeft [het] ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.

1KO 2:11 Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods.

11 For what man knoweth the things of a man, save the spirit of man which is in him? even so the things of God knoweth no man, but the Spirit of God.

11 Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.

1KO 2:12 Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is.

12 Now we have received, not the spirit of the world, but the spirit which is of God; that we might know the things that are freely given to us of God.

12 Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;

1KO 2:13 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken.

13 Which things also we speak, not in the words which man's wisdom teacheth, but which the Holy Ghost teacheth; comparing spiritual things with spiritual.

13 Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met [woorden], die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.

1KO 2:14 Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.

14 But the natural man receiveth not the things of the Spirit of God: for they are foolishness unto him: neither can he know [them], because they are spiritually discerned.

14 Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.

1KO 2:15 Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.

15 But he that is spiritual judgeth all things, yet he himself is judged of no man.

15 Doch de geestelijke [mens] onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.

1KO 2:16 Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten? Maar wij hebben de zin van Christus.

16 For who hath known the mind of the Lord, that he may instruct him? But we have the mind of Christ.

16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.

1KO 3:1 En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus.

1 And I, brethren, could not speak unto you as unto spiritual, but as unto carnal, [even] as unto babes in Christ.

1 En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.

1KO 3:2 Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu [nog] niet,

2 I have fed you with milk, and not with meat: for hitherto ye were not able [to bear it], neither yet now are ye able.

2 Ik heb u met melk gevoed, en niet met [vaste] spijs; want gij vermocht [toen] nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet.

1KO 3:3 want gij zijt nog vleselijk. Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij dan niet vleselijk, en leeft gij niet als (onveranderde) mensen?

3 For ye are yet carnal: for whereas [there is] among you envying, and strife, and divisions, are ye not carnal, and walk as men?

3 Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt [gij niet] naar den mens?

1KO 3:4 Want wanneer de een zegt: Ik ben van Paulus; en de ander: Ik van Apollos; zijt gij dan niet (onveranderde) mensen?

4 For while one saith, I am of Paul; and another, I [am] of Apollos; are ye not carnal?

4 Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik [ben] van Apollos; zijt gij niet vleselijk?

1KO 3:5 Wat is dan Apollos? Of wat is Paulus? Dienaren, door wie gij tot geloof gekomen zijt, en wel zoals de Here dit aan een ieder geschonken heeft.

5 Who then is Paul, and who [is] Apollos, but ministers by whom ye believed, even as the Lord gave to every man?

5 Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welken gij geloofd hebt, en [dat], gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft?

1KO 3:6 Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de wasdom.

6 I have planted, Apollos watered; but God gave the increase.

6 Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.

1KO 3:7 Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft.

7 So then neither is he that planteth any thing, neither he that watereth; but God that giveth the increase.

7 Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft.

1KO 3:8 Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk.

8 Now he that planteth and he that watereth are one: and every man shall receive his own reward according to his own labour.

8 En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.

1KO 3:9 Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.

9 For we are labourers together with God: ye are God's husbandry, [ye are] God's building.

9 Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.

1KO 3:10 Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt. Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.

10 According to the grace of God which is given unto me, as a wise masterbuilder, I have laid the foundation, and another buildeth thereon. But let every man take heed how he buildeth thereupon.

10 Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.

1KO 3:11 Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen.

11 For other foundation can no man lay than that is laid, which is Jesus Christ.

11 Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.

1KO 3:12 Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro,

12 Now if any man build upon this foundation gold, silver, precious stones, wood, hay, stubble;

12 En indien iemand op dit fondament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen;

1KO 3:13 ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken.

13 Every man's work shall be made manifest: for the day shall declare it, because it shall be revealed by fire; and the fire shall try every man's work of what sort it is.

13 Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.

1KO 3:14 Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen,

14 If any man's work abide which he hath built thereupon, he shall receive a reward.

14 Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.

1KO 3:15 maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.

15 If any man's work shall be burned, he shall suffer loss: but he himself shall be saved; yet so as by fire.

15 Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.

1KO 3:16 Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?

16 Know ye not that ye are the temple of God, and [that] the Spirit of God dwelleth in you?

16 Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?

1KO 3:17 Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!

17 If any man defile the temple of God, him shall God destroy; for the temple of God is holy, which [temple] ye are.

17 Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.

1KO 3:18 Laat niemand zichzelf misleiden! Indien iemand onder u meent wijs te zijn in deze tijd, hij worde dwaas, om wijs te worden.

18 Let no man deceive himself. If any man among you seemeth to be wise in this world, let him become a fool, that he may be wise.

18 Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.

1KO 3:19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid voor God. Want er staat geschreven: Die de wijzen vangt in hun sluwheid;

19 For the wisdom of this world is foolishness with God. For it is written, He taketh the wise in their own craftiness.

19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;

1KO 3:20 en elders: De Here weet, dat de overleggingen der wijzen vruchteloos zijn.

20 And again, The Lord knoweth the thoughts of the wise, that they are vain.

20 En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.

1KO 3:21 Daarom, niemand beroeme zich op mensen; alles is immers het uwe:

21 Therefore let no man glory in men. For all things are yours;

21 Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe.

1KO 3:22 hetzij Paulus, Apollos of Kefas, hetzij wereld, leven of dood, hetzij heden of toekomst, het is alles het uwe;

22 Whether Paul, or Apollos, or Cephas, or the world, or life, or death, or things present, or things to come; all are yours;

22 Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.

1KO 3:23 doch gij zijt van Christus, en Christus is van God.

23 And ye are Christ's; and Christ [is] God's.

23 Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.

1KO 4:1 Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd.

1 Let a man so account of us, as of the ministers of Christ, and stewards of the mysteries of God.

1 Alzo houde ons een [ieder] mens, als dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods.

1KO 4:2 Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken.

2 Moreover it is required in stewards, that a man be found faithful.

2 En voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.

1KO 4:3 Nu raakt het mij zeer weinig, of ik al door u of door enig menselijk gericht beoordeeld word. Ja, ook mijzelf beoordeel ik niet.

3 But with me it is a very small thing that I should be judged of you, or of man's judgment: yea, I judge not mine own self.

3 Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet.

1KO 4:4 Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; Hij, die mij beoordeelt is de Here.

4 For I know nothing by myself; yet am I not hereby justified: but he that judgeth me is the Lord.

4 Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.

1KO 4:5 Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken. En dan zal aan elk zijn lof geworden van God.

5 Therefore judge nothing before the time, until the Lord come, who both will bring to light the hidden things of darkness, and will make manifest the counsels of the hearts: and then shall every man have praise of God.

5 Zo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.

1KO 4:6 Dit, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos overgebracht om uwentwil, opdat gij uit ons (voorbeeld) zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat, opdat niet iemand uwer zich vóór de een en tegen de ander opblaze.

6 And these things, brethren, I have in a figure transferred to myself and [to] Apollos for your sakes; that ye might learn in us not to think [of men] above that which is written, that no one of you be puffed up for one against another.

6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apollos bij gelijkenis toegepast, om uwentwil; opdat gij aan ons zoudt leren, niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander.

1KO 4:7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?

7 For who maketh thee to differ [from another]? and what hast thou that thou didst not receive? now if thou didst receive [it], why dost thou glory, as if thou hadst not received [it]?

7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?

1KO 4:8 Reeds zijt gij verzadigd, reeds zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij u koning gemaakt. Ja, was het maar zo, dat gij koning geworden waart; dan waren ook wij met u koning geworden.

8 Now ye are full, now ye are rich, ye have reigned as kings without us: and I would to God ye did reign, that we also might reign with you.

8 Alrede zijt gij verzadigd, alrede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst; en och, of gij heerstet, opdat ook wij met u heersen mochten!

1KO 4:9 Want het schijnt mij toe, dat God ons, apostelen, de laatste plaats heeft aangewezen als ten dode gedoemden, want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en mensen.

9 For I think that God hath set forth us the apostles last, as it were appointed to death: for we are made a spectacle unto the world, and to angels, and to men.

9 Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen.

1KO 4:10 Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere.

10 We [are] fools for Christ's sake, but ye [are] wise in Christ; we [are] weak, but ye [are] strong; ye [are] honourable, but we [are] despised.

10 Wij [zijn] dwazen om Christus’ wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten.

1KO 4:11 Tot op dit ogenblik verduren wij honger, dorst, naaktheid, vuistslagen en een zwervend leven;

11 Even unto this present hour we both hunger, and thirst, and are naked, and are buffeted, and have no certain dwellingplace;

11 Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats;

1KO 4:12 wij verrichten zware handenarbeid; worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen;

12 And labour, working with our own hands: being reviled, we bless; being persecuted, we suffer it:

12 En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen;

1KO 4:13 worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe.

13 Being defamed, we intreat: we are made as the filth of the world, [and are] the offscouring of all things unto this day.

13 Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld [en] aller afschrapsel tot nu toe.

1KO 4:14 Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen.

14 I write not these things to shame you, but as my beloved sons I warn [you].

14 Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijn lieve kinderen vermaan ik [u].

1KO 4:15 Want al hadt gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt niet vele vaders. Immers, ik heb u in Christus Jezus door het evangelie verwekt.

15 For though ye have ten thousand instructors in Christ, yet [have ye] not many fathers: for in Christ Jesus I have begotten you through the gospel.

15 Want al hadt gij tien duizend leermeesters in Christus, zo [hebt gij] toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.

1KO 4:16 Ik vermaan u dus: volgt mijn voorbeeld.

16 Wherefore I beseech you, be ye followers of me.

16 Zo vermaan ik u dan: zijt mijn navolgers.

1KO 4:17 Juist hierom heb ik Timoteüs tot u gezonden, die mij een geliefd en trouw kind is in de Here. Hij zal u mijn wegen in Christus [Jezus] indachtig maken, zoals ik die overal in elke gemeente leer.

17 For this cause have I sent unto you Timotheus, who is my beloved son, and faithful in the Lord, who shall bring you into remembrance of my ways which be in Christ, as I teach every where in every church.

17 Daarom heb ik Timotheus tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom in alle Gemeenten leer.

1KO 4:18 Doch sommigen hebben zich opgeblazen, in de waan, dat ik niet tot u komen zou;

18 Now some are puffed up, as though I would not come to you.

18 Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik tot ulieden niet komen zou.

1KO 4:19 maar spoedig zal ik tot u komen, zo de Here wil. Dan zal ik mij vergewissen, niet van het woord dier opgeblazenen, maar van hun kracht.

19 But I will come to you shortly, if the Lord will, and will know, not the speech of them which are puffed up, but the power.

19 Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heere wil, en ik zal [dan] verstaan, niet de woorden dergenen, die opgeblazen zijn, maar de kracht.

1KO 4:20 Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht.

20 For the kingdom of God [is] not in word, but in power.

20 Want het Koninkrijk Gods is niet [gelegen] in woorden, maar in kracht.

1KO 4:21 Wat wilt gij? Moet ik met de roede tot u komen, of met liefde en in een geest van zachtmoedigheid?

21 What will ye? shall I come unto you with a rod, or in love, and [in] the spirit of meekness?

21 Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en [in] den geest der zachtmoedigheid?

1KO 5:1 Inderdaad men spreekt van hoererij onder u, en zulk een hoererij, als zelfs onder de heidenen niet (voorkomt), dat iemand leeft met de vrouw van zijn vader.

1 It is reported commonly [that there is] fornication among you, and such fornication as is not so much as named among the Gentiles, that one should have his father's wife.

1 Men hoort ganselijk, [dat er] hoererij onder u [is], en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, alzo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft.

1KO 5:2 En gij zijt opgeblazen in plaats van u veeleer te bedroeven, en dus de bedrijver van die daad uit uw midden te verwijderen?

2 And ye are puffed up, and have not rather mourned, that he that hath done this deed might be taken away from among you.

2 En zijt gij [nog] opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?

1KO 5:3 Want mijnerzijds heb ik, hoewel lichamelijk niet, maar naar de geest wèl aanwezig, reeds, als aanwezig, vonnis geveld over hem, die op zulk een wijze zo iets heeft begaan.

3 For I verily, as absent in body, but present in spirit, have judged already, as though I were present, [concerning] him that hath so done this deed,

3 Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede, als [of ik] tegenwoordig [ware], dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten,

 

4 In the name of our Lord Jesus Christ,

4 In den Naam van onzen Heere Jezus Christus,

1KO 5:4 Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onze Here Jezus,

when ye are gathered together, and my spirit, with the power of our Lord Jesus Christ,

als gijlieden en mijn geest [samen] vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Heere Jezus Christus,

1KO 5:5 leveren wij in de naam van de Here Jezus die man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren.

5 To deliver such an one unto Satan for the destruction of the flesh, that the spirit may be saved in the day of the Lord Jesus.

5 Denzulken over te geven aan den satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus.

1KO 5:6 Uw roem deugt niet. Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt?

6 Your glorying [is] not good. Know ye not that a little leaven leaveneth the whole lump?

6 Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?

1KO 5:7 Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus.

7 Purge out therefore the old leaven, that ye may be a new lump, as ye are unleavened. For even Christ our passover is sacrificed for us:

7 Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, [namelijk] Christus.

1KO 5:8 Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid.

8 Therefore let us keep the feast, not with old leaven, neither with the leaven of malice and wickedness; but with the unleavened [bread] of sincerity and truth.

8 Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde [broden] der oprechtheid en der waarheid.

1KO 5:9 Ik schreef u reeds in mijn brief, dat gij niet moest omgaan met hoereerders;

9 I wrote unto you in an epistle not to company with fornicators:

9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;

1KO 5:10 niet met de hoereerders uit deze wereld in het algemeen of met de geldgierigen en oplichters of afgodendienaars, want dan zou men wel uit de wereld moeten gaan.

10 Yet not altogether with the fornicators of this world, or with the covetous, or extortioners, or with idolaters; for then must ye needs go out of the world.

10 Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.

1KO 5:11 Nu evenwel schrijf ik u, dat gij niet moet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard, of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten.

11 But now I have written unto you not to keep company, if any man that is called a brother be a fornicator, or covetous, or an idolater, or a railer, or a drunkard, or an extortioner; with such an one no not to eat.

11 Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, [namelijk] indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten.

1KO 5:12 Staat het soms aan mij, hen te oordelen, die buiten zijn? Oordeelt ook gij niet (alleen) hen, die in uw kring zijn?

12 For what have I to do to judge them also that are without? do not ye judge them that are within?

12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?

1KO 5:13 Hen, die buiten zijn, zal God oordelen. Doet, wie niet deugt, uit uw midden weg.

13 But them that are without God judgeth. Therefore put away from among yourselves that wicked person.

13 Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit ulieden weg.

1KO 6:1 Durft iemand uwer, wanneer hij iets heeft met een ander, recht zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen?

1 Dare any of you, having a matter against another, go to law before the unjust, and not before the saints?

1 Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?

1KO 6:2 Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En indien bij u het oordeel over de wereld berust, zijt gij dan onbevoegd voor de meest onbetekenende rechtspraak?

2 Do ye not know that the saints shall judge the world? and if the world shall be judged by you, are ye unworthy to judge the smallest matters?

2 Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken?

1KO 6:3 Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer dan over alledaagse dingen?

3 Know ye not that we shall judge angels? how much more things that pertain to this life?

3 Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?

1KO 6:4 Indien gij alledaagse geschillen te berechten hebt, laat gij dan hen zitting nemen, die in de gemeente niet in tel zijn?

4 If then ye have judgments of things pertaining to this life, set them to judge who are least esteemed in the church.

4 Zo gij dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die [daarover], die in de Gemeente minst geacht zijn.

1KO 6:5 Ik zeg het om u te beschamen. Is er dan bij u geen enkel wijs man, die uitspraak zal kunnen doen tussen broeders?

5 I speak to your shame. Is it so, that there is not a wise man among you? no, not one that shall be able to judge between his brethren?

5 Ik zeg u [dit] tot schaamte. Is er [dan] alzo onder u geen, die wijs is, ook niet een, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders?

1KO 6:6 Zoekt nu de ene broeder recht tegen de andere, en dat bij de ongelovigen?

6 But brother goeth to law with brother, and that before the unbelievers.

6 Maar de [ene] broeder gaat met den [anderen] broeder te recht, en dat voor ongelovigen.

1KO 6:7 Maar dan is de zaak voor u reeds geheel verloren, dat gij tegen elkander rechtszaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet liever te kort doen?

7 Now therefore there is utterly a fault among you, because ye go to law one with another. Why do ye not rather take wrong? why do ye not rather [suffer yourselves to] be defrauded?

7 Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?

1KO 6:8 Maar zelf doet gij onrecht en doet gij te kort, en dat aan broeders.

8 Nay, ye do wrong, and defraud, and that [your] brethren.

8 Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen.

1KO 6:9 Of weet gij niet, dat onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet beërven zullen?

9 Know ye not that the unrighteous shall not inherit the kingdom of God?

9 Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beerven?

1KO 6:10 Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders,

Be not deceived: neither fornicators, nor idolaters, nor adulterers, nor effeminate, nor abusers of themselves with mankind,

10 Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen,

dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters, zullen het Koninkrijk Gods niet beërven.

10 Nor thieves, nor covetous, nor drunkards, nor revilers, nor extortioners, shall inherit the kingdom of God.

noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.

1KO 6:11 En sommigen uwer zijn dat geweest. Maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus en door de Geest van onze God.

11 And such were some of you: but ye are washed, but ye are sanctified, but ye are justified in the name of the Lord Jesus, and by the Spirit of our God.

11 En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods;

1KO 6:12 Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten knechten.

12 All things are lawful unto me, but all things are not expedient: all things are lawful for me, but I will not be brought under the power of any.

12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen.

1KO 6:13 Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel, en God zal zowel het een als het ander teniet doen. Maar het lichaam is niet voor de hoererij, doch voor de Here, en de Here voor het lichaam.

13 Meats for the belly, and the belly for meats: but God shall destroy both it and them. Now the body [is] not for fornication, but for the Lord; and the Lord for the body.

13 De spijzen zijn voor de buik, en de buik [is] voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Heere voor het lichaam.

1KO 6:14 God heeft niet alleen de Here opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht.

14 And God hath both raised up the Lord, and will also raise up us by his own power.

14 En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht.

1KO 6:15 Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden ener hoer van te maken? Volstrekt niet!

15 Know ye not that your bodies are the members of Christ? shall I then take the members of Christ, and make [them] the members of an harlot? God forbid.

15 Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre.

1KO 6:16 Of weet gij niet, dat wie zich aan een hoer hecht, één lichaam (met haar) is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot één vlees zijn.

16 What? know ye not that he which is joined to an harlot is one body? for two, saith he, shall be one flesh.

16 Of weet gij niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam [met haar] is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen.

1KO 6:17 Maar die zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem).

17 But he that is joined unto the Lord is one spirit.

17 Maar die den Heere aanhangt, is een geest [met Hem.]

1KO 6:18 Vliedt de hoererij. Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om. Maar door hoererij bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam.

18 Flee fornication. Every sin that a man doeth is without the body; but he that committeth fornication sinneth against his own body.

18 Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.

1KO 6:19 Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?

19 What? know ye not that your body is the temple of the Holy Ghost [which is] in you, which ye have of God, and ye are not your own?

19 Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en [dat] gij uws zelfs niet zijt?

1KO 6:20 Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam.

20 For ye are bought with a price: therefore glorify God in your body, and in your spirit, which are God's.

20 Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.

1KO 7:1 Wat nu de punten betreft, waarover gij mij geschreven hebt, het is goed voor een mens niet aan een vrouw verbonden te zijn,

1 Now concerning the things whereof ye wrote unto me: [It is] good for a man not to touch a woman.

1 Aangaande nu de dingen, waarvan gij mij geschreven hebt: het is een mens goed geen vrouw aan te raken.

1KO 7:2 maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.

2 Nevertheless, [to avoid] fornication, let every man have his own wife, and let every woman have her own husband.

2 Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk [man] zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke [vrouw] zal haar eigen man hebben.

1KO 7:3 De man kome jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichtingen na en evenzo de vrouw jegens haar man.

3 Let the husband render unto the wife due benevolence: and likewise also the wife unto the husband.

3 De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen; en desgelijks ook de vrouw aan den man.

1KO 7:4 De vrouw heeft niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, doch zijn vrouw.

4 The wife hath not power of her own body, but the husband: and likewise also the husband hath not power of his own body, but the wife.

4 De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.

1KO 7:5 Onthoudt dat elkander niet, tenzij met onderling goedvinden (en) voor een bepaalde tijd, om u te wijden aan het gebed, maar om daarna weder samen te komen, opdat niet de satan u verzoeke wegens [uw] gemis aan zelfbeheersing.

5 Defraud ye not one the other, except [it be] with consent for a time, that ye may give yourselves to fasting and prayer; and come together again, that Satan tempt you not for your incontinency.

5 Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met [beider] toestemming voor een tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden.

1KO 7:6 Dit zeg ik om u tegemoet te komen, niet om u te bevelen.

6 But I speak this by permission, [and] not of commandment.

6 Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel.

1KO 7:7 Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf. Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere gave, de een deze, de ander die.

7 For I would that all men were even as I myself. But every man hath his proper gift of God, one after this manner, and another after that.

7 Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf [ben]; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus, maar de andere alzo.

1KO 7:8 Maar tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik: Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik.

8 I say therefore to the unmarried and widows, It is good for them if they abide even as I.

8 Doch ik zeg den ongetrouwden, en den weduwen: Het is hun goed, indien zij blijven, gelijk als ik.

1KO 7:9 Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.

9 But if they cannot contain, let them marry: for it is better to marry than to burn.

9 Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.

1KO 7:10 Doch hun, die getrouwd zijn, beveel ik niet, maar de Here, dat een vrouw haar man niet mag verlaten -

10 And unto the married I command, [yet] not I, but the Lord, Let not the wife depart from [her] husband:

10 Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.

1KO 7:11 is dit tóch gebeurd, dan moet zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen - en een man moet zijn vrouw niet verstoten.

11 But and if she depart, let her remain unmarried, or be reconciled to [her] husband: and let not the husband put away [his] wife.

11 En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate.

1KO 7:12 Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here: heeft een broeder een ongelovige vrouw, die erin bewilligt met hem samen te wonen, dan moet hij haar niet verstoten.

12 But to the rest speak I, not the Lord: If any brother hath a wife that believeth not, and she be pleased to dwell with him, let him not put her away.

12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: Indien enig broeder een ongelovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate.

1KO 7:13 En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heeft, en deze erin bewilligt met haar samen te wonen, die man niet verstoten.

13 And the woman which hath an husband that believeth not, and if he be pleased to dwell with her, let her not leave him.

13 En een vrouw, die een ongelovige man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.

1KO 7:14 Want de ongelovige man is geheiligd in zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd in de broeder. Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn, doch nu zijn zij heilig.

14 For the unbelieving husband is sanctified by the wife, and the unbelieving wife is sanctified by the husband: else were your children unclean; but now are they holy.

14 Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.

1KO 7:15 Maar indien de ongelovige haar verlaat, laat hij haar verlaten. De broeder of zuster is in dit geval niet gebonden; tot vrede heeft God u geroepen.

15 But if the unbelieving depart, let him depart. A brother or a sister is not under bondage in such [cases]: but God hath called us to peace.

15 Maar indien de ongelovige scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zodanige [gevallen] niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen.

1KO 7:16 Want hoe kunt gij weten, vrouw, dat gij uw man zult redden? Of hoe kunt gij weten, man, dat gij uw vrouw zult redden?

16 For what knowest thou, O wife, whether thou shalt save [thy] husband? or how knowest thou, O man, whether thou shalt save [thy] wife?

16 Want wat weet gij, vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken?

1KO 7:17 Alleen, laat ieder zo leven, als de Here hem toebedeeld heeft, zo, als God hem geroepen heeft. Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor.

17 But as God hath distributed to every man, as the Lord hath called every one, so let him walk. And so ordain I in all churches.

17 Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo verordene ik in al de Gemeenten.

1KO 7:18 Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden.

18 Is any man called being circumcised? let him not become uncircumcised. Is any called in uncircumcision? let him not be circumcised.

18 Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich geen [voorhuid] aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden.

1KO 7:19 (Want) besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wèl het houden van Gods geboden.

19 Circumcision is nothing, and uncircumcision is nothing, but the keeping of the commandments of God.

19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.

1KO 7:20 Ieder blijve bij die roeping, waarin hij was, toen hij geroepen werd.

20 Let every man abide in the same calling wherein he was called.

20 Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is.

1KO 7:21 Zijt gij als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet, maar als gij ook vrij kunt worden, maak er dan te meer gebruik van.

21 Art thou called [being] a servant? care not for it: but if thou mayest be made free, use [it] rather.

21 Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u [dat] niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik [dat] liever.

1KO 7:22 Want de slaaf, die in de Here geroepen werd, is een vrijgelatene des Heren; evenzo is hij, die als vrije geroepen werd, een slaaf van Christus. Gij zijt gekocht en betaald.

22 For he that is called in the Lord, [being] a servant, is the Lord's freeman: likewise also he that is called, [being] free, is Christ's servant.

22 Want die in den Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus.

1KO 7:23 Weest geen slaven van mensen.

23 Ye are bought with a price; be not ye the servants of men.

23 Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der mensen.

1KO 7:24 Broeders, iedereen blijve voor God in die toestand, waarin hij werd geroepen.

24 Brethren, let every man, wherein he is called, therein abide with God.

24 Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God.

1KO 7:25 Voor de jongedochters heb ik geen bevel van de Here. Maar ik geef mijn mening, als iemand, die door de ontferming des Heren trouw is.

25 Now concerning virgins I have no commandment of the Lord: yet I give my judgment, as one that hath obtained mercy of the Lord to be faithful.

25 Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg [mijn] gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb, om getrouw te zijn.

1KO 7:26 Ik acht dus om de bestaande nood dit goed, dat het voor een mens goed is, zo te zijn.

26 I suppose therefore that this is good for the present distress, [I say], that [it is] good for a man so to be.

26 Ik houde dan dit goed te zijn, om den aanstaanden nood, dat het, [zeg ik], den mens goed is alzo te zijn.

1KO 7:27 Zijt gij aan een vrouw verbonden? Zoek geen scheiding. Hebt gij geen vrouw meer? Zoek er geen.

27 Art thou bound unto a wife? seek not to be loosed. Art thou loosed from a wife? seek not a wife.

27 Zijt gij aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding; zijt gij ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw.

1KO 7:28 Maar ook wanneer gij trouwt, dan doet gij daarmede geen kwaad, en wanneer een jongedochter trouwt, dan doet ook zij daarmede geen kwaad. Maar wèl staat zulke mensen verdrukking voor het vlees te wachten, die ik u gaarne besparen zou.

28 But and if thou marry, thou hast not sinned; and if a virgin marry, she hath not sinned. Nevertheless such shall have trouble in the flesh: but I spare you.

28 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare ulieden.

1KO 7:29 Dit bedoel ik, broeders: de tijd is kort. Ten slotte, laten zij, die een vrouw hebben, zijn als zonder vrouw;

29 But this I say, brethren, the time [is] short: it remaineth, that both they that have wives be as though they had none;

29 Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende;

1KO 7:30 die wenen, als weenden zij niet; die blijde zijn, als waren zij niet blijde; die kopen, als zouden zij er niets van behouden;

30 And they that weep, as though they wept not; and they that rejoice, as though they rejoiced not; and they that buy, as though they possessed not;

30 En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende;

1KO 7:31 die van de wereld gebruik maken, als zouden zij haar niet ten einde toe gebruiken. Want het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen.

31 And they that use this world, as not abusing [it]: for the fashion of this world passeth away.

31 En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.

1KO 7:32 En ik wilde wel, dat gij zonder zorgen waart. Wie niet getrouwd is, wijdt zijn zorgen aan de zaak des Heren, hoe hij de Here zal behagen.

32 But I would have you without carefulness. He that is unmarried careth for the things that belong to the Lord, how he may please the Lord:

32 En ik wil, dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen;

1KO 7:33 Maar hij, die getrouwd is, wijdt zijn zorgen aan aardse zaken, hoe hij zijn vrouw zal behagen, en hij is verdeeld.

33 But he that is married careth for the things that are of the world, how he may please [his] wife.

33 Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen.

1KO 7:34 Zowel zij, die geen man meer heeft, als de jongedochter, wijdt haar zorgen aan de zaak des Heren, om heilig te zijn naar lichaam en geest. Maar zij, die getrouwd is, wijdt haar zorgen aan aardse zaken, om haar man te behagen.

34 There is difference [also] between a wife and a virgin. The unmarried woman careth for the things of the Lord, that she may be holy both in body and in spirit: but she that is married careth for the things of the world, how she may please [her] husband.

34 Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen.

1KO 7:35 Dit zeg ik in uw eigen belang, niet om u een strik om te werpen, maar lettende op de betamelijkheid en de onverdeelde toewijding aan de Here.

35 And this I speak for your own profit; not that I may cast a snare upon you, but for that which is comely, and that ye may attend upon the Lord

35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar [om u te leiden] tot hetgeen wel voegt, en bekwaam is, om den Heere wel aan te hangen,

 

without distraction.

zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden.

1KO 7:36 Vindt nu iemand, dat hij jegens zijn jongedochter niet betamelijk handelt, indien zij reeds wat ouder wordt, en het zo behoort te geschieden, hij doe, wat hij wil; het is geen zonde, laten zij trouwen.

36 But if any man think that he behaveth himself uncomely toward his virgin, if she pass the flower of [her] age, and need so require, let him do what he will, he sinneth not: let them marry.

36 Maar zo iemand acht, dat hij ongevoegelijk handelt met zijn maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzo moet geschieden; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen.

1KO 7:37 Doch hij, die, in zijn gemoed vast overtuigd, niet genoodzaakt wordt en macht heeft over zijn wil en hiertoe bij zichzelf besloten heeft, zijn jongedochter ongerept te laten blijven, zal wèl doen.

37 Nevertheless he that standeth stedfast in his heart, having no necessity, but hath power over his own will, and hath so decreed in his heart that he will keep his virgin, doeth well.

37 Doch die vast staat in [zijn] hart, geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd zal bewaren, die doet wel.

1KO 7:38 Wie dus zijn jongedochter uithuwelijkt, doet wèl, en wie haar niet uithuwelijkt, doet beter.

38 So then he that giveth [her] in marriage doeth well; but he that giveth [her] not in marriage doeth better.

38 Alzo dan, die [haar] ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die [ze] ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter.

1KO 7:39 Een vrouw is gebonden, zolang haar man leeft; maar indien haar man is ontslapen, is zij vrij om te trouwen, met wie zij wil, mits in de Here.

39 The wife is bound by the law as long as her husband liveth; but if her husband be dead, she is at liberty to be married to whom she will; only in the Lord.

39 Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, dien zij wil, alleenlijk in den Heere.

1KO 7:40 Toch is zij naar mijn mening gelukkiger, indien zij blijft, zoals zij is; en ik meen ook de Geest Gods te hebben.

40 But she is happier if she so abide, after my judgment: and I think also that I have the Spirit of God.

40 Maar zij is gelukkiger, indien zij alzo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Geest Gods te hebben.

1KO 8:1 Wat het offervlees aangaat, wij weten, dat wij allen kennis bezitten. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.

1 Now as touching things offered unto idols, we know that we all have knowledge. Knowledge puffeth up, but charity edifieth.

1 Aangaande nu de dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.

1KO 8:2 Indien iemand zich inbeeldt enige kennis verworven te hebben, dan heeft hij nog niet leren kennen, zoals het behoort;

2 And if any man think that he knoweth any thing, he knoweth nothing yet as he ought to know.

2 En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen.

1KO 8:3 maar heeft iemand God lief, dan is deze door Hem gekend.

3 But if any man love God, the same is known of him.

3 Maar zo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend.

1KO 8:4 Wat nu het eten van offervlees betreft, wij weten, dat er geen afgod in de wereld bestaat en dat er geen God is dan Eén.

4 As concerning therefore the eating of those things that are offered in sacrifice unto idols, we know that an idol [is] nothing in the world, and that [there is] none other God but one.

4 Aangaande dan het eten der dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een.

1KO 8:5 Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde - en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte -

5 For though there be that are called gods, whether in heaven or in earth, (as there be gods many, and lords many,)

5 Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn),

1KO 8:6 voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij door Hem.

6 But to us [there is but] one God, the Father, of whom [are] all things, and we in him; and one Lord Jesus Christ, by whom [are] all things, and we by him.

6 Nochtans hebben wij [maar] een God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en [maar] een Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.

1KO 8:7 Maar niet bij allen is die kennis. Want sommigen, in hun geweten nog niet los van de afgod, eten (dit vlees) als afgodenoffer en hun geweten, dat zwak is, wordt erdoor besmet.

7 Howbeit [there is] not in every man that knowledge: for some with conscience of the idol unto this hour eat [it] as a thing offered unto an idol; and their conscience being weak is defiled.

7 Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen, met een geweten des afgods tot nog toe, eten als [iets] dat den afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt.

1KO 8:8 Nu zal wat wij eten, ons niet bij God brengen; eten wij niet, wij zijn er niet minder om; eten wij wèl, wij zijn er niet meer om.

8 But meat commendeth us not to God: for neither, if we eat, are we the better; neither, if we eat not, are we the worse.

8 De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.

1KO 8:9 Maar ziet toe, dat deze bevoegdheid van u niet tot aanstoot voor de zwakken worde.

9 But take heed lest by any means this liberty of yours become a stumblingblock to them that are weak.

9 Maar ziet toe, dat deze uw macht niet enigerwijze een aanstoot worde dengenen, die zwak zijn.

1KO 8:10 Want indien iemand u, die kennis hebt, (aan tafel) ziet aanliggen in een afgodentempel, zal hij met zijn zwak geweten dan niet gestijfd worden tot het eten van offervlees?

10 For if any man see thee which hast knowledge sit at meat in the idol's temple, shall not the conscience of him which is weak be emboldened to eat those things which are offered to idols;

10 Want zo iemand u, die de kennis hebt, ziet in der afgoden tempel aanzitten, zal het geweten deszelven, die zwak is, niet gestijfd worden, om te eten de dingen, die den afgoden geofferd zijn?

1KO 8:11 Dan gaat er immers iemand, die zwak is, ten gevolge van uw kennis verloren, een broeder, om wiens wil Christus gestorven is.

11 And through thy knowledge shall the weak brother perish, for whom Christ died?

11 En zal de broeder, die zwak is, door uw kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is?

1KO 8:12 Door zó tegen de broeders te zondigen, en hun geweten, indien het zwak is, te kwetsen, zondigt gij tegen Christus.

12 But when ye sin so against the brethren, and wound their weak conscience, ye sin against Christ.

12 Doch gijlieden, alzo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus.

1KO 8:13 Daarom, indien wat ik eet, mijn broeder aanstoot geeft, wil ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder geen aanstoot te geven.

13 Wherefore, if meat make my brother to offend, I will eat no flesh while the world standeth, lest I make my brother to offend.

13 Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.

1KO 9:1 Ben ik niet vrij? Ben ik geen apostel? Heb ik niet Jezus, onze Here, gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Here?

1 Am I not an apostle? am I not free? have I not seen Jesus Christ our Lord? are not ye my work in the Lord?

1 Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onzen Heere, gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere?

1KO 9:2 Indien ik voor anderen geen apostel ben, voor u toch zeker wèl; want het zegel op mijn apostelschap zijt gij in de Here.

2 If I be not an apostle unto others, yet doubtless I am to you: for the seal of mine apostleship are ye in the Lord.

2 Zo ik anderen geen apostel ben, nochtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns apostelschaps zijt gijlieden in den Heere.

1KO 9:3 Dit is mijn verdediging tegen hen, die zich een oordeel over mij aanmatigen.

3 Mine answer to them that do examine me is this,

3 Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze.

1KO 9:4 Hebben wij geen bevoegdheid om te eten en te drinken?

4 Have we not power to eat and to drink?

4 Hebben wij niet macht, om te eten en te drinken?

1KO 9:5 Hebben wij geen bevoegdheid om een zuster als vrouw mede te nemen gelijk ook de andere apostelen en de broeders des Heren en Kefas?

5 Have we not power to lead about a sister, a wife, as well as other apostles, and [as] the brethren of the Lord, and Cephas?

5 Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zuster zijnde, [met ons] om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren, en Cefas?

1KO 9:6 Of hebben alleen ik en Barnabas geen bevoegdheid om vrij te blijven van handenarbeid?

6 Or I only and Barnabas, have not we power to forbear working?

6 Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken?

1KO 9:7 Wie doet ooit dienst in het leger en betaalt zijn eigen soldij? Wie plant een wijngaard zonder van de vrucht daarvan te eten? Of wie weidt een kudde en geniet niet van de melk der kudde?

7 Who goeth a warfare any time at his own charges? who planteth a vineyard, and eateth not of the fruit thereof? or who feedeth a flock, and eateth not of the milk of the flock?

7 Wie dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk der kudde?

1KO 9:8 Spreek ik hier soms van menselijk standpunt, of spreekt ook de wet niet van deze dingen?

8 Say I these things as a man? or saith not the law the same also?

8 Spreek ik dit naar den mens, of zegt ook de wet hetzelfde niet?

1KO 9:9 Want in de wet van Mozes staat geschreven: Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bemoeit God Zich soms met de ossen?

9 For it is written in the law of Moses, Thou shalt not muzzle the mouth of the ox that treadeth out the corn. Doth God take care for oxen?

9 Want in de wet van Mozes is geschreven: Gij zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen?

1KO 9:10 Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil? Ja, om onzentwil werd het geschreven, omdat de ploeger moet ploegen in hope, en wie dorst (moet dorsen) in de hoop zijn deel te ontvangen.

10 Or saith he [it] altogether for our sakes? For our sakes, no doubt, [this] is written: that he that ploweth should plow in hope; and that he that thresheth in hope should be partaker of his hope.

10 Of zegt Hij [dat] ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is [dat] geschreven; overmits die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, [moet] zijn hoop deelachtig worden.

1KO 9:11 Indien wij het zijn, die voor u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel, dat wij van u het stoffelijke zouden oogsten?

11 If we have sown unto you spiritual things, [is it] a great thing if we shall reap your carnal things?

11 Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote [zaak], zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien?

1KO 9:12 Indien anderen deel hebben aan de bevoegdheid over u, wij niet veel meer? Doch wij hebben van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles om geen hindernis voor het evangelie van Christus op te werpen.

12 If others be partakers of [this] power over you, [are] not we rather? Nevertheless we have not used this power; but suffer all things, lest we should hinder the gospel of Christ.

12 Indien anderen deze macht over u deelachtig zijn, [waarom] niet veel meer wij? Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.

1KO 9:13 Weet gij niet, dat zij, die in het heiligdom de dienst verrichten, van het heiligdom eten, en zij, die het altaar bedienen, hun deel ontvangen van het altaar?

13 Do ye not know that they which minister about holy things live [of the things] of the temple? and they which wait at the altar are partakers with the altar?

13 Weet gij niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? [en] die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen?

1KO 9:14 Zo heeft de Here ook voor de verkondigers van het evangelie de regel gesteld, dat zij van het evangelie leven.

14 Even so hath the Lord ordained that they which preach the gospel should live of the gospel.

14 Alzo heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.

1KO 9:15 Ik voor mij heb hiervan echter niet het minste gebruik gemaakt. Dit schrijf ik echter niet, opdat het zo op mij toegepast zou worden, want het ware mij beter te sterven dan - neen, mijn roem zal niemand verijdelen!

15 But I have used none of these things: neither have I written these things, that it should be so done unto me: for [it were] better for me to die, than that any man should make my glorying void.

15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het alzo aan mij geschieden zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijn roem zou ijdel maken.

1KO 9:16 Want indien ik het evangelie verkondig, heb ik geen stof tot roemen. Immers, ik ben ertoe genoodzaakt. Want wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig!

16 For though I preach the gospel, I have nothing to glory of: for necessity is laid upon me; yea, woe is unto me, if I preach not the gospel!

16 Want indien ik het Evangelie verkondige, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!

1KO 9:17 Want doe ik dit gewillig, dan heb ik aanspraak op loon; maar doe ik het niet uit eigen beweging, de taak blijft mij toch opgedragen.

17 For if I do this thing willingly, I have a reward: but if against my will, a dispensation [of the gospel] is committed unto me.

17 Want indien ik dat gewillig doe, zo heb ik loon, maar indien onwillig, de uitdeling is mij [evenwel] toebetrouwd.

1KO 9:18 Wat is dan mijn loon? Dit: door mijn evangelieprediking het evangelie om niet te mogen brengen, en zo van mijn bevoegdheid als evangelieprediker geen gebruik te maken.

18 What is my reward then? [Verily] that, when I preach the gospel, I may make the gospel of Christ without charge, that I abuse not my power in the gospel.

18 Wat loon heb ik dan? [Namelijk] dat ik, het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stelle, om mijn macht in het Evangelie niet te misbruiken.

1KO 9:19 Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen;

19 For though I be free from all [men], yet have I made myself servant unto all, that I might gain the more.

19 Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen.

1KO 9:20 en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet - hoewel persoonlijk niet onder de wet - om hen, die onder de wet staan, te winnen;

20 And unto the Jews I became as a Jew, that I might gain the Jews; to them that are under the law, as under the law, that I might gain them that are under the law;

20 En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, [ben ik geworden] als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou.

1KO 9:21 hun, die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet - hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus - om hen, die zonder wet zijn, te winnen.

21 To them that are without law, as without law, (being not without law to God, but under the law to Christ,) that I might gain them that are without law.

21 Degenen, die zonder de wet zijn, [ben ik geworden] als zonder de wet zijnde (Gode [nochtans] zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou.

1KO 9:22 Ik ben voor de zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden.

22 To the weak became I as weak, that I might gain the weak: I am made all things to all [men], that I might by all means save some.

22 Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enigen behouden zou.

1KO 9:23 Alles doe ik ter wille van het evangelie, om er zelf ook deel aan te verkrijgen.

23 And this I do for the gospel's sake, that I might be partaker thereof with [you].

23 En dit doe ik om des Evangelies wil, opdat ik hetzelve mede deelachtig zou worden.

1KO 9:24 Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan lopen, allen wel lopen, doch dat slechts één de prijs kan ontvangen? Loopt dan zó, dat gij die behaalt!

24 Know ye not that they which run in a race run all, but one receiveth the prize? So run, that ye may obtain.

24 Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar [dat] een den prijs ontvangt? Loopt alzo, dat gij [dien] moogt verkrijgen.

1KO 9:25 En al wie aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles; zij om een vergankelijke erekrans te verkrijgen, wij om een onvergankelijke.

25 And every man that striveth for the mastery is temperate in all things. Now they [do it] to obtain a corruptible crown; but we an incorruptible.

25 En een iegelijk, die [om prijs] strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan [doen] wel [dit], opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.

1KO 9:26 Ik loop dan ook niet maar in den blinde en ik ben geen vuistvechter, die zo maar in de lucht slaat.

26 I therefore so run, not as uncertainly; so fight I, not as one that beateth the air:

26 Ik loop dan alzo, niet als op het onzekere; ik kamp alzo, niet als de lucht slaande;

1KO 9:27 Neen, ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden.

27 But I keep under my body, and bring [it] into subjection: lest that by any means, when I have preached to others, I myself should be a castaway.

27 Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.

1KO 10:1 Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen,

1 Moreover, brethren, I would not that ye should be ignorant, how that all our fathers were under the cloud, and all passed through the sea;

1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;

1KO 10:2 allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee,

2 And were all baptized unto Moses in the cloud and in the sea;

2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;

1KO 10:3 allen hetzelfde geestelijke voedsel aten,

3 And did all eat the same spiritual meat;

3 En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;

1KO 10:4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus.

4 And did all drink the same spiritual drink: for they drank of that spiritual Rock that followed them: and that Rock was Christ.

4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.

1KO 10:5 En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn.

5 But with many of them God was not well pleased: for they were overthrown in the wilderness.

5 Maar in het meerder [deel] van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.

1KO 10:6 Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden.

6 Now these things were our examples, to the intent we should not lust after evil things, as they also lusted.

6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.

1KO 10:7 Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zette zich neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te dansen.

7 Neither be ye idolaters, as [were] some of them; as it is written, The people sat down to eat and drink, and rose up to play.

7 En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.

1KO 10:8 En laten wij geen hoererij plegen, zoals sommigen van hen deden, en er vielen op één dag drieëntwintigduizend.

8 Neither let us commit fornication, as some of them committed, and fell in one day three and twenty thousand.

8 En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.

1KO 10:9 En laten wij de Here niet verzoeken, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de slangen.

9 Neither let us tempt Christ, as some of them also tempted, and were destroyed of serpents.

9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slagen vernield.

1KO 10:10 En mort niet, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de verderfengel.

10 Neither murmur ye, as some of them also murmured, and were destroyed of the destroyer.

10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.

1KO 10:11 Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.

11 Now all these things happened unto them for ensamples: and they are written for our admonition, upon whom the ends of the world are come.

11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.

1KO 10:12 Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

12 Wherefore let him that thinketh he standeth take heed lest he fall.

12 Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

1KO 10:13 Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

13 There hath no temptation taken you but such as is common to man: but God [is] faithful, who will not suffer you to be tempted above that ye are able; but will with the temptation also make a way to escape, that ye may be able to bear [it].

13 Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.

1KO 10:14 Daarom dan, mijn geliefden, ontvlucht de afgoderij!

14 Wherefore, my dearly beloved, flee from idolatry.

14 Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.

1KO 10:15 Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf, wat ik zeg.

15 I speak as to wise men; judge ye what I say.

15 Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.

1KO 10:16 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?

16 The cup of blessing which we bless, is it not the communion of the blood of Christ? The bread which we break, is it not the communion of the body of Christ?

16 De drinkbeker der dankzegging, dien wij [dankzeggende] zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?

1KO 10:17 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood.

17 For we [being] many are one bread, [and] one body: for we are all partakers of that one bread.

17 Want een brood [is het, zo] zijn wij velen een lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn.

1KO 10:18 Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het vlees: hebben niet zij, die de offers eten, gemeenschap met het altaar?

18 Behold Israel after the flesh: are not they which eat of the sacrifices partakers of the altar?

18 Ziet Israel, dat naar het vlees is: hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?

1KO 10:19 Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is?

19 What say I then? that the idol is any thing, or that which is offered in sacrifice to idols is any thing?

19 Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?

1KO 10:20 Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten.

20 But I [say], that the things which the Gentiles sacrifice, they sacrifice to devils, and not to God: and I would not that ye should have fellowship with devils.

20 Ja, [ik zeg], dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.

1KO 10:21 Gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten.

21 Ye cannot drink the cup of the Lord, and the cup of devils: ye cannot be partakers of the Lord's table, and of the table of devils.

21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.

1KO 10:22 Of willen wij de Here tot naijver wekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?

22 Do we provoke the Lord to jealousy? are we stronger than he?

22 Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?

1KO 10:23 Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.

23 All things are lawful for me, but all things are not expedient: all things are lawful for me, but all things edify not.

23 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.

1KO 10:24 Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is.

24 Let no man seek his own, but every man another's [wealth].

24 Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk [zoeke] dat des anderen is.

1KO 10:25 Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar,

25 Whatsoever is sold in the shambles, [that] eat, asking no question for conscience sake:

25 Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;

1KO 10:26 want de aarde en haar volheid is des Heren.

26 For the earth [is] the Lord's, and the fulness thereof.

26 Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.

1KO 10:27 Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar.

27 If any of them that believe not bid you [to a feast], and ye be disposed to go; whatsoever is set before you, eat, asking no question for conscience sake.

27 En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij [daar] gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil.

1KO 10:28 Doch indien iemand tot u zegt: Dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, èn om het geweten.

28 But if any man say unto you, This is offered in sacrifice unto idols, eat not for his sake that shewed it, and for conscience sake: for the earth [is] the Lord's, and the fulness thereof:

28 Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet [het] niet, om desgenen wil, die [u dat] te kennen gegeven heeft, en [om] des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.

1KO 10:29 Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten?

29 Conscience, I say, not thine own, but of the other: for why is my liberty judged of another [man's] conscience?

29 Doch ik zeg: [om] het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?

1KO 10:30 Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak, hoe kan men kwaad van mij spreken over iets, waarvoor ik dankzeg?

30 For if I by grace be a partaker, why am I evil spoken of for that for which I give thanks?

30 En indien ik door genade [der spijze] deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg?

1KO 10:31 Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods.

31 Whether therefore ye eat, or drink, or whatsoever ye do, do all to the glory of God.

31 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets [anders] doet, doet het al ter ere Gods.

1KO 10:32 Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot;

32 Give none offence, neither to the Jews, nor to the Gentiles, nor to the church of God:

32 Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.

1KO 10:33 zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden.

33 Even as I please all [men] in all [things], not seeking mine own profit, but the [profit] of many, that they may be saved.

33 Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het [voordeel] van velen, opdat zij mochten behouden worden.

1KO 11:1 Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg.

1 Be ye followers of me, even as I also [am] of Christ.

1 Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.

1KO 11:2 Ik prijs het in u, dat gij in alles aan mij gedachtig blijft en aan de overleveringen zó vasthoudt, als ik ze u overgegeven heb.

2 Now I praise you, brethren, that ye remember me in all things, and keep the ordinances, as I delivered [them] to you.

2 En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik [die] u overgegeven heb.

1KO 11:3 Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God.

3 But I would have you know, that the head of every man is Christ; and the head of the woman [is] the man; and the head of Christ [is] God.

3 Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.

1KO 11:4 Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan.

4 Every man praying or prophesying, having [his] head covered, dishonoureth his head.

4 Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende [iets] op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;

1KO 11:5 Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is.

5 But every woman that prayeth or prophesieth with [her] head uncovered dishonoureth her head: for that is even all one as if she were shaven.

5 Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof [haar] het haar afgesneden ware.

1KO 11:6 Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken.

6 For if the woman be not covered, let her also be shorn: but if it be a shame for a woman to be shorn or shaven, let her be covered.

6 Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.

1KO 11:7 Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.

7 For a man indeed ought not to cover [his] head, forasmuch as he is the image and glory of God: but the woman is the glory of the man.

7 Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.

1KO 11:8 Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man.

8 For the man is not of the woman; but the woman of the man.

8 Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.

1KO 11:9 De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man.

9 Neither was the man created for the woman; but the woman for the man.

9 Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.

1KO 11:10 Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen.

10 For this cause ought the woman to have power on [her] head because of the angels.

10 Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.

1KO 11:11 En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw.

11 Nevertheless neither is the man without the woman, neither the woman without the man, in the Lord.

11 Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.

1KO 11:12 Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God.

12 For as the woman [is] of the man, even so [is] the man also by the woman; but all things of God.

12 Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen [zijn] uit God.

1KO 11:13 Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt?

13 Judge in yourselves: is it comely that a woman pray unto God uncovered?

13 Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?

1KO 11:14 Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is,

14 Doth not even nature itself teach you, that, if a man have long hair, it is a shame unto him?

14 Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?

1KO 11:15 doch dat, indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot een sluier gegeven.

15 But if a woman have long hair, it is a glory to her: for [her] hair is given her for a covering.

15 Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?

1KO 11:16 Maar, indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods.

16 But if any man seem to be contentious, we have no such custom, neither the churches of God.

16 Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.

1KO 11:17 Nu ik dit voorschrijf, moet ik er (tevens mijn) afkeuring over uitspreken, dat uw samenkomsten niet tot zegen, maar tot schade zijn.

17 Now in this that I declare [unto you] I praise [you] not, that ye come together not for the better, but for the worse.

17 Dit nu, [hetgeen] ik [u] aanzegge, prijs ik niet, [namelijk] dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt.

1KO 11:18 Want vooreerst is er, naar ik hoor, wanneer gij als gemeente samenkomt, verdeeldheid onder u, en ten dele geloof ik dit.

18 For first of all, when ye come together in the church, I hear that there be divisions among you; and I partly believe it.

18 Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele;

1KO 11:19 Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan.

19 For there must be also heresies among you, that they which are approved may be made manifest among you.

19 Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.

1KO 11:20 Wanneer gij dan bijeenkomt, is dat niet het eten van de maaltijd des Heren;

20 When ye come together therefore into one place, [this] is not to eat the Lord's supper.

20 Als gij dan bijeen samenkomt, [dat] is niet des Heeren avondmaal eten.

1KO 11:21 want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander dronken.

21 For in eating every one taketh before [other] his own supper: and one is hungry, and another is drunken.

21 Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.

1KO 11:22 Hebt gij dan geen huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij (zózeer) de gemeente Gods, dat gij de behoeftigen beschaamd maakt? Wat zal ik tot u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik niet.

22 What? have ye not houses to eat and to drink in? or despise ye the church of God, and shame them that have not? What shall I say to you? shall I praise you in this? I praise [you] not.

22 Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik [u] niet.

1KO 11:23 Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam,

23 For I have received of the Lord that which also I delivered unto you, That the Lord Jesus the [same] night in which he was betrayed took bread:

23 Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;

1KO 11:24 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis.

24 And when he had given thanks, he brake [it], and said, Take, eat: this is my body, which is broken for you: this do in remembrance of me.

24 En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.

1KO 11:25 Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis.

25 After the same manner also [he took] the cup, when he had supped, saying, This cup is the new testament in my blood: this do ye, as oft as ye drink [it], in remembrance of me.

25 Desgelijks [nam] Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij [dien] zult drinken, tot Mijn gedachtenis.

1KO 11:26 Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.

26 For as often as ye eat this bread, and drink this cup, ye do shew the Lord's death till he come.

26 Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.

1KO 11:27 Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.

27 Wherefore whosoever shall eat this bread, and drink [this] cup of the Lord, unworthily, shall be guilty of the body and blood of the Lord.

27 Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.

1KO 11:28 Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker.

28 But let a man examine himself, and so let him eat of [that] bread, and drink of [that] cup.

28 Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.

1KO 11:29 Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt.

29 For he that eateth and drinketh unworthily, eateth and drinketh damnation to himself, not discerning the Lord's body.

29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.

1KO 11:30 Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.

30 For this cause many [are] weak and sickly among you, and many sleep.

30 Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.

1KO 11:31 Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen.

31 For if we would judge ourselves, we should not be judged.

31 Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.

1KO 11:32 Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden.

32 But when we are judged, we are chastened of the Lord, that we should not be condemned with the world.

32 Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.

1KO 11:33 Daarom, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, wacht op elkander.

33 Wherefore, my brethren, when ye come together to eat, tarry one for another.

33 Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.

1KO 11:34 Heeft iemand honger, laat hij thuis eten, opdat gij niet tot uw oordeel bijeenkomt. Het overige zal ik regelen, wanneer ik kom.

34 And if any man hunger, let him eat at home; that ye come not together unto condemnation. And the rest will I set in order when I come.

34 Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.

1KO 12:1 Ten aanzien van de uitingen des geestes, broeders, wil ik u niet onkundig laten.

1 Now concerning spiritual [gifts], brethren, I would not have you ignorant.

1 En van de geestelijke [gaven], broeders, wil ik niet, dat gij onwetende zijt.

1KO 12:2 Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heendrijven.

2 Ye know that ye were Gentiles, carried away unto these dumb idols, even as ye were led.

2 Gij weet, dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werdt.

1KO 12:3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand, door de Geest Gods sprekende, zegt: Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de heilige Geest.

3 Wherefore I give you to understand, that no man speaking by the Spirit of God calleth Jesus accursed: and [that] no man can say that Jesus is the Lord, but by the Holy Ghost.

3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus den Heere [te zijn], dan door den Heiligen Geest.

1KO 12:4 Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest;

4 Now there are diversities of gifts, but the same Spirit.

4 En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest;

1KO 12:5 en er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Here;

5 And there are differences of administrations, but the same Lord.

5 En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere;

1KO 12:6 en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt.

6 And there are diversities of operations, but it is the same God which worketh all in all.

6 En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.

1KO 12:7 Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen.

7 But the manifestation of the Spirit is given to every man to profit withal.

7 Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is.

1KO 12:8 Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;

8 For to one is given by the Spirit the word of wisdom; to another the word of knowledge by the same Spirit;

8 Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest;

1KO 12:9 aan de een geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest;

9 To another faith by the same Spirit; to another the gifts of healing by the same Spirit;

9 En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest.

1KO 12:10 aan de een werking van krachten, aan de ander profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen.

10 To another the working of miracles; to another prophecy; to another discerning of spirits; to another [divers] kinds of tongues; to another the interpretation of tongues:

10 En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen.

1KO 12:11 Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil.

11 But all these worketh that one and the selfsame Spirit, dividing to every man severally as he will.

11 Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.

1KO 12:12 Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus;

12 For as the body is one, and hath many members, and all the members of that one body, being many, are one body: so also [is] Christ.

12 Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, [maar] een lichaam zijn, alzo ook Christus.

1KO 12:13 want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.

13 For by one Spirit are we all baptized into one body, whether [we be] Jews or Gentiles, whether [we be] bond or free; and have been all made to drink into one Spirit.

13 Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt.

1KO 12:14 Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden.

14 For the body is not one member, but many.

14 Want ook het lichaam is niet een lid, maar vele [leden].

1KO 12:15 Indien de voet zeggen zou: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam?

15 If the foot shall say, Because I am not the hand, I am not of the body; is it therefore not of the body?

15 Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam?

1KO 12:16 En indien het oor zeggen zou: omdat ik niet het oog ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort het daarom niet tot het lichaam?

16 And if the ear shall say, Because I am not the eye, I am not of the body; is it therefore not of the body?

16 En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam?

1KO 12:17 Als het lichaam geheel en al oog was, waar bleef het gehoor? Als het geheel en al gehoor was, waar bleef de reuk?

17 If the whole body [were] an eye, where [were] the hearing? If the whole [were] hearing, where [were] the smelling?

17 Ware het gehele lichaam het oog, waar [zou] het gehoor [zijn]? Ware het gehele [lichaam] gehoor, waar [zou] de reuk [zijn]?

1KO 12:18 Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild.

18 But now hath God set the members every one of them in the body, as it hath pleased him.

18 Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft.

1KO 12:19 Indien zij alle één lid vormden, waar bleef het lichaam?

19 And if they were all one member, where [were] the body?

19 Waren zij alle [maar] een lid, waar [zou] het lichaam [zijn]?

1KO 12:20 Maar nu zijn er wel vele leden, doch slechts één lichaam.

20 But now [are they] many members, yet but one body.

20 Maar nu zijn er wel vele leden, doch [maar] een lichaam.

1KO 12:21 En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig.

21 And the eye cannot say unto the hand, I have no need of thee: nor again the head to the feet, I have no need of you.

21 En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node.

1KO 12:22 Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk,

22 Nay, much more those members of the body, which seem to be more feeble, are necessary:

22 Ja veeleer, de leden, die [ons] dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn nodig.

1KO 12:23 en juist die delen van het lichaam, welke wij minder in ere houden, bekleden wij meer eervol, en onze minder edele leden worden met groter eer behandeld,

23 And those [members] of the body, which we think to be less honourable, upon these we bestow more abundant honour; and our uncomely [parts] have more abundant comeliness.

23 En die ons dunken de minst eerlijke [leden] des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke [leden] hebben overvloediger versiering.

1KO 12:24 doch onze edele leden hebben dat niet nodig. God heeft evenwel het lichaam zó samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was,

24 For our comely [parts] have no need: but God hath tempered the body together, having given more abundant honour to that [part] which lacked:

24 Doch onze sierlijke hebben het niet van node; maar God heeft het lichaam [alzo] samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek [aan dezelve] heeft;

1KO 12:25 opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen.

25 That there should be no schism in the body; but [that] the members should have the same care one for another.

25 Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.

1KO 12:26 Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde.

26 And whether one member suffer, all the members suffer with it; or one member be honoured, all the members rejoice with it.

26 En hetzij dat een lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat een lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.

1KO 12:27 Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden.

27 Now ye are the body of Christ, and members in particular.

27 En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.

1KO 12:28 En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van genezing, (bekwaamheid) om te helpen, om te besturen, en verscheidenheid van tongen.

28 And God hath set some in the church, first apostles, secondarily prophets, thirdly teachers, after that miracles, then gifts of healings, helps, governments, diversities of tongues.

28 En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.

1KO 12:29 Zijn zij soms allen apostelen? Allen profeten? Allen leraars? Allen krachten?

29 [Are] all apostles? [are] all prophets? [are] all teachers? [are] all workers of miracles?

29 Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten?

1KO 12:30 Hebben soms allen gaven van genezing? Spreken soms allen in tongen? Vertolken zij soms allen?

30 Have all the gifts of healing? do all speak with tongues? do all interpret?

30 Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met [menigerlei] talen? Zijn zij allen uitleggers?

1KO 12:31 Streeft dan naar de hoogste gaven. En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert.

31 But covet earnestly the best gifts: and yet shew I unto you a more excellent way.

31 Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is.

1KO 13:1 Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal.

1 Though I speak with the tongues of men and of angels, and have not charity, I am become [as] sounding brass, or a tinkling cymbal.

1 Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.

1KO 13:2 Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik ware niets.

2 And though I have [the gift of] prophecy, and understand all mysteries, and all knowledge; and though I have all faith, so that I could remove mountains, and have not charity, I am nothing.

2 En al ware het dat ik de [gave] der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.

1KO 13:3 Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de liefde niet, het baatte mij niets.

3 And though I bestow all my goods to feed [the poor], and though I give my body to be burned, and have not charity, it profiteth me nothing.

3 En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud [der armen] uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.

1KO 13:4 De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen,

4 Charity suffereth long, [and] is kind; charity envieth not; charity vaunteth not itself, is not puffed up,

4 De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;

1KO 13:5 zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe.

5 Doth not behave itself unseemly, seeketh not her own, is not easily provoked, thinketh no evil;

5 Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;

1KO 13:6 Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid.

6 Rejoiceth not in iniquity, but rejoiceth in the truth;

6 Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;

1KO 13:7 Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij.

7 Beareth all things, believeth all things, hopeth all things, endureth all things.

7 Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.

1KO 13:8 De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zij zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben.

8 Charity never faileth: but whether [there be] prophecies, they shall fail; whether [there be] tongues, they shall cease; whether [there be] knowledge, it shall vanish away.

8 De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieen, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.

1KO 13:9 Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren.

9 For we know in part, and we prophesy in part.

9 Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;

1KO 13:10 Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben.

10 But when that which is perfect is come, then that which is in part shall be done away.

10 Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.

1KO 13:11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was.

11 When I was a child, I spake as a child, I understood as a child, I thought as a child: but when I became a man, I put away childish things.

11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.

1KO 13:12 Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben.

12 For now we see through a glass, darkly; but then face to face: now I know in part; but then shall I know even as also I am known.

12 Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan [zullen wij zien] aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.

1KO 13:13 Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.

13 And now abideth faith, hope, charity, these three; but the greatest of these [is] charity.

13 En nu blijft geloof, hoop [en] liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.

1KO 14:1 Jaagt de liefde na en streeft naar de gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren.

1 Follow after charity, and desire spiritual [gifts], but rather that ye may prophesy.

1 Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke [gaven], maar meest, dat gij moogt profeteren.

1KO 14:2 Want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimenissen.

2 For he that speaketh in an [unknown] tongue speaketh not unto men, but unto God: for no man understandeth [him]; howbeit in the spirit he speaketh mysteries.

2 Want die een [vreemde] taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode; want niemand verstaat [het], doch met den geest spreekt hij verborgenheden.

1KO 14:3 Maar wie profeteert, spreekt voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend.

3 But he that prophesieth speaketh unto men [to] edification, and exhortation, and comfort.

3 Maar die profeteert, spreekt den mensen stichting, en vermaning en vertroosting.

1KO 14:4 Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf, maar wie profeteert, sticht de gemeente.

4 He that speaketh in an [unknown] tongue edifieth himself; but he that prophesieth edifieth the church.

4 Die een [vreemde] taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert die sticht de Gemeente.

1KO 14:5 Ik wilde wel, dat gij allen in tongen spraakt, maar liever nog, dat gij profeteerdet. Wie profeteert, is meer dan wie in tongen spreekt, tenzij hij het ook uitlegt, zodat de gemeente stichting ontvangt.

5 I would that ye all spake with tongues, but rather that ye prophesied: for greater [is] he that prophesieth than he that speaketh with tongues, except he interpret, that the church may receive edifying.

5 En ik wil [wel], dat gij allen in [vreemde] talen spreekt, maar meer, dat gij profeteert; want die profeteert, is meerder dan die [vreemde] talen spreekt, tenzij dan, dat hij het uitlegge, opdat de Gemeente stichting moge ontvangen.

1KO 14:6 En nu, broeders, als ik tot u kom en spreek in tongen, wat nut zal ik u brengen, als ik mij niet tot u richt, of met een openbaring, of met kennis, of met profetie, of met onderricht?

6 Now, brethren, if I come unto you speaking with tongues, what shall I profit you, except I shall speak to you either by revelation, or by knowledge, or by prophesying, or by doctrine?

6 En nu, broeders, indien ik tot u kwam, en sprak [vreemde] talen, wat nuttigheid zou ik u doen, zo ik tot u niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in lering?

1KO 14:7 Hoe toch zal men zelfs bij onbezielde dingen, die geluid geven, fluit of citer, als zij geen verschil in toon doen horen, te weten komen wat op de fluit of de citer gespeeld wordt?

7 And even things without life giving sound, whether pipe or harp, except they give a distinction in the sounds, how shall it be known what is piped or harped?

7 Zelfs ook de levenloze dingen, die geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen onderscheid met [hun] klank geven, hoe zal bekend worden, hetgeen op de fluit of op de citer gespeeld wordt?

1KO 14:8 Immers, indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed maken tot de strijd?

8 For if the trumpet give an uncertain sound, who shall prepare himself to the battle?

8 Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?

1KO 14:9 Evenzo, indien gij met uw tong geen verstaanbare volzin spreekt, hoe zal men het gesprokene begrijpen? Gij zoudt immers in de lucht spreken?

9 So likewise ye, except ye utter by the tongue words easy to be understood, how shall it be known what is spoken? for ye shall speak into the air.

9 Alzo ook gijlieden, indien gij niet door de taal een duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn [als] die in de lucht spreekt.

1KO 14:10 Er zijn wie weet hoe vele soorten van klanken in de wereld en niets is zonder zijn eigen klank.

10 There are, it may be, so many kinds of voices in the world, and none of them [is] without signification.

10 Er zijn, naar het voorvalt, zo vele soorten van stemmen in de wereld, en geen derzelve is zonder stem.

1KO 14:11 Indien ik nu de betekenis van een klank niet ken, zal ik voor iemand, die spreekt, een vreemde zijn en de spreker zal voor mij een vreemde zijn.

11 Therefore if I know not the meaning of the voice, I shall be unto him that speaketh a barbarian, and he that speaketh [shall be] a barbarian unto me.

11 Indien ik dan de kracht der stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt, barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal bij mij barbaars zijn.

1KO 14:12 Zo moet ook gij, omdat gij naar geestelijke gaven streeft, trachten uit te munten tot stichting van de gemeente.

12 Even so ye, forasmuch as ye are zealous of spiritual [gifts], seek that ye may excel to the edifying of the church.

12 Alzo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der Gemeente.

1KO 14:13 Derhalve moet hij, die in een tong spreekt, bidden, dat hij het moge uitleggen.

13 Wherefore let him that speaketh in an [unknown] tongue pray that he may interpret.

13 Daarom, die in een [vreemde] taal spreekt, die bidde, dat hij het moge uitleggen.

1KO 14:14 Want indien ik bid in een tong, bidt mijn geest wel, maar mijn verstand blijft onvruchtbaar.

14 For if I pray in an [unknown] tongue, my spirit prayeth, but my understanding is unfruitful.

14 Want indien ik in een [vreemde] taal bid, mijn geest bidt [wel], maar mijn verstand is vruchteloos.

1KO 14:15 Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand.

15 What is it then? I will pray with the spirit, and I will pray with the understanding also: I will sing with the spirit, and I will sing with the understanding also.

15 Wat is het dan? Ik zal [wel] met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal [wel] met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen.

1KO 14:16 Want anders, indien gij een zegen uitspreekt met uw geest, hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen spreken? Hij weet immers niet, wat gij zegt.

16 Else when thou shalt bless with the spirit, how shall he that occupieth the room of the unlearned say Amen at thy giving of thanks, seeing he understandeth not what thou sayest?

16 Anderszins, indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene, die de plaats eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, dewijl hij niet weet, wat gij zegt?

1KO 14:17 Want gij dankt wel goed, doch de ander wordt er niet door gesticht.

17 For thou verily givest thanks well, but the other is not edified.

17 Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht.

1KO 14:18 Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek;

18 I thank my God, I speak with tongues more than ye all:

18 Ik dank mijn God, dat ik meer [vreemde] talen spreek, dan gij allen;

1KO 14:19 maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden met mijn verstand spreken, om ook anderen te onderwijzen, dan duizenden woorden in een tong.

19 Yet in the church I had rather speak five words with my understanding, that [by my voice] I might teach others also, than ten thousand words in an [unknown] tongue.

19 Maar ik wil [liever] in de Gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een [vreemde] taal.

1KO 14:20 Broeders, weest geen kinderen in het verstand, maar in de boosheid; wordt in het verstand volwassen.

20 Brethren, be not children in understanding: howbeit in malice be ye children, but in understanding be men.

20 Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.

1KO 14:21 In de wet staat geschreven: Door lieden van een andere taal en door lippen van vreemden zal Ik tot dit volk spreken, en toch zullen zij naar Mij niet luisteren, zegt de Here.

21 In the law it is written, With [men of] other tongues and other lips will I speak unto this people; and yet for all that will they not hear me, saith the Lord.

21 In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heere.

1KO 14:22 Derhalve zijn de tongen een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen; de profetie echter is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven.

22 Wherefore tongues are for a sign, not to them that believe, but to them that believe not: but prophesying [serveth] not for them that believe not, but for them which believe.

22 Zo dan, de [vreemde] talen zijn tot een teken niet dengenen, die geloven, maar den ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar dengenen, die geloven.

1KO 14:23 Indien dan de gehele gemeente bijeengekomen is en allen in tongen spreken, en er komen toehoorders of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen, dat gij wartaal spreekt?

23 If therefore the whole church be come together into one place, and all speak with tongues, and there come in [those that are] unlearned, or unbelievers, will they not say that ye are mad?

23 Indien dan de gehele Gemeente bijeenvergaderd ware, en zij allen in [vreemde] talen spraken, en [enige] ongeleerden of ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen, dat gij uitzinnig waart?

1KO 14:24 Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen doorgrond,

24 But if all prophesy, and there come in one that believeth not, or [one] unlearned, he is convinced of all, he is judged of all:

24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, [en] hij wordt van allen geoordeeld.

1KO 14:25 het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden, dat God inderdaad in uw midden is.

25 And thus are the secrets of his heart made manifest; and so falling down on [his] face he will worship God, and report that God is in you of a truth.

25 En alzo worden de verborgene dingen zijns harten openbaar; en alzo, vallende op [zijn] aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God waarlijk onder u is.

1KO 14:26 Hoe staat het dan, broeders? Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging; dat alles moet tot stichting geschieden.

26 How is it then, brethren? when ye come together, every one of you hath a psalm, hath a doctrine, hath a tongue, hath a revelation, hath an interpretation. Let all things be done unto edifying.

26 Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een [vreemde] taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting;

1KO 14:27 Indien er in tongen spreken, laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat één uitleg geven.

27 If any man speak in an [unknown] tongue, [let it be] by two, or at the most [by] three, and [that] by course; and let one interpret.

27 En zo iemand een [vreemde] taal spreekt, [dat] het door twee, of ten meeste drie [geschiede], en bij beurte; en dat een het uitlegge.

1KO 14:28 Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen in de gemeente, maar tot zichzelf en tot God spreken.

28 But if there be no interpreter, let him keep silence in the church; and let him speak to himself, and to God.

28 Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God.

1KO 14:29 Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen.

29 Let the prophets speak two or three, and let the other judge.

29 En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen.

1KO 14:30 Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen.

30 If [any thing] be revealed to another that sitteth by, let the first hold his peace.

30 Doch indien een ander, die er zit, [iets] geopenbaard is, dat de eerste zwijge.

1KO 14:31 Want gij kunt alleen één voor één profeteren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen.

31 For ye may all prophesy one by one, that all may learn, and all may be comforted.

31 Want gij kunt allen, de een na den ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden.

1KO 14:32 En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen,

32 And the spirits of the prophets are subject to the prophets.

32 En de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen.

1KO 14:33 want God is geen God van wanorde, maar van vrede.

33 For God is not [the author] of confusion, but of peace, as in all churches of the saints.

33 Want God is geen [God] van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.

1KO 14:34 Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt.

34 Let your women keep silence in the churches: for it is not permitted unto them to speak; but [they are commanded] to be under obedience, as also saith the law.

34 Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar [bevolen] onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.

1KO 14:35 En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente.

35 And if they will learn any thing, let them ask their husbands at home: for it is a shame for women to speak in the church.

35 En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.

1KO 14:36 Of is het woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?

36 What? came the word of God out from you? or came it unto you only?

36 Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?

1KO 14:37 Indien iemand meent een profeet of geestelijk mens te zijn, laat hij dan wèl weten, dat hetgeen ik u schrijf, een gebod des Heren is.

37 If any man think himself to be a prophet, or spiritual, let him acknowledge that the things that I write unto you are the commandments of the Lord.

37 Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.

1KO 14:38 Maar als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend.

38 But if any man be ignorant, let him be ignorant.

38 Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend.

1KO 14:39 Zo dan, mijn broeders, streeft ernaar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet.

39 Wherefore, brethren, covet to prophesy, and forbid not to speak with tongues.

39 Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in [vreemde] talen te spreken.

1KO 14:40 Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden.

40 Let all things be done decently and in order.

40 Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.

1KO 15:1 Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat,

1 Moreover, brethren, I declare unto you the gospel which I preached unto you, which also ye have received, and wherein ye stand;

1 Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat;

1KO 15:2 waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zó vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn.

2 By which also ye are saved, if ye keep in memory what I preached unto you, unless ye have believed in vain.

2 Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.

1KO 15:3 Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften,

3 For I delivered unto you first of all that which I also received, how that Christ died for our sins according to the scriptures;

3 Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;

1KO 15:4 en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften,

4 And that he was buried, and that he rose again the third day according to the scriptures:

4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;

1KO 15:5 en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven.

5 And that he was seen of Cephas, then of the twelve:

5 En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.

1KO 15:6 Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen.

6 After that, he was seen of above five hundred brethren at once; of whom the greater part remain unto this present, but some are fallen asleep.

6 Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het meren [deel] nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.

1KO 15:7 Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen;

7 After that, he was seen of James; then of all the apostles.

7 Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen.

1KO 15:8 maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene.

8 And last of all he was seen of me also, as of one born out of due time.

8 En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.

1KO 15:9 Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb.

9 For I am the least of the apostles, that am not meet to be called an apostle, because I persecuted the church of God.

9 Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.

1KO 15:10 Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is.

10 But by the grace of God I am what I am: and his grace which [was bestowed] upon me was not in vain; but I laboured more abundantly than they all: yet not I, but the grace of God which was with me.

10 Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die [aan] mij [bewezen is], is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.

1KO 15:11 Daarom dan, ik of zij, zó prediken wij, en zó zijt gij tot het geloof gekomen.

11 Therefore whether [it were] I or they, so we preach, and so ye believed.

11 Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd.

1KO 15:12 Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is?

12 Now if Christ be preached that he rose from the dead, how say some among you that there is no resurrection of the dead?

12 Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is?

1KO 15:13 Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt.

13 But if there be no resurrection of the dead, then is Christ not risen:

13 En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt.

1KO 15:14 En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.

14 And if Christ be not risen, then [is] our preaching vain, and your faith [is] also vain.

14 En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.

1KO 15:15 Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden.

15 Yea, and we are found false witnesses of God; because we have testified of God that he raised up Christ: whom he raised not up, if so be that the dead rise not.

15 En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden.

1KO 15:16 Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt;

16 For if the dead rise not, then is not Christ raised:

16 Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt.

1KO 15:17 en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden.

17 And if Christ be not raised, your faith [is] vain; ye are yet in your sins.

17 En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.

1KO 15:18 Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren.

18 Then they also which are fallen asleep in Christ are perished.

18 Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.

1KO 15:19 Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.

19 If in this life only we have hope in Christ, we are of all men most miserable.

19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.

1KO 15:20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn.

20 But now is Christ risen from the dead, [and] become the firstfruits of them that slept.

20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, [en] is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.

1KO 15:21 Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens.

21 For since by man [came] death, by man [came] also the resurrection of the dead.

21 Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.

1KO 15:22 Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.

22 For as in Adam all die, even so in Christ shall all be made alive.

22 Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.

1KO 15:23 Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst;

23 But every man in his own order: Christ the firstfruits; afterward they that are Christ's at his coming.

23 Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.

1KO 15:24 daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben.

24 Then [cometh] the end, when he shall have delivered up the kingdom to God, even the Father; when he shall have put down all rule and all authority and power.

24 Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.

1KO 15:25 Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.

25 For he must reign, till he hath put all enemies under his feet.

25 Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.

1KO 15:26 De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood,

26 The last enemy [that] shall be destroyed [is] death.

26 De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.

1KO 15:27 want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft.

27 For he hath put all things under his feet. But when he saith all things are put under [him, it is] manifest that he is excepted, which did put all things under him.

27 Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat [Hem] alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.

1KO 15:28 Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

28 And when all things shall be subdued unto him, then shall the Son also himself be subject unto him that put all things under him, that God may be all in all.

28 En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

1KO 15:29 Wat zullen anders zij doen, die zich voor de doden laten dopen? Indien er in het geheel geen doden opgewekt worden, waarom laten zij zich nog voor hen dopen?

29 Else what shall they do which are baptized for the dead, if the dead rise not at all? why are they then baptized for the dead?

29 Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt?

1KO 15:30 Waarom zijn ook wijzelf van uur tot uur in gevaar?

30 And why stand we in jeopardy every hour?

30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?

1KO 15:31 Zowaar als ik, broeders, op u roem draag in Christus Jezus, onze Here, ik sterf elke dag.

31 I protest by your rejoicing which I have in Christ Jesus our Lord, I die daily.

31 Ik sterf alle dagen, [hetwelk ik betuig] bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere.

1KO 15:32 Indien ik te Efeze, naar de mens, met wilde dieren gevochten heb, wat baat het mij? Indien er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij.

32 If after the manner of men I have fought with beasts at Ephesus, what advantageth it me, if the dead rise not? let us eat and drink; for to morrow we die.

32 Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.

1KO 15:33 Misleidt uzelf niet; slechte omgang bederft goede zeden.

33 Be not deceived: evil communications corrupt good manners.

33 Dwaalt niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden.

1KO 15:34 Komt tot de rechte nuchterheid en zondigt niet langer, want sommigen hebben geen besef van God. Tot uw beschaming moet ik dit zeggen.

34 Awake to righteousness, and sin not; for some have not the knowledge of God: I speak [this] to your shame.

34 Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.

1KO 15:35 Maar, zal iemand zeggen, hoe worden de doden opgewekt? En met wat voor lichaam komen zij?

35 But some [man] will say, How are the dead raised up? and with what body do they come?

35 Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?

1KO 15:36 Dwaas! Wat gij zelf zaait, wordt niet levend, of het moet gestorven zijn,

36 [Thou] fool, that which thou sowest is not quickened, except it die:

36 Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;

1KO 15:37 en als gij zaait, zaait gij niet het toekomstige lichaam, maar slechts een korrel, bijvoorbeeld van koren, of van iets anders.

37 And that which thou sowest, thou sowest not that body that shall be, but bare grain, it may chance of wheat, or of some other [grain]:

37 En hetgeen gij zaait, [daarvan] zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere [granen].

1KO 15:38 Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam.

38 But God giveth it a body as it hath pleased him, and to every seed his own body.

38 Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.

1KO 15:39 Alle vlees is niet hetzelfde, maar dat van mensen is anders dan dat van beesten, en het vlees van vogels weer anders dan dat van vissen.

39 All flesh [is] not the same flesh: but [there is] one [kind of] flesh of men, another flesh of beasts, another of fishes, [and] another of birds.

39 Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen.

1KO 15:40 Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse.

40 [There are] also celestial bodies, and bodies terrestrial: but the glory of the celestial [is] one, and the [glory] of the terrestrial [is] another.

40 En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse.

1KO 15:41 De glans der zon is anders dan die der maan en der sterren, want de ene ster verschilt van de andere in glans.

41 [There is] one glory of the sun, and another glory of the moon, and another glory of the stars: for [one] star differeth from [another] star in glory.

41 Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de [ene] ster verschilt in heerlijkheid van de [andere] ster.

1KO 15:42 Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid;

42 So also [is] the resurrection of the dead. It is sown in corruption; it is raised in incorruption:

42 Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het [lichaam] wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;

1KO 15:43 er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht.

43 It is sown in dishonour; it is raised in glory: it is sown in weakness; it is raised in power:

43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.

1KO 15:44 Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.

44 It is sown a natural body; it is raised a spiritual body. There is a natural body, and there is a spiritual body.

44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.

1KO 15:45 Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest.

45 And so it is written, The first man Adam was made a living soul; the last Adam [was made] a quickening spirit.

45 Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.

1KO 15:46 Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke.

46 Howbeit that [was] not first which is spiritual, but that which is natural; and afterward that which is spiritual.

46 Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.

1KO 15:47 De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel.

47 The first man [is] of the earth, earthy: the second man [is] the Lord from heaven.

47 De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.

1KO 15:48 Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen.

48 As [is] the earthy, such [are] they also that are earthy: and as [is] the heavenly, such [are] they also that are heavenly.

48 Hoedanig de aardse [is], zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de hemelse [is], zodanige zijn ook de hemelsen.

1KO 15:49 En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.

49 And as we have borne the image of the earthy, we shall also bear the image of the heavenly.

49 En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, [alzo] zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen.

1KO 15:50 Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet.

50 Now this I say, brethren, that flesh and blood cannot inherit the kingdom of God; neither doth corruption inherit incorruption.

50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beerven kunnen, en de verderfelijkheid beerft de onverderfelijkheid niet.

1KO 15:51 Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden,

51 Behold, I shew you a mystery; We shall not all sleep, but we shall all be changed,

51 Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;

1KO 15:52 in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.

52 In a moment, in the twinkling of an eye, at the last trump: for the trumpet shall sound, and the dead shall be raised incorruptible, and we shall be changed.

52 In een punt des [tijds], in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.

1KO 15:53 Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.

53 For this corruptible must put on incorruption, and this mortal [must] put on immortality.

53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke [moet] onsterfelijkheid aandoen.

1KO 15:54 En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning.

54 So when this corruptible shall have put on incorruption, and this mortal shall have put on immortality, then shall be brought to pass the saying that is written, Death is swallowed up in victory.

54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.

1KO 15:55 Dood, waar is uw overwinning Dood, waar is uw prikkel?

55 O death, where [is] thy sting? O grave, where [is] thy victory?

55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?

1KO 15:56 De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet.

56 The sting of death [is] sin; and the strength of sin [is] the law.

56 De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.

1KO 15:57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus.

57 But thanks [be] to God, which giveth us the victory through our Lord Jesus Christ.

57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.

1KO 15:58 Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here.

58 Therefore, my beloved brethren, be ye stedfast, unmoveable, always abounding in the work of the Lord, forasmuch as ye know that your labour is not in vain in the Lord.

58 Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.

1KO 16:1 Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Galatië geregeld heb:

1 Now concerning the collection for the saints, as I have given order to the churches of Galatia, even so do ye.

1 Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen [geschiedt], gelijk als ik aan de Gemeenten in Galatie verordend heb, doet ook gij alzo.

1KO 16:2 elke eerste dag der week legge ieder uwer naar vermogen thuis iets weg, en hij spare dit op, opdat er niet eerst na mijn komst inzamelingen moeten gehouden worden.

2 Upon the first [day] of the week let every one of you lay by him in store, as [God] hath prospered him, that there be no gatherings when I come.

2 Op elken eersten [dag] der week, legge een iegelijk van u [iets] bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet [eerst] geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.

1KO 16:3 Wanneer ik dan aangekomen ben, zal ik hen, die gij daarvoor geschikt acht, met brieven zenden om uw liefdegave te Jeruzalem af te dragen.

3 And when I come, whomsoever ye shall approve by [your] letters, them will I send to bring your liberality unto Jerusalem.

3 En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen.

1KO 16:4 Mocht het echter van belang zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen.

4 And if it be meet that I go also, they shall go with me.

4 En indien het der moeite waardig mocht zijn, dat ik ook zelf reizen zou, zo zullen zij met mij reizen.

1KO 16:5 En ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië doorgereisd ben, want ik zal de reis door Macedonië doen,

5 Now I will come unto you, when I shall pass through Macedonia: for I do pass through Macedonia.

5 Doch ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonie zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonie gaan);

1KO 16:6 maar dan zal ik mij mogelijk bij u langer ophouden, misschien wel de winter doorbrengen, zodat gij mij kunt voorthelpen, wanneer ik verder reis.

6 And it may be that I will abide, yea, and winter with you, that ye may bring me on my journey whithersoever I go.

6 En ik zal mogelijk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden, waar ik zal henenreizen.

1KO 16:7 Want ik wil u thans niet in het voorbijgaan bezoeken, want ik hoop enige tijd bij u te blijven, als de Here het toestaat.

7 For I will not see you now by the way; but I trust to tarry a while with you, if the Lord permit.

7 Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten.

1KO 16:8 Maar ik zal nog tot Pinksteren te Efeze blijven;

8 But I will tarry at Ephesus until Pentecost.

8 Maar ik zal te Efeze blijven tot den pinkster [dag].

1KO 16:9 want mij is een grote en machtige deur geopend en er zijn vele tegenstanders.

9 For a great door and effectual is opened unto me, and [there are] many adversaries.

9 Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders.

1KO 16:10 Wanneer Timoteüs komt, zorgt er dan voor, dat hij bij u niet afgeschrikt wordt, want hij doet het werk des Heren evenals ik;

10 Now if Timotheus come, see that he may be with you without fear: for he worketh the work of the Lord, as I also [do].

10 Zo nu Timotheus komt, ziet, dat hij buiten vreze bij u zij; want hij werkt het werk des Heeren, gelijk als ik.

1KO 16:11 laat niemand hem dan geringschatten. Maar helpt hem voort in vrede, opdat hij tot mij komen kan, want ik wacht op hem met de broeders.

11 Let no man therefore despise him: but conduct him forth in peace, that he may come unto me: for I look for him with the brethren.

11 Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen.

1KO 16:12 En wat broeder Apollos aangaat, hem heb ik herhaaldelijk verzocht met de broeders tot u te gaan, doch hij wenste bepaald niet nu te gaan, maar hij zal gaan, zodra het hem gelegen komt.

12 As touching [our] brother Apollos, I greatly desired him to come unto you with the brethren: but his will was not at all to come at this time; but he will come when he shall have convenient time.

12 En wat aangaat Apollos, den broeder, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broederen tot u komen zou; maar het was ganselijk [zijn] wil niet, dat hij nu zou komen; doch hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn.

1KO 16:13 Blijft waakzaam, staat in het geloof, weest manlijk, weest sterk!

13 Watch ye, stand fast in the faith, quit you like men, be strong.

13 Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk.

1KO 16:14 Laat alles bij u in liefde toegaan.

14 Let all your things be done with charity.

14 Dat al uw dingen in de liefde geschieden.

1KO 16:15 Nog een verzoek, broeders: gij weet van het huis van Stefanas, dat het een eersteling van Achaje is en dat zij zich ten dienste van de heiligen gesteld hebben.

15 I beseech you, brethren, (ye know the house of Stephanas, that it is the firstfruits of Achaia, and [that] they have addicted themselves to the ministry of the saints,)

15 En ik bid u, broeders, gij kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en [dat] zij zichzelven den heiligen ten dienst hebben geschikt;

1KO 16:16 Stelt u dan ook onder zulke mensen, en onder ieder, die medewerkt en arbeidt.

16 That ye submit yourselves unto such, and to every one that helpeth with [us], and laboureth.

16 Dat gij ook u aan de zodanigen onderwerpt, en aan een iegelijk, die medewerkt en arbeidt.

1KO 16:17 Ik verblijd mij over de komst van Stefanas, Fortunatus en Achaïkus, want hetgeen van uw kant nog ontbrak, hebben dezen aangevuld;

17 I am glad of the coming of Stephanas and Fortunatus and Achaicus: for that which was lacking on your part they have supplied.

17 En ik verblijde mij over de aankomst van Stefanas, en Fortunatus, en Achaikus, want dezen hebben vervuld hetgeen [mij] aan u ontbrak;

1KO 16:18 want zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt. Erkent dan zulke mensen.

18 For they have refreshed my spirit and yours: therefore acknowledge ye them that are such.

18 Want zij hebben mijn geest verkwikt, en [ook] den uwen. Erkent dan de zodanigen.

1KO 16:19 U groeten de gemeenten van Asia. Vele groeten in de Here van Aquila en Prisca en van de gemeente bij hen aan huis.

19 The churches of Asia salute you. Aquila and Priscilla salute you much in the Lord, with the church that is in their house.

19 U groeten de Gemeenten van Azie. U groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die te hunnen huize is.

1KO 16:20 U groeten al de broeders. Groet elkander met de heilige kus.

20 All the brethren greet you. Greet ye one another with an holy kiss.

20 U groeten al de broeders. Groet elkander met een heiligen kus.

1KO 16:21 Een eigenhandige groet van mij, Paulus.

21 The salutation of [me] Paul with mine own hand.

21 De groetenis met mijn hand van Paulus.

1KO 16:22 Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranata!

22 If any man love not the Lord Jesus Christ, let him be Anathema Maranatha.

22 Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!

1KO 16:23 De genade van de Here Jezus zij met u.

23 The grace of our Lord Jesus Christ [be] with you.

23 De genade van den Heere Jezus Christus zij met u.

1KO 16:24 Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus.

24 My love [be] with you all in Christ Jesus. Amen.

24 Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.

 

[The first [epistle] to the Corinthians was written from Philippi by Stephanas and Fortunatus and Achaicus and Timotheus.]